12.5 Vaststelling bestemmingsplan Indië Woongebied - Bijlage 5 - Bestemmingsplan Woongebied Indië – Deel 3.pdf
Tekst van het document
vastgesteld bestemmingsplan Woongebied Indië - Deel 3
33
NL.IMRO.0141.00063-BP31
Figuur 4.6 Uitsnede kaart Masterplan (Bron: Gemeente Almelo) Almelo is in het Masterplan opgedeeld in vijf samenhangende plandelen. Het Indiëterrein is gelegen in de plandelen Centrum en Noord. Het plandeel Centrum wordt als de belangrijkste pijler van de ruimtelijke visie gezien en daarmee ook als het belangrijkste plandeel. Voor het plandeel Centrum is daarom een uitwerking van het Masterplan opgenomen (Binnenstadplan). In het Binnenstadplan is het plandeel opgedeeld in deelgebieden. Het Indiëterrein behoort tot het deelgebied 'Opgerekte' binnenstad. Binnen dit deel van de binnenstad is ruimte voor binnenstedelijke woonmilieus. Bij een aantal locaties in dit deel van de binnenstad zal functieverandering of vernieuwing gaan plaatsvinden, zoals het Indiëterrein. Voor deze ontwikkelingen wordt aangegeven dat geprofiteerd kan worden van de nabijheid van stedelijke functies en levendigheid. De plannen voor deze locaties zorgen voor nieuwe bijzondere woonmilieus en helpen de stad in balans te brengen. Het Indiëterrein wordt daarbij aangemerkt als essentieel voor het slagen van de uitgangspunten van het Masterplan, waardoor het Indiëterrein is aangewezen als Kernproject van het Masterplan. In het Masterplan is in 2004 voor het Indiëterrein uitgegaan van de realisatie van 450 woningen. Van dit aantal mag gemotiveerd worden afgeweken.
Sinds 2004 is duidelijk geworden dat meer woningen hier gewenst zijn. Daarom is in de eerder genoemde partiële herziening van het structuurplan het woningaantal aangepast tot 600. Ten noorden van het Indiëterrein wordt de transformatie van het groengebied tot een nieuw stadspark
vastgesteld bestemmingsplan Woongebied Indië - Deel 3
34
NL.IMRO.0141.00063-BP31
(Noorderpark) voorzien. Tussen het Noorderpark en het Indiëterrein komt de Noordallee (inmiddels omgedoopt tot Burgemeester Schneiderssingel). Deze vormt een belangrijke ontsluiting van de binnenstad vanuit het noorden. Gebieden als het Indiëterrein dienen volgens het Masterplan nieuwe ruimte te bieden aan bedrijven waarvoor het stedelijke karakter zeer belangrijk is. De landschappelijke kwaliteiten van het Noorderpark en het kanaal bieden bovendien aanknopingspunten voor een woongebied met twee gezichten. Voor het Indiëterrein is daarom aangegeven dat centrumstedelijke woonmilieus zullen worden gecombineerd met nieuwe soorten van bedrijvigheid en dienstverlening. De waardevolle en beeldbepalende gebouwen van de textielverwerkende industrie completeren de locatie. Bezoekers vanuit het noorden zullen via de Noordallee het Indiëterrein moeten zien als vooraankondiging van het centrum. Bij de ontwikkeling van het Indiëterrein moet tenslotte rekening worden gehouden met de milieuregels vanwege het naastgelegen terrein Turfkade. In het Masterplan is aangegeven dat bedrijven met zware milieueisen uit deze omgeving worden geweerd.
4.3.4 Woonvisie Almelo 2020 Op 3 juli 2012 is de Woonvisie Almelo 2020 vastgesteld door de gemeenteraad van Almelo. Deze woonvisie is opgesteld in samenspraak met de lokale woningbouwcoöperaties. Sinds de vaststelling van de woonvisie in 2012 is er veel veranderd (economische en maatschappelijke veranderingen). Deze veranderingen hebben hen weerslag op de woningmarkt in Almelo. Daarom is nu een nieuwe visie in voorbereiding voor de periode van 2020 tot 2030. Deze is nog niet vastgesteld. De in dit bestemmingsplan voorziene woningbouw heeft betrekking op de periode na 2020. Toetsingskader zal dan ook de nog vast te stellen woonvisie worden. Voor de volledigheid is nu nog eerst de huidige woonvisie beknopt samengevat en wordt vervolgens ingegaan op de nieuwe woonvisie. De in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte woningen worden hierin meegenomen conform de tussen ontwikkelaar en gemeente gesloten overeenkomst. 4.3.4.1 Visie Het doel van de huidige visie is om Almelo een aantrekkelijke centrumgemeente te laten zijn waar het prettig leven is en goed toeven.
Om dit te kunnen bereiken heeft Almelo zichzelf een drietal veranderopgaven gesteld: Woonconsument centraal: Almelo wil zich onderscheiden als dé stad waar de woonconsument zelf kan bepalen hoe hij wil wonen en ook de ruimte heeft om die gewenste woonsituatie vorm te geven; Duurzamere stad: Almelo wil zich onderscheiden als duurzame stad. Onder duurzaam verstaat Almelo niet alleen een schoon milieu maar ook een veilige, leefbare, toegankelijke en toekomstbestendige stad. Betere sociaaleconomische balans: Almelo streeft naar een betere sociaal economische balans dan nu het geval is, door perspectief te bieden aan de inwoners zelf en door het binden van midden en hogere inkomens. 4.3.4.2 Woningbouwprogramma Voor Almelo zijn meerdere prognoses beschikbaar op basis waarvan de toekomstige bevolkingsaantallen, de omvang van de woningvoorraad en het aantal huishoudens kunnen worden ingeschat. Uit prognoses blijkt dat er een structurele behoefte is aan meer woningen in Almelo. Gezien de verwachte ontwikkelingen en behoeften streeft Almelo naar 75.000 inwoners aan het eind van de periode van de woonvisie. De realisatie van deze structurele opgave wordt echter door de conjunctuur danig beïnvloed. Idealiter, in het licht van de bevindingen en uitspraken gedaan in deze woonvisie, worden er per jaar dan zo'n 200 tot 225 woningen netto toegevoegd aan de voorraad.
Men streeft naar een realistisch programma, waarin ook rekening wordt gehouden met een veranderende marktsituatie. Vanwege deze redenen is voor een flexibele woningbouwprogramma gekozen.
vastgesteld bestemmingsplan Woongebied Indië - Deel 3
35
NL.IMRO.0141.00063-BP31
4.3.4.3 Indië terrein Het Indië terrein is in de woonvisie aangewezen als een mogelijke nieuwbouwlocatie voor woningen. Dit bestemmingsplan voorziet in de ontwikkeling van nieuwbouwwoningen en de herstructurering van een industrieterrein, zodat een deel van het regionale behoefte aan woningen in dit plangebied kan worden gerealiseerd. Voor Indië specifiek en voor herstructurering in het algemeen is voor de periode van 2010-2020 een indicatie gegeven van in totaal 1.312 woningen. De in dit bestemmingplan mogelijk gemaakte woningen worden in de periode na 2020 gerealiseerd en dienen daarom conform de afspraken in het momenteel in voorbereiding zijnde nieuwe woningbouwprogramma voor na 2020 opgenomen te worden.
4.3.5 Woonvisie Almelo 2020-2030 Binnenkort wordt de nieuwe woonvisie voor Almelo vastgesteld. Voor de volledigheid is deze alvast in het voorliggende bestemmingsplan opgenomen. De gemeentelijke Woonvisie is aan een actualisatie toe. Sinds juli 2012, het moment waarop de huidige Woonvisie van Almelo is vastgesteld, is de situatie duidelijk veranderd. Ook is in de prestatieafspraken met de woningcorporaties afgesproken dat er een herijking van de Woonvisie moet komen. Met de nieuwe Woonvisie bepaalt de gemeente Almelo de woonkoers en beschikken men over een actuele basis om woonafspraken te kunnen maken met partners. In de Woonvisie Almelo 2020 -2030 wordt ingegaan op de (beleids)omgeving en de opgaven die gesignaleerd worden. Met deze visie wordt ongeveer vijftien jaar vooruit gekeken. Op basis van de prognose en de historische en huidige woonsituatie in Almelo, zijn debelangrijkste ambities op woongebied bepaald. In de nieuwe woonvisie worden de volgende uitgangspunten en (deel)ambities vastgelegd: 1. Flexibele woningvoorraad a. De verwachte groei van de gemeente mogelijk maken en alvast voorbereid zijn op de op termijn te verwachten krimp b. Onderscheidende nieuwbouw realiseren en een aantrekkelijke vestigingsplaats zijn voor de jongeren en jonge gezinnen c. Inbreiding verkiezen boven uitbreiding d. Een vitale, aantrekkelijke binnenstad creëren e.
De kernen Aadorp en Bornerbroek de ruimte geven om aan de vraag naar nieuwbouw tegemoet te komen 2. Evenwichtige en gevarieerde woningvoorraad a. Het aandeel koop- en huurwoningen meer in evenwicht brengen, en de sociale woningbouw beter over onze en omliggende gemeente(n) verdelen b. De woonvoorzieningen voor kwetsbare groepen beter over de gemeente Almelo en omliggende gemeenten verdelen 3. Toekomstbestendige en duurzame woningvoorraad a. Zorgen dat (oudere) inwoners een fijne woonomgeving krijgen/behouden, in nabijheid van anderen en met voorzieningen binnen bereik b. Bestaande en nieuwe woningen levensloopgeschikt maken c. Een betaalbare en duurzame energievoorziening bereikbaar maken voor iedereen en bestaande woningen voor 2050 aardgasvrij maken De in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte woonwijk past binnen deze uitgangspunten en ambities. Er wordt voorzien in diverse woningtypes, zowel gestapeld als grondgebonden, waardoor een evenwichtig en gevarieerd woningaanbod wordt gecreëerd. De gestapelde woningen zijn per definitie levensloopbestendig vanwege nul treden. Men ziet de vergrijzing als een belangrijke maatschappelijke ontwikkeling, waardoor de behoefte aan geschikte woningen voor de groeiende groep ouderen toe zal nemen. In deze behoefte wordt met deze woningen/appartementen voorzien. Naast (jonge) senioren
vastgesteld bestemmingsplan Woongebied Indië - Deel 3
36
NL.IMRO.0141.00063-BP31
worden ook alleenstaande van middelbare en jongere leeftijd als doelgroep gezien. Zeker nu de huishoudens steeds kleiner worden en het aandeel 1-pers. huishoudens stijgt. De prijsklassen worden afgestemd op deze doelgroep, zodat niet alleen vrije sector koop, maar ook (vrije sector) huur een belangrijk uitgangspunt is. Bij de ontwikkeling gaat het om inbreiding in plaats van uitbreiding, omdat de uitbreiding van de woningvoorraad door de transformatie van een voormalig industrieterrein gebruikt maakt van de ruimte binnen het bestaande bebouwde gebied. De groei van Almelo en de huidige druk op de woningmarkt maken dat Almelo snel woningen nodig heeft, namelijk 1.400 tot 2030 en dan nog circa 230 tot 2035. Het voorliggende bestemmingsplan levert hieraan een belangrijke bijdrage. Dit bestemmingsplan is dan ook in lijn met het huidige en het toekomstige woonbeleid van Almelo
4.3.6 Bomenstructuurplan Het bomenstructuurplan – als onderdeel van het bomenbeleid – is een beleidsdocument dat de gemeentelijke visie op bomen verwoordt, de bestaande en toekomstig te realiseren boomstructuren aanwijst en maatregelen formuleert die van belang zijn voor behoud, versterking en ontwikkeling van de bomenstructuur. Daarnaast vormt het bomenstructuurplan het belangrijkste document om input te leveren voor bescherming en inpassing van bestaande bomen en nieuw aan te planten bomen in ruimtelijke ontwikkelingsprojecten. Ook functioneert het plan als toetsingsinstrument voor de gemeentelijke kapverordening om te bepalen of (particuliere) bomen al dan niet kapvergunningplichtig zijn. Het bomenstructuurplan is een planvorm zonder juridische status. Dit betekent dat het plan een (beleids)sturend en richtinggevend karakter heeft zonder dwingend te zijn. Met het vaststellen van de inhoud van het plan legt het gemeentebestuur haar beleid voor de periode 2010-2020 vast. Het bomenstructuurplan wordt daarmee een uitgangspunt in toekomstige discussies over bomen en legt de basis voor bomen in nieuwe plannen. Het plan zorgt voor borging van waardevolle bomen en bomenstructuren en het hieraan toekennen van het juiste gewicht als het gaat om weging van de verschillende belangen.
Ook zal het plan richtinggevend zijn voor het opstellen van beheer- en werkplannen voor het bomenonderhoud en zodoende houvast bieden voor het dagelijkse beheer en onderhoud van het gemeentelijke bomenbestand. Binnen het plangebied zijn geen bomen, boomrijen of boomgroepen aanwezig die in het bomenstructuurplan worden genoemd. Het bomenstructuurplan vormt dan ook geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.
4.3.7 Parkeerbeleid Almelo Bestemmingsplan 'Parapluherziening parkeren' Op grond van artikel 4.1 van het bestemmingsplan 'Parapluherziening parkeren' kan een aanvraag om omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit pas worden verleend als bij de aanvraag om een omgevingsvergunning wordt aangetoond dat gelet op de omvang of de bestemming van het gebouw en/of gronden in voldoende mate wordt voorzien in ruimte voor het parkeren of stallen van motorvoertuigen in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Hierbij gelden de parkeernormen, zoals vastgelegd in de vastgestelde beleidsnota Parkeerbeleidsplan Gemeente Almelo 'Parkeren Optimaliseren 2013-2018'. Mocht deze beleidsregel gedurende de planperiode worden gewijzigd (herzien, aangevuld of nader uitgewerkt), dan treedt diens rechtsopvolger hiervoor in de plaats. Op grond van artikel 4.3 van het bestemmingsplan 'Parapluherziening parkeren' kan (binnenplans) worden afgeweken van artikel 4.1 van dit bestemmingsplan. Het uitgangspunt is dat de
vastgesteld bestemmingsplan Woongebied Indië - Deel 3
37
NL.IMRO.0141.00063-BP31
parkeercapaciteit zoveel mogelijk op eigen terrein realiseert moet worden (inclusief bezoekersplaatsen). Binnen de gemeente Almelo wordt ten aanzien van parkeren de 'Beleidsregel Parkeernormen Almelo' (hierna: de beleidsregel) gehanteerd. Deze beleidsregel is vastgesteld op 11 december 2018 en in werking getreden op 1 januari 2019. Met de beleidsregels wordt voorzien in een nadere uitwerking van het vastgestelde parkeerbeleid 'Parkeren Optimaliseren 2013 – 2018' door parkeernormen bij verschillende ruimtelijke ontwikkelingen te benoemen. Parkeernormen Als richtlijn voor de parkeernormering wordt binnen de gemeente Almelo de CROW-publicatie voor de parkeerkencijfers gebruikt. Voor toepassing van de parkeernormen binnen de gemeente Almelo wordt uitgegaan van de stedelijkheidsgraad 3. Dit staat voor 'matig stedelijk'. Verder wordt voor de toepassing van de parkeernormen uitgegaan van de categorie 'ontwikkelingen schilgebieden'. Hiervoor wordt gerekend met de maximale parkeernorm. De parkeernormering wordt voor diverse vormen van (ruimtelijke) ontwikkeling op verschillende manieren toegepast. Dit bestemmingsplan voorziet woningbouw en wordt de parkeerbehoefte gedeeltelijk op eigen terrein en in de omgeving opgevangen.
Bij de in het bestemmingsplan mogelijk gemaakte woningen gaat het om grondgebonden en gestapelde woningen en variëren de parkeernormen tussen 2,0 en 2,3 per woning: koop vrijstaand: 2,3 koop twee-onder-een-kap: 2,2 koop rijenwoning (hoek/tussen): 2,1 koop etage midden: 2,0. Afwijken van het parkeerbeleid Zoals in het paraplubestemmingsplan Parkeren is aangegeven kan in specifieke gevallen een uitzondering worden gemaakt op het beleidsuitgangspunt. Hiervoor geldt dat sprake moet zijn van bijzondere omstandigheden, dat het woon- en leefklimaat in de directe omgeving niet onevenredig wordt aangetast en de parkeersituatie in de openbare ruimte niet onevenredig wordt aangetast. In de beleidsregel worden “bijzondere omstandigheden” gedefinieerd. Onder bijzondere omstandigheid wordt verstaan dat het realiseren van parkeerruimte op eigen terrein niet mogelijk is of dat het realiseren van de benodigde parkeerruimte op eigen terrein niet wenselijk is. Op het Indiëterrein is het, gezien de ontwikkeling, veelal niet mogelijk om alle parkeerplaatsen op eigen terrein te realiseren. Er wordt bij de herontwikkeling van het Indië-terrein dan ook niet voldaan aan het vereiste om in voldoende mate te voorzien in ruimte voor het parkeren of stallen van motorvoertuigen in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.
Het Indiëterrein is al 10 jaar in ontwikkeling. De beoogde locatie is gelegen in een stedelijk woongebied. Het Indiëterrein is in het verleden ook wel aangemerkt als de opgerekte binnenstad. Het gebied is op loopafstand gelegen van het treinstation en busstation. Het woongebied combineert sub-urbaan wonen met stedelijke wonen. Naast grondgebonden woningen in de vorm van vrijstaande, twee-onder-een-kap en rijenwoningen voorziet het woongebied Indië ook in gestapelde woningen. Op het Indiëterrein is sprake van een gedifferentieerd woningaanbod. Naar verwachting is geen sprake van een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat in de directe omgeving als uit wordt gegaan van de parkeernorm van 1,6 parkeerplaatsen per gestapelde woning en 1,8 parkeerplaatsen per grondgebonden woning. Om de parkeervraag te bepalen wordt altijd een parkeerbalans opgesteld. Hierin wordt de parkeerbehoefte van alle functies in een gebied afgezet tegen het totaal aantal parkeerplaatsen in dat gebied. De parkeerbalans wordt per blok opgesteld op basis van de functie waarvan binnen desbetreffend blok sprake is.
vastgesteld bestemmingsplan Woongebied Indië - Deel 3
38
NL.IMRO.0141.00063-BP31
Het parkeren op het Indiëterrein door personen die in het centrum van Almelo werken of gebruik maken van de trein, werken niet door op de parkeernormen die van toepassing zijn op het Indiëterrein. Als in de toekomst blijkt dat hierdoor een parkeertekort ontstaat, dan kunnen er maatregelen worden getroffen om dit ongewenste parkeren te voorkomen. Daarnaast is het Indiëterrein in ontwikkeling en wordt er volop gebouwd. Dit kan ook de parkeerdruk in de omgeving (tijdelijk) verhogen, omdat mensen uit andere blokken van het Indiëterrein in verband met bouwwerkzaamheden of tijdelijke onbereikbaarheid in een ander blok parkeren. Hiervoor geldt dan ook dat deze parkeerbehoefte niet doorwerkt in de uiteindelijke parkeerbehoefte per blok. De parkeerbehoefte is gebaseerd op de functies van het bestemmingsplan. Parkeeronderzoek Om al dan niet gerechtvaardigd te kunnen afwijken van het beleid is inzicht in de huidige parkeersituatie noodzakelijk. Daarom is in oktober 2020 op een tweetal momenten geteld hoeveel parkeerplaatsen er niet bezet waren en waar elders in de openbare ruimte van het Indiëterrein geparkeerd werd. Dit is onderzocht op werkdagen (in de nacht). Het onderzoeksgebied bestaat uit blokken die (vrijwel) volledig ontwikkeld zijn en waar uitsluitend de woonfunctie van toepassing is.
Hierbij gaat het om blok 5+7 (noordelijk deel van het Indiëterrein), waarbij binnen blok 7 de grens ligt in de Scholl Engbersstraat en blok 8. De resultaten van het parkeeronderzoek zijn opgenomen in Bijlage 1. Het onderzoek is verricht gedurende de maatgevende momenten van de ontwikkeling. Het parkeeronderzoek is uitgevoerd op het moment dat de meeste parkeervakken worden gebruikt voor de woonfunctie. Dit maatgevende moment kan worden bepaald op basis van de aanwezigheidspercentages (CROW, publicatie 381, 2018). Het maatgevende moment voor de functie 'wonen' is in de avond- en nachtelijke uren (op werkdagen). In onderstaande tabel is met een voorbeeld aangegeven wat de theoretisch volledige bezetting van de parkeerplaatsen zou zijn in geval van x (= 1 t/m 10) woningen. In de parkeerkencijfers wordt standaard uitgegaan van een aandeel van 0,3 parkeerplaats voor bezoekers. In geval van een parkeernorm van 1,8 parkeerplaatsen per (grondgebonden) woning betekent dat dus dat in theorie het resterende gedeelte (=1,5 parkeerplaats) wordt aangewend door bewoners. Uit het rekenvoorbeeld blijkt dat een werkdagavond maatgevend is en dat de bezetting dan 6% hoger is dan op een werkdagnacht. Dat er desondanks is geteld in de nachtelijke uren heeft te maken met de coronacrisis, waardoor het aantal bezoekers hoogstwaarschijnlijk (fors) lager zal zijn dan in de periode vóór de crisis.
Om een representatief beeld van mate van de bezetting in de maatgevende periode te verkrijgen is het saldo aan vrije parkeergelegenheid (aantal vrije parkeerplaatsen – aantal auto's elders in openbare ruimte geparkeerd) verlaagd met 6%.
Werkdagnac ht Bewoners Bezoeker Totaal s Aanwezi gheids% 100% Aandeel¹ 1,5
0% 0,3
Werkdagavon d Bewoners Bezoeker Totaal s
90% 1,5
80% 0,3
vastgesteld bestemmingsplan Woongebied Indië - Deel 3
Verhoudin g bezetting werkdagavond en
39
NL.IMRO.0141.00063-BP31
Bezette Bezette pp Bezette Bezette pp Bezette Bezette werkdagAantal pp pp woningen door bew. door bez. pp door bew. door bez. pp nacht 1 1,5 0 1,5 1,35 0,24 1,59 1,06 2 3 0 3 2,7 0,48 3,18 1,06 3 4,5 0 4,5 4,05 0,72 4,77 1,06 4 6 0 6 5,4 0,96 6,36 1,06 5 7,5 0 7,5 6,75 1,2 7,95 1,06 6 9 0 9 8,1 1,44 9,54 1,06 7 10,5 0 10,5 9,45 1,68 11,13 1,06 8 12 0 12 10,8 1,92 12,72 1,06 9 13,5 0 13,5 12,15 2,16 14,31 1,06 15 10 0 15 13,5 2,4 15,9 1,06 ¹ Aandeel bezoekers is bij elk woningtype 0,3 pp/woning; bij een parkeernorm van 1,8 pp per grondgebonden woning is het aandeel bewoners dan 1,5 pp/woning Bezettingsgraad Op 20 en 22 oktober 2020 was in blok 5 en blok 7 (gecombineerd blok) het saldo van vrije parkeerplaatsen verminderd met elders in de openbare ruimte geparkeerde auto's respectievelijk 9 en 11 parkeerplaatsen. Gecorrigeerd naar het maatgevend moment (x 0,94) is dat respectievelijk 8 en 10 parkeerplaatsen. Op een totaal van 63 openbare parkeerplaatsen (exclusief de strook graskeien langs de Salomonsonstraat waarop ook geparkeerd kan worden, maar die in de parkeerbalans niet is meegenomen) betekent dat een bezettingsgraad van respectievelijk 88,9% en 84,1%. In blok 8 was op beide data het saldo van vrije parkeerplaatsen verminderd met elders in de openbare ruimte geparkeerde auto's 14 parkeerplaatsen. Gecorrigeerd naar het maatgevend moment (x 0,94) is dat 13 parkeerplaatsen.
In het blok zijn 40 openbare parkeerplaatsen gelegen (vier parkeerplaatsen in de Ten Bosstraat zijn nog niet aangelegd en de strook graskeien langs de Salomonsonstraat, waarop ook geparkeerd kan worden maar die in de parkeerbalans niet is meegenomen, is buiten beschouwing gelaten). Dat komt neer op een bezettingsgraad van 67,5%. Om te voorkomen dat er zoekend verkeer gaat ontstaan als het gevolg van het niet eenvoudig vinden van een vrije parkeerplaats, wordt een bezettingsgraad niet hoger dan 90% over het algemeen als wenselijk beschouwd. Er is in dat geval voldoende parkeercapaciteit beschikbaar om de normale schommelingen in de parkeervraag over de verschillende perioden in het jaar op te kunnen vangen. Er is een groot verschil in mate van bezetting van de parkeerplaatsen in blok 5 + 7 (noordelijk deel) en blok 8. Een verklaring hiervoor is enerzijds dat bewoners van de woningen aan de oostzijde van de Kalverstraat (behorend tot blok 8) hoogstwaarschijnlijk (voor een deel) in blok 5 + 7 (noordelijk deel) parkeren (deze Kalverstraat vormt de grens tussen blok 5 + 7 en blok 8 en kent zelf geen parkeergelegenheid).
Anderzijds parkeren bewoners van de Spoelerij (in het zuidelijk deel van blok 7 die een parkeermogelijkheid van één parkeerplaats op eigen terrein hebben) ook gedeeltelijk in het noordelijk deel van blok 7 (de parkeerplaatsen grenzend aan de naastgelegen Sterkerij, in het zuidelijk deel van blok 7, worden immers niet aangewend). Uit het parkeeronderzoek is gebleken dat een parkeernorm van 1,8 voor (grondgebonden) woningen in de reeds ontwikkelde woongebieden tot voldoende parkeercapaciteit heeft geleid. Daar in het onderzoeksgebied geen appartementen zijn ontwikkeld is de vraag opportuun of de parkeernorm van 1,6 voor appartementen ook toereikend is. Dag mag worden verondersteld als het verschil tussen het maximale CROW-parkeerkencijfer en de toegepaste norm voor zowel grondgebonden woningen als
vastgesteld bestemmingsplan Woongebied Indië - Deel 3
40
NL.IMRO.0141.00063-BP31
appartementen gelijk is. Voor een vrijstaand huis, een tweekapper en een rij/hoekwoning zijn de maximale parkeerkencijfers van het CROW respectievelijk 2,3, 2,2 en 2,1 parkeerplaatsen per woning. Voor beide blokken is te berekenen wat de gemiddelde CROW-parkeerkencijfer is als de samenstelling in typologieën woningen in de beschouwing wordt meegenomen: VrijWoningtype staand Max P-kencijfer 2,3 Blok 5 + Aantal 5 7 woningen (nd)¹ Aantal pp 11,5 Aantal 11 Blok 8 woningen Aantal pp 25,3 ¹ = noordelijk deel
Tweekapper 2,2 20
Rij/hoekwoning 2,1 27
Totaal 52
44 8
56,7 16
112,2 35
2,16
17,6
33,6
76,5
2,19
Gemiddeld P-kencijfer
Het verschil is (2,0 – 1,6 =) 0,4 parkeerplaats per woning. Uit de gemiddelde parkeerkencijfers per (gecombineerd) blok blijkt dat dat verschil in geval van (grondgebonden) woningen kleiner is. Voor blok 5 + 7 (noordelijk deel) is dat 0,36 parkeerplaats en 0,39 parkeerplaats per woning voor blok 8. Interessant is om te bezien of er voldoende parkeergelegenheid zou zijn geweest in geval er was gerekend met hetzelfde verschil tussen het maximale CROW-parkeerkencijfer en de toegepast norm voor een appartement. Voor blok 5 + 7 (noordelijke deel) en blok 8 is de parkeernorm dan niet 1,8 parkeerplaatsen per woning maar respectievelijk (2,16 – 0,4 =) 1,76 en (2,19 – 0,4 =) 1,79 parkeerplaatsen per woning. Voor de 52 woningen (in blok 5 en blok 7) zouden in dit denkbeeldige geval ((1,8 -1,76) * 52 = 2,08 is naar boven afgerond) 3 parkeerplaatsen minder zijn aangelegd (60 in plaats van 63). Omdat de parkeerbehoefte gelijk is, zou het saldo van de vrije parkeerplaatsen minus het aantal auto's dat elders in de openbare ruimte geparkeerd staat eveneens met 3 parkeerplaatsen afnemen (5 en 7 op 20 oktober en 22 oktober in plaats van respectievelijk 8 en 10). De bezettingsgraad in blok 5 + 7 (noordelijke deel) is dan respectievelijk ((60 – 5)/60 =) 91,7% en ((60 – 7)/60 =) 88,3%.
In dit hypothetische geval was er op beide data voldoende parkeergelegenheid voorhanden geweest, maar had er op 20 oktober (in geringe mate) sprake kunnen zijn van zoekend verkeer. Het toepassen van een norm van 1,79 betekent voor blok 8 dat er voor 35 woningen ((1,8-1,79) * 35 = 0,35 is naar boven afgerond) één parkeerplaats minder zou zijn aangelegd. Ook hier neemt het bovenbedoeld saldo met één parkeerplaats af. De bezettingsgraad is dan ((39 – 12)/39 =) 69,2%. Conclusie Uit het parkeeronderzoek is gebleken dat de (in het verleden toegepaste) parkeernorm van 1,8 parkeerplaatsen bij (grondgebonden) woningen leidt tot een voldoende aanbod aan parkeergelegenheid (in de openbare ruimte). De bezettingsgraad is, zowel in blok 5 en blok 7 (noordelijk deel Indiëterrein) als in blok 8, niet hoger dan 90%. Hierdoor is geen sprake van zoekverkeer en normale schommelingen in de parkeervraag over de verschillende perioden in het jaar kunnen worden opgevangen. Bij toepassing van een parkeernorm die 0,4 parkeerplaats per woning lager ligt dan het maximale CROW-parkeerkencijfer, leidt dat bij (grondgebonden) woningen niet tot onvoldoende parkeercapaciteit. Er is dan ook geen aanleiding te veronderstellen dat dit bij appartementen wel het geval zal zijn.
vastgesteld bestemmingsplan Woongebied Indië - Deel 3
41
NL.IMRO.0141.00063-BP31
Uitgangspunt is nu een sluitende parkeerbalans binnen de gebiedsontwikkeling van het woongebied Indië. Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning dient de initiatiefnemer aan de hand van de parkeerbalans aan te tonen dat aan de afgesproken normen wordt voldaan. Het bestemmingsplan voorziet, zoals de andere plannen, ook in een afwijkingsbevoegdheid (artikel 13.3). Op basis hiervan kunnen burgemeester en wethouders afwijken van de parkeernormen, indien het voldoen hieraan door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit of voor zover op andere wijze in de nodige parkeerruimte wordt voorzien. Hierbij mag het woon- en leefklimaat in de directe omgeving niet onevenredig worden aangetast en mag de parkeersituatie in de openbare ruimte niet onevenredig wordt aangetast.
4.4
Samenvatting en motivatie programma
De herontwikkeling van het Indiëterrein, waarvan dit bestemmingsplan de derde en laatste fase vormt, is in lijn met het beleid op alle overheidsniveaus. De argumenten om voor de locatie Indië te kiezen in plaats van andere locaties in Almelo/de regio zijn als volgt: 1. Woningbouw binnen bestaand stedelijk gebied Zuinig met ruimte omgaan en bestaande steden revitaliseren heeft beleidsmatig de voorkeur boven het uitbreiden van de stad met uitleglocaties ten koste van het groen en het buitengebied. Realisatie van woningen op het Indiëterrein past in deze beleidslijn. 2. Revitaliseren van de stad en verbetering van het milieu De geplande herontwikkeling biedt de kans om een verouderd en grotendeels al leegstaand industrieterrein in het centrum van Almelo te vervangen door een bijzondere en kwalitatief hoogwaardige woonwijk. Naast een stedenbouwkundige kwaliteitsverbetering vindt ook een verbetering van het milieu plaats. Door de transformatie van een industrieterrein tot woonwijk vindt een duidelijke vermindering van overlast in de omgeving plaats. Ook vindt in het kader van het project bodemsanering plaats. 3. Indië heeft een unieke ligging met een uniek concept waar vraag naar is Bij het Indiëterrein gaat het dan ook om een bijzondere locatie. Op loopafstand van het centrum van Almelo ontstaat een nieuw stuk binnenstad. Het aanbod aan woningen is divers.
De mix van woningen met historische fabrieksgebouwen, monumentale eiken, water, cultuur en horeca maakt Indië uniek. Door de realisatie van dit uniek project wordt ook een positief impuls gegeven aan de rest van Almelo. Fases 1 en 2 zijn reeds in uitvoering. De verkoop wordt positief beoordeeld. 4. Water als bijzonder element in het centrum van Almelo De herontwikkeling van het Indiëterrein voorziet ook in de realisatie van grote waterpartijen. Deze waterpartijen zijn uniek in Twente. Geen enkele gemeente heeft hier water tot in het centrum. Het beoogde waterbekken voegt een bijzondere kwaliteit toe aan Indië, maar ook aan het hele centrum van Almelo. De realisatie hiervan is echter afhankelijk van de voortgang van de woningbouw. 5. Woningbouwprogramma Het Indië terrein is in de huidige woonvisie aangewezen als een mogelijke nieuwbouwlocatie voor woningen. De woonvisies in Almelo en in de regio worden momenteel geactualiseerd. De woningbouwafspraken worden herijkt. De huidige beleidsstukken gaan over de periode tot 2020. De nu voorziene woningen worden na 2020 gerealiseerd. De tussen ontwikkelaar en gemeente gesloten overeenkomst voorziet in 600 woningen voor heel Indië. In de nieuwe woonvisie wordt uitgegaan van een groei van Almelo en toename van de druk op de woningmarkt.
Hierdoor is het nodig om snel woningen te bouwen, namelijk 1.400 tot 2030 en dan nog circa 230 tot 2035. 6. Programma niet-woonfuncties Het bestemmingsplan voorziet in 3.000 m2 (bvo) aan niet-woonfuncties. Hierdoor wordt de omvang in
vastgesteld bestemmingsplan Woongebied Indië - Deel 3
42
NL.IMRO.0141.00063-BP31
eerder ter plaatse geldende bestemmingsplan duidelijk verminderd. Dit vergt verder geen nadere onderbouwing van de behoefte. 7. Lange procedure De ontwikkeling van het Indië terrein is afhankelijk van de vaststelling van de bestemmingsplannen voor de diverse fases. Omdat de ruimtelijke ordeningsprocedures lange doorlooptijden kennen, is het dan ook van groot belang om deze op tijd te starten. De nu voorziene woningen worden in de periode na 2020 gerealiseerd. Vanwege de doorlooptijden van een bestemmingsplan van circa 1 jaar is het daarom van belang dat ook het nu voorliggende bestemmingsplan zo snel mogelijk kan worden vastgesteld.
vastgesteld bestemmingsplan Woongebied Indië - Deel 3
43
NL.IMRO.0141.00063-BP31
Hoofdstuk 5 5.1
Milieu- en omgevingsaspecten
Geluid
Algemeen Sinds begin jaren ’80 is de Wet geluidhinder (Wgh) van kracht. De wet heeft tot doel om de geluidsoverlast voor nieuwe geluidsgevoelige functies te beperken. Volgens de Wet geluidhinder zijn woningen, scholen en bepaalde medische voorzieningen (met een nachtfunctie) te beschouwen als geluidsgevoelige functies. Indien een geluidsgevoelige functie binnen een geluidszone van een weg met een snelheidsregime van 50 km/u of meer, spoorweg of industrieterrein mogelijk wordt gemaakt, dient door middel van een akoestisch onderzoek te worden nagegaan wat de geluidsbelasting ter plaatse van de geluidsgevoelige functie zal zijn. Weg- en spoorwegverkeer In 2019 en 2021 is door onderzoeksbureau Cauberg Huygen akoestisch onderzoek uitgevoerd (Bijlage 2 en Bijlage 3). Hieruit is gebleken, dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet wordt overschreden. De geluidbelasting na aftrek van de correctie conform artikel 110g Wgh bedraagt ten hoogste 48 dB. Ter plaatse van het plangebied bedraagt de geluidbelasting vanwege railverkeerslawaai ten hoogste 61 dB. De voorkeursgrenswaarde wordt met 5 dB overschreden.
Emplacement In het kader van het bestemmingsplan 'Woongebied Indië - Deel 2' heeft onderzoeksbureau Cauberg Huygen een akoestisch onderzoek naar de geluidimmissie, ten gevolge van het spoorwegemplacement ter plaatse van geluidgevoelige bestemmingen binnen het Woongebied Indië uitgevoerd (zie Bijlage 4). Cauberg Huygen heeft in 2021 bevstigd, dat het onderzoek uit 2015 nog steeds actueel is, omdat de uitgangspunten met betrekking tot het spoorwegemplacement niet veranderd zijn. In het onderzoek uit 2015 is ook het onderhavige plangebied meegenomen in het onderzoek. Geconcludeed werd, dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau op de grenzen van de bouwvlakken binnen het plangebied ten hoogste 54 dB(A) etmaalwaarde bedraagt . Aan de bovengrenswaarde 55 dB(A) etmaalwaarde uit het gemeentelijk geluidbeleid wordt voldaan. Maximale geluidniveaus zijn beoordeeld conform de beoordelingswijze uit de 'Circulaire beoordelingswijze piekgeluiden voor spoorwegemplacementen'. De rekenresultaten ge ven geen aanleiding voor het toepassen van een straftoeslag op de berekende langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus. Als toetsingswaarde voor indirecte hinder is de voorkeursgrenswaarde (Lden) van 55 dB, overeenkomstig de Wet geluidhinder, voorgesteld. Het berekende geluidniveau (Lden) bedraagt ten hoogste 49 dB, ruimschoots lager dan de toetsingswaarde.
Industrielawaai Het plangebied ligt niet in een zone van een industrieterrein. Nader onderzoek is hier dan ook niet nodig. Cumulatie Volgens de gehanteerde methode uit de Wgh is sprake van een relevante blootstelling aan meer dan twee bronnen, indien de wettelijke voorkeursgrenswaarde van die onderscheiden bronnen wordt overschreden. Uit het onderzoek blijkt dat slechts sprake is van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde vanwege één geluidbron, namelijk railverkeer. Gelet hierop is er geen wettelijke noodzaak tot cumulatie en is dit derhalve niet nader beschouwd.
vastgesteld bestemmingsplan Woongebied Indië - Deel 3
44
NL.IMRO.0141.00063-BP31
Maatregelen Onderzocht is of en zo ja welke maatregelen mogelijk zijn ter verlaging van de geluidbelasting. Hierbij is het gemeentelijk geluidbeleid in acht genomen. Uit het maatregelenonderzoek is gebleken dat bronmaatregelen onvoldoende doeltreffend zijn en bezwaren van vervoerskundige aard ontmoeten. Voorts is gebleken dat overdrachtsmaatregelen wel doeltreffend (kunnen) zijn, maar dan bezwaren ontmoet van financiële en stedenbouwkundige aard. Ook is onderzocht welke effecten er zijn, indien het bestaande noordelijke scherm zowel verlengd als verhoogd wordt tot 4,5 m.+ BS. Hieruit blijkt dat aantal beoordelingspunten, waarop sprake is van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde, daalt met 41 stuks. Het verlengde en verhoogde scherm heeft geen effect op de geluidbelasting vanwege het emplacement. Op vier beoordelingspunten op 7,5 meter blijft sprake van een overschrijding van 50 dB(A) etmaalwaarde. Het verlengde en verhoogde scherm is wel in overeenstemming met het geldende planologische regime, zodat dit scherm geen bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige aard. Ondanks het feit dat het verlengde scherm geen bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige aard, is het scherm niet doelmatig vanwege bezwaren van financiële aard. Het vaststellen van een hogere grenswaarde op grond van de Wet geluidhinder is derhalve noodzakelijk.
Horeca Het bestemmingsplan voorziet ook een onoverdekt terras met een oppervlak van circa 224 m2, verdeeld over twee gebieden. Één aan de oostkant van het gebouw op de Kalverstraat langs de waterkant (circa 24 m2) en één op de zuidoosthoek (circa 200 m2). De terrassen bieden samen ruimte aan 136 gasten. In december 2020 is door onderzoeksbureau Cauberg Huygen akoestisch onderzoek uitgevoerd, om te bepalen hoe hoog de optredende geluidniveaus van het voorziene horecaterras op de geprojecteerde woningen in de nabije omgeving zijn (Bijlage 5). De berekende geluidniveaus zijn voor dit onderzoek getoetst aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. Uit het onderzoek is gebleken, dat de berekende langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus vanwege het terras (stemgeluid) in de avond- en nachtperiode slechts 1 dB(A) hoger zijn dan de grenswaarde, op slechts een zeer beperkt gedeelte van de gevels van de appartementen. Om de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus op de maatgevende gevel te verlagen zijn aanvullende maatregelen noodzakelijk. Daartoe zijn achtereenvolgens bron-, overdrachts- en ontvangermaatregelen en desnoods het toepassen van terugliggende gevels onderzocht. Daaruit is gebleken dat maatregelen aan de bron, in de overdracht en/of terugleggen van de gevels niet opportuun zijn.
Hoewel sprake is van een zeer geringe overschrijding van de grenswaarde van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau van slechts 1 dB(A), wordt deze overschrijding aanvaardbaar geacht. Om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te garanderen wordt aanbevolen om maatregelen te treffen aan de gevels van de appartementen teneinde het binnenniveau te waarborgen, in combinatie met maatregelen aan balkons van de appartementen (zoals geheel of gedeeltelijk verglazen van de balkons), teneinde een aanvaardbaar verblijfklimaat op de balkons te realiseren. Deze maatregelen zijn – gelet op de zeer beperkte mate van overschrijding van slechts 1 dB(A) – het meest voor de hand liggend. Temeer ook vanwege het feit dat het stemgeluid vanwege het terras niet betrokken wordt in de beoordeling ingevolge het Activiteitenbesluit milieubeheer.
vastgesteld bestemmingsplan Woongebied Indië - Deel 3
45
NL.IMRO.0141.00063-BP31
5.2
T rillingen
Omdat de beoogde nieuwe woningen dichtbij het spoor zijn gepland kan trillingshinder voor de toekomstige bewoners ontstaan als gevolg van treinverkeer. Hoewel er geen wettelijke normen bestaan voor trillingshinder in dit soort situaties acht ProRail het gewenst dat er in de planvorming wel aandacht voor is. Er is daarom door onderzoeksbureau Alcedo een trillingsmeting uitgevoerd (zie Bijlage 6). Op basis van de uitgevoerde trillingsmetingen en de verkregen meetresultaten kan worden geconcludeerd dat bij de geplande nieuwbouw voldaan zal worden aan de streefwaarden behorende bij nieuwbouw en treinverkeer uit de SBR richtlijn deel B "Hinder voor personen in gebouwen". Er hoeven geen (extra) maatregelen voor de nieuwbouw getroffen te worden om aan de streefwaarden te voldoen. Hierbij wordt opgemerkt dat dit is gebaseerd op de treinpassages ten tijde van de uitgevoerde metingen.
5.3
Bodem
Voor de realisatie van nieuwe bebouwing geldt dat er inzicht nodig is in de bodemkwaliteit. De bodem in het plangebied is daarom getoetst aan de geldende streef- en interventiewaarden die zijn opgenomen in de Circulaire bodemsanering 2009 (d.d. 03 april 2012, Ministerie van Infrastructuur en Milieu). Er is daarbij sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging indien een interventiewaarde van een stof wordt overschreden (voor 25 m3 grond en/of 100 m3 grondwater). Sanering is dan noodzakelijk. Het Indiëterrein is geruime tijd in gebruik geweest ten behoeve van bedrijfsactiviteiten. In en nabij het plangebied zijn in het verleden diverse bodemonderzoeken verricht en worden enkele bodemsaneringsactiviteiten uitgevoerd. Uit de bodemonderzoeken is gebleken dat op een aantal plaatsen op het Indiëterrein sprake is van een verhoogde concentratie aan verontreinigende stoffen in de grond en/of het grondwater. Voor wat betreft de grond gaat het deels om immobiele verontreinigingen met zware metalen, PAK en/of zware minerale olie. Daarnaast zijn er ook een aantal mobiele verontreinigingen (met name chloorhoudende oplosmiddelen en in mindere mate lichtere minerale olie) aanwezig. Ook zijn in de bovenste meter van de toplaag, verspreid over het terrein, bijmengingen met puin, sintels, kolengruis en glas aangetroffen.
Ter plaatse van de brongebieden met mobiele verontreinigingen zijn tevens verontreinigingen in het grondwater aangetroffen. Tenslotte is op een tweetal locaties asbest aangetroffen. Op basis van de omvang van de grondverontreiniging en/of de omvang van de grondwaterverontreiniging is voor het Indiëterrein als geheel sprake van twee ernstige gevallen van bodemverontreiniging. Het Indië terrein wordt volledig gesaneerd, zodat er vanuit de bodemkwaliteit geen belemmeringen voor de beoogde functies van het bestemmingsplan worden gezien.
5.4
Luchtkwaliteit
In Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer, worden normen gesteld aan de luchtkwaliteit, wat betreft een zestal stoffen. Voor de normen voor zwaveldioxide, koolmonoxide, benzeen en lood geldt dat overschrijding daarvan in Nederland nauwelijks valt te verwachten. De norm voor stikstofdioxide wordt in Nederland met name in de directe omgeving van drukke (snel)wegen overschreden. De norm voor zwevende deeltjes wordt eveneens op diverse locaties overschreden. In de Wet milieubeheer is indirect een koppeling gelegd met ruimtelijke plannen. Deze koppeling houdt in dat bij het vaststellen van bestemmingsplannen, moet worden getoetst aan de grenswaarden. De gevolgen van een ruimtelijk besluit voor de luchtkwaliteit hangen direct samen met de eventuele verkeersaantrekkende werking van het plan ten opzichte van de bestaande (planologische) toestand. Bij de start van een project moet onderzocht worden of het effect relevant is voor de luchtkwaliteit. Hierbij moet aannemelijk gemaakt worden, dat luchtkwaliteit 'niet in betekende mate' aangetast wordt. Daartoe is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) vastgesteld waarin de regels zijn vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM.
'Niet in betekende mate' is sinds de inwerkingtreding van het nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL) gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. In de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' wordt aangegeven op welke vastgesteld bestemmingsplan Woongebied Indië - Deel 3
46
NL.IMRO.0141.00063-BP31
manier snel kan worden vastgesteld of de bijdrage van een nieuwbouwproject op de luchtkwaliteit valt onder de term 'niet in betekende mate'. De bijlage geeft een harde omschrijving van een aantal gevallen. Voor woningbouw geldt bij één ontsluitingsweg een aantal van 1.500 nieuwe woningen netto, bij twee ontsluitingswegen geldt een aantal van 3.000 woningen. Voor de bouw van kantoren geldt bij één ontsluitingsweg een bedrijfsvloeroppervlak van 100.000 m2 en bij twee ontsluitingswegen geldt een bedrijfsvloeroppervlak van 200.000 m2. Dit bestemmingsplan voorziet samen met twee andere bestemmingsplannen in de transformatie van een bedrijventerrein naar woningen en bedrijven. Hierdoor wordt voor het grootste deel de ene functie vervangen met een andere. De netto toevoeging is dus veel geringer dan de 1.500 woningen of 100.000 m2 kantoren (bij één ontsluitingsweg) die 'niet in betekenende mate bijdragen'. Dat geldt ook als de ontwikkelingen die in de andere bestemmingsplannen voor het Indiëterrein worden voorzien meegenomen worden in de beoordeling. De drempel van 3.000 woningen of 200.000 m2 kantoren (bij twee ontsluitingswegen) zal niet overschreden worden. Er kan daarom worden geconcludeerd dat er ten aanzien van de luchtkwaliteit geen belemmeringen zijn om het bestemmingsplan vast te stellen.
Aanvullend op het voorafgaande kan hier verwezen worden naar het onderzoeksrapport van Cauberg-Huygen uit 2010 (Bijlage 8) waarin geconcludeerd wordt dat ruimschoots aan de luchtkwaliteitseisen wordt voldaan.
5.5
Stikstofdepositie
Op 8,1 kilometer afstand van het plangebied ligt het Natura 2000 gebied Wierdense Veld. Op grotere afstand - 8,9 kilometer - van het plangebied ligt het Natura 2000 gebied Engbertsdijksvenen. De afstand van deze gebieden tot het onderhavige plangebied is zodanig groot, dat geen negatief effect vanwege een toename aan stikstof in deze gebieden wordt verwacht. Ter onderbouwing van deze aanname is in juni 2020 een Aerius berekening van het effect van de in het bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen op stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden uitgevoerd (zie Bijlage 9). Er is geen sprake van een verhoging van stikstofdepositie. Dat geldt zowel voor de aanlegfase als de gebruiksfase. Er is geen vergunning van de wet natuurbescherming nodig.
5.6
Fysieke veiligheid
5.6.1 Inleiding Het aspect fysieke veiligheid beoogt het beschermen van mens, dier en milieu tegen (de gevolgen van) ongevallen en rampen. Om de effecten van een incident zoveel mogelijk te beperken, is het belangrijk dat hulpverleningsdiensten op kunnen treden en dat burgers zich in veiligheid kunnen brengen. Het bestemmingsplan is op fysieke veiligheidsaspecten getoetst aan landelijke, regionale en gemeentelijke richtlijnen en/of regelgeving. Dit betreft de onderdelen: bereikbaarheid; opkomsttijd; bluswatervoorziening; zelfredzaamheid; sirenedekking. De hoofdtaken van de brandweer zijn onderverdeeld in schakels uit de veiligheidsketen. De schakels zijn: Pro-actie; de schakel pro-actie gaat onder andere over de bluswatervoorziening, de bereikbaarheid en de sirenedekking. Preventie; voor het aspect preventie geldt dat rekening moet worden gehouden met de bestaande weten regelgeving.
vastgesteld bestemmingsplan Woongebied Indië - Deel 3
47
NL.IMRO.0141.00063-BP31
Preparatie; voor hulpdienstrelevante objecten is het wenselijk om deze op te nemen in de planvorming van de brandweer, zoals een bereikbaarheidskaart of een aanvalsplan. Repressie; vanuit de repressieve dienst wordt ter plaatse bepaald hoe er wordt ingezet. Nazorg; de taak nazorg heeft geen consequenties voor de ruimtelijke ordening. Ondanks de gerealiseerde veiligheidsmaatregelen en -voorzieningen blijft er een restrisico waarbinnen incidenten plaats kunnen vinden. Het bestemmingsplan zal voorgelegd worden aan de Brandweer Twente voor advies.
5.6.2 Bereikbaarheid 5.6.2.1 Bereikbaarheid algemeen Bij het bepalen of er in het plangebied sprake is van een goede bereikbaarheid van de gebouwen via het openbare wegennet wordt het plangebied getoetst aan de handreiking Bluswatervoorziening en bereikbaarheid. Hierbij wordt beoordeeld of: de weg voldoet aan de specifieke afmetingen van brandweervoertuigen; een willekeurig adres binnen een verblijfsgebied in principe via een tweede onafhankelijke route bereikbaar is; of de verkeersaders aan de brandweervoertuigen een onbelemmerde doorgang bieden. Een beschrijving van de bereikbaarheid in het plangebied staat in 5.6.2.2 beschreven. 5.6.2.2 Situatiebeschrijving bereikbaarheid De inrichting van de openbare ruimte moet voldoen aan de gemeentelijke bouwverordening. De inrichting van de ruimte kan bestrijding negatief of positief beïnvloeden. Daarbij gaat het tevens om de opstelmogelijkheden om in de belaste omgeving het materiaal op te stellen. Wanneer (brandweer) toegangen meer dan 40 meter van de openbare weg liggen dient er een opstelplek op eigen terrein gerealiseerd te worden. De volgende afmetingen zijn dan van toepassing: 5,5 meter breedte 10 meter lengte 4,2 meter hoogte 25 ton totaal gewicht 11,5 ton aslast Bij objecten waar zich grote groepen mensen bevinden gelden andere afstanden.
vastgesteld bestemmingsplan Woongebied Indië - Deel 3
48
NL.IMRO.0141.00063-BP31
Figuur 5.2: hoofduitrukroutes brandweer Almelo In samenspraak met de hulpdiensten (waaronder de brandweer) zijn uitrukroutes aangewezen. Dit vormt een van de uitgangspunten bij het bepalen van de verkeersstructuur. De rond het Indiëterrein gelegen Kolthofsingel en de Haven Noordzijde zijn aangewezen als hoofduitrukroutes voor de brandweer. Om de bereikbaarheid te garanderen zullen er op de Kolthofsingel geen snelheidsremmers worden gerealiseerd. Op de meest oostelijk hulpdienstroute van het Indiëterrein (Laan van Indië) zullen in eerste instantie zoveel mogelijk brandweervriendelijke snelheidsremmer worden toegepast.
5.6.3 Opkomsttijd 5.6.3.1 Opkomsttijd algemeen De opkomsttijd is de optelsom van de verwerkingstijd van de melding, de uitruktijd en de aanrijdtijd. De uitruktijd is daarbij de tijd tussen het alarmeren van de brandweer door de meldkamer en het tijdstip dat het voertuig de kazerne verlaat. De aanrijdtijd is de tijd die het eerste voertuig nodig heeft om van de kazerne naar de plaats van het incident te gaan. De opkomsttijd van de brandweer wordt als een belangrijk kwaliteitskenmerk van de brandweer beschouwd. In het Besluit Veiligheidsregio's (BVR) zijn de opkomsttijden voor de brandweer vastgelegd en staan in onderstaande tabel beschreven.
vastgesteld bestemmingsplan Woongebied Indië - Deel 3
49
NL.IMRO.0141.00063-BP31
Daarnaast is het 'Dekkingsplan Brandweer Twente', dat onderdeel uitmaakt van het beleidsplan, vastgesteld. Een beschrijving van de opkomsttijd in het plangebied staat in 5.6.3.2 beschreven. 5.6.3.2 Situatiebeschrijving opkomsttijd Door de Brandweer Twente is een berekening van de opkomsttijd opgesteld. De berekening betreft de theoretische opkomsttijd en kan in praktijk verschillen met de daadwerkelijke opkomsttijd. Redenen voor een vertraging kunnen bijvoorbeeld wegwerkzaamheden zijn. Daarnaast dient u er rekening mee te houden dat de procedure om te komen tot een definitief en vastgesteld bestemmingsplan over het algemeen een lange doorlooptijd kent. Indien er een advies aan Brandweer Twente is gevraagd kan tussentijds door diverse ontwikkelingen de opkomsttijd gewijzigd zijn. Voor de objecten binnen het plangebied geldt in basis een opkomsttijd van 12 minuten. Berekeningen van Brandweer Twente tonen aan de eerste tankautospuit in theorie binnen de gestelde termijn ter plaatse kan zijn. 5.6.3.3 Advies opkomsttijd Aangezien de eerste tankautospuit in theorie binnen de gestelde norm ter plaatse is, zijn er geen aanvullende maatregelen noodzakelijk voor deze objecten. Binnen de nieuwe wijk wordt de bestaande hoofduitrukroute van de brandweer echter afgewaardeerd. De Haven Noordzijde betreft een 50-km per uur weg en zal worden afgewaardeerd naar 30-km per uur.
Door de aanleg van de Burgemeester Schneiderssingel is er een alternatieve route aangelegd. Daarnaast adviseert de brandweer om in de Laan van Indië hulpdienstvriendelijke snelheidsremmers aan te brengen, zodat deze route eventueel als alternatief van de Burgemeester Schneiderssingel gebruikt kan worden. Desondanks zal dit in theorie tot een minimale vertraging in de opkomsttijd lijden met name in de omgeving van de Aalderinkshoek.
5.6.4 Bluswatervoorziening 5.6.4.1 Bluswatervoorziening algemeen Voor een optimale bluswatervoorziening wordt onderscheid gemaakt in primaire, secundaire en tertiaire bluswatervoorzieningen. Dit is van belang omdat de eisen voor de afstand, de capaciteit en de bereikbaarheid verschillend zijn. De basiskenmerken van deze drie modellen zijn: De primaire bluswatervoorziening Deze bluswatervoorziening kan binnen 3 minuten worden opgebouwd en operationeel zijn, waarbij een continuïteit van tenminste 1 uur is gegarandeerd. De secundaire bluswatervoorziening Deze bluswatervoorziening kan binnen een half uur worden opgebouwd en operationeel zijn, waarbij sprake moet zijn van een continuïteit van tenminste 4 uur met een minimale capaciteit van 90m3/per uur. Er geldt een afstand van maximaal 320 meter tot het object. Daarnaast moet het brandweervoertuig het water tot maximaal 8 meter kunnen bereiken. De tertiaire bluswatervoorziening Deze bluswatervoorziening kan binnen een uur worden opgebouwd en operationeel zijn. Hiervoor geldt
vastgesteld bestemmingsplan Woongebied Indië - Deel 3
50
NL.IMRO.0141.00063-BP31
een capaciteiten van minimaal 120m3/per uur en het bluswater is onbeperkt leverbaar. Hiervoor geldt een afstand van maximaal 2.500 meter tot het object. Daarnaast moet het brandweervoertuig het water tot maximaal 50 meter kunnen bereiken. Een beschrijving van de opkomsttijd in het plangebied staat in 5.6.4.2 beschreven. 5.6.4.2 Situatieschets bluswatervoorziening Voor gewone woningen is een capaciteit van 30m³/uur toereikend. Voor bedrijven en andere voorzieningen is een capaciteit van 60m³/uur nodig. Binnen 40 meter van een brandweertoegang dient een brandkraan aanwezig te zijn. De onderlinge afstand van brandkranen mag niet meer dan 80 meter zijn. Binnen een afstand van 320 meter dient een open water te liggen, dat geschikt is als secundaire bluswater-voorziening (voor de duur van 4 uur, 90m³/uur). Omdat in het plangebied naast woningen ook andere functies komen, waaronder horeca en maatschappelijke voorzieningen, is het van belang, dat leidingen conform brw-richtlijnen met een capaciteit van 60m³/uur worden aangelegd. Daarnaast moet voorkomen worden dat brandkranen in parkeervakken komen te liggen.
5.6.4.3 Advies bluswatervoorziening Geadviseerd wordt om bij de uitvoering van het plangebied de genoemde basisuitgangspunten mee te nemen in het ontwerp van het drinkwaterleiding net en op voorhand rekening te houden met het bijplaatsen van extra brandkranen op het (nieuwe) drinkwaterleidingnet. De appartementencomplexen dienen specifiek beoordeeld te worden bij de omgevingsvergunning.
5.6.5 Zelfredzaamheid 5.6.5.1 Zelfredzaamheid algemeen Voor de bestrijdbaarheid van een incident zijn onder andere de bereikbaarheid voor hulpdiensten, opkomsttijd en bluswatervoorziening van belang. Daarnaast speelt de zelfredzaamheid van burgers een rol. Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan hoofdzakelijk uit schuilen en vluchten. Het zelfredzame vermogen van personen in de buurt van een risicovolle bron is een belangrijke voorwaarde om grote effecten bij een incident te voorkomen. De ruimtelijke inrichting van het gebied kan op verschillende manieren inspelen op de zelfredzaamheid. Een beschrijving van de zelfredzaamheid staat in 5.6.5.2 beschreven. 5.6.5.2 Zelfredzaamheid specifiek Het betreft een gebied bestemd voor voornamelijk woningbouw (grondgebonden en gestapeld). Daarnaast zijn aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteiten toegestaan. In de regels wordt kinderopvang echter uitgesloten, waardoor de aanwezigen over het algemeen zelfredzaam zullen zijn of zijn instaat elkaar in veiligheid te brengen. Een aandachtspunt vormt de ontwikkeling dat mensen tegenwoordig langer zelfstandig thuis blijven wonen. Daarnaast brengt de functie 'wonen' met zich mee dat de mensen niet altijd wakend zijn.
vastgesteld bestemmingsplan Woongebied Indië - Deel 3
51
NL.IMRO.0141.00063-BP31
5.6.6 Waarschuwen van de bevolking 5.6.6.1 Sirenedekking plangebied De sirene is een hulpmiddel van de overheid om mensen te kunnen waarschuwen voor acute gevaren. Dit is bijvoorbeeld het geval als er gevaarlijke stoffen vrijkomen bij een brand of ongeval. Op dat moment is het gevaarlijk om buiten te blijven waar men wordt blootgesteld aan het gevaar. De sirenes kunnen dan worden ingeschakeld. Voldoet het dekkingsgebied van de sirene niet, dan zal rond rondom de diverse risico-objecten middels alternatieven moeten worden gealarmeerd. Hierbij valt onder andere te denken aan: sms berichten; sirenewagens. Een beschrijving van de sirenedekking in het plangebied staat in 5.6.6.2 beschreven. 5.6.6.2 Sirenedekking Het plangebied van dit bestemmingsplan ligt binnen het dekkingsgebied van een sirene aan de Brugstraat.
Figuur 5.3 : overzicht sirenedekking
vastgesteld bestemmingsplan Woongebied Indië - Deel 3
52
NL.IMRO.0141.00063-BP31
5.6.7 Conclusie en advies Brandweer Twente Op 21 oktober 2020 heeft de Veiligheidsregio, Brandweer Twente gereageerd op het concept ontwerpt bestemmingsplan. Geadviseerd wordt om voor vaststelling van het bestemmingsplan verantwoording van het groepsrisico af te leggen, waarbij het gehele stationsgebied betrokken wordt en waarbij rekening wordt gehouden met de mogelijke ontwikkelingen rondom het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor. Op deze wijze kan volgens de Veiligheidsregio beter afgewogen worden of en welke maatregelen noodzakelijk worden geacht om de kans op incidenten te verkleinen en de effecten te beperken. Indien het bestemmingsplan op voorhand vastgesteld gaat worden, wordt geadviseerd om de mogelijkheid tot het uitwerken van maatregelen in het bestemmingsplan te borgen. Tevens wordt geadviseerd om te borgen, dat de Veiligheidsregio Twente tijdig wordt betrokken bij de uitwerking van de deelgebieden, zodat zij het advies verder kunnen concretiseren. De Veiligheidsregio zal tijdig betrokken worden. Daarnaast wordt hier verwezen naar paragraaf 5.7.
5.7
Externe veiligheid en technische infrastructuur
Vanuit het oogpunt van veiligheid en technische infrastructuur is een aantal zaken van belang. Zo gelden er veiligheidszones met betrekking tot bepaalde leidingen en het transport van gevaarlijke stoffen over de weg of het spoor.
5.7.1 Straalpaden, kabels en leidingen Het plangebied is volgens de belemmeringenkaart van de provincie gelegen buiten de zone van een straalpad. Er gelden daarom geen maximale bouwhoogtes als gevolg van straalpadverbindingen. In het plangebied zijn geen hoofdgastransportleidingen aanwezig.
5.7.2 Externe veiligheid inrichtingen Het gebruik en/of de opslag van gevaarlijke stoffen als vuurwerk, LPG en giftige stoffen kan risico's met zich meebrengen. Voor ruimtelijke projecten in de nabijheid van het gebruik en/of de opslag van gevaarlijke stoffen moet daarom onderzoek worden gedaan naar individueel (plaatsgebonden)- en/of groepsrisico. Op de risicokaart van de provincie is aangegeven dat er ten westen van het plangebied opslag van propaan plaatsvindt in een bovengrondse tank. Uit de gegevens van de gemeente blijkt dat het om een tank van 5 m³ ging en dat deze tank inmiddels al is verwijderd. Daarnaast is ook een LPG/propaan tank aan de Haven Noordzijde verwijderd. Op het nabijgelegen spooremplacement worden conform afspraken tussen de gemeente Almelo en Prorail geen gevaarlijke stoffen meer gerangeerd. De nieuwe milieuvergunning aanvraag voorziet ook niet meer in het rangeren met gevaarlijke stoffen. Wel vindt over het doorgaand spoor nog beperkt transport van gevaarlijke stoffen plaats (zie 5.7.3).
5.7.3 Externe veiligheid transport Het vervoer van gevaarlijke stoffen als LPG en giftige stoffen kan risico's met zich meebrengen. Voor ruimtelijke projecten in de nabijheid van transportwegen waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd moet daarom onderzoek worden gedaan naar individueel (plaatsgebonden)- en/of groepsrisico. In de nabijheid van het plangebied zijn geen wegen aangewezen voor het transport van gevaarlijke stoffen. Ook de toekomstige Burgemeester Schneiderssingel zal niet worden gebruikt voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Er is daarom geen onderzoek nodig voor transport van gevaarlijke stoffen over de weg. Op circa 80 meter afstand van de eerste bebouwing bevindt zich de spoorlijn tussen Deventer en Almelo. Deze verbinding wordt echter wel gebruikt voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Onderzoek is daarom nodig.
vastgesteld bestemmingsplan Woongebied Indië - Deel 3
53
NL.IMRO.0141.00063-BP31
In september 2019 is door onderzoeksbureau AVIV een onderzoek naar de externe veiligheid vanwege het spoortraject Almelo - Hengelo uitgevoerd (Bijlage 10). Uit het onderzoek is gebleken dat het plaatsgebonden risico geen belemmering vormt voor de in dit bestemmingsplan voorziene ontwikkelingen. De breedte van de veiligheidszone (plaatsgebonden risicocontour 10-6) gemeten vanaf het midden van het spoortraject is namelijk 0 meter. Het groepsrisico in zowel de huidige als toekomstige situatie is een factor 0.07 keer de oriëntatiewaarde. Vanuit het Bevt kan de verantwoording van het groepsrisico achterwege blijven. De realisatie van de in dit bestemmingsplan voorziene ontwikkelingen leidt niet tot een toename van het groepsrisico. Tenslotte geldt volgens de Regeling Basisnet voor het spoortraject Almelo - Hengelo geen plasbrandaandachtsgebied (PAG).