CConstaterende datAlmelo
Koppel je AI →
Document · PDF

12.1 Vaststelling bestemmingsplan Herziening ondergrondse 110kV kabelverbinding - Bijlage 1 - Bestemmingsplan Herziening ondergrondse 110kV kabelverbinding.pdf

Raad 8 maart 2022, gemeente AlmeloBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan 'Herziening ondergrondse 110kV kabelverbinding'19.919 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het plangebied ligt deels in gronden met het ontwikkelingsperspectief Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN) staan in Overijssel de kwaliteitsambities Natuur als ruggengraat en Continu en Beleefbaar watersysteem voorop. Behoud en versterking van de natuurkwaliteit staat centraal binnen de bestaande natuur van het natuurnetwerk. Voor initiatieven die niet passen binnen de doelstelling van het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is binnen het natuurnetwerk geen ruimte, tenzij er sprake is van een groot openbaar belang waar niet op een andere manier aan voldaan kan worden (het ‘nee, tenzij’-principe). Daarbij hanteren de provincie de zogenaamde NNN-spelregels. Binnen de gebieden waar de komende jaren natuurrealisatie plaatsvindt, is medegebruik mogelijk. Voorwaarde is

vastgesteld bestemmingsplan Herziening ondergrondse 110kV kabelverbinding

19

NL.IMRO.0141.00119-BP31

wel dat initiatieven actief bijdragen aan realisatie van het robuuste en samenhangende netwerk van gebieden met natuur-, water- en landschappelijke kwaliteit. De kabelverbinding wordt ondergronds aangelegd, waarbij na aanleg de situatie in de oorspronkelijke staat worden hersteld. De aanleg van de ondergrondse 110kV kabelverbinding ondervindt geen belemmeringen vanuit de ontwikkelingsperspectieven. Hoe Natuurlijke laag Voor wat betreft de natuurlijke laag is het plangebied deels gelegen in het gebied 'dekzandvlakte en ruggen'. De ambitie is de natuurlijke verschillen tussen hoog en laag en tussen droog en nat functioneel meer sturend en beleefbaar te maken. Dit kan bijvoorbeeld door een meer natuurlijk watersysteem en door beplanting met 'natuurlijke' soorten. En door de (strekkings)richting van het landschap te benutten in gebiedsontwerpen. Dekzandvlakten en ruggen krijgen een beschermende bestemmingsregeling, gericht op instandhouding van de hoofdlijnen het huidige reliëf. Voorliggend plan omvat een plan dat de realisatie van een ondergrondse 110kV kabelverbinding mogelijk maakt. Dit heeft geen gevolgen voor de bestaande dekzandvlakte en ruggen. Het plangebied ligt ook op gronden aangeduid als beekdalen en natte laagtes. De ambitie is de beekdalen als functionele en ruimtelijke dragende structuren van het landschap betekenis te geven.

Ruimte voor water, continuïteit van het systeem zijn leidend. Tevens is de ambitie afwenteling van wateroverlast op stroomafwaarts gelegen gebieden te voorkomen door het beeksysteem als eenheid te beschouwen en het vasthouden van water te bevorderen. Tot slot zijn beekdalen belangrijke verbindingen voor mens, plant en dier. Het waterpeil is niet lager dan voor graslandgebruik noodzakelijk is. Voorliggend plan heeft geen effecten op het waterpeil. Laag van de agrarische cultuurlandschappen Een deel van het plangebied is aangeduid als Oude hoevenlandschap. De ambitie is het kleinschalige, afwisselende oude hoevenlandschap vanuit de verspreid liggende erven een ontwikkelingsimpuls te geven. Deze erven bieden veel ruimte voor landbouw, wonen, werken, recreatie, mits er wordt voortgebouwd aan kenmerkende structuren van het landschap: de open esjes, de routes over de erven, de erf- en landschapsbeplantingen. Binnen deze structuren zijn er vol op mogelijkheden om een functioneel grootschalige landbouw in een kleinschalig landschap te ontwikkelen. Tot slot is een deel van de gronden aangeduid als Maten en flierenlandschap. De ambitie is dit landschapstype weer herkenbaar te maken, en de samenhang met de esdorpen en erven weer betekenis te geven. De nog gave delen verdienen een intensief op cultuurhistorische waarden gerichte inrichting en beheer.

Voor de andere delen is het aanzetten van de randen, het beleefbaar maken van het waterrijke karakter, de continuïteit van het landschap het uitgangspunt. Nieuwe dragers als biomassateelt, (es)dorpsontwikkeling in de nabijheid, water(voorraad)berging, particulier natuurbeheer zijn voor dit landschap aan de orde. De aanleg van een ondergrondse 110kV kabelverbinding heeft geen invloed op de gebiedskenmerken van de laag van de agrarische cultuurlandschappen. Stedelijke laag Een deel van het plangebied ligt in de stedelijke laag Bedrijventerreinen. Stedelijke netwerken voorzien in de (boven)regionale behoefte aan bedrijventerrein. De streekcentra Steenwijk en Hardenberg kunnen ruimte bieden aan de regionale behoefte aan bedrijventerreinen, voor zover dit past in de regionale programmering van de betreffende regio. De overige steden en dorpen voorzien in de lokale behoefte aan bedrijventerreinen. Daarbij geldt dat lokaal gewortelde bedrijvigheid ruimte kan worden geboden voor groei binnen de daarvoor geldende ruimtelijke kaders. Waar sprake is van overaanbod en kwalitatieve mismatch moet de balans tussen vraag en aanbod hersteld worden. De aanleg van een ondergrondse leiding heeft geen invloed op de gebiedskenmerken van de stedelijke laag Laag van de beleving De laag van de beleving is niet van toepassing op het plangebied.

vastgesteld bestemmingsplan Herziening ondergrondse 110kV kabelverbinding

20

NL.IMRO.0141.00119-BP31

3.4.2 Omgevingsverordening Provincie Overijssel De Omgevingsverordening geeft vanuit de ambities en doelstellingen, die zijn neergelegd in de Omgevingsvisie, richting aan de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving in Overijssel. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van provinciaal beleid af te dwingen, is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. Uitgangspunt daarbij is dat niet meer geregeld is dan strikt noodzakelijk en dat dubbele regelgeving wordt voorkomen. In de Omgevingsverordening is door de provincie opgenomen, dat onderbouwd dient te worden dat de nieuwe ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken en passen binnen het ontwikkelingsperspectief dat in de Omgevingsvisie is neergelegd. Onder het kopje Omgevingsvisie is hierboven inzichtelijk gemaakt op welke wijze dit plan bijdraagt aan de ambities van de provincie Overijssel. Daaruit wordt geconcludeerd dat het plan passend is binnen de beleidskaders.

3.5

Gemeentelijk beleid

Omgevingsvisie Almelo 2020-2040 De omgevingsvisie Almelo is op 29 september 2020 door de gemeenteraad van Almelo vastgesteld. De Omgevingsvisie is een richtinggevend koersdocument binnen de nieuwe Omgevingswet die naar verwachting vanaf 1 oktober 2022 of 1 januari 2023 inwerking zal treden. De Omgevingsvisie geldt voor het hele grondgebied van de gemeente Almelo. In de omgevingsvisie wordt gewerkt met overkoepelende thema's namelijk: we doen het samen; de basis onder ons bestaan; blauwgroen netwerk; alle (vaar-, spoor-, snel- en digitale) wegen leiden naar Almelo voorrang voor de fiets, ruimte voor de auto dorpen, stad en ommeland zijn ons podium en decor samen gezond en verzorgd wendbare woningen veilig als voorwaarde Omdat het grondgebied van de gemeente Almelo erg verschillend is, wordt in de omgevingsvisie gewerkt met vier gebieden: het buitengebied, de bedrijventerreinen, de wijken & dorpen, en de binnenstad. De ondergrondse 110kV kabelverbinding ligt deels op gronden aangeduid als buitengebied en deels op gronden aangeduid als bedrijventerrein. Het buitengebied is in de omgevingsvisie het geheel aan grafelijke gebieden en landgoederen, het oude cultuurlandschap, het jonge ontginningslandschap, het boerenland en de beroemde groene longen van Almelo, die in een vlindervorm om de stad en dorpen liggen.

Buitengebied Almelo wil met de omgevingsvisie een precaire balans bewaren: het buitengebied optimaal benutten ten gunste van onze economie, recreatie, imago, klimaatbestendigheid en duurzaamheidsdoelen, zónder nadelige effecten voor het buitengebied, de bewoners en gebruikers. De aanleg van de ondergrondse 110kV kabelverbinding zorgt voor een versterking van de leveringszekerheid en de kwaliteit van het elektriciteitsnet en ondervindt geen belemmering vanuit het gemeentelijk beleid.

vastgesteld bestemmingsplan Herziening ondergrondse 110kV kabelverbinding

21

NL.IMRO.0141.00119-BP31

Bedrijventerreinen Bedrijven vestigen zich graag in Almelo. Ondernemers kunnen hun ambities hier waarmaken en de bedrijventerreinen krijgen ruimte om te groeien, zodat de Almelose economie nog verder versterkt en er zoveel mogelijk banen worden gecreëerd. Samen met de Almelose werkgevers maakt de gemeente Almelo zich sterk voor medewerkers zodat ze het beste uit zichzelf kunnen halen. Daarnaast wil de gemeente Almelo er samen met de bedrijven op toe om de werkgelegenheid toekomstbestendig te maken en eigentijdse bedrijvigheid borgen, voor een blijvend sterke positie op regionaal en landelijk niveau. Binnen het Thema bedrijventerrein spelen vier subthema's: Werk als deel van het leven: Een goede combinatie van werk en privé wordt steeds belangrijker. Werkgevers zijn aantrekkelijker als er rondom hun bedrijf voorzieningen zijn, die de kwaliteit van het dagelijks leven van hun werknemers verbeteren. Samenwerken aan bereikbaarheid: Bedrijventerreinen moeten goed bereikbaar blijven voor verschillende vormen van verkeer: vrachtwagens, schepen, fietsen, het openbaar vervoer en de auto. De gemeente Almelo streeft naar een groter aandeel werknemers dat per fiets of met het openbaar vervoer reist, om de doorstroming op de autowegen in de ochtendspits te verbeteren. Gemeente en bedrijven trekken hier samen in op.

Slimme indeling van bedrijventerreinen: Almelo heeft een gerichte aanpak voor het uitgeven en (vooral) herbestemmen of -structureren van locaties voor bedrijvigheid. Ook revitalisatie, transformatie of herbestemming van kleine bedrijventerreinen (in woonwijken) behoort tot de mogelijkheden. De functie voor de omgeving en geschiktheid in de omgeving, zijn daarbij richtinggevend. Voor toekomstige uitbreiding van bedrijventerreinen geldt dat met name de groene longen van Almelo niet worden aangetast. Tot het zoekgebied behoort vooral de zuidwestelijke hoek van de A35 en het Twentekanaal. Daarbij wordt een eventuele uitbreiding gecompenseerd met natuurontwikkeling en gekoppeld aan duurzaamheidsopgaven Onderhavige ontwikkeling geeft geen belemmering op de ontwikkelingsambities die in de omgevingsvisie voor bedrijventerreinen zijn vastgelegd. Masterplan Almelo (2004) Het Masterplan vormt als visie de basis voor de ontwikkeling van Almelo tot 2030. Met het Masterplan wil de gemeente de stad in balans brengen; jongeren, hoger opgeleiden en gezinnen aan de stad binden. Daarnaast heeft het plan als doel de regionale positie van Almelo als centrumstad, met ruim 40.000 banen, te versterken en de voorzieningen in de stad te verbeteren. Deze uitgangspunten krijgen de komende jaren concreet vorm in verschillende projecten en plannen die voortkomen uit het Masterplan.

Vanuit vijf grote opgaven wordt de visie gepresenteerd: stad in balans; binnenstad als brandpunt; betere aansluiting tussen vlinder (stad en land) en spin (verkeersstructuur); simultaan schaken (samenwerking met regio, netwerkstad Twente, buurgemeenten); slimme strategie. Het masterplan staat de aanleg van de ondergrondse 110kV kabelverbinding niet in de weg.

3.6

Conclusie

Vanuit het relevante beleidskader van Rijk, provincie en gemeenten zijn er geen belemmeringen voor de realisatie van de ondergrondse 110kV kabelverbinding Almelo-Hengelo in de gemeente Almelo.

vastgesteld bestemmingsplan Herziening ondergrondse 110kV kabelverbinding

22

NL.IMRO.0141.00119-BP31

Hoofdstuk 4

Omgevingsaspecten

Ingevolge artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt in dit hoofdstuk een beschrijving opgenomen van het verrichte onderzoek naar relevante feiten en belangenafweging (artikel 3.2. Algemene wet bestuursrecht). De onderzoeken zijn vanuit het beleidskader (hoofdstuk 3) en een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk. In dit hoofdstuk worden ook de traceringsuitgangspunten samengevat. Onderzocht is of de aanleg van de ondergrondse 110kV kabelverbinding belemmerd wordt door omgevingsaspecten. Dit hoofdstuk geeft een samenvatting van de verschillende onderzoeken die zijn uitgevoerd. Voor uitgebreidere informatie wordt verwezen naar de feitelijke onderzoeken in de bijlagen.

4.1

Uitgangspunten TenneT

Bij de Elektriciteitswet 1998 (de "E-wet") is TenneT aangewezen als beheerder van het landelijk hoogspanningsnet zowel op land als op zee. TenneT is daarmee verantwoordelijk voor een ongestoorde werking van dit net. Daartoe realiseert TenneT nieuwe assets en onderhoudt TenneT bestaande assets op een zo efficiënt en effectief mogelijke manier. Om dat te bereiken legt TenneT, evenals vele andere functies in de Nederlandse samenleving, een claim op de beperkte beschikbare vrije ruimte in Nederland. TenneT is van mening dat deze claim alleen kan worden gerechtvaardigd indien een goede afweging van belangen heeft plaatsgevonden. Daarbij heeft TenneT de wens om bestaande infrastructuur zoveel als mogelijk ongestoord te laten liggen gedurende de gehele levensfase van een asset (40-50jr). Ook geldt dat TenneT nieuwe infrastructuur zo efficiënt / effectief mogelijk wenst in te passen en te realiseren. Aldus is het streven van TenneT samen te vatten als: 'Duurzame instandhouding en aanleg van assets op een zo efficiënt mogelijke wijze waarbij zo goed als mogelijk rekening is gehouden met alle mogelijke belemmeringen en belangen van stakeholders'. Ten behoeve van dit streven heeft TenneT een aantal beleidsregels opgesteld die van toepassing zijn ingeval door of in opdracht van TenneT nieuwe assets worden gerealiseerd of bestaande assets worden uitgebreid c.q.

grootschalig worden vervangen. Deze beleidsregels zijn in principe gedurende de gehele looptijd van projecten van toepassing. Deze beleidsregels zijn vastgelegd in een zogenoemd 'programma van eisen' (pve). Op dit project zijn het pve voor kabels, het pve met planologische traceringsuitgangspunten en locatie-eisen en het pve voor publieke en private rechten van toepassing. Deze door TenneT gehanteerde beleidsregels zijn ook in dit project toegepast en hebben geleid tot een voorkeurstracé zoals in dit bestemmingsplan beschreven.

4.2

Archeologie en cultuurhistorie

In het kader van het bestemmingsplan is een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd door middel van verkennende boringen (zie bijlage 1 en 2). De resultaten van de onderzoeken worden hieronder beschreven.

4.2.1 Onderzoek Het gedeelte dat door de gemeente Almelo loopt is circa 10,0 km lang. Daarvan wordt circa 5,4 km door open ontgravingen aangelegd. Naar verwachting wordt de sleuf 8 m breed (bovenin; onderin 4 m) en zal er tot een diepte van 2,1 m –mv grond worden ontgraven. Het overige gedeelte van het tracé, circa 4,6 km, zal worden aangelegd door middel van gestuurde boringen (HDD). De ondergrondse 110kV kabelverbinding loopt door verschillende zones met een dubbelbestemming Waarde – Archeologie, wat inhoudt dat voor (delen van) het plangebied archeologisch (voor)onderzoek verplicht is gesteld. Daar waar de ondergrondse 110kV kabelverbinding wordt aangelegd door middel van gestuurde boringen is, met uitzondering van het in- en uittredepunt, geen archeologisch onderzoek noodzakelijk. Er wordt bij een gestuurde boring geen archeologische onderzoek gedaan met sleuven, omdat er bij het graven van proefsleuven meer verstoring plaatsvindt dan bij een gestuurde boring. In dit kader heeft Antea Group in de periode juli-augustus 2018 een bureauonderzoek uitgevoerd. Hieruit is gebleken dat voor delen van het plangebied een middelhoge verwachting op resten uit voornamelijk de prehistorie geldt. Resten uit latere periodes kunnen echter ook worden aangetroffen. Voor de gebieden

vastgesteld bestemmingsplan Herziening ondergrondse 110kV kabelverbinding

23

NL.IMRO.0141.00119-BP31

die in open ontgraving worden aangelegd, en die nog niet in eerdere onderzoeken zijn vrijgegeven, is een inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen uit te voeren. Het veldonderzoek heeft aangetoond dat binnen het gedeelte van het plangebied in de gemeente Almelo plaatselijk sprake is van een (deels met dekzand opgehoogd) beekdal zónder veen. De kans dat zich hier archeologische resten bevinden wordt laag ingeschat. Ter plaatse van boringen 2 en 3 is echter nog wel veen aanwezig. Hierin kunnen goed geconserveerde resten uit de ijzertijd/Romeinse tijd (of later) aanwezig zijn. Daarnaast is veelal sprake van een (deels) verstoord of verspoeld pakket dekzand (dekzandwelvingen en –ruggen). Over het algemeen is geen sprake van een podzolprofiel of is deze opgenomen in de bouwvoor. De kans dat zich hier nog intacte resten bevinden wordt laag ingeschat. Dit geldt echter niet voor het gebied ter hoogte van boring 58 alwaar een deels intact podzolprofiel (dekzandkopje) is aangetroffen. Hier kunnen wel degelijk archeologische resten (vooral dieper ingegraven sporen) aanwezig zijn. Er zijn echter geen archeologische vondsten aangetroffen. Daarnaast zijn enkele dekzandwelvingen- en ruggen aanwezig, waar mogelijk nog dieper ingegraven sporen aanwezig zouden kunnen zijn.

Gezien de mate van bodemverstoring aldaar en de afwezigheid van archeologische vindplaatsen in de directe omgeving, wordt de kans hierop echter toch laag ingeschat. (Selectie)advies Op basis van de resultaten van het veldonderzoek en de conclusie dat hier mogelijk archeologische resten aanwezig zijn, wordt aanbevolen om de graafwerkzaamheden vanaf boring 3 tot aan boring 4 alsmede de zone tussen boring 57 en 59 niet in open ontgraving aan te leggen maar deze zones middels een gestuurde boring (HDD) te ontzien. Indien dit niet mogelijk is wordt geadviseerd om hier een proefsleuvenonderzoek uit te voeren. Daarnaast wordt aanbevolen om de rest van het plangebied vrij te geven ten gunste van de voorgenomen ontwikkeling (de kans wordt laag ingeschat dat zich hier nog archeologische resten bevinden). De implementatie van de bovenstaande aanbeveling is afhankelijk van het oordeel van de bevoegde overheid, in dezen de gemeente Almelo. Deze dient een selectiebesluit te nemen. Op 12 augustus 2019 heeft de heer A. Vissinga, regio-archeoloog Twente, laten weten in te kunnen stemmen met de bovenstaande conclusies en aanbevelingen. Ook voor vrijgegeven (delen van) plangebieden bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen.

Het betreft dan vaak kleine sporen of resten die niet door middel van een booronderzoek kunnen worden opgespoord. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de Minister (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed: telefoon 033-4217456). Een vondstmelding bij de gemeentelijk of provinciaal archeoloog kan ook.

4.2.2 Conclusie Voor een deel van het plangebied is een archeologische dubbelbestemming nodig. Deze is reeds opgenomen in de vigerende plannen. Deze dubbelbestemming blijft van toepassing. De archeologisch waarden zijn daarmee voldoende beschermd.

4.3

Bodemkwaliteit

4.3.1 Verkennend onderzoek Ten behoeve van de aanleg van de ondergrondse 110kV kabelverbinding is een historisch en verkennend (water)bodemonderzoek uitgevoerd, zie Bijlage 3 en Bijlage 4. Doel van dit onderzoek is om inzicht te krijgen in de mogelijke bedrijfsactiviteiten en de hieraan gerelateerde risicovolle locaties die in het verleden hebben plaatsgevonden en/of nog steeds plaatsvinden. Inzicht in de milieuhygiënische bodemkwaliteit is noodzakelijk om de geplande werkzaamheden mogelijk te maken. Het verkennend bodemonderzoek is gebaseerd op de richtlijnen uit de NEN 5740/A1 (Onderzoeksstrategie bij verkennend onderzoek, NEN, 2009 inclusief wijzigingsblad, februari 2016).

vastgesteld bestemmingsplan Herziening ondergrondse 110kV kabelverbinding

24

NL.IMRO.0141.00119-BP31

4.3.2 Conclusie Op basis van de verzamelde informatie kan het volgende worden geconcludeerd: Uit de bodemkwaliteitskaart van regio Twente blijkt dat de boven- en ondergrond van het ondergrondse 110kV kabelverbinding die in de gemeente Almelo ligt voldoen aan de klasse achtergrondwaarde. Uit onderzoeken van 2001 en 2015 blijkt dat op het trafostation te Almelo-Mosterdpot de grond licht tot matig verontreinigd is aan PCB en zware metalen. Op het terrein is ook een restverontreiniging aan minerale olie achtergebleven met onbekende omvang. De puinhoudende bovengrond is asbestverdacht. De ondergrondse 110kV kabelverbinding kruist diverse voormalige wegen/heidepaden, een heideven en watergangen. Deze wegen en de meeste watergangen zijn vóór 1940 verdwenen/gedempt, waardoor de mate van verdachtheid op bodemverontreinigingen relatief laag is. Uit ervaring blijkt dat de voormalige watergangen zijn gedempt met gebiedseigen grond. In het uitgevoerde landbodemonderzoek is overeenkomstig de NEN 5740 de milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie vastgesteld. Uit de resultaten van dit onderzoek blijkt het volgende: Ter plaatse van de voormalige watergangen, wegen en paden zijn geen bodemvreemde materialen/bijmengingen waargenomen.

Ter plaatse van boring 002 is tot circa 1,0 m -mv puin- en afval in de bodem aangetroffen en zijn licht tot matig verhoogde gehalten aan diverse zware metalen gemeten. Ter plaats van deze boring worden de kabels door middel van een gestuurde boring aangelegd. Boring 003 is ter plaatse van het in-/uittredepunt van de boring uitgevoerd. In het opgeboorde materiaal van deze boring is geen puin of afval waargenomen. Aangezien ter plaatse van boring 002 niet is voorzien in open ontgraving wordt aanvullend onderzoek niet noodzakelijk geacht. Ter plaatse van boring 002 (verdachte deellocatie op basis van veldonderzoek) zijn in de puin- en afvalhoudende matig verhoogde gehalten aan zink en lood en licht verhoogde gehalten aan kobalt, koper, molybdeen en kwik gemeten. In het grondwater is een licht verhoogde concentratie barium gemeten. In de bermen van de rijksweg A35 en de Pastoor Ossestraat zijn in de boven- en ondergrond geen verhoogde gehalten gemeten. In het grondwater ter plaatse van de peilbuizen 212A en 212B (berm A35) zijn matig verhoogde concentraties koper en licht verhoogde concentraties molybdeen en naftaleen gemeten. In de peilbuizen 213 en 216 (berm Pastoor Ossestraat) zijn licht verhoogde concentraties naftaleen en/of barium gemeten. In de overige grond- en grondwatermonsters zijn maximaal licht verhoogde gehalten/concentraties aangetoond.

Op basis van de CROW400 is op het tracé één gedeelte waarvoor in het grondwater Rood - niet vluchtig van toepassing is. In het uitgevoerde waterbodemonderzoek is overeenkomstig de NEN 5720 de milieuhygiënische waterbodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie vastgesteld. Uit de resultaten van dit onderzoek blijkt het volgende: Het slib en de ondergrond uit de tijdelijk te dempen watergang mogen worden verspreid op het aangrenzend perceel. Aanbevelingen De resultaten van dit bodemonderzoek vormen geen belemmeringen voor de aanleg van de ondergrondse 110kV kabelverbinding, met de volgende aandachtspunten: Op locatie Almelo-Mosterdpot was geen toestemming voor het uitvoeren van veldonderzoek. Op deze locatie dient de verontreiniging met koper en nikkel nog te worden afgeperkt.

vastgesteld bestemmingsplan Herziening ondergrondse 110kV kabelverbinding

25

NL.IMRO.0141.00119-BP31

4.4

Ecologie

In projecten is in het kader van de uitvoerbaarheid inzicht gewenst in de aanwezigheid van beschermde soorten en gebieden. Er dient te worden aangetoond dat het plan uitvoerbaar is. Het doel van de uitgevoerde natuurtoets, zie bijlage 5, is het opsporen van (eventuele) strijdigheden van de voorgenomen ingreep met de Wet natuurbescherming en Natuurnetwerk Nederland en te bepalen of de aanvraag van een ontheffing/vergunning noodzakelijk en eventueel vervolgonderzoek nodig is. Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. De provincies zijn verantwoordelijk voor de uitvoering daarvan.

4.4.1 Onderzoek De voorgenomen werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd indien deze niet in strijd zijn met de Wet natuurbescherming en het beleid van het Natuurnetwerk Nederland. Daarom is inzicht gewenst in de aanwezigheid van beschermde soorten en beschermde gebieden binnen de invloedsfeer van werkzaamheden en de effecten hierop. Dit is gedaan op basis van een Natuurtoets. De conclusies hiervan zijn hieronder uiteengezet. Conclusies gebiedsbescherming Natuurnetwerk Nederland De ondergrondse 110kV kabelverbinding loopt op een aantal plaatsen door NNN-gebieden. Dit betreft ook enkele delen waar een open ontgraving wordt toegepast. Het grootste deel van de ondergrondse 110kV kabelverbinding dat door NNN-gebied loopt wordt aangelegd door middel van een gestuurde boring. De werkzaamheden hebben een tijdelijk karakter waardoor geen langdurig ruimtebeslag plaatsvindt in een gebied dat is aangewezen onder het NNN. Door het tijdelijke karakter en de aard van de werkzaamheden kan de huidige situatie na afronding van de werkzaamheden hersteld worden. Aan de hand van de gegevens welke tijdens het terreinbezoek zijn verkregen is beoordeeld dat de voorgenomen werkzaamheden geen blijvend negatieve effecten op de wezenlijke en kenmerkende waarden van NNN gebieden hebben. Hierdoor zijn vervolgstappen niet noodzakelijk en hoeft geen uitgebreidere toetsing te worden uitgevoerd.

Natura 2000 De ondergrondse 110kV kabelverbinding loopt niet door een Natura2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied is het Lonnekermeer op meer dan vier kilometer vanaf het eindstation bij Hengelo. Bij de toets aan de Wnb-gebiedsbescherming is gebleken dat het project mogelijk leidt tot een effect via stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Tot voor kort (29 mei 2019) kon mede op basis van een Aerius-berekening voor projecten die leiden tot stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden een beroep worden gedaan op het Programma Aanpak Stikstof (PAS). Echter, op 29 mei 2019 heeft de Raad van State uitspraak gedaan inzake het PAS. Naar aanleiding van deze uitspraak mag het PAS niet meer worden gebruikt als basis voor het vaststellen van een project het verlenen van vergunningen voor projecten. Daarom zijn vervolgstappen met betrekking tot stikstofdepositie voor het project maatwerk.

Stikstofonderzoek De stikstofberekeningen zijn conform het advies uit de natuurtoets uitgevoerd; de resultaten zijn als

vastgesteld bestemmingsplan Herziening ondergrondse 110kV kabelverbinding

26

NL.IMRO.0141.00119-BP31

bijlage 6 bijgevoegd. Uit de met AERIUS Calculator uitgevoerde berekeningen blijkt, dat als gevolg van het project de stikstofdepositie ter plaatse van relevante Natura 2000-gebieden toeneemt. Uit de berekening van het project blijkt dat het extra verkeer dat van en naar de projectlocatie gaat rijden en het gebruik van mobiele werktuigen leidt tot een maximale depositie van 0,05 mol N/ha/jaar. Gezien deze bijdrage kunnen significante negatieve effecten op voorhand niet worden uitgesloten. Voor welke stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden de bijdragen zijn berekend is in bijlage 6 weergegeven. Ten aanzien van projecten met een kleine, tijdelijke depositie zegt BIJ12 het volgende: Voor tijdelijke projecten met een geringe toename van de stikstofdepositie kleiner dan of gelijk aan 0,05 mol N/ha/jaar over een periode van twee jaar in de aanlegfase (of een equivalent daarvan), kan er tegenwoordig, vanuit onder andere de spreiding van mobiele werktuigen, beredeneerd worden dat negatieve gevolgen op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden op voorhand kunnen worden uitgesloten. De berekende deposities vallen binnen de gestelde drempelwaarde. Het is aan de betreffende omgevingsdienst (Omgevingsdienst Achterhoek) om te bepalen of zij bovenstaande redeneerlijn volgen.

De bovenstaande redeneerlijn heeft betrekking op mobiele werktuigen en ander materieel, die tijdelijk stikstofemissies veroorzaken. Dit materieel wordt, verspreid over Nederland, telkens opnieuw ingezet voor verschillende projecten. De emissies van dit materieel vormen daardoor bestaande emissiebronnen die al sinds de aanwijzing van de Natura 2000-gebieden onderdeel uitmaken van de bestaande achtergronddepositie. Dit materieel veroorzaakt ten opzichte van de totale achtergronddepositie een minieme deken die, voor wat betreft de ruimtelijke verdeling, vrijwel constant is. De emissie veroorzaakt door dit materieel is bovendien in de loop van de tijd steeds lager geworden door het schoner worden van motoren en het toepassen van emissie reducerende technieken. Conclusies soortenbescherming In het projectgebied komen beschermde soorten voor die mogelijk negatieve effecten ondervinden als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden. In de nabijheid van het projectgebied zijn tevens jaarrond beschermde nesten waargenomen. Verder kunnen er verblijfplaatsen en essentiële vliegroutes van vleermuizen binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden aanwezig zijn. Ook zijn mogelijk beschermde soorten uit de volgende soortgroepen binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden aanwezig: reptielen, amfibieën, libellen, dagvlinders en vaatplanten.

Onderstaand worden de conclusies per soortgroep aangegeven.

vastgesteld bestemmingsplan Herziening ondergrondse 110kV kabelverbinding

27

NL.IMRO.0141.00119-BP31

Conclusies houtopstanden In de Wet natuurbescherming zijn bepalingen opgenomen met betrekking de bescherming van houtopstanden buiten de bebouwde kom. Deze bepalingen geven aan dat voor het kappen van bomen buiten de bebouwde kom een meldingsplicht geldt. Deze bepalingen zijn van kracht wanneer: de houtopstand buiten de 'bebouwde kom Wet natuurbescherming' ligt; de houtopstand groter is dan 10 are (1000 m2 ) of wanneer het gaat om bomen in een rijbeplanting van meer dan 20 bomen. Ten behoeve van het voornemen worden er op gronden in de gemeente Almelo geen bomen gekapt. Zorgplicht In de Wet natuurbescherming is een zorgplicht opgenomen. In het tekstkader in bijlage I van bijlage 5 staat het wetsartikel uitgeschreven. De zorgplicht houdt in dat planten en dieren niet onnodig

vastgesteld bestemmingsplan Herziening ondergrondse 110kV kabelverbinding

28

NL.IMRO.0141.00119-BP31

vernield/gedood of verstoord mogen worden. De initiatiefnemer/uitvoerder is verantwoordelijk voor een adequate naleving.

4.4.2 Conclusie Vanuit de Natura 2000-gebieden, de NNN, de soortenbescherming en de houtopstanden ondervindt het plan in gemeente Almelo geen belemmeringen. In het kader van de soortenbescherming worden de voorgeschreven maatregelen genomen. Nader onderzoek naar vleermuizen, reptielen en amfibieën is daarom niet nodig

4.5

Externe veiligheid

4.5.1 Bureauonderzoek Op basis van de website www.risicokaart.nl zijn de bestaande risicobronnen geraadpleegd. In figuur 4.4. zijn deze bronnen zichtbaar. De ondergrondse 110kV kabelverbinding kruist een aantal aardgasleidingen (NEN 3650-leidingen). Dit betreffen de volgende aardgasleidingen, die met een rode stippellijn zijn aangeduid: Naam A-648, diameter 914 mm, wanddikte 17 mm, maximale werkdruk 80 bar. Naam A-508, diameter 457 mm, wanddikte 8 mm, maximale werkdruk 66 bar. Naam A-528, diameter 457 mm, wanddikte 8 mm, maximale werkdruk 66 bar. Naam N-557-49, diameter 219 mm, wanddikte 6 mm, maximale werkdruk 40 bar. De aanwezigheid van de gastransportleidingen brengt wel risico's met zich mee. In paragraaf 4.8 wordt hier verder op ingegaan. Bij de keuze voor de ligging van de ondergrondse 110kV kabelverbinding is rekening gehouden met de veiligheidsafstanden uit het Handboek Risicozonering Windturbines. Aan de veiligheidsafstand van minimaal 245 meter wordt voldaan.

Figuur 4.4: uitsnede risicokaart

vastgesteld bestemmingsplan Herziening ondergrondse 110kV kabelverbinding

29

NL.IMRO.0141.00119-BP31

4.5.2 Conclusie Assets van TenneT vallen zelf niet onder de werkingssfeer van wet- en regelgeving ten aanzien van externe veiligheid. De realisatie van de ondergrondse 110kV kabelverbinding heeft geen gevolgen voor het risiconiveau (plaatsgebonden risico en groepsrisico) van de hiervoor vermelde risicobron. Er is geen sprake van vaststelling van een ruimtelijk besluit, dat betrekking heeft op de gronden in de omgeving van een (niet) basisnetroute en die de bouw, vestiging of aanleg van nieuwe kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten toelaat. Er worden met dit plan geen nieuwe kwetsbare bestemmingen mogelijk gemaakt. Een nadere verantwoording hoeft dan ook niet te worden opgesteld. De realisatie van de ondergrondse 110kV kabelverbinding is vanuit het aspect externe veiligheid planologisch aanvaardbaar.

4.6

Geluid

De Wet geluidhinder (Wgh) heeft tot doel de mensen te beschermen tegen geluidsoverlast. Op basis van deze wet dient bij het opstellen van ruimtelijke plannen aandacht te worden besteed aan het aspect geluid. De ondergrondse 110kV kabelverbinding is geen geluidgevoelige bestemming in de zin van de Wet geluidhinder (Wgh). Een akoestisch onderzoek is daarom niet noodzakelijk. Voor de aanleg van de ondergrondse 110kV kabelverbinding vinden de nodige werkzaamheden plaats. Deze werkzaamheden en het hierbij in te zetten materieel veroorzaken een bepaalde geluidsbelasting op de omgeving. De effecten vanwege de geluidshinder op omwonenden treden alleen op tijdens de aanleg van de ondergrondse 110kV kabelverbinding. De ene activiteit duurt langer dan de andere activiteit en iedere activiteit heeft een andere geluidssterkte. Het gaat hierbij om tijdelijk geluid veroorzaakt door vrachtverkeer, graven en boren. De Wet geluidhinder bevat geen regels voor dergelijke tijdelijke situaties. De uiteindelijke ondergrondse kabels zijn volledig geluidloos. Mogelijk is wel de Algemeen Plaatselijke Verordening (APV) van toepassing op de aanlegfase. De werkzaamheden zullen binnen de gestelde normen van de APV worden uitgevoerd. De realisatie van de ondergrondse 110kV kabelverbinding is vanuit het aspect geluid planologisch aanvaardbaar.

4.7

Gezondheid

Magneetvelden hoogspanningsverbindingen De sterkte van elektrische en magnetische velden is afhankelijk van de aanwezige spanning (elektrisch veld) of de stroomsterkte (magnetisch veld), maar is ook sterk afhankelijk van de afstand tot de bron. Net als bij een warmtebron geldt voor elektrische en magnetische velden dat de veldsterkte snel afneemt wanneer de afstand tot de bron groter is. Bij ondergrondse hoogspanningskabels spelen elektrische velden geen rol. Door de metalen beschermingsmantel om de kabel wordt het elektrisch veld volledig afgeschermd. Voor wat betreft magneetvelden rond hoogspanningsinfrastructuur geldt een grenswaarde van maximaal 100 microtesla. Deze waarde komt voort uit aanbevelingen van de Europese Unie en geldt als norm voor de maximale blootstelling aan burgers. Het volledige hoogspanningsnet van TenneT voldoet aan deze norm op alle voor publiek toegankelijke plaatsen. Het toenmalige ministerie van VROM (nu ministerie van Infrastructuur en Waterstaat) heeft aanvullend in 2005 een beleidsadvies aan gemeenten, provincies en netbeheerders voor bovengrondse hoogspanningslijnen gegeven.

De kern van het beleidsadvies luidt als volgt: Op basis van het voorgaande adviseer ik u om bij de vaststelling van streek- en bestemmingsplannen en van de tracés van bovengrondse hoogspanningslijnen, dan wel bij wijzigingen in bestaande plannen of van bestaande hoogspanningslijnen, zo veel als redelijkerwijs mogelijk is te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied rond bovengrondse hoogspanningslijnen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla (de magneetveldzone).

vastgesteld bestemmingsplan Herziening ondergrondse 110kV kabelverbinding

30

NL.IMRO.0141.00119-BP31

Het beleidsadvies is alleen van toepassing op bovengrondse hoogspanningsverbindingen. Andere elektrische infrastructuur of voorzieningen zoals ondergrondse hoogspanningsverbindingen, hoogspanningsstations, transformatorhuisjes, spoorlijnen, tramwegen en dergelijke vallen niet onder het beleidsadvies. Het beleidsadvies is dus niet van toepassing op de ondergrondse kabelverbinding die in dit bestemmingsplan planologisch mogelijk wordt gemaakt. De realisatie van de ondergrondse 110kV kabelverbinding is vanuit het aspect gezondheid aanvaardbaar.

4.8

Kabels en leidingen

Bij de aanleg van een ondergrondse 110kV kabelverbinding is het belangrijk te bezien of er andere ondergrondse infrastructuur aanwezig is in de vorm van kabels en leidingen die nadelig kunnen worden beïnvloed door de ondergrondse 110kV kabelverbinding. Het is ook mogelijk dat het functioneren van de ondergrondse 110kV kabelverbinding nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van kabels en leidingen. Bij de aanleg wordt ook rekening gehouden met kabels- en leidingverordening van de betrokken gemeenten. Bij het kruisen van gasleidingen door middel van boringen wordt een afstand van 5 meter boven of onder de gasleiding aangehouden. Alle kruisingen met (hogedruk) transportleidingen voor aardgas op het tracé vinden plaats middels gestuurde boringen. De betrokken beheerders, TenneT en Gasunie, stemmen een en ander op elkaar af. Daar waar noodzakelijk worden maatregelen getroffen. In de NEN norm 3654 zijn afstandsnormen en richtlijnen opgenomen voor gewenste afstanden tussen hoogspanningsverbindingen en andere kabels en leidingen. Daarnaast is een richtlijn opgenomen om te komen tot een ideale afstand. Hiermee dient rekening te worden gehouden bij aanleg en instandhouding van nieuwe verbindingen van TenneT. Worden deze afstanden aangehouden dan is de noodzaak tot het treffen van maatregelen geminimaliseerd en kan de ongestoorde ligging beter worden geborgd.

4.9

Luchtkwaliteit

4.9.1 Onderzoek Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (Wm), titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen. Alleen waar sprake is van in de Wm genoemde uitoefening van bevoegdheden of toepassing van wettelijke voorschriften (artikel 5.16, lid 2) èn deze uitoefening of toepassing gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, dient een toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit plaats te vinden. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. In de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Het begrip ‘niet in betekenende mate’ is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor NO2 en fijn stof (PM10).

In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit achterwege blijven. De grootste intensiteit van verkeersbewegingen vindt plaats gedurende de aanlegfase. Vervolgens vindt een enkele verkeersbeweging plaats ten behoeve van onderhoud en beheer. Naar verwachting is het aantal verkeersbewegingen in de aanlegfase dermate laag dat wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld in het Besluit NIBM en de Regeling NIBM. Vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit zijn er geen

vastgesteld bestemmingsplan Herziening ondergrondse 110kV kabelverbinding

31

NL.IMRO.0141.00119-BP31

belemmeringen voor dit bestemmingsplan. Er worden geen ontwikkelingen toegelaten die leiden tot een substantiële toename van het verkeer.

4.9.2 Conclusie Bovenstaande overwegingen laten zien dat wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld in het Besluit NIBM en de Regeling NIBM. Onderzoek naar de luchtkwaliteit kan daarom achterwege blijven.

4.10 Vooronderzoek aanwezigheid conventionele explosieven (CE) Er kunnen als gevolg van gevechtshandelingen uit de Tweede Wereldoorlog conventionele explosieven (hierna CE) in het gebied zijn achtergebleven. Er ontstaat bij het spontaan aantreffen en beroeren van CE uit de Tweede Wereldoorlog mogelijk een verhoogd veiligheidsrisico. Onbedoelde detonaties kunnen bij de uitvoering van werkzaamheden in het ergste geval leiden tot dodelijk letsel en zware schade aan materieel en omgeving. Spontane CE vondsten kunnen resulteren in meerwerkkosten door stagnatie van de uitvoeringswerkzaamheden. In dat kader is onderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 8).

4.10.1

Bureauonderzoek

Het doel van het vooronderzoek is om aan de hand van een breed scala aan historisch feitenmateriaal een zo genuanceerd mogelijk beeld met betrekking tot het onderzoeksgebied in de Tweede Wereldoorlog te verkrijgen. Aan de hand van deze gegevens wordt een antwoord gegeven op de vraag of en zo ja in welke delen van het onderzoeksgebied er sprake is van een verhoogd risico op het aantreffen van CE. Er wordt daarnaast ingegaan op de te verwachten soort(en) CE, de verschijningsvorm en de mogelijke hoeveelheid. Het onderzoek resulteert in een horizontale en verticale afbakening van het verdachte gebied door middel van GIS kaartmateriaal en het advies om de werkzaamheden onder reguliere omstandigheden uit te voeren, of om vervolgstappen te zetten in de vorm van bijvoorbeeld een (projectgebonden) risicoanalyse of direct een detectieonderzoek.

4.10.2

Conclusie

Op basis van de beoordeelde feiten van het vooronderzoek is geconcludeerd dat er indicaties zijn voor de mogelijke aanwezigheid van CE. De volgende gevechtshandelingen / CE gerelateerde handelingen hebben in en/of nabij het onderzoeksgebied plaatsgevonden: Het neerkomen van afwerpmunitie Het afvuren van raketten Beschietingen met vliegtuigboordwapenmunitie Een vliegtuigcrash Beschietingen met geschutmunitie/grondgevechten De aanleg van stellingen De aanleg van een verdedigingswerk De aanleg van wapenopstellingen De volgende CE kunnen mogelijk in het onderzoeksgebied worden aangetroffen: Afwerpmunitie Raketten CE als onderdeel van een vliegtuigcrash Geschutmunitie CE afkomstig van grondgevechten Vliegtuigboordwapenmunitie Gedumpte munitie Het onderzoeksgebied is gedeeltelijk verdacht op CE. Het CE verdachte gebied is horizontaal afgebakend op de CE-bodembelastingkaart. De horizontale en verticale afbakening van de CE verdachte gebieden wordt besproken in hoofdstuk 4.5 van het bijgevoegd rapport (zie Bijlage 8). In figuur 4.5 is een

vastgesteld bestemmingsplan Herziening ondergrondse 110kV kabelverbinding

32

NL.IMRO.0141.00119-BP31

uitsnede van de CE-bodembelastingkaart voor de gronden in gemeente Almelo opgenomen.

Figuur 4.5: Uitsnede CE bodembelastingkaart Almelo Er kan op basis van het onderzoek direct tot opsporing van CE worden overgegaan. De opsporingsfase omvat het geheel van organisatie en uitvoering, achtereenvolgens: werkvoorbereiding, detecteren, interpreteren, lokaliseren, laagsgewijs ontgraven en identificeren van de vermoede explosieven, tijdelijk veiligstellen van de situatie tot aan overdracht aan de EOD en proces-verbaal van oplevering aan TenneT en de gemeente. Wanneer de opsporingsfase voor de relevante gebieden is afgerond is het aspect CE geen belemmering voor de uitvoering van het bestemmingsplan. Er kan ook worden gekozen om eerst om via verder onderzoek een nadere verdiepingsslag te maken en te kijken of de verdachte gebieden kunnen worden verkleind.

vastgesteld bestemmingsplan Herziening ondergrondse 110kV kabelverbinding

33

NL.IMRO.0141.00119-BP31

4.11 Waterhuishouding 4.11.1

Onderzoek

De Watertoets is een procesinstrument om wateraspecten een plaats te kunnen geven in de planvorming. Waterbeheerders worden in een vroeg stadium betrokken bij de planvorming om zo een duurzame omgang met hemel-, grond- en oppervlaktewater te waarborgen en “water” mee te laten wegen in het planproces. Met de watertoets worden afspraken gemaakt over de wijze waarop in ruimtelijke plannen rekening gehouden wordt met het belang van water. Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Waterschap Vechtstromen. Een legger is een aanvulling op de Keur. Een keur is een stelsel van gebods- en verbodsbepalingen voor het in stand houden van de waterkeringen, waterhuishouding en wegen. In de Legger zijn de watergangen opgenomen, waarop de keur van toepassing is. Uit de Legger blijkt dat voor de ondergrondse 110kV kabelverbinding in de gemeente Almelo geen eisen zijn opgenomen. De ondergrondse 110kV kabelverbinding leidt verder niet tot permanente effecten op het grondwater. Het deel van de ondergrondse 110kV kabelverbinding dat met gestuurde boringen, persingen en open ontgravingen onder de grond wordt aangelegd leidt niet tot extra verhard oppervlak op maaiveld. Wel is voor de aanleg van een benodigde tijdelijke bouwweg ten westen van de Pastoor Ossestraat en ten noorden van de rijksweg A35 noodzakelijk om een deel van de aanwezige watergang gedeeltelijk tijdelijk te dempen.

Hiervoor is op grond van de Keur van het waterschap Vechtstromen een vergunning vereist. Deze zal worden aangevraagd. Deze procedure staat los van het bestemmingsplan. Langs het Twentekanaal ligt een beschermingszone voor de regionale waterkering. Op 15 oktober 2019 heeft overleg plaatsgevonden met Rijkswaterstaat waar gebleken is dat de boring onder het Twentekanaal uitvoerbaar is.

4.11.2

Conclusie

Het aspect water is geen belemmering voor de uitvoering van het plan. In het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening wordt door de gemeenten advies gevraagd aan het Waterschap.

4.12 Milieu-effectrapportage 4.12.1

Besluit m.e.r.

Voor plannen en besluiten die ontwikkelingen bevatten die (mogelijk) belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben, geldt de verplichting om de procedure voor milieueffectrapportage te doorlopen of te beoordelen of het doorlopen van een dergelijke procedure noodzakelijk is (een m.e.r.-beoordeling). Op die manier krijgt milieu een volwaardige rol in de afweging van belangen. De milieueffectrapportage is geregeld in de Wet milieubeheer en nader uitgewerkt in de AMvB Besluit m.e.r. De categorieën van activiteiten waarbij deze verplichting aan de orde is, zijn vastgelegd in het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Het gaat om de C-lijst en de D-lijst waarin alle activiteiten staan genoemd waarvoor m.e.r.-verplichtingen kunnen gelden. De aard en omvang van de activiteit bepaalt in belangrijke mate welke verplichtingen gelden ten aanzien van de rapportages. Er is sprake van een vormvrije m.e.r.-beoordeling, een m.e.r.-beoordeling of een m.e.r.-plicht. De gevallen waarvoor een milieueffectrapportage verplicht is, staan in onderdeel C. De gevallen waarvoor een m.e.r.-beoordeling verplicht is, staan in onderdeel D. De gevallen in onderdeel D zijn overigens indicatief.

De verplichting voor een m.e.r.-beoordeling geldt ook wanneer op grond van de selectiecriteria in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Deze omstandigheden zijn: 1. de kenmerken van de projecten (omvang project, gebruik van natuurlijke hulpbronnen, productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder, risico en ongevallen en de cumulatie met andere projecten); 2. de plaats van de projecten (bijzondere gebieden, bestaand grondgebruik, rijkdom/kwaliteit/regeneratievermogen van natuurlijke hulpbronnen van het gebied, het

vastgesteld bestemmingsplan Herziening ondergrondse 110kV kabelverbinding

34

NL.IMRO.0141.00119-BP31

opnamevermogen van het natuurlijk milieu); 3. de kenmerken van de potentiële effecten (in samenhang met de eerste twee criteria: bereik, grensoverschrijdende karakter van het effect, orde/grootte/complexiteit effect, waarschijnlijkheid effect, duur/frequentie/onomkeerbaarheid van het effect). Gelet op de wetswijziging per 16 mei 2017 moet er voor de aanleg van een ondergrondse hoogspanningsleiding op grond van het Besluit m.e.r. bijlage D een aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling door de initiatiefnemer worden opgesteld, op basis waarvan de gemeente een besluit neemt over de m.e.r.-beoordelingsplicht. Kolom 1 Kolom 2 Kolom 3 Kolom 4 Activiteiten Gevallen Plannen Besluiten D De aanleg, In gevallen waarin De structuurvisie, Het plan, bedoeld wijziging of de activiteit bedoeld in de in artikel 3.6, 24. uitbreiding van betrekking heeft artikelen 2.1, 2.2 eerste lid, 2 een op een leiding en 2.3 van de Wet onderdelen a en b, ondergrondse met: ruimtelijke van de Wet hoogspanning 1° een spanning ordening, en de ruimtelijke ordening sleiding. van 150 kilovolt of plannen, bedoeld dan wel bij het meer, en in de artikelen 3.1, ontbreken daarvan 2° een lengte van eerste lid, 3.6, van het plan, 5 kilometer of eerste lid, bedoeld in artikel meer in een onderdelen a en b, 3.1, eerste lid, van gevoelig gebied van die wet.

die wet of het als bedoeld onder besluit, bedoeld in a, b (tot 3 zeemijl artikel 6.5, uit de kust) of d onderdeel c, van de van punt 1 van Waterwet. onderdeel A van deze bijlage.

4.12.2

Aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling

De vormvrije m.e.r.-beoordeling is uitgevoerd in de vorm van een aanmeldingnotitie, die als bijlage 7 is bijgevoegd. Geconcludeerd wordt, dat er geen sprake is van waarschijnlijk belangrijke gevolgen voor het milieu zoals bedoeld in artikel 7.16 en 7.17 Wet milieubeheer en is het maken van een milieueffectrapport voor de besluitvorming over het plan niet nodig.

vastgesteld bestemmingsplan Herziening ondergrondse 110kV kabelverbinding

35

NL.IMRO.0141.00119-BP31

Hoofdstuk 5

Juridische plantoelichting

Dit hoofdstuk beschrijft de plansystematiek van het bestemmingsplan. Eerst wordt ingegaan op de planopzet, waarna een toelichting volgt op de planregels.

5.1

Verantwoording planvorm

Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen Het voorliggende bestemmingsplan is opgesteld volgens de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012) en voldoet aan de vereisten op het gebied van digitalisering. Het bestemmingsplan voldoet tevens aan de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) die per 1 oktober 2010 in werking is getreden. Opzet van de planregels De planregels van dit bestemmingsplan zijn als volgt opgezet: Hoofdstuk 1: In dit hoofdstuk worden de in de planregels gehanteerde begrippen nader verklaard, zodat interpretatieproblemen zoveel mogelijk worden voorkomen. Daarnaast wordt aangegeven op welke wijze bepaalde afmetingen dienen te worden gemeten. Hoofdstuk 2: bevat de bestemmingsregels. Hierin worden de op de verbeelding aangegeven bestemmingen omschreven en wordt bepaald op welke wijze de gronden en opstallen gebruikt mogen worden. Het betreft in dit bestemmingsplan de dubbelbestemming Leiding-Hoogspanning. Hoofdstuk 3: bevat bepalingen die van toepassing zijn op meerdere bestemmingen, zodat het uit praktische overwegingen de voorkeur verdient deze in een afzonderlijk hoofdstuk onder te brengen. Hoofdstuk 4: bevat de overgangs- en slotregels. Hierin is het overgangsrecht geregeld alsmede de titel. Bij de opzet van de planregels is het aantal regels zo beperkt mogelijk gehouden en slechts datgene geregeld, wat werkelijk noodzakelijk is.

Er is daarom gekozen voor een zogenaamde facetregeling. Dat betekent dat de onderliggende bestemmingen van de vigerende bestemmingsplannen blijven gelden voor deze gronden voor zover dit niet in strijd komt met de regeling uit dit bestemmingsplan. Er wordt als het ware alleen een dubbelbestemming overheen gelegd. In de vigerende bestemmingsplannen is reeds een Bestemming 'Leiding - Hoogspanningsverbinding 1' opgenomen voor een bestaande bovengrondse 110kV kabelverbinding. Deze bestemming blijft zo gelden. Dit geldt ook voor de dubbelbestemming Leiding - Hoogspanningsverbinding 2', die geldt voor een bovengrondse 380kV hoogspanningsverbinding. Voor de nieuwe ondergrondse 110kV kabelverbinding gaat de bestemming 'Leiding - Hoogspanning' gelden.

5.2

Toelichting op de planregels

De planregels zijn als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 1: Inleidende regels Artikel 1 Begrippen: de in de regels gebezigde begrippen worden hierin omschreven ter verduidelijking van de betekenis en ter voorkoming van verschil in interpretatie. Artikel 2 Wijze van meten: een omschrijving van de wijze waarop het meten dient plaats te vinden. Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels Artikel 3 Reikwijdte: In dit artikel is aangegeven op welke wijze dit plan doorwerkt in relatie met de vigerende bestemmingsplannen. Met dit artikel wordt ten eerste aan de vigerende bestemmingsplannen een dubbelbestemming Leiding Hoogspanning toegevoegd, waarvan de regels in artikel 4 zijn opgenomen. Dit maakt de aanleg van de ondergrondse 110kV kabelverbinding mogelijk. Daarnaast voegt het bestemmingsplan aan de volgende plannen regels toe, zodat bij de aanleg van de ondergrondse 110kV-kabelverbinding geen omgevingsvergunningen nodig zijn die in verschillende bestemmingen in de geldende bestemmingsplannen zijn opgenomen: 1. bestemmingsplan Westelijke Groene Long wordt voor zover de gronden binnen voorliggend plan zijn gelegen als volgt gewijzigd: aan de bestaande regels van artikel 4 'Agrarisch met waarden' wordt in lid 4.6.2 een nieuw sub d toegevoegd die als volgt luidt : "d. werken, geen bouwwerken zijnde, of

vastgesteld bestemmingsplan Herziening ondergrondse 110kV kabelverbinding

36

NL.IMRO.0141.00119-BP31

werkzaamheden, die de aanleg van een ondergrondse 110kV-hoogspanningsverbinding en de daarbij horende constructies, installaties en apparatuur betreffen". Het geldende bestemmingsplan vereist een omgevingsvergunning voor het aanleggen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- en/of communicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur. Deze kan worden verleend als er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke en/of natuurwaarden. Aangezien de kabel ondergronds wordt aangelegd en de situatie na aanleg wordt hersteld conform de bestaande situatie is er geen sprake van afbreuk aan het landschap. Voor het aspect natuur is nader onderzoek nodig. Zodra dat is uitgevoerd zal kunnen worden geconcludeerd of er geen natuurwaarden worden aangetast. 2. bestemmingsplan Windmolenbroek - Groeneveld wordt voor zover de gronden binnen voorliggend plan zijn gelegen als volgt gewijzigd: aan de bestaande regels van artikel 3 'Agrarisch' wordt in lid 3.5.2 een nieuw sub c toegevoegd die als volgt luidt : "c. het aanleggen van een ondergrondse 110kV-hoogspanningsverbinding en de daarbij horende constructies, installaties en apparatuur betreffen".

Het geldende bestemmingsplan vereist een omgevingsvergunning voor het aanleggen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- en/of communicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur. Deze kan worden verleend als er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke waarden van de gronden. Aangezien de kabel ondergronds wordt aangelegd en de situatie na aanleg wordt hersteld conform de bestaande situatie is er geen sprake van afbreuk aan het landschap. Het schrappen van de omgevingsvergunningplicht voor de aanleg van de ondergrondse 110kV-kabelverbinding is daarmee gerechtvaardigd. 3. bestemmingsplan Buitengebied Almelo wordt voor zover de gronden binnen voorliggend plan zijn gelegen als volgt gewijzigd: a. aan de bestaande regels van artikel 4 'Agrarisch met waarden' wordt in lid 4.5.3 een nieuw sub d toegevoegd die als volgt luidt : "d.werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die de aanleg van een ondergrondse 110kV-hoogspanningsverbinding en de daarbij horende constructies, installaties en apparatuur betreffen". Het geldende bestemmingsplan vereist een omgevingsvergunning voor het aanleggen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energieen/of communicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur.

Deze kan worden verleend als er door het uitvoeren van de werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden dan wel door de daarvan direct of indirect te verwachten gevolgen geen blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de mogelijkheid van een adequaat beheer of de veiligheid van de leiding en hieraan door het stellen van voorwaarden niet of onvoldoende kan worden tegemoet gekomen. Deze bepaling regelt mogelijk niet de bescherming die er mee bedoeld is, maar hij geldt wel, aangezien het plan onherroepelijk is. De regel ter bescherming van een adequaat beheer en de veiligheid van een leiding is voor voorliggend plan overbodig. Het schrappen van de omgevingsvergunningplicht voor de aanleg van de ondergrondse 110kV-kabelverbinding is daarmee gerechtvaardigd. b. aan de bestaande regels van artikel 6 'Bos' wordt in lid 6.3.3 een nieuw sub c toegevoegd die als volgt luidt : "c.werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die de aanleg van een ondergrondse 110kV-hoogspanningsverbinding en de daarbij horende constructies, installaties en apparatuur betreffen". Het geldende bestemmingsplan vereist een omgevingsvergunning voor het aanleggen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- en/of communicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur.

Deze kan worden verleend als er door het uitvoeren van de werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden dan wel door de daarvan direct of indirect te verwachten gevolgen geen blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het bos en hieraan door het stellen van voorwaarden niet of onvoldoende kan worden tegemoet gekomen. Ter plaatse van bospercelen wordt de ondergrondse 110kV-kabelverbinding via gestuurde boringen aangelegd. Het schrappen van de omgevingsvergunningplicht voor de aanleg van de ondergrondse 110kV-kabelverbinding is daarmee gerechtvaardigd. c. aan de bestaande regels van artikel 20 'Leiding - Gas' wordt in lid 20.4.4 een nieuw sub c toegevoegd die als volgt luidt : "c.werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die de aanleg van een ondergrondse 110kV-hoogspanningsverbinding en de daarbij horende

vastgesteld bestemmingsplan Herziening ondergrondse 110kV kabelverbinding

37

NL.IMRO.0141.00119-BP31

constructies, installaties en apparatuur betreffen". Het geldende bestemmingsplan vereist een omgevingsvergunning voor het verrichten van grondroeractiviteiten (bijvoorbeeld het aanbrengen van rioleringen, kabels, leidingen en drainage) anders dan normaal spit- en ploegwerk. Deze wordt geweigerd als er door het uitvoeren van de werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden dan wel door de daarvan direct of indirect te verwachten gevolgen blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de mogelijkheid van een adequaat beheer of de veiligheid van de leiding (i.c de bestaande gasleiding de wordt gekruist) en hieraan door het stellen van voorwaarden niet of onvoldoende kan worden tegemoet gekomen. Voor het kruisen van de gasleiding worden afspraken vastgelegd tussen TenneT en de leidingbeheerder van de aardgastranportleiding. Het schrappen van de omgevingsvergunningplicht voor de aanleg van de ondergrondse 110kV-kabelverbinding is daarmee gerechtvaardigd. Artikel 4 Leiding - Hoogspanning: dit artikel bevat de bepalingen die direct verband houden met de op de verbeelding aangegeven dubbelbestemming Leiding - Hoogspanning. De regeling voor de ondergrondse 110kV kabelverbinding met een spanning van maximaal 110kV is een zogenaamde facetregeling. Dat betekent dat de onderliggende bestemmingen van de vigerende bestemmingsplannen blijven gelden voor deze gronden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Almelo&id=96715210-65ed-46ab-9bce-a4c126e9c7d1