12.1 Vaststelling bestemmingsplan Herziening ondergrondse 110kV kabelverbinding - Bijlage 1 - Bestemmingsplan Herziening ondergrondse 110kV kabelverbinding.pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan Herziening ondergrondse 110kV kabelverbinding NL.IMRO.0141.00119-
Regels
NL.IMRO.0141.00119-BP31
vastgesteld bestemmingsplan Herziening ondergrondse 110kV kabelverbinding
3
NL.IMRO.0141.00119-BP31
Inhoudsopgave
Regels
2
Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2
Inleidende regels Begrippen Wijze van meten
5 6 9
Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4
Bestemmingsregels Reikwijdte Leiding - Hoogspanning
10 11 12
Hoofdstuk 3 Artikel 5
Algemene regels Anti-dubbeltelregel
14 15
Hoofdstuk 4 Artikel 6 Artikel 7
Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel
16 17 18
vastgesteld bestemmingsplan Herziening ondergrondse 110kV kabelverbinding
4
NL.IMRO.0141.00119-BP31
Hoofdstuk 1
Inleidende regels
vastgesteld bestemmingsplan Herziening ondergrondse 110kV kabelverbinding
5
NL.IMRO.0141.00119-BP31
Artikel 1
Begrippen
In deze regels wordt verstaan onder:
1.1
plan:
het bestemmingsplan Herziening ondergrondse 110kV kabelverbinding met identificatienummer NL.IMRO.0141.00119-BP31 van de gemeente Almelo;
1.2
bestemmingsplan:
De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels;
1.3
aanduiding:
Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;
1.4
aanduidingsgrens:
De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;
1.5
aanduidingsvlak:
een geometrisch bepaald vlak waarop een aanduiding betrekking heeft;
1.6
bebouwing:
één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde;
1.7
bestaand:
a. het gebruik dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig is, dan wel toegestaan is krachtens een omgevingsvergunning en/of bebouwing die op dat tijdstip aanwezig of in uitvoering is, dan wel kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning; b. het onder a bedoelde geldt niet voor zover sprake was van strijd met het voorheen geldende bestemmingsplan, de voorheen geldende beheersverordening, daaronder mede begrepen het overgangsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening, of een andere planologische toestemming;
1.8
bestemmingsgrens:
de grens van een bestemmingsvlak;
1.9
bestemmingsvlak:
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;
1.10
bouwen:
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk;
1.11
bouwgrens:
grens van een bouwvlak;
vastgesteld bestemmingsplan Herziening ondergrondse 110kV kabelverbinding
6
NL.IMRO.0141.00119-BP31
1.12
bouwperceel:
een aaneengesloten stuk grond waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;
1.13
bouwperceelgrens:
de grens van een bouwperceel;
1.14
bouwwerk:
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;
1.15
gebouw:
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;
1.16
hoogspanningsleiding:
een ondergrondse (hoogspannings)verbinding die is bestemd voor transport van elektriciteit op een spanningsniveau van maximaal 110 kiloVolt (kV);
1.17
maaiveld:
de hoogte waarop het omliggende terrein aansluit op de bestaande bebouwing;
1.18
normale onderhoudswerkzaamheden:
werkzaamheden die periodiek moeten worden uitgevoerd ter instandhouding van de met de bestemming beoogde doeleinden;
1.19
nutsvoorzieningen:
voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen en apparatuur voor telecommunicatie;
1.20
overig bouwwerk:
een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden;
1.21
peil:
de gemiddelde hoogte van het afgewerkte terrein ter plaatse van de bouw;
1.22
vigerende bestemmingsplannen:
Onder de vigerende plannen wordt verstaan: a. bestemmingsplan Buitengebied Almelo, vastgesteld op 19 april 2011; b. bestemmingsplan De Doorbraak, vastgesteld op 5 januari 2002; c. bestemmingsplan Zuidentree, vastgesteld 18 juni 2013; d. bestemmingsplan Buitengebied correctieve herziening, vastgesteld op 18 juli 2017; e. parapluherziening parkeren, vastgesteld 5 juni 2018; f. bestemmingsplan Westelijke Groene Long, vastgesteld op 20 juni 2013; g. bestemmingsplan Aalderinkshoek, vastgesteld 28 juni 2011;
vastgesteld bestemmingsplan Herziening ondergrondse 110kV kabelverbinding
7
NL.IMRO.0141.00119-BP31
h. i. j. k.
bestemmingsplan Windmolenbroek-Groeneveld, vastgesteld op 8 juni 2011; bestemmingsplan XL Businesspark Twente tranches 1 en 2, vastgesteld op 19 december 2017; bestemmingsplan Parapluherziening Wonen, vastgesteld op 23 maart 2020 en alle op deze bestemmingsplannen gebaseerde herzieningen/wijzigingen.
vastgesteld bestemmingsplan Herziening ondergrondse 110kV kabelverbinding
8
NL.IMRO.0141.00119-BP31
Artikel 2
Wijze van meten
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:
2.1
de bouwhoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;
2.2
de oppervlakte van een bouwwerk:
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
vastgesteld bestemmingsplan Herziening ondergrondse 110kV kabelverbinding
9
NL.IMRO.0141.00119-BP31
Hoofdstuk 2
Bestemmingsregels
vastgesteld bestemmingsplan Herziening ondergrondse 110kV kabelverbinding
10
NL.IMRO.0141.00119-BP31
Artikel 3
Reikwijdte
a. Dit bestemmingsplan heeft betrekking op de vigerende bestemmingsplannen: voor zover gelegen binnen het plangebied van dit bestemmingsplan. b. Op de verbeelding van de vigerende bestemmingsplannen wordt de dubbelbestemming Leiding Hoogspanning opgenomen, zoals op de verbeelding van dit plan is aangegeven. c. Met dit plan wordt artikel 4 toegevoegd aan de vigerende bestemmingsplannen. d. Met dit plan wordt artikel 4 'Agrarisch met waarden' van het vigerende bestemmingsplan Westelijke Groene Long als volgt gewijzigd: 1. aan de bestaande regels in lid 4.6.2 wordt een sub d toegevoegd die als volgt luidt: "d. werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden, die de aanleg van een ondergrondse 110kV-hoogspanningsverbinding en de daarbij horende constructies, installaties en apparatuur betreffen". e. Met dit plan wordt artikel 3 'Agrarisch' van het vigerende bestemmingsplan bestemmingsplan Windmolenbroek - Groeneveld' als volgt gewijzigd: 1. aan de bestaande regels in lid 3.5.2 wordt een sub c toegevoegd die als volgt luidt : "c. het aanleggen van een ondergrondse 110kV-hoogspanningsverbinding en de daarbij horende constructies, installaties en apparatuur betreffen". f. Met dit plan wordt artikel 4 'Agrarisch met waarden' van het vigerende bestemmingsplan Buitengebied Almelo als volgt gewijzigd, 1.
aan de bestaande regels in lid 4.5.3 wordt een sub d toegevoegd die als volgt luidt : "d. werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden, die de aanleg van een ondergrondse 110kV-hoogspanningsverbinding en de daarbij horende constructies, installaties en apparatuur betreffen"; g. Met dit plan wordt artikel 6 'Bos' van het vigerende bestemmingsplan Buitengebied Almelo als volgt gewijzigd, 1. aan de bestaande regels van artikel 6 'Bos' wordt in lid 6.3.3 een nieuw sub c toegevoegd die als volgt luidt : "c.werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die de aanleg van een ondergrondse 110kV-hoogspanningsverbinding en de daarbij horende constructies, installaties en apparatuur betreffen"; h. Met dit plan wordt artikel 20 'Leiding - Gas' van het vigerende bestemmingsplan Buitengebied Almelo als volgt gewijzigd, a. aan de bestaande regels van artikel 20 'Leiding - Gas' wordt in lid 20.4.4 nieuw sub c toegevoegd die als volgt luidt : "c.werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die de aanleg van een ondergrondse 110kV-hoogspanningsverbinding en de daarbij horende constructies, installaties en apparatuur betreffen". i. De overige regels van de vigerende bestemmingsplannen zijn onverminderd van toepassing.
vastgesteld bestemmingsplan Herziening ondergrondse 110kV kabelverbinding
11
NL.IMRO.0141.00119-BP31
Artikel 4 4.1
Leiding - Hoogspanning
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Leiding - Hoogspanning' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor: a. de aanleg, instandhouding en bescherming van een hoogspanningsverbinding (110 kV) ter plaatse van de aanduiding 'hartlijn leiding - hoogspanningsverbinding'; b. het beheer en onderhoud van de verbinding; c. de bescherming van het woon- en leefklimaat in verband met de leiding; met de daarbijbehorende overige bouwwerken.
4.2
Voorrangsbepaling
Waar een enkelbestemming samenvalt met deze dubbelbestemming geldt primair het bepaalde ten aanzien van deze dubbelbestemming. De bepalingen met betrekking tot de enkelbestemming zijn in dat geval uitsluitend van toepassing voor zover deze niet strijdig zijn met het bepaalde ten aanzien van de dubbelbestemming.
4.3
Bouwregels
4.3.1 Gebouwen In afwijking van het bepaalde bij de andere bestemmingen (basisbestemmingen) mogen geen gebouwen worden gebouwd, anders dan ten behoeve van deze bestemming, met inachtneming van de volgende bepalingen: a. de bouwhoogte bedraagt maximaal 3 m; b. de inhoud bedraagt maximaal 36 m3. 4.3.2 Overige bouwwerken Binnen deze bestemming mogen overige bouwwerken ten dienste van deze bestemming worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen: a. de bouwhoogte van hoogspanningsmasten bedraagt maximaal 40 meter; b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt maximaal 3 meter.
4.4
Afwijken van de bouwregels
Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde: a. in artikel 4.3.1 voor het bouwen overeenkomstig de andere bestemmingen, mits vooraf advies is verkregen van de leidingbeheerder en de lokale brandweer en mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het veilig en doelmatig functioneren van de hoogspanningsleiding;
4.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 4.5.1 Verbod Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden op de in artikel 4.1 bedoelde gronden uit te voeren, zulks ongeacht het bepaalde in de regels bij de andere op deze gronden van toepassing zijnde bestemmingen: a. het aanbrengen en rooien van hoogopgaande beplanting of bebossing; b. het ophogen, egaliseren, verlagen of afgraven of anderszins wijzigen in maaiveld of weghoogte; c. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; d. het indrijven van voorwerpen in de bodem; e. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe wordt gerekend afgraven, woelen, mengen,
vastgesteld bestemmingsplan Herziening ondergrondse 110kV kabelverbinding
12
NL.IMRO.0141.00119-BP31
diepploegen, egaliseren en aanleggen van drainage; f. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers of andere wateren; g. het permanent opslaan van goederen, maar ook het tijdelijk opslaan van zwaar materiaal op het kabelbed. 4.5.2 Afwegingskader Een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden mag alleen en moet worden geweigerd, indien door het uitvoeren van de werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden dan wel door de daarvan direct of indirect te verwachten gevolgen blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de mogelijkheid van een adequaat beheer of de veiligheid van de leiding en hieraan door het stellen van voorwaarden niet of onvoldoende kan worden tegemoet gekomen. 4.5.3 Advies Een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden wordt niet verleend dan nadat advies is verkregen van de leidingbeheerder. 4.5.4 Uitzondering op het verbod Geen omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden is nodig voor: a. werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die het normale onderhoud en beheer betreffen; b.
werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan of uitgevoerd kunnen worden op grond van een voor dat tijdstip aangevraagde of verleende vergunning; c. die verband houden met de aanleg en instandhouding van de betreffende hoogspanningsverbinding.
vastgesteld bestemmingsplan Herziening ondergrondse 110kV kabelverbinding
13
NL.IMRO.0141.00119-BP31
Hoofdstuk 3
Algemene regels
vastgesteld bestemmingsplan Herziening ondergrondse 110kV kabelverbinding
14
NL.IMRO.0141.00119-BP31
Artikel 5
Anti-dubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
vastgesteld bestemmingsplan Herziening ondergrondse 110kV kabelverbinding
15
NL.IMRO.0141.00119-BP31
Hoofdstuk 4
Overgangs- en slotregels
vastgesteld bestemmingsplan Herziening ondergrondse 110kV kabelverbinding
16
NL.IMRO.0141.00119-BP31
Artikel 6 6.1
Overgangsrecht
Overgangsrecht bouwwerken
Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
6.2
Afwijking
Het bevoegd gezag kan eenmalig bij omgevingsvergunning afwijken van lid 6.1 voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in lid 6.1 met maximaal 10%.
6.3
Uitzondering op het overgangsrecht bouwwerken
Lid 6.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
6.4
Overgangsrecht gebruik
Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
6.5
Strijdig gebruik
Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in lid 6.4, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
6.6
Verboden gebruik
Indien het gebruik, bedoeld in lid 6.4, na inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
6.7
Uitzondering op het overgangsrecht gebruik
Lid 6.4 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
vastgesteld bestemmingsplan Herziening ondergrondse 110kV kabelverbinding
17
NL.IMRO.0141.00119-BP31
Artikel 7
Slotregel
Deze regels worden aangehaald als: Regels behorende bij het bestemmingsplan Herziening ondergrondse 110kV kabelverbinding.
vastgesteld bestemmingsplan Herziening ondergrondse 110kV kabelverbinding
18
Bestemmingsplan Herziening ondergrondse 110kV kabelverbinding NL.IMRO.0141.00119-
Toelichting
NL.IMRO.0141.00119-BP31
vastgesteld bestemmingsplan Herziening ondergrondse 110kV kabelverbinding
3
NL.IMRO.0141.00119-BP31
Inhoudsopgave
Toelichting
2
Hoofdstuk1 Inleiding 1.1 Aanleiding en doel 1.2 Plankarakter 1.3 Leeswijzer
5 5 6 6
Hoofdstuk2 Plangebied 2.1 Situering 2.2 Bestaande juridische regeling
7 7 8
Hoofdstuk3 Beleidskader 3.1 Inleiding 3.2 Europa 3.3 Rijksbeleid 3.4 Provinciaal beleid 3.5 Gemeentelijk beleid 3.6 Conclusie
11 11 11 12 18 21 22
Hoofdstuk4 Omgevingsaspecten 4.1 Uitgangspunten TenneT 4.2 Archeologie en cultuurhistorie 4.3 Bodemkwaliteit 4.4 Ecologie 4.5 Externe veiligheid 4.6 Geluid 4.7 Gezondheid 4.8 Kabels en leidingen 4.9 Luchtkwaliteit 4.10 Vooronderzoek aanwezigheid conventionele explosieven (CE) 4.11 Waterhuishouding 4.12 Milieu-effectrapportage
23 23 23 24 26 29 30 30 31 31 32 34 34
Hoofdstuk5 Juridische plantoelichting 5.1 Verantwoording planvorm 5.2 Toelichting op de planregels
36 36 36
Hoofdstuk6 Economische uitvoerbaarheid 6.1 Grondexploitatiewet 6.2 Kosten van aanleg en instandhouding 6.3 Vestiging zakelijk recht
39 39 39 39
Hoofdstuk7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Communicatie 7.2 Vooroverlegprocedure ex art. 3.1.1 Bro 7.3 Zienswijzenprocedure
41 41 41 41
vastgesteld bestemmingsplan Herziening ondergrondse 110kV kabelverbinding
4
NL.IMRO.0141.00119-BP31
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding en doel
TenneT TSO B.V. (hierna: TenneT) is de netbeheerder voor het Nederlandse hoogspanningsnet voor elektriciteit (110kV en hoger). Het bedrijf heeft kortgezegd drie taken: 1. Het verzorgen van transportdiensten door het aanleggen en onderhouden van een robuust hoogspanningsnet; 2. Het verzorgen van systeemdiensten door het evenwicht tussen vraag naar en aanbod van elektriciteit 24 uur per dag en 7 dagen per week te handhaven; 3. Het faciliteren van een efficiënt functionerende, liquide en stabiele elektriciteitsmarkt. Als gevolg van veranderingen in het landelijke 380 kV-net en het regionale 110 kV-net krijgen in de toekomst meerdere hoogspanningsverbindingen en hoogspanningsstations in de provincie Overijssel te maken met overbelastingen. Dit betekent dat er meer elektriciteit getransporteerd moet worden dan dat nu mogelijk is. In de toekomst vormt dit een risico voor de leveringszekerheid en de kwaliteit van het elektriciteitsnet. Door het elektriciteitsnet te versterken en uit te breiden worden overbelastingen voorkomen. Het bestaande elektriciteitsnet in Overijssel wordt uitgebreid met drie nieuwe ondergrondse 110kV kabelverbindingen. Het betreft nieuwe ondergrondse 110kV kabelverbindingen tussen bestaande stations: Nijverdal (NVD) - Rijssen (RS); Almelo Mosterdpot (AMLM) – Hengelo Weideweg (HGLW); Hengelo Weideweg (HGLW) - Hengelo Oele (HGLO).
De ondergrondse 110kV kabelverbinding Almelo Mosterdpot (AMLM) - Hengelo Weideweg (HGLW) ligt op gronden van drie gemeenten, te weten Almelo, Hof van Twente en Hengelo (zie figuur 1.1) en kan op basis van de vigerende bestemmingsplannen niet worden aangelegd. De bestemmingsplannen worden daarom herzien. Voorliggend bestemmingsplan omvat het gedeelte op gronden in de gemeente Almelo.
Figuur 1.1: Overzichtskaart gehele ondergrondse 110kV kabelverbinding Almelo - Hengelo Het bestemmingsplan heeft als doel om de realisatie van de ondergrondse 110kV kabelverbinding Almelo Mosterdpot (AMLM) – Hengelo Weideweg (HGLW) mogelijk te maken, voorzover de
vastgesteld bestemmingsplan Herziening ondergrondse 110kV kabelverbinding
5
NL.IMRO.0141.00119-BP31
kabelverbinding is gelegen op gronden van de gemeente Almelo.
1.2
Plankarakter
Het bestemmingsplan "Herziening ondergrondse 110kV kabelverbinding" is een paraplubestemmingsplan en voorziet voor gronden gelegen binnen de vigerende bestemmingsplannen (zie paragraaf 2.2 in een toevoeging van de dubbelbestemming Leiding - Hoogspanning waarmee de realisatie van een ondergrondse 110kV kabelverbinding mogelijk wordt gemaakt. De geldende bestemmingen blijven onverkort van toepassing.
1.3
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 van deze toelichting wordt ingegaan op de planbeschrijving. In hoofdstuk 3 wordt het beleidskader van het Rijk, provincie en de gemeente beschreven. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de uitgangspunten van TenneT, de diverse omgevingsaspecten en de uitgevoerde onderzoeken ter onderbouwing van de aanleg van de ondergrondse 110kV kabelverbinding. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de juridische planvorm van dit bestemmingsplan en tot slot wordt in hoofdstuk 6 de economische en in hoofdstuk 7 de maatschappelijke uitvoerbaarheid onderbouwd.
vastgesteld bestemmingsplan Herziening ondergrondse 110kV kabelverbinding
6
NL.IMRO.0141.00119-BP31
Hoofdstuk 2
Plangebied
In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op het initiatief.
2.1
Situering
De aan te leggen ondergrondse 110kV kabelverbinding loopt door drie verschillende gemeenten. In figuur 1.1 is de gehele ondergrondse 110kV kabelverbinding weergegeven. Het gedeelte dat in de gemeente Almelo wordt gerealiseerd is in figuur 2.1 verbeeld. De gemeentegrenzen zijn met een oranje contour aangeduid.
Figuur 2.1: Ligging ondergrondse 110kV kabelverbinding in Almelo De ondergrondse 110kV kabelverbinding ontziet zo veel mogelijk bebouwd gebied en is gebaseerd op zo min mogelijk belemmeringen. De ondergrondse 110kV kabelverbinding ligt overwegend op agrarische percelen en ligt op onderdelen langs bestaande wegen of kruist bestaande wegen. De leiding kruist tevens het Twentekanaal en de snelwegen A1 en A35. Ter hoogte waar de kabel de A1 kruist vervolgt de leiding zijn tracé de gemeente Hof van Twente in. Na vaststelling van het plan kan een ondergrondse 110kV kabelverbinding worden aangelegd en in stand worden gehouden. Voor de aanleg van de ondergrondse 110kV kabelverbinding worden onderstaande werkzaamheden uitgevoerd: Het aanleggen van werkstroken en de benodigde bouwwegen naar de werkstroken t.b.v. het aanbrengen van horizontaal gestuurde boringen (verder te noemen HDD's) en de aanleg van kabels in open ontgraving. Het gedeelte dat door de gemeente Almelo loopt is circa 10 km lang waarvan circa 5,4 km door open ontgravingen zal worden aangelegd. De sleufbreedte van de open ontgraving zal 4 m breed zijn (bovenin; onderin 1,5 m) en er zal tot een diepte van 2,1 m –mv grond worden ontgraven. Het overige gedeelte zal worden aangelegd door middel van HDD boringen over een opgetelde afstand van ongeveer 4,6 km, zie figuur 2.3.
Dit zijn met name de gedeeltes die onder wegen en waterpartijen door gaan. Voor het in- en uittredepunt van de gestuurde boring zullen putten moeten
vastgesteld bestemmingsplan Herziening ondergrondse 110kV kabelverbinding
7
NL.IMRO.0141.00119-BP31
worden gegraven die naar verwachting 5 bij 5 m groot gaan worden. Daarnaast zullen er verschillende tijdelijke toegangswegen worden gerealiseerd voor het werkverkeer. Naast de sleufbreedte van 4 m wordt zoals in figuur 2.2 weergegeven een werkstrook aangehouden op plaatsen waar de kabelverbinding door weilanden en akkers loopt. Langs wegen wordt alleen uitgegaan van de sleufbreedte. Bij het kruisen van en/of in het verlengde mee leggen met rioolleidingen, wordt een afstand aangehouden van minimaal 60 cm. Dit in verband met het magnetische veld van de hoogspanningsleiding die het communicatiesignaal kan verstoren. Uiteindelijk zal na aanleg van de ondergrondse 110kV kabelverbinding het plangebied in oorspronkelijke staat worden hersteld.
Afbeelding 2.2: Schematische weergave sleufdoorsnede incl. ligging/aard werkstrook (werkweg incl. grondopslag en werkpad), bron TenneT. Omdat het een schematische weergave is komen de maatvoeringen niet helemaal overeen met hetgeen hierboven is beschreven
Afbeelding 2.3: Schematische weergave dwarsdoorsnede boring
2.2
Bestaande juridische regeling
In figuur 2.4. is de ligging van de gehele ondergrondse 110kV kabelverbinding Almelo Mosterdpot (AMLM) - Hengelo Weideweg (HGLW) weergegeven. Voor de begrenzing van het plangebied is aangesloten bij de hartlijn van de nieuwe ondergrondse 110kV kabelverbinding met bijbehorende beschermingszone. De breedte van de dubbelbestemming 'Leiding Hoogspanning' bedraagt voor de gehele ondergrondse 110kV kabelverbinding 11 meter (twee maal een beschermingszone van 5,5 m aan weerszijden vanaf de hartlijn).
vastgesteld bestemmingsplan Herziening ondergrondse 110kV kabelverbinding
8
NL.IMRO.0141.00119-BP31
Figuur 2.4: Overzichtskaart gehele ondergrondse 110kV kabelverbinding Almelo - Hengelo De ondergrondse 110kV kabelverbinding is zoals aangegeven gelegen binnen het grondgebied van drie gemeenten. In Almelo zijn de volgende vigerende bestemmingsplannen op het plangebied van toepassing: bestemmingsplan Buitengebied Almelo, vastgesteld op 19 april 2011; bestemmingsplan De Doorbraak, vastgesteld op 5 januari 2002; bestemmingsplan Zuidentree, vastgesteld 18 juni 2013; bestemmingsplan Buitengebied correctieve herziening, vastgesteld op 18 juli 2017; parapluherziening parkeren, vastgesteld 5 juni 2018; bestemmingsplan Westelijke Groene Long, vastgesteld op 20 juni 2013; bestemmingsplan Aalderinkshoek, vastgesteld 28 juni 2011; bestemmingsplan Windmolenbroek-Groeneveld, vastgesteld op 8 juni 2011; bestemmingsplan XL Businesspark Twente tranches 1 en 2, vastgesteld op 19 december 2017; bestemmingsplan Parapluherziening Wonen, vastgesteld op 23 maart 2020. De ondergrondse 110kV kabelverbinding kruist ook de A1 waarvoor de minister van I&W op 12 juni 2018 het Tracébesluit A1 Apeldoorn-Azelo heeft vastgesteld.
Het tracébesluit geldt als een omgevingsvergunning, waarbij ten behoeve van een project van nationaal belang met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of beheersverordening wordt afgeweken. Dit tracébesluit werkt daardoor rechtstreeks door in het ruimtelijke beleid van de betrokken gemeenten. De gemeenteraden van die gemeenten zijn verplicht om binnen een jaar nadat het tracébesluit onherroepelijk is geworden, het bestemmingsplan, of de beheersverordening overeenkomstig het Tracébesluit A1 Apeldoorn-Azelo vast te stellen. Het Tracébesluit is nog niet onherroepelijk, omdat er nog beroepsprocedures lopen. Voor het gebied, dat is begrepen in het tracébesluit geldt het Tracébesluit als voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 3.7 van de Wet ruimtelijke ordening. Het tracébesluit geldt niet meer als voorbereidingsbesluit indien voor het gebied een bestemmingsplan in overeenstemming met het tracébesluit van kracht is geworden. Omdat voor de aanleg van de ondergrondse 110kV in voorliggend bestemmingsplan geen omgevingsvergunning nodig is geldt de voorbereidingsbescherming niet oor de aanleg van de ondergrondse 110kV kabelverbinding en vormt het tracébesluit geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
vastgesteld bestemmingsplan Herziening ondergrondse 110kV kabelverbinding
9
NL.IMRO.0141.00119-BP31
vastgesteld bestemmingsplan Herziening ondergrondse 110kV kabelverbinding
10
NL.IMRO.0141.00119-BP31
Hoofdstuk 3 3.1
Beleidskader
Inleiding
Met de onderhavige herziening wordt de aanleg van een ondergrondse 110kV kabelverbinding mogelijk gemaakt. Dit hoofdstuk geeft een nadere toelichting op het relevante ruimtelijke beleidskader en de van toepassing zijnde wetgeving. Er volgt in de paragrafen hierna een korte samenvatting per relevant beleid en wetgeving. Per beleidskader wordt de relevantie met dit initiatief aangegeven.
3.2
Europa
3.2.1 Kaderrichtlijn Water Op 22 december 2000 is de Europese Kaderrichtlijn water (KRW) in werking getreden. De KRW gaat uit van een stroomgebiedsbenadering waarbij voor Nederland de stroomgebieden van de Rijn, Maas, Schelde en Eems van belang zijn. Het doel van de KRW is dat al het water in de Europese Unie vanaf 2015 in 'goede chemische toestand' en een 'goede ecologische toestand' moet verkeren. Deze termijn kan worden verlengd met maximaal twee periodes van zes jaar, waarmee de uiterste datum op 2027 komt. De KRW is in 2005 geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving en al vanaf 2000 in Europa van kracht. Van belang is dat bij initiatieven tenminste voldaan wordt aan het stand-still principe. Dit houdt in dat een ingreep (uitvoering van het ruimtelijk plan) de toestand van het watersysteem niet mag verslechteren, tenzij beargumenteerd kan worden dat dit wegens 'een hoger doel' niet anders kan. Relevantie bestemmingsplan Bij de realisatie van het ondergrondse 110kV kabelverbinding is rekening gehouden met de Europese eisen voor de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. Zie ook paragraaf 4.11.
3.2.2 Verdrag van Valletta (verdrag van Malta 1992) Het Verdrag van Malta dateert van 1992 en wordt ook wel Verdrag van Valletta genoemd. Het verdrag beoogt het cultureel erfgoed dat zich in de bodem bevindt beter te beschermen. Het gaat dus om archeologische resten als nederzettingen, grafvelden, en gebruiksvoorwerpen. Uitgangspunt van het verdrag is dat het archeologische erfgoed integrale bescherming nodig heeft en krijgt. Om het bodemarchief beter te beschermen en om onzekerheden tijdens de bouw te beperken, wordt voorgesteld om steeds vooraf onderzoek te laten doen naar de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Op deze manier kan daar bij de ontwikkeling van de plannen zoveel mogelijk rekening mee worden gehouden. In oktober 2003 is een voorstel voor de wijziging van de Monumentenwet 1988 en enkele andere wetten naar de Tweede Kamer gestuurd. Hiermee worden de principes van het Verdrag van Malta doorgevoerd in de Nederlandse wetgeving. Op 4 april 2006 is het wetsvoorstel door de Tweede Kamer goedgekeurd en in december van dat jaar gaf de eerste kamer ook zijn goedkeuring. Op 1 september 2007 trad de Wet op de archeologische monumentenzorg in werking. Met ingang van juli 2016 (Erfgoedwet) is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door één integrale Erfgoedwet, zie paragraaf 3.3.12.
Relevantie bestemmingsplan Bij de realisatie van de ondergrondse 110kV kabelverbinding is rekening gehouden met de aanwezigheid van archeologische waarden. Hiermee wordt voldaan aan hetgeen in het verdrag is opgenomen. Zie ook paragraaf 4.2.
3.2.3 Vogel- en Habitatrichtlijn De belangrijkste internationale verplichtingen op het gebied van natuurbescherming zijn neergelegd in de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Deze richtlijnen zijn gericht op instandhouding van soorten en hun leefgebieden. Het streven is gericht op de vorming van een Europees ecologisch netwerk (Natura 2000 netwerk).
vastgesteld bestemmingsplan Herziening ondergrondse 110kV kabelverbinding
11
NL.IMRO.0141.00119-BP31
Vanaf 1 januari 2017 zijn de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet opgegaan in de Wet natuurbescherming. Deze wet beschermt Natura 2000-gebieden en bepaalde planten diersoorten. Voor Natura 2000-gebieden geldt dat activiteiten die mogelijk de instandhoudingsdoelstellingen van kwalificerende natuurwaarden in gevaar brengen, niet zonder meer zijn toegestaan. Beschermde soorten zijn ingedeeld in drie categorieën: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en Andere soorten. Doden, verwonden en verstoren van dieren, plukken van planten en vernielen of beschadigen van rust- en verblijfplaatsen is niet zonder meer toegestaan. Voor de categorie Andere soorten kan de provincie echter wel voor ruimtelijke ontwikkeling vrijstelling verlenen voor het overtreden van verbodsbepalingen. Relevantie bestemmingsplan De wijzigingen die mogelijk worden gemaakt door dit plan kunnen gevolgen hebben voor de in de Wet natuurbescherming opgenomen gebieden en soorten. In paragraaf 4.4 wordt hier nader op ingegaan.
3.3
Rijksbeleid
3.3.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Naar verwachting treedt vanaf 1 oktober 2022 of 1 januari 2023 de nieuwe Omgevingswet in werking. De Omgevingswet bundelt alle huidige wetten over de leefomgeving. Daarbij hoort ook één rijksvisie op de leefomgeving: de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). In de NOVI zijn de maatschappelijke opgaven samengevat in vier prioriteiten: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie duurzaam economisch groeipotentieel sterke en gezonde steden en regio's toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Een van de nationale belangen is het realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO2-arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur (belang 11). Vitale functies in de maatschappij zijn afhankelijk van een betrouwbare toelevering en uitwisseling van energie. Voor iedereen moet deze energie betaalbaar zijn. Energie moet veilig worden opgewekt, gewonnen, getransporteerd, opgeslagen en gebruikt. Met betrekking tot 'ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie' is in de NOVI aangegeven dat de transitie naar hernieuwbare energie meer ruimte vraagt voor transport, distributie, conversie en opslag van energie, zowel boven- als ondergronds.
In plaats van enkele relatief grote 'puntbronnen' (centrales) en transport van energie in één richting zal sprake zijn van meerdere, vaak decentrale en sterk in grootte verschillende bronnen (zon-, wind- en bodemenergie) en tweerichtingsverkeer (gebruik en productie) van energie. Relevantie bestemmingsplan Voorliggend bestemmingsplan sluit aan op het nationale belang 'realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO2-arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur' uit de NOVI. Dit is van belang voor een goed functionerend en betrouwbaar elektriciteitsnetwerk. Op grond van artikel 2.3 van de Wro wordt de rijksstructuurvisie niet vastgesteld door de Tweede Kamer maar door de Minister of de betrokken Ministers. De vastgestelde NOVI is op 11 september 2020 door de minister toegezonden aan de Tweede Kamer en is inmiddels in werking getreden.
3.3.2 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (hierna: SVIR) is op 13 maart 2012 vastgesteld. Het Rijk zet in de SVIR uiteen welke nationale belangen het heeft in het ruimtelijke en mobiliteitsdomein en welke instrumenten hiervoor worden ingezet. In de structuurvisie Infrastructuur en Ruimte formuleert het Rijk drie hoofddoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028): 1. Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland. 2. Het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de
vastgesteld bestemmingsplan Herziening ondergrondse 110kV kabelverbinding
12
NL.IMRO.0141.00119-BP31
gebruiker voorop staat. 3. Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Ten aanzien van energievoorziening is aangegeven dat een toekomstbestendige energievoorziening van vitaal belang is voor de Nederlandse economie. Daarin speelt leveringszekerheid van energie (gas, elektriciteit) een cruciale rol. Deze is in Nederland van hoog niveau in vergelijking met andere Europese landen. De komende decennia groeit de vraag naar elektriciteit en gas in Nederland nog gestaag. Het opvangen van deze groei en het handhaven van het huidige hoge niveau van leveringszekerheid vragen om uitbreiding van het productievermogen (waaronder het decentrale vermogen) en de energienetwerken. Met de SVIR wordt een andere koers ingezet in het nationale ruimtelijk beleid. Er is nu vaak sprake van bestuurlijke drukte, ingewikkelde regelgeving of een sectorale benadering met negatieve gevolgen voor de ontwikkeling van Nederland. Het Rijk brengt de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij burgers en bedrijven en laat dan ook meer over aan provincies en gemeenten. De SVIR gaat uit van het adagium 'decentraal, tenzij'. Dit betekent dat het Rijk kiest voor een selectieve inzet van rijksbeleid op dertien nationale belangen, waarvoor het verantwoordelijk is en resultaat wil boeken.
Buiten deze dertien belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. In hoeverre de nationale belangen relevant zijn wordt nader beschreven in paragraaf 3.3.3. Relevantie bestemmingsplan De realisatie van de ondergrondse 110kV kabelverbinding is niet in strijd met de SVIR.
3.3.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) De nationale belangen, zoals beschreven in de SVIR, die juridisch moeten doorwerken in ruimtelijke plannen van provincies en gemeenten zijn vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (hierna: Barro). Het Barro is in 2011 gedeeltelijk inwerking getreden. In het Barro zijn de onderwerpen mainportontwikkeling van Rotterdam, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, zoals de Beemster, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam en de uitoefening van defensietaken reeds opgenomen. Op 1 oktober 2012 is een aantal onderwerpen aan het Barro toegevoegd. Het gaat om de eerder aangekondigde onderwerpen ecologische hoofdstructuur, elektriciteitsvoorziening, toekomstige uitbreiding hoofd(spoor)wegennet, veiligheid rond Rijksvaarwegen, verstedelijking in het IJsselmeer, bescherming van primaire waterkeringen buiten het kustfundament en toekomstige rivierverruiming van de Maastakken. Relevantie bestemmingsplan Het Barro is niet van toepassing voor kabelverbindingen van 110kV. Titel 2.8 van het Barro geeft bepalingen ten aanzien van de elektriciteitsvoorziening aan als het gaat het om: 1.
Hoogspanningsnet: net met een spanning van ten minste 220kV en de daarin aanwezige schakelen transformatorstations en andere hulpmiddelen. 2. Hoogspanningsverbinding: verbinding met een spanning van ten minste 220kV en de daarmee verbonden schakel- en transformatorstations en andere hulpmiddelen. Ten aanzien van de hier genoemde onderdelen zijn bindende regels geformuleerd om de realisatie en instandhouding hiervan te borgen. Het bestemmingsplan valt niet in een categorie elektriciteitsvoorziening zoals hierboven beschreven. In het Barro is het Natuurnetwerk Nederland als nationaal belang genoemd. Via het Barro werkt het rijksbeleid door in de provinciale ruimtelijke verordeningen, zie paragraaf 3.4, waar wordt geconcludeerd dat de voorgenomen werkzaamheden geen blijvend negatieve effecten op de wezenlijke en kenmerkende waarden van NNN gebieden hebben. De ondergrondse 110KV kabelverbinding kruist rijkswegen en een vaarweg en heeft hierdoor ook een raakvlak met nationaal belang ´instandhouden van het hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen´.
Het Barro regelt voor rijksvaarwegen dat belemmeringen worden voorkomen op voor de doorvaart van de scheepvaart in de breedte, hoogte en diepte, de zichtlijnen van de bemanning en de op het schip aanwezige navigatieapparatuur voor de scheepvaart, het contact van de scheepvaart met bedienings- en begeleidingsobjecten, de toegankelijkheid van de rijksvaarweg voor hulpdiensten en het uitvoeren van beheer en onderhoud van de rijksvaarweg.
vastgesteld bestemmingsplan Herziening ondergrondse 110kV kabelverbinding
13
NL.IMRO.0141.00119-BP31
Voor de hoofdwegen regelt het Barro de bescherming van eventuele uitbreidingen en houdt dat een verbod in voor het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, uitgezonderd een tijdelijk bouwwerk of een bijbehorend bouwwerk, gebruik als stortplaats voor afvalstoffen en als bergingsgebied als bedoeld in artikel 1.1 van de Waterwet. Waar de ondergrondse 110KV kabelverbinding de rijkswegen en de vaarweg kruist zijn een Wbr- en een watervergunning vereist. Deze worden aangevraagd. De ondergrondse 110kV kabelverbinding ondervindt geen belemmeringen vanuit het Barro.
3.3.4 Structuurvisie Buisleidingen 2012-2035 De Structuurvisie Buisleidingen 2012-2035 is een visie van het Rijk waarmee het Rijk voor de komende 20 tot 30 jaar ruimte wil reserveren in Nederland voor toekomstige buisleidingen voor gevaarlijke stoffen. Het gaat daarbij om ondergrondse buisleidingen voor het transport van aardgas, olieproducten en chemicaliën, die provinciegrens- en vaak ook landgrensoverschrijdend zijn. In de Structuurvisie wordt een hoofdstructuur van verbindingen aangegeven waarlangs ruimte moet worden vrijgehouden, om ook in de toekomst een ongehinderde doorgang van buisleidingtransport van nationaal belang mogelijk te maken. De Structuurvisie Buisleidingen is het vervolg op het Structuurschema Buisleidingen uit 1985. Relevantie bestemmingsplan Het plangebied voor de ondergrondse 110kV kabelverbinding valt niet binnen de vrij te houden ruimte zoals opgenomen in de Structuurvisie.
3.3.5 Derde Structuurschema Elektriciteitsvoorziening (SEV III) De ruimtebehoefte voor de elektriciteitsvoorziening is op 22 juni 2009 vastgesteld en vastgelegd in een aparte nota: het Derde Structuurschema Elektriciteitsvoorziening (hierna: SEV III). SEV III heeft de status van nationale structuurvisie. Een nationale structuurvisie is niet bindend voor lagere overheden, maar wel voor de rijksoverheid zelf. Voor lagere overheden is de structuurvisie richtinggevend. In het SEV III worden de locaties aangewezen voor elektriciteitsproductie vanaf 500 megawatt en hoger en voor nieuwe hoogspanningsvoorzieningen vanaf 220kV en hoger. Relevantie bestemmingsplan Het plan valt niet in de categorie hoogspanningsvoorzieningen zoals hierboven beschreven. De SEVIII vormt geen belemmering ten aanzien van het plan omdat het een ondergrondse 110kV kabelverbinding betreft.
3.3.6 Deltaprogramma Het Deltaprogramma bevat een aantal deltabeslissingen. Deze deltabeslissingen leiden tot een nieuwe manier van werken op drie terreinen: de waterveiligheid, de zoetwaterbeschikbaarheid en een waterrobuuste ruimtelijke inrichting. Met het presenteren van de voorstellen voor de deltabeslissingen en voorkeursstrategieën (Prinsjesdag 2014) is een nieuwe fase voor het Deltaprogramma aangebroken: de fase van uitwerking en uitvoering. De deltacommissaris heeft in Deltaprogramma 2015 voorgesteld een overstromingsrisicobenadering toe te passen in het waterveiligheidsbeleid. Dat betekent: rekening houden met de kans op een overstroming én de gevolgen. Ook heeft hij nieuwe eisen voor de waterkeringen voorgesteld, deze zijn inmiddels in de wet verankerd. De gewijzigde Waterwet met de nieuwe normen is op 1 januari 2017 in werking getreden. De kans om te overlijden door een overstroming wordt daarmee nergens groter dan 1:100.000 per jaar. Op verschillende plaatsen geldt een hoger beschermingsniveau: waar veel slachtoffers of grote economische schade kan optreden of waar ‘vitale infrastructuur’ kan uitvallen met grote landelijke effecten (denk bijvoorbeeld aan de gasrotonde in Groningen).
Het streven is dat alle primaire keringen in 2050 aan de nieuwe normen voldoen en dat in 2020 afspraken zijn gemaakt hoe te komen tot een hoger beschermingsniveau daar waar dat vereist is. Assets van TenneT zijn in het Deltaprogramma aangemerkt als vitale infrastructuur. In overleg met diverse partijen wordt ernaar gestreefd in 2020 afspraken te hebben gemaakt of een hoger beschermingsniveau noodzakelijk is, waar dat het geval is en hoe daartoe gekomen kan worden.
vastgesteld bestemmingsplan Herziening ondergrondse 110kV kabelverbinding
14
NL.IMRO.0141.00119-BP31
Relevantie bestemmingsplan Bij realisatie van nieuwe ondergrondse hoogspanningsverbindingen is het vooralsnog niet aan de orde om rekening te houden met de hoge waterstanden. Bij een overstroming zijn er geen nadelige gevolgen op de ondergrondse hoogspanningsverbinding te verwachten. De realisatie van een nieuwe ondergrondse 110kV kabelverbinding is niet in strijd met het beleid van TenneT en het Deltaprogramma.
3.3.7 Nationaal Bestuursakkoord Water Nationaal Bestuursakkoord Water Op basis van het rapport van de Commissie Waterbeheer 21e eeuw en het kabinetsstandpunt 'Anders omgaan met water' hebben het rijk, de provincies, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de Unie van Waterschappen het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) ondertekend. Het NBW is doorgevoerd in de provinciale en regionale beleidsplannen. Relevante aspecten uit het NBW zijn: Toepassen van de watertoets als procesinstrument op alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen. Toepassen van de trits vasthouden-bergen-afvoeren, met als eerste insteek het vasthouden van water. Toepassen van de trits schoon houden - zuiveren - schoon maken, met als eerste insteek het voorkomen van vermenging van schoon hemelwater van dakvlakken en afvalwater en het gebruik van bijvoorbeeld een bodempassage voor hemelwater van druk bereden straatvlakken. Wateropgave (de benodigde bergingscapaciteit voor het opvangen van pieken in neerslag) bepalen aan de hand van de NBW normen regionale wateroverlast. Voor stedelijk gebied geldt een norm van T=100 (bui die eens in de 100 jaar voorkomt). Voor glastuinbouw geldt een norm van T=50 (bui die eens in de 50 jaar voorkomt).
En voor akkerbouw en grasland geldt respectievelijk T=25 en T=10. Relevantie bestemmingsplan Bij de realisatie van de ondergrondse 110kV kabelverbinding is rekening gehouden met het aspect water. Dit is nader beschreven in paragraaf 4.11.
3.3.8 Nationaal Waterplan Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema’s als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). Relevantie bestemmingsplan Bij de realisatie van de ondergrondse 110kV kabelverbinding is rekening gehouden met het aspect water. Dit is nader beschreven in paragraaf 4.11.
3.3.9 Waterwet De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de huidige vergunningstelsels uit de afzonderlijke waterbeheerwetten worden gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de Watervergunning, die met een wettelijk vastgesteld aanvraagformulier kan worden aangevraagd. Organisatie waterbeheer De Waterwet kent formeel slechts twee waterbeheerders: het Rijk, als de beheerder van de
vastgesteld bestemmingsplan Herziening ondergrondse 110kV kabelverbinding
15
NL.IMRO.0141.00119-BP31
Rijkswateren, en de waterschappen, als de beheerders van de overige wateren. Deze laatste is daarmee ook verantwoordelijk voor het zuiveringsbeheer. Provincies en gemeenten zijn formeel geen waterbeheerder, maar hebben wel waterstaatkundige taken. Zo blijft de provincie voorlopig bevoegd gezag voor drie categorieën grondwateronttrekkingen en infiltraties: de openbare drinkwaterwinning, ondergrondse energieopslag en industriële onttrekkingen van meer dan 150.000 m3 per jaar. Op gemeenten rust een hemel- en grondwaterzorgplicht, zoals deze in januari 2008 via de Wet gemeentelijke watertaken is vastgelegd in de Wet op de waterhuishouding. Waterwet in Europees verband Nederland maakt deel uit van vier Europese stroomgebieden: de Rijn, de Eems, de Schelde en de Maas. De Waterwet sluit hierop aan. In Nederland wordt onderscheid gemaakt tussen Rijkswateren en niet-Rijkswateren (regionale wateren). Voor beide categorieën worden via het nationale waterplan respectievelijk de regionale waterplannen, strategische structuurvisies vastgesteld, waarin de hoofdlijnen van het waterbeleid en de maatregelenprogramma's zijn vastgelegd. Deze zijn richtinggevend voor het ruimtelijke ordeningsbeleid en zorgen zo voor een versterking van de relatie tussen waterbeheer en ruimtelijke ordening. De plannen worden één keer per zes jaar herzien.
De waterschappen en de diensten van Rijkswaterstaat stellen vervolgens operationele waterbeheerplannen vast, waarin wordt aangegeven welke maatregelen zij in de komende periode zullen uitvoeren. Relevantie bestemmingsplan De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. De relatie tussen de ondergrondse 110kV kabelverbinding en de Waterwet is nader beschreven in paragraaf 4.11.
3.3.10
Wet natuurbescherming
Vanaf 1 januari 2017 zijn de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet opgegaan in de Wet natuurbescherming. Deze wet beschermt Natura 2000-gebieden en bepaalde planten diersoorten. Voor Natura 2000-gebieden geldt dat activiteiten die mogelijk de instandhoudingsdoelstellingen van kwalificerende natuurwaarden in gevaar brengen, niet zonder meer zijn toegestaan. Beschermde soorten zijn ingedeeld in drie categorieën: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en Andere soorten (zie paragraaf 3.2.3). Doden, verwonden en verstoren van dieren, plukken van planten en vernielen of beschadigen van rust- en verblijfplaatsen is niet zonder meer toegestaan. Voor de categorie Andere soorten kan de provincie echter wel voor ruimtelijke ontwikkeling vrijstelling verlenen voor het overtreden van verbodsbepalingen. Dit is een uitwerking van internationaal beleid (zie paragraaf 3.2.3). Relevantie bestemmingsplan De wijzigingen die mogelijk worden gemaakt door dit plan kunnen gevolgen hebben voor de in de Wet natuurbescherming opgenomen gebieden en soorten. Uit de conclusie in paragraaf 4.4 blijkt dat voorliggend plan niet strijdig is met de Wet natuurbescherming.
3.3.11
Externe veiligheid
Het juridisch kader voor externe veiligheid wordt gevormd door het: Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en; Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In het juridisch kader staan de begrippen plaatsgebonden risico en groepsrisico centraal. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen toegelicht. Plaatsgebonden Risico Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die de hele tijd op die plaats aanwezig is. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Binnen de zogenaamde 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen nieuwe
vastgesteld bestemmingsplan Herziening ondergrondse 110kV kabelverbinding
16
NL.IMRO.0141.00119-BP31
kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het groepsrisico is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het groepsrisico kan niet 'op de kaart' worden weergegeven, maar wordt weergegeven in een grafiek waar de kans (f) afgezet wordt tegen het aantal slachtoffers (N), de fN-curve. Het groepsrisico wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt doorgaans begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald), ofwel door de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. In veel gevallen geldt tevens een 'verantwoordingsplicht', wat betekent dat op basis van de rekenkundige omvang en/of toename van het groepsrisico, tevens verantwoording moet worden gegeven over onder meer de mate van toepassen van risico reducerende maatregelen en de mate waarin zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid worden geborgd. De veiligheidsregio wordt, voorafgaand aan het besluit, in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen.
Voor de precieze verwoording en nadere details wordt verwezen naar de betreffende Besluiten. Relevantie bestemmingsplan Assets van TenneT vallen zelf niet onder de werkingssfeer van wet- en regelgeving ten aanzien van externe veiligheid. Wel is rekening gehouden met externe veiligheid van overige partijen bij de tracering in relatie tot assets. Dit wordt nader beschreven in paragraaf 4.5.
3.3.12
Erfgoedwet
Als gevolg van het Verdrag van Malta, dat in 1998 door het Nederlandse parlement is goedgekeurd en in 2006 zijn beslag heeft gekregen in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg, is de Monumentenwet 1988 gewijzigd. Rijk en Provincie stellen zich op het standpunt dat in het ruimtelijk beleid zorgvuldig met het archeologische erfgoed moet worden omgegaan. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het Rijk heeft deze beleidsuitgangspunten neergelegd in onder meer de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte, de Modernisering Monumentenzorg en de Visie Erfgoed en Ruimte. In 2009 is door het rijk een nieuwe visie op de monumentenzorg geformuleerd genaamd Modernisering Monumentenzorg (MoMo). Eén van de pijlers in deze visie is het belang laten meewegen in de ruimtelijke ordening. Hierbij zal een verschuiving plaatsvinden van objectgerichte bescherming naar een gebiedsgerichte aanpak. In het verlengde van deze pijler is een ander doel in de visie geformuleerd, namelijk het opstellen van een visie op erfgoed.
Met ingang van juli 2016 (Erfgoedwet) is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door één integrale Erfgoedwet. De Erfgoedwet legt de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het archeologische erfgoed bij de gemeente. De taken in het kader van de Erfgoedwet behelzen o.a. het meewegen van archeologie in de besluiten op het gebied van de ruimtelijke ordening en de koppeling tussen bestemmingsplannen en archeologische waarden en verwachtingen. De Erfgoedwet verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met in de bodem aanwezige of te verwachten archeologische waarden. Relevantie bestemmingsplan Bij de realisatie van de ondergrondse 110kV kabelverbinding is rekening gehouden met de aanwezigheid van archeologische waarden. Hiermee wordt voldaan aan hetgeen in de Erfgoedwet is opgenomen. Zie ook paragraaf 4.2.
vastgesteld bestemmingsplan Herziening ondergrondse 110kV kabelverbinding
17
NL.IMRO.0141.00119-BP31
3.4
Provinciaal beleid
3.4.1 Omgevingsvisie Provincie Overijssel (2017) De Omgevingsvisie Overijssel 2017 bestaat uit drie delen: een deel Visie, een deel Beleid en een deel Uitwerking. Naast de Omgevingsvisie Overijssel 2017, is er de Omgevingsverordening Overijssel 2017 en de Catalogus Gebiedskenmerken. De opgaven en kansen waar de provincie voor staat, zijn door de provincie vertaald in centrale beleidsambities voor negen beleidsthema’s. Het beleid voor de fysieke leefomgeving van de provincie staat primair in dienst van de sociaal-economische ontwikkeling van Overijssel; ontwikkeling die nodig is om Overijssel toekomstbestendig te houden. Maar ook voor de kwaliteit van onze leefomgeving, voor een goed vestigingsklimaat voor wonen en werken én voor de regionale economie in Overijssel. Voor nieuwe ontwikkelingen toetst de provincie aan een drietal aspecten: 'of', 'waar' en 'hoe' (zie onderstaande figuur).
Figuur 2.1: Sturingsfilosofie Provincie Overijssel Of In heel Overijssel is een aantal beleidskeuzes van toepassing op nagenoeg alle thema’s en locaties. Dit zijn: integraliteit; toekomstbestendigheid; concentratiebeleid; (boven)regionale afstemming; zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik. Samen geven deze beleidskeuzes invulling aan de Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking. Deze Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking geeft een nadere invulling aan de stappen die gemeenten in de onderbouwing van nieuwe stedelijke ontwikkelingen op grond van de Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening) moeten doorlopen. Deze Ladder voor duurzame verstedelijking stelt immers ook eisen aan het onderbouwen van de (regionale) behoefte en de regionale afstemming van stedelijke ontwikkelingen. De Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking geeft een nadere invulling aan de vraag hoe de behoefte moet worden bepaald, zowel in de stedelijke als in de groene omgeving, en op welke wijze de regionale afstemming vorm gegeven moet
vastgesteld bestemmingsplan Herziening ondergrondse 110kV kabelverbinding
18
NL.IMRO.0141.00119-BP31
worden. De aanleg van een ondergrondse 110kV kabelverbinding kwalificeert zich niet als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Waar In de visie op de ruimte in Overijssel onderscheidt de provincie zes ontwikkelingsperspectieven: drie voor de Groene Omgeving en drie voor de Stedelijke Omgeving. Deze ontwikkelingsperspectieven schetsen een ruimtelijk perspectief voor een combinatie van functies en geven aan welke beleids- en kwaliteitsambities leidend zijn. De ontwikkelingsperspectieven geven zo richting aan waar wat ontwikkeld zou kunnen worden. Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap. Voor het gebied geldt voor het grootste deel het ontwikkelingsperspectief wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap. Het ontwikkelingsperspectief Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid. Onderhavige ontwikkeling, het realiseren van een ondergrondse 110kV kabelverbinding past hierbinnen. Stads- en dorpsrandgebieden Voor een klein gedeelte van het plangebied geldt dat deze ligt in het ontwikkelingsperspectief stads- en dorpsrandgebieden.
In de Stedelijke Omgeving vind je enkele bijzondere gebiedscondities die specifieke kansen met zich meebrengen. Denk aan kenniscentra, stadsassen en stationsgebieden, maar ook aan stads- en dorpsrandgebieden. De stads- en dorpsrandgebieden vormen de overgang tussen de Stedelijke en de Groene Omgeving, en zijn daarmee zowel entree van de stad als verbinding naar het buitengebied. Het vormgeven als entree van zowel de Groene als de Stedelijke Omgeving is een belangrijk kwaliteitsdoel. Veel stads- en dorpsrandgebieden in Overijssel liggen tegen aantrekkelijke natuurcomplexen of landgoederen aan. Recreatieve functies en culturele voorzieningen kunnen op specifieke plekken in de stads- en dorpsrandgebieden de kwaliteit en aantrekkelijkheid verhogen. Ook liggen er kansen voor nieuwe landgoederen en/of de landgoedaanpak; (restanten van) verdwenen landgoederen kunnen hierbij een bron van inspiratie zijn. Als er naast de inmiddels geplande woon- en werklocaties nog behoefte ontstaat, kunnen nieuwe woon- en werkmilieus worden ingezet om de kwaliteit en aantrekkelijkheid van de stads- en dorpsrandgebieden te verhogen en de landschappelijke structuur in deze gebieden te versterken.
In de stads- en dorpsrandgebieden liggen ook kansen om beleidsambities op het gebied van natuur, water, en energie te realiseren én om de functie als ‘uitloop’-gebied voor de stad te versterken door verdichting van het routenetwerk voor langzaam verkeer. Onderhavige ontwikkeling, het realiseren van een ondergrondse 110kV kabelverbinding, past hierbinnen. Woon- en werklocaties binnen de stedelijke netwerken Rond de binnensteden liggen de diverse woon- en werklocaties, elk met hun eigen woon-, werk- of mixmilieu. Herstructurering en transformatie moeten deze vitaal en aantrekkelijk houden en de diversiteit aan milieus versterken. Herstructurering en transformatie bieden kansen om te anticiperen op klimaatverandering (bijvoorbeeld door ruimte voor groen, natuur of water te reserveren). Van belang is de stedelijke ontwikkeling altijd af te stemmen op de kenmerken van het watersysteem, bijvoorbeeld door in laaggelegen gebieden bij bouw- en evacuatieplannen rekening te houden met risico’s op overstroming of wateroverlast. Herstructurering en transformatie kunnen ook bijdragen aan de energietransitie (door het nemen van energie-efficiënte maatregelen en/of het opwekken van duurzame energie door bijvoorbeeld het aanwezige dakoppervlak te benutten). Onderhavige ontwikkeling, het realiseren van een ondergrondse 110kV kabelverbinding, past hierbinnen.