CConstaterende datAlmelo
Koppel je AI →
Document · PDF

11.2 Vastelling bestemmingsplannen woningbouw Schapendrift - Bijlage 2 - Vast te stellen bestemmingsplan Schapendrift 11.pdf

Raad 7 december 2021, gemeente AlmeloBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplannen woningbouw Schapendrift26.174 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Toets Zoals is beschreven in de verkeersparagraaf (2.3.1) blijkt dat het aantal verkeersbewegingen in de nieuwe situatie zal toenemen. De totale verkeersgeneratie voor de 23 woningen komt neer op afgerond 186 verkeersbewegingen per weekdag. Via een NIBM-tool berekening is onderzocht of de ontwikkeling wel of niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. In figuur 4.3 is de worst-case berekening weergegeven met 186 extra voertuigbewegingen.

vastgesteld bestemmingsplan Schapendrift 11

30

NL.IMRO.0141.00105-BP31

Figuur 4.3: berekening NIBM Tool bijdrage extra verkeer (infomil.nl) Uit deze berekening volgt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate is. Er is geen nader onderzoek nodig. Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt bovendien dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet nodig.

4.4

Geluid

In het kader van de Wet geluidhinder moet er bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, c.q. een ontheffing op grond van de Wro, een onderzoek worden gedaan naar de geluidsbelasting op de gevels van nieuwe woningen, voor zover deze woningen zijn gelegen binnen het onderzoeksgebied van een weg. Op grond van het artikel 74 van de Wet geluidhinder bevindt zich langs een weg een geluidszone, die aan weerszijde een breedte heeft van: a. in stedelijk gebied: 1. voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: 350 meter; 2. voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 200 meter; b. in buitenstedelijk gebied: 1. voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 meter; 2. voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken: 400 meter; 3. voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 250 meter. Deze zonering geldt niet: a. voor wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied; b. voor wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt; c. wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveau vaststaat dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de as van de meest nabij gelegen rijstrook 48 dB (A) of minder bedraagt (art. 74, lid 3 Wgh). De gemeente Almelo beschikt over gemeentelijk geluidbeleid, genaamd “gebiedsgericht geluidbeleid gemeente Almelo” (december 2014), met een bijbehorende kaart.

Hierin heeft de gemeente het beleid ten aanzien van de voorkeurswaarden en de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting opgenomen. Het geluidbeleid staat ter plaatse van het projectgebied hogere waarden toe. Het deelgebied Schapendrift 7a ligt op de hiervoor bedoelde kaart binnen het gebiedstype ‘Wonen’. Het deelgebied Schapendrift 11-11a ligt op de kaart binnen gebiedstype ‘Agrarisch’. Voor beide gebiedstypen geldt als ambitieniveau ‘redelijk rustig’ (48 dB) en als bovengrens ‘onrustig’ (53 dB). De voorwaarden die in het gemeentelijk beleid worden gesteld, hebben betrekking op het onvoldoende

vastgesteld bestemmingsplan Schapendrift 11

31

NL.IMRO.0141.00105-BP31

doeltreffend zijn van de mogelijke bron- en overdrachtsmaatregelen, dan wel op het ontmoeten van overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke of financiële aard. Voor het verkrijgen van een hogere waarde moet voor wegverkeerslawaai de procedure gevolgd te worden. Daarbij hoort de ter visielegging van het akoestisch onderzoek. Toets Het projectgebied bestaat uit deelgebied Schapendrift 7a, binnen de bebouwde kom, en deelgebied Schapendrift 11-11a,buiten de bebouwde kom. Het voornemen bestaat om in totaal 21 woningen aan de Schapendrift 7a en 11-11a te realiseren. Het projectgebied ligt binnen de wettelijke geluidszone van de Schapendrift, N741 – Lohuisstraat, Bornsestraat en de Pepershaar, allen met een snelheidsregime van 50 km/uur. In voorliggend geval kunnen de Schapendrift en Pepershaar buiten beschouwing gelaten worden. Deze wegen dienen namelijk enkel ter ontsluiting van maximaal circa 25 (woon)percelen. De verkeersintensiteit (maximaal circa 200 verkeersbewegingen per dag) is dan ook dusdanig laag, dat aangenomen wordt dat de geluidsbelasting ruimschoots aan de voorkeurswaarde voldoet. Voor het berekenen van de geluidsbelasting op de nieuwe woningen aan de Lohuisstraat en de Bornsestraat is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het akoestisch onderzoek is als Bijlage 2 bij de toelichting gevoegd.

Hieruit blijkt dat de geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai van de N471 – Lohuisstraat en de Bornsestraat ter plaatse van de te realiseren woningen hoogstens 35 dB bedraagt. Hiermee wordt aan de ambitiewaarde uit het gemeentelijke beleid en de voorkeurswaarde uit de Wgh (beide 48 dB) voldaan. Er is daarmee sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de te realiseren woningen.

4.5

Bodemkwaliteit

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient een bodemonderzoek te worden verricht. Op basis van de Woningwet, de Wabo en bijbehorende regelgeving gelden de volgende uitzonderingen voor de bodemonderzoekplicht: als het gaat om bouwwerken die de grond niet raken of het bestaande, niet wederrechtelijke gebruik wordt gehandhaafd; het bouwwerk een te verwezenlijken bebouwingsoppervlakte heeft van ten hoogste 50 m²; als het gaat om het bouwen van bouwwerken waarin niet (nagenoeg) voortdurend mensen zullen verblijven (Woningwet, artikel 8, derde lid). Hierbij wordt een verblijftijd van minder als 2 uur gehanteerd; als B&W vrijstelling verlenen omdat er al voldoende gegevens met betrekking tot de bodemkwaliteit bekend zijn, bijvoorbeeld op basis van een reeds eerder uitgevoerd bodemonderzoek (maximaal 5 jaar oud en waarbij het gebruik sindsdien niet is gewijzigd). In het voorliggende bestemmingsplan wordt op de locatie twee bouwkavels mogelijk gemaakt. Vanwege de functie wonen dient aangetoond te worden dat er geen risico's voor de gezondheid bestaan. Toets Door Kruse Milieu is onderzoek gedaan naar de gesteldheid van de bodem.

De bevindingen van dat onderzoek zijn beschreven in het rapport van 26 juli 2017 (projectcode 17040310). Hierna wordt kort op het onderzoek ingegaan en wordt de uitkomst van het onderzoek beschreven. Het volledige rapport is als Bijlage 3 aan de toelichting van dit bestemmingsplan toegevoegd. Resultaten veldwerk Het terrein is beschouwd als niet verdacht. In totaal zijn er 14 boringen verricht, waarvan één tot 3.3 meter diepte. Er is één boring afgewerkt tot peilbuis. De bodem bestaat voornamelijk uit matig fijn zand. Zintuiglijk zijn geen bodemvreemde materialen waargenomen. Het freatische grondwater is in peilbuis 1 aangetroffen op 1.60 meter min maaiveld. Door de veldwerker zijn visueel geen asbestverdachte materialen waargenomen. Resultaten chemische analyses

vastgesteld bestemmingsplan Schapendrift 11

32

NL.IMRO.0141.00105-BP31

Op basis van de resultaten van de chemische analyses kan het volgende worden geconcludeerd: de bovengrond (BG I en BG II) is niet verontreinigd; de ondergrond (OG) is niet verontreinigd; het grondwater (peilbuis 1) is licht verontreinigd met barium. Hypothese De hypothese “onverdachte locatie” dient te worden verworpen, aangezien een overschrijding van de streefwaarden is aangetoond. Conclusies en aanbevelingen In het grondwater is een lichte verontreinigingen aangetoond. Voor een beschrijving en mogelijke verklaringen wordt verwezen naar de paragrafen 4.3 en 4.4 van het bodemonderzoek (Bijlage 3). De boven- en ondergrond zijn niet verontreinigd. Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, is er geen reden om een nader onderzoek uit te voeren. Slotconclusie Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en de nieuwbouw van 2 woningen, aangezien de vastgestelde verontreiniging geen risico voor de volksgezondheid oplevert. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (wonen met tuin).

4.6

Flora en fauna

Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. De voorgenomen activiteit wordt gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden, verwonden en het opzettelijk vernielen en weghalen van rust- en voortplantingslocaties’ als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Voor de woningbouwontwikkeling aan de Schapendrift en de sloop van de agrarische opstallen aan de Lohuisstraat 19 is door Natuurbank Overijssel een flora en faunaonderzoek uitgevoerd. De bevindingen van dat onderzoek zijn beschreven in de rapportage van 24 augustus 2020. Deze rapportage is als Bijlage 4 aan de toelichting gekoppeld. Hier wordt volstaan met de beschrijving van de conclusies. Daarnaast is er een Aeriusberekening uitgevoerd om de eventuele stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden in kaart te brengen. Dit rapport is opgenomen in Bijlage 5 Toets Natura 2000-gebied Het plangebied behoort niet tot een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op circa 8,9 km afstand (Borkeld).

De uitvoering van fysieke activiteiten in een plangebied zou kunnen leiden tot een negatief effect op instandhoudingsdoelen van een Natura2000-gebied in de omgeving van een plangebied. Als gevolg van bouwwerkzaamheden kunnen negatieve effecten optreden, zoals een toename van geluid, trillingen, kunstlicht, visuele verstoring, areaalverlies en aantasten hydrologie. Gelet op de aard, omvang en duur van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen het plangebied en Natura2000-gebied, wordt in voorliggend geval een negatief effect op instandhoudingsdoelen van Natura2000-gebied uitgesloten. De invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten is lokaal en gelet op de afstand tussen het plangebied en het Natura2000-gebied Borkeld is een negatief effect uitgesloten. Stikstofdepositie Voor de realisatie van de voorgenomen ontwikkeling zullen er werkvoertuigen ingezet worden die gebruik maken van fossiele brandstoffen. Bij de verbranding van fossiele brandstoffen wordt er stikstof in verbindingen uitgestoten welke kan neerslaan in kwetsbare natuur. Ook voertuigen van en naar de planlocatie die gebruik maken van fossiele brandstoffen stoten stikstof uit. Om de effecten van deze emissie op kwetsbare natuur in Natura 2000-gebieden te onderzoeken is een AERIUS berekening

vastgesteld bestemmingsplan Schapendrift 11

33

NL.IMRO.0141.00105-BP31

uitgevoerd. De rapportage is als Bijlage 5 bij de toelichting van dit bestemmingsplan opgenomen. Geconcludeerd wordt dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt niet in het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Gronden die tot het NNN behoren liggen op circa 850 meter afstand van het plangebied. Vanwege de lokale invloedsfeer hebben de voorgenomen activiteiten geen negatieve effecten op deze gebieden. Nader onderzoek is daarom niet noodzakelijk en er hoeft geen vergunning in het kader van de Wnb te worden aangevraagd. Flora en Fauna De voorgenomen activiteit wordt gezien als 'ruimtelijke ontwikkeling'. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke fauna soorten geldt in Overijssel een vrijstelling van de verbodsbepalingen 'doden en verwonden en het opzettelijk beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties', als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd.

Voor beschermde soorten die niet op deze vrijstellingslijst staan, is een ontheffing vereist om ze te mogen verwonden of doden, of om opzettelijk rust- en voortplantingslocaties te mogen beschadigen en vernielen. Afhankelijk van de status van de beschermde soorten, kan soms ook gewerkt worden conform een door de Minister goedgekeurde, en op de situatie toepasbare, gedragscode. In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Het plangebied vormt een voormalig tuincentrum met bedrijfswoning en bijgebouwen, een deel van een agrarisch erf en een perceel agrarisch cultuurland. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied van verschillende beschermde diersoorten. Als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten, worden mogelijk bezette vogelnesten beschadigd en vernield als de beplanting gerooid wordt tijdens de voortplantingsperiode, en worden mogelijk amfibieën en grondgebonden zoogdieren gedood en hun vaste rust- en/of voortplantingsplaatsen beschadigd en/of vernield.

Voor het doden van de beschermde dieren die een vaste rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen omdat de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling. Deze vrijstelling geldt niet voor vogels. Mits bezette vogelnesten niet beschadigd of vernield worden, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van soortbescherming. Het aspect 'flora en fauna' vormt derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.7

Archeologie en cultuurhistorie

Archeologie Nederland heeft in 1992 het verdrag van Malta ondertekend. Het verdrag van Malta heeft als doel het archeologisch erfgoed in de bodem beter te beschermen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn dient er een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd, voordat er bodemingrepen plaatsvinden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden ter vervanging van de Monumentenwet 1988. Een deel van de monumentenwet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in 2019 in werking treedt. Tot die tijd blijven deze onderdelen van de Monumentenwet 1988 gelden als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet. Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de

vastgesteld bestemmingsplan Schapendrift 11

34

NL.IMRO.0141.00105-BP31

plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Toets Op basis van de gemeentelijke archeologische waarden- en verwachtingskaart is aan het perceel een lage archeologische verwachtingswaarde toegekend. In figuur 4.4 is een uitsnede van deze kaart weergegeven waarin het plangebied is omcirkeld.

Figuur 4.4: archeologische waarden- en verwachtingskaart (bron: gemeente Almelo) Op basis van deze lage verwachting is archeologisch onderzoek pas nodig bij bodemingrepen dieper dan 40 centimeter en met een groter oppervlak dan 50.000 m2. Archeologische onderzoek is derhalve niet nodig. Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988 (die nog geldt als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet). Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties. Toets Uit de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Overijssel kan worden afgeleid dat er binnen het plangebied geen cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Derhalve word geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'

4.8

Fysieke veiligheid

4.8.1 Inleiding Het aspect fysieke veiligheid beoogt het beschermen van mens, dier en milieu tegen (de gevolgen van) ongevallen en rampen. Om de effecten van een incident zoveel mogelijk te beperken, is het belangrijk dat hulpverleningsdiensten op kunnen treden en dat burgers zich in veiligheid kunnen brengen. Het bestemmingsplan is op fysieke veiligheidsaspecten getoetst aan landelijke, regionale en gemeentelijke richtlijnen en/of regelgeving. Dit betreft de onderdelen: bereikbaarheid; opkomsttijd;

vastgesteld bestemmingsplan Schapendrift 11

35

NL.IMRO.0141.00105-BP31

bluswatervoorziening; zelfredzaamheid; sirenedekking; samenhang veiligheidsketen. De hoofdtaken van de brandweer zijn onderverdeeld in schakels uit de veiligheidsketen. De schakels zijn: Pro-actie; de schakel pro-actie gaat onder andere over de bluswatervoorziening, de bereikbaarheid en de sirenedekking. Preventie; voor het aspect preventie geldt dat rekening moet worden gehouden met de bestaande wet- en regelgeving. Preparatie; voor hulpdienstrelevante objecten is het wenselijk om deze op te nemen in de planvorming van de brandweer, zoals een bereikbaarheidskaart of een aanvalsplan. Repressie; vanuit de repressieve dienst wordt ter plaatse bepaald hoe er wordt ingezet. Nazorg; de taak nazorg heeft geen consequenties voor de ruimtelijke ordening. Ondanks de gerealiseerde veiligheidsmaatregelen en -voorzieningen blijft er een restrisico waarbinnen incidenten plaats kunnen vinden.

4.8.2 Bereikbaarheid 4.8.2.1 Bereikbaarheid algemeen Bij het bepalen of er een goede bereikbaarheid van de gebouwen via het openbare wegennet wordt het plangebied getoetst aan de handreiking Bluswatervoorziening en bereikbaarheid. Hierbij wordt beoordeeld of: De wegen voldoen aan de specifieke afmetingen van brandweervoertuigen; Een willekeurig adres binnen een verblijfsgebied in principe via een tweede onafhankelijke route bereikbaar is; Of de verkeersaders aan de brandweervoertuigen een onbelemmerde doorgang bieden. 4.8.2.2 Beoordeling bereikbaarheid Het plangebied is vanuit verschillende richtingen goed te bereiken. Er wordt op dit punt dan ook voldaan aan de handleiding Bluswatervoorziening en bereikbaarheid.

4.8.3 Opkomsttijd 4.8.3.1 Opkomsttijd algemeen De opkomsttijd is de optelsom van de verwerkingstijd van de melding, de uitruktijd en de aanrijtijd. De uitruktijd is daarbij de tijd tussen het alarmeren van de brandweer door de meldkamer en het tijdstip dat het voertuig de kazerne verlaat. De aanrijtijd is de tijd die het eerste voertuig nodig heeft om van de kazerne naar het plaats incident te gaan. De opkomsttijd van de brandweer wordt als een belangrijk kwaliteitskenmerk van de brandweer beschouwd. In het Besluit Veiligheidsregio's (BVR) zijn de opkomsttijden voor de brandweer vastgelegd en staan in onderstaande tabel beschreven. Normtijd

Gebruiksfunctie

5 minuten 6 minuten 8 minuten 10 minuten

Winkel met gesloten constructie (tijdens openingsuren), wonen boven winkel, cel Portiekwoningen/portiekflats, woning verminderd zelfredzamen Overige woningen, winkels, gezondheidszorg, onderwijs, kinderdagverblijf, logies Kantoor, (lichte)industrie, sport, overige ruimtes voor bijeenkomsten, overige gebruiksfuncties

vastgesteld bestemmingsplan Schapendrift 11

36

NL.IMRO.0141.00105-BP31

Daarnaast is het 'Dekkingsplan Brandweer Twente', dat onderdeel uitmaakt van het beleidsplan, vastgesteld. 4.8.3.2 Beoordeling opkomsttijd Voor woningen geldt een opkomsttijd van 8 minuten. Uit berekeningen blijkt dat de brandweer in theorie binnen deze norm ter plaatse kan zijn.

4.8.4 Bluswatervoorziening 4.8.4.1 Bluswatervoorziening algemeen Voor een optimale bluswatervoorziening wordt onderscheid gemaakt in primaire, secundaire en tertiaire bluswatervoorzieningen. Dit is van belang omdat de eisen voor de afstand, de capaciteit en de bereikbaarheid verschillend zijn. De basiskenmerken van deze drie modellen zijn: De primaire bluswatervoorziening Boven- of ondergrondse brandkranen die geplaatst zijn op het drinkwaterleidingnet. De secundaire bluswatervoorziening De secundaire bluswatervoorziening is in principe aanvullend op een primaire bluswatervoorziening. Een secundaire bluswatervoorziening kan bestaan uit geboorde putten, bluswaterriolen, vijvers e.d. of ondergrondse reservoirs. Hiervoor geldt een afstand van maximaal 320 meter tot het object. Daarnaast moet het brandweervoertuig het water tot maximaal 8 meter kunnen bereiken. De tertiaire bluswatervoorziening Bij de noodzakelijke inzet van grotere hoeveelheden water of gedurende langere tijd zijn de primaire en secundaire voorzieningen niet voldoende. Water wordt dan onttrokken uit bijvoorbeeld kanalen. Hiervoor geldt een afstand van maximaal 2.500 meter tot het object. Daarnaast moet het brandweervoertuig het water tot maximaal 50 meter kunnen bereiken.

4.8.4.2 Beoordeling bluswatervoorziening Tijdens de beoordeling van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt beoordeeld of een brandweerkraan dient te worden geplaatst.

4.8.5 Zelfredzaamheid 4.8.5.1 Zelfredzaamheid algemeen Voor de bestrijdbaarheid van een incident zijn onder andere de bereikbaarheid voor hulpdiensten, opkomsttijd en bluswatervoorziening van belang. Daarnaast speelt de zelfredzaamheid van burgers een rol. Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan hoofdzakelijk uit schuilen en vluchten. Het zelfredzame vermogen van personen in de buurt van een risicovolle bron is een belangrijke voorwaarde om grote effecten bij een incident te voorkomen. De ruimtelijke inrichting van het gebied kan op verschillende manieren inspelen op de zelfredzaamheid. 4.8.5.2 Beoordeling zelfredzaamheid Het plan voorziet in de realisatie 19 extra wooneenheden. De aanwezige personen zijn zelfredzaam. Daarnaast bestaat de mogelijkheid om het plangebied in verschillende richtingen te ontvluchten.

vastgesteld bestemmingsplan Schapendrift 11

37

NL.IMRO.0141.00105-BP31

4.8.6 Waarschuwings- en alarmeringssysteem 4.8.6.1 Sirenedekking algemeen De sirene is een hulpmiddel van de overheid om mensen te kunnen waarschuwen voor acute gevaren. Dit is bijvoorbeeld het geval als er gevaarlijke stoffen vrijkomen bij een brand of ongeval. Op dat moment is het gevaarlijk om buiten te blijven waar men wordt blootgesteld aan het gevaar. De sirenes kunnen dan worden ingeschakeld. Voldoet het dekkingsgebied van de sirene niet, dan zal rond rondom de diverse risico-objecten middels alternatieven moeten worden gealarmeerd. Hierbij valt onder andere te denken aan: sms berichten; sirenewagens. 4.8.6.2 Beoordeling sirenedekking Het plangebied valt binnen het dekkingsgebied van sirenes.

4.9

Besluit M ilieueffectrapportage

In de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage is vastgelegd dat voorafgaande aan het ruimtelijke plan dat voorziet in een grootschalig project met belangrijke nadelige milieugevolgen een milieueffectrapport (MER) opgesteld dient te worden. De activiteiten waarvoor een MER-rapportage opgesteld moet worden zijn opgenomen in de bijlage van het Besluit m.e.r. Een bestemmingsplan kan m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn op de volgende manieren: Een plan kan m.e.r.-plichtig zijn indien een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is; Een plan kan m.e.r.-plichtig zijn indien sprake is van activiteiten en gevallen die de drempelwaarden uit de onderdelen C en D overschrijden en waarbij het plan wordt genoemd in kolom 3 (plannen). Een plan kan m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn indien het plan wordt genoemd in kolom 4 (besluiten) en er sprake is van activiteiten en gevallen die de drempelwaarden uit onderdeel C en D overschrijden. Bij een overschrijding van de drempelwaarden uit onderdeel C is in dit geval sprake van een m.e.r.-plicht. Bij een overschrijding van de drempelwaarden uit onderdeel D is het plan m.e.r.-beoordelingsplichtig. In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r..

Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Concreet betekent dit dat, ook wanneer ontwikkelingen onder de in bijlage D opgenomen drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben, de zogenaamde 'vergewisplicht'. Het komt er op neer dat voor een bestemmingsplan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen in onderdeel D en beneden de drempelwaarden vallen, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd.

Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.(-beoordeling) plaatsvinden. Toets Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming

vastgesteld bestemmingsplan Schapendrift 11

38

NL.IMRO.0141.00105-BP31

Veel Natura 2000-gebieden zijn kwetsbaar voor stikstofdepositie; stikstofdepositie vormt een bedreiging voor verschillende Habitattypen en de leefomgeving van verschillende Habitatsoorten. Om het effect van deze emissie te onderzoeken is een zogenaamde Aeriusberekening uitgevoerd. De Aeriusberekening is uitgevoerd voor het totale stedenbouwkundig plan (inclusief de woningbouwontwikkeling van het tuincentrum). Met deze Aeriusberekening wordt de depositie van stikstof op Natura 2000-gebieden als gevolg van deze ontwikkeling voor zowel de bouwfase (ontwikkelfase genoemd) en de gebruiksfase. De Aeriusberekening is opgenomen in Bijlage 5 bij de toelichting. Uit deze berekening volgt dat er geen sprake is van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Er is dan ook geen sprake van aantasting van de instandhoudingsdoelstelingen van een Natura-2000 gebied. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8, lid 1 van de Wet natuurbescherming is in het kader van dit bestemmingsplan dan ook niet noodzakelijk. Drempelwaarden Besluit m.e.r. Het voorliggend plan voorziet in de realisatie van in totaal 21 nieuwe woningen. De beoogde activiteit wordt in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage aangemerkt als de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.

Het onderhavige project wordt niet gezien als een m.e.r.- plichtige activiteit omdat deze pas geldt bij gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: een oppervlakte van 100 hectare of meer; een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of; een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. De genoemde maximum oppervlakken gelden als drempelwaarden, waar het onderhavige project ruimschoots onder blijft. Het milieubelang is in dit bestemmingsplan zorgvuldig afgewogen in de plantoelichting. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat het milieubelang van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling in voldoende mate is afgewogen en dat belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten. Het plan is niet binnen een kwetsbaar of waardevol gebied gelegen en heeft ook geen belangrijke nadelige milieugevolgen voor de omgeving, waardoor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling niet m.e.r.-beoordelingsplichtig is. Per 16 mei 2017 is een aanmeldnotitie nodig wanneer sprake is van een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Dit geldt voor alle ruimtelijke ontwikkelingen die voorkomen in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. maar onder de drempelwaarden blijven (en daarmee niet planMER-plichtig zijn). Er is geen ondergrens wat betreft het plan zelf, dus ook bij de ontwikkeling van onderhavig plan. De aanmeldnotitie m.e.r.

is als Bijlage 6 bij de toelichting van dit bestemmingsplan opgenomen. Gelet op de uitkomsten van deze aanmeldnotitie, waaruit blijkt dat er als gevolg van het bestemmingsplan geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden is het niet noodzakelijk om een milieueffectrapport op te stellen.

vastgesteld bestemmingsplan Schapendrift 11

39

NL.IMRO.0141.00105-BP31

Hoofdstuk 5 5.1

Waterparagraaf

Vigerend beleid

5.1.1 Rijksbeleid Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009).

5.1.2 Provinciaal beleid In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied.

5.1.3 Waterschap Vechtstromen Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta, en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het algemeen bestuur van het waterschap Vechtstromen heeft in de vergadering van 7 oktober 2015 het 'Waterbeheerplan 2016-2021' vastgesteld. In het Waterbeheerplan is aangegeven hoe het waterschap zijn taken de komende jaren (2016 tot 2021) wil uitvoeren. In het plan zijn doelen en maatregelen gesteld voor de thema's waterveiligheid, voldoende water, schoon water en het zuiveren van afvalwater. Deze zijn gericht op het: voorkomen of beperken van overstromingen, wateroverlast en droogte; beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater en het zorgen voor een goed functionerend regionaal watersysteem. het effectief en efficiënt behandelen van afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties.

5.1.4 Beleid gemeente Almelo 5.1.4.1 Waterplan Almelo De gidsprincipes voor het waterplan Almelo en de visie zijn gebaseerd op principes uit de Vierde Nota waterhuishouding en de aanbevelingen van de Commissie Waterbeheer 21-ste eeuw, waarbij aanpak van de bron prevaleert boven ‘end-of-pipe’-maatregelen en de afwenteling van lokale problemen op (boven)regionale systemen zoveel mogelijk wordt voorkomen. Het vasthouden van water verdient de voorkeur. Wanneer dit niet meer mogelijk is, wordt zoveel mogelijk water geborgen. Daarbij speelt de waterkwaliteit een belangrijke rol. Water van verschillende kwaliteit wordt zoveel mogelijk gescheiden. Wanneer ook berging niet meer mogelijk is, wordt het water ten slotte afgevoerd. In stedelijke in- of uitbreidingsgebieden dient zoveel mogelijk verhard oppervlak niet aangesloten te worden op de riolering. Een duurzame inrichting van het terrein moet zorgen voor het bewaken van de kwaliteit. Kortom, problemen met waterkwaliteit en –kwantiteit mogen niet worden afgewenteld en de ontwikkelingen mogen geen negatieve beïnvloeding van waterkwaliteit en –kwantiteit met zich meebrengen. Bij nieuwbouw dient grondwaterneutraal gebouwd te worden.

vastgesteld bestemmingsplan Schapendrift 11

40

NL.IMRO.0141.00105-BP31

5.1.4.2 Verbreed gemeentelijk rioleringsplan 2016-2021 Het verbreed gemeentelijk rioleringsplan 2016 t/m 2021 (vGRP) geeft inzicht in de omvang, het functioneren en de kwaliteitstoestand van de voorzieningen waarmee de gemeente invulling geeft aan de wettelijke zorgplichten voor het afval-, hemel- en grondwater, en de bekostiging hiervan. Daarnaast heeft de gemeente Almelo ook nadrukkelijk oppervlaktewater als onderdeel van het beheer van het stedelijk water gemaakt. Het vGRP beschrijft de beleidskaders en de bekostiging voor de inzameling, transport en verwerking van stedelijk afval-, hemel- en grondwater en het beheer van het oppervlaktewater in de gemeente Almelo voor de periode 2016 t/m 2021, en geeft de visie op de gemeentelijke watertaken voor de lange termijn. Om een strategie voor de komende planperiode op te kunnen stellen is een visie voor de lange termijn van belang. Eén van de belangrijkste voorwaarden is dat ook de gemeente Almelo moet anticiperen op de financiële omstandigheden en heeft te maken met bezuinigingsdoelstellingen. Eén van de opgaven komt voort uit het Bestuursakkoord Water, dit betreft de opgave te komen tot minder meerkosten en zodoende minder stijging van de rioolheffing. Deze opgave voert de gemeente deels samen uit met Twents waternet en de conclusie is dat Almelo op koers ligt.

Het kwaliteitskader voor de gemeentelijke watertaken bestaat uit vier onderdelen (stedelijk afvalwater, hemelwater, grondwater en oppervlaktewater). Deze onderdelen corresponderen met de drie zorgplichten van de gemeente, het vierde onderdeel 'oppervlaktewater' ziet de gemeente Almelo als integraal onderdeel van het stedelijk water. De gemeente is voor een groot gedeelte vrij op welke wijze en in welk tempo zij invulling wil geven aan haar zorgplichten. Speerpunten voor de planperiode De gekozen ambities voor het totale watersysteem (afval-, hemel- grond- en oppervlaktewater) kunnen in hoofdlijn worden samengevat in de volgende speerpunten: Samen op met burgers en bedrijven. Toekomstgericht en klimaatbestendig. Een doelmatige aanpak. De organisatie en de middelen op orde. Een functionerend watersysteem.

5.2

Waterparagraaf

5.2.1 Algemeen Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).

5.2.2 Watertoetsproces Op 20 augustus 2020 is via www.dewatertoets.nl de digitale watertoets verricht (zie Bijlage 7). Uitkomst is dat de 'normale' procedure dient te worden doorlopen. Het stedenbouwkundig plan aan de Schapendrift 7 en 11 zorgt per saldo voor een afname van de hoeveelheid verharding/bebouwing door het saneren van het tuincentrum. In de nieuwe situatie is er dus meer ruimte voor infiltratie van hemelwater. Ter plaatse van onbebouwde perceel tussen de Schapendrift 11 en het voormalige tuincentrum aan de Schapendrift 7, wordt op dit moment wateroverlast ervaren. Dit komt omdat dit deel van het perceel lager is gelegen ten opzichte van de omliggende percelen.

vastgesteld bestemmingsplan Schapendrift 11

41

NL.IMRO.0141.00105-BP31

Het stedenbouwkundig plan is voorgelegd aan het Waterschap Vechtstromen. Geadviseerd wordt het onbebouwde perceel tussen het tuincentrum en de Schapendrift 11 op te hogen tot hetzelfde peil (circa 11 meter boven NAP). Om te voorkomen dat er in de toekomst wateroverlast ontstaat bij naastgelegen percelen is in de regels van het bestemmingsplan een maximum peil opgenomen van 11,1 meter boven NAP. Infiltratie hemelwater Ter hoogte van de twee nieuwe kavels zal de hoeveelheid verharding/bebouwing toenemen. Middels een waterhuishoudkundigplan is berekend hoeveel hemelwater opgevangen dient te worden (zie Bijlage 8). Voor de twee nieuwe bouwkavels wordt uitgegaan van een dakoppervlak van circa 450 m² en een terreinverharding van 425 m². De minimale bergingscapaciteit bedraagt 40 mm van het verhard oppervlak. Dat komt neer op een bergingscapaciteit van 35 m³. Achterop het onbebouwde perceel naast Schapendrift 11 wordt een wadi aangelegd. Gesteld wordt dat het aspect water geen belemmering vormt voor dit plan. Hier is ruim voldoende plek voor een wadi met een capaciteit van 35 m³. Er een overstort naar de sloot langs de Schapendrift worden aangelegd. Afvalwater Het afvalwater (het zwarte afvalwater van toilet, het grijze afvalwater van keuken, wasmachine en douche) wordt afgevoerd naar de RWZI door middel van riolering.

Hiervoor kan worden aangesloten op het nieuwe vrijevalriool dat onder Schapendrift wordt aangelegd. Hier worden ook de woningen van de naastgelegen woningbouwontwikkeling op aangesloten. Grondwater Op het grondwatermeetnet van Mosgeo is een peilbuis ten noorden van het plan geplaatst en deze wordt gemonitord. Deze peilbuis geeft de volgende waarden aan: GHG: ca. 0,90 mtr minus maaiveld GG: ca. 1,35 mtr minus maaiveld GLG: ca. 1,80 mtr minus maaiveld Met het plan zal het plangebied worden opgehoogd tot circa 11,2 meter boven NAP. Daarmee worden de woningen ruim boven de GHG gerealiseerd. Het plangebied ligt niet in een beschermingszone voor (specifieke) ecologisch doeleinden, waterwingebied of een grondwaterbeschermingsgebied waaraan aanvullende eisen zijn gesteld. Oppervlaktewater Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Langs de Schapendrift bevindt zich een sloot. Dit is geen watergang valt niet onder de keur van het waterschap. Hemelwater wordt binnen het plangebied vastgehouden waar het kan infiltreren in de bodem. Bij hevige regenval wordt het overtollige water geloost in de watergang langs de Schapendrift. Het aspect water vormt geen belemmering voor dit plan.

vastgesteld bestemmingsplan Schapendrift 11

42

NL.IMRO.0141.00105-BP31

Hoofdstuk 6

Juridisch bestuurlijke aspecten

In dit hoofdstuk wordt aangegeven hoe het beleid en de planuitgangspunten zijn verwoord in de planregels. Zo wordt een toelichting gegeven op het juridische systeem en op alle afzonderlijke bestemmingen.

6.1

Inleiding

Het bestemmingsplan Schapendrift 11 bestaat uit een verbeelding (plankaart), planregels en deze plantoelichting. De verbeelding en planregels vormen tezamen het juridische deel van het bestemmingsplan. Deze vormen het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van gronden en bebouwing. In de regels worden de mogelijkheden in artikelen vastgelegd. Op de verbeelding worden de bestemmingen, bouw- en gebruiksmogelijkheden per locatie aangeduid. Het bestemmingsplan is opgesteld in aansluiting op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2008. In dit hoofdstuk zal de juridische systematiek van het bestemmingsplan worden toegelicht. Ook wordt een beschrijving per bestemming en een toelichting op de algemene bepalingen en de overgangs- en slotbepalingen gegeven.

6.2

Juridische systematiek

In dit plan wordt uitgegaan van positieve bestemmingen, waarbij de ontwikkeling van nieuwbouw of verbouw mogelijk is nadat burgemeester en wethouders een omgevingsvergunning hebben verleend. De omgevingsvergunning kan alleen worden verleend wanneer het bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Ook moet het gebruik van het gebouw of de gronden mogelijk zijn volgens de planregels en de verbeelding. Planregels De planregels zijn ondergebracht in een viertal hoofdstukken: Inleidende regels: bevat een aantal bepalingen die van belang zijn voor een juiste interpretatie en toepassing van de planregels in de overige hoofdstukken; Bestemmingsregels: bevat de regels omtrent de diverse bestemmingen waarin bouw- en gebruiks(on)mogelijkheden zijn opgenomen; Algemene regels: bevat algemeen geldende regels met betrekking tot gebruik en afwijkingen; Overgangs- en slotregels: bevat overgangsregels en de titel van het plan. De hoofdstukindeling van de regels ziet er als volgt uit: Hoofdstuk 1: "Inleidende regels", bevat de volgende artikelen: Begrippen; Wijze van meten.

Hoofdstuk 2: "Bestemmingsregels", bevat de bestemmingen, die per artikel (indien van toepassing) het volgende stramien hebben: Bestemmingsomschrijving; Bouwregels; Nadere eisen; Afwijken van de bouwregels; Specifieke gebruiksregels; Afwijken van de gebruiksregels; Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; Wijzigingsbevoegdheid. Hoofdstuk 3: "Algemene regels", bevat de volgende artikelen: Antidubbeltelregel; Algemene gebruiksregels;

vastgesteld bestemmingsplan Schapendrift 11

43

NL.IMRO.0141.00105-BP31

Algemene aanduidingsregels; Algemene afwijkingsregels; Algemene procedureregels. Hoofdstuk 4: "Overgangs- en slotregels", bevat de volgende artikelen: Overgangsrecht; Slotregel. De bestemmingsomschrijving is de centrale bepaling van elke bestemming. In deze bestemmingsomschrijving worden limitatief de functies genoemd, die binnen de bestemming zijn toegestaan. De bouwregels zijn direct gerelateerd aan de bestemmingsomschrijving. Ook het gebruik van de grond en bebouwing is gekoppeld aan de bestemmingsomschrijving. De afwijkingsregels en nadere eisen geven burgemeester en wethouders de bevoegdheid om onder voorwaarden bij een omgevingsvergunning af te wijken van een specifieke regel. Verbeelding Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Een aantal elementen op de verbeelding heeft juridisch gezien geen enkele betekenis en is uitsluitend op de analoge verbeelding aangegeven ten behoeve van de leesbaarheid van die verbeelding, zoals kadastrale lijnen, topografische symbolen en huisnummers. Flexibiliteit binnen het bestemmingsplan Binnen het bestemmingsplan zijn de volgende instrumenten aanwezig ten behoeve van de benodigde flexibiliteit: een omgevingsvergunning om af te wijken van specifieke regels. Het gaat hier om geringe afwijkingen van het bestemmingsplan.

Deze afwijkingsmogelijkheid biedt voor burgemeester en wethouders de mogelijkheid een afweging te maken van de noodzaak ten opzichte van het stedenbouwkundig en/of milieuhygiënisch belang; nadere eisen: ten aanzien van enkele in de regels genoemde bouwmogelijkheden zijn burgemeester en wethouders bevoegd tot het stellen van nadere eisen inzake de situering van gebouwen, de profilering van wegen, het aantal parkeerplaatsen en afstanden van gebouwen ten opzichte van elkaar en de openbare ruimte. Of en onder welke voorwaarden van deze mogelijkheden gebruik kan worden gemaakt, staat in het bestemmingsplan omschreven.

6.3

Beschrijving per bestemming

6.3.1 Bestemmingsregels Het bestemmingsplan kent twee verschillende bestemmingen, te weten 'Wonen' en 'Agrarisch met waarden'. Hierna volgt een korte beschrijving van deze bestemmingen. Agrarisch met waarden (artikel 3) Gronden met de bestemming Agrarisch zijn bestemd voor agrarisch gebruik. Het betreft in het onderhavig geval een kleine strook van circa 60 m² aan de achterzijde van de Schapendrift 11. Deze strook maakt onderdeel uit van het achterliggende agrarische perceel. In het bestemmingsplan had dit echter een woonbestemming. Wonen Gronden met de bestemming 'Wonen' zijn bestemd voor het bestaande aantal woningen, waarbij

vastgesteld bestemmingsplan Schapendrift 11

44

NL.IMRO.0141.00105-BP31

inwoning binnen de bestaande woning is toegestaan. Daarnaast zijn aan huis verbonden beroepen toegestaan, de oppervlakte van deze functie mag dan maximaal 25% van de vloeroppervlakte van de gebouwen bedragen (maximaal 50 m²). Ook is een bed & breakfast toegestaan, deze mag bestaan uit maximaal 4 slaapkamers en één gemeenschappelijke huiskamer binnen het hoofdgebouw, hierbij is een maximale oppervlakte van 30 m² per kamer toegestaan. Naast de bovenstaande activiteiten mag er één paardenbak worden gerealiseerd en mogen er voorzieningen worden aangelegd ten behoeve van de waterhuishouding (waaronder begrepen voorzieningen ten behoeve van het vasthouden, bergen aan- en afvoeren van water) met bijbehorende bouwwerken, tuinen en erven. Voor woningen geldt een maximale goothoogte van 5 meter en een maximale hoogte van 9 meter. De inhoud van een woning mag maximaal 750 m³ bedragen. Voor bijbehorende bouwwerken geldt dat de afstand tot het hoofdgebouw maximaal 25 meter mag bedragen. De gezamenlijke oppervlakte van bijhorende bouwwerken mag maximaal 100 m² bedragen. Vervangende nieuwbouw van bijbehorende bouwwerken mag maximaal 250 m² van de bestaande oppervlakte bedragen. Daarnaast geldt voor bijbehorende bouwwerken een maximale goothoogte van 3 meter of de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw +0,25 meter, de maximale bouwhoogte is 6 meter.

Middels afwijking van de bouwregels kan onder voorwaarden een vergroting van bijbehorende bouwwerken of een verplaatsing van de woning worden toegestaan. Daarnaast kan, onder bepaalde voorwaarden, van de gebruiksregels worden afgeweken om het splitsen van woningen, inwoning ten behoeve van mantelzorg of het realiseren van een bed & breakfast in bijbehorende bouwwerken mogelijk te maken. Het is mogelijk om onder voorwaarden een extra woning te realiseren, ter compensatie van de sloop van voormalige agrarische bebouwing. Daarnaast zijn er regels opgenomen voor de realisatie van een landhuis of het toelaten van bepaalde recreatieve nevenactiviteiten. Tuin De gronden tussen de openbare weg (Schapendrift) en bestaande woning Schapendrift 11 en de voorste bouwkavel zijn voorzien van de bestemming 'Tuin'. De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn hoofdzakelijk bestemd voor tuinen met de daarbij behorende bouwwerken, geen gebouw zijnde, groenvoorzieningen, verhardingen, ontsluitingswegen en -paden behorend bij de aangrenzende woningen, tuinafscheidingen en overige bijbehorende voorzieningen. Binnen deze bestemming mag een erker ten dienste van de aanliggende woonbestemming worden gebouwd.

vastgesteld bestemmingsplan Schapendrift 11

45

NL.IMRO.0141.00105-BP31

Hoofdstuk 7

Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het plan. Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De gemeentelijke kosten, waaronder leges en planschadekosten, komen voor rekening van de aanvrager. Hiermee is het kostenverhaal anderzins verzekerd en kan de raad op grond van artikel 6.12, lid 2 onder a besluiten geen exploitatieplan vast te stellen.

vastgesteld bestemmingsplan Schapendrift 11

46

NL.IMRO.0141.00105-BP31

Hoofdstuk 8 8.1

Vooroverleg, Inspraak en Zienswijze

Vooroverleg

Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Rijk In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. Provincie Overijssel De provincie Overijssel heeft in juli 2016 een uitzonderingslijst opgesteld van categorieën bestemmingsplannen en projectbesluiten van lokale aard waarvoor vooroverleg niet noodzakelijk is. Het plan valt onder categorie B onder 4, waardoor vooroverleg niet nodig is. Waterschap Vechtstromen Op 20 augustus 2020 is het plan via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het waterschap Vechtstromen. Vervolgens is het plan per mail aan het waterschap toegestuurd. De watertoets en de reactie van het waterschap is als Bijlage 7 toegevoegd. Het waterschap geeft onder voorwaarden een positief advies op het plan.

Hiermee is voldaan aan het verplichte vooroverleg.

8.2

Inspraak

PM

8.3

Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan Schapendrift 11 en de bijbehorende stukken hebben met ingang van 21 07-21 tot en met 31-08-21 ter inzage gelegen. Er zijn geen zienswijzen binnengekomen.

vastgesteld bestemmingsplan Schapendrift 11

47

NL.IMRO.0141.00105-BP31

Bijlagen bij de toelichting

vastgesteld bestemmingsplan Schapendrift 11

48

NL.IMRO.0141.00105-BP31

Bijlage 1 Erfinrichtingsplan

vastgesteld bestemmingsplan Schapendrift 11

49

ONTWIKKELING SCHAPENDRIFT 11 BORNERBROEK 18-02-2021 | 18-132 SCHETSONT WERP EXTERIEUR NIEUWE WONING

INHOUD SITUATIE3 PLATTEGROND6 DOORSNEDE7 REFERENTIEBEELDEN8 COLOFON9

BUILDING DESIGN ARCHITECTUUR | ‘HET SPANJAARD’ | STATIONSSTRAAT 37 | 7622 LW BORNE | T 074-2659966 | E INFO@BUILDINGDESIGN.NL

SITUATIE

BOUWKAVEL SCHAPENDRIFT 11 IN BORNERBROEK KADASTRALE GEMEENTE: AMBT ALMELO BURGERLIJKE GEMEENTE: ALMELO SECTIE: O NUMMER: 677 KADASTRALEGROOT TE: 5950 M 2

LUCHTFOTO

BRON: PDOK / GOOGLE

3/9

18-02-2021 . 18-132 . HERONT WIKKELING SCHAPENDRIFT 11 BORNERBROEK

BUILDING DESIGN ARCHITECTUUR

KAVEL 14

STEDENBOUWKUNDIGE OPZET

4/9

18-02-2021 . 18-132 . HERONT WIKKELING SCHAPENDRIFT 11 BORNERBROEK

BUILDING DESIGN ARCHITECTUUR

KAVEL 14

WADI

OK WBL BOU 15 M 10 X

18-02-2021 . 18-132 . HERONT WIKKELING SCHAPENDRIFT 11 BORNERBROEK

ILIJN

5/9

ROO

TUIN

TOELICHTING SITUATIE 1:1000

SITUATIE 1:500

BUILDING DESIGN ARCHITECTUUR

PLATTEGROND

WOONKEUKEN

WOONKAMER

OVERDEKT TERRAS

ENTREE

MASTER SLAAPKAMER

GANG

WC

BIJKEUKEN

BADKAMER

SLAPEN

SLAPEN

INLOOPKAST KEUKEN

BEGANE GROND . SCHAAL 1:100

6/9

18-02-2021 . 18-132 . HERONT WIKKELING SCHAPENDRIFT 11 BORNERBROEK

BUILDING DESIGN ARCHITECTUUR

DOORSNEDE

DOORSNEDE . SCHAAL 1:100

7/9

18-02-2021 . 18-132 . HERONT WIKKELING SCHAPENDRIFT 11 BORNERBROEK

BUILDING DESIGN ARCHITECTUUR

REFERENTIEBEELDEN

GEVELBEKLEDING WRC VERGRIJST DAKBEDEKKING ZINK ZWART GEPATINEERD, OVERSTEK ZONDER GOOT

ACCENTEN WAND IN NATUURSTEEN, BIJVOORBEELD BIJ ENTREE 8/9

18-02-2021 . 18-132 . HERONT WIKKELING SCHAPENDRIFT 11 BORNERBROEK

GEVEL METSELWERK BUILDING DESIGN ARCHITECTUUR

COLOFON OPDRACHTGEVER

FAMILIE SLAGHEKKE

PROJECTNUMMER

18-132

FASE ONT WERP PROJECTLEIDER

SCHETSONT WERP EXTERIEUR ROB VELTHUIS --

DISCLAIMER ARTIST IMPRESSIONS / HANDSCHETSEN DE TEKENINGEN EN AFBEELDINGEN GEVEN EEN IMPRESSIE WEER. DE WERKELIJKE UITVOERING EN KLEUREN VAN DE MATERIALEN EN AFWERKINGEN KUNNEN AFWIJKEN. DE TUINAANLEG, INRICHTING EN BESTRATING VAN DE OPENBARE RUIMTE IS DE VERBEELDING VAN DE ARCHITECT. DE POSITIE VAN BOMEN ZIJN, TENZIJ ANDERS AANGEGEVEN, DECORATIEF AANGEGEVEN EN CORRESPONDEREN NIET MET DE WERKELIJKHEID. OMDAT ONDERLEGGERS VEELAL AFKOMSTIG ZIJN VAN DERDEN, ZIJN WIJ NIET AANSPRAKELIJK VOOR EVENTUELE ONJUISTHEDEN IN DIE BRONDOCUMENTEN. AAN DEZE TEKENINGEN KUNNEN, ONDANKS ALLE ZORGVULDIGHEID DIE IS NAGESTREEFD, GEEN RECHTEN WORDEN ONTLEEND. MAATVOERING EN INRICHTING DE MATEN OP DE TEKENINGEN ZIJN CIRCA-MATEN EN ZIJN, TENZIJ ANDERS AANGEGEVEN, IN MILLIMETERS. BIJ DE MAATVOERING TUSSEN DE WANDEN IS GEEN REKENING GEHOUDEN MET ENIGE WAND AFWERKING. TIJDENS DE BOUWVOORBEREIDINGSFASE EN/OF BOUWUITVOERINGSFASE KUNNEN VERANDERINGEN VOORDOEN DIE KUNNEN LEIDEN TOT MAATVERSCHILLEN. OP DE TEKENINGEN AANGEGEVEN MEUBILAIR EN APPARATUUR DIENEN ALLEEN TER INDICATIE. COPYRIGHT © NIETS UIT DEZE UITGAVE MAG WORDEN VERMENIGVULDIGD ZONDER TOESTEMMING VAN ONZE OPDRACHTGEVER OF BUILDING DESIGN ARCHITECTUUR BV TE BORNE.

NL.IMRO.0141.00105-BP31

Bijlage 2 Akoestisch onderzoek

vastgesteld bestemmingsplan Schapendrift 11

59

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai

Schapendrift, Bornerbroek

September 2020

Status: definitief

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Schapendrift, Bornerbroek Definitief

AKOESTISCH ONDERZOEK WEGVERKEERSLAWAAI SCHAPENDRIFT, BORNERBROEK

Auteur: Status: Datum: Projectnummer

T. Zomerdijk Definitief September 2020 2020-287

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

2

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Schapendrift, Bornerbroek Definitief

INHOUDSOPGAVE HOOFDSTUK 1 INLEIDING ................................................................................... 4 HOOFDSTUK 2 WETTELIJK KADER ......................................................................... 5 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5

ALGEMEEN ................................................................................................................................................. 5 ZONE LANGS WEGEN .................................................................................................................................... 5 GRENSWAARDEN ......................................................................................................................................... 5 BEREKENEN GELUIDSBELASTING ...................................................................................................................... 6 GEMEENTELIJK GELUIDSBELEID ....................................................................................................................... 6

HOOFDSTUK 3 UITGANGSPUNTEN ........................................................................ 8 3.1 3.2

SITUATIE PROJECTGEBIED............................................................................................................................... 8 VERKEERSGEGEVENS ..................................................................................................................................... 9

HOOFDSTUK 4 RESULTATEN .............................................................................. 10 4.1 4.2 4.3

BEREKENINGEN ......................................................................................................................................... 10 RESULTATEN ............................................................................................................................................. 10 HOGERE WAARDE ...................................................................................................................................... 10

HOOFDSTUK 5 CONCLUSIE ................................................................................ 11 BIJLAGEN

............................................................................................... 12

BIJLAGE 1 BIJLAGE 2 BIJLAGE 3

REKENMODEL.................................................................................................................................... 13 ITEMEIGENSCHAPPEN.......................................................................................................................... 14 RESULTATENTABEL ............................................................................................................................. 15

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

3

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Schapendrift, Bornerbroek Definitief

HOOFDSTUK 1

INLEIDING

Aan de Schapendrift 7a bevindt zich voormalig tuincentrum Braamhaar. Het voornemen bestaat de locatie te herontwikkelen ten behoeve van woningbouw, waarbij in totaal 19 nieuwe woningen worden gerealiseerd. Aansluitend aan het tuincentrum bevindt zich de locatie Schapendrift 11-11a. Het voornemen voor deze locatie is de bestaande dubbele woning te splitsen in twee vrijstaande woningen. Het woongebouw van de bestaande dubbele woning zal worden gebruikt voor één van deze vrijstaande woningen. De tweede vrijstaande woning wordt naast de dubbele woning gerealiseerd. Daarnaast wordt er op locatie Schapendrift 11-11a een vrijstaande woning in het kader van rood voor rood gerealiseerd. In totaal worden er dus 21 nieuwe woningen gerealiseerd. In afbeelding 1.1 is de locatie van het projectgebied weergegeven.

Afbeelding 1.1: Ligging projectgebied (Bron: Provincie Overijssel)

Woningen worden in de Wet geluidhinder aangemerkt als geluidsgevoelige functies. Ten behoeve van de realisatie moet een ruimtelijke procedure worden doorlopen, waarbij het noodzakelijk is om de geluidbelasting ter plaatse van de te realiseren woning te toetsen aan het stelsel van voorkeurswaarde en maximale ontheffingswaarden uit de Wet geluidhinder. In voorliggend geval betreft het enkel het aspect wegverkeerslawaai. Het onderzoek is uitgevoerd volgens de regels van het vigerende Reken- en meetvoorschrift geluid 2012. In voorliggende rapportage zijn de uitgangspunten, rekenresultaten en conclusies van het onderzoek beschreven.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

4

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Schapendrift, Bornerbroek Definitief

HOOFDSTUK 2 2.1

WETTELIJK KADER

Algemeen

Artikel 77 van de Wet geluidhinder (Wgh) bepaalt dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, wijzigingsplan, uitwerkingsplan of bij het voorbereiden van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse afwijking akoestisch onderzoek uitgevoerd moet worden. Doel van dit onderzoek is de geluidsbelasting aan de gevel van een geluidsgevoelig object als gevolg van de weg te bepalen. Onderzoek is enkel noodzakelijk indien een geluidsgevoelige bestemming zich binnen de wettelijke geluidszone van een weg bevindt. In de volgende paragraaf wordt nader ingegaan op de wettelijke geluidszone van wegen.

2.2

Zone langs wegen

Artikel 74.1 van de Wgh bepaalt dat wegen een wettelijke geluidszone hebben. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en of de weg in stedelijk of in buitenstedelijk gebied is gelegen. In tabel 2 worden de wettelijke geluidszones weergegeven. Aantal rijstroken 1 of 2 3 of 4 5 of meer

Stedelijk gebied 200 m 350 m 350 m

Buitenstedelijk gebied 250 m 400 m 600 m

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Almelo&id=5942a235-66d6-4b06-bcec-ed66ae44baea