11.2 Vastelling bestemmingsplannen woningbouw Schapendrift - Bijlage 2 - Vast te stellen bestemmingsplan Schapendrift 11.pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan Schapendrift 11 NL.IMRO.0141.00105-
NL.IMRO.0141.00105-BP31
Inhoudsopgave
T oelichting
5
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 De bij het plan behorende stukken 1.3 Ligging van het plangebied 1.4 Huidige planologische situatie 1.5 Leeswijzer
6 6 6 6 7 8
Hoofdstuk 2 Huidige en toekomstige situatie 2.1 Huidige situatie 2.2 Toekomstige situatie 2.3 Verkeer en parkeren
10 10 11 15
Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid Overijssel 3.3 Gemeentelijk beleid
17 17 18 24
Hoofdstuk 4 Milieu-aspecten 4.1 Milieuzonering 4.2 Externe veiligheid 4.3 Luchtkwaliteit 4.4 Geluid 4.5 Bodemkwaliteit 4.6 Flora en fauna 4.7 Archeologie en cultuurhistorie 4.8 Fysieke veiligheid 4.9 Besluit Milieueffectrapportage
27 27 28 30 31 32 33 34 35 38
Hoofdstuk 5 Waterparagraaf 5.1 Vigerend beleid 5.2 Waterparagraaf
40 40 41
Hoofdstuk 6 Juridisch bestuurlijke aspecten 6.1 Inleiding 6.2 Juridische systematiek 6.3 Beschrijving per bestemming
43 43 43 44
Hoofdstuk 7
46
Economische uitvoerbaarheid
Hoofdstuk 8 Vooroverleg, Inspraak en Zienswijze 8.1 Vooroverleg 8.2 Inspraak 8.3 Zienswijzen
47 47 47 47
Bijlagen bij de toelichting
48
Bijlage 1
Erfinrichtingsplan
49
Bijlage 2
Akoestisch onderzoek
59
vastgesteld bestemmingsplan Schapendrift 11
3
NL.IMRO.0141.00105-BP31
Bijlage 3
Verkennend bodemonderzoek
105
Bijlage 4
Quickscan flora en fauna
149
Bijlage 5
Aeriusberekening
185
Bijlage 6
Vormvrije MER beoordeling
212
Bijlage 7
Watertoets
228
Bijlage 8
Waterhuishoudkundig plan
231
Regels
244
Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2
Inleidende regels Begrippen Wijze van meten
245 246 252
Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5
Bestemmingsregels Agrarisch met waarden Tuin Wonen
253 254 256 257
Hoofdstuk 3 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12
Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels Algemene procedureregels Overige regels
260 261 262 263 264 265 266 267
Hoofdstuk 4 Artikel 13 Artikel 14
Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel
268 269 270
Bijlagen bij de regels
271
Bijlage 1
Inrichtingsplan Schapendrift 11
272
Bijlage 2
Sloopopgave Lohuisstraat 19
282
Bijlage 3
Inrichtingsplan Lohuisstraat 19
284
vastgesteld bestemmingsplan Schapendrift 11
4
NL.IMRO.0141.00105-BP31
Toelichting Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 De bij het plan behorende stukken 1.3 Ligging van het plangebied 1.4 Huidige planologische situatie 1.5 Leeswijzer Hoofdstuk 2 Huidige en toekomstige situatie 2.1 Huidige situatie 2.2 Toekomstige situatie 2.3 Verkeer en parkeren Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid Overijssel 3.3 Gemeentelijk beleid Hoofdstuk 4 Milieu-aspecten 4.1 Milieuzonering 4.2 Externe veiligheid 4.3 Luchtkwaliteit 4.4 Geluid 4.5 Bodemkwaliteit 4.6 Flora en fauna 4.7 Archeologie en cultuurhistorie 4.8 Fysieke veiligheid 4.9 Besluit Milieueffectrapportage Hoofdstuk 5 Waterparagraaf 5.1 Vigerend beleid 5.2 Waterparagraaf Hoofdstuk 6 Juridisch bestuurlijke aspecten 6.1 Inleiding 6.2 Juridische systematiek 6.3 Beschrijving per bestemming Hoofdstuk 7 Economische uitvoerbaarheid Hoofdstuk 8 Vooroverleg, Inspraak en Zienswijze 8.1 Vooroverleg 8.2 Inspraak 8.3 Zienswijzen
vastgesteld bestemmingsplan Schapendrift 11
5
NL.IMRO.0141.00105-BP31
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Het perceel Schapendrift 11/-11a te Bornerbroek, gelegen in het buitengebied van de gemeente Almelo bestaat uit twee aaneen gebouwde woningen. De eigenaar is voornemens om de dubbele woning te splitsen in twee vrijstaande woningen. Daarnaast bestaat de wens om op het erf een compensatiewoning te realiseren in het kader van het Rood voor Rood beleid. Hiertoe wordt op een agrarisch erf aan de Lohuisstraat 19 in Bornerbroek circa 870 m² aan vrijkomende landschapsontsierende bebouwing gesloopt. Met de sloop zal het gemengde agrarisch bedrijf zijn intensieve tak opheffen. Het plangebied aan de Schapendrift 11-11a grenst aan een voormalige kwekerij binnen de bebouwde kom van Bornerbroek (Schapendrift 7). Tegelijk met de ontwikkeling van de Schapendrift 11 wordt een tuincentrum en veeartsenpraktijk met twee bedrijfswoningen ontwikkeld als woningbouwlocatie. Op een bedrijfswoning na worden de opstallen op dit perceel gesloopt en hier worden in totaal 20 woningen gerealiseerd (toevoeging van 18 wooneenheden). Om deze woningen mogelijk te maken is het noodzakelijk dat de intensieve tak van het agrarische bedrijf aan de Lohuisstraat 19 wordt beëindigd. Hiervoor is een gezamenlijk stedenbouwkundig plan voor ontwikkeld.
Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld om aan de Schapendrift 11 de splitsing van de dubbele woning en de realisatie van een compensatiewoning in het kader van het Rood voor Rood beleid mogelijk te maken. Deze ontwikkeling is niet mogelijk op basis van het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Almelo'. Voor de locatie van de kwekerij aan de Schapendrift 7 en het agrarische bedrijf aan de Lohuisstraat 19 wordt een apart bestemmingsplan opgesteld.
1.2
De bij het plan behorende stukken
Het bestemmingsplan "Schapendrift 11" bestaat uit de volgende stukken regels; verbeelding. Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangegeven. In de regels zijn voorschriften opgenomen die noodzakelijk worden geacht voor een juiste ontwikkeling en beheer van het plangebied. De toelichting vergezelt het plan. Hierin zijn de aan het plan ten grondslag liggende uitgangspunten en onderzoeken weergegeven. De volgende bijlagen zijn bij deze toelichting opgenomen: Bijlage 1 Erfinrichtingsplan Bijlage 2 Akoestisch onderzoek Bijlage 3 Verkennend bodemonderzoek Bijlage 4 Quickscan flora en fauna Bijlage 5 Aeriusberekening Bijlage 6 Vormvrije MER beoordeling Bijlage 7 Watertoets
1.3
Ligging van het plangebied
Het plangebied bestaat uit het woonerf met een aangrenzend onbebouwd perceel aan de Schapendrift 11 in Bornerbroek. Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Almelo op de grens van de bebouwde kom van Bornerbroek. In figuur 1.1 is de ligging van het plangebied aan de zuidzijde van Bornerbroek weergegeven (rode lijn). Middels een zwarte lijn is de slooplocatie van agrarisch bedrijfsbebouwing weergegeven aan de Lohuisstraat 19. Het plangebied grenst aan de bedrijfslocatie van hovenier/kwekerij Braamhaar aan de Schapendrift 7. De bedrijfsactiviteiten op dat perceel zijn gestaakt. Tegelijk met de onderhavig ontwikkeling vindt er op het terrein van de kwekerij ook een woningbouwontwikkeling plaats.
vastgesteld bestemmingsplan Schapendrift 11
6
NL.IMRO.0141.00105-BP31
Figuur 1.1: Ligging plangebied (bron: Atlas Overijssel)
1.4
Huidige planologische situatie
Het perceel ligt binnen de grenzen van het bestemmingsplan 'Buitengebied Almelo'. Dit bestemmingsplan is vastgesteld door de gemeenteraad op 19 april 2011. Dit bestemmingsplan is gedeeltelijk herzien door het bestemmingsplan 'Buitengebied correctieve herziening' dat is vastgesteld op 18 juli 2017. Deze correctieve herziening bevat ter plaatse van het plangebied een kleine wijziging in de contour van de archeologische dubbelbestemming. Zie figuur 1.2 voor een uitsnede van de geldende verbeelding behorend bij het bestemmingsplan 'Buitengebied correctieve herziening'. In figuur 1.2 is een uitsnede van het geldende bestemmingsplan opgenomen. Aan het plangebied zijn twee bestemmingsvlakken met de bestemming 'Wonen' toegekend waarmee de bestaande twee woningen van een positieve bestemming is voorzien. De bestemming 'Wonen' is als vanzelfsprekend bedoeld voor woonvoorzieningen. Het naastgelegen perceel bevat de bestemming 'Agrarisch met waarden' met de nadere aanduidingen: 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - hoogteverschillen en houtopstanden'. Gronden met deze bestemming en dubbelbestemming zijn bedoeld voor agrarisch
vastgesteld bestemmingsplan Schapendrift 11
7
NL.IMRO.0141.00105-BP31
gebruik en de bescherming van de landschappelijke waarden.
Figuur 1.2: Uitsnede bestemmingsplan 'Buitengebied correctieve herziening (bron: ruimtelijk eplannen.nl) Naast het bestemmingsplan buitengebied en de correctieve herziening van het bestemmingsplan buitengebied gelden ter plaatse van het plangebied nog twee paraplubestemmingsplannen. Het betreft: Parapluherziening parkeren; Parapluherziening wonen. Met deze parapluplannen zijn specifieke regels voor parkeren en wonen voor het hele grondgebied van de gemeente Almelo opgenomen.
1.5
Leeswijzer
De plantoelichting geeft een toelichting op het bestemmingsplan, maar maakt geen deel uit van het bestemmingsplan. De plantoelichting bevat achtereenvolgens de volgende hoofdstukken: Hoofdstuk 1 Inleiding Hoofdstuk 2 Huidige en toekomstige situatie Hoofdstuk 3 Beleidskader Hoofdstuk 4 Milieu-aspecten Hoofdstuk 5 Waterparagraaf Hoofdstuk 6 Juridisch bestuurlijke aspecten Hoofdstuk 7 Economische uitvoerbaarheid Hoofdstuk 8 Vooroverleg, Inspraak en Zienswijze
vastgesteld bestemmingsplan Schapendrift 11
8
NL.IMRO.0141.00105-BP31
In hoofdstuk 1 wordt ingegaan op de onderdelen waaruit dit bestemmingsplan bestaat, de ligging en begrenzing van het plangebied en de huidige bestemmingsplannen die nu gelden. Hieruit blijkt het kader waarbinnen dit bestemmingsplan is opgesteld. In het tweede hoofdstuk wordt de huidige situatie en de toekomstige situatie behandeld. Dit wordt aangevuld met het beleid dat, voor zover van toepassing, is opgesteld (hoofdstuk 3). In hoofdstuk 4 wordt de milieusituatie, inclusief het aspect fysieke veiligheid, besproken. Hoofdstuk 5 bevat de waterparagraaf. In hoofdstuk 6 staat hoe het plan is vertaald in de juridisch bindende plantekst en verbeelding. In hoofdstuk 7 staat de financiële verantwoording van het plan en hoofdstuk 8 geeft de wijze van en resultaten omtrent de inspraak.
vastgesteld bestemmingsplan Schapendrift 11
9
NL.IMRO.0141.00105-BP31
Hoofdstuk 2 2.1
Huidige en toekomstige situatie
Huidige situatie
Het plangebied bevindt zich in het buitengebied aan de rand van het dorp Bornerbroek. Op het erf bevindt zich één woongebouw bestaande uit twee wooneenheden (11 en 11a). De twee woningen bevatten elk een eigen oprit. Achter de dubbele woning bevinden zich meerdere bijgebouwen die horen bij de bestaande woningen. De beoogde locatie van de twee woningen bevinden zich tussen het woonerf aan de Schapendrift 11-11a en een tuincentrum. Het perceel is in gebruik als weiland voor pony's. Het perceel kenmerkt zich door een groot aantal bomen rondom het perceel. Langs de oprit van de bestaande woning, naast het plangebied staan een rij jonge bomen. Aan de zijde van het tuincentrum bevinden zich zowel voor als achterop het perceel een aantal grote bomen. Daarmee is er een belangrijke landschappelijke structuur aanwezig. Tussen de aanwezige bomen bestaat er een doorzicht naar de achterliggende es. Op de onderstaande luchtfoto en foto's vanaf de Schapendrift is de landschappelijke structuur goed zichtbaar. Het plangebied grenst aan het tuincentrum Braamhaar. Dit perceel bestaat uit een kassencomplex met verharding. Aan de zijde van het plangebied is vooral buitenopslag aanwezig. Naast het tuincentrum bevinden zich hier twee bedrijfswoningen en een veeartsenpraktijk.
Figuur 2.1: Plangebied Schapendrift 11-11a (bron: Globespotter)
vastgesteld bestemmingsplan Schapendrift 11
10
NL.IMRO.0141.00105-BP31
Figuur 2.2: aanzicht Schapendrift 11/11a (bron: Googlmaps)
Figuur 2.3: aanzicht beoogde locatie woningen (bron: Googlemaps)
2.2
T oekomstige situatie
Zoals aangegeven in de inleiding worden de twee wooneenheden aan de Schapendrift 11 en 11 a gesplitst in twee vrijstaande woningen. De huidige dubbele woning wordt samengevoegd tot één woning en het vrijkomende bouwrecht wordt verplaatst naar het naastgelegen agrarische perceel. Daarnaast wordt op het erf een compensatiewoning gerealiseerd in het kader van het Rood voor Rood beleid. Hiertoe wordt op een agrarisch erf aan de Lohuisstraat 19 in Bornerbroek circa 870 m² aan vrijkomende landschapsontsierende bebouwing gesloopt. De te slopen agrarische bedrijfsbebouwing worden gebruikt voor het intensieve deel van het agrarisch bedrijf. Het bedrijf zal het intensieve deel van het agrarische bedrijf beëindigen en uitsluitend het melkveebedrijf voort zetten. Het realiseren van een compensatiewoning aan de Lohuisstraat 19 is ongewenst in verband met het aanwezige agrarische bedrijf. Aan de Schapendrift 7 is het bedrijfsperceel van een voormalig tuincentrum aanwezig. De bedrijfsactiviteiten zijn ter plaatse gestaakt. Het voornemen bestaat om de locatie te herontwikkelen naar een gebied voor in totaal 12 vrijstaande woningen en 8 twee-onder-één kapwoningen (inclusief een bestaande bedrijfswoning). De herontwikkeling van de Schapendrift 11-11a en de kwekerij is één gezamenlijk stedenbouwkundige plan ontwikkeld.
De stedenbouwkundige opzet bestaat uit kavels voor vrijstaande en twee-onder-één kapwoningen die in twee bouwstroken vanaf de Schapendrift worden gerealiseerd. Belangrijk aspect van het plan is om meerdere doorkijken naar het open landschap te creëren. Dat wordt gedaan door op deze plekken bomen aan te planten als groene onbebouwde stroken. Op de grens van het huidige tuincentrum en het plangebied behorend bij onderhavig bestemmingsplan (2 meest zuidelijk gelegen kavels) is deze
vastgesteld bestemmingsplan Schapendrift 11
11
NL.IMRO.0141.00105-BP31
bomenstructuur al aanwezig. Deze bomen blijven behouden.
Figuur 2.4: stedenbouwkundig totaalplan Schapendritf (bron: Skapa) Voor de twee meest zuidelijke kavels is een inrichtingsplan opgesteld. De twee nieuwe kavels hebben een oppervlakte van circa 1.425 m² en 1.975 m². Daarbij wordt gebruik gemaakt van de bestaande groenstructuur. De aanwezige bomen blijven behouden. De oostelijk gelegen woning wordt ontsloten via een inrit naast het bestaande bouwperceel. Het peil van het plangebied ligt lager dan de omliggende gronden. In natte periodes is stoomt water van omliggende percelen naar het plangebied. Het perceel zal daarom worden opgehoogd. Aan de oostzijde van het perceel zal een laagte worden aangebracht in de vorm van een wadi.
vastgesteld bestemmingsplan Schapendrift 11
12
NL.IMRO.0141.00105-BP31
Figuur 2.5: erfinrichtingsplan Schapendrift 11-11a (bron: Building Design) Lohuisstraat 19 Voor het realiseren van het plan wordt gebruik gemaakt van het RvR beleid van de gemeente Almelo. Op het perceel aan de Lohuisstraat 19 worden circa 870 m² aan agrarische bebouwing gesloopt. De compensatiekavel wordt gerealiseerd op het perceel aan de Schapendijk 11. Met de sloop van de agrarische opstallen zal het gemengde agrarische bedrijf het intensieve deel van het bedrijf beëindigen en uitsluitend het melkveebedrijf voorzetten. In de navolgende tabel en figuur een overzicht van de te slopen bebouwing. Naast de sloop van de opstallen wordt op het perceel aan de Lohuisstraat 19 voorzien in een extra investering in ruimtelijke kwaliteit. Op het perceel worden houtsingels aangeplant en krijgt een bestaande boomgaard meer ruimte. Te midden van het groen wordt een bijenstal gerealiseerd. Deze maatregel draagt bij aan de biodiversiteit en daarmee aan een beter ecologisch evenwicht van de hele omgeving. In figuur 2.7 is het inrichtingsplan weergegeven. Deze is ook opgenomen als Bijlage 3 bij de regels van dit bestemmingsplan. Stalnaam
Datum in gebruik
Oppervlakte
Oude kraamstal Tussenbouw Kraamstal Dekstal
01-12-1980 01-12-1989 01-12-1985 01-12-1991
326,16 m² 147,40 m² 172,60 m² 227,60 m²
vastgesteld bestemmingsplan Schapendrift 11
13
NL.IMRO.0141.00105-BP31
Figuur 2.6: te slopen bebouwing Lohuisstraat 19 (bron: Google Maps)
vastgesteld bestemmingsplan Schapendrift 11
14
NL.IMRO.0141.00105-BP31
Figuur 2.7: inrichtingsplan Lohuisstraat 19 (bron: Buro Poelmans Reesink)
2.3
Verkeer en parkeren
2.3.1 Verkeer Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met een eventuele toename van de verkeersgeneratie. Om te beoordelen of de verkeerstoename past binnen dit gebied is zowel de ontwikkeling aan de Schapendrift 11 als de ontwikkeling van het tuincentrum (Schapendrift 7) meegenomen. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie is de publicatie 'Toekomstbestendig parkeren, publicatie 381 (december 2018)' van het CROW aangehouden. Hierbij zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: Verstedelijkingsgraad: sterk stedelijk (Bron: CBS Statline); Stedelijke zone: ‘rest bebouwde kom’ en ‘buitengebied’. In de publicatie van de CROW is de verkeersgeneratie per functie uiteengezet. Daarnaast wordt hierin een minimaal en maximaal aantal verkeersbewegingen voor de functies aangegeven. In voorliggend geval is van het gemiddelde uitgegaan. Op basis van de vorenstaande uitgangspunten ontstaat qua verkeersgeneratie als gevolg van het project het volgende beeld: Schapendrift 7
Schapendrift 11
vastgesteld bestemmingsplan Schapendrift 11
15
NL.IMRO.0141.00105-BP31
De totale verkeersgeneratie voor de 23 woningen komt neer op afgerond 186 verkeersbewegingen per weekdag. De nieuwe woonpercelen worden ontsloten via de Schapendrift. De Schapendrift is een rustige verharde weg vanaf het dorp Bornerbroek naar het buitengebied in zuidelijke richting. Het doorgaande verkeer in zuidelijke richting maakt gebruik van de evenwijdig N741 (Lohuisstraat). De bestaande infrastructuur kan het aantal verkeersbewegingen eenvoudig afwikkelen. Overigens gaat het, vanwege de aanwezigheid van twee bedrijfswoningen bij de Schapendrift 7 en de dubbele woning aan de Schapendrift 11 om de planologische toevoeging van 19 woningen. Geconcludeerd wordt dat er vanuit verkeerskundig oogpunt geen bezwaren zijn tegen de in dit plan besloten ontwikkelingen.
2.3.2 Parkeren Op basis van de publicatie 'Toekomstbestendig parkeren, publicatie 381 (december 2018)' van het CROW bedraagt de parkeernorm voor vrijstaande woningen 2,4. Voor het buitengebied geldt in principe dat het parkeren op eigen erf dient plaats te vinden. Op eigen terrein van de drie kavels behorende bij het perceel Schapendrift 11 is voldoende ruimte om in de eigen parkeerbehoefte te voorzien. Hiermee kan de parkeerbehoefte worden opgevangen.
vastgesteld bestemmingsplan Schapendrift 11
16
NL.IMRO.0141.00105-BP31
Hoofdstuk 3 3.1
Beleidskader
Rijksbeleid
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen.
Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling voorziet in het creeëren van een sterk en gezond dorp en regio en geeft hiermee invulling aan de uitgangspunten van de NOVI.
3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat van een nieuwe 'stedelijke ontwikkeling' die in een bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt moet worden aangetoond dat er sprake is van een behoefte. De toelichting bij het bestemmingsplan bevat daartoe een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, bevat een toelichting tevens een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Dit wordt de 'Ladder Duurzame Verstedelijking' genoemd. De beschrijving van de behoefte aan de betreffende, 'stedelijke ontwikkeling', moet inzichtelijk maken of, in relatie tot het bestaande aanbod, concreet behoefte bestaat aan de desbetreffende ontwikkeling. Die behoefte moet dan worden afgewogen tegen het bestaande aanbod, waarbij moet worden gemotiveerd dat rekening is gehouden met het voorkomen van leegstand. De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling.
Onderhavig plan In dit plan is er sprake van een kleinschalige ontwikkeling, waarbij er twee aaneengebouwde woningen worden gesplitst in twee vrijstaande woningen en één compensatiewoning wordt gerealiseerd in het
vastgesteld bestemmingsplan Schapendrift 11
17
NL.IMRO.0141.00105-BP31
buitengebied in het kader van het Rood voor Rood beleid. Per saldo wordt er één woning toegevoegd. Uit jurisprudentie (ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921) is gebleken dat wanneer een bestemmingsplan voorziet in niet meer dan 11 woningen, die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, Bro, kunnen worden aangemerkt, deze ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling worden aangemerkt. Mede gelet op het toevoegen van slechts één woning én de afname van de bebouwde oppervlakte aan de Lohuisstraat 19, is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het Besluit ruimtelijke ordening. Ook wanneer de Ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing is, zal gemotiveerd moeten worden dat de ontwikkeling voldoet aan een goede ruimtelijke ordening en uitvoerbaar is. Hier zal in voorliggend plan invulling aan worden gegeven.
3.2
Provinciaal beleid Overijssel
3.2.1 Omgevingsvisie Overijssel De Omgevingsvisie Overijssel 2017 geeft de provinciale visie op de fysieke leefomgeving van Overijssel weer. Hierin worden onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur in samenhang voor een duurzame ontwikkeling van de leefomgeving. De Omgevingsvisie is onder andere een structuurvisie onder de Wet ruimtelijke ordening. De Omgevingsvisie is op 12 april 2017 vastgesteld en op 1 mei 2017 in werking getreden. Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de leidende principes of 'rode draden' bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel. De ambities in het kader van duurzaamheid zijn: klimaatbestendigheid, het realiseren van een duurzame energiehuishouding, het sluiten van kringlopen (circulaire economie) en het beter benutten van ruimte, bestaande bebouwing en infrastructuur. Ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit wordt ingezet op het vergroten van de gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is daarbij van belang, waarbij een vitaal en samenhangend stelsel van gebieden met een hoge natuur- en waterkwaliteit wordt ontwikkeld.
Ook de ontwikkeling van een continu en beleefbaar watersysteem, het voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen en het contrast tussen dynamische en luwe gebieden versterken, zijn ambities op het gebied van ruimtelijke kwaliteit. Het zorgvuldig inpassen van nieuwe initiatieven heeft als doel om de samenhang in en de identiteit van een gebied te versterken en nieuwe kwaliteiten te laten ontstaan. Een zichtbaar en beleefbaar landschap en het behouden en waar mogelijk verbreden van het bestaande aanbod aan woon-, werk- en mixmilieu's betreffen ruimtelijke kwaliteitsambities. De ambitie van de provincie Overijssel is dat elk project bijdraagt aan de versterking van de ruimtelijke kwaliteit van de leefomgeving en dat nieuwe initiatieven worden verbonden met bestaande kwaliteiten. De Catalogus Gebiedskenmerken, die per gebiedstype beschrijft welke kwaliteiten behouden, versterkt en ontwikkeld moeten worden, is daarbij een instrument om te sturen op ruimtelijke kwaliteit. Ten aanzien van sociale kwaliteit is het koesteren en het gebruik maken van 'noaberschap' de ambitie, evenals het stimuleren van culturele identiteit van de provincie Overijssel, zowel lokaal als regionaal. Duurzame ontwikkeling van cultureel erfgoed (bijv. herbestemmen/hergebruik monumenten en karakteristieke bebouwing) hoort hier bij.
Het realiseren van sociale kwaliteit wordt gedaan door het actief betrekken van bewoners bij projecten en het bieden van ruimte aan initiatieven van onderop.
3.2.2 Omgevingsverordening Overijssel De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel 2017. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument
vastgesteld bestemmingsplan Schapendrift 11
18
NL.IMRO.0141.00105-BP31
dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is.
3.2.3 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel 2017 geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten: generieke beleidskeuzes; ontwikkelingsperspectieven; gebiedskenmerken. Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht. Generieke beleidskeuzes Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase het zgn. principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gehanteerd. Hierin komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaand bebouwd gebied wordt benut, voordat er uitbreiding in de groene omgeving kan plaatsvinden. Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en verbindingszones enzovoorts.
De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend. Ontwikkelingsperspectieven Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities. De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven. Gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en lust- en leisurelaag) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt. Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.
vastgesteld bestemmingsplan Schapendrift 11
19
NL.IMRO.0141.00105-BP31
Figuur 3.1: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel 2017 (Bron: provincie Overijssel) Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten Omgevingsvisie Overijssel Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan de Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld. Generieke beleidskeuzes Of een ontwikkeling mogelijk is, wordt bepaald op basis van generieke beleidskeuzes. Hierbij zijn de artikelen 2.1.3 (Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik) en 2.1.6 (Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving) van belang. Artikel 2.1.3: Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik Bestemmingsplannen voor de Groene Omgeving voorzien uitsluitend in ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de groene omgeving wanneer aannemelijk is gemaakt: dat (her)benutting van bestaande erven en/of bebouwing in de Groene omgeving in redelijkheid niet mogelijk is; dat mogelijkheden voor combinatie van functies op bestaande erven optimaal zijn benut. De Rood voor Rood ontwikkeling gaat uit van sloop van de voormalige bedrijfsbebouwing, waarvoor ter compensatie één woning mag worden gebouwd. Daarnaast wordt een bestaande dubbele woning gesplitst in twee vrijstaande woningen. Het plan sluit aan op een woningbouwontwikkelingsplan binnen de kern van het dorp Bornerbroek.
Met de sanering van het tuincentrum en het totaalplan aan de Schapendrift krijgt de dorpsrand van Bornerbroek een kwaliteitsimpuls. Samenvattend wordt geconcludeerd dat in voldoende mate rekening is gehouden met de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik.
vastgesteld bestemmingsplan Schapendrift 11
20
NL.IMRO.0141.00105-BP31
Artikel. 2.1.6 lid 1: Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving Bestemmingsplannen voor de Groene omgeving kunnen - met in achtneming van het bepaalde in artikel 2.1.3. en artikel 2.1.4 en het bepaalde in artikel 2.1.5 - voorzien in nieuwvestiging en grootschalige uitbreidingen van bestaande functies in de Groene omgeving, uitsluitend indien hier sociaaleconomische en/of maatschappelijke redenen voor zijn én er is aangetoond dat het verlies aan ecologisch en/of landschappelijk waarden in voldoende mate wordt gecompenseerd door investeringen ter versterking van ruimtelijke kwaliteit in de omgeving. Het voorliggende plan leidt tot een kwaliteitsimpuls in de groene omgeving van de gemeente Almelo. Deze meerwaarde vertaalt zich in de sloop van circa 870 m² aan landschapsontsierende agrarische bedrijfsbebouwing en een investering in ruimtelijke kwaliteit op dit perceel. Het opheffen van het intensieve deel van het agrarisch bedrijf levert tevens een aanzienlijke verbetering op van de milieusituatie aan de rand van het dorp Bornerbroek. De twee nieuwe woningbouwkavels worden opgenomen in het stedenbouwkundige plan van de herontwikkeling van het nabijgelegen tuincentrum in het dorp. Met de sanering van het tuincentrum en het totaalplan aan de Schapendrift krijgt de dorpsrand van Bornerbroek een kwaliteitsimpuls.
De investeringen in de ruimtelijke kwaliteit staan in verhouding met de geboden ontwikkelingsmogelijkheden. Ontwikkelingsperspectieven De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. In dit geval zijn uitsluitend de ontwikkelingsperspectieven voor de landelijke omgeving van belang. In figuur 3.2 is een fragment van de kaart van de ontwikkelingsperspectieven behorende bij de Omgevingsvisie weergegeven.
Figuur 3.2: Fragment ontwikkelingsperspectievenkaart, Omgevingsvisie Overijssel, de locatie is omlijnd (bron: provincie Overijssel) Voor het plangebied geldt het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap'. Binnen dit ontwikkelingsperspectief staat het voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen voorop. Het ontwikkelingsperspectief richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant
vastgesteld bestemmingsplan Schapendrift 11
21
NL.IMRO.0141.00105-BP31
melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik en aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid. De plannen van de initiatiefnemers doen geen afbreuk aan het eigen karakter van het gebied, bestaande structuren worden juist versterkt. Daarnaast leveren de plannen geen extra belemmeringen op voor diverse functies in de omgeving (zowel agrarische bedrijven als woningen). Het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap' richt zich juist op het combineren van dergelijke functies is het buitengebied. Gebiedskenmerken Natuurlijke laag De natuurlijke laag geeft aan het gebied het kenmerk 'dekzandvlakte en ruggen' (zie figuur 3.3).
Figuur 3.3: Natuurlijke laag, Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel) Dekzandgronden beslaan een groot deel van de oppervlakte van de provincie Overijssel. Na de ijstijden bleef er in grote delen van Overijssel een - door de wind gevormd - reliëfrijk zandlandschap achter. Dit landschap wordt gekenmerkt door relatief grote verschillen tussen hoog/droog en nat/laag gebied. De ambitie van de provincie is om deze verschillen meer sturend en beleefbaar te maken. Nieuwe ontwikkelingen moeten bijdragen aan het beter zichtbaar en beleefbaar maken van de hoogteverschillen en het watersysteem. Het plangebied ligt iets lager ten opzichte van de omgeving. In en rondom het plangebied zijn echter geen duidelijke hoogteverschillen zichtbaar. Wel zorgt de lagere ligging dat in natte periodes veel hemelwater van omliggende percelen in het plangebied terechtkomt. Om die reden zal het plangebied opgehoogd worden. Hemelwater zal om die reden meer op eigen terrein infiltreren. Met de voorgenomen ontwikkelingen aan de Schapendrift zal geen afbreuk worden gedaan aan de zichtbaarheid van de hoogteverschillen en het watersysteem. Laag van het agrarisch cultuurlandschap De laag van het agrarisch cultuurlandschap kent het kenmerk 'Oude hoevenlandschap' aan het gebied toe op de grens met het gebied met het kenmerk 'Maten en flierenlandschap'.
In figuur 3.4 is een fragment van de betreffende kaart weergegeven.
vastgesteld bestemmingsplan Schapendrift 11
22
NL.IMRO.0141.00105-BP31
Figuur 3.4: Laag van het agrarische cultuurlandschap, Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel) Het oude hoevenlandschap kenmerkt zich met verspreidliggende erven, die zijn ontwikkeld nadat de complexen met de grote essen 'bezet' waren en nieuwe ontwikkelingsruimte werd gezocht. Het landschap kent dezelfde opbouw als het essenlandschap, alleen in een meer kleinschalige, meer individuele en jongere variant. De ambitie is om het landschap vanuit de verspreid liggende erven een ontwikkelingsimpuls te geven. Het plan bestaat uit het realiseren van twee vrijstaande woningen in het kader van Rood voor Rood en de splitsing van een dubbele woning. Het plan is opgenomen in het woningbouwplan van het naastgelegen tuincentrum. De kavels zijn ruim van opzet. Door de sloop van het tuincentrum en het creëren van meerdere doorzichten met groen naar het buitengebied ontstaat een kleinschalig gebied en een passende overgang van het dorp Bornerbroek naar het buitengebied. Stedelijk e laag en laag van de beleving De 'Stedelijke laag' en de 'Laag van de beleving' hebben binnen het plangebied geen specifieke kenmerken en blijven daarom verder buiten beschouwing. In de 'Laag van beleving' is de Schapendrift wel gekenmerkt als fietsroute. Dit blijft in de nieuwe situatie onveranderd.
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de in dit voorliggende bestemmingsplan besloten planologische wijziging volledig in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.
vastgesteld bestemmingsplan Schapendrift 11
23
NL.IMRO.0141.00105-BP31
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1 Omgevingsvisie voor de ideale gemeente Almelo 2020-2040 De 'Omgevingsvisie voor de ideale gemeente Almelo 2020-2040' is vastgesteld op 29 september 2020. De Omgevingsvisie is een samenhangend, strategisch plan voor de leefomgeving voor de komende vijftien tot twintig jaar. De Omgevingsvisie geeft inzicht over hoe de omgeving zich tot nu toe heeft gevormd en hoe de gemeente de toekomst ziet. In de Omgevingsvisie staat hoe de gemeente zijn omgeving wil ontwikkelen waarin wordt gewoond, gewerkt en gerecreëerd. Over het buitengebied staat in de Omgevingsvisie onder andere het volgende beschreven: Wie heel groot wil boeren, is beter af buiten Almelo. Ook onze agrariërs hanteren de Almelose maat en schaal voor hun bedrijf. Om levensvatbaar te blijven, kan circulair boeren en/of neveninkomsten genereren rondom het bedrijf gewenst zijn. Wij ondersteunen de inrichting van circulaire processen en functieverbreding, zoals biologisch boeren, recreatiemogelijkheden bieden en educatie geven. Om dit te bereiken stuurt de gemeente op het voorkomen van leegstand met rood-voor-roodtrajecten om verval van het buitengebied tegen te gaan. Toets Met het plan wordt de intensieve tak van het agrarisch bedrijf opgeheven en agrarische schuren gesloopt. Dit zorgt voor een verbetering van de milieusituatie aan de rand van het dorp.
Het rood-voor-rood plan aan de Schapendrift past binnen de Omgevingsvisie.
3.3.2 Kaderstelling landelijk gebied Op 10 juli 2012 heeft de gemeenteraad de 'Kaderstelling landelijk gebied' vastgesteld. Deze kaderstelling bevat een richtinggevend ruimtelijk beleidskader dat dient als toetsingskader voor nieuwe initiatieven in het landelijke gebied. In de kaderstelling wordt een viertal ruimtelijke kaders specifiek genoemd: 1. Het landelijk gebied is in principe primair bestemd voor de uitoefening van de agrarische sector; 2. Nieuwe initiatieven mogen de bedrijfsvoering van agrarische bedrijven niet hinderen; 3. De groene longen worden gevrijwaard van verdere stedelijke ontwikkeling; 4. Nieuwe initiatieven die: a. niet binnenstedelijk zijn op te lossen; b. van oorsprong al in het gebied aanwezig zijn; kunnen eventueel worden ingepast, indien met het werkboek Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving de aanwezige ruimtelijke kwaliteit in het gebied wordt versterkt. Onder het eerste punt wordt in het beleidsdocument concreet aangegeven dat initiatieven op het gebied van Rood-voor-Rood of Vrijkomende Agrarische Gebouwen (VAB) mogelijk zijn. Met de kaderstelling wordt eveneens het werkboek 'Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving' vastgesteld als toetsingsinstrument voor nieuwe initiatieven in het buitengebied. Toets Geconcludeerd kan worden dat het initiatief de bedrijfsvoering van omliggende agrarische bedrijvigheid niet hindert.
Hier wordt in paragraaf 4.1 verder op in gegaan. Verstedelijking van een groene long is niet aan de orde. Het initiatief is getoetst aan de regels in het kader van de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving. Hiervoor wordt verwezen naar de beschrijving van de toekomstige situatie in paragraaf 2.2 en de toetsing aan de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving in paragraaf 3.2.3. Bovenstaande brengt met zich mee dat het plan aansluit bij de 'Kaderstelling landelijk gebied gemeente Almelo'.
vastgesteld bestemmingsplan Schapendrift 11
24
NL.IMRO.0141.00105-BP31
3.3.3 Rood voor Rood (bestemmingsplan Buitengebied correctieve herziening) In het bestemmingsplan 'Buitengebied correctieve herziening' is de rood-voor-rood regeling van de gemeente Almelo opgenomen. In dit bestemmingsplan is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor de bouw van een compensatiewoning als tenminste 850 m² aan voormalige agrarische bebouwing wordt gesloopt. Omdat niet op de slooplocatie wordt gebouwd kan geen medewerking worden verleend middels een wijzigingsplan maar dient het bestemmingsplan te worden herzien. Hieronder staan alle voorwaarden voor de rood-voor-rood regeling beschreven met daaronder de toetsing van het onderhavig project. Toets Op basis van de in het bestemmingsplan 'Buitengebied Almelo' opgenomen wijzigingsbevoegdheid in artikel 3.5.9 kan medewerking worden verleend door het plan te wijzigen voor het na bedrijfsbeëindiging omzetten van een agrarisch bouwvlak in de bestemming ´Wonen´, waarbij de bouw van één of meerdere extra woningen wordt toegestaan, in verband met sloop van voormalige agrarische bebouwing met inachtneming van de volgende voorwaarden: a.
ter compensatie van de sloop van minimaal 850 m² voormalige bedrijfsbebouwing en/of bijbehorende bouwwerken bij de bedrijfswoning, niet zijnde karakteristieke bebouwing en opgericht met een bouwvergunning voor 1 januari 2004, kan één compensatiewoning worden toegestaan, met inachtneming van de volgende voorwaarden; Op het agrarisch erf aan de Lohuisstraat 19 in Bornerbroek wordt circa 870 m² aan vrijkomende landschapsontsierende bebouwing gesloopt. Met de sloop zal het gemengde agrarisch bedrijf zijn intensieve tak opheffen. Uitgangspunt is dat de compensatiewoning op de slooplocatie wordt gerealiseerd. In het onderhavig geval wordt de compensatiewoning niet op de slooplocatie (Lohuisstraat 19) teruggebouwd. Met de sloop zal het gemengde agrarisch bedrijf zijn intensieve tak opheffen en het melkveebedrijf in de overige schuren voortzetten. Aangezien de melkveehouderijtak niet wordt beëindigd bestaat er vanuit milieukundig oogpunt geen mogelijkheid om een woning op dit perceel te realiseren. De woning zou in dat geval te dicht bij de agrarische activiteiten komen te staan. Om deze reden is gezocht naar een alternatieve locatie voor de compensatiewoning in de nabijheid van het agrarisch bedrijf. Deze locatie is gevonden aan het nabijgelegen perceel aan de Schapendrift 11 en 11a.
De compensatiewoning sluit hiermee aan bij het stedenbouwkundig plan ter plaatse van een voormalige kwekerij (Schapendrift 7) en de splitsing van de twee-aan-een gebouwde woningen aan de Schapendrift 11 en 11a. b. de sloop mag voor een deel plaatsvinden op de locatie van een ander voormalig agrarisch bedrijf, mits op de locatie van dit andere voormalige bedrijf ook alle voormalige bedrijfsbebouwing met uitzondering van karakteristieke bebouwing wordt gesloopt; De sloop vindt uitsluitend plaats op het erf Lohuisstraat 19 in Bornerbroek. c. bij sloop op meerdere locaties wordt de compensatiewoning op één van beide locaties toegestaan; N.v.t. d. de compensatiewoning mag een inhoud van maximaal 750 m³ hebben met daarbij bijbehorende bouwwerken met een oppervlakte van maximaal 100 m²; Dit is opgenomen in de bouwregels van het onderhavig bestemmingsplan. e. de bebouwing dient te worden gesitueerd op een kavel van minimaal 500 m² en maximaal 1.000 m² per woning; Aan de Schapendrift worden twee nieuwe bouwkavels opgenomen waarvan één rood voor rood kavel. De woonbestemmingen hebben een oppervlakte van circa 1.050 m² en 1.600 m². Het plan van de twee kavels maakt onderdeel uit van een stedenbouwkundig plan van een groter gebied aan de Schapendrift zoals weergegeven in 2.2. De kavel zijn daar op afgestemd. De kavelgrenzen volgen daarbij de
vastgesteld bestemmingsplan Schapendrift 11
25
NL.IMRO.0141.00105-BP31
natuurlijke, landschappelijke grenzen waarbij binnen de kavel ook een wadi is opgenomen. Omdat de locatie is gelegen aan de dorpsrand is, anders dan gebruikelijk in het buitengebied, een bouwvlak opgenomen die een oppervlakte ruim onder de 1.000 m² heeft. f.
alle bebouwing die niet ten behoeve van het wonen wordt gebruikt dient te worden gesloopt met uitzondering van de gebouwen, tot een maximale oppervlakte van 300 m2, welke direct worden hergebruikt in het kader van vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen; Alleen de schuren die worden gebruikt voor het intensieve deel van het agrarische bedrijf worden geloopt. De schuren behorende bij het melkveebedrijf worden niet gesloopt. g. er sprake is van een landschappelijke inpassing, waartoe een inpassingsplan dient te worden opgesteld; Voor zowel de locatie Schapendrift als de Lohuisstraat 19 is een inpassingsplan opgesteld. Deze is opgenomen in Bijlage 1 en Bijlage 3 bij de regels. h. er geïnvesteerd wordt in het versterken van de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving; Naast de sloop van de opstallen wordt op het perceel aan de Lohuisstraat 19 voorzien in een extra investering in ruimtelijke kwaliteit. Op het perceel worden houtsingels aangeplant en k rijgt een bestaande boomgaard meer ruimte. Te midden van het groen wordt een bijenstal gerealiseerd. Deze maatregel draagt bij aan de biodiversiteit en daarmee aan een beter ecologisch evenwicht van de hele omgeving . i.
in de nabijheid gelegen functies en waarden niet in onevenredige mate in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden geschaad; Er worden geen functies en waarden in de omgeving in hun ontwikkelingsmogelijkheden geschaad. Dit wordt verder toegelicht in paragraaf 4.1. j.
de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad; Belangen van eigenaren en/of gebruikers van naastgelegen gronden worden niet geschaad. k. de uitvoerbaarheid van het wijzigingsplan is gewaarborgd, in verband waarmee in elk geval aangetoond moet worden: 1. bodemsanering niet noodzakelijk is dan wel vóór uitvoering van het wijzigingsplan zal plaatsvinden; 2. geen onevenredige aantasting van aan de grond eigen zijnde archeologische waarden zal plaatsvinden dan wel geen ingrepen in de bodem zullen worden verricht; 3. in risicogebieden voor wateroverlast aanvullende maatregelen met betrekking tot schadevrij bouwen en compensatie worden getroffen; 4. met betrekking tot (spoor)wegverkeersgeluid een aanvaardbaar woonklimaat wordt gerealiseerd; 5. met betrekking tot de luchtkwaliteit een aanvaardbaar leefklimaat wordt gerealiseerd, dan wel at geen onevenredige verslechtering plaatsvindt; 6. met betrekking tot de externe veiligheid een aanvaardbaar leefklimaat wordt gerealiseerd, dan wel dat geen onevenredige verslechtering plaatsvindt; 7. beschermde planten- en diersoorten en biotopen niet onevenredig worden geschaad; 8. het wijzigingsplan financieel uitvoerbaar is. In de toelichting van het bestemmingsplan is de uitvoerbaarheid van het plan aangetoond.
vastgesteld bestemmingsplan Schapendrift 11
26
NL.IMRO.0141.00105-BP31
Hoofdstuk 4
Milieu-aspecten
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het bestemmingsplan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven.
4.1
M ilieuzonering
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.
De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied' dan wel 'gemengd gebied'.
Figuur 4.1: Richtafstanden VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering Toets Het plangebied is gelegen aan de rand net buiten de bebouwde kom van Bornerbroek. In de nabijheid van het plangebied zijn overwegend woningen en agrarische gronden aanwezig. Derhalve geldt dat het plangebied is gelegen in het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied'. Bij het realiseren van een nieuwe bestemming dient gekeken te worden of die nieuwe functie past in de omgeving (externe
vastgesteld bestemmingsplan Schapendrift 11
27
NL.IMRO.0141.00105-BP31
werking) en of de omgeving de nieuwe functie toelaat (interne werking). Externe werking Bij de externe werking gaat het om de vraag of de realisatie van onderhavig plan leidt tot hinder of belemmeringen voor de omgeving. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De functie 'wonen' betreft geen milieubelastende functie voor de omgeving. Er is derhalve geen sprake van een aantasting van het leefklimaat van omwonenden. Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving. Het plangebied aan de Schapendrift 11 grenst aan een bestaand tuincentrum. Een tuincentrum valt onder milieucategorie 2. Hiervoor geldt een richtafstand van 30 meter voor het aspect geluid. Aan deze richtafstand wordt niet voldaan. Zoals in paragraaf 2.2 beschreven is het onderhavig plan onderdeel van een grotere planontwikkeling waarin het tuincentrum wordt ontwikkeld voor woningbouw. Het tuincentrum wordt opgeheven en maakt plaats voor woningbouw. Op circa 100 meter van de toekomstige woonbestemming bevindt zich aan de Lohuisstraat een agrarisch bedrijf (gemengd bedrijf). Onderdeel van het onderhavig plan is dat het dit bedrijf het intensieve deel van het agrarische bedrijf zal beëindigen en uitsluitend het melkveebedrijf voort te zetten.
De sloop van de stallen die worden gebruikt voor het intensieve deel zijn als voorwaardelijke verplichting opgenomen in dit bestemmingsplan. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurvoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. De nieuwe woningen bevinden zich buiten de bebouwde kom. Aan de afstand van 50 meter wordt ruimschoots voldaan. Daarmee kan worden geconcludeerd dat er ter plaatse van de nieuwe woningen sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
4.2
Externe veiligheid
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Per 1 januari 2010 moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's Zware Ongevallen 1999 (Brzo 1999); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (cRvgs). Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing.
Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een
vastgesteld bestemmingsplan Schapendrift 11
28
NL.IMRO.0141.00105-BP31
ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. In het BEVI zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd. Deze normen zijn niet effectgericht maar gebaseerd op een kansberekening. Tevens geven de risiconormen alleen de kans weer om als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden. Gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade zijn daarin niet meegenomen. Er is in het BEVI geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar slechts een oriënterende waarde. Er is sprake van een verantwoordingsplicht in geval van een toename van het groepsrisico. Risicokaart Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven.
Figuur 4.2: Uitsnede risicok aart, plangebied ter hoogte van pijl (www.risicokaart.nl) Zoals op de kaart te zien is liggen in de directe omgeving van het plangebied geen risico's ten aanzien van externe veiligheid. Op circa 230 meter ten zuiden van het plangebied is een gasleiding gelegen. Toets Uit de inventarisatie blijkt dat er in de omgeving van het plangebied geen risico's op basis van de externe veiligheid zijn gelegen, derhalve geldt dat het plangebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen, danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid.
vastgesteld bestemmingsplan Schapendrift 11
29
NL.IMRO.0141.00105-BP31
4.3
Luchtkwaliteit
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen); Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007. Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.
Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleegen bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Regeling Beoordeling luchtk waliteit 2007 De Regeling Beoordeling luchtkwaliteit 2007 bevat voorschriften voor het meten en berekenen van de concentratie - en depositie - van luchtverontreinigende stoffen. De luchtkwaliteit ter plaatse is beoordeeld volgens deze regeling.