10.1 Vaststelling bestemmingsplan Noordflank - Bijlage 1 - Bestemmingsplan Noordflank.pdf
Tekst van het document
Ook tijdens de nachtelijke bezoeken voor uilen en vleermuizen is specifiek op exemplaren van steenmarter gelet. Kleine marterachtigen en egel Voor de kleine marterachtigen (wezel, hermelijn en bunzing) en egel is enkel een biotoopbeoordeling gedaan gezien de provincie Overijssel geen onderzoeksplicht heeft voor het aanvragen van een ontheffing voor deze soorten. Deze biotoopbeoordeling heeft plaatsgevonden tijdens de twee dagbezoeken, op 28 april en 11 mei 2021. Van de genoemde soorten zijn bunzing en egel hoofdzakelijk nachtactief. Daarom is tijdens het uilen- en vleermuisonderzoek specifiek op exemplaren van deze soorten gelet.
Natuurtoets Noordflank Almelo
11
Eekhoorn Tijdens de twee dagbezoeken (op 28 april en 11 mei 2021) zijn de bomen in het plangebied gecontroleerd op eekhoornnesten. Deze bezoeken zijn vroeg in het jaar uitgevoerd zodat de bolvormige nesten van eekhoorn gemakkelijk te inventariseren zijn in de nog weinig bebladerde bomen. Daarbij is specifiek gelet op exemplaren van eekhoorns en vraatsporen als aangevreten dennenappels en eikels. Grote bosmuis In 2021 heeft geen onderzoek naar grote bosmuis plaatsgevonden. Er zijn sinds het onderzoek naar grote bosmuis in 2017 geen nieuwe waarnemingen van grote bosmuis gedaan in de omgeving van Almelo. De dichtstbijzijnde waarneming is nog steeds een waarneming van grote bosmuis uit 2013 in Ootmarsum, op circa 17 kilometer afstand van het plangebied. Zodoende is de verwachting dat de onderzoeksresultaten van 2017 voor grote bosmuis nog voldoende actueel zijn.
Analyse Na uitvoering van het literatuur- en veldonderzoek uit 2017 en 2021 is op basis van de voorgenomen werkzaamheden bepaald welke effecten kunnen optreden op beschermde soorten en houtopstanden en of vervolgstappen (zoals nader onderzoek, ontheffing- dan wel vergunningsaanvraag) vereist zijn.
Natuurtoets Noordflank Almelo
12
3. Soortenbescherming 3.1 Flora In het plangebied zijn algemene plantensoorten van erven en agrarisch gebied aangetroffen. Waargenomen soorten zijn onder andere beuk, zomereik, ruwe berk, gewone paardenbloem, heermoes, straatgras, kleine veldkers en grote weegbree. Er zijn geen beschermde plantensoorten of plantensoorten van de Rode Lijst aangetroffen. Gezien de aangetroffen soortensamenstelling en de terreingesteldheid worden deze soorten ook niet verwacht. Ook tijdens voorafgaande door Ecogroen uitgevoerde onderzoeken (Veldhoen & van der Sluis, 2011; Olthof & De Gelder, 2019) zijn geen soorten aangetroffen die beschermd zijn onder de vigerende Wet natuurbescherming. Het nemen van vervolgstappen ten aanzien van de soortgroep flora is in het kader van de Wet natuurbescherming niet aan de orde.
3.2 Zoogdieren Vleermuizen Het leefgebied van vleermuizen bestaat uit verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebieden (zie ook kader 3.1). Hieronder worden deze onderdelen nader beschreven. Kader 3.1 Vleermuizen Verblijfplaatsen Verblijfplaatsen kunnen zich bevinden in donkere en voor vleermuizen bereikbare ruimten in bomen, huizen, kelders et cetera en kunnen aanwezig zijn in de vorm van kraamverblijven / zomerverblijven, baltslocaties / paarverblijven en winterverblijven. Verstoring, beschadiging, vernietiging of het verwijderen van deze verblijfplaatsen is verboden. Vliegroutes Voor oriëntatie tijdens de trek van en naar hun verblijfplaatsen en foerageergebieden gebruiken vleermuizen veelal jarenlang dezelfde structuren. Vanwege dit traditiegetrouwe gedrag van vleermuizen vormen bepaalde lijnvormige structuren (bijvoorbeeld rijen woningen, watergangen en bomenrijen) een belangrijk onderdeel van een vliegroute. Wanneer alternatieve structuren ontbreken zijn dergelijke structuren ‘onmisbaar’ en zodoende beschermd. Foerageergebieden Locaties waar insecten aanwezig zijn, bijvoorbeeld langs randen van bossen, bomenrijen of boven water zijn van belang als foerageergebied voor vleermuizen. Foerageergebied van vleermuizen geniet binnen de Wet natuurbescherming echter geen juridische bescherming, tenzij het onmisbaar is voor het voortbestaan van een populatie.
Vaste verblijfplaatsen Tijdens het aanvullend vleermuizenonderzoek zijn vier verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen. Het betreft twee zomerverblijven en één paarverblijf van gewone dwergvleermuis en één zomerverblijfplaats van laatvlieger. De verblijfplaatsen bevinden zich in de woonhuizen van erven 1, 2 en 3. In tabel 3.1 en figuur 3.1 is een overzicht gegeven van de exacte invlieglocaties van de vleermuizen in de gebouwen. De
Natuurtoets Noordflank Almelo
13
verblijfplaatsen staan op kaart weergegeven in bijlage 1. Via de waargenomen invliegopeningen hebben de vleermuizen toegang tot spouwmuur of dakconstructie waar de daadwerkelijke verblijfplaatsen zitten. Tabel 3.1 Locaties van de vier aangetroffen vleermuisverblijfplaatsen. Soort Gewone dwergvleermuis Gewone dwergvleermuis Gewone dwergvleermuis Laatvlieger
Type verblijfplaats Paarverblijfplaats Zomerverblijfplaats Zomerverblijfplaats (twee invliegers) Zomerverblijfplaats
Erfnummer en adres 1 (Westermaatweg 2b) 2 (Westermaatweg 4) 3 (Westermaatweg 8) 3 (Westermaatweg 8)
Invlieglocatie Ruimte tussen muur en dakoverstek Houten betimmering achter dakgoot Open stootvoegen in schoorsteen en scheefliggende dakpan Kantpannen op oostgevel
Figuur 3.1 Aangetroffen invlieglocaties vleermuizen (rood omcirkeld/pijlen). Boven: Westermaatweg 8. Linksonder: Westermaatweg 4. Rechtsonder Westermaatweg 2b.
Natuurtoets Noordflank Almelo
14
Vervolgstappen voor verblijfplaatsen van vleermuizen Bij de voorgenomen sloop van de gebouwen gaan de aangetroffen verblijfplaatsen van vleermuizen verloren. Voor de uitvoering van deze werkzaamheden is daarom een ontheffing Wet natuurbescherming noodzakelijk. Een voorwaarde voor het verkrijgen van een ontheffing is het realiseren van alternatieve voorzieningen voor vleermuizen. Zomer- en paarverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis en laatvlieger worden doorgaans gecompenseerd met een factor van vier. Voor het aanbrengen van alternatieve voorzieningen geldt tevens een gewenningsperiode van een half jaar. Dit houdt in dat de alternatieve voorzieningen minstens een half jaar voor aanvang van de werkzaamheden gerealiseerd moeten zijn. Vliegroutes Tijdens het vleermuizenonderzoek in 2017 zijn zestien gewone dwergvleermuizen en zeven laatvliegers waargenomen die de bomenlaan langs de Westermaatweg als duidelijke vliegroute gebruikten (Olthof & De Gelder, 2019; bijlage 1). Ecogroen beoordeelt een opgaande lijnvormige landschapsstructuur als vliegroute als deze tijdens één vleermuisbezoek door minimaal vijf vleermuizen van dezelfde soort wordt gebruikt. In dit geval wordt dit minimum overschreden.
Bovendien blijkt uit het onderzoek uit 2011 dat de bomenlaan destijds ook werd gebruikt als vliegroute door gewone dwergvleermuis (20 ex.) en laatvlieger (8 ex.) (Veldhoen & van der Sluis, 2011) Gezien het ontbreken van alternatieve opgaande lijnvormige structuren vormt de bomenlaan aan de Westermaatweg een onmisbare vliegroute voor vleermuizen die vanuit het stedelijk gebied van Aadorp richting foerageergebied vliegen. Langs de Schout Doddestraat en het Lateraalkanaal zijn tijdens voorgaande onderzoeken geen langsvliegende vleermuizen waargenomen. Omdat tussen 2017 en 2021 geen wijzigingen hebben plaatsgevonden aan de vliegroute, wordt aangenomen dat de vliegroute nog steeds functioneel is. Vervolgstappen voor vliegroutes van vleermuizen Bij het voornemen dient de bomenlaan langs de Westermaatweg behouden te blijven en dient eventueel toekomstige verlichting op de nieuwe erven aangepast te worden aan het voorkomen van vleermuizen. Vleermuizen zijn gevoelig voor verstoring door nachtelijke verlichting in de actieve periode van vleermuizen in Nederland (april tot en met oktober). Lichtverstoring moet voorkomen worden door de volgende mitigerende maatregelen te nemen: • Toekomstige inrichtingswerkzaamheden op de huidige en nieuwe erven die plaatsvinden in de actieve periode van vleermuizen (1 april tot 1 november) worden bij daglicht uitgevoerd.
• In de toekomst dient de Westermaatweg onbelicht te blijven om verstoring van langsvliegende vleermuizen te voorkomen. • Buitenverlichting aanpassen aan vleermuizen. Dit houdt in dat (1) verlichting alleen wordt geplaatst waar het echt noodzakelijk is, (2) gebruik maken van neerwaarts gerichte armaturen met zo min mogelijk lichtverstrooiing en (3) de lichtsterkte verlagen tot wat minimaal noodzakelijk is. Foerageergebied Binnen het plangebied is door de aanwezigheid van bomenlanen, watergangen, groenstructuren en erven geschikt foerageergebied aanwezig voor soorten als laatvlieger en gewone dwergvleermuis. Er is geen
Natuurtoets Noordflank Almelo
15
sprake van onmisbaar foerageergebied, gezien de ruime aanwezigheid van alternatief foerageergebied in de directe omgeving van het plangebied. Daarnaast blijft het plangebied na uitvoering van de toekomstige werkzaamheden geschikt als foerageergebied doordat agrarische gronden en watergangen in functie blijven en bos aangeplant wordt. Vervolgstappen ten aanzien van foerageergebieden van vleermuizen zijn zodoende niet aan de orde.
Beschermde grondgebonden zoogdieren Kleine marterachtigen en egel Binnen het plangebied is potentieel leefgebied van kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) en egel aangetroffen in de vorm van ruigtes, tuinen, houtwallen en vochtig grasland. Daarnaast is egel tijdens het nachtelijke onderzoek foeragerend waargenomen op erf 3. Gezien de grootschaligheid van de weilanden en akkers en de beperkte schuilmogelijkheden is een groot deel van het plangebied marginaal geschikt als foerageergebied. Kleine marterachtigen en egels zijn buiten dekking kwetsbaar voor predatoren en mijden daarom open veld (Bouwens, 2017). Mogelijke verblijfplaatsen kunnen gevonden worden in diverse groenvoorzieningen, rommelhoekjes, holen en (oude) schuren, stallen en hooizolders op de erven (zie figuur 3.2 en bijlage 2).
Figuur 3.2 Geschikte verblijfplaatsen voor egels en kleine marterachtigen in de vorm van ruigtes en dichte tuinbeplanting.
Vervolgstappen Bij uitvoering van het plan gaat geschikt leefgebied van kleine marterachtigen en/of egel verloren. Bijvoorbeeld door het verwijderen van houtwallen, inrichtingswerkzaamheden op de erven en sloop van bebouwing. Voor het verwijderen van de in bijlage 2 aangegeven elementen is een ontheffing Wnb noodzakelijk. Een voorwaarde voor het verkrijgen van een ontheffing is het compenseren van leefgebied, voordat huidig leefgebied verloren gaat. Het oppervlak aan verloren gaand leefgebied dient met een minstens even groot oppervlak gecompenseerd te worden. Eekhoorn In 2017 zijn in twee bomen in het plangebied twee takkennesten van eekhoorn aangetroffen. In 2018 bleek één van de nesten verdwenen (Olthof & De Gelder, 2019). Tijdens het actualiserende onderzoek in
Natuurtoets Noordflank Almelo
16
2021 zijn geen nesten, sporen of exemplaren van eekhoorn waargenomen. Negatieve effecten op eekhoorn worden zodoende uitgesloten bij uitvoering van de voorgenomen plannen. Vervolgstappen ten aanzien van eekhoorn zijn niet aan de orde. Steenmarter In de melkstal op erf 3 zijn in 2017 enkele oude uitwerpselen aangetroffen van steenmarter (Olthof & De Gelder, 2019). Tijdens eerdere door Ecogroen uitgevoerd onderzoek zijn binnen het plangebied geen verblijfplaatsen van Steenmarter waargenomen (Veldhoen & van der Sluis, 2011). Ook zijn tijdens het actualiserende onderzoek in 2021 geen sporen of exemplaren van steenmarter waargenomen. Gezien de aanwezigheid van agrarische gronden, boerderijen en houtwallen is geschikt foerageergebied voor steenmarter aanwezig. Na uitvoering van de toekomstige werkzaamheden blijft het plangebied geschikt als foerageergebied voor Steenmarter doordat agrarische gronden behouden blijven, bos aangeplant wordt en nieuwe boerenbedrijven zich gaan vestigen. Op basis van de resultaten van het onderzoek worden geen vaste verblijfplaatsen of onmisbaar foerageergebied van steenmarter verwacht in het plangebied. Het nemen van vervolgstappen voor steenmarter is niet aan de orde. Grote bosmuis In 2017 is gericht onderzoek uitgevoerd naar de grote bosmuis. De soort is toen niet aangetroffen binnen het plangebied (Olthof & De Gelder, 2021).
Gezien het plangebied in de tussentijd niet is gewijzigd wordt de grote bosmuis in 2021 ook niet verwacht. Negatieve effecten van het plan op grote bosmuis worden eveneens niet verwacht. Het nemen van vervolgstappen ten aanzien van grote bosmuis is niet aan de orde. Overige zoogdiersoorten In het plangebied zijn vaste verblijfplaatsen van grondgebonden zoogdiersoorten aangetroffen en/of te verwachten. Dit zijn onder andere gewone bosmuis, huisspitsmuis, rosse woelmuis en haas. Bij de geplande ingrepen kunnen enkele verblijfplaatsen en/of exemplaren van deze grondgebonden zoogdieren geschaad worden. In voorliggende situatie geldt voor deze soorten in de provincie Overijssel automatisch vrijstelling van de verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming, waardoor het nemen van vervolgstappen voor deze zoogdieren niet aan de orde is. Verblijfplaatsen van overige beschermde zoogdieren zonder provinciale vrijstelling worden op basis van terreinkenmerken en bekende verspreidingsgegevens uitgesloten. Vervolgstappen voor deze soorten zijn evenmin aan de orde.
3.3 Vogels Bij vogels wordt onderscheid gemaakt in twee categorieën met een verschillend beschermingsregime (zie kader 2.1).
Natuurtoets Noordflank Almelo
17
Vogels met jaarrond beschermde nesten Van veel vogels zijn nesten alleen gedurende het broedseizoen beschermd. Nestlocaties kunnen dan buiten het broedseizoen zonder overtreding van de Wet Natuurbescherming verwijderd worden. Voor een aantal vogelsoorten geldt echter dat de nestlocaties inclusief de functionele omgeving jaarrond beschermd zijn (zie kader 3.2). Kader 3.2 Vogels met jaarrond beschermde nestplaatsen Categorie 1 t/m 4 Onder jaarrond beschermde nesten van vogels wordt verstaan: in functie zijnde nesten van de boerenzwaluw, boomvalk, bosuil, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, huiszwaluw, kerkuil, oehoe, ooievaar, raaf, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, torenvalk, wespendief, zeearend, zwarte specht en zwarte wouw. Deze vogelsoorten vallen in Overijssel onder de categorieën 1 tot en met 4. Categorie 5 Aanvullend op bovengenoemde vogels met jaarrond beschermde nesten heeft de provincie Overijssel een aantal soorten benoemd waarvan moet worden getoetst of voldoende functioneel leefgebied aanwezig blijft. Dit zijn vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen.
Specifiek betreft het de volgende soorten: blauwe reiger, bonte vliegenvanger, boomklever, boomkruiper, draaihals, gekraagde roodstaart, glanskop, grauwe vliegenvanger, groene specht, grote bonte specht, grutto, ijsvogel, kleine bonte specht, kortsnavelboomkruiper, middelste bonte specht, oeverzwaluw, ringmus, spreeuw, tapuit, tureluur, veldleeuwerik, wulp, zomertortel, zwarte mees en zwarte roodstaart..
In het plangebied zijn nest- en rustplaatsen aangetroffen van vogels waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn. Het betreft nestplaatsen van buizerd, huismus en spreeuw en rustplaatsen van kerkuil. Buizerd In het plangebied zijn twee buizerdnesten aanwezig. Tijdens het onderzoek is gebleken dat het nest in de singel van erf 3 wordt gebruikt als broedplek. In het verleden is het nest bij erf 2 gebruikt om in te broeden (Olthof & De Gelder, 2019). In een buizerdterritorium zijn vaak twee à drie nesten aanwezig, die in de loop der jaren rouleren qua gebruik (BIJ12, 2017). Doordat buizerd op beide nesten broedend is aangetroffen hebben allebei de nesten een jaarrond beschermde status. Beide nesten blijven bij uitvoering van de plannen behouden. Wel hebben de toekomstige werkzaamheden in het broedseizoen mogelijk een verstorende werking op buizerd. Door de aanwezigheid van houtwallen, bosjes, graslanden en akkers is het plangebied geschikt als foerageergebied voor buizerd. Van onmisbaar foerageergebied is geen sprake gezien de ruime aanwezigheid van houtwallen, bosjes, weilanden en akkers in de directe omgeving buiten het plangebied. Bovendien blijft het plangebied na herinrichting in vergelijkbare mate geschikt als foerageergebied. Vervolgstappen ten aanzien van foerageergebied is niet aan de orde.
Natuurtoets Noordflank Almelo
18
Vervolgstappen Bij de toekomstige inrichtingswerkzaamheden op erven 2 en 3 dient rekening te worden gehouden met de buizerdnesten. Hierbij kan gedacht worden aan toekomstige bouw- en sloopwerkzaamheden. Vervolgstappen zijn niet nodig indien de werkzaamheden binnen de verstoringsafstand (< 75 meter) van het buizerdnest buiten het broedseizoen van buizerd of buiten de verstoringsafstand plaatsvinden. De geschikte periode voor het uitvoeren van de werkzaamheden is september tot februari. Wanneer dit niet mogelijk is, adviseren we om voorafgaand aan deze werkzaamheden op erven 2 en 3 na te gaan welk nest op dat moment door buizerd gebruikt wordt. Deze nestcontrole dient uitgevoerd te worden binnen het broedseizoen van buizerd (februari t/m augustus). Wanneer een nest niet door buizerd gebruikt wordt, kunnen de inrichtingswerkzaamheden daar zonder aanvullende maatregelen uitgevoerd worden. Wanneer tijdens de controle gebruik door buizerd vastgesteld wordt dienen de werkzaamheden op die betreffende locatie te worden uitgesteld tot buiten broedseizoen van buizerd. De geschikte periode voor het uitvoeren van de werkzaamheden is september tot februari. Huismus Tijdens het aanvullend onderzoek is één huismusnest aangetroffen in de woning van erf 1 (zie bijlage 1). Dit nest is aanwezig onder een nokpan ter hoogte van de dakdoorvoer (zie figuur 3.3).
Bij sloop van deze woning gaat de nestplaats verloren. Daarnaast kan de functionele leefomgeving verloren gaan bij ruimtelijke aanpassingen op het erf. Vervolgstappen Bij de toekomstige inrichtingswerkzaamheden dient rekening te worden gehouden met het vastgestelde territorium van huismus. Wanneer de functionele leefomgeving van huismus in het geding komt, is een ontheffing noodzakelijk. De functionele leefomgeving van een nest is de omgeving van de nestlocatie die nodig is om het hele proces van eieren leggen tot en met het opgroeien van de jongen te voltooien. De functionele leefomgeving bestaat uit een nestplaats in bebouwing, groenblijvende vegetatie (zoals heggen en coniferen; zie figuur 3.1), zandige plekken en plekken waar kleine steentjes of grit gevonden kan worden. Wanneer dergelijke essentiële elementen op erf 1 verdwijnen door bijvoorbeeld de sloop van de woning en verwijderen van beplanting is een ontheffing noodzakelijk.
Natuurtoets Noordflank Almelo
19
Figuur 3.3 Links: de globale nestlocatie van huismus op erf 1 (rode cirkel). Rechts: groenblijvende vegetatie (coniferen, laurierkers), geschikt als schuilplaats voor huismussen. Foto’s: Google.
Kerkuil Tijdens het aanvullend onderzoek zijn geen nestlocaties van kerkuil in het plangebied waargenomen. Ook zijn tijdens de vleermuisbezoeken geen exemplaren van kerkuil gezien of gehoord. Wel zijn sporen van kerkuil in de vorm van (oude) braakballen aangetroffen in twee oude schuren op erf 2 (zie figuur 3.4, pagina 21). Dit is een sterke aanwijzing dat de schuren werden gebruikt als roestplaats. Binnen het territorium heeft de kerkuil meerdere roestplaatsen. Roestplaatsen worden gezien als vaste rustplaatsen en zijn in de Wet natuurbescherming beschermd doordat ze onderdeel vormen van de functionele leefomgeving van kerkuil. Bij de sloop van deze schuren gaan de roestplaatsen verloren. Door de aanwezigheid van bosschages, graslanden en akkers is het plangebied geschikt als foerageergebied voor kerkuil, die hier voornamelijk jaagt op muizen. Van onmisbaar foerageergebied is geen sprake gezien de ruime aanwezigheid van bosgebied, weilanden en akkers in de directe omgeving van het plangebied. Bovendien blijft het plangebied na herinrichting in vergelijkbare mate geschikt als foerageergebied. Vervolgstappen ten aanzien van het foerageergebied van kerkuil is niet aan de orde. Vervolgstappen Bij toekomstige werkzaamheden op erf 2 dient rekening te worden gehouden met de twee aanwezige roestplaatsen van kerkuil in de schuren.
Wanneer de schuren gesloopt worden, is een ontheffing noodzakelijk. Voor het verkrijgen van een ontheffing is het realiseren van alternatieve rustplaatsen één van de vereisten. Dit kan bijvoorbeeld middels het plaatsen van nieuwe nestkasten.
Natuurtoets Noordflank Almelo
20
Figuur 3.4 Braakballen in de grote schuur (links) en overkapping (rechts) op erf 2.
Spreeuw Tijdens het onderzoek zijn in totaal tien nestlocaties van spreeuw aangetroffen in de woningen van erf 1 (negen nesten) en erf 2 (één nest). Spreeuwennesten zijn aanwezig onder het dak en toegankelijk via scheefliggende of kapotte dakpannen of via de ruimte onder de 1ste rij dakpannen (zie figuur 3.5, pagina 22). In provincie Overijssel vallen de nesten van deze soort onder categorie 5 van jaarrond beschermde nesten. Deze categorie omvat soorten die vaak terugkeren naar de plaats waar zij het voorgaande jaar hebben gebroed, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren gaat, zich elders te vestigen mits er voldoende alternatieve broedplekken aanwezig zijn in de directe omgeving. In voorliggende situatie ontbreken alternatieve broedplekken door de afwezigheid van bomen met geschikte holtes en doordat geschikte woningen beperkt aanwezig zijn of gesloopt worden. Gezien dit relatief hoge aantal nestplaatsen en de beperkte uitwijkmogelijkheden in de directe omgeving, verkrijgen deze spreeuwennesten een jaarrond beschermde status. Bij de voorgenomen sloopwerkzaamheden op de erven 1 en 2 gaan de nestplaatsen verloren. Door de aanwezigheid van graslanden en akkers is het plangebied geschikt als foerageergebied voor spreeuwen.
Van onmisbaar foerageergebied is geen sprake gezien de ruime aanwezigheid van agrarische gronden in de directe omgeving van het plangebied. Bovendien blijft het plangebied na herinrichting in vergelijkbare mate geschikt als foerageergebied. Vervolgstappen ten aanzien van het foerageergebied van spreeuw is niet aan de orde. Vervolgstappen Bij de toekomstige werkzaamheden aan erven 1 en 2 dient rekening te worden gehouden met de aanwezige nestplaatsen van spreeuw. Wanneer de woningen gesloopt of gerenoveerd worden (met schade of verstoring van nestplaatsen als gevolg) is een ontheffing noodzakelijk. Voor het verkrijgen van een ontheffing is het realiseren van alternatieve nestplaatsen één van de vereisten. Dit kan voor spreeuw middels het plaatsen van nestkasten aan bomen.
Natuurtoets Noordflank Almelo
21
Figuur 3.5 Enkele aangetroffen locaties met spreeuwennesten. Links- en rechtsboven onder het dak bij de Westermaatweg 2b (erf 1). Onder: Onder het dak via een kapotte dakpan (rood omcirkeld) van de schuur bij de Westermaatweg 4 (erf 2).
Steenuil en ransuil Tijdens het aanvullende onderzoek in zowel 2017 als 2021 zijn geen territoria van steenuil of ransuil vastgesteld. Door de aanwezigheid van bosschages, graslanden en akkers is het plangebied geschikt als foerageergebied voor steenuil en ransuil. Van onmisbaar foerageergebied is echter geen sprake gezien de ruime aanwezigheid van bosgebied, weilanden en akkers in de directe omgeving van het plangebied. Bovendien blijft het plangebied na herinrichting in vergelijkbare mate geschikt als foerageergebied. Vervolgstappen ten aanzien van foerageergebied van steenuil en ransuil zijn niet aan de orde. Overige vogels met jaarrond beschermde nesten Tijdens het aanvullend onderzoek zijn geen nesten, exemplaren of sporen van overige vogels met jaarrond beschermde nesten (zoals torenvalk, sperwer en zwarte roodstaart) aangetroffen. Vervolgstappen ten aanzien van deze soorten zijn daarom niet aan de orde.
Overige vogels Het plangebied bevat door de aanwezigheid van beplanting, water en bebouwing geschikt broedbiotoop voor enkele algemene vogelsoorten zoals merel, houtduif, wilde eend, ekster, pimpelmees en koolmees.
Natuurtoets Noordflank Almelo
22
Voor alle inheemse vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die soorten, nesten, eieren of vaste rust- of verblijfplaatsen beschadigen of verstoren. Verstoren is echter alleen verboden wanneer de storing van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de betreffende vogelsoort. Voor de te verwachten soorten kan verstoring die van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding (altijd) worden voorkomen door te werken buiten het broedseizoen. In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd, omdat deze per soort en vaak per jaar kan verschillen. Daarmee is het dus van belang of een broedgeval wordt beschadigd of verstoord, ongeacht de datum. Voor de meeste soorten kan de periode tussen 1 maart en 15 juli worden aangehouden als broedseizoen. Houtduif en merel kunnen tot in half november broedsels beginnen, maar ook al voor half februari starten met nestelen. Daarom adviseren we – zeker wanneer werkzaamheden binnen de periode van half februari – half november worden gestart om een broedvogelcontrole uit te voeren. Tijdens de broedvogelcontrole wordt bepaald of zich broedende vogels ophouden binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden.
Bij het aantreffen van nesten van vogels wordt in overleg met een ecologisch deskundige bepaald hoe de werkzaamheden op een zorgvuldige wijze binnen de kaders van de Wet natuurbescherming kunnen worden uitgevoerd.
3.4 Amfibieën Op basis van het veldbezoek, terreinkenmerken en verspreidingsgegevens wordt voortplanting en overwintering van de in de Habitatrichtlijn en de Verdragen van Bern en Bonn en overige nationaal beschermde amfibieën (zoals alpenwatersalamander) uitgesloten. Wel zijn algemene soorten amfibieën zoals kleine watersalamander, gewone pad en bruine kikker voortplantend en overwinterend te verwachten in aanwezige wateren, ruigtes, (muizen)holen en strooisellaag binnen het plangebied. Bij de geplande ingrepen kunnen enkele exemplaren van vrijgestelde beschermde amfibieën geschaad worden. In voorliggende situatie geldt automatisch vrijstelling van de verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming, waardoor het nemen van vervolgstappen voor deze amfibieën niet aan de orde is.
3.5 Overige soortgroepen Op basis van de terreinkenmerken, habitateisen en bekende verspreidingsgegevens worden in het plangebied geen voortplanting of vaste verblijfplaatsen verwacht van beschermde reptielen, ongewervelden en vissen. Het nemen van vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming zijn niet aan de orde voor deze soortgroepen.
Natuurtoets Noordflank Almelo
23
3.6 Vervolgtraject soortbescherming Geadviseerd wordt om gedurende de werkzaamheden rekening te houden met de aanwezigheid van vleermuizen, kleine marterachtigen, egel, buizerd, huismus, kerkuil, spreeuw en de vliegroute voor vleermuizen. Mochten de voorgenomen plannen een negatief effect hebben op beschermde soorten is het aanvragen van een ontheffing en het nemen van mitigerende en/of compenserende maatregelen noodzakelijk. Een ontheffing Wet natuurbescherming wordt aangevraagd bij bevoegd gezag (provincie Overijssel). Hiervoor dient een activiteitenplan opgesteld te worden waarin duidelijk wordt welke functie het plangebied heeft voor de betreffende soort, welke effecten optreden en op welke wijze effecten voorkomen worden. Daarnaast dient bij de planning van de voorgenomen plannen rekening te worden gehouden met de kwetsbare periode van broedvogels en overige fauna om verstoring zo veel mogelijk te beperken. De looptijd van een ontheffingsaanvraag Wet natuurbescherming is maximaal 20 weken. In tabel 1.1 (zie pagina 3) wordt per soort(groep) beknopt beschreven welke vervolgstappen (mogelijk) nodig zijn.
Natuurtoets Noordflank Almelo
24
4. Houtopstanden 4.1 Vigerende regelgeving Na raadpleging van de kaart bebouwde kom Boswet Almelo (gemeente Almelo, 1977), is gebleken dat het plangebied geheel buiten de ’Begrenzing Bebouwde kom Wet natuurbescherming’ ligt (zie figuur 4.1). De gemeente Almelo is voornemens om in totaal circa 10.000 m2 aan beplanting te kappen (zie bijlage 3). Alle te kappen (delen van) houtwallen maken onderdeel uit van een houtopstand van >10 are of een rij van 20 of meer bomen. Voor alle te kappen bomen gelden daarom de (kap)regels van de Wet natuurbescherming.
Figuur 4.1 Ligging plangebied (blauwe lijn) t.o.v. de Begrenzing Bebouwde kom Wet natuurbescherming (rode lijn).
Nagenoeg alle te kappen bomen (op één locatie na) vallen onder de uitzonderingen zoals genoemd in artikel 4.1 Wet natuurbescherming doordat de bomen op erven gesitueerd zijn (zie kader 4.2, pagina 26). De te kappen bomen staan namelijk op percelen met de huidige bestemming ‘wonen’ en ‘gemengd uit te werken’ waardoor mag worden aangenomen dat het erven betreft (ruimtelijkeplannen.nl). Een meldingsplicht en herplantingsplicht in het kader van de Wet natuurbescherming is daarom niet aan de orde. Bovenstaande geldt niet voor de houtwal op de leegstaande erfkamer (tegenover Westermaatweg 8) die doorbroken wordt en waarbij circa 83m2 gekapt gaat worden (zie bijlage 3 en figuur 4.2). Dit erf heeft namelijk niet de bestemming ‘wonen’ of ‘gemengd uit te werken’. Voor deze bomen geldt daarom wel een meldingsplicht en een herplantingsplicht.
Natuurtoets Noordflank Almelo
25
Figuur 4.2 Impressie van de houtwal op de leegstaande erfkamer tegenover Westermaatweg 8 en waarvoor compensatie vanuit de Wnb verplicht is. De houtwal wordt doorbroken om verbinding te maken met het achterliggende agrarische land.
Voor alle te kappen bomen zijn de kapregels van de Gemeente Almelo van toepassing. Hiervoor is het bomenstructuurplan, de bomenverordening en de lijst van monumentale bomen van de gemeente Almelo geraadpleegd (gemeente Almelo, 2008, 2009 & 2016). De bomen maken geen onderdeel uit van de bomenstructuur of de gemeentelijke lijst van monumentale en bijzondere bomen. Conform het bomenbeleidsplan van de gemeente Almelo is het aanvragen van een omgevingsvergunning noodzakelijk omdat de te kappen bomen op 130 cm boven maaiveld een stamdiameter hebben van meer dan 30 centimeter (gemeente Almelo, 2008). Kader 4.2 Uitzonderingen Wet natuurbescherming onderdeel Houtopstanden (Artikel 4.1 Wnb) Voor onderstaande houtopstanden is een meldingsplicht (kapmelding) niet aan de orde: • houtopstanden op erven en in tuinen • onderhoud om de groei van het overblijvende groen te bevorderen (dunning) • periodiek kappen van hak- of griendhout • houtopstanden waarvoor vrijstelling is verleend • wegbeplantingen en eenrijige beplantingen die bestaan uit populieren of wilgen, op of langs landbouwgronden en waterwegen
Natuurtoets Noordflank Almelo
26
• vruchtbomen en windschermen om boomgaarden • naaldbomen van maximaal 20 jaar oud, bedoeld als kerstbomen • kweekgoed • beplantingen die bestaan uit populieren, wilgen, essen of elzen voor de productie van houtige biomassa als zij. – tenminste eens per 10 jaar worden geoogst. – een aaneengesloten beplantingseenheid zijn die bestaat uit minstens tienduizend stoven per hectare en die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken, breder dan 2 meter.
– na 1 januari 2013 zijn aangelegd.
4.2 Inrichtingsplan Door de voorgenomen werkzaamheden wordt ruim 10.000 m2 aan beplanting verwijderd (zie bijlage 3). Houtwallen op de erven waar de twee agrarische bedrijven komen blijven behouden, afgezien van een doorgang die wordt gemaakt met het achterliggende agrarische land. Gemeente Almelo is voornemens om hetzelfde oppervlakte aan beplanting (1,1 hectare) terug te planten in de vorm van bos. Hieronder valt ook de verplichte herbeplanting vanuit de Wet natuurbescherming. Hiervoor is een gebied in de oostelijke hoek (tussen de derde Wetering en het Lateraal kanaal) aangewezen (zie bijlage 3).
4.3 Vervolgstappen Vergunningsplicht Een omgevingsvergunning dient voor de kap te worden aangevraagd bij de gemeente Almelo. De omgevingsvergunning kan online via het ‘omgevingsloket’ worden aangevraagd. Meldingsplicht Een meldingsplicht van de kap moet voor het maken van de doorgang in de houtwal op de leegstaande erfkamer (tegenover Westermaatweg 8), minimaal één maand voorafgaand aan de kapwerkzaamheden ingediend worden bij de Provincie Overijssel. Dit kan door op de website van de Provincie Overijssel het formulier ‘meldings- en aanvraag Wet natuurbescherming’ digitaal in te vullen. Herbeplantingsplicht Voor de gevelde bomen op de leegstaande erfkamer (tegenover Westermaatweg 8) moet gecompenseerd worden, wat gebeurt middels herbeplanting. De herbeplanting dient binnen 3 jaar na de kap van de bomen uitgevoerd te worden op dezelfde plek als de gevelde bomen. De nieuwe beplanting dient kwalitatief en kwantitatief in verhouding te staan tot de gevelde houtopstand. Indien niet op dezelfde plaats herbeplant kan worden, kan ontheffing aangevraagd worden bij de provincie ten behoeve van herbeplanting op andere grond. We adviseren om vervolgstappen ten aanzien van houtopstanden met bevoegd gezag (Provincie Overijssel) af te stemmen.
Natuurtoets Noordflank Almelo
27
Natuurtoets Noordflank Almelo
28
5. Geraadpleegde bronnen Literatuur Bouwens, S. (2017). Handreiking Kleine Marters in relatie tot soortbescherming. Provincie Noord-Brabant, 11 oktober 2017. Gemeente Almelo (1977). Bebouwde kom Boswet 1975, afdeling groen en recreatie. 3-2-1977. Gemeente Almelo (2008). Bomenbeleidsplan gemeente Almelo., afdeling Stadsbeheer. Definitieve versie, april 2008. Gemeente Almelo (2009). Bomenstructuurplan, kaart Noord-West. November 2009. Gemeente Almelo (2016). CVDR; Bomenverordening 2011. Gemeenteblad van Almelo. Nr. CVDR124878_1, 3 juni 2016. Ruimtelijkeplannen.nl. Website om bestemmingplannen te raadplegen. Olthof, R. & de Gelder, A. (2019). Natuurtoets wijziging bestemmingsplan Noordflank, Almelo. Inventarisatie en beoordeling in het kader van natuurwetgeving en -beleid. Rapport 18-518. Ecogroen bv Zwolle. Veldhoen, E. & M. van der Sluis (2011). Activiteitenplan Woningbouw Waterrijk, Almelo. Conceptrapport 10-347. EcoGroen Advies BV, Zwolle. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging (2021). Vleermuisprotocol 2021. www.netwerkgroenebureaus.nl en www.zoogdiervereniging.nl.
Internet BIJ12 (2017). Kennisdocumenten (https://www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/kennisdocumenten-soorten-ontheffingen-wet-natuurbescherming/). NDFF (2022). Nationale databank flora en fauna. Uitvoerportaal (https://www.ndff-ecogrid.nl/uitvoerportaal/). Laatste raadpleging op 1 februari 2022. Overheid (2021). Wet natuurbescherming. Laatste raadpleging op 1 december 2021, van https://wetten.overheid.nl/BWBR0037552/. Overheid (2020). Besluit algemene regels ruimtelijke ordening. Laatste raadpleging op 1 december 2021, van https://wetten.overheid.nl/BWBR0030378/. RAVON.nl (website met soortinformatie over reptielen, amfibieën en vissen). Ruimtelijkeplannen.nl (Overzicht van actuele bestemmingsplannen). Zoogdierenvereniging.nl (Website met soortinformatie over de Nederlandse zoogdieren).
Natuurtoets Noordflank Almelo
29
Bijlagen
Bijlage 1 – Resultaten actualiseren ecologisch onderzoek
Project
Actualiserend ecologisch onderzoek Noordflank Onderwerp
Resultaten actualiserend onderzoek Noordflank Legenda plangebied Vastgestelde natuurwaarden laatvlieger - zomerverblijfplaats gewone dwergvleermuis - zomerverblijfplaats gewone dwergvleermuis - paarverblijfplaats foeragerende egel huismusnest kerkuil roestplaats spreeuwnest buizerdnest verstoringszone 75 meter buizerd Vliegroute vleermuizen
Datum 10-01-2022
Schaal
Opdrachtgever Gemeente Almelo
Versie Defini ef
Kaartondergrond BGT/PDOK
Getekend door R. Olthof
Kaartnummer */*
Formaat A3, liggend
Projectnummer 21253
Zuiderzeelaan 53 8017 JV ZWOLLE T 038-4236464 I www.ecogroen.nl
Bijlage 2 – Leefgebied kleine marterachtigen en egel
Project
Actualiserend ecologisch onderzoek Noordflank Onderwerp
Geschikt leefgebied egel en kleine marterach gen Legenda plangebied geschikt leefgebied egel en kleine marterach gen
foeragerende egel
Datum 10-01-2022
Schaal
Opdrachtgever Gemeente Almelo
Versie Defini ef
Kaartondergrond BGT/PDOK
Getekend door R. Olthof
Kaartnummer */*
Formaat A3, liggend
Projectnummer 21253
Zuiderzeelaan 53 8017 JV ZWOLLE T 038-4236464 I www.ecogroen.nl
Bijlage 3 – Houtopstanden
Project
Actualiserend ecologisch onderzoek Noordflank Onderwerp
Houtwallen Noordflank Legenda behouden (14.582 m²) verwijderen (10.154 m²) maximale ruimte voor boscompensa e (54.106 m²)
Datum 17-06-2021
Schaal
Opdrachtgever Gemeente Almelo
Versie Defini ef
Kaartondergrond BGT/PDOK
Getekend door M. Boerhof
Kaartnummer */*
Formaat A3, liggend
Projectnummer 21253
Zuiderzeelaan 53 8017 JV ZWOLLE T 038-4236464 I www.ecogroen.nl
Natuurtoets Quickscan natuurtoets Noordflank, Almelo
Inventarisatie en beoordeling in het kader van natuurwetgeving en -beleid
Gemeente Almelo
Definitief
Quickscan natuurtoets Noordflank, Almelo
Inventarisatie en beoordeling in het kader van natuurwetgeving en beleid
16-437
17 maart 2017
Definitief
S.E. (Sebastiaan) Kraaijeveld
Ing. M.G. (Mark) Hoksberg
Gemeente Almelo
© Ecogroen bv Alles uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt, mits onder vermelding van bron en status. Kraaijeveld, S.E. (2017). Quickscan natuurtoets Noordflank, Almelo. Inventarisatie en beoordeling in het kader van natuurwetgeving en -beleid. Rapport 16-437. Ecogroen bv Zwolle.
Inhoud Samenvatting
1
1.
Inleiding 1.1 Aanleiding en doelstelling 1.2 Huidige situatie en voorgenomen ontwikkelingen 1.3 Algemene opzet onderzoek
4 4 4 5
2.
Kader en methode 2.1 Wettelijk kader 2.2 Onderzoeksmethode
6 6 7
3.
Gebiedsbescherming 3.1 Natura 2000 3.2 Natuurnetwerk Nederland
9 9 9
4.
Soortbescherming 4.1 Flora 4.2 Zoogdieren 4.3 Broedvogels 4.4 Overige soortgroepen 4.5 Conclusie aanwezige beschermde soorten
10 10 10 14 16 16
5.
Geraadpleegde bronnen
18
Bijlagen Bijlage 1 Overzichtskaart waarnemingen veldonderzoek
Samenvatting Aanleiding en doelstelling In opdracht van Gemeente Almelo heeft Ecogroen een quickscan natuurtoets uitgevoerd ter voorbereiding van het nieuwe bestemmingsplan voor het gebied ‘Noordflank’ te Almelo. De Wet natuurbescherming en het beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland verplichten per 1 januari 2017 vooraf te toetsen of ruimtelijke ingrepen of activiteiten niet conflicteren met aanwezige beschermde plant- en diersoorten en habitats. In het voorliggende onderzoek vindt, ten behoeve van de onderbouwing van de ruimtelijke planvorming, een toetsing plaats aan de soortbescherming en gebiedsgerichte natuurbescherming.
Huidige situatie en voorgenomen ontwikkelingen Het plangebied bestaat uit een agrarisch gebied van circa 230 hectare. Er zijn zes erven met bebouwing aanwezig. Er is in het verleden woningbouw gepland, maar deze plannen worden niet tot uitvoer gebracht. Daarom is de gemeente Almelo voornemens om voor het gebied een nieuw bestemmingsplan op te stellen, waarin wederom agrarische bedrijven kunnen worden gevestigd. In het plangebied worden drie agrarische bouwblokken gerealiseerd. Deze delen worden compleet opnieuw ingericht. Dit houdt in dat mogelijk een deel van de huidige bebouwing (zes erven), bomen en struweel verwijderd wordt. Daarnaast wordt mogelijk het slotenstelsel deels vergraven.
Gebiedsbescherming Het bestemmingsplangebied is niet begrensd als Natura 2000-gebied, NNN of natuurgebied buiten de NNN. De fysieke uitvoering van het bestemmingsplan heeft zodoende naar verwachting geen schade aan Natura 2000- gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) tot gevolg. Ook worden geen bijzondere natuurwaarden buiten het NNN aangetast door de plannen. Voor de vestiging van drie agrarische bedrijven, bijbehorende stallen, veestapel en inrichtingswerkzaamheden geldt echter dat deze uitstoot van stikstof tot gevolg kunnen hebben. Deze emissie kan als depositie terechtkomen in kwetsbare beschermde natuurgebieden, zoals Natura 2000-habitattypen en/of leefgebieden van kwalificerende Natura 2000-diersoorten. De te verwachten depositie en de effecten op beschermde natuurgebieden worden door middel van een separaat onderzoek in beeld gebracht.
Soortbescherming • In het plangebied is geen beschermde flora aangetroffen en ook niet te verwachten; • In het plangebied zijn potentiele verblijfplaatsen en onmisbare vliegroutes van vleermuizen aangetroffen. In het plangebied is geen onmisbaar foerageergebied aangetroffen;
Quickscan natuurtoets Noordflank, Almelo
01
• In het plangebied zijn verblijfplaatsen aangetroffen van Eekhoorn; • In het plangebied zijn verblijfplaatsen van Steenmarter aangetroffen; • In het plangebied zijn potentiële nestplaatsen van Huismus aangetroffen; • In het plangebied is één nestplaats van Buizerd en twee nestplaatsen van Buizerd of Zwarte kraai aangetroffen; • In het plangebied is leefgebied van Kerkuil aangetroffen. Ook zijn nestplaatsen in het plangebied te verwachten. Daarnaast is leefgebied en zijn nestplaatsen te verwachten van overige uilensoorten als Ransuil en Steenuil; • Leefgebied van overige beschermde soorten als reptielen, amfibieën, vissen en ongewervelden is niet aangetroffen.
Advies • In onderstaande tabel zijn de aanwezige of te verwachten beschermde soorten voor het plangebied opgesomd. Daarnaast laat de tabel zijn voor welke soorten aanvullend onderzoek aan de orde is indien wezenlijk aantasting van aangegeven leefgebieden onvermijdelijk is; Soort Vleermuizen
Eekhoorn Steenmarter Huismus Buizerd Uilen
Beschrijving Potentieel geschikt verblijfplaatsen in bebouwing en boomholtes. Potentieel onmisbare vliegroutes in de vorm van bomenlanen en watergangen. Aangetroffen verblijfplaats in boom. Uitwerpselen aangetroffen op erf drie. Mogelijk worden overige erven ook gebruikt al verblijfplaats. Potentieel geschikte nestlocaties in daken van bebouwing. Eén nestplaats aangetroffen. Mogelijk twee andere nesten ook in gebruik door Buizerd. Op erven één en twee zijn exemplaren van Kerkuil aangetroffen. Deze broeden vermoedelijk in twee schuren. Mogelijk ook potentieel geschikte nestplaatsen voor overige uil soorten als Ransuil en Steenuil.
Aanvullend onderzoek Vereist
Niet vereist Vereist Vereist Vereist Vereist
• Bij de geplande ingrepen kunnen enkele exemplaren van vrijgestelde beschermde grondgebonden zoogdieren geschaad worden. In voorliggende situatie geldt dan automatisch vrijstelling van de verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming, waardoor het nemen van vervolgstappen voor deze zoogdieren niet aan de orde is; • Werkzaamheden die broedbiotopen van alle aanwezige vogels verstoren of beschadigen dienen te allen tijde te worden voorkomen. Dit is voor de meeste soorten mogelijk door gefaseerd te werken en de uitvoering in elk geval op te starten in de periode voor half maart en na eind juli of het plangebied te controleren op broedende vogels en nesten binnen de invloedsfeer van de plannen. Voor het broedseizoen wordt geen standaardperiode gehanteerd, maar is het van belang of een broedgeval wordt verstoord, ongeacht de datum. De Wet natuurbescherming kent een vergelijkbaar beschermingsregiem voor
Quickscan natuurtoets Noordflank, Almelo
02
broedvogels als de Flora- en faunawet. Het kan zijn dat de mogelijkheden om sommige vogels op hun broedplaats te verstoren wel worden verruimd.
Vervolgtraject voor vaststelling bestemmingsplan Gebiedsbescherming Omdat in grote delen van Nederland geen uitbreiding van stikstofemissies meer wordt toegestaan, kan niet worden uitgesloten dat de stikstofregelgeving de uitvoering van het nieuwe bestemmingsplan in de weg staat. De te verwachten depositie en de effecten op beschermde natuurgebieden worden door middel van een separaat onderzoek in beeld gebracht.
Soortbescherming Aanvullend soortengericht onderzoek is noodzakelijk om negatieve effecten ten aanzien van het bestemmingsplan in beeld te brengen. Afhankelijk van de resultaten uit het aanvullend onderzoek kan het bestemmingsplan mogelijk worden aangepast om negatieve effecten op voorhand te voorkomen. Te denken valt aan het inpassen van een bomenrij ter bescherming van een vleermuisvliegroute of nestgelegenheid voor uilen. Als uit de nadere onderzoeken blijkt dat voor één of meerdere diersoorten negatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten, dan zijn mitigerende maatregelen noodzakelijk. Pas bij afronding van alle nadere onderzoeken kan met zekerheid worden vastgesteld of er uitzicht bestaat op ontheffing. Daarom kan ook pas dan worden bepaald of het bestemmingsplan kan worden vastgesteld. Het benodigde aanvullend onderzoek voor de betreffende soortgroepen kunnen ten vroegste in augustus/september 2017 afgerond zijn.
Quickscan natuurtoets Noordflank, Almelo
03
1. Inleiding 1.1 Aanleiding en doelstelling Ten behoeve van het nieuwbouwproject ‘Waterrijk’ zijn door Ecogroen in 2009 en 2010 diverse onderzoeken (Veldhoen & van der Sluis, 2011) uitgevoerd in het kader van de destijds vigerende Flora- en faunawet en Nb-wet. Dit in verband met een bestemmingsplanwijziging van het gebied Noordflank in de gemeente Almelo. De destijds beoogde plannen zijn niet tot uitvoering gekomen. Men wil nu opnieuw agrarische bedrijven vestigen op de gronden en daarom is een nieuw bestemmingsplan nodig. Om het bestemmingsplan te kunnen vaststellen is een actualisatie van de bestaande natuuronderzoeken en toetsing van het nieuwe plan noodzakelijk. Op 1 januari 2017 is bovendien de Wet Natuurbescherming in werking getreden. De herinrichting gaat mogelijk gepaard met effecten op beschermde natuurwaarden. De wettelijke bescherming van natuurgebieden en soorten en het provinciaal beleid voor bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen EHS) verplichten vooraf te toetsen of activiteiten conflicteren met beschermde natuurwaarden. De quickscan natuurtoets is bedoeld om vooraf inzicht te verkrijgen in eventueel aanwezige natuurwaarden en mogelijke effecten van realisatie van de plannen op deze locatie. De exacte invulling van het betreffende bestemmingsplanwijziging ligt nog niet vast.
Daarom dient voorliggende natuurtoets als verkennend onderzoek om inzichtelijk te maken van welke natuurwaarden in het plangebied sprake is en wat mogelijke effecten kunnen zijn. Zodoende kunnen gepaste vervolgstappen worden genomen om negatieve effecten op eventuele aanwezige beschermde natuurwaarden te voorkomen dan wel te mitigeren. Tijdens het onderzoek zijn te verwachten effecten van de plannen getoetst aan de wettelijke bescherming van soorten en natuurgebieden. Het uitgevoerde onderzoek en de resultaten ervan zijn in voorliggende rapportage beschreven.
1.2 Huidige situatie en voorgenomen ontwikkelingen Het plangebied bestaat uit een agrarisch gebied van circa 200 hectare. Er zijn zes erven aanwezig. Er is in het verleden woningbouw gepland, maar deze plannen worden niet tot uitvoer gebracht. Daarom is de gemeente Almelo voornemens om voor het gebied een nieuw bestemmingsplan op te stellen, waarin wederom agrarische bedrijven worden gevestigd. In het plangebied worden drie agrarische bouwblokken gerealiseerd. De exacte locaties zijn nog niet vastgesteld. Deze delen worden compleet opnieuw ingericht. Dit houdt in dat mogelijk een deel van de huidige bebouwing (zes erven), bomen en struweel verwijderd wordt. Daarnaast wordt mogelijk het slotenstelsel op kavelniveau deels vergraven. Het Lateraalkanaal wordt in de huidige staat gehandhaafd.
Quickscan natuurtoets Noordflank, Almelo
04
Figuur 1.1. Begrenzing plangebied, zie rode contouren. Bron achtergrond: PDOK.
1.3 Algemene opzet onderzoek De natuurtoets is gebaseerd op een veldonderzoek, bekende verspreidingsgegevens (zie hoofdstuk5 Geraadpleegde bronnen) en ecologische principes. In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van de toegepaste wet- en regelgeving en methodiek. Op basis van de verzamelde informatie volgt een korte beschrijving van te verwachten effecten op beschermde gebieden (hoofdstuk 3) en soorten (hoofdstuk 4). Daarnaast is beschreven welke mitigerende (verzachtende of inpassings-) maatregelen (waar mogelijk) kunnen worden genomen om overtreding van de wet te voorkomen.
Quickscan natuurtoets Noordflank, Almelo
05
2. Kader en methode 2.1 Wettelijk kader Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming (Staatsblad 2016) regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden, soorten en houtopstanden. In dit rapport gaan wij in op de gebieds- en soortbescherming. Conform de vraagspecificatie gaan we niet in op de bescherming van houtopstanden. Voor de volledige wettekst van de Wet natuurbescherming verwijzen wij naar: http://wetten.overheid.nl/BWBR0037552/2017-01-01. In onderstaand kader 2.1 geven we een samenvatting van de relevante wetteksten. Kader 2.1 Wet natuurbescherming Gebiedsbescherming (Natura 2000) Artikelen 2.1 tot en met 2.12 van de Wet natuurbescherming regelen de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vogel- en Habitatrichtlijngebieden). Voor Natura 2000-gebieden zijn instandhoudingsdoelen opgesteld voor habitats, soorten, broedvogels en/ of niet-broedvogels. In artikel 2.7 verplicht de Wet natuurbescherming om vooraf te beoordelen of ingrepen / activiteiten in of in de nabijheid van Natura 2000-gebieden significant negatieve effecten kunnen hebben op de voor deze gebieden aangewezen instandhoudingsdoelen. Mocht sprake zijn van (significant) negatieve effecten dan kan het aanvragen van vergunning bij bevoegd gezag (veelal de provincie waarbinnen de ingreep of activiteit plaatsvindt) aan de orde zijn.
Soortbescherming Artikelen 3.1 tot en met 3.11 van de Wet natuurbescherming regelen de bescherming van soorten. De bescherming is opgedeeld in vijf categorieën met soorten: Vogels met jaarrond beschermde nesten; Overige vogels; Soorten van de Habitatrichtlijn (bijlage IV) en de Verdragen van Bern (bijlage II) en Bonn (bijlage I); Overige soorten die op nationaal niveau beschermd zijn en waarvoor provinciaal geen vrijstelling geldt; Overige soorten die op nationaal niveau beschermd zijn, maar waarvoor provinciaal wel een vrijstelling geldt. Voor vogels geldt dat er twee categorieën zijn: de vogels met jaarrond beschermde nesten (o.a. Huismus, Gierzwaluw en Buizerd) en de overige broedvogels. Vogels met jaarrond beschermde nesten hebben een strikte beschermingsstatus binnen de Wet natuurbescherming. Van overige broedvogels zijn hun nesten alleen tijdens de broedseizoen beschermd zijn (periode van nestbouw, eileg, broeden en voeren van de jongen op het nest). Voor soorten van de Habitatrichtlijn en de Verdragen van Bern en Bonn zijn in artikel 3.5 verboden vastgelegd (o.a. verboden om dieren te doden en voortplantings- of rustplaatsen te vernielen) en geldt een strikte beschermingsstatus. Soorten die op nationaal niveau beschermd zijn, kunnen ingedeeld worden in twee categorieën.
Provincies mogen besluiten om bepaalde soorten vrij te stellen van bescherming in het kader van ruimtelijke ingrepen, beheer en onderhoud. In de meeste provincies geldt - onder andere voor ruimtelijke ontwikkelingen - een vrijstelling voor een selectie van zoogdieren en amfibieën. Voor de overige soorten gelden vergelijkbare verboden (zie artikel 3.10) als voor soorten van de Habitatrichtlijn en de Verdragen van Bern en Bonn en geldt eveneens een strikte beschermingsstatus. Voor het overtreden van verbodsartikelen bij ruimtelijke ingrepen is het noodzakelijk om ontheffing aan te vragen bij bevoegd gezag (veelal de provincie waarbinnen de ingreep plaatsvindt). Voor het verkrijgen van een ontheffing dient een uitgebreide rapportage opgesteld te worden waarin o.a. wordt aangegeven hoe gezorgd wordt dat schade tot een minimum beperkt blijft en of compenserende maatregelen aan de orde zijn.
Quickscan natuurtoets Noordflank, Almelo
06
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De bescherming van het Nationaal natuurnetwerk (NNN; de voormalige EHS) is vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en uitgewerkt in provinciale verordeningen en bestemmingsplannen. De bescherming van het NNN staat geheel los van de Wet natuurbescherming. In het Barro staat dat bij provinciale verordening gebieden moeten worden aangewezen die het Natuurnetwerk Nederland vormen. De ligging van die gebieden wordt geometrisch vastgelegd. Bij provinciale verordening worden in het belang van de bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden, regels gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. Voor nieuwe ontwikkelingen binnen het NNN, waarbij wordt afgeweken van het bestemmingsplan, geldt een ‘nee, tenzij’-afweging. Dit houdt kortweg in dat significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN niet toegestaan is. Regels voor beoordeling van effecten op het NNN zijn vastgelegd in provinciale verordeningen.
2.2 Onderzoeksmethode De voorgenomen plannen zijn mogelijk in strijd met de Wet natuurbescherming. Daarom is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezige of te verwachten beschermde waarden binnen de invloedssfeer van de voorgenomen activiteiten. De ecologische beoordeling is gebaseerd op twee veldbezoeken door twee personen op 5 en 25 januari 2017, waarbij het plangebied en de directe omgeving zijn onderzocht. Hierbij is aandacht besteed aan beschermde soorten binnen de Wet natuurbescherming. Tijdens het veldonderzoek zijn vijf van de zes erven onderzocht op aanwezige beschermde flora en fauna waarbij specifiek aandacht is besteed aan de aanwezigheid van potentiele nestplaatsen van jaarrond beschermde broedvogels (bijvoorbeeld Huismus en Kerkuil) en op potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen. De overige erf (erf 6) is niet onderzocht aangezien geen toegang mogelijk was tot het terrein. De erven zijn gemarkeerd en genummerd op de kaart in bijlage 1. Daarnaast zijn de bomen in het plangebied (behalve bomen op erven die niet bezocht zijn) gecontroleerd op de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten van vogels en op de aanwezigheid van boomholtes en hun geschiktheid al potentiele vaste verblijfplaats voor vleermuizen. Ook zijn de aanwezige bomenlanen en wateren beoordeeld op hun geschiktheid als vliegroutes voor vleermuizen.
De watergangen in het plangebied zijn beoordeeld op potentieel leefgebied van kleine zoogdieren, amfibieën en vissen. Daarnaast is het hele plangebied onderzocht op potentieel geschikt leefgebied voor overige soorten als beschermde ongewervelden en reptielen.
Quickscan natuurtoets Noordflank, Almelo
07
Naast de informatie uit het veldbezoek is gebruik gemaakt van bestaande literatuur en digitale bronnen. 1 Het gaat hierbij om actuele verspreidingsgegevens (NDFF, geraadpleegd op 10 januari 2016) en provinciale verspreidingsatlassen. In onderstaande paragrafen worden de resultaten per soortgroep beschreven die in het plangebied en de directe omgeving zijn aangetroffen of te verwachten.
1
Op de gegevens van de NDFF rusten auteursrechten.
Quickscan natuurtoets Noordflank, Almelo
08
3. Gebiedsbescherming 3.1 Natura 2000 Beschermde waarden en te beoordelen effecten Algemeen Het plangebied ligt niet in Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Engbertsdijksvenen, gelegen op een afstand van circa 5,5 kilometer ten westen van het plangebied. Gezien de tussenliggende afstand zijn geen directe negatieve effecten te verwachten op dit Natura 2000-gebied of verderop gelegen gebieden. Stikstofdepositie Sinds 1 juli 2015 is het Programma Aanpak Stikstof (PAS) in werking, waarmee de potentiële toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden in beeld kan worden gebracht. Emissies en bijbehorende deposities dienen daarom bepaald te worden door middel van een AERIUS-modelberekening.
3.2 Natuurnetwerk Nederland Het plangebied bevindt zich op een afstand van circa 3,2 kilometer van het dichtstbijzijnde NNN-gebied. Omdat het NNN in Overijssel geen externe werking kent, is een verdere toetsing niet aan de orde.
Quickscan natuurtoets Noordflank, Almelo
09
4. Soortbescherming 4.1 Flora In het plangebied zijn algemene plantensoorten van erven en agrarisch gebied aangetroffen. Waargenomen soorten zijn onder andere Beuk, Zomereik, Ruwe berk, Gewone paardenbloem, Heermoes, Straatgras, Kleine veldkers en Brede weegbree. Er zijn geen beschermde plantensoorten of plantensoorten van de Rode Lijst aangetroffen. Gezien de aangetroffen soortensamenstelling en de terreingesteldheid worden deze soorten ook niet verwacht. Ook tijdens voorafgaande door Ecogroen uitgevoerde onderzoeken (Veldhoen & van der Sluis, 2011) zijn geen soorten aangetroffen welke momenteel beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming. Het nemen van vervolgstappen ten aanzien van de soortgroep flora is in het kader van de Wet natuurbescherming niet aan de orde.
4.2 Zoogdieren Vleermuizen Het leefgebied van de in artikel 3.5 (Habitatrichtlijn bijlage IV) beschermde vleermuizen bestaat uit verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebieden (zie ook kader 4.1). Hieronder worden deze onderdelen nader beschreven. Kader 4.1 Vleermuizen Verblijfplaatsen Verblijfplaatsen kunnen zich bevinden in donkere en voor vleermuizen bereikbare ruimten in bomen, huizen, kelders et cetera en kunnen aanwezig zijn in de vorm van kraamverblijven / zomerverblijven, baltslocaties / paarverblijven en winterverblijven. Verstoring, beschadiging, vernietiging of het verwijderen van deze verblijfplaatsen is verboden. Vliegroutes Voor oriëntatie tijdens de trek van en naar hun verblijfplaatsen en foerageergebieden gebruiken vleermuizen veelal jarenlang dezelfde structuren. Vanwege dit traditiegetrouwe gedrag van vleermuizen vormen bepaalde lijnvormige structuren (bijvoorbeeld rijen woningen, watergangen en bomenrijen) een belangrijk onderdeel van een vliegroute. Wanneer alternatieve structuren ontbreken zijn dergelijke structuren ‘onmisbaar’ en zodoende beschermd. Foerageergebied Locaties waar insecten aanwezig zijn, bijvoorbeeld langs randen van bossen, bomenrijen of boven water zijn van belang als foerageergebied voor vleermuizen.
Foerageergebied van vleermuizen geniet binnen de Wet natuurbescherming echter geen juridische bescherming, tenzij het onmisbaar is voor het voortbestaan van een populatie.
Vaste verblijfplaatsen In het plangebied zijn potentieel geschikte verblijfplaatsen aangetroffen. Het gaat hierbij om verblijfplaatsen in woningen tussen spouwmuren, tussen gevelbetimmering en de buitenmuren en tussen dakpannen en dakbeschot en in schuurzolders. Deze typen verblijfplaatsen kunnen in gebruik zijn door vleermuissoorten als Gewone dwergvleermuis en Laatvlieger. Op alle onderzochte erven, met erf vijf als uitzonde-
Quickscan natuurtoets Noordflank, Almelo
10
ring, zijn dergelijke potentiele verblijfplaatsen in woningen aangetroffen. Tevens zijn potentieel geschikte verblijfplaatsen voor soorten als Gewone grootoorvleermuizen in schuren aangetroffen. Ook is in het plangebied een elektriciteitsgebouw aangetroffen welke mogelijk gebruikt wordt als vleermuisverblijfplaats. Zie bijlage 1 voor locatie van potentieel geschikte verblijfplaatsen voor vleermuizen in bebouwing. Tijdens eerdere door Ecogroen uitgevoerde onderzoeken zijn geen (vaste) verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen in het plangebied aangetroffen. Wel zijn in de directe omgeving, ten zuidwesten van het plangebied (Aadorp) verblijfplaatsen aangetroffen van Gewone dwergmuis in woonhuizen (Veldhoen & van der Sluis, 2011). In het plangebied zijn bovendien meerdere diepe boomholtes aangetroffen. Deze boomholtes worden mogelijk gebruikt als vleermuisverblijfplaats door soorten als Ruige dwergvleermuis en Rosse vleermuis (zie voor exacte locatie bijlage 1). Tijdens eerdere door Ecogroen uitgevoerde onderzoeken zijn geen (vaste) verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen in het plangebied aangetroffen. Wel zijn in de directe omgeving, ten zuiden van het plangebied verblijfplaatsen aangetroffen van Water vleermuis en Rosse vleermuis in bomen (Meulenbelt) (Veldhoen & van der Sluis, 2011.
In het geval dat het bestemmingsplan leidt tot sloop van de woningen en schuren, het verwijderen van bepaalde bomen en het verwijderen van een elektriciteitsgebouw, gaan mogelijk potentiële vaste verblijfplaatsen voor vleermuizen verloren. Ook bij modernisatie/renovatie van bestaande woningen zullen verblijfplaatsen veelal verloren gaan. Om te kunnen bepalen welke functie het gebied heeft voor vleermuizen en het effect van de uitvoering van het nieuwe bestemmingsplan is het uitvoeren van aanvullend onderzoek conform het vleermuisprotocol noodzakelijk (zie 3.2). Voor het verstoren of verwijderen van vleermuisverblijfplaatsen is het aanvragen van ontheffing bij het bevoegd gezag noodzakelijk.