10.1 Vaststelling bestemmingsplan Noordflank - Bijlage 1 - Bestemmingsplan Noordflank.pdf
Tekst van het document
Hitte en droogte Ten aanzien van hitte en droogte heeft de gemeente de ambitie uitgesproken dat de hitte impact in 2050 niet erger is dan in 2020 en droogte niet mag leiden tot onomkeerbare schade aan openbaar groen en natuur. <0000> Om die reden wordt bij nieuwbouwontwikkeling en herinrichting gestreefd naar een zodanige inrichting van het gebied dat er voldoende koelteplekken en schaduw is. Bij het beheer en onderhoud van wegen wordt onderzocht op welke manier de opwarming van verharding kan worden teruggedrongen. Inwoners, bedrijven en instellingen zijn zelf verantwoordelijk maatregelen te treffen om schade en gezondheidsimpact van hitte in gebouwen en op privaat terrein te beperken, door het toevoegen van groen, warmte werend of verkoelend dak, schaduw en koele plekken. <0000> Ter voorkoming van droogte wordt bij nieuwbouw het gebied neerslag bergend en afvoer vertragend ingericht. Zodanig dat bij droogte bomen, groen, (dak)tuinen of andere voorzieningen van water uit het plangebied worden voorzien. Oppervlaktewater wordt zo ingericht dat droogval zoveel als mogelijk voorkomen kan worden en circulatie mogelijk is. Bij de herinrichting van de openbare ruimte in de bestaande stad treft de gemeente maatregelen om de gevolgen van droogte structureel te beperken.
Op privaat terrein zijn eigenaren zelf verantwoordelijk voor het droogtebestendig maken van hun groen of voor het beperken van de gevolgen. Programma Water en Riolering –De verbindende kracht van water (2022-2026) Met de invoering van de Omgevingswet vervalt de verplichting van het opstellen van een (verbreed) Gemeentelijk RioleringsPlan(vGRP). In plaats daarvan kunnen gemeenten een (vrijwillig) Programma opstellen. Met dit Programma Water en Riolering sorteren we voor op komst van de Omgevingswet. In het Programma Water en Riolering – De verbindende kracht van water (2022-2026) worden de ambities en doelstellingen zoals verwoord in de Almelose Omgevingsvisie en de Klimaatadaptatiestrategie(AKAS) uitgewerkt tot maatregelen. Met het programma wordt de basis gelegd voor een meer integrale aanpak en maken we gerichter keuzes om nog doelmatiger en efficiënter te kunnen werken. Hiermee houden we ons watersysteem, ondanks extra kosten en de uitdagingen die klimaatverandering met zich meebrengt, haalbaar en betaalbaar. Met ons watersysteem streven we daarom naar het integreren van de vier waterstromen: <0000> stedelijk afvalwater <0000> hemelwater (regenwater) <0000> grondwater <0000> oppervlaktewater Deze watertaken corresponderen met de drie zorgplichten van de gemeente. Oppervlaktewater zien we als integraal onderdeel van het stedelijk water.
De gemeentelijke zorgplichten voor afvalwater, hemelwater en grondwater zijn momenteel opgenomen in de Wet Milieubeheer en de Waterwet. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is dit opgenomen in artikel 2.16 Ow (lid1a). vastgesteld Bestemmingsplan Noordflank
28
NL.IMRO.0141.00044-BP31
De maatregelen voor de komende planperiode zijn bepaald door de huidige situatie te toetsen aan de normen die volgen uit de doelstellingen. Maatregelen betreffen onderzoeks-, borgings-en fysieke maatregelen en zijn gericht op het meer datagedreven, gebiedsgericht en samen met de stad inrichten, onderhouden en vervangen van het watersysteem. Datagedreven, gebiedsgericht en samen met de stad vormen dan ook de drie pijlers van onze werkwijze. Voorliggend plan voor de Noordflank is niet strijdig met het gemeentelijk waterbeleid.
6.2 Waterparagraaf 6.2.1 Algemeen Het voorliggende bestemmingsplan betreft een plan waarbij het bestemmingsplan Waterrijk Fase 1 (NL.IMRO.0141.BP00030-0601) worden aangepast. De nieuwe bestemmingen komen grotendeels overeen met het huidig gebruik, waarmee dit plan een conserverend karakter heeft. Dit plan heeft geen invloed op de waterhuishouding van het gebied. Met betrekking tot de wateraspecten binnen het plangebied wordt hieronder een en ander nader toegelicht. Zoals in voorgaande sub paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico’s op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).
Bij de besluitvorming dient gemotiveerd te worden op welke manier rekening is gehouden met dit wateradvies. De initiatiefnemer verantwoordt de ruimtelijke keuzen ten aanzien van water in de waterparagraaf, als onderdeel van het ruimtelijk plan. 6.2.2 Huidige situatie Oppervlaktewater: In het plangebied en langs de rand ervan liggen enkele watergangen die in beheer zijn van het waterschap Vechtstromen. In onderstaande afbeelding zijn deze leggerwaterlopen weergegeven. Alle waterlopen staan in verbinding met de Veeneleiding (waterloopnummer 08) en voeren via deze waterloop af. In het plangebied liggen diverse kleinere waterlopen die in beheer zijn bij de gemeente Almelo of bij particuliere grondeigenaren. Deze waterlopen staan meestal haaks op de leggerwaterlopen.
vastgesteld Bestemmingsplan Noordflank
29
NL.IMRO.0141.00044-BP31
Grondwater: Het grondwater in het plangebied staat in verbinding met het aanwezige oppervlaktewater. Het waterschap beheert het oppervlaktewaterpeil en reguleert hiermee ook het grondwaterpeil. De oppervlakte- en grondwaterpeilen zijn afgestemd op het huidige agrarisch gebruik van de gronden. Omdat de functie van de gronden niet wijzigt blijft het peilbeheer gericht op agrarisch gebruik. Afvalwater: In het plangebied is verspreide bebouwing aanwezig. Het afvalwater dat uit deze bebouwing vrijkomt wordt ingezameld en afgevoerd door middel van een gemeentelijk drukrioolstelsel. Eventueel nieuw te realiseren bebouwing zal ook op dit stelsel worden aangesloten. Hemelwater: De verhouding tussen verhard oppervlak (daken, terreinverhardingen en wegen) en onverhard oppervlak (landbouwgrond, natuur, bermen) is in het plangebied zodanig dat het van de verharde oppervlakken afstromende hemelwater zonder problemen binnen het gebied kan worden verwerkt. Wanneer het aanbod van hemelwater de infiltratiecapaciteit van de bodem overschrijdt zal het water oppervlakkig afstromen naar oppervlaktewater. De snelheid waarmee het water in dat geval afstroomt zal niet afwijken van de afvoer van ‘landelijk gebied’. Het is daarom ook niet nodig bergings- of retentievoorzieningen te realiseren.
6.2.3 Toekomstige situatie Streefbeeld: Burgers zijn zich bewust van hun verantwoordelijkheden en van de gevolgen van eigen handelen op het watersysteem. Ze nemen hun eigen verantwoordelijkheid voor het (tijdelijk) bergen van regenwater dat op hun perceel valt. Water, cultuurhistorie en groen leveren een duidelijke bijdrage aan de kwaliteit van de leefomgeving en bepalen mede de culturele identiteit. Bewoners hebben toegang tot voldoende en aantrekkelijk oppervlaktewater waarop veilig gerecreëerd kan worden. Het zelfreinigend vermogen van zowel het watersysteem als het bodem- en grondwatersysteem is groot. Het gezuiverde effluent van rioolwaterzuiveringen wordt veelal benut als een continue waterbron met waardevolle gebruiksfuncties in plaats van het zonder bestemming te lozen. vastgesteld Bestemmingsplan Noordflank
30
NL.IMRO.0141.00044-BP31
Afvalwater: De gemeentelijke taak voor afvalwater is het zorgdragen voor de inzameling en het transport van afvalwater. De in het vGRP gekozen ambitie van huidige koers sluit aan bij het vervullen van de wettelijke taken zoals omschreven in Artikel 10.33 Wet Milieubeheer. De accenten richting ambitieus zitten in: <0000> De gemeente zet in de planperiode in op de transitie naar effect gestuurd beheer, met als doel het maken van transparante keuzes en het efficiënt inzetten van de beschikbare middelen (het doen, of juist laten, van investering versus de effecten daarvan). Voor dit onderwerp zijn door de raad de volgende belangrijke thema's (kernwaarden) aangedragen: <0000> Volksgezondheid <0000> Veiligheid <0000> Duurzaamheid / Milieu <0000> Leefbaarheid / kwaliteit fysieke leefomgeving <0000> De gemeente wil een duidelijk aanspreekpunt zijn voor inwoners en bedrijven voor afvalwater-systeem gerelateerde klachten en vragen. Door samenwerking, ook met buurgemeenten en partners (bv Twents waternet en het waterschap) kan er mogelijk nog efficiënter en effectiever gewerkt worden. <0000> Indien innovatieve systemen kunnen bijdragen aan (toekomstige) kostenbesparingen worden deze verkend en eventueel toegepast.
Voor het plangebied zijn voor afvalwater de volgende kansen, knelpunten en opgaven relevant: a. Uitgangspunt voor de inzameling van afvalwater is het reeds aanwezige drukrioolstelsel. b. De gemeente streeft ernaar om bij nieuwe ontwikkelingen de mogelijkheden voor alternatieve sanitatieconcepten minimaal te onderzoeken en de aanleg in overweging te nemen. Een voorbeeld is bijvoorbeeld gescheiden inzamelen van urine. c. Alternatieven voor de afvoer van het afvalwater via drukriolering worden in overweging genomen. Daarbij is het uitgangspunt dat een alternatief minimaal dezelfde garanties biedt voor veiligheid en hygiëne en minstens zo kosteneffectief is als een drukrioolstelsel. Hemelwater: De gemeentelijke taak voor afvloeiend hemelwater is het doelmatig inzamelen en verwerken van hemelwater. De in het vGRP gekozen ambitie van huidige koers sluit aan bij het vervullen van de wettelijke taken zoals omschreven in Artikel 3.5 Waterwet. De accenten richting ambitieus zitten in: <0000> Proactief inzetten op afkoppelen, bv bij vervangings- en onderhoudsprojecten. Daarnaast wordt bv de regeling groene daken doorgezet (met wat praktische aanpassingen op gebied van de behandeltermijn) en worden burgers gestimuleerd om hemelwater te scheiden en vast te houden in tuinen (participatie met burgers).
<0000> De definitie voor wateroverlast wordt herzien in hinder, ernstige hinder en overlast. <0000> Bij in- en uitbreidingen wordt binnen het plangebied ruimte gecreëerd voor waterberging, 40 mm bij uitbreidingen en 20 mm bij inbreidingen. Optioneel bestaat bij inbreidingen de mogelijkheid om de waterberging bij de gemeente af te kopen. <0000> Indien mogelijk wordt aangesloten bij thema's zoals ZON (Zoetwatervoorziening Oost Nederland), KAS (Klimaat Actieve Stad), Duurzaamheidsplan en dergelijke. <0000> Niet alleen de riolering maar de openbare ruimte als geheel wordt klimaatbewust ontworpen, met aandacht voor waterberging in het plangebied in het straatprofiel, in het groen of op daken. Voor het plangebied zijn voor hemelwater de volgende punten relevant: a. De gemeente zorgt voor het inzamelen en verwerken van afvloeiend hemelwater voor zover dit duurzaam en doelmatig is en redelijkerwijs niet van particulieren kan worden verwacht. Gezien de verhouding tussen verharde- en onverharde oppervlakken in het plangebied, is het redelijk dat de particulieren zelf zorg dragen voor de inzameling en verwerking van het binnen het eigen perceel gevallen hemelwater. b. Van openbare verhardingen afvloeiend hemelwater wordt via bermen en oppervlaktewater afgevoerd.
Grondwater: De gemeentelijke taak voor grondwater is een inspanningsverplichting om structureel nadelige gevolgen van grondwaterstanden in openbaar gebied zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. vastgesteld Bestemmingsplan Noordflank
31
NL.IMRO.0141.00044-BP31
De in het vGRP gekozen ambitie van huidige koers sluit aan bij het vervullen van de wettelijke taken zoals omschreven in Artikel 3.6 Waterwet. De huidig ingezette koers wordt gevolgd waarbij voor het uitvoeren van grondwatermaatregelen kritisch wordt afgewogen of normgerichte maatregelen daadwerkelijk uitgevoerd moeten worden. Relevante doelstellingen zijn: <0000> De gemeente Almelo streeft een grondwaterstand na, welke geen structurele overlast veroorzaakt bij bewoners en bedrijven. <0000> Nieuwe ontwikkelingen, zowel openbaar als particulier, moeten zodanig worden ontwerpen en ingericht dat de toekomstige bewoners/gebruikers geen hinder ondervinden van (te) hoge grondwaterstanden. Het oplossen van grondwaterproblemen achteraf kost een veelvoud van maatregelen tijdens de bouwfase. De grondwateroverlast wordt bestreden (en bij nieuwbouw voorkomen) volgens de voorkeursstrategie: <0000> Ophogen, <0000> Aanleggen extra oppervlaktewater, <0000> Aanleggen grondwatertechnische maatregelen. <0000> Pas als ophogen of extra oppervlaktewater in een deelgebied niet realistisch is, komen grondwatertechnische maatregelen zoals drainages, in beeld. Bij nieuwbouw worden in principe geen grondwatertechnische maatregelen aangelegd <0000> Voor de ontwatering gelden de volgende criteria: <0000> Wegen minimaal 0,70 m boven de GHG. <0000> Openbaar groen minimaal 0,50 m boven de GHG.
<0000> Vloerpeilen minimaal 0,90 m boven de GHG. De grondwaterpeilen staan in goed hydraulisch contact met het oppervlaktewaterpeil in het plangebied. Waterschap Vechtstromen beheert het oppervlaktewaterpeil. Dit gebeurt op basis van het agrarische gebruik van de gronden. Omdat de bestemming en de functie van de gronden niet wijzigt blijft het peilbeheer gericht op agrarisch gebruik van de gronden. Oppervlaktewater: Er is geen wettelijk taak voor de gemeente betreffende het oppervlaktewater. Enkele watergangen in het plangebied zijn in beheer van de gemeente, het kwantiteits- en kwaliteitsbeheer ligt echter bij waterschap Vechtstromen. Voor het plangebied zijn voor oppervlaktewater de volgende kansen, knelpunten en opgaven relevant: <0000> Voor een goede ontwatering is het van belang dat de huidige structuur van watergangen behouden wordt. <0000> Het waterschap Vechtstromen geeft in zijn legger mogelijkheden en beperkingen aan voor ontwikkelingen en medegebruik van de leggerwaterlopen en de direct aangrenzende oevers en gronden. Er kan sprake zijn van medegebruik door landbouw en recreatie. Water op maaiveld in extreme omstandigheden Onder extreme omstandigheden kan de capaciteit van het oppervlaktewatersysteem tekort schieten. Het is dan mogelijk dat (delen van) de gronden naast de waterlopen inunderen.
De laaggelegen gronden dienen op deze wijze als retentie bij extreme afvoeren. Als (bouw)activiteiten leiden tot vermindering van de aanwezige berging dan moet deze verminderde berging (m3) gecompenseerd worden. Deze ruimtelijke toetsing zal als onderdeel van de Watertoets plaatsvinden.
vastgesteld Bestemmingsplan Noordflank
32
NL.IMRO.0141.00044-BP31
Hoofdstuk 7 Juridisch bestuurlijke aspecten In dit hoofdstuk wordt aangegeven hoe het beleid en de planuitgangspunten zijn verwoord in de planregels. Zo wordt een toelichting gegeven op het juridische systeem en op alle afzonderlijke bestemmingen.
7.1 Inleiding Het bestemmingsplan "Noordflank" bestaat uit een verbeelding, regels en deze toelichting. De verbeelding en regels vormen tezamen het juridische deel van het bestemmingsplan. Deze vormen het juridisch instrumentarium voor het regelen van het bouwen en het gebruik van gronden en bebouwing. In de regels worden de mogelijkheden in artikelen vastgelegd. Op de verbeelding worden de bestemmingen per locatie aangeduid. Het bestemmingsplan is opgesteld in aansluiting op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012. In dit hoofdstuk zal de juridische systematiek van het bestemmingsplan worden toegelicht. Ook wordt een beschrijving per bestemming en een toelichting op de algemene bepalingen en de overgangs- en slotbepalingen gegeven.
7.2 Juridische systematiek In dit plan wordt uitgegaan van positieve bestemmingen, waarbij de ontwikkeling van nieuwbouw of verbouw mogelijk is nadat burgemeester en wethouders een omgevingsvergunning hebben verleend. De omgevingsvergunning kan alleen worden verleend wanneer het bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Ook moet het gebruik van het gebouw of de gronden mogelijk zijn volgens de planregels en de verbeelding. Planregels De planregels zijn ondergebracht in een viertal hoofdstukken: <0000> Inleidende regels: bevat een aantal bepalingen die van belang zijn voor een juiste interpretatie en toepassing van de planregels in de overige hoofdstukken; <0000> Bestemmingsregels: bevat de regels omtrent de diverse bestemmingen waarin bouw- en gebruiks(on)mogelijkheden zijn opgenomen; <0000> Algemene regels: bevat algemeen geldende regels met betrekking tot gebruik en afwijkingen; <0000> Overgangs- en slotregels: bevat overgangsregels en de titel van het plan. De hoofdstukindeling van de regels ziet er als volgt uit: Hoofdstuk 1: "Inleidende regels", bevat de volgende artikelen: <0000> Begrippen; <0000> Wijze van meten.
Hoofdstuk 2: "Bestemmingsregels", bevat de bestemmingen, die per artikel (indien van toepassing) het volgende stramien hebben: <0000> Bestemmingsomschrijving; <0000> Bouwregels; <0000> Nadere eisen; <0000> Afwijken van de bouwregels; <0000> Specifieke gebruiksregels; <0000> Afwijken van de gebruiksregels; <0000> Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; <0000> Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; <0000> Wijzigingsbevoegdheid. Hoofdstuk 3: "Algemene regels", bevat de volgende artikelen: <0000> Antidubbeltelregel;
vastgesteld Bestemmingsplan Noordflank
33
NL.IMRO.0141.00044-BP31
<0000> <0000> <0000> <0000>
Algemene gebruiksregels; Algemene aanduidingsregels; Algemene afwijkingsregels; Algemene procedureregels.
Hoofdstuk 4: "Overgangs- en slotregels", bevat de volgende artikelen: <0000> Overgangsrecht; <0000> Slotregel. De bestemmingsomschrijving is de centrale bepaling van elke bestemming. In deze bestemmingsomschrijving worden limitatief de functies genoemd, die binnen de bestemming zijn toegestaan. De bouwregels zijn direct gerelateerd aan de bestemmingsomschrijving. Ook het gebruik van de grond en bebouwing is gekoppeld aan de bestemmingsomschrijving. De afwijkingsregels en nadere eisen geven burgemeester en wethouders de bevoegdheid om onder voorwaarden bij een omgevingsvergunning af te wijken van een specifieke regel. Verbeelding Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Een aantal elementen op de verbeelding heeft juridisch gezien geen enkele betekenis en is uitsluitend op de analoge verbeelding aangegeven ten behoeve van de leesbaarheid van die verbeelding, zoals kadastrale lijnen, topografische symbolen en huisnummers. Flexibiliteit binnen het bestemmingsplan Binnen het bestemmingsplan zijn de volgende instrumenten aanwezig ten behoeve van de benodigde flexibiliteit: <0000> een omgevingsvergunning om af te wijken van specifieke regels. Het gaat hier om geringe afwijkingen van het bestemmingsplan.
Deze afwijkingsmogelijkheid biedt voor burgemeester en wethouders de mogelijkheid een afweging te maken van de noodzaak ten opzichte van het stedenbouwkundig en/of milieuhygiënisch belang; <0000> nadere eisen: ten aanzien van enkele in de regels genoemde bouwmogelijkheden zijn burgemeester en wethouders bevoegd tot het stellen van nadere eisen inzake de situering van gebouwen, de profilering van wegen, het aantal parkeerplaatsen en afstanden van gebouwen ten opzichte van elkaar en de openbare ruimte. Of en onder welke voorwaarden van deze mogelijkheden gebruik kan worden gemaakt, staat in het bestemmingsplan omschreven.
7.3 Beschrijving per bestemming 7.3.1 Bestemmingsregels Het bestemmingsplan kent verschillende bestemmingen, te weten Agrarisch, Bos, Bedrijf-Nutsvoorziening, Verkeer, Water en Wonen. Hierna volgt een korte beschrijving van deze bestemmingen. Agrarisch Gronden met de bestemming Agrarisch zijn bestemd voor agrarisch gebruik. Er zijn twee bouwvlakken opgenomen waar zich akkerbouwers kunnen vestigen. Gebouwen dienen binnen de bouwvlakken te worden opgericht. De bouwvlakken zijn ruim. Hiervoor is bewust gekomen om tot een efficientie inrichting te kunnen komen. Wel is een maximaal bebouwingspercentage opgenomen. De instandhouding van de bestaande houtwallen is met een voorwaardelijke beplichting opgenomen. Middels een binnenplanse afwijking mag de bestaande houtwal worden doorbroken of gedeeltelijk opgeheven, onder voorwaarde dat deze elders binnen het bouwvlak wordt gecompenseerd. Bedrijf-Nutsvoorziening Deze bestemming is specifiek voor nutsvoorzieningen. Het betreft een aantal locaties in het plangebied. Bebouwing mag enkel opgericht worden binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken. Bos
vastgesteld Bestemmingsplan Noordflank
34
NL.IMRO.0141.00044-BP31
Gronden met de bestemming Bos zijn bestemd voor bos, bebossing en de bescherming van natuurwaarden. Er mogen geen gebouwen worden gebouwd. De regeling spitst zich vooral toe op bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Voor gronden binnen deze bestemming is een vergunningstelsel voor een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden opgenomen. Verkeer De bestemming "Verkeer" is bedoeld voor de in het plangebied opgenomen wegen, straten, fiets- en voetpaden. De gronden zijn mede bestemd voor groen- en speelvoorzieningen, voorzieningen ter wering van het wegverkeerslawaai, parkeervoorzieningen en straatmeubilair. Buiten nutsvoorzieningen met een maximale inhoudsmaat van 36 m³ zijn gebouwen niet toegestaan. De regeling spitst zich vooral toe op bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Water Deze bestemming is bedoeld voor structurele waterhuishoudkundige elementen en de daarbij behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Wonen Voor de bestemming "Wonen" is op hoofdlijnen aansluiting gezocht bij de bepalingen van het bestemmingsplan Buitengebied. Bij recht is één woning binnen het bouwvlak toegestaan met een maximale inhoudsmaat van 750 m3. Ten behoeve van inwoning mag deze inhoudsmaat met een binnenplanse afwijking, onder voorwaarden, worden vergroot tot 1000 m3.
Voor de bijbehorende bouwwerken zijn ook de bepalingen uit het bestemmingsplan Buitengebied overgenomen. Bij recht is 100 m2 toegestaan, maar indien er al bijhehorende bouwwerken op het perceel aanwezig zijn met een grotere oppervlakte kan de oppervlakte, onder voorwaarden, worden vergroot tot maximaal 250 m2. Wat in afwijking van de reguliere regeling voor deze bestemming in bestemmingsplan Buitengebied in de nieuwe regeling is opgenomen zijn extra mogelijkheden naast en ondergeschikt aan de woonfunctie ten behoeve van de be- en verwerking van agrarische en lokale producten. Hiermee wordt het agrarisch karakter van de omgeving versterkt en worden mogelijkheden geboden voor een benutting van het ruime woonperceel voor het in ondergeschikte mate uitoefenen van agrarische of in die lijn ambachtelijke activiteiten. Deze activiteiten zijn beschreven in de regels en voorzien van kaders in de gebruiksregels. Deze actviteiten zijn op zich te beoordelen en worden niet gezien of aangemerkt als beroep of bedrijf aan huis. De regels voor beroepen en bedrijven aan huis zijn dan ook niet van toepassing op deze specifiek aangeduide activiteiten. Leiding - Hoogspanningsverbinding en Leiding - Gas Deze dubbelbestemmingen zijn gericht op de bescherming van de (hoofd)leidingen en de hoogspanningsverbinding.
De dubbelbestemming schort de werking van de onderliggende (basis)bestemming in eerste instantie op. Een afwijkingsregeling maakt het echter mogelijk om toch binnen deze dubbelbestemming te bouwen ten behoeve van de onderliggende enkelbestemming. De omgevingsvergunning om af te wijken kan alleen worden verleend, mits het functioneren van de leiding of verbinding niet in het geding komt. 7.3.2 Overige regels Inleidende regels / begrippen Dit artikel bevat de definities van begrippen die in dit bestemmingsplan worden gebruikt. Daardoor wordt vermeden dat verschillende interpretaties van begrippen tot verschillen van mening over de regelgeving zouden kunnen leiden. De begripsbepalingen zijn op alfabetische volgorde weergegeven. Inleidende regels / wijze van meten In dit artikel is geregeld op welke manier moet worden gemeten. Anti-dubbeltelregel Door middel van dit artikel wordt voorkomen dat grond, die betrokken is geweest bij het toestaan van een bouwplan, bij de beoordeling van een later bouwplan wederom betrokken is. Algemene gebruiksregel Voor de redactie van de gebruiksregel is een algemene formulering aangehouden. Deze gaat uit van de gedachte dat het gebruik uitsluitend mag plaatsvinden in overeenstemming met de bestemming.
vastgesteld Bestemmingsplan Noordflank
35
NL.IMRO.0141.00044-BP31
Dit brengt met zich mee dat de doeleindenomschrijving van de te onderscheiden bestemming helder en duidelijk moet zijn. Algemene afwijkingsregel In dit artikel zijn een aantal voorwaarden opgenomen die het mogelijk maken het plan op ondergeschikte punten aan te passen. Dit evenwel met het voorbehoud dat de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad. Ook kleine afwijkingen (tot 10%) van de in de regels opgenomen maten kunnen op grond van dit artikel mogelijk worden gemaakt. Tevens kunnen krachtens dit artikel kleine bouwwerken ten dienste van nutsbedrijven worden toegestaan. Algemene procedureregels Hierin zijn de procedurebepalingen opgenomen ten aanzien van het stellen van nadere eisen. Algemene overige regels In de algemene regels wordt ten aanzien van het parkeren geregeld dat parkeervoorzieningen in voldoende mate op eigen terrein dienen te worden gerealiseerd. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wordt aansluiting gezocht bij de parkeerkencijfers van het CROW. Het benodigde aantal parkeerplaatsen kan worden berekend op basis van parkeerkencijfers of wordt bepaald in parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers. Parkeernormen geven het aantal beleidsmatig vastgestelde parkeerplaatsen bij een bedrijf of voorziening aan.
Bij het gebruik van parkeerkencijfers moet rekening worden gehouden met de bereikbaarheid van de locatie, de specifieke kenmerken van de functie, de mobiliteitskenmerken van de gebruikers van het gebouw en met het gemeentelijk beleid. Hierbij wordt gezocht naar een evenwicht tussen zoveel mogelijk tegemoetkomen aan de parkeervraag en de optimale combinatie van leefbaarheid en bereikbaarheid. Daarnaast is het eveneens van belang dat de parkeerruimte van voldoende omvang is. Een parkeerruimte moet wel zijn afgestemd op gangbare personenauto's. Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van de hoofdregel dat parkeervoorzieningen in voldoende mate op eigen terrein dienen te worden gerealiseerd, mits op andere wijze in de parkeerbehoefte wordt voorzien en de situering van de parkeerplaatsen het ruimtelijk beeld van de omgeving, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden niet onevenredig aantast. Eenzelfde soort redenatie gaat op voor het laden en lossen van goederen. Overgangsrecht In dit artikel wordt geregeld dat bouwwerken mogen worden behouden of gebruik mag worden voortgezet vanaf het moment dat het plan rechtskracht heeft verkregen, ondanks dat de bebouwing of het gebruik niet (langer) overeenkomt met de regels die in het bestemmingsplan van kracht zijn. Slotregel Dit wordt ook wel de citeerbepaling genoemd.
Hierin wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan genoemd is.
7.4 Handhaving Bestemmingsplannen zijn bindend voor iedereen, zowel voor burgers als ondernemers en de overheid zelf. Het is een juridisch kader waaruit kan worden afgeleid wat de bouw- en gebruiksmogelijkheden op een specifieke locatie zijn, maar ook wat de planologische mogelijkheden in juridische zin zijn voor de percelen in de directe omgeving. De gemeente Almelo kan naleving van de bestemmingsplanregels afdwingen op het moment dat sprake is van bebouwing en/of gebruik in strijd met de geldende bestemmingsplanregels. Als niet in overeenstemming met het bestemmingsplan 'Noordflank-1' wordt gehandeld, dan kan dit de grondslag zijn van handhavend optreden door de gemeente Almelo.
vastgesteld Bestemmingsplan Noordflank
36
NL.IMRO.0141.00044-BP31
Hoofdstuk 8 Economische uitvoerbaarheid Met de grondexploitatieregeling in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) beschikken gemeenten over mogelijkheden voor het verhalen van kosten, indien sprake is van bouwplannen zoals bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. Hierbij valt te denken aan kosten voor het bouw- en woonrijp maken en kosten voor het bestemmingsplan. Daarnaast hebben gemeenten sturingsmogelijkheden, omdat in het geval van grondexploitatie door derden diverse eisen en regels gesteld kunnen worden. Met een derde kan een exploitatieovereenkomst worden gesloten, waarin het kostenverhaal is geregeld en waarin tevens bepalingen kunnen worden opgenomen ten aanzien van planschades. De gemeente draag in deze de kosten van het bestemmingsplan. De kosten worden verdisconteerd met de grondopbrengsten.
vastgesteld Bestemmingsplan Noordflank
37
NL.IMRO.0141.00044-BP31
Hoofdstuk 9 Vooroverleg, Inspraak en Zienswijze Vooroverleg Het plan is overeenkomstig het bepaalde in bepaalde in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening afgestemd met verschillende instanties. Er zijn geen bezwaren naar voren gekomen. Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan Noordflank en de bijbehorende stukken hebben gedurende een periode van zes weken tot en met 18 oktober 2022 ter inzage gelegen. Er is één zienswijze binnen gekomen. Netbeheerder TenneT heeft gereageerd en verzocht om ter verdere bescherming van het hoogspanningsnet enkele regels aan te passen dan wel toe te voegen. Daaraan is gehoor gegeven.
vastgesteld Bestemmingsplan Noordflank
38
adviesrapport Natuurtoets Noordflank Almelo
Inventarisatie en beoordeling in het kader van natuurwetgeving en -beleid
Gemeente Almelo
definitief
Natuurtoets Noordflank Almelo
Inventarisatie en beoordeling in het kader van natuurwetgeving en -beleid
21-253
24 maart 2022
definitief
R. (Rutger) Olthof & S. (Silvio) Lindhout
A. (Adriaan) de Gelder
Gemeente Almelo
© Ecogroen bv Alles uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt, mits onder vermelding van bron en status. Olthof, R. & Lindhout, S. (2022). Natuurtoets Noordflank Almelo. Inventarisatie en beoordeling in het kader van natuurwetgeving en -beleid. Rapport 21-253. Ecogroen bv Zwolle.
Inhoud Samenvatting
1
1.
Inleiding 1.1 Aanleiding en doelstelling 1.2 Huidige situatie en voorgenomen ontwikkelingen 1.3 Leeswijzer
4 4 4 5
2.
Kader en methode 2.1 Wettelijk kader 2.2 Onderzoeksmethode
7 7 8
3.
Soortenbescherming 3.1 Flora 3.2 Zoogdieren 3.3 Vogels 3.4 Amfibieën 3.5 Overige soortgroepen 3.6 Vervolgtraject soortbescherming
13 13 13 17 23 23 24
4.
Houtopstanden 4.1 Vigerende regelgeving 4.2 Inrichtingsplan 4.3 Vervolgstappen
25 25 27 27
5.
Geraadpleegde bronnen
29
Bijlagen Bijlage 1 – Resultaten actualiseren ecologisch onderzoek Bijlage 2 – Leefgebied kleine marterachtigen en egel Bijlage 3 – Houtopstanden
Samenvatting Aanleiding en doelstelling De gemeente Almelo is voornemens om de vestiging van agrarische bedrijven mogelijk te maken in het gebied Noordflank in Almelo. Hiervoor wordt een bestemmingsplanwijzigingsprocedure opgestart. In het kader van deze plannen is in 2017 reeds een natuurtoets uitgevoerd. In 2017 heeft aanvullend onderzoek plaatsgevonden naar de aanwezigheid van buizerd, grote bosmuis, huismus, kerkuil, ransuil, steenuil, vleermuizen, eekhoorn en steenmarter. Inmiddels zijn de plannen gewijzigd en is de houdbaarheid van het ecologisch onderzoek verlopen (> 3 jaar). Daarnaast heeft de provincie Overijssel ook egel en kleine marterachtigen (wezel, hermelijn en bunzing) van de vrijstellingslijst gehaald en zijn nesten van enkele vogelsoorten toegevoegd aan de lijst met nesten die jaarrond beschermd zijn. Hierdoor dienen de plannen ook getoetst te worden aan het voorkomen van egel en kleine marterachtigen, torenvalk, bosuil en boerenzwaluw. De gemeente Almelo heeft Ecogroen gevraagd om het ecologisch onderzoek te actualiseren. Voorliggende natuurtoets is bedoeld om inzicht te krijgen in mogelijke effecten op beschermde soorten en houtopstanden die op kunnen treden door de werkzaamheden die door de beoogde bestemmingswijziging mogelijk worden gemaakt. In voorliggende rapportage worden de resultaten en uitkomsten van deze toetsing beschreven.
Soortbescherming • Uit aanvullend onderzoek naar vliegroutes van vleermuizen is gebleken dat de bomenlaan langs de
Westermaatweg door vleermuizen veelvuldig gebruikt wordt als vliegroute. Gezien het ontbreken van alternatieve opgaande lijnvormige structuren vormt de bomenlaan aan de Westermaatweg een onmisbare vliegroute. • Tijdens het aanvullend vleermuizenonderzoek zijn in totaal vier verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen. Het betreft twee zomerverblijven en één paarverblijf van gewone dwergvleermuis en één zomerverblijfplaats van laatvlieger. • In het plangebied zijn jaarrond beschermde nesten of rustplaatsen van huismus, spreeuw, buizerd en kerkuil aanwezig. Ook zijn algemeen voorkomende broedvogels van bebouwing en struweel te verwachten. • Binnen het plangebied is het voorkomen van kleine marterachtigen en egel te verwachten. Overige beschermde zoogdieren zonder provinciale vrijstelling worden niet verwacht. • In het plangebied zijn geen amfibieën, flora, reptielen, ongewervelden en vissen aangetroffen of te verwachten die bescherming genieten, uitgezonderd soorten waarvoor een vrijstelling van ontheffingsplicht geldt in de provincie Overijssel.
Natuurtoets Noordflank Almelo
01
Houtopstanden • Het plangebied ligt buiten de grens van de ‘bebouwde kom Wet natuurbescherming’. Voor de kap van
bomen binnen het plangebied gelden de (kap)regels de gemeente Almelo. Daarnaast geldt voor de bomenkap op de leegstaande erfkamer (tegenover Westermaatweg 8) ook de (kap)regels van de Wet natuurbescherming. • Voor het kappen van bomen in de houtwal op de leegstaande erfkamer (tegenover Westermaatweg 8) geldt een meldingsplicht en herplantplicht. Een meldingsplicht moet minimaal één maand voorafgaand aan de kapwerkzaamheden ingediend worden bij de Provincie Overijssel. Voor de gevelde bomen op de leegstaande erfkamer (tegenover Westermaatweg 8) moet gecompenseerd worden, wat gebeurt middels herbeplanting. De herbeplanting dient binnen 3 jaar na de kap van de bomen uitgevoerd te worden op dezelfde plek als de gevelde bomen. Indien niet op dezelfde plaats herbeplant kan worden, kan ontheffing aangevraagd worden bij de provincie ten behoeve van herbeplanting op andere grond. We adviseren om vervolgstappen ten aanzien van houtopstanden met bevoegd gezag (Provincie Overijssel) af te stemmen. • Conform het bomenbeleidsplan van de gemeente Almelo is het aanvragen van een omgevingsvergunning noodzakelijk omdat enkele te kappen bomen op 130 cm boven maaiveld een stamdiameter hebben van meer dan 30 centimeter.
Advies • Het onderdeel ‘soortbescherming’ van de Wet natuurbescherming staat de wijziging van de bestem-
ming niet in de weg indien onderstaande adviezen worden opgevolgd. In tabel 1.1 zijn de benodigde vervolgstappen per soort(groep) samengevat. • Bij het voornemen dient de bomenlaan langs de Westermaatweg behouden te blijven en dient eventueel toekomstige verlichting op de nieuwe erven langs de Westermaatweg aangepast te worden aan vleermuizen. • Bij het verloren gaan van verblijfplaatsen, nestlocaties en rustplaatsen van vleermuizen, huismus, spreeuw en kerkuil is het aanvragen van een ontheffing nodig. Nestlocaties van buizerd blijven behouden. • Bij het verloren gaan van geschikt leefgebied voor egel en kleine marterachtigen is het aanvragen van een ontheffing nodig. • De inrichtingswerkzaamheden op erf 2 en 3 die binnen de verstoringsafstand (<75 meter) van de buizerdnesten worden uitgevoerd dienen buiten het broedseizoen van buizerd te worden uitgevoerd om verstoring op buizerd te voorkomen. Wanneer dit niet mogelijk is adviseren we om voorafgaand aan de inrichtingswerkzaamheden op erf 2 en 3 na te gaan of het nest op dat moment door buizerd gebruikt wordt. Wanneer het nest niet door buizerd gebruikt wordt, kunnen de inrichtingswerkzaamheden zonder aanvullende maatregelen uitgevoerd worden. Wanneer tijdens de controle gebruik door buizerd vastgesteld wordt, dienen de werkzaamheden te worden uitgesteld tot buiten het broedseizoen van buizerd.
De geschikte periode voor het uitvoeren van de werkzaamheden is september tot februari.
Natuurtoets Noordflank Almelo
02
• Werkzaamheden mogen geen broedbiotopen van aanwezige (algemene) broedvogels verstoren of be-
schadigen. Denk hierbij specifiek aan het verwijderen van bestaande houtwallen en sloopwerkzaamheden. De geschikte periode voor het uitvoeren van werkzaamheden is half november tot half februari. Wanneer de werkzaamheden binnen de broedperiode van vogels wordt uitgevoerd dient voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelcontrole te worden uitgevoerd. • Bij de geplande ingrepen kunnen enkele exemplaren en verblijfplaatsen van grondgebonden zoogdieren en amfibieën met een provinciale vrijstelling verloren gaan. Voor deze soorten geldt in voorliggende situatie vrijstelling van de verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming, waardoor het nemen van vervolgstappen voor deze soorten niet aan de orde is. Tabel 1.1 Benodigde vervolgstappen per soort(groep). Soort(groep) Vleermuizen (verblijfplaatsen)
Noodzaak ontheffing Ja, bij de sloop van de gebouwen gaan vier verblijfplaatsen van vleermuizen verloren.
Mitigatie • Werken buiten de kwetsbare periode • Voorafgaand aan de werkzaamheden de verblijfplaatsen ongeschikt maken voor vleermuizen
Vleermuizen (vliegroute)
Nee, tenzij de functionaliteit van de vliegroute wordt aangetast d.m.v. bomenkap of verlichting.
• Alleen overdag werken • Geen verstorende verlichting plaatsen • Geen bomen kappen
Kleine marterachtigen & egel
Ja, bij de voorgenomen plannen gaat leefgebied met mogelijke verblijfplaatsen verloren. Nee, tenzij werkzaamheden in het broedseizoen plaatsvinden binnen 75 meter afstand van een bezet nest. Ja, bij de sloop van Westermaatweg 2 gaat een nestplaats inclusief de functionele leefomgeving verloren. Ja, bij de voorgenomen plannen gaan de aanwezige rustplaatsen verloren. Ja, bij de sloop van de gebouwen gaan tien nesten van spreeuw verloren. Nee
• Werken buiten de kwetsbare voortplantings- en overwinteringsperiodes. • Werken buiten het broedseizoen.
Buizerd
Huismus
Kerkuil
Spreeuw
Overige vogels
Natuurtoets Noordflank Almelo
• Werken buiten het broedseizoen. • Rustplaatsen ongeschikt maken voorafgaand aan de werkzaamheden. • Werkzaamheden uitvoeren buiten het broedseizoen. • Werken buiten het broedseizoen. Bij werkzaamheden binnen het broedseizoen: uitvoering broedvogelcheck. Bij het aantreffen van een bezet nest worden de werkzaamheden uitgesteld tot het nest op natuurlijke wijze verlaten is.
Compensatie Realiseren alternatieve verblijfplaatsen met een compensatiefactor van vier. De alternatieve verblijfplaatsen dienen minstens een half jaar voorafgaand aan de schadelijke werkzaamheden aanwezig te zijn. Wanneer mitigatie niet mogelijk is: realiseren alternatieve vliegroute(s) voor aanvang van het schaden van de hiudige Realiseren alternatief leefgebied met verblijfplaatsen. Wanneer mitigatie niet mogelijk is: voorafgaand realiseren van alternatieve nestvoorzieningen. Voorafgaand realiseren van minimaal twee alternatieve nestvoorzieningen. Voorafgaand realiseren van alternatieve rustplaatsen. Voorafgaand realiseren van alternatieve nestvoorzieningen. N.v.t.
03
1. Inleiding 1.1 Aanleiding en doelstelling De gemeente Almelo is voornemens om de vestiging van één agrarisch bedrijf en woningbouw binnen voormalige agrarische kavels mogelijk te maken in het gebied Noordflank in Almelo. Hiervoor wordt een bestemmingsplanwijzigingsprocedure opgestart. In het kader van deze plannen is in 2017 reeds een natuurtoets uitgevoerd (Olthof & De Gelder, 2019). In 2017 heeft aanvullend onderzoek plaatsgevonden naar de aanwezigheid van buizerd, grote bosmuis, huismus, kerkuil, ransuil, steenuil, vleermuizen, eekhoorn en steenmarter. Inmiddels zijn de plannen gewijzigd en is de houdbaarheid van het ecologisch onderzoek verlopen (> 3 jaar). Daarnaast heeft de provincie Overijssel egel en kleine marterachtigen (wezel, hermelijn en bunzing) van de vrijstellingslijst gehaald en zijn nesten van enkele vogelsoorten toegevoegd aan de lijst met nesten die jaarrond beschermd zijn. Hierdoor dienen de plannen ook getoetst te worden aan het voorkomen van egel en kleine marterachtigen, torenvalk, bosuil en boerenzwaluw. Voorliggende natuurtoets is bedoeld om inzicht te krijgen in mogelijke effecten op aanwezige natuurwaarden die op kunnen treden bij uitvoering van werkzaamheden die door de beoogde bestemmingswijziging mogelijk worden gemaakt en om natuurwaarden zoveel als mogelijk in te passen in de plannen.
1.2 Huidige situatie en voorgenomen ontwikkelingen Het plangebied is circa 150 hectare groot en is gelegen in het buitengebied ten noorden van Almelo (zie figuur 1.1, pagina 5). Het plangebied bestaat uit agrarische percelen, boerenerven, graslanden en oppervlaktewater in de vorm van de derde Wetering en het Lateraalkanaal (zie figuur 1.2 op pagina 6 voor een impressie van het plangebied). Op vier van de erven is bebouwing aanwezig (gele vlakken in figuur 1.1, pagina 5). De bebouwing op erf 4 is momenteel nog in gebruik als bedrijfswoning of schuren. De bebouwing op de overige erven zijn op het moment van schrijven in gebruik als anti-kraak woning en bijbehorende schuren. Daarnaast zijn er nog vier voormalige erven in het plangebied aanwezig. Op deze locaties is de bebouwing reeds verwijderd, maar is de erfbeplanting en verharding nog aanwezig. In voorliggende rapportage worden deze locaties benoemd als ‘leegstaande erfkamers’. Gemeente Almelo is voornemens om voor het gebied een nieuw bestemmingsplan op te stellen, waarmee (her)vestiging van één agrarisch bedrijf en enkele woningen mogelijk wordt gemaakt. Ten behoeve van deze plannen worden enkele bestaande houtwallen rondom de erven doorbroken om verbinding met het achterliggende agrarische land te maken. Daarnaast wordt verspreid binnen het plangebied overig groen verwijderd.
Om het verlies van de bestaande houtwallen/groen te compenseren, wordt binnen het plangebied een bos aangeplant. Op het moment van schrijven zijn verdere concrete inrichtingswerkzaamheden nog niet bekend. Voor de toetsing van mogelijke effecten op aanwezige natuurwaarden is uitgegaan van de maximale invulling van het toekomstige bestemmingsplan. Voorbeelden van mogelijke inrichtingswerkzaamheden zijn sloop van aanwezige stallen, schuren en woningen, het verwijderen van beplanting en de komst van agrarische bedrijven (nieuwbouw van schuren en bijbehorende woningen).
Natuurtoets Noordflank Almelo
04
Figuur 1.1 Situering van het plangebied (rood omlijnd) ten noorden van de stad Almelo. De bewoonde erven (geel gearceerd) zijn genummerd van 1 t/m 4. Bron kaartondergrond: PDOK.
1.3 Leeswijzer Voorliggend rapport gaat eerst in op de beoogde ontwikkeling (§1.2). In hoofdstuk 2 zijn het wettelijk kader en de onderzoeksmethodiek beschreven. Vervolgens wordt een effectanalyse en -beoordeling gegeven ten aanzien van beschermde soorten (hoofdstuk 3) en houtopstanden (hoofdstuk 4). In hoofdstuk 5 zijn de geraadpleegde bronnen vermeld.
Natuurtoets Noordflank Almelo
05
Figuur 1.2 Impressie van het plangebied. Linksboven: de derde Wetering en aangrenzend percelen in agrarisch gebruik. Rechtsboven: erf Westermaatweg 2B. Rechtsmidden en onder: houtwallen rondom een leegstaande erfkamer.
Natuurtoets Noordflank Almelo
06
2. Kader en methode 2.1 Wettelijk kader Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming (Wnb) regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden, soorten en houtopstanden (Overheid, 2021). Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) regelt de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN; Overheid, 2020). In dit rapport wordt getoetst aan de bescherming van soorten en houtopstanden. De bescherming van Natura 2000-gebieden en het NNN worden conform de vraagspecificatie niet behandeld en separaat door de gemeente Almelo getoetst. In onderstaande kader 2.1 geven we een samenvatting van de relevante wetteksten. Kader 2.1 Wet natuurbescherming Zorgplicht (artikel 1.11) De Wet natuurbescherming (ook: Wnb) kent een zorgplicht voor natuur en soorten. De zorgplicht is altijd van kracht, ook ten aanzien van niet beschermde natuur. Artikel 1.11 schrijft voor dat iedereen voldoende zorg in acht neemt voor beschermde gebieden, in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Iedereen die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn/haar handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een beschermd gebied of voor in het wild levende soorten, laat deze handelingen achterwege of voorkomt de gevolgen.
Dit laatste kan door het treffen van maatregelen ter voorkoming van schade of -als zelfs dat niet kan- de ontstane schade zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. Een voorbeeld van voorzorg is het werken in de minst kwetsbare periode van soorten. Soorten (hoofdstuk 3) Hoofdstuk 3 regelt de bescherming van soorten. De bescherming van soorten is verdeeld over de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10. Het betreft de bescherming van: • Vogels zoals genoemd in de Vogelrichtlijn (artikel 3.1), in de praktijk vaak onderverdeeld in: – Vogels met jaarrond beschermde nesten, zoals huismus, gierzwaluw en buizerd. – Overige vogels, waarvan nesten alleen tijdens het broedseizoen zijn beschermd (periode van nestbouw, ei-leg, broeden en voeren van de jongen op het nest). • Soorten (exclusief vogels) van de Habitatrichtlijn (bijlage IV) en de Verdragen van Bern (bijlage II) en Bonn (bijlage I), zoals bedoeld in artikel 3.5. • Andere soorten (artikel 3.10), onderverdeeld in: – Soorten waarvoor een ontheffing vereist kan zijn. – Soorten waarvoor -op basis van de betreffende provinciale verordening- vrijstelling van de verbodsbepalingen geldt. Indien effecten niet zijn uit te sluiten moet -voorafgaand aan het vaststellen van een plan- zijn beoordeeld of er uitzicht is op het verkrijgen van een ontheffing.
Als er aantoonbaar uitzicht is op het verkrijgen van een ontheffing dan kan het plan worden vastgesteld. Als bij ruimtelijke ingrepen verbodsbepalingen worden overtreden dan is het noodzakelijk om een ontheffing aan te vragen bij het bevoegd gezag, tenzij gewerkt kan worden volgens een goedgekeurde gedragscode. Het bevoegd gezag is meestal de provincie waar (het grootste deel van) de ingreep of activiteit plaatsvindt, soms is dat het Rijk. Voor het verkrijgen van een ontheffing moet zijn beschreven hoe de initiatiefnemer er voor zorgt dat schade aan beschermde soorten tot een minimum beperkt blijft, welke mitigerende en compenserende maatregelen nodig zijn, dat alternatieven ontbreken en aan welk wettelijk belang wordt voldaan en dat de staat van instandhouding van de betreffende soort niet in gevaar komt. Houtopstanden (hoofdstuk 4) Hoofdstuk 4 regelt de bescherming van houtopstanden. Een bij Wet beschermde houtopstand betreft een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend buiten de bebouwde kom, die een oppervlakte grond beslaat van tien are of meer, of bestaat uit een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen. Voor het kappen (van een deel) van een beschermde houtopstand geldt meld- (artikel 4.2) en herplantplicht (artikel 4.3).
Er geldt een verbod op de kap als het voornemen daartoe niet (maximaal een jaar en minimaal een maand) vooraf is gemeld bij bevoegd
Natuurtoets Noordflank Almelo
07
gezag. Binnen drie jaar moet dezelfde grond op bosbouwkundig verantwoorde wijze zijn herbeplant. De gemeenteraad stelt de grens bebouwde kom Wet natuurbescherming vast. Het bevoegd gezag is meestal de provincie waar (het grootste deel van) de ingreep plaatsvindt, soms is dat het Rijk. Provinciale staten kunnen in de provinciale verordening regels opnemen over de melding en de herplant, zoals herplant op andere gronden dan waar de (deels) gevelde opstand stond.
2.2 Onderzoeksmethode In 2017 is soortgericht ecologisch onderzoek uitgevoerd naar het voorkomen van buizerd, grote bosmuis, huismus, kerkuil, ransuil, steenuil, steenmarter, eekhoorn en vleermuizen. Dit onderzoek is uitgevoerd conform de geldende inventarisatieprotocollen en kennisdocumenten. Voor de gehanteerde onderzoeksmethodiek uit 2017 wordt verwezen naar het rapport van Olthof & De Gelder (2017). Tijdens het actualiserende quickscan onderzoek in 2021 is beoordeeld of er veranderingen in het plangebied hebben plaatsgevonden, waardoor het gerichte soortonderzoek (inmiddels) niet meer bruikbaar zou zijn. Vastgesteld is dat er geen veranderingen in het plangebied hebben plaatsgevonden. In 2021 is het soortgerichte onderzoek geactualiseerd met een aangepaste onderzoeksinspanning om zekerheidshalve te onderzoeken of er in de tussentijd geen grote wijzigingen van de onderzoeksresultaten hebben plaatsgevonden. We verwijzen hierbij naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtsspraak van de Raad van State (ABRvS): ABRvS 11 okt 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2760 en ABRvS 8 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3001. Tabel 2.1 geeft een overzicht van de uitgevoerde veldbezoeken in 2021. In onderstaande paragrafen worden de uitgevoerde stappen en onderzoeksmethodes beschreven van het onderzoek in 2021. Tabel 2.1 Uitgevoerde onderzoeksrondes in 2021.
Datum 28-04-2021 28-04-2021 11-05-2021 17-06-2021 13-07-2021 15-09-2021
Tijd 13:30 – 16:30 21:00 – 22:30 09:00 – 11:30 21:30 – 00:30 03:30 – 05:30 05:15 – 07:15
Type onderzoek Quickscan + huismus* Uilen Quickscan + huismus* Vleermuizen** Vleermuizen** Vleermuizen
Aantal pers. 1 1 1 3 3 3
Weersomstandigheden 15°C, half bewolkt, droog, weinig wind 11°C, bewolkt, droog, matige wind 15°C, bewolkt, droog, weinig wind 21°C, half bewolkt, droog, weinig wind 18°C, bewolkt, droog, windstil 18°C, bewolkt, droog, windstil
* inclusief onderzoek naar vogels met jaarrond beschermde nesten (roofvogels, uilen, zwaluwen en cat. 5-soorten) en eekhoorn ** inclusief onderzoek naar vogels met jaarrond beschermde nesten en nachtactieve soorten (uilen, egel, steenmarter en bunzing)
Quickscan natuurtoets Om de aanwezige en te verwachten beschermde waarden binnen de invloedssfeer van het projectgebied in beeld te brengen is gestart met een literatuuronderzoek. Hiervoor is onder andere gebruik gemaakt van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF, 2022) en de kaart met de bebouwde kom Boswet van gemeente Almelo (gemeente Almelo, 1977). De verzamelde informatie uit het literatuuronderzoek vormt de basis voor de quickscan veldbezoeken die op 28 april en 11 mei 2021 zijn uitgevoerd. Tijdens de veldbezoeken is het plangebied (zie figuur 1.1) alsmede de directe omgeving (tot circa 50 meter rondom) geïnspecteerd. Specifiek is gelet op aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten of verblijfplaatsen van vogels, eekhoorns en vleermuizen. Hiervoor zijn
Natuurtoets Noordflank Almelo
08
de bomen en gebouwen binnen en direct rondom het plangebied geïnspecteerd op de aanwezigheid van nesten, holten en spleten. Ook is gelet op sporen, verblijfplaatsen en potentieel leefgebied van grondgebonden zoogdieren als steenmarter, kleine marterachtigen en egel. Op basis van het geactualiseerde quickscanonderzoek is beoordeeld dat aanvullend ecologisch onderzoek noodzakelijk was voor huiszwaluw en boerenzwaluw. Daarnaast is nogmaals onderzoek uitgevoerd naar het voorkomen van roofvogels, uilen, huismus, steenmarter en vleermuizen.
Broedvogelonderzoek Huismus Onderzoek naar huismus is conform het kennisdocument huismus uitgevoerd (BIJ12, 2017). Hiervoor zijn twee dagbezoeken gebracht in de periode april-half mei 2021 (zie tabel 2.1). Dit is voor deze soort het optimale inventarisatiemoment. Tijdens de huismusbezoeken is het aantal broedgevallen vastgesteld door te letten op nestindicerend gedrag, zoals zingende mannetjes, nestbouw of het transport van voedsel. Tijdens de overige veldbezoeken zijn aanvullende waarnemingen van huismus genoteerd. De huismusbezoeken zijn uitgevoerd door één persoon. Kerkuil, steenuil en ransuil Om territoria van kerkuil, steenuil en ransuil goed in beeld te krijgen zijn diverse bezoeken gebracht. Drie nachtelijke bezoeken, waarvan twee in combinatie met het vleermuisonderzoek en twee dagbezoeken. Tijden het eerste - specifiek op uilen gerichte - nachtelijke bezoek zijn steenuilen tot roepen aangespoord door het afspelen van territoriumroepen op geluidboxjes. Tijdens de nachtelijke bezoeken is gelet op roepende of krijsende uilen, jagende exemplaren of nest-indicerend gedrag. Tijdens de dagbezoeken zijn potentiële nest- en rustlocaties geïnspecteerd op aanwezigheid van (sporen van) uilen. Daarnaast is navraag gedaan bij bewoners en de lokale uilenwerkgroep de ‘Katoelenkiekers’ over de aanwezigheid van uilen.
Voor steenuil is afgeweken van het kennisdocument omdat in plaats van drie nachtelijke bezoeken in de periode 1 februari t/m 30 april één nachtelijk bezoek is uitgevoerd. Op basis van het in 2017 uitgevoerde onderzoek, het gegeven dat uilen honkvast zijn en dat de feitelijke situatie in het veld sindsdien onveranderd is gebleven, is de verwachting dat binnen het plangebied geen roest- en nestplaatsen van steenuil aanwezig zijn. Om dit met zekerheid te controleren is alsnog onderzoek naar steenuil (in aangepaste vorm) uitgevoerd. De combinatie van nachtelijk onderzoek, sporenonderzoek bij daglicht en het ophalen van informatie bij bewoners en de lokale uilenwerkgroep wordt als voldoende beschouwd om de aan- of afwezigheid van steenuilen aan te tonen. Roofvogels: buizerd, havik, sperwer, boomvalk en torenvalk Het onderzoek naar het gebruik van potentiële nestlocaties door roofvogels is gebaseerd op het kennisdocument van buizerd (BIJ12, 2017). Voor de overige soorten bestaat geen kennisdocument. Door middel van twee dagbezoeken is de functie van aanwezige nesten voor buizerd, sperwer, havik, boomvalk en torenvalk vastgesteld. Deze bezoeken hebben plaatsgevonden in combinatie met de quickscan- en huismusbezoeken (zie tabel 2.1). Daarnaast is tijdens twee overige vleermuisbezoeken gelet op activiteit van roofvogels (na)bij de nestlocaties.
Bij het onderzoek is gelet op verse takken (oplichtend breukvlak), alarmerende ouders, poepsporen, prooiresten en ruiveren.
Natuurtoets Noordflank Almelo
09
Voor buizerd is afgeweken van het kennisdocument omdat in plaats van vier dagbezoeken in de periode 1 maart t/m 15 mei twee dagbezoeken zijn uitgevoerd. Op basis van het in 2017 uitgevoerde onderzoek, het gegeven dat buizerd honkvast is en dat de feitelijke situatie in het veld sindsdien onveranderd is gebleven1, is een aangepaste onderzoeksinspanning gehanteerd. De twee dagbezoeken en de vondst van een nieuw buizerdnest maakt dat de huidige onderzoeksinspanning als voldoende wordt beschouwd om de aan- of afwezigheid van nestplaatsen aan te tonen. Boerenzwaluw en huiszwaluw Voor het onderzoek naar zwaluwen is tijdens de dagbezoeken in april en mei 2021 gelet op de kenmerkende nestkommen van deze soorten aan en in de bebouwing. Tijdens de bezoeken later in het jaar (in het broedseizoen van huiszwaluw en boerenzwaluw) is eveneens gezocht naar nestkommen van deze soorten en is gelet op uitwerpselen of overig nestindicerend gedrag (zoals voedseltransport, alarmerende ouders of nestbouw). Categorie 5-soorten Binnen het plangebied zijn potentiële nestlocaties aanwezig van jaarrond beschermde vogels uit categorie 5. Dit zijn vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed, maar wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren gaat, zich elders te vestigen. Echter moeten deze plekken elders wel aanwezig zijn.
Zodoende is onderzocht of dergelijke nesten binnen het plangebied aanwezig zijn. Het gaat dan om soorten zoals spreeuw, zwarte roodstaart, grote bonte specht, groene specht, ringmus en enkele weidevogels. Onderzoek naar deze soorten is uitgevoerd door tijdens alle bezoeken in de periode 15 maart tot en met 31 augustus te letten op de aanwezigheid van deze soorten. Hierbij is gelet op aanwezige oudervogels, jongen, uitwerpselen of overig nestindicerend gedrag (zoals voedseltransport, alarmerende ouders of nestbouw).
Vleermuisonderzoek Kraamverblijfplaatsen (en zomerverblijfplaatsen) Voor het inventariseren van kraamverblijfplaatsen van vleermuizen zijn twee bezoeken uitgevoerd in de periode 15 mei -15 juli, met minimaal 10 dagen tussen beide bezoeken. Tijdens deze bezoeken is gelet op uit- en invliegende vleermuizen en plekken met veel activiteit van vleermuizen (vroeg in de avond). Vervolgens is tot middernacht of in het geval van een ochtendbezoek tot zonsopkomst doorgegaan met het onderzoek tot de eerste vleermuizen weer terugkeren naar hun (kraam)verblijfplaats en weer zwermende/ invliegende dieren kunnen worden gevonden. Voor laatvlieger is in voorliggende situatie bewust afgeweken van het vleermuisprotocol (NGB, 2021). In plaats van een tweede avondbezoek is een vroeg ochtendbezoek uitgevoerd op kansrijke plekken voor
1 Het buizerdnest waarvan in 2021 gebruik door buizerd is vastgesteld, was in 2017 al aanwezig en is destijds ook onderzocht. Echter
is gebruik van dit nest toen niet vastgesteld, maar van een ander nest. De feitelijke situatie in het veld (het aantal takkennesten) is daarmee ongewijzigd t.o.v. 2017.
Natuurtoets Noordflank Almelo
10
laatvlieger. Vroege ochtendbezoeken leveren vooral veel informatie op over de zomerverblijfplaatsen van solitaire laatvliegers die met een avondbezoek makkelijker gemist kunnen worden (verblijfplaatsen zijn zowel ’s avonds als ‘s ochtends goed in kaart te brengen). Op basis van het in 2017 uitgevoerde vleermuisonderzoek werden ook geen kraamverblijfplaatsen van laatvlieger binnen het plangebied verwacht. Er werden hooguit veranderingen verwacht in individuele zomer- en paarverblijfplaatsen. Het uitvoeren van een ochtendbezoek in plaats van een avondbezoek is alleen mogelijk indien de weersomstandigheden optimaal zijn (zeer zwoele, warme zomerse nacht). De nacht van 13 juli was hier uitermate geschikt voor (18 graden, droog en weinig wind). De twee nachtelijke bezoeken en de vondst van een zomerverblijfplaats van laatvlieger maakt dat de huidige onderzoeksinspanning als voldoende wordt beschouwd en dat er geen verblijfplaatsen zijn gemist. Paarverblijfplaatsen/baltsterritoria (en zomerverblijfplaatsen) In de paarperiode (15 augustus tot en met 1 oktober) heeft onderzoek plaatsvonden naar baltsterritoria (van rondvliegende baltsende exemplaren) van laatvlieger, gewone- en ruige dwergvleermuis en paarverblijfplaatsen (exacte verblijfplaatsen) van deze soorten. Dit bezoek is uitgevoerd, in de vroege ochtenduren van 15 september 2021.
Naarmate het lichter wordt, keren vleermuizen terug naar hun paar- of zomerverblijfplaats, maar voordat ze naar binnen gaan cirkelen ze vaak minutenlang rond de ingang van hun verblijfplaats. In het geval van een paarverblijfplaats wordt daarbij ook luidkeels gebaltst. Voor het vaststellen van paarverblijfplaatsen is in voorliggende situatie bewust afgeweken van het vleermuisprotocol (NGB, 2021). In plaats van twee nachtelijke bezoeken, is één ochtendbezoek uitgevoerd. Op basis van het in 2017 uitgevoerde vleermuisonderzoek werden hooguit veranderingen verwacht in individuele zomer- en paarverblijfplaatsen. Omdat verblijfplaatsen tijdens een ochtendbezoek gemakkelijker zijn vast te stellen (cirkelen vaak minutenlang rond de ingang van hun verblijfplaats) is gekozen voor een ochtendbezoek i.p.v. een avondbezoek. De vondst van twee zomerverblijfplaatsen en één paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis en één zomerverblijfplaats van laatvlieger maakt dat de huidige onderzoeksinspanning als voldoende wordt beschouwd en dat er geen verblijfplaatsen zijn gemist. Onderzoek naar grondgebonden zoogdieren. Steenmarter Tijdens de quickscanbezoeken op 28 april en 11 mei 2021 is het plangebied onderzocht op exemplaren, sporen en potentiële verblijfplaatsen van steenmarter. Sporen waarnaar is gezocht zijn onder andere latrines, prooiresten en krabsporen.