CConstaterende datAlmelo
Koppel je AI →
Document · PDF

10.1 Vaststelling bestemmingsplan Noordflank - Bijlage 1 - Bestemmingsplan Noordflank.pdf

Raad 30 mei 2023, gemeente AlmeloBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Noordflank28.035 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Bestemmingsplan Noordflank NL.IMRO.0141.00044

NL.IMRO.0141.00044-BP31

Toelichting

vastgesteld Bestemmingsplan Noordflank

1

NL.IMRO.0141.00044-BP31

Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 De bij het plan behorende stukken 1.3 Ligging van het plangebied 1.4 Huidige planologische situatie 1.5 Leeswijzer

3 3 4 4 4 5

Hoofdstuk 2 De huidige situatie

7

Hoofdstuk 3 Planuitgangspunten

8

Hoofdstuk 4 Beleidskader 4.1 Rijksbeleid 4.2 Provinciaal beleid 4.3 Gemeentelijk beleid

10 10 11 15

Hoofdstuk 5 Milieu-aspecten 5.1 Milieueffectrapportage 5.2 Externe veiligheid 5.3 Luchtkwaliteit 5.4 Geluid 18 5.5 Bodemkwaliteit 5.6 Flora en fauna 5.7 Archeologie en cultuurhistorie

17 17 17 18

Hoofdstuk 6 Water 6.1 Beleidskader 6.2 Waterparagraaf

26 26 29

Hoofdstuk 7 Juridisch bestuurlijke aspecten 7.1 Inleiding 33 7.2 Juridische systematiek 7.3 Beschrijving per bestemming 7.4 Handhaving

33

Hoofdstuk 8 Economische uitvoerbaarheid

37

Hoofdstuk 9 Vooroverleg, Inspraak en Zienswijze

38

vastgesteld Bestemmingsplan Noordflank

19 19 20

33 34 36

2

NL.IMRO.0141.00044-BP31

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding In het Masterplan Almelo en het voormalige Structuurplan Almelo - symbiose tussen stad en land, werd nog uitgegaan van een grootschalige woningbouwontwikkeling aan de noordzijde van de stad met in totaal 4.200 woningen. Op 23 augustus 2012 is hiertoe een bestemmingsplan onherroepelijk geworden, die 1.100 woningen toelaat, zowel bij recht als met uitwerking.

Bij de voorjaarsnota 2012 heeft de raad voor wat betreft de woningbouwontwikkeling gekozen voor de zogenaamde meridiaanvariant. Met het vaststellen van de Programmabegroting 2013 is deze keuze nog eens bevestigd. Voor het plangebied van het oorspronkelijke project Waterrijk betekende dit dat het plan stedenbouwkundig en planologisch werd geknipt in: a. Een zuidelijk plandeel; globaal tot de Westermaatweg en dat hiervoor een nieuwe kleinere woonwijk wordt ontwikkeld voor ca. 1.600 woningen. b. Een plandeel ten noorden van de Westermaatweg (de Noordflank). Hiervoor wordt een transitiestrategie ontwikkeld. Deze gronden dienden te worden herbestemd voor op dat moment nog nader te bepalen functies. Op 15 januari 2013 heeft de gemeenteraad ingestemd met het verkennen van de mogelijkheden voor een transitiestrategie van het gebied ten noorden van de Westermaatweg ter grootte van ca. 140 hectare dat onderdeel was van het woningbouwproject Waterrijk.

In 2015 is gestart met een onderzoek naar de mogelijkheden voor teruggave aan de agrarische sector. Met de provincie Overijssel, zijnde uiteindelijke verwerver van de gronden, hebben besprekingen plaatsgevonden over de mogelijkheid voor herplaatsing van agrariërs die elders moeten wijken voor de natuur of in de knel komen. Dit heeft eerst op 12 april 2016 geresulteerd in een raadsbesluit om de gronden te verkopen aan de provincie ten behoeve van het programma Ontwikkelopgave Natura 2000 en daarmee de agrarische bestemming terug te geven aan het gebied. Het plangebied krijgt daarom grotendeels de agrarische bestemming terug. In het plangebied wordt de vestiging van een akkerbouwbedrijf mogelijk gemaakt, worden vijf burgerwoningen als zodanig bestemd en krijgen de overige gronden in het plangebied een agrarische bestemming.

vastgesteld Bestemmingsplan Noordflank

3

NL.IMRO.0141.00044-BP31

1.2 De bij het plan behorende stukken Het bestemmingsplan "Noordflank" bestaat uit de volgende stukken: 1. regels; 2. verbeelding; 3. bijlagen bij de toelichting; 4. bijlagen bij de regels. Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangegeven. In de regels zijn voorschriften opgenomen die noodzakelijk worden geacht voor een juiste ontwikkeling en beheer van het plangebied. De toelichting vergezelt het plan. Hierin zijn de aan het plan ten grondslag liggende uitgangspunten en onderzoeken weergegeven.

1.3 Ligging van het plangebied Het plan is gelegen aan de noordkant van Almelo. Aan de zuid- en westzijde wordt het gebied begrensd door het Lateraalkanaal, aan de noordzijde door de Oudewegsbeek en aan de oostzijde door Almeloseweg.

Overzicht ligging plangebied

1.4 Huidige planologische situatie Voor het plangebied is momenteel het bestemmingsplan Waterrijk, fase 1 van kracht.

vastgesteld Bestemmingsplan Noordflank

4

NL.IMRO.0141.00044-BP31

Figuur: geldende bestemmingsplan "Waterrijk Almelo fase 1" Op grond van dit bestemmingsplan heeft een groot deel van het gebied een woonbestemming (de bestemming "Woongebied-1" en "Woongebied-uit te werken"). Verder bevat het gebied een agrarische bestemming, de bestemmingen "Water" en "Groen" en een enkele nog bestaande bestemming "Wonen". In het plangebied waren binnen de bestemmingen "Gemengd"en "Woongebied-1" 186 woningen bij recht toegestaan.

1.5 Leeswijzer De plantoelichting geeft een toelichting op het bestemmingsplan, maar maakt geen deel uit van het bestemmingsplan. De plantoelichting bevat achtereenvolgens de volgende hoofdstukken: Hoofdstuk 1 Inleiding Hoofdstuk 2 De huidige situatie Hoofdstuk 3 Beleidskader Hoofdstuk 4 Milieu-aspecten Hoofdstuk 5 Waterparagraaf Hoofdstuk 6 Planuitgangspunten Hoofdstuk 7 Juridisch bestuurlijke aspecten Hoofdstuk 8 Economische uitvoerbaarheid Hoofdstuk 9 Vooroverleg, inspraak en zienswijzen In hoofdstuk 1 wordt ingegaan op de onderdelen waaruit dit bestemmingsplan bestaat, de ligging en begrenzing van het plangebied en de huidige bestemmingsplannen die nu gelden. Hieruit blijkt het kader waarbinnen dit bestemmingsplan is opgesteld. In het tweede hoofdstuk wordt de huidige situatie van het gebied beschreven. Dit wordt aangevuld met het geldende beleid.In hoofdstuk 4 wordt de milieusituatie, inclusief het aspect fysieke veiligheid, besproken. Hoofstuk 5 bevat de waterparagraaf.

vastgesteld Bestemmingsplan Noordflank

5

NL.IMRO.0141.00044-BP31

In hoofdstuk 6 worden algemene uitgangspunten voor het bestemmingsplan beschreven. In hoofdstuk 7 staat hoe deze uitgangspunten zijn vertaald in de juridisch bindende plantekst en verbeelding. In hoofdstuk 8 staat de financiële verantwoording van het plan en hoofdstuk 9 geeft de wijze van en resultaten omtrent de inspraak.

vastgesteld Bestemmingsplan Noordflank

6

NL.IMRO.0141.00044-BP31

Hoofdstuk 2 De huidige situatie Het plangebied heeft momenteel feitelijk nog steeds een agrarische functie.

Het plangebied wordt ontsloten door de Westermaatweg en de Schout Doddestraat.

Zicht op de Westermaatweg.

Zicht op de Schout Doddestraat

In het gebied zijn nog steeds de zogenaamde kamers langs de Westermaatweg zichtbaar, waar voorheen de agrarische bedrijven gevestigd waren.

vastgesteld Bestemmingsplan Noordflank

7

NL.IMRO.0141.00044-BP31

Hoofdstuk 3 Planuitgangspunten Er zouden zich in eerste instantie drie melkveehouderijen in het gebied vestigen, echter door de vernietiging van de PAS (programmatische aanpak stikstof) is dit plan stil komen te liggen en niet verder tot uitvoer gekomen. Het plan is dan ook vervolgens gewijzigd in het vestigen van twee akkerbouwbedrijven en vier burgerwoningen. Deze laatste zijn opgenomen om de cultuurhistorische waarden in het gebied - een lint van bebouwingskamers omzoomt door een houtwal langs de Westermaatweg - te behouden. Met deze invulling als basis is de bestemmingsplanprocedure ingestart en zijn onderzoeken uitgevoerd waarmee de impact vanuit de verschillende omgevingsaspecten in beeld kon worden gebracht. Uitkomst van het stikstofonderzoek toonde echter aan dat het niet mogelijk was twee akkerbouwbedrijven in het plangebied te huisvesten zonder daarmee de stikstofuitstoot in de meest nabijgelegen stikstofgevoelige natuurgebieden tot onder de norm te beperken. Uit het onderzoek blijkt dat het niet mogelijk is om binnen de stikstofnormen twee akkerbouwbedrijven in het plangebied kwijt te kunnen. Hierom is uiteindelijk in overleg met de provincie gekozen voor een invulling met één akkerbouwbedrijf en vijf burgerwoningen.

Evenwel zullen binnen het plangebied twee akkerbouwbedrijven actief zijn, maar heeft een van deze bedrijven het bedrijfsgebouw op een locatie ergens buiten het plangebied.

Figuur: Planologische tekening van de ontwikkeling.

Onderhavig bestemmingsplan is een planologische uitwerking van dit laatste voorstel. Met het onderhavige bestemmingsplan krijgt het gebied voor het overgrote deel de eerdere agrarische bestemming terug. In het onderhavige bestemmingsplan wordt één agrarische bouwvlak opgenomen ten behoeve van akkerbouw. Het voornemen is om het nieuwe agrarische bedrijven te vestigen aan de Westermaatweg. Aan de Westermaatweg is tevens dan ruimte voor nieuwe burgerwoningen binnen de cultuurhistorische boerderijkamers lang de Westermaatweg. Bij de planontwikkeling is veel waarde gehecht aan het behoud van de kamers aan de Westermaatweg. Uitgangspunt was dat de nieuwe erven als compacte elementen, die qua maat en schaal passen in de grootschalige open ruimte, gestalte krijgen. Op structuurniveau moeten de structuurbepalende elementen van het landschap, de grootschalige openheid en het dichtere lint van de voormalige boerderijkamers aan de Westermaatweg beleefbaar blijven. De voormalige boerderijkamers moeten dus als samenhangend

vastgesteld Bestemmingsplan Noordflank

8

NL.IMRO.0141.00044-BP31

geheel herkenbaar blijven en de kenmerkende openheid van het grootschalige landschap met een herkenbaar samenhangend lint van bebouwing en beplantingen moet gewaarborgd worden. Om ervoor te zorgen dat het gebied een overwegend en herkenbaar agrarisch karakter krijgt/behoudt, biedt het bestemmingsplan ruimte om naast en ondergeschikt aan de woonfunctie agrarische activiteiten uit te oefenen. Daarbij kan worden gedacht aan agrarische activiteiten ten behoeve van het bij voorkeur op een duurzame, originele of traditionele manier be- en verwerken van agrarische producten, zoals een imkerij, riet- en vlechtwerk, een boomgaard, vervaardiging streekeigen producten, klompenmakerij en een kaasmakerij. Ook de kleinschalige verkoop van mogelijk ter plaatse gekweekte of vervaagdigde producten moet dan binnen de bestemming mogelijk zijn. Hiermee wordt enerzijds voorzien in een bestaande behoefte - in onze regio bestaat behoefte aan percelen in het buitengebied met dergelijke mogelijkheden - en anderzijds draagt dit bij aan de versterking van het agrarische karakter van deze omgeving. Naast de juridisch planologische inpassing van een akkerbouwbedrijf en een vijftal burgerwoningen regelt het nieuwe bestemmingsplan ook een in te lossen boscompensatie in het zuiden van het plangebied.

vastgesteld Bestemmingsplan Noordflank

9

NL.IMRO.0141.00044-BP31

Hoofdstuk 4 Beleidskader 4.1 Rijksbeleid 4.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte vastgesteld. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau. In de SVIR heeft het Rijk drie rijksdoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028): <0000> Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de <0000> ruimtelijk-economische structuur van Nederland; <0000> Het verbeteren, instandhouden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; <0000> Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Voor de drie rijksdoelen worden de 13 onderwerpen van nationaal belang benoemd. Hiermee geeft het Rijk aan waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. Buiten deze nationale belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. De drie hoofddoelen van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid kennen nationale opgaven die regionaal neerslaan.

Opgaven van nationaal belang in Oost-Nederland (de provincies Gelderland en Overijssel) zijn: <0000> Het waar nodig verbeteren van de internationale achterlandverbindingen (weg, spoor en vaarwegen) die door Oost Nederland lopen. Dit onder andere ten behoeve van de mainports Rotterdam en Schiphol; <0000> Het formuleren van een integrale strategie voor het totale rivierengebied van Maas en Rijntakken (Waal, Nederrijn, Lek en de IJssel, deelprogramma rivieren van het Deltaprogramma) en de IJsselvechtdelta (deelprogramma's zoetwater en rivieren) voor waterveiligheid in combinatie met bereikbaarheid, ruimtelijke kwaliteit, natuur, economische ontwikkeling en woningbouw; <0000> Het tot stand brengen en beschermen van de (herijkte) EHS, inclusief de Natura 2000 gebieden (zoals de Veluwe); <0000> Het robuust en compleet maken van het hoofdenergienetwerk (380 kV), onder andere door het aanwijzen van het tracé voor aansluiting op het Duitse hoogspanningsnet. 4.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking In de SVIR wordt de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden.

Hierbij dient de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling te worden aangetoond. De ladder kent drie treden die achter elkaar worden doorlopen. In de afbeelding hierna worden deze treden schematisch weergegeven.

vastgesteld Bestemmingsplan Noordflank

10

NL.IMRO.0141.00044-BP31

Artikel 3.1.6, tweede lid, Bro is van toepassing op plannen die en “nieuwe stedelijke ontwikkeling” mogelijk maken. Dat begrip is in artikel 1.1.1, eerste lid onder i, Bro, gedefinieerd als “een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen”. De vraag die zich voordoet is of het vestigen van agrarische bedrijven als een “andere stedelijke voorziening” kan worden aangemerkt. Een niet-intensief agrarisch bedrijf, welke vanwege de bedrijfsvoering in het buitengebied geplaatst dien te worden is geen stedelijke ontwikkeling zodat in dit geval artikel 3.1.6, tweede lid, Bro niet van toepassing is. Met een agrarische bestemming wordt namelijk niet de ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of een andere stedelijke ontwikkeling mogelijk gemaakt. De vijf burgerwoningen, ter vervanging van een bestemmingsplan dat bij recht een groot aantal woningen toelaat betreft ook geen "nieuwe stedelijke ontwikkeling", mede gezien de aard en omvang van de ontwikkeling, in relatie tot de omgeving.

4.2 Provinciaal beleid 4.2.1 Omgevingsvisie Overijssel Op 12 april 2017 is de 'Omgevingsvisie Overijssel 2017. Beken kleur' vastgesteld. De Omgevingsvisie is dé provinciale visie voor de fysieke leefomgeving van Overijssel. In de omgevingsvisie worden onderwerpen bekeken als ruimtelijke ordening, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur in samenhang voor een duurzame ontwikkeling van de leefomgeving. Het beleid van de fysieke leefomgeving staat primair in dienst van de sociaal-economische ontwikking van Overijssel. De opgaven en kansen waar de provincie voor staat, zijn vertaald in centrale beleidsambities voor negen beleidsthema’s . Deze worden benaderd vanuit de – overkoepelende – rode draden duurzaamheid en ruimtelijke en sociale kwaliteit, waarvoor– themaoverstijgende – kwaliteitsambities zijn geformuleerd.

vastgesteld Bestemmingsplan Noordflank

11

NL.IMRO.0141.00044-BP31

Dit alles is vertrekpunt voor alle projecten en initiatieven in de provincie Overijssel en is vertaald in een ‘wenkend perspectief’ én in provinciale generieke beleidskeuzes, ontwikkelingsperspectieven en (de catalogus) gebiedskenmerken. Om te bepalen of een initiatief bijdraagt aan de ambities van de provincie, wordt gebruik gemaakt van het bovenstaande Uitvoeringsmodel. In dit uitvoeringsmodel staan de stappen of, waar en hoe centraal. Bij een initiatief voor bijvoorbeeld woningbouw, een nieuwe bedrijfslocatie, toeristisch-recreatieve voorzieningen, natuurontwikkeling, etcetera kan aan de hand van deze drie stappen bepalen of een initiatief binnen de geschetste visie voor Overijssel mogelijk is, waar het past en hoe het uitgevoerd kan worden. Generieke beleidskeuzes. Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. Of een initiatief mogelijk is, wordt onder andere bepaald door generieke beleidkeuzes van EU, Rijk of provincie. Ontwikkelingsperspectieven. Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de visie op de ruimte in Overijssel wordt zes ontwikkelingsperspectieven onderscheiden: drie voor de Groene Omgeving en drie voor de Stedelijke Omgeving.

Deze ontwikkelingsperspectieven schetsen een ruimtelijk perspectief voor een combinatie van functies en geven aan welke beleids- en kwaliteitsambities leidend zijn. De ontwikkelingsperspectieven geven zo richting aan waar wat ontwikkeld zou kunnen worden. De drie ontwikkelingsperspectieven voor de Groene Omgeving zijn: <0000> de zone Ondernemen met Natuur en Water (ONW) <0000> agrarisch ondernemen in het grootschalige landschap

vastgesteld Bestemmingsplan Noordflank

12

NL.IMRO.0141.00044-BP31

<0000>

wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap

Gebiedskenmerken. Nieuwe ruimtelijke opgaven moeten verbonden worden met bestaande gebiedskenmerken. De gebiedskenmerken spelen zo een belangrijke rol bij de vraag hoe een initiatief invulling kan krijgen. Onder gebiedskenmerken worden de ruimtelijke kenmerken van een gebied of een gebiedstype die bepalend zijn voor de karakteristiek en kwaliteit van dat gebied of gebiedstype verstaan. De gebiedskenmerken die van provinciaal belang zijn, zijn opgenomen in de Catalogus Gebiedskenmerken. Voor alle gebiedstypen in Overijssel wordt beschreven welke kwaliteiten en kenmerken in de vier lagen behouden, versterkt en ontwikkeld moeten worden. De kwaliteitsopgaven en -voorwaarden in de catalogus zijn integraal, in de zin dat ze aspecten als milieu, water, cultuur, landschap en infrastructuur omvatten voor zover ze te koppelen zijn aan een gebiedstype. De gebiedskenmerken worden onderscheiden in vier lagen: <0000> de natuurlijke laag <0000> de laag van het agrarisch cultuurlandschap <0000> de stedelijke laag <0000> de laag van de beleving

4.2.2 Omgevingsverordening De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. De artikelen 2.1.3 (Zuinig en zorvuldig ruimtegebruik), 2.1.4 , 2.15, 2.1.6 en 2.1.74 uit de Omgevingsverordening zijn van toepassing op dit bestemmingsplan: Artikel 2.1.5. Ruimtelijke Kwaliteit. lid 1: In de toelichting op bestemmingsplannen wordt onderbouwd dat de nieuwe ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt, bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken. lid 2 : In het kader van de toelichting als bedoeld in lid 1 wordt inzichtelijk gemaakt op welke wijze toepassing is gegeven aan het Uitvoeringsmodel (OF-, WAAR- en HOE-benadering) die in de Omgevingsvisie Overijssel is neergelegd. vastgesteld Bestemmingsplan Noordflank

13

NL.IMRO.0141.00044-BP31

lid 3 : In het kader van de toelichting als bedoeld in lid 1 wordt gemotiveerd dat de nieuwe ontwikkeling past binnen het ontwikkelingsperspectief die in de Omgevingsvisie Overijssel voor het gebied is neergelegd. lid 4: Gemeenteraden mogen gemotiveerd afwijken van het ontwikkelingsperspectief dat voor het betreffende gebied geldt, wanneer: a. er sprake is sociaal-economische en/of maatschappelijke redenen; en b. voldoende verzekerd is dat er sprake is van versterking van ruimtelijke kwaliteit conform de gebiedskenmerken. lid 5: In het kader van de toelichting als bedoeld in lid 1 wordt inzichtelijk gemaakt op welke wijze toepassing is gegeven aan de vier-lagenbenadering die onderdeel uitmaakt van het Uitvoeringsmodel en op welke wijze de Catalogus Gebiedskenmerken is gebruikt bij de ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling. lid 6: Bestemmingsplannen die betrekking hebben op gebieden waarvoor in de Catalogus Gebiedskenmerken normerende uitspraken worden gedaan voorzien voor zover deze uitspraken zich daarvoor lenen, in een bestemmingsregeling conform deze normerende uitspraken. lid 7: Bestemmingsplannen die betrekking hebben op gebieden waarvoor in de Catalogus Gebiedskenmerken richtinggevende uitspraken worden gedaan voorzien voor zover deze uitspraken zich daarvoor lenen, in een bestemmingsregeling conform deze richtinggevende uitspraken.

lid 8: Van normerende uitspraken in de Catalogus Gebiedskenmerken zoals bedoeld in lid 6 mag gemotiveerd worden afgeweken wanneer: a. er sprake is van zwaarwegende sociaal-economische en/of maatschappelijke redenen en b. voldoende verzekerd is dat er sprake is van versterking van ruimtelijke kwaliteit conform de provinciale ambities zoals aangegeven in de Catalogus Gebiedskenmerken. lid 9: Van richtinggevende uitspraken in de Catalogus Gebiedskenmerken zoals bedoeld in lid 7 mag worden afgeweken mits voldoende gemotiveerd is dat de kwaliteitsambitie zoals aangegeven in de Catalogus Gebiedskenmerken in gelijke mate gerealiseerd wordt. Artikel 2.1.7 Kwaliteitsimpuls agro en food lid 1: Bedrijfsontwikkeling en nieuwvestiging van agrarische bedrijven mag uitsluitend worden toegestaan op bestaande agrarische bouwpercelen of op voormalige agrarische bouwpercelen. Artikel 2.2.2 Realisatie nieuwe woningen lid 1: Bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 onder c van de Wabo, voorzien uitsluitend in de mogelijkheid tot het realiseren van nieuwe woningen als de behoefte daaraan is aangetoond door middel van een actueel onderzoek woningen. 4.2.3 Toetsing aan uitgangspunten van visie en verordening Het gebied is gelegen in het ontwikkelingsperspectief "Agrarisch ondernemen in het grootschalige landschap".

Het gaat hier om gebieden waar verdere modernisering en schaalvergroting van de landbouw in combinatie met verduurzaming de ruimte krijgt. Dit ontwikkelingsperspectief biedt ruimte aan concurrerende en innovatieve vormen van landbouw en aan opwekking van hernieuwbare energie. Denk daarbij aan zonnepanelen, maar ook aan windenergie en biovergisters. Juist het terugbrengen van een woonbestemming naar een agrarische bestemming is passend binnen dit ontwikkelingsperspectief. Nieuwe initiatieven moeten aansluiten bij de bestaande bebouwing en wegstructuur. Voordat het bestemmingsplan Waterrijk werd vastgesteld, was het gebied in agrarisch gebruik. Met het bestemmingsplan Waterrijk zijn de agrarische bouwvlakken uit het gebied verdwenen. De bebouwing hiervan is deels gesloopt. In het gebied zijn dus voormalige agrarische bouwvlakken gelegen.

vastgesteld Bestemmingsplan Noordflank

14

NL.IMRO.0141.00044-BP31

De 8 voormalige boerderijkamers - omzoomt door houtwallen- zijn nog duidelijk zichtbaar in het landschap. In vier boerderijkamers staat nog de voormalige agrarische bedrijfswoning met enkele opstallen, welke worden omgezet naar burgerwoning. In het gebied wordt één agrarisch bouwvlak gerealiseerd (een voormalige boerderijkamer) Er wordt dus gebruik gemaakt van voormalige agrarische bouwvlakken. Het bestemmingsplan voorziet in een afname van 181 woningen welke bij recht kunnen worden opgericht. In het gebied zullen zoveel mogelijk bestaande houtwallen in stand worden gelaten. Daarmee wordt voor de locatie en invulling van de bouwvlakken voldaan aan de kwaliteitseisen zoals gesteld in de provinciale omgevingsverordening. Vergeleken met de vigerende bestemming van het bestemmingsplan Waterrijk draagt de voorgestelde ontwikkeling van dit bestemmingsplan bij aan de doelstelling die de provincie met het gebied voor ogen heeft.

4.3 Gemeentelijk beleid 4.3.1 Masterplan Zoals in de aanleiding (paragraaf 1.1) als is aangegeven is in het Masterplan Almelo en het voormalige Structuurplan Almelo, symbiose tussen stad en land, werd uitgegaan van een grootschalige woningbouwontwikkeling aan de noordzijde van de stad met in totaal 4200 woningen. Op 15 januari 2013 heeft de gemeenteraad ingestemd met het verkennen van de mogelijkheden voor een transitiestrategie van het gebied ten noorden van de Westermaatweg ter grootte van ca. 140 hectare dat onderdeel was van het woningbouwproject Waterrijk. Dit heeft geleid tot onderhavig bestemmingsplan. Aangezien het Masterplan nog steeds uitgaat van een grootschalige woningbouwontwikkeling in het plangebied past het intitiatief niet binnen de kaders van het Masterplan. Zoals in deze toelichting staat beschreven zal Waterrijk niet tot uitvoer komen en heeft de gemeenteraad van Almelo meerdere besluiten genomen om tot de voorliggende ontwikkeling te komen. 4.3.2 Omgevingsvisie Almelo De 'Omgevingsvisie voor de ideale gemeente Almelo' is op 29 september 2020 door de gemeenteraad van de gemeente Almelo vastgesteld. In de Omgevingsvisie staat hoe de omgeving binnen de gemeente Almelo zich tot nu toe heeft gevormd en wat de visie is voor de toekomst.

Voor de Omgevingsvisie is de gemeente Almelo verdeeld in vier gebieden: <0000> het buitengebied; <0000> de bedrijventerreinen; <0000> de wijken & dorpen; <0000> en de binnenstad; Daarnaast zijn er onderwerpen die voor alle gebieden hetzelfde zijn, die los van de gebiedsindeling, in algemeenheid zijn beschreven. Het plangebied ligt in het buitengebied waardoor de visie voor het buitengebied het meest relevant is.

vastgesteld Bestemmingsplan Noordflank

15

NL.IMRO.0141.00044-BP31

Het buitengebied is het geheel aan grafelijke gebieden en landgoederen, het oude cultuurlandschap, het jonge ontginningslandschap, het boerenland en de beroemde groene longen van Almelo, die in een vlindervorm om onze stad en dorpen liggen. De gemeente wil het buitengebied optimaal benutten ten gunste van de economie, recreatie, imago, klimaatbestendigheid en duurzaamheidsdoelen, zonder nadelige effecten voor het buitengebied, de bewoners en gebruikers. Almelo werkt aan het verbeteren van de biodiversiteit en het landschap. Onder meer door het herstellen van (cultuurhistorisch) landschapselementen. Het toevoegen van woningen gebeurt dan ook alleen als het echt nodig is en meerwaarde heeft. Te veel bewoning zet het buitengebied op slot voor agrariërs. De in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling zet hierop in. Juist door de woningen kunnen cultuurhistorische elementen behouden en versterkt worden. 4.3.3 Kaderstelling Landelijk Gebied Op 10 juli 2012 heeft de raad van Almelo de Kaderstelling Landelijk gebied vastgesteld. Het plangebied Waterrijk is buiten de toepassing van de Kaderstelling gehouden. 4.3.4 _Onbekend_ De gemeente Almelo werkt aan een duurzame samenleving en streeft naar meer duurzame energieopwekking, met als doel in 2050 zo goed als klimaatneutraal te zijn. Daarnaast werkt de gemeente in de regio samen aan een Regionale Energie Strategie (RES).

Almelo heeft zich voorbereid door onderzoek te doen naar de kansen en belemmeringen voor duurzame energieopwekking en door het landschap te analyseren. Het resultaat is een Duurzame Energieladder. Op 21 januari 2020 is de Duurzame Energieladder door de gemeenteraad vastgesteld. Uit de Energieladder is mede een zoekgebied voor ontwikkeling van windenergie naar voren gekomen. Het plangebied van voorliggend bestemmingsplan ligt in de omgeving van dit zoekgebied. Gelet op het feit dat bij de plaatsing van windmolens rekening gehouden wordt met afstanden tot geluidgevoelige objecten als woningen, moet een voldoende afstand tot bijvoorbeeld nieuwe woningen kunnen worden geborgd. Bij de uitwerking en uitvoering van het bestemmingsplan dient daar aandacht voor te zijn. Gelet op de aanwezigheid van geluidsgevoelige objecten reeds in de bestaande situatie is echter het beperkende effect van het plan op de omvang van het zoekgebied als gering aan te merken. Maatregelen zijn te treffen of voorwaarden zijn te stellen om dit beperkende effect weg te nemen. Voor het bestemmingsplan betreffen dit geen omstandigheden die de uitvoerbaarheid belemmeren.

vastgesteld Bestemmingsplan Noordflank

16

NL.IMRO.0141.00044-BP31

Hoofdstuk 5 Milieu-aspecten 5.1 Milieueffectrapportage Ruimtelijke activiteiten kunnen een impact hebben op het milieu. Om deze reden is er voor sommige initiatieven sprake van een m.e.r.-plicht (milieueffectrapportage-plicht), m.e.r.-beoordelingsplicht of is er sprake van een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Of er bij dit initiatief sprake is van een van deze verplichtingen is geregeld in het Besluit m.e.r. De in dit bestemmingsplan genoemde activiteiten zijn niet genoemd in de bijlagen 1 en 2 van het Bestluit m.e.r. Er is geen sprake van een m.e.r.-plicht, m.e.r.-beoordelingsplicht of vormvrije m.e.r.-beoordelling.

5.2 Externe veiligheid 5.2.1 Algemeen Bij het opstellen van de externe veiligheidsparagraaf is uitgegaan van de huidige wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Door de gemeente Almelo is tevens externe veiligheidsbeleid vastgesteld. Bij het realiseren van ruimtelijke plannen wordt rekening gehouden met de in dit externe veiligheidsbeleid vastgestelde uitgangspunten. De risicobronnen in en om het plangebied zijn geïnventariseerd. Beoordeelde risicobronnen kunnen bedrijven zijn, maar ook transportroutes over de weg, rail of vaarwater en leidingroutes voor brandstoffen, zoals gasleidingen. Beoordeeld is of kan worden voldaan aan de grenswaarden voor het plaatsgebonden risico en of voldaan kan worden aan de oriënterende waarde voor het groepsrisico. Het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen (BEVI), de regeling externe veiligheid inrichtingen (REVI) en de handreiking verantwoording groepsrisico zijn bij deze beoordeling o.a. toegepast. Bedrijven zoals geregistreerd in het “Risico Register Gevaarlijke Stoffen”, het RRGS, zijn in de beoordeling van het plaatsgebonden en het groepsrisico, voor zover aanwezig, ook meegenomen. Voor het beoordelen van transportrisico’s is gebruik gemaakt van de circulaire “Risico Normering vervoer Gevaarlijke Stoffen” het RNGS en het basisnet.

Voor het beoordelen van de risico’s van gasleidingen is het Besluit Externe Veiligheid Buisleidingen (BEVB) gebruikt. Getracht wordt de risicocontouren zoveel mogelijk op het terrein van de risico-inrichting/bron zelf te projecteren. Dit teneinde beperking van het gebruik van terrein van derden zoveel mogelijk te voorkomen. Daar waar veiligheidscontouren zich uitstrekken tot terreinen van derden kan dit beperkingen opleveren voor het gebruik van deze terreinen. Dit plangebied bestaat uit een woongebied. De mogelijkheden voor het vestigen van nieuwe risicobedrijven wordt in dit plan dan ook uitgesloten. 5.2.2 Risicobronnen in het plangebied Binnen het plangebied zijn geen relevante risicobronnen aanwezig en worden geen risicobronnen toegestaan. 5.2.3 Risicobronnen in de omgeving In de directe omgeving van het plangebied zijn geen relevante risicobronnen aanwezig die met hun effectafstanden tot in het plangebied reiken, Gesteld kan worden dat er geen sprake is van aspecten die relevant zijn voor deze planontwikkelingen.

vastgesteld Bestemmingsplan Noordflank

17

NL.IMRO.0141.00044-BP31

5.3 Luchtkwaliteit 5.3.1 Stikstof Het plangebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden, het Wierdense Veld en de Engbertsdijkvenen, liggen op ca 5 km afstand van dit plangebied (5-10 km). Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling en de afstand tot natuurgebieden kunnen verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten. Alhoewel dit initiatief mede is voortgekomen vanuit de doelstellingen voor stikstofreductie (het uitplaatsen van agrariërs in/nabij Natura 2000 gebied) beschouwen wij dit initiatief als een autonoom initiatief en maken wij voor de stikstofbeoordeling geen gebruik van interne of externe stikstof saldering. Ofwel: dit planinitiatief wordt als een autonoom project beschouwd. Door adviesbureau De Haan is onderzoek uitgevoerd naar de effecten van het planinitiatief op de omliggende Natura2000 gebieden. (AH.2021.0781.N001 8 maart 2021). Uit de resultaten blijkt geen relevante toename van de stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. 5.3.2 Luchtkwaliteit Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden. Deze wet bewaakt de luchtkwaliteit in een plangebied. Dit zowel qua achtergrondconcentraties alswel als de bijdrage van een plan aan deze achtergrond concentratie.

De achtergrond concentratie in Almelo is van zodanige aard dat ruimtelijke ontwikkelingen niet worden beperkt door deze achtergrondconcentratie.

5.4 Geluid 5.4.1 Wegverkeerslawaai Toetsingskader Normstelling Langs alle wegen - met uitzondering van 30 km/h-wegen en woonerven- bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen of buiten stedelijke ligging. De geluidhinder wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day-evening-night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal. Nieuwe situaties Voor de geluidsbelasting aan de buitengevels van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen de wettelijke geluidszone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In bepaalde gevallen is het verlenen van een hogere waarde mogelijk. Hogere grenswaarden kunnen alleen worden verleend nadat is onderbouwd dat maatregelen om de geluidsbelasting aan de gevel van geluidsgevoelige bestemmingen terug te dringen onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Deze hogere grenswaarde mag de maximale ontheffingswaarde niet te boven gaan.

Krachtens artikel 110g van de Wet geluidhinder mag het berekende geluidsniveau van het wegverkeer worden gecorrigeerd in verband met de verwachting dat motorvoertuigen in de toekomst stiller zullen worden Uit het gemeentelijk geluidsverkeersmodel blijkt dat de voorkeursgrenswaarden zoals gesteld in de Wet geluidhinder worden niet overschreven. Het gebied kleurt groen. Het gewenste omgevingsniveau en binnenniveau kan worden gegarandeerd. Nader akoestische maatregelen zijn niet noodzakelijk.

vastgesteld Bestemmingsplan Noordflank

18

NL.IMRO.0141.00044-BP31

5.4.2 Bedrijfsactiviteiten Binnen het plangebied is een akkerbouwbedrijf toegestaan. In de directe omgeving van dit bedrijf zijn woonbestemmingen toegestaan. Bedrijfsactiviteiten, zeker in de vroege ochtend of late avonduren kunnen tot een verstoring van de leefomgeving leiden. Wij hebben doormiddel van een akoestisch onderzoek (De haan, AH.2021.0781.00.R001) beoordeeld of er in de leefomgeving sprake zal zijn van een goede woonkwaliteit. Wij zijn bij onze beoordeling uitgegaan van de normering zoals deze geldt voor het landelijk gebied. Het akoestisch rapport laat zien dat bij de woonbestemmingen sprake is van een goed woon en leefklimaat. Er wordt ruimschoots voldaan aan de streefwaarden voor geluid.

5.5 Bodemkwaliteit In het kader van het plan Waterrijk zijn door de Gemeente Almelo diverse percelen verworven waaronder de kavels die nu een bedrijfsbestemming of woonbestemming krijgen. In het kader van deze verwerving zijn deze kavels onderzocht en is voor het vingerende bestemmingsplan geconcludeerd dat de bodem hygiënische kwaliteit voldoende is voor de beoogde functie (wonen). Nadien hebben op deze kavels geen ( bodem bedreigende) activiteiten plaatsgevonden. De gronden zijn milieu hygiënisch geschikt voor het beoogde gebruik.

5.6 Flora en fauna In het kader van deze plannen is in 2017 reeds een natuurtoets uitgevoerd. In 2017 heeft aanvullend onderzoek plaatsgevonden naar de aanwezigheid van buizerd, grote bosmuis, huismus, kerkuil, ransuil, steenuil, vleermuizen, eekhoorn en steenmarter. Inmiddels zijn de plannen gewijzigd en is de houdbaarheid van het ecologisch onderzoek verlopen (> 3 jaar). Daarnaast heeft de provincie Overijssel ook egel en kleine marterachtigen (wezel, hermelijn en bunzing) van de vrijstellingslijst gehaald en zijn nesten van enkele vogelsoorten toegevoegd aan de lijst met nesten die jaarrond beschermd zijn. Hierdoor dienen de plannen ook getoetst te worden aan het voorkomen van egel en kleine marterachtigen, torenvalk, bosuil en boerenzwaluw. De gemeente Almelo heeft Ecogroen gevraagd om het ecologisch onderzoek te actualiseren. Voorliggende natuurtoets is bedoeld om inzicht te krijgen in mogelijke effecten op beschermde soorten en houtopstanden die op kunnen treden door de werkzaamheden die door de beoogde bestemmingswijziging mogelijk worden gemaakt. <0000> <0000> <0000> <0000> <0000>

<0000>

Uit de actualisatie van het ecologisch onderzoek is gebleken dat het onderdeel ‘soortbescherming’ van de Wet natuurbescherming de wijziging van de bestemming niet in de weg staat. Evenwel worden in de rapportage enkele adviezen daartoe gedaan die opgevolgd dienen te worden. Bij het voornemen dient de bomenlaan langs de Westermaatweg behouden te blijven en dient eventueel toekomstige verlichting op de nieuwe erven langs de Westermaatweg aangepast te worden aan vleermuizen. Bij het verloren gaan van verblijfplaatsen, nestlocaties en rustplaatsen van vleermuizen, huismus, spreeuw en kerkuil is het aanvragen van een ontheffing nodig. Nestlocaties van de buizerd blijven behouden. Bij het verloren gaan van geschikt leefgebied voor egels en kleine marterachtigen is het aanvragen van een ontheffing nodig. De inrichtingswerkzaamheden op erf 2 en 3 die binnen de verstoringsafstand (<75 meter) van de buizerdnesten worden uitgevoerd, dienen buiten het broedseizoen van de buizerd te worden uitgevoerd om verstoring te voorkomen. Wanneer dit niet mogelijk wordt geadviseerd om voorafgaand aan de inrichtingswerkzaamheden op erf 2 en 3 na te gaan of het nest op dat moment door buizerds gebruikt wordt. Wanneer het nest niet door buizerds gebruikt wordt, kunnen de inrichtingswerkzaamheden zonder aanvullende maatregelen uitgevoerd worden.

Wanneer tijdens de controle gebruik door buizerds vastgesteld wordt, dienen de werkzaamheden te worden uitgesteld tot buiten het broedseizoen van de buizerd. De geschikte periode voor het uitvoeren van de werkzaamheden is september tot februari. Werkzaamheden mogen geen broedbiotopen van aanwezige (algemene) broedvogels verstoren of beschadigen. Hierbij wordt specifiek gedacht aan het verwijderen van bestaande houtwallen en sloopwerkzaamheden. De geschikte periode voor het uitvoeren van werkzaamheden is half november tot half februari. Wanneer de werkzaamheden binnen de broedperiode van vogels

vastgesteld Bestemmingsplan Noordflank

19

NL.IMRO.0141.00044-BP31

<0000>

wordt uitgevoerd dient voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelcontrole te worden uitgevoerd. Bij de geplande ingrepen kunnen enkele exemplaren en verblijfplaatsen van grondgebonden zoogdieren en amfibieën met een provinciale vrijstelling verloren gaan. Voor deze soorten geldt in voorliggende situatie vrijstelling van de verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming, waardoor het nemen van vervolgstappen voor deze soorten niet aan de orde is.

Conclusie Het voldoen aan de adviezen vanuit het ecologisch onderzoek is realiseerbaar. Van daaruit wordt ook vastgesteld dat het belang van soortenbescherming geen belemmering vormt voor dit bestemmingsplan.

5.7 Archeologie en cultuurhistorie Op grond van de Erfgoedwet, het Besluit op de Ruimtelijke Ordening (artikel 3.6.1 lid 1) en het beleid van de gemeente Almelo dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische en cultuurhistorische waarden. In de toelichting van een bestemmingsplan dient een beschrijving opgenomen te worden van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Gemeenten zullen een inventarisatie moeten (laten) maken van alle cultuurhistorische waarden in een bestemmingsplangebied, dus niet alleen van archeologische waarden. Daarnaast moeten ze aangeven welke conclusies ze daaraan verbinden en op welke wijze ze deze waarden borgen in het bestemmingsplan. In deze paragraaf wordt ingegaan op de in het plangebied aanwezige archeologische en cultuurhistorische waarden in het bestemmingsplangebied. 5.7.1 Archeologie De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen: 'de veroorzaker betaalt'. Het deel van de Erfgoedwet dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking treedt.

Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort. Conclusie. Het gehele plangebied kent geen bijzonder verwachting voor het aantreffen van archologische waarden; het is een gebied met een lage archeologische verwachtingswaarde. De kans dat bij de realisatie van de agrariche bedrijven archeologische waarden worden verstoord is hiermee nihil.

vastgesteld Bestemmingsplan Noordflank

20

NL.IMRO.0141.00044-BP31

Uitsnede gemeentelijke archeologische waardenkaart

5.7.2 Cultuurhistorie Cultuurhistorische waarden omvatten meer dan alleen bouwhistorische objecten en monumenten waarop tot voorheen vaak alleen de aandacht lag in bestemmingsplannen. Door middel van een historisch-geografische inventarisatie dienen ook cultuurlandschappelijke structuren en elementen in beeld gebracht moeten worden, zoals oude infrastructuur, verkavelingsstructuren en elementen daarin zoals houtwallen, beeklopen en essen, en moet ook gedacht worden aan het stedenbouwhistorische karakter van wijken en gebieden. Belangrijk is om na te gaan wat het 'eigene' van een gebied is en om dat met al zijn elementen en structuren in beeld te brengen. Het plangebied ligt in het hoogveenlandschap. Dit landschapstype is ontstaan na de laatste ijstijd. Het landijs dat Nederland bedekte, begon te smelten en liet smeltwater-afzettingen achter. Deze afzettingen bevatten onder meer klei en laten slecht water door. Later werd over deze laag een laag met dekzand afgezet. Het regenwater kon wel door de bovenste zandlaag zakken, maar bleef vervolgens op de smeltwaterafzetting liggen. Hierdoor ontwikkelden zich kleine vennetjes, waarin zich veenmos vestig-de. Het mos stierf van onderen af, maar groeide aan de bovenzijde door. Zo ontstond in de loop van duizenden jaren een dik, moerasachtig veenpakket: een opgehoopte massa van afgestorven plantenresten.

Vanaf de Middeleeuwen is het hoogveenlandschap sterk door de mens beïnvloed. Om het gebied bewoonbaar te maken begonnen boeren het veen te ontwateren. Dit deden ze door – in groepsverband – sloten in het veen te graven, haaks op een veen-stroompje of riviertje. Daarmee kon zuurstof toetreden tot de veenbodem en kwam een rottingsproces op gang waarmee de opgehoopte plantenmassa verging tot koolstof. Dit maakte bewoning van het gebied mogelijk. Door het verdergaande rottingsproces kwam het maaiveld echter steeds lager te liggen ten opzichte van het waterpeil in de omringende veengebieden. Dit dwong de boeren de sloten naar achteren te verlengen en hun boerderijen en akkers verder het veen in op te schuiven. Dit systeem van agrarische veenontginning leidde tot het kenmerkende rechtlijnige, planmatige en open veenlandschap met zijn langgerekte kavels.

vastgesteld Bestemmingsplan Noordflank

21

NL.IMRO.0141.00044-BP31

Op historische kaarten, zoals opgenomen in het planMER, is voor het plangebied van dit bestemmingsplan te zien dat het gebied lang gevrijwaard is gebleven van bebouwing. Lange tijd zijn de veengronden als agrarische grond in gebruik geweest. De lange, smalle percelen en de openheid waren kenmerkend voor dit landschap. In de jaren ’60 van de 20ste eeuw vond in het plangebied een ingrijpende ruilverkaveling plaats. Het plangebied behoort tot de grote ruilverkaveling van het gebied rondom Vriezenveen, dat in totaal zo’n 4.400 hectare groot is. De smalle, langgerekte kavels maaktenplaats voor grote, agrarische kavels met moderne agrarische bedrijven. Zo’n 70 boerderijen, die voorheen in het lintdorp Vriezenveen gevestigd waren, werden verplaatst. Zo ontstond één van de nieuwe ‘boerderijlinten’ in het buitengebied, zoals de Westermaatweg. Deze nieuwe wegen met hun agrarische erven en boerderijen vormen een nieuwe, ruimtelijke drager in het verder open en weidse veengebied. Ook in de noord-zuid richting, dwars op de ‘boerderijstraten’ zijn nieuwe wegen aangelegd. In het oorspronkelijke ontwerp voor de ruilverkaveling zijn hierlangs geen boerderijen getekend. Pas enkele decennia later vestigden zich langs deze wegen enkele bedrijven. De Oudewegsebeek en de Derde Wetering speelden lange tijd een zeer belangrijke rol in de ontwatering van het plangebied.

Samen met de vele sloten zorgen zij er ook nu nog voor dat de gronden voor agrarische doeleinden gebruikt kunnen worden. Met het graven van het Lateraalkanaal, in de jaren ’80 van de 20ste eeuw, wordt een nieu-we belangrijke watergang aan het gebied toegevoegd. Dit kanaal is met name bedoeld om bij extreme waterstanden het overtollige water van de stad Almelo af te voe-ren. Waar op de kaart van 2007 nog te zien is dat alle erven aan de Westermaatweg bebouwd zijn, is op het kaartbeeld van de huidige situatie te zien dat enkele ‘nieuwe even’ uit de jaren ’60 inmiddels alweer verdwenen zijn. De bebouwing is afgebroken, maar de erfbeplanting laat de oorspronkelijke kavelvorm nog zien.

vastgesteld Bestemmingsplan Noordflank

22

NL.IMRO.0141.00044-BP31

Huidige landschapsstructuur Het plangebied betreft een hoofdzakelijk open agrarisch gebied met een grootschalig karakter. Landschappelijk is het te beschouwen als een jong veenontginningsgebied (voornamelijk hoogveen) met een rechtlijnig karakter. Het landschap is na de ontve-ning opnieuw ingericht middels een grote ruilverkaveling in de zeventiger jaren van de vorige eeuw. Het landschap kent een strenge orthogonale ordening in de zuidwest-noordoost richting. Volgens de gebiedskenmerkenkaart van de Omgevingsvisie kent het gebied geen waardevolle hoogveenrestanten. De cultuurhistorische waardenkaart van de Provincie Overijssel laat zien welke elementen in het gebied een belangrijke waarde hebben. Het plangebied maakt deel uit van een oude agrarische veenontginning volgens de cultuurhistorische waardenkaart (de groene kleur op navolgende kaart).

vastgesteld Bestemmingsplan Noordflank

23

NL.IMRO.0141.00044-BP31

Het gehele gebied maakt hiernaast onderdeel uit van een cultuurhistorische waarde-vol ruilverkavelingsblok. Het gearceerde, roze gebied laat het door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed aangewezen waardevolle wederopbouwgebied zien. De Alme-loseweg, die het plangebied doorsnijdt, wordt gewaardeerd als een eeuwenoude route (tenminste in 1648 al aanwezig). De Derde Wetering en het Lateraalkanaal zijn aangewezen als cultuurhistorisch waardevolle watergang in dit gebied.

Huidige kwaliteiten Ten behoeve van een goede beschrijving van de huidige kwaliteit van het landschap en cultuurhistorie is een opsplitsing gemaakt in drie kwaliteitstypen: <0000> fysieke kwaliteit; <0000> beleefde kwaliteit <0000> inhoudelijke kwaliteit De ‘fysieke’ kwaliteit bestaat uit een zo objectief mogelijke beschrijving van de aanwezige fysieke landschappelijke waarden. De ‘beleefde kwaliteit’ beschrijft in hoeverre de fysieke landschappelijke waarden worden ervaren in het plangebied. Het betreft de visuele beleving van het plangebied. Bij de ‘inhoudelijke kwaliteit’ gaat het om welke in formatie het landschap of landschappelijke object biedt. Het betreffende gebied kan bijvoorbeeld heel uniek zijn in Nederland of heel veel kenmerken bezitten van een be-paald landschapstype. Daarnaast is gekeken of het landschap veel informatie ver-schaft, bijvoorbeeld over de ontstaansgeschiedenis en of de karakteristieke kenmer-ken van het betreffende landschapstype nog aanwezig zijn.

Fysieke kwaliteiten: <0000> Rechtlijnig en open veengebied met weinig bebouwing; <0000> Grootschalig ruilverkavelingsblok met efficiënt ingerichte, agrarische kavels; <0000> Verkavelingsrichting gebaseerd op het Middeleeuwse ontginningspatroon; <0000> Oost-west oriëntatie van cultuurhistorische dragers (Westermaatweg, Derde Wetering, Oudewegsebeek); <0000> Westermaatweg als ‘boerderijstraat’ uit de wederopbouwperiode van de jaren ’60; <0000> Erven gekoppeld aan de nieuwe wegen uit de wederopbouwperiode; <0000> Noord-zuid oriëntatie van overige infrastructuur (Almeloseweg, N36, N347, Late-raalkanaal) Beleefde kwaliteiten: <0000> Grote, open ruimtes waarin besloten, met groen omringde erven liggen; <0000> De richting van de wegen en watergangen geeft de oorspronkelijke verkavelingsrichting aan; <0000> Beplanting langs wegen en watergangen zorgt voor structuur en oriëntatie Inhoudelijke kwaliteiten: <0000> De oorspronkelijke kleinschaligheid van de agrarische veenontginning met zijn smalle, langgerekte kavels komt door de ruilverkaveling niet meer voor in het plan-gebied; <0000> De cultuurhistorische ontwikkeling van de agrarische veenontginning is deels nog wel zichtbaar door de verkavelingsrichting in het gebied;

vastgesteld Bestemmingsplan Noordflank

24

NL.IMRO.0141.00044-BP31

<0000> <0000>

Het vlakke maaiveld en de hoge waterstanden laten zien dat men zich in een veengebied bevindt; Waardevol voorbeeld van de ruilverkaveling uit de wederopbouwperiode.

conclusie. De agrarische kavels en huiskavels vestigen zich aan de Westermaatweg en daarmee in het cultuurhistorische patroon van erven langs de Westermaatweg. Daarmee wordt de oorspronkelijke betekenis en functie uit de wederopbouwperiode hersteld en daarmee ook versterkt.

vastgesteld Bestemmingsplan Noordflank

25

NL.IMRO.0141.00044-BP31

Hoofdstuk 6 Water 6.1 Beleidskader 6.1.1 Europees- en Rijksbeleid Op grond van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) zijn in 2009 stroomgebiedbeheerplannen opgesteld. Hierin staan de doelen en maatregelen om chemisch schoon en ecologisch gezond oppervlakte- en grondwater voor duurzaam gebruik te realiseren. Het gaat om een combinatie van landelijke en gebiedsgerichte maatregelen. De uitvoering van landelijke maatregelen uit het Nationaal Waterplan is in het algemeen volgens schema. De gebiedsgerichte maatregelen zijn uitgevoerd door waterschappen, Rijkswaterstaat, provincies en gemeenten. De omvang van de gebiedsgerichte maatregelen is tussentijds wel bijgesteld, bijvoorbeeld doordat de maatregelen in de rijkswateren die onder het kabinet Rutte 1 zijn getemporiseerd pas na 2015 worden ingelopen. Eind 2015 zijn de stroomgebiedbeheerplannen voor 2016-2021 vastgesteld. Hierin zijn aanvullende landelijke en gebiedsgerichte maatregelen opgenomen. In december 2015 is het Nationaal Waterplan 2016-2021 (NWP2) vastgesteld. Dit plan vervangt het Nationaal Waterplan 2009-2015 inclusief alle tussentijdse wijzigingen. Het NWP2 geeft het integrale kader voor het waterbeleid van het Rijk voor de komende zes jaar en geeft uitvoering aan de Europese richtlijnen voor waterkwaliteit, de mariene strategie en de overstromingsrisico’s.

Om veilig en comfortabel in onze delta te kunnen blijven wonen is het nodig wateropgaven en andere ruimtelijke plannen te combineren. Bijvoorbeeld dijkversterkingen met natuurontwikkeling of bestrijding van wateroverlast met stedelijke herinrichting. Door het slimmer verbinden van water en ruimte moet Nederland de veiligste delta in de wereld blijven. De Stroomgebiedbeheerplannen, het Programma van maatregelen mariene strategie, de Beleidsnota Noordzee en de Overstromingsrisicobeheerplannen maken onderdeel uit van het NWP2. Het NWP2 geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Met dit NWP2 wordt een volgende ambitieuze stap gezet in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit, een duurzaam beheer en goede milieutoestand van de Noordzee en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Hierbij streven we naar een integrale benadering, door economie (inclusief verdienvermogen), natuur, scheepvaart, landbouw, energie, wonen, recreatie en cultureel erfgoed zo veel mogelijk in samenhang met de wateropgaven te ontwikkelen.

Het beleid en de maatregelen in dit Nationaal Waterplan dragen bij aan het vergroten van het waterbewustzijn in Nederland. Het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) heeft tot doel om in de periode tot 2020 het hoofdwatersysteem in Nederland te verbeteren en op orde te houden. Belangrijk onderdeel is om de drietrapsstrategie 'vasthouden, bergen, afvoeren' in alle overheidsplannen als verplicht afwegingsprincipe te hanteren. In het Nationaal Bestuursakkoord is vastgelegd dat de watertoets een verplicht te doorlopen proces is in waterrelevante ruimtelijke planprocedures, waarbij een vroegtijdige betrokkenheid van de waterbeheerder in de planvorming wordt gewaarborgd. 6.1.2 Provinciaal beleid In de Omgevingsvisie Overijssel 2017 en de Omgevingsverordening wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 6.1.3 Beleid Waterschap Vechtstromen

vastgesteld Bestemmingsplan Noordflank

26

NL.IMRO.0141.00044-BP31

Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2016-2021 een Watervisie en een waterbeheerprogramma. De belangrijkste ruimtelijk relevante thema's zijn waterveiligheid, klimaatbestendigheid omgeving en ruimte voor waterberging. Daarnaast is de Keur van Waterschap Vechtstromen een belangrijk regel stellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. In het Waterbeheerplan is aangegeven hoe het waterschap zijn taken de komende jaren (2016 tot 2021) wil uitvoeren. In het plan zijn doelen en maatregelen gesteld voor de thema's waterveiligheid, voldoende water, schoon water en het zuiveren van afvalwater. Deze zijn gericht op het: <0000> voorkomen of beperken van overstromingen, wateroverlast en droogte; <0000> beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater en het zorgen voor een goed functionerend regionaal watersysteem; <0000> het effectief en efficiënt behandelen van afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties. Het waterbeheerprogramma 2022-2027 is op 15 december 2021 vastgesteld. Het waterbeheerprogramma gaat in op alle aspecten van het watersysteembeheer (met uitzondering van het rioleringsbeheer en de drinkwaterzorg). Het waterbeheerprogramma volgt inhoudelijk op de Watervisie 2050, die op 14 april 2021 is vastgesteld.

Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen Vechtstromen wil nemen in de planperiode 2022-2027 om te werken aan de ambities uit de Watervisie. Daarbij kan het gaan om zowel nieuw beleid als bestaand beleid en maatregelen. Voor het nieuwe beleid, dat nog niet is vastgesteld door het dagelijks en/of algemeen bestuur en waarbij het participatieproces nog niet voltooid is, heeft het waterbeheerprogramma een agenderende functie. De voorgenomen ontwikkelingen in de Noordflank zijn niet strijdig met het actuele beleid van Waterschap Vechtstromen. 6.1.4 Gemeentelijk beleid Almelose Klimaatadaptatie Strategie Sinds 2018 het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie van kracht. Hierin hebben Rijk, provincies, waterschappen en gemeenten met elkaar afgesproken dat ons land van af 2050 klimaatrobuust en waterbestendig is ingericht. De verschillende overheden werken hiervoor met elkaar samen in zogenaamde werkregio’s. Voor de gemeente Almelo is dit Twents waternet (TWN). Het Deltaprogramma werkt volgens een aantal stappen: <0000> WETEN: we brengen de effecten en kwetsbaarheden in beeld <0000> WILLEN: we gaan met de stad in gesprek om de gezamenlijke ambitie te bepalen <0000> WERKEN: we stellen een agenda op met concrete acties die Almelo klimaatrobuust maken De stappen zijn vertaald in 7 ambities: 1. Kwetsbaarheden in beeld brengen 2. Risicodialoog voeren en strategie opstellen 3.

Uitvoeringsagenda opstellen 4. Meekoppelkansen benutten 5. Stimuleren en faciliteren 6. Reguleren en borgen 7. Handelen bij calamiteiten In het AKAS zijn de ambities gekoppeld aan de klimaattrends en zoveel mogelijk uitgewerkt in kwalitatieve en getalsmatige uitgangspunten voor nieuwbouw, openbare ruimte en privaat terrein. Het AKAS beperkt zich tot de klimaattrends wateroverlast (inclusief overstromen van beken en kanalen), hitte en droogte. Wateroverlast: Uitgangspunt bij wateroverlast is dat bij extreme regenval hoofd- en gebiedsontsluitingswegen toegankelijk voor hulpdiensten blijven. Ter voorkoming van overlast bij extreme regenval zijn uitgangspunten voor te nemen maatregelen opgesteld. <0000> Voor nieuw aan te leggen hoofd- en gebiedsontsluitingswegen geldt dat de waterdiepte (waterplassen op straat) gemiddeld over de breedte van de weg niet groter mag zijn dan 10 cm bij een bui van respectievelijk 70mm (hoofdwegen) en 45mm (gebiedsontsluitingswegen) in één uur. Voor bestaande hoofd- en gebiedsontsluitingswegen (inclusief tunnels) met kans op een waterdiepte van meer dan 25 cm bij een bui is het uitgangspunt dat deze voor 2030 worden aangepakt. Voor bestaande hoofd- en gebiedsontsluitingswegen met minder dan 25 cm maar vastgesteld Bestemmingsplan Noordflank

27

NL.IMRO.0141.00044-BP31

<0000>

<0000>

<0000>

meer dan 10 cm waterdiepte geldt dat de gemeente bij herinrichting streeft de duur van water op straat bij een bui van 45 mm in één uur te beperken tot maximaal 2 uur, voor private wegen geldt een waterdiepte van meer dan 10 cm bij een bui van 70mm of 45mm in één uur. Voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen en nutsvoorzieningen geldt dat het vloerpeil minimaal 30 cm boven het wegpeil dient te liggen. Voor stedelijke in- en uitbreidingen geldt bovendien dat water binnen het plangebied op doelmatige wijze geborgen moet worden (40 mm (uitbreidingslocaties) of 20 mm (inbreidingslocaties)). De wijze waarop is ter goedkeuring door de gemeente. Bij de herinrichting van de openbare ruimte streeft de gemeente ernaar dat een bui van 70 mm in één uur, door een gebied/wijk verwerkt kan worden zonder dat er nieuwe onacceptabele situaties ontstaan. De gemeente hanteert hierbij de volgorde: water vasthouden op locatie, berging in het gebied en indien nodig afvoeren. Voor de riolering kan eventueel worden uitgegaan van een afvoercapaciteit van 20 mm per uur; de overige waterberging moet in het gebied worden gecreëerd. Eigenaren van bestaande percelen worden gestimuleerd af te koppelen en hun tuin te ontstenen / vergroenen.

Om overlast van grondwater bij nieuwbouw tegen te gaan geldt een vloerhoogte van minimaal 100 cm en straatpeil van 80 cm ten opzichte van de GHG (Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand). Voor gebieden in de openbare ruimte waar structureel sprake is van grondwateroverlast neemt de gemeente maatregelen indien dat doelmatig is. Voor bestaande bouw geldt een vloerhoogte van minimaal 90 cm en straatpeil van 70 cm ten opzichte van de GHG (Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand). Eigenaren van privaat terrein zijn zelf verantwoordelijk voor het voorkomen of beperken van schade door grondwater.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Almelo&id=5a8eb278-c07f-4e65-b998-7a6ea4443a8a