07 Ontwerpbestemmingsplan Herontwikkeling Acaciaschool.pdf
Tekst van het document
Aangezien het Thomashuis wordt aangemerkt als één woning wordt elders in de stad één woning hiervoor ingeruild. Het betreft een woning welke eerst verhuurd werd en verkocht is op de particuliere markt. Zo is er geen strijd met de woningbouwprogrammering. Zorgbehoefte / zorgplicht: Op de locatie gaat zich onder andere een Herbergier vestigen, een kleinschalige zorginstelling waar mensen met dementie gaan wonen. Daarmee wordt voorzien in een behoefte binnen de gemeente Almelo. Zorgdruk (Belastbaarheid): Veiligheid: De locatie is geschikt voor de te vestigen doelgroep. De doelgroep (Alzheimerpatiënten met minimaal zorgprofiel 4) waarvoor gebouwd wordt, zal voornamelijk gebruik maken van interne voorzieningen. De zorgvoorziening brengt geen grote belastbaarheid voor de buurt met zich mee. Financiën: De zorginstelling richt zich op zorgbehoeftigen onder het regime van de Wet langdurige zorg (Wlz). Dit legt geen beslag op gemeentelijke middelen (er wordt dan geen beroep gedaan op de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo)). Conclusie beoogde ontwikkeling De Herbergier krijgt een "Maatschappelijke" bestemming en voldoet aan alle criteria zoals genoemd in de Meetlat voor verzoeken tot vestiging woon-zorgaanbieders.
De bewoners van het Thomashuis voldoen aan de criteria van nagenoeg zelfstandige bewoning met een zekere mate van verbondenheid tussen de bewoners, wanneer er in ieder geval sprake is van het in belangrijke mate zelfstandig functioneren ten opzichte van de ondersteunende diensten en centrale voorzieningen en er geen sprake is van permanente begeleiding waardoor de bestemming “Wonen” hier van toepassing is. De boogde ontwikkeling past binnen de visie van de gemeente Almelo. Daarnaast voldoet de ontwikkeling aan de criteria voor woon-zorgaanbieders. Dit wordt onderbouwd in de zorg-marktanalyse in bijlage 7.
ontwerp bestemmingsplan Herontwikkeling Acaciaschool
27
NL.IMRO.0141.00106-BP21
ontwerp bestemmingsplan Herontwikkeling Acaciaschool
28
NL.IMRO.0141.00106-BP21
Hoofdstuk 5 Omgevingsaspecten 5.1
Vormvrije mer-beoordeling
Beleid en Normstelling In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten. Onderzoek en conclusie In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject mer-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat. De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van een zorgcomplex en een bijzonder wooncomplex (Herbergier en Thomashuis) met in totaal maximaal 29 eenheden. De beoogde ontwikkeling overschrijdt de drempelwaarden niet. Dit betekent dat een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' noodzakelijk is.
Ten behoeve van de m.e.r.-beordelingsbeslissing is een notitie vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld (bijlage 1). Op basis van deze notitie neemt het bevoegd gezag een m.e.r.-beoordelingsbeslissing waarin wordt aangegeven dat geen volledige m.e.r.-procedure doorlopen hoeft te worden.
5.2
Verkeer en parkeren
Verkeersgeneratie en verkeersafwikkeling Het plan voorziet in de realisatie van een nieuw zorgcomplex aan de Nieuwstraat (Herbergier) en één bijzonder wooncomplex aan de Nachtegaalstraat (Thomashuis). Dit heeft een verkeerstoename tot gevolg. Deze verkeerstoename is bepaald op basis van kencijfers van het CROW zoals opgenomen in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen', (2018). Uitgangspunt is een ligging in de 'overige gebieden'. Tevens geldt voor de gemeente Almelo de stedelijkheidsgraad 'matig stedelijk'. De kencijfers van het CROW geven een bepaalde bandbreedte. Gezien het gemiddeld autobezit binnen de gemeente Almelo in vergelijking met gemeenten met eenzelfde stedelijkheidsgraad kan worden uitgegaan van het gemiddelde van de gestelde bandbreedte. Binnen het plangebied wordt een zorgcomplex met 16 zorgeenheden, een dienstwoning en logeerkamer in de Herbergier en een bijzonder wooncomplex met 9 wooneenheden, een dienstwoning en logeerkamer in het Thomashuis gerealiseerd. De logeerkamers kunnen gebruikt worden door bezoekers van de bewoners van respectievelijk de Herbergier en het Thomashuis. Daar zijn geen extra verkeersbewegingen en/of parkeerplaatsen voor opgenomen. In tabel 5.1 is aangegeven wat dit betekent voor de verkeersgeneratie.
Tabel 5.1 Berekening verkeersgeneratie zorg- en wooneenheden functietype aantal kencijfer CROW verkeersgeneratie (weekdag) Herbergier Zorgeenheden* 16 2,5 per woning 40 mvt/etmaal Beheerderswoning 1 3,6 per woning 4 mvt/etmaal Logeerkamer 1 Thomashuis Wooneenheden 9 2,1 per woning 19 mvt/etmaal (kamerverhuur)
ontwerp bestemmingsplan Herontwikkeling Acaciaschool
verkeersgeneratie (werkdag)** 45 mvt/etmaal 5 mvt/etmaal 21 mvt/etmaal
29
NL.IMRO.0141.00106-BP21
Beheerderswoning 1 3,6 per woning 4 mvt/etmaal 5 mvt/etmaal Logeerkamer 1 Totaal 29 67 mvt/etmaal 76 mvt/etmaal *voor zorgeenheden zijn geen verkeerscijfers aanwezig en wordt aangehaakt bij het kencijfer serviceflat. ** omrekenfactor weekdag naar werkdag is 1,11 (CROW 381). Deze situatie leidt tot een verkeersgeneratie van circa 67 mvt/etmaal op een gemiddelde weekdag en circa 76 mvt/etmaal op een gemiddelde werkdag. De verwachting is dat door de toename van het aantal verkeersbewegingen geen knelpunten ontstaan. De extra verkeersbewegingen gaan op in het huidige verkeersbeeld. Parkeren Het parkeerbeleid van de gemeente Almelo is vastgelegd in het parkeerbeleidsplan 'Parkeren Optimaliseren 2013-2018'. Als richtlijn voor de parkeernormering wordt gebruik gemaakt van de op dat moment geldende CROW-publicatie voor de parkeerkencijfers. Om de parkeerkencijfers van de CROW ook als parkeernormen vast te leggen, heeft het college van de gemeente Almelo op 11 december 2018 de 'Beleidsregel Parkeernormen Almelo' vastgesteld. Deze beleidsregel is op 1 januari 2019 in werking getreden. Voor de plannen voor de herontwikkeling van de Acaciaschool wordt voor het parkeren rekening gehouden met de inpassing van het aantal parkeerplaatsen in de situatie dat er een zorgcomplex en een bijzondere wooncomplex worden gerealiseerd De parkeerbehoefte is weergegeven in tabel 5.2. functietype Herbergier
aantal
norm
zorgeenheden beheerderswoning wooneenheden beheerderswoning
16 0,7 per woning 1 2,3 per woning Thomashuis 9 0,7 per woning 1 2,3 per woning totaal 27 Tabel 5.2 Berekening parkeerbehoefte zorg- en wooneenheden
parkeerplaatsen (avond werkdag) 11,2 pp 2,3 pp 6,3 pp 2,3 pp 22,1 pp
Wanneer de compexen van de beoogde ontwikkeling worden gerealiseerd zijn 22 parkeerplaatsen benodigd om in de parkeerbehoefte te kunnen voorzien. Op eigen terrein is voldoende ruimte voor de aanleg van 22 parkeerplaatsen. Bij de inrichting van het terrein zal hier rekening mee worden gehouden. Bij de inrichting van het parkeerterrein op het eigen terrein is ook rekening gehouden met een parkeerruimte voor fietsen. Er worden fietsenrekken geplaatst waar 9 fietsen gestald kunnen worden. Op deze manier kunnen mensen uit de omgeving op een veilige manier hun fiets stallen. Bij de beoordeling van de aanvraag omgevingsvergunning wordt het bouwplan getoetst en beoordeeld aan de hand van de in de Algemene regels opgenomen verplichting (artikel 12.1). Conclusie De herontwikkeling van de Acaciaschool heeft een maximale verkeerstoename tot gevolg van 75 mvt/etmaal op een gemiddelde werkdag. Echter is deze toename niet dusdanig dat hierdoor knelpunten ontstaan op het omliggend wegennet. De ontwikkelingen leiden ook tot een toename van de parkeerbehoefte met 22 parkeerplaatsen. Deze parkeerbehoefte kan worden opgevangen op eigen terrein.
ontwerp bestemmingsplan Herontwikkeling Acaciaschool
30
NL.IMRO.0141.00106-BP21
5.3
Wegverkeerslawaai
Toetsingskader Normstelling Langs alle wegen - met uitzondering van 30 km/h-wegen en woonerven- bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen of buiten stedelijke ligging. De geluidhinder wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day-evening-night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal. Nieuwe situaties Voor de geluidsbelasting aan de buitengevels van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen de wettelijke geluidszone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In bepaalde gevallen is het verlenen van een hogere waarde mogelijk. Hogere grenswaarden kunnen alleen worden verleend nadat is onderbouwd dat maatregelen om de geluidsbelasting aan de gevel van geluidsgevoelige bestemmingen terug te dringen onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Deze hogere grenswaarde mag de maximale ontheffingswaarde niet te boven gaan.
Krachtens artikel 110g van de Wet geluidhinder mag het berekende geluidsniveau van het wegverkeer worden gecorrigeerd in verband met de verwachting dat motorvoertuigen in de toekomst stiller zullen worden. Van deze aftrek, conform artikel 3.4 uit het Reken- en Meetvoorschrift 2012, is gebruik gemaakt. Onderzoek en conclusie In totaal wordt een zorgcomplex met maximaal 16 nieuwe zorgeenheden, een dienstwoning en logeerkamer mogelijk gemaakt op de locatie Herbergier en een bijzonder wooncomplex met 9 wooneenheden, een dienstwoning en logeerkamer op de locatie Thomashuis. Deze complexen liggen in de wettelijke geluidzone van de route Nachtegaalstraat - Schoolstraat, het Acaciaplein en de Nieuwstraat. Daarom is akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd. Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage 2. Onderstaand volgen de belangrijkste bevindingen. Uit het onderzoek blijkt dat als gevolg van de gezoneerde route Nachtegaalstraat - Schoolstraat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden ter plaatse van de Herbergier en het Thomashuis. De gemeentelijke ambitiewaarde wordt niet overschreden. Ten gevolge van de Nieuwstraat wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschreden ter plaatse van de Herbergier. Ook hier wordt de gemeentelijke ambitiewaarde niet overschreden.
Maatregelen om de geluidbelasting aan de gevels van de ontwikkeling terug te dringen zijn onvoldoende doeltreffend of stuiten op overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Omdat de maximale ontheffingswaarde niet wordt overschreden kunnen hogere waarden worden aangevraagd conform tabel 5.5. Tabel 5.5 Benodigde hogere grenswaarden geluidbron locatie Nachtegaalstraat
Thomashuis Herbergier Herbergier
Nieuwstraat
5.4
benodigde hogere grenswaarde 57 dB 58 dB 54 dB
aantal woningen 11 18 18
Bodemkwaliteit
Toetsingskader
ontwerp bestemmingsplan Herontwikkeling Acaciaschool
31
NL.IMRO.0141.00106-BP21
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Ten behoeve van ruimtelijke plannen dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek Ten behoeve van de beoogde (her)ontwikkeling van de locatie Acaciaschool is door Econsultancy een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het verkennend bodemonderzoek bijgevoegd als bijlage 3. Hierna volgen de belangrijkste conclusies. De bovengrond bestaat voornamelijk uit matig humeus, zwak siltig, matig fijn zand.
Plaatselijk is de bovengrond zwak grindig. De ondergrond bestaat uit zwak tot matig humeus, zwak siltig, matig fijn zand. De ondergrond is plaatselijk matig tot sterk gleyhoudend. In het opgeboorde materiaal zijn zintuiglijk geen verontreinigingen waargenomen. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn op het maaiveld van de onderzoekslocatie, alsmede in de bodem, geen puin(resten) of andere asbestverdachte materialen aangetroffen. In de bovengrond zijn plaatselijk verhoogde gehalten aan PAK en PCB aangetoond. In de ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetoond. In het grondwater zijn geen verontreinigingen aangetoond. Gelet op de aard en mate van verontreiniging, bestaat er géén reden voor een nader onderzoek en bestaan er met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem géén belemmeringen voor de sloop en nieuwbouw op de onderzoekslocatie en voor de bestemmingsplanwijziging. Conclusie Voor de (her)ontwikkelingslocatie bestaat geen reden voor nader onderzoek. Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. De regels van het Besluit bodemkwaliteit zijn hierop mogelijk van toepassing. De milieuhygiënische bodemkwaliteit vormt op beide locaties geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
5.5
Archeologie en cultuurhistorie
Archeologie Regelgeving en beleid Op grond van de Erfgoedwet, het Besluit op de Ruimtelijke Ordening (artikel 3.6.1 lid 1) en het beleid van de gemeente Almelo dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische en cultuurhistorische waarden. In de toelichting van een bestemmingsplan dient een beschrijving opgenomen te worden van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Gemeenten zullen een inventarisatie moeten (laten) maken van alle cultuurhistorische waarden in een bestemmingsplangebied, dus niet alleen van archeologische waarden. Daarnaast moeten ze aangeven welke conclusies ze daaraan verbinden en op welke wijze ze deze waarden borgen in het bestemmingsplan. In deze paragraaf wordt ingegaan op de in het plangebied aanwezige archeologische en cultuurhistorische waarden in het bestemmingsplangebied.
ontwerp bestemmingsplan Herontwikkeling Acaciaschool
32
NL.IMRO.0141.00106-BP21
De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen: 'de veroorzaker betaalt'. Het deel van de Erfgoedwet dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze (naar verwachting) in 2021 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort.
Onderzoek Het zuidelijke deel van het plangebied ligt op basis van de archeologische waardenkaart van de gemeente Almelo binnen de zone met de aanduiding 'middelhoge archeologische verwachtingswaarde'. In het vigerende bestemmingsplan is dit deel van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting middelhoog' voorzien. Er mogen geen bouwwerken worden gebouwd zonder dat door middel van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de locatie geen behoudenswaardige archeologische relicten aanwezig zijn indien het nieuw te bebouwen oppervlak groter is dan 5.000 m2 of dieper steekt dan 0,50 meter. De archeologische dubbelbestemming beslaat slechts een deel van het plangebied. Alleen de locatie Herbergier valt binnen deze dubbelbestemming. Aangezien het schoolgebouw aan het Acaciaplein behouden blijft, wordt de grond ter plaatse van dit gebouw niet geroerd. De oppervlakte waar sloop en/of nieuwbouw plaatsvindt, blijft ruimschoots onder de 5.000 m2 waardoor archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is. Cultuurhistorie Toetsingskader Vanaf 1 januari 2012 is het verplicht om in ruimtelijke plannen rekening te houden met cultuurhistorische waarden.
Om een stabiele en meer structurele basis te geven aan de borging van cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening, is per 1 januari 2012 aan artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) toegevoegd dat gemeenten bij het vaststellen van bestemmingsplannen niet alleen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden onder de grond (archeologische waarden), maar ook met waarden boven de grond. Dat betekent dat gemeenten een analyse moeten maken van de cultuurhistorie in een bestemmingsplangebied, en daar conclusies aan moeten verbinden die in het bestemmingsplan verankerd worden. Onderzoek Volgens historisch kaartmateriaal uit de periode 1900-1925 was de locatie, alsmede de omgeving ervan, destijds in agrarisch gebruik (weide). Tevens liepen er enkele sloten door het plangebied. Tot circa 1925 is dit gebruik van het plangebied niet wezenlijk veranderd. Na 1925 is een schoolgebouw op het perceel gebouwd. Het overige deel van het perceel is onbebouwd gebleven tot 1955. Rond 1955 en vanaf 1988 is bij de school nieuwbouw gerealiseerd. Na 2012 is de bebouwing uit 1988 gesloopt. Tot op heden bestaat de locatie uit een leegstaande school. Het overige gedeelte van de onderzoekslocatie is gedeeltelijk onverhard (gras) en gedeeltelijk verhard (klinkers en tegels).
Uit bestudering van luchtfoto's en historisch kaartmateriaal blijkt dat de verkaveling sinds 1950 niet veranderd is. Verder blijkt uit de geraadpleegde bronnen geen aanwezigheid van ophogingen, dempingen of stortingen.
ontwerp bestemmingsplan Herontwikkeling Acaciaschool
33
NL.IMRO.0141.00106-BP21
In het plangebied zijn geen waardevolle cultuurhistorische objecten en monumenten aanwezig. Wel zijn twee bomen in het plangebied aangeduid als 'waardevol' vanwege hun ligging en verschijningsvorm. Rondom deze bomen gelden beperkingen voor het bouwen en het uitvoeren van bepaalde werken. In het ontwerp van het gebouw is daarom rekening gehouden met de boom achter de Herbergier. Conclusie Archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk en in het plangebied zijn geen waardevolle cultuurhistorische objecten of monumenten aanwezig. Wel is in het ontwerp van de Herbergier rekening gehouden met de waardevolle boom achter het gebouw. Ook bij de inrichting van het buitenterrein zal rekening worden gehouden met de twee bomen. Hierdoor kan worden geconcludeerd dat de archeologische en cultuurhistorische waarden de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg staan.
5.6
Ecologie
Wet natuurbescherming Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: Natura-2000 gebieden; Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natura-2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.
Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten.
ontwerp bestemmingsplan Herontwikkeling Acaciaschool
34
NL.IMRO.0141.00106-BP21
De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden.
De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen. Onderzoek Gebiedsbescherming Het plangebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Wierdense Veld ligt op circa 8,2 kilometer ten noordoosten van het plangebied (figuur 5.1). Het dichtstbijzijnde onderdeel van Natuurnetwerk Nederland bevindt zich op circa 3,5 km ten zuiden van het plangebied (figuur 5.2).
Figuur 5.1 Plangebied (rood omcirkeld) ten opzichte van Natura 2000-gebieden
ontwerp bestemmingsplan Herontwikkeling Acaciaschool
35
NL.IMRO.0141.00106-BP21
Figuur 5.2 Plangebied (rood omcirkeld ten opzichte van Natuurnetwerk Nederland) Vanwege de afstand en de stedelijke ligging kunnen directe effecten zoals areaalverlies, versnippering, verandering van de waterhuishouding en verstoring worden uitgesloten. Vermesting en verzuring als gevolg van stikstofdepositie zijn echter niet op voorhand uit te sluiten, daarom is op 22 juli 2020 een berekening uitgevoerd om de gevolgen voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000 in beeld te brengen en te toetsen of de eventuele toename past binnen de eisen die gelden op grond van de Wet natuurbescherming. De berekeingen voor zowel de aanleg- als gebruiksfase zijn opgenomen in bijlage 4 en 5. Uit de rekenresultaten blijkt dat voor zowel de aanleg- als de gebruiksfase geen sprake is van stikstofdeposities hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Derhalve is in het kader van de Wet natuurbescherming geen vergunning noodzakelijk en is het bestemmingsplan daarom in het kader van de Wet natuurbescherming uitvoerbaar. Soortenbescherming Door Ecologische Adviesbureau Mertens is in januari 2020 een quickscan beschermde planten- en dierensoorten uitgevoerd. Het onderzoek is bijgevoegd als bijlage 6. Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat de effecten op beschermde planten- en diersoorten is uitgesloten.
Het plangebied bezit geen mogelijkheden voor vleermuizen om er te verblijven maar mogelijk vliegen er vleermuizen in lage dichtheid. Negatieve effecten op vliegroutes en effecten op de foerageermogelijkheden worden derhalve uitgesloten. Gedurende en na realisatie van de plannen kunnen deze soorten er blijven foerageren. Ten slotte wordt het voorkomen van overige beschermde soorten en de aanwezigheid van vogels met vast rust- en verblijfplaatsen uitgesloten. Conclusie De Wet natuurbescherming staat de ontwikkeling niet in de weg. Wel dienen de (rooi)werkzaamheden buiten het broedseizoen van algemene broedvogels te worden gestart of wanneer geen broedgeval aanwezig is. Daarnaast is voor eventuele aanwezige soorten de algemene zorgplicht van kracht.
ontwerp bestemmingsplan Herontwikkeling Acaciaschool
36
NL.IMRO.0141.00106-BP21
5.7
Externe veiligheid
Beleid en normstelling Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen.
Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties.
Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Er geldt een oriënterende waarde voor het groepsrisico en onder voorwaarden een verantwoordingsplicht tot 200 m binnen de transportroute. Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen.
ontwerp bestemmingsplan Herontwikkeling Acaciaschool
37
NL.IMRO.0141.00106-BP21
Gemeentelijk beleid Het gemeentelijk Externe veiligheidsbeleid 2015-2018 is vastgesteld in maart 2014. Dit beleid is op 19 november 2019 verlengd tot en met 2021. Bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt rekening gehouden met de uitgangspunten uit dit veiligheidsbeleid. Onderzoek Overeenkomstig de professionele risicokaart waarin relevante risicobronnen getoond worden, blijkt dat er geen risicovolle inrichtingen zijn met een externe werking op het plangebied en dat er geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt via de weg, het water of door buisleidingen. Wel vindt er vervoer van gevaarlijke stoffen plaats via spoortraject 30 (Deventer Oost – Hengelo West). Dit gebeurt op een afstand van circa 650 meter ten oosten van het plangebied. Dit spoortraject heeft een invloedsgebied van 4.000 meter. Het maatgevende invloedsgebied voor het groepsrisico bedraagt 460 meter. Wanneer een ontwikkeling betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk binnen 200 meter van een transportroute ligt, dient conform het Besluit externe veiligheid transportroutes (artikel 8.1) inzicht te worden gegeven in het groepsrisico. Het plangebied ligt niet binnen de 200 meter. Een berekening hoeft niet te worden uitgevoerd.
Omdat het plangebied wel in het invloedsgebied ligt, is wel een beknopte verantwoording nodig waarin meer inzicht wordt gegeven in de mogelijkheden voor rampbestrijding, hulpverlening en zelfredzaamheid. Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Zowel voor de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Tevens speelt een snelle alarmering ten allen tijde een belangrijke rol. Het plangebied kan worden bereikt via de Nieuwstraat/ Maardijk en de Nachtegaalstraat/ Schoolstraat. Dit kan worden bestempeld als een gedegen netwerk gezien de verschillende toegangswegen en de bereikbaarheid vanuit tegengestelde windstreken. Daarnaast kan via verschillende straten van de bron af worden gevlucht. Deze dienen minimaal 4,5 meter breed te zijn met een minimale verharding van 3,25 en een vrije hoogte van 4,2 meter om de bereikbaarheid te garanderen.
Zelfredzaamheid De beoogde ontwikkeling voorziet in de toevoeging van een zorgcomplex met 16 zorgeenheden, een dienstwoning en logeerkamer in de Herbergier en een bijzonder wooncomplex met 9 wooneenheden, een dienstwoning en logeerkamer in het Thomashuis. Aanwezige kinderen en ouderen worden beschouwd als verminderd zelfredzame personen. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de ouders/verzorgers de kinderen en ouderen kunnen begeleiden. Daarnaast is het noodzaak om goede voorlichting aan de bewoners te geven zodat zij weten wat de gevaren zijn van een incident met transport van gevaarlijke stoffen en hoe zij moeten handelen. Conclusie Het plangebied ligt in de nabijheid van het spoortraject Deventer Oost – Hengelo West waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd wat enkele risico's met zich meebrengt. Het plangebied ligt niet in de maatgevende 460 meter voor het groepsrisico en ook niet binnen 200 meter waardoor een groepsrisicoberekening achterwege kan blijven. Uit de beknopte verantwoording blijkt dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende kan worden beschouwd. Wel moet rekening worden gehouden met een eventueel incident op het spoortraject. Verder zijn in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle bronnen aanwezig. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
ontwerp bestemmingsplan Herontwikkeling Acaciaschool
38
NL.IMRO.0141.00106-BP21
5.8
Kabels en leidingen
Toetsingskader Rond planologisch relevante leidingen dient rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden (belemmeringenzones). Onderzoek en conclusie Binnen het plangebied en in de directe omgeving geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. Het aspect kabels en leidingen staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
5.9
Luchtkwaliteit
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 5.6 weergegeven. Tabel 5.6 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm Stof Toetsing van Grenswaarde Jaargemiddelde 40 µg/m³ Stikstofdioxide concentratie (NO2) Uurgemiddelde concentratie Max. 18 keer p.j. meer dan 200 µg/m³ Fijn stof (PM10) Jaargemiddelde 40 µg/m³ concentratie 24-uurgemiddelde Max. 35 keer p.j. Meer dan concentratie 50 µg / m³ Fijn stof (PM2,5) Jaargemiddelde 25 µg/m³ concentratie Besluit niet in betekenende mate (nibm) In het Besluit nibm en de bijbehorende regeling is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst.
Hierbij worden twee situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 3% toename van concentratie NO2 (stikstof dioxide) en PM10 (fijn stof) in de buitenlucht; een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of kantoorlocaties met maximaal 100.000 m² bvo bij één ontsluitingsweg. Onderzoek De beoogde ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van maximaal 25 (zorg)appartementen en twee dienstwoningen en twee logeerkamers. Het plan draagt daarom in niet betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijn stof in de lucht. Er wordt voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving en nader onderzoek is niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2019 (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. Het dichtstbijzijnde meetpunt ligt aan de Nachtegaalstraat, direct ten westen van het
ontwerp bestemmingsplan Herontwikkeling Acaciaschool
39
NL.IMRO.0141.00106-BP21
plangebied. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat aan de Nachtegaalstraat in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide 16,49 µg/m³ , fijn stof PM10 16,96 µg/m³ (met 6 overschrijdingsdagen per jaar) en fijn stof PM2,5 9,95 µg/m³ bedroegen. Deze waarden liggen ruimschoots onder de grenswaarden. Hierdoor is er ter plaatse van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied. Ter plaatse van het plangebied is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
5.10 Bedrijven en milieuhinder Beleid en Normstelling In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om in de bestemmingsregeling een belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen te kunnen maken, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. Onderzoek In de beoogde situatie worden maximaal 27 (zorg)appartementen gerealiseerd. Hiermee worden milieugevoelige functies opgericht en moet worden getoetst aan de richtafstanden zoals vermeld in de VNG-brochure. In de omgeving van het plangebied staan voornamelijk woningen.
Direct ten noordoosten van het plangebied is een supermarkt gevestigd. Mede hierdoor en door de ligging aan een ontsluitingsweg kan de omgeving getypeerd worden als 'gemengd gebied'. Een supermarkt valt in milieucategorie 1, waarbij richtafstanden worden gehanteerd voor geur, fijn stof en geluid. Voor deze aspecten gelden in gemengd gebied richtafstanden van 0 meter. Hierdoor is het mogelijk dat supermarkten naast woningen worden geplaatst. De afstand van de nieuwbouw van de Herbergier tot de supermarkt bedraagt circa 9 meter. Hier bevindt zich ook de laad- en losplaats van de supermarkt. Laden en lossen kan tot geluidhinder ter plaatse van woningen in de omgeving leiden. Ter voorkoming van geluidhinder is de afstand van de bebouwing tot de supermarkt vergroot ten opzichte van de huidige situatie. Dit biedt ruimte aan een groenvoorziening die voor enige geluidsdemping kan zorgen. Ook bij de inrichting van de Herbergier wordt rekening gehouden met eventuele geluidhinder van het laden en lossen van de supermarkt. Aan deze zijde zijn geen zorgeenheden voorzien, maar sanitaire voorzieningen voor algemeen gebruik. Daarnaast moet de supermarkt ook al rekening houden met omliggende woningen.
Conclusie Geconcludeerd wordt dat ter plaatse van het plangebied sprake zal zijn van een aanvaardbaar woonen leefklimaat en dat in de omgeving geen bedrijven of instellingen aanwezig zijn die door de (her)onwikkeling in hun bedrijfsvoering worden beperkt. Aan de richtafstanden wordt voldaan. Als gevolg van het laden/lossen zal geen onevenredige sprake zijn van geluidhinder door de afstand tot de beoogde nieuwbouw en de inrichting van het gebouwd.
ontwerp bestemmingsplan Herontwikkeling Acaciaschool
40
NL.IMRO.0141.00106-BP21
Hoofdstuk 6 Waterparagraaf 6.1
Waterbeheer en watertoets
Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Vechtstromen en de gemeente Almelo, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van dit bestemmingsplan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over de voorgestane ontwikkeling.
6.2
Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer
Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap nader wordt behandeld. Europa: Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal: Nationaal Waterplan (NW) Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21) Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) Waterwet Provinciaal Partiele herziening omgevingsvisie voor kaderrichtlijn water en richtlijn overstromingsrisico's Gemeentelijk Verbreed gemeentelijk Rioleringsplan 2016-2020 (GRP4) Waterplan Almelo (2002) Waterschapsbeleid Waterschap Vechtstromen verzorgt sinds 1 januari 2014 het waterbeheer in Twente, Noordoost Overijssel en Zuidoost Drenthe. Vechtstromen is ontstaan door de fusie van de waterschappen Velt en Vecht en Regge en Dinkel. Op het gebied is het waterbeheerplan 2016-2021 van toepassing. Het waterschap is verantwoordelijk voor een optimaal waterbeheer en voor de instandhouding van het voor Twente karakteristieke bekensysteem. Dat betekent dat ervoor gezorgd wordt dat het oppervlakte- en grondwater kwalitatief en kwantitatief aansluit bij het maatschappelijk gebruik van de grond. Het waterbeheerplan 2016-2021 beschrijft hoe het waterschap de doelstellingen wil realiseren.
Door klimaatverandering komen extreme buien vaker voor, met als gevolg grotere risico's op wateroverlast. Daarmee ligt een opgave om in de toekomst extreme situaties die vaker gaan voorkomen het hoofd te kunnen bieden. Daarom zijn maatregelen niet alleen nodig in het watersysteem en in de ruimtelijke ordening maar wil het waterschap ook werken aan een groter bewustzijn bij inwoners over de risico's op wateroverlast. KlimaatActieve Stad (KAS) Als Klimaat Actieve Stad Stedenband Twente, kortweg KAS, hebben de gemeenten Almelo, Enschede en Hengelo, waterschap Vechtstromen en provincie Overijssel de krachten gebundeld. De rode draden uit de ‘Klimaatagenda: weerbaar, welvarend en groen’ zijn als uitgangspunten genomen. De gemeente Almelo streeft een grondwaterstand na, die geen structurele overlast veroorzaakt bij bewoners en bedrijven. Nieuwe ontwikkelingen, zowel openbaar als particulier, moeten zodanig worden ontworpen en ingericht dat de toekomstige bewoners/gebruikers geen hinder ondervinden van (te) hoge grondwaterstanden. Het oplossen van grondwaterproblemen achteraf kost een veelvoud van maatregelen tijdens de bouwfase. De grondwateroverlast wordt bestreden (en bij nieuwbouw voorkomen) volgens de voorkeursstrategie: ophogen;
ontwerp bestemmingsplan Herontwikkeling Acaciaschool
41
NL.IMRO.0141.00106-BP21
aanleggen extra oppervlaktewater; aanleggen grondwatertechnische maatregelen.
Pas als ophogen of extra oppervlaktewater in een deelgebied niet realistisch is, komen grondwatertechnische maatregelen zoals drainages, in beeld. Bij nieuwbouw worden in principe geen grondwatertechnische maatregelen aangelegd. Voor de ontwatering gelden de volgende criteria: wegen minimaal 0,80 m boven de GHG; openbaar groen minimaal 0,50 m boven de GHG; vloerpeilen minimaal 1,00 m boven de GHG. Verbreed gemeentelijk Rioleringsplan 2016-2021 De gemeentelijke doelstellingen op gebied van afvalwater, hemelwater en grondwater staan in het verbreed Gemeentelijke Rioleringsplan (vGRP) 2011-2015. Met dit vGRP geeft de gemeente Almelo invulling aan een duurzame inzameling en verwerking van afvalwater, hemelwater en overtollig grondwater en een duurzaam beheer van het gemeentelijk rioolstelsel. Riolering draagt namelijk bij aan de Volksgezondheid, de kwaliteit van de leefomgeving en beschermt de bodem, het grond- en oppervlaktewater. De aanleg en het beheer van riolering zorgt dat verontreinigd afvalwater uit de directe leefomgeving wordt verwijderd en voorkomt de directe ongezuiverde lozing van afvalwater op bodem- of oppervlaktewater. Daarnaast zorgt riolering voor de ontwatering van de bebouwde omgeving door naast het afvalwater van huishoudens en bedrijven ook het overtollige regenwater van daken, pleinen, wegen e.d.
en het overtollige grondwater apart in te zamelen en af te voeren. Waterplan Almelo Het Waterplan is in 2002 vastgesteld en beschrijft de samenhangende visie op het integrale watersysteem en de waterketen in de omgeving. Het plan zet in op het verbeteren van milieukwaliteit, het vergroten van belevingswaarde en het scheiden van waterstromen in waterketen en watersysteem.
6.3
Huidige situatie
Algemeen Het plangebied ligt in het stedelijk gebied van Almelo. Op het perceel staat het gebouw van de voormalige Acaciaschool (zie figuur 6.1). Achter de school is een gymzaal aangebouwd. De overige bebouwing op het perceel is gesloopt. Wel staan er nog twee nutsvoorzieningen: één tussen de gymzaal en de naastgelegen supermarkt en één naast het complex aan de Nachtegaalstraat aan de noordkant van het perceel. In het midden van het perceel ligt een verhard parkeerterrein.
ontwerp bestemmingsplan Herontwikkeling Acaciaschool
42
NL.IMRO.0141.00106-BP21
Figuur 6.1 Huidige situatie plangebied (bron: Luchtfoto Kadaster Nederland) Bodem en grondwater Vanwege de ligging in de bebouwde kom is het plangebied niet gekarteerd. In de omgeving is voornamelijk sprake van zwaklemig fijn zand (figuur 6.2). Ook wat betreft de grondwatertrap is het plangebied niet gekarteerd. De grondwaterstanden zijn opgezocht op https://grondwater.webscada.nl/twentswaternet/. Uit de peilbuis op de locatie Acaciaplein 3 blijkt dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand op circa 110 centimeter onder maaiveld ligt. De gemiddelde laagste grondwaterstand ligt op circa 190 centimeter onder maaiveld.
ontwerp bestemmingsplan Herontwikkeling Acaciaschool
43
NL.IMRO.0141.00106-BP21
Figuur 6.2 Overige bodemsoorten ten opzichte van het plangebied (bron: Bodemkaart) Waterkwantiteit In de directe nabijheid van het plangebied zijn geen watergangen aanwezig die zijn opgenomen op de legger. Op grotere afstand bevinden zich onder andere een visvijver en de Almelose Aa (zie fiiguur 6.3).
Figuur 6.3 Uitsnede Legger waterschap Vechtstromen met plangebied rood omlijnd Watersysteemkwaliteit en ecologie Binnen het plangebied of in de nabije omgeving liggen geen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water. Er bevinden zich ook geen natte ecologische verbindingszone zoals opgenomen in het (provinciale) Natuurnetwerk Nederland binnen of in de nabijheid van het plangebied.
ontwerp bestemmingsplan Herontwikkeling Acaciaschool
44
NL.IMRO.0141.00106-BP21
Veiligheid en waterkeringen Het plangebied ligt niet in of nabij een waterkering of beschermingszone van een waterkering. Afvalwaterketen en riolering De bestaande gebouwen zijn aangesloten op het gemeentelijk gemengd rioleringsstelsel.
6.4
Toekomstige situatie
Algemeen In de huidige situatie bestaat het plangebied uit een voormalig schoolgebouw, een parkeerterrein en braakliggende grond. Tot zes jaar geleden was dit gebied echter vrijwel volledig verhard (zie figuur 6.4). De bebouwing aan de noordzijde van het perceel is gesloopt en een deel van de verharding verwijderd. Ook op basis van het vigerende bestemmingsplan kan het perceel grotendeels worden bebouwd.
Figuur 6.4 Situatie plangebied juli 2012 (bron: Google Earth) Het gaat hier om een inbreidingslocatie waarvoor uit het gemeentelijk beleid een bergingseis geldt van 20 mm voor bestaande verharding. De toename van de verharding bestaat uit de twee gebouwen (1445 m2) en het parkeerterrein (490 m2). Dit betekent dat er 38 m3 water geborgen dient te kunnen worden op het terrein. Het parkeerterrein wordt uitgevoerd als waterberging door het toepassen van hoge stoepbanden en waterpasserende betonstraatstenen. De berging heeft een overloop via de ingang van het parkeerterrein naar het gemeentelijk rioolstelsel.
ontwerp bestemmingsplan Herontwikkeling Acaciaschool
45
NL.IMRO.0141.00106-BP21
Omdat de bodem in het plangebied bestaat uit lemige zandgronden is het gebied matig geschikt voor infiltratie. Grondwateroverlast wordt voorkomen volgens de voorkeursstrategie van de gemeente. Waterkwaliteit Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Veiligheid en waterkeringen De ontwikkeling vindt niet plaats binnen of nabij een waterkering en heeft derhalve geen invloed op de veiligheid. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting; (in-) filtratie van afstromend hemelwater; afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater; afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI. Het afvalwater en hemelwater zullen volledig gescheiden afgevoerd worden. Klimaatrobuust ontwerpen Het is belangrijk dat bij toekomstige ontwikkelingen wateroverlast wordt voorkomen.
Bij het ontwerp en de inrichting van nieuwe ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de mogelijkheid om in noodgevallen, bijvoorbeeld bij extreme buien, de straat en overige openbare ruimte te benutten als tijdelijke berging. Hiervoor moet de infrastructuur waterbewust en klimaatbestendig worden ingericht. Bij de beoogde ontwikkeling lopen de paden zoveel mogelijk op afschot. Het parkeerterrein zal lager worden weggelegd met de banden omhoog zodat daar als het ware een waterbak ontstaat. Conclusie De (her)ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.
ontwerp bestemmingsplan Herontwikkeling Acaciaschool
46
NL.IMRO.0141.00106-BP21
Hoofdstuk 7 Juridisch bestuurlijke aspecten In dit hoofdstuk wordt aangegeven hoe het beleid en de planuitgangspunten zijn verwoord in de planregels. Zo wordt een toelichting gegeven op het juridische systeem en op alle afzonderlijke bestemmingen.
7.1
Inleiding
Het bestemmingsplan 'Herontwikkeling Acaciaschool' bestaat uit een verbeelding (plankaart), planregels en deze plantoelichting. De verbeelding en planregels vormen tezamen het juridische deel van het bestemmingsplan. Deze vormen het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van gronden en bebouwing. In de regels worden de mogelijkheden in artikelen vastgelegd. Op de verbeelding worden de bestemmingen, bouw- en gebruiksmogelijkheden aangeduid. Het bestemmingsplan is opgesteld in aansluiting op het vigerende bestemmingsplan 'Rohof Goossenmaat' en de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012. In dit hoofdstuk zal de juridische systematiek van het bestemmingsplan worden toegelicht. Ook wordt een beschrijving per artikel en een toelichting op de algemene bepalingen en de overgangs- en slotbepalingen gegeven.
7.2
Juridische systematiek
Dit bestemmingsplan maakt een appartementengebouw bestaande uit 69 woningen mogelijk aan de rand van het centrumgebied van Almelo. De bouwmogelijkheden zijn afgestemd op het schetsmodel voor het gebouw. De regels bestaan uit vier hoofdstukken waarop in de volgende paragrafen wordt ingegaan: 1. Inleidende regels; 2. Bestemmingsregels; 3. Algemene regels; 4. Overgangs- en slotregels.
7.3
Verantwoording van de planregels
Inleidende regels Begrippen In het eerste artikel zijn de noodzakelijke begripsbepalingen opgenomen die worden gebruikt in de regels. het bevat definities om misverstanden te voorkomen. Wijze van meten Het tweede artikel regelt hoe er gemeten moet worden. Bestemmingsregels Bedrijf - Nutsvoorziening Deze bestemming is specifiek voor nutsvoorzieningen. Het betreft een aantal locaties in het plangebied. Bebouwing mag enkel opgericht worden binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken. Tuin - 1 De grond aan de voorzijde van het bestaande schoolgebouw en het beoogde Thomashuis zijn overeenkomstig het geldende bestemmingsplan 'Rohof - Goossenmaat' als 'Tuin' bestemd. De diepte van de tuin is afgestemd op de tuinen van de woningen ten noorden van het plangebied aan de Nachtegaalstraat. Binnen de tuinbestemming mag niet worden gebouwd met uitzondering van bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Het betreft hier voornamelijk erfafscheidingen. Maatschappelijk
ontwerp bestemmingsplan Herontwikkeling Acaciaschool
47
NL.IMRO.0141.00106-BP21
Het plangebied ter plaatse van de Acaciaschool waar de Herbergier komt, is voorzien van de bestemming 'Maatschappelijk'. De voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden zijn hoofdzakelijk bestemd voor een zorgcomplex, met bijbehorende gemeenschappelijke ruimten, uitsluitend ten behoeve van dementerende personen met dien verstande dat het aantal zorgeenheden maximaal 16 mag bedragen; 1 dienstwoning en 1 logeerruimte. Op de verbeelding is een bouwvlak opgenomen waarbinnen de Herbergier mag worden opgericht. De schetsmodellen zijn hiervoor als uitgangspunt genomen. Het bouwvlak rond de Herbergier is strak omlijnd vanwege het bestaande bouwvlak rond het schoolgebouw, richtafstanden tot de naastgelegen supermarkt en de beschermde boom aan de noordzijde van het gebouw De maximum goot-/bouwhoogte is op de verbeelding aangegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen omtrent de afstand tot de perceelsgrenzen voor hoofdbebouwing en oppervlakte- en hoogtematen van bijbehorende bouwwerken. Wonen Het plangebied van de Acaciaschool waar het Thomashuis komt en de inrichting van het terrein is conform de omliggende woonbebouwing voorzien van de bestemming 'Wonen'.
De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn hoofdzakelijk bestemd voor een bijzonder wooncomplex met 9 wooneenheden met bijbehorende gemeenschappelijke ruimten, tuinen en erven, inritten, parkeervoorzieningen, voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding en de daarbij behorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, groen voorzieningen, verhardingen, tuinafscheidingen en overige bijbehorende voorzieningen. Dit alles uitsluitend ten behoeve van personen met een licht verstandelijke beperking met dien verstande dat het aantal wooneenheden maximaal 9 mag bedragen met 1 dienstwoning en 1 logeerkamer. Met de functie aanduiding 'specifieke vorm van wonen - bijzonder wooncomplex' is tevens een bijzonder wooncomplex toegestaan. Dit is een complex met verblijfseenheden uitsluitend ten behoeve van mensen met een licht verstandelijke beperking die in belangrijke mate zelfstandig kunnen functioneren, met gemeenschappelijke ruimten en dienstwoning Op de verbeelding is een bouwvlak opgenomen waarbinnen het bijzonder wooncomplex mag worden opgericht. De schetsmodellen zijn hiervoor als uitgangspunt genomen. Het bouwvlak voor het Thomashuis is alleen langs de voorgevel strak begrensd vanwege de geluidbelasting op de voorgevel en stedenbouwkundige uitgangspunten. Aan de andere zijden is het bouwvlak ruim genomen omwille van de gewenste flexibiliteit bij de uitwerking van het bouwplan.
De maximum goot-/bouwhoogte is op de verbeelding aangegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen omtrent de afstand tot de perceelsgrenzen voor hoofdbebouwing en oppervlakte- en hoogtematen van bijbehorende bouwwerken. Verkeer De bestemming Verkeer is bedoeld voor de in het plangebied opgenomen wegen, straten, fiets- en voetpaden. De gronden zijn mede bestemd voor groen- en speelvoorzieningen, voorzieningen ter wering van het wegverkeerslawaai, parkeervoorzieningen en straatmeubilair. Behalve nutsvoorzieningen met een maximale inhoudsmaat van 36 m³ zijn geen gebouwen toegestaan. De regeling spitst zich vooral toe op bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Waarde - Archeologische verwachting middelhoog
ontwerp bestemmingsplan Herontwikkeling Acaciaschool
48
NL.IMRO.0141.00106-BP21
Om verstoring en mogelijk vernietiging van mogelijke aanwezige archeologische waarden te voorkomen is een dubbelbestemming opgenomen. Het zuidelijke gedeelte van het perceel kent een middelhoge verwachtingswaarde. Hier geldt dat in ieder geval een omgevingsvergunning benodigd is wanneer het te bebouwen oppervlak groter is dan 5.000 m2 of dieper steekt dan 50 centimeter. Algemene regels Anti-dubbeltelregel Door middel van dit artikel wordt voorkomen dat grond, die betrokken is geweest bij het toestaan van ene bouwplan, bij de beoordeling van een later bouwplan wederom betrokken is. Algemene gebruiksregels Hierin is specifiek vermeld welk gebruik als strijdig wordt gezien. Algemene afwijkingsregels In dit artikel is een aantal regels opgenomen om het mogelijk te maken dat het plan op ondergeschikte punten wordt aangepast. Kleine afwijkingen van de in de regels opgenomen, dan wel op de verbeelding aangegeven maten kunnen volgens dit artikel mogelijk worden gemaakt met een binnenplanse omgevingsvergunning. Overige regels In dit artikel zijn regels met betrekking tot parkeren opgenomen om te garanderen dat het benodigde aantal parkeerplaatsen wordt gerealiseerd op eigen terrein. Door middel van een omgevingsvergunning kan hiervan worden afgeweken.
Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Het overgangsrecht bevat een regeling voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij het inwerking treden van het plan, maar dat strijdig is met de regels van dit bestemmingsplan. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd. De redactie van het artikel is wettelijk vastgelegd en overeenkomstig opgenomen. Slotregel In de slotregel wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan aangehaald kan worden (titel van het bestemmingsplan). De redactie van het artikel is wettelijk vastgelegd en overeenkomstig opgenomen.