CConstaterende datAlkmaar
Koppel je AI →
Document · PDF

Beleid 3m. Opgavendocument Ontwikkelperspectief Noord-Holland Noord

Gemeenteraad 24 november 2025, gemeente AlkmaarBij agendapunt: Raadsvoorstel Actieprogramma Economie Alkmaar 204026.017 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

worden. 4 Veel verdelingsvragen worden nationaal opgepakt in het Deltaprogramma Zoetwater en binnen de zoetwaterregio’s. Voor Noord-Holland Noord is het IJsselmeergebied de primaire zoetwatervoorraad. De nabijheid maakt het mogelijk om landbouwgebieden in Noord-Holland Noord van water te voorzien zonder het over grote afstanden te moeten transporteren. In de zomer is het

Ministerie van IenW, kamerbrief Water en bodem sturend

Afbeelding 13. Drinkwater en grondwater beschermingsgebieden. Bron: PNH

Ijsselmeer

Inlaat Aandijk

Opgaven

32

Analysedocument Ontwikkelperspectief Noord-Holland Noord

meeste IJsselmeerwater nodig. Het merendeel van het zoetwater is bestemd voor de landbouw. Het IJsselmeergebied zorgt ervoor dat het noordelijk deel van Nederland perioden van watertekorten kan overbruggen. Door klimaatverandering staat deze zoetwaterbuffer echter onder druk. De beschikbaarheid van zoetwater kan worden vergroot door peilopzet in het Markermeer en IJsselmeer. Een risico is dat het IJsselmeer brakker kan worden als gevolg van geringere zoetwatertoevoer vanuit de Rijn en IJssel, de zeespiegelstijging en de toenemende Onttrekken voor beregening gras/mais; 5%

Overig; 2%

Peilhandhaving hoofdsysteem; 5%

Peilhandhaving veengebieden; 15% Doorspoelen en onttrekken voor beregening akkerbouw; 43%

Peilhandhaving landbouw; 30%

Afbeelding 14. Watervraag per sector in zomer 2021 voor het gebied van Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (bron: Verbrede Bestuurlijke IJsselmeergroep, Waterverdeling regio IJsselmeergebied - achtergronddocument, 2021)

watervraag. Hierdoor komt de kwaliteit van het drinkwater in gevaar (innamepunt drinkwater in IJsselmeer). Ook voor toepassing in de landbouw is brakker water niet geschikt. Tot dusver doet het Rijk er alles aan om het IJsselmeer zoet te houden. Vergroting van de zoetwatervoorraad kan ook door water vast te houden in de bodem, (beperkt) te bergen in het regionale watersysteem, nieuwe buffergebieden in te richten, bestaande natuurgebieden te vernatten, vegetatietypen te herstellen die water vasthouden of het lokaal op te slaan door individuele gebruikers. Maar ook dan zullen verdelingsvraagstukken gaan optreden. Daarnaast zullen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen met een watervraag gepaard moeten gaan met maatregelen om water op te vangen, te laten infiltreren en vast te houden om (zelfvoorzienend) droge perioden te overbruggen. Het drinkwaterbedrijf PWN signaleert dat ook de drinkwatervoorziening in Noord-Holland Noord tegen zijn grenzen aanloopt door droogte, te snelle waterafvoer, verzilting en een toenemende watervraag door een groeiende bevolking en economie. NoordHolland Noord is voor zijn drinkwater volledig afhankelijk van het IJsselmeer. PWN voorziet dat er mogelijk al voor 2030 problemen gaan ontstaan met de levering aan huishoudens als alle woningbouwplannen tot 2030 doorgaan.

Om ook in de toekomst drinkwater te kunnen blijven leveren, zet PWN in op de volgende strategieën: verminderen van het drinkwatergebruik, versterken van bronnen en vergroten van de drinkwaterproductie. PWN vraagt aandacht van de provincie voor toekomstige bronnen en infiltratiegebieden voor de drinkwatervoorziening en buffers voor zoetwater of drinkwater die noodzaken tot ruimtelijke reserveringen.

Opgaven

33

Analysedocument Ontwikkelperspectief Noord-Holland Noord

Verzilting De kans op verzilting van het grond- en oppervlaktewater neemt toe. Dat komt door de zeespiegelstijging, de bodemdaling en de invloed daarvan op transport van fossiel zout grondwater, langdurige droge periodes en toename van zeewater dat via sluizen binnendringt. Verzilting van het grondwater leidt tot een toename van zoute kwel in het kleigebied achter de duinenstrook en in diepe polders zoals de Wieringermeer en Schermer. Akkerbouw op de vruchtbare bodem in bijvoorbeeld de Wieringermeer is mede mogelijk vanwege de constante doorspoeling met zoetwater. De beschikbaarheid van

Afbeelding 15. Diepte van de grensvlak tussen zoet en zout water. Bron: Deltares

Opgaven

34

zoetwater voor dit doel neemt echter in bepaalde perioden af. Hierdoor ontstaan in toenemende mate problemen met land- en tuinbouw (waaronder de bollenteelt) en natuur (de natuurdoeltypen in polders en veengebieden die van zoetwater afhankelijk zijn). De landelijke verdringingsreeks bepaalt ook dat tijdens een zoetwatertekort de doorspoeling tegen verzilting één van de eerste functies is welke beperkt wordt. Minder water voor doorspoeling om (interne) verzilting tegen te gaan maakt dat we alert moeten zijn op doelstellingen en teelten in bepaalde gebieden en wellicht scherpere keuzes moeten maken tussen

Analysedocument Ontwikkelperspectief Noord-Holland Noord

gebieden onderling. Overigens is verzilting ook schadelijk voor het archeologisch erfgoed, waaronder archeologische monumenten. Er is meer informatie en onderzoek nodig om keuzes te maken hoe om te gaan met de gevolgen van verzilting. Bovendien kunnen effecten mogelijk door innovatie in de landbouw opgelost worden. Anderzijds doen zich in toenemende mate mogelijkheden voor om juist gebruik te maken van de verzilting: voor de landbouw door om te schakelen naar zouttolerante teelten, en voor de natuur door in te zetten op brakke en zilte natuur.

Bodemdaling Hoewel niet zo sterk als bijvoorbeeld het Groene Hart, Zaanstreek-Waterland en Flevoland, hebben ook delen van Noord-Holland Noord te maken met bodemdaling. Vooral in de veengebieden met agrarisch gebruik speelt dit vraagstuk. De belangrijkste oorzaak is ontwatering. Door ontwatering komt het veen in contact met zuurstof uit de lucht en gaat het oxideren. Hierdoor verdwijnt een deel van het veen, waardoor de bodem daalt. Om bestaand agrarisch gebruik te kunnen voortzetten, moet het waterpeil vervolgens verder worden verlaagd. Droogte versnelt het proces van bodemdaling. Omdat de zeespiegel tegelijkertijd

Afbeelding 16. Verzilting voor landbouw. Bron: Signaalkaart PNH, HHNK

Opgaven

35

Analysedocument Ontwikkelperspectief Noord-Holland Noord

stijgt, neemt de relatieve daling van het land ten opzichte van de zeespiegel harder toe. De gevolgen van bodemdaling zijn, onder andere, een groter risico op overstroming, vernatting, schade aan gebouwen (met name de houten funderingen die veel zijn toegepast in het gebouwd erfgoed, waaronder vele beschermde monumenten) en infrastructuur, en verzilting doordat het landoppervlak dichter bij het zoute grondwater komt. Dat kan tot ‘opbarsting’ leiden: het ongecontroleerd naar boven komen van grondwater. Ontwatering leidt daarnaast tot een verminderde natuur- en waterkwaliteit. Daar komt voor veengrond nog bij dat bodemdaling gepaard gaat met veel CO2uitstoot. Daarin ligt een belangrijke urgentie om de bodemdaling tegen te gaan: de uitstoot van CO2 moet volgens het Klimaatakkoord van Parijs en de nationale Klimaatwet de komende dertig jaar juist sterk worden beperkt (in Nederland met 95% ten opzichte van 1990). Bij ongewijzigd beleid worden de kosten voor het waterbeheer in veenweidegebieden steeds hoger. 5 De maatschappelijke kosten van de bodemdaling in Nederland lopen dan nog verder op, tot in de miljarden.6

verontreiniging zoals PFAS, klimaatverandering en verstedelijking. Om de waterkwaliteit te bewaken en te verbeteren is de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) in het leven geroepen. Daarin is afgesproken dat alle grond- en oppervlaktewateren vanaf 2027 een goede kwaliteit moeten hebben. Dat gaat om de chemische kwaliteit en de ecologische kwaliteit. De meeste waterlichamen in Nederland en in NoordHolland Noord voldoen nog niet aan die norm. In een recent uitgebracht advies luidt de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli) de noodklok. Nederland gaat de KRW-doelen voor de deadline van 2027 niet halen. Het niet op tijd bereiken van de KRW-doelen kan betekenen dat tal van activiteiten noodgedwongen stil komen te liggen.7 De KRW kan gevolgen hebben voor het vestigen of verplaatsen van functies. Een functie mag namelijk geen verslechtering van de waterkwaliteit meebrengen (zowel in stoffen

Het tegengaan van klink en zetting in veengebieden heeft nationaal een hoge prioriteit bij de waterverdeling. Een mogelijk keuze is dat als er veel zoetwater nodig is om daling van veenweidegebieden tegen te gaan, er voor andere functies minder zoetwater beschikbaar is. Het is de bedoeling dat hiervoor zoveel mogelijk water in het gebied zelf wordt vastgehouden en de inlaat van gebiedsvreemd water wordt beperkt. Dat heeft als gevolg dat er ruimte in deze gebieden moet worden gevonden om het water te bufferen om voldoende gebiedseigen water te hebben, ook ten tijde van droogte. Een ander gevolg is de mogelijke wijziging van landgebruik (natuur en landbouw) als gevolg van een hoger waterpeil. Dit wordt nader toegelicht bij het perspectief voor landbouw en natuur (paragraaf 5.2). Zettingsgevoeligheid en de mate van bodemdaling zijn belangrijke factoren bij locatiekeuzes zoals woningbouw en bedrijventerreinen. Bodem- en waterkwaliteit Schoon en kwalitatief goed water is van vitaal belang voor mens en natuur.

De kwaliteit van gronden oppervlaktewater is in Nederland echter niet voldoende en staat verder onder druk door onder meer bemesting en gebruik van bestrijdingsmiddelen in landbouw, medicijnresten, chemische 5 Raad voor de Leefomgeving en infrastructuur, Stop bodemdaling in veenweidegebieden, 2020 6 Planbureau voor de Leefomgeving, Dalende bodem stijgende kosten, 2016 7 Raad voor de Leefomgeving en infrastructuur, Goed water, goed geregeld, 2023

Afbeelding 17. Ondergrond. Bron: PNH Opgaven

36

Analysedocument Ontwikkelperspectief Noord-Holland Noord

als in, bijvoorbeeld, temperatuur) en een eventuele verslechtering mag ook niet worden afgewenteld. Dat betekent dat bij het nieuw vestigen van bijvoorbeeld bedrijventerreinen ook rekening moet worden gehouden met de effecten op de waterkwaliteit. Een gezonde bodem is (volgens de beleidsbrief Water en bodem sturend van het Rijk, 2022) ‘een bodem die haar waardevolle diensten zoals onder andere waterbuffering, opname van stikstof en vruchtbare grond voor landbouw ongestoord aan ons en aan toekomstige generaties kan blijven leveren. Dat is een

minimaal verstoorde bodem die in balans is en vol leven’. Rurale bodems zijn belangrijk voor meerdere functies. Niet alleen vervullen bodems een belangrijke rol voor de landbouw, maar ook voor de gezonde leefomgeving bosbouw, natuur, kwaliteit en opslag van (drink) water en opslag van koolstof. Voor het vervullen van deze functies is een vitale bodem noodzakelijk. De staat van de bodem is door de jaren heen echter aanzienlijk verslechterd. De vitaliteit loopt gevaar door intensief gebruik en de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen. Dit wordt verergerd door klimaatverandering:

Afbeelding 18. Voorspelling bodemdaling 2020-2025 scenario hoog. Bron: Klimaateffectatlas

Opgaven

37

Analysedocument Ontwikkelperspectief Noord-Holland Noord

organische stof breekt hierdoor sneller af. Dit heeft consequenties voor het watervasthoudend vermogen, de bodemvruchtbaarheid, biodiversiteit en de uitstoot van broeikasgassen. De met klimaatverandering gepaard gaande extremere weersomstandigheden vragen echter juist om een vitalere bodem die meer water en koolstof opslaat.8 De Europese Unie kent sinds 2021 een Bodemstrategie met de doelstelling dat tegen 2030 75% van de bodem in de EU gezond is en dat in 2050 de 8

Raad voor de Leefomgeving en infrastructuur, De bodem bereikt?!, 2020

Afbeelding 19. Beoordeling chemische kwaliteit, Kaderrichtlijk Water 2021. Bron: Compendium voor de Leefomgeving, PBL.

Opgaven

38

bodemverontreiniging tot nul is teruggebracht. Volgens deze bodemstrategie zijn bodems gezond als ze in een goede chemische, biologische en fysische conditie zijn en zo in staat zijn om continu zoveel mogelijk ecosysteemdiensten te leveren. Kringlooplandbouw kan een belangrijke sleutel zijn voor bodemherstel. Er is een Europese richtlijn in de maak gericht op verbetering van de bodemkwaliteit en het niet afdekken van bodems (‘no net landtake’). Deze is nog in discussie, maar kan leiden tot verdere beperkingen aan bebouwing in landbouwgebieden.

Analysedocument Ontwikkelperspectief Noord-Holland Noord

Afvalwaterketen De afvalwaterketen vormt een belangrijk deel van de watercyclus. Het vervoeren en zuiveren van het afvalwater en dit gezuiverde water terugbrengen in het oppervlaktewater. De afvalwaterketen heeft daarmee een grote invloed op o.a. de volksgezondheid en de waterkwaliteit, maar loopt tegen de grenzen van de ontwerpcapaciteit aan en, in sommige gemeenten, ruimte. De druk op de afvalwaterketen zal verder opgevoerd worden door ontwikkelingen zoals strengere eisen in de herziening stedelijk afvalwater (EU-wetgeviing), meer stoffen in het afvalwater (bijv medicijnresten) en de woningtoename. Zuivering van afvalwater zal steeds meer moeite, tijd en ruimte vragen. De rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI’s) zijn van oudsher geplaatst en lokaal gecentraliseerd. RWZI’s zijn er – groot en klein - in het landelijk gebied en in het

stedelijk gebied. Voor de aanvoer van het afvalwater naar de RWZI’s is het ondergronds stelsel van persleidingen onderdeel van de assets. Er moet rekening worden gehouden met investeringen. Oplossingsrichtingen zoals de hoeveelheid afvalwater terugbrengen, de kwaliteit van het afvalwater verbeteren (verontreinigingen verminderen/ voorkomen), capaciteitsvergrotingen binnen de afvalwaterketen en/of verdergaande zuiveringsstappen doorvoeren, locatie van zuiveren, moeten worden meegenomen in de opgaven. Tenslotte zorgt de afvalwaterketen niet alleen voor opgaven, maar het biedt ook kansen. De afvalwaterketen kan bijvoorbeeld een rol spelen in de circulaire economie, het ontwikkelen van energienetwerken en het verminderen van zoetwatertekorten.

Afbeelding 20. Eigenschappen en functies van de bodem. Bron: De bodem bereikt?! (rli.nl) Opgaven

39

Analysedocument Ontwikkelperspectief Noord-Holland Noord

5.2. Perspectief voor landbouw en natuur

natuurontwikkeling gecombineerd met opvang van kwel en het beschermen van drinkwatervoorziening.

Regionale en bovenregionale samenhang De kleigronden van Noord-Holland Noord zijn vruchtbare landbouwgronden, gesteld dat de bodemkwaliteit goed is en de waterhuishouding zich leent voor agrarische productie. Landbouw was naast waterveiligheid bijna altijd de belangrijkste reden om een polder droog te malen. Er is een zeer divers en rijk palet aan landbouw ontstaan: van akkerbouw tot melkveehouderij, glastuinbouw en bloembollenteelt, van grootschalig, biologisch en duurzaam tot streekproductie. Met name de Wieringermeer en de omringende waardpolders zijn open en rationeel ingerichte landschappen ten dienste van de land- en tuinbouw, waaronder akkerbouw, veehouderij, bollenteelt en glastuinbouw. Ook in Westfriesland is de agrarische sector van oudsher sterk. Hier is een grote diversiteit aan teelten te vinden en het is de kraamkamer voor de zaad- en veredelingssector in Noord-Holland: Seed Valley. Landschappelijk is Westfriesland diverser en kleiner van schaal dan de waardpolders en de Wieringermeer. Het oude, gevarieerde landschap binnen de monumentale Westfriese Omringdijk bestaat uit een aaneenschakeling van kleinere zeekleipolders, enkele kleine droogmakerijen, een klein deel veenweidegebied en vele iconische stolpen.

In gebieden als Texel en Wieringen is de landbouw relatief extensiever en kleinschaliger, mede vanwege de ondergrond, het reliëf en de afwisseling van natte en droge gebieden en van zoet- en zoutwater. In het noordelijke deel van de binnenduinrand, waar de zandbodem vermengd is met kleibestanddelen, kwam de bloembollenteelt tot ontwikkeling. In de loop van de tijd heeft de bollenteelt zich uitgebreid tot in de aangrenzende polders. De belangrijkste natuurgebieden zijn te vinden in en aan het water. De Waddenzee, het IJsselmeer, het Markermeer en grote delen van de Noordzeekust maken deel uit van het Europese natuurnetwerk Natura 2000. Daartoe behoort ook het veenweidegebied van de Eilandspolder. De Waddenzee is bovendien aangewezen als Unesco Werelderfgoed, doorlopend tot Denemarken. Het is één van de laatst overgebleven grootschalige bij eb droogvallende ecosystemen waar natuurlijke processen blijven functioneren. Aan de Noordzee is ook de kuststrook deel van Natura 2000. Veel gekwalificeerde leefgebieden liggen tussen de zee en de duinbossen. Daarnaast zijn de natuurwaarden hoog in de unieke overgang van duinen en duinbossen naar de binnenduinrand. De overgangen in de binnenduinrand hebben hoge potentie voor Opgaven

40

Natura 2000-gebieden behoren ook tot het nationale Natuurnetwerk Nederland (NNN). Daaronder vallen ook andere natuurgebieden in Noord-Holland Noord, zoals het Amstelmeer, het Robbenoord- en Dijkgatbos en een groot aantal kleinere gebieden. Complementair aan het beschermingsregime voor het Natuurnetwerk Nederland, is dat voor de Bijzondere Provinciale Landschappen. Deze gebieden zijn landschappelijk, aardkundig, ecologisch of cultuurhistorisch van bijzondere waarde. Noord-Holland kent er 32, waarvan ongeveer de helft geheel of gedeeltelijk in NoordHolland Noord ligt. Noord-Holland Noord kent belangrijke agrarische en natuurlijke waarden, maar deze hebben zich de afgelopen decennia niet in balans ontwikkeld. In de startversie van het Provinciaal Programma Landelijk Gebied (PPLG, juli 2023) sprak de provincie een nieuwe ambitie uit: een vitaal landelijk gebied, natuur en landbouw in balans. ‘Onze prioriteit is het vergroten van de biodiversiteit en de draagkracht van het water- en bodemsysteem. Zo wordt rekening gehouden met klimaatverandering en blijft onze leefomgeving aantrekkelijk. Als dit gedaan wordt, is er in Noord-Holland altijd plaats voor een economisch vitale, toekomstbestendige en innovatieve kringlooplandbouw, die gezond en betaalbaar voedsel produceert’ (p. 14).

Het niet vastgestelde nationale landbouwakkoord had als één van de doelen het faciliteren van boeren bij de transitie door het financieel belonen van ‘kennisboeren’; financiële steun voor het overgangstraject naar alternatieve landbouwsystemen. Het doel daarbij is om duurzame teelten en bedrijfsmodellen (kringloop-, natuurinclusieve, extensieve, biologische en regeneratieve landbouw) kostendekkend te maken. Inmiddels is onduidelijk hoe het PPLG verder gaat. Het vorige kabinet had aan de provincies in het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG) de opdracht gegeven om provinciale programma’s landelijk gebied (PPLG) op te stellen en in te dienen. Het huidige kabinet heeft het NPLG stopgezet en het transitiefonds om maatregelen te financieren geannuleerd. Hiermee is ook de opdracht aan de provincies om provinciale programma’s op te stellen, en daarmee een regierol voor het landelijk gebied te spelen, ingetrokken. Het kabinet geeft in het regeerprogramma aan te kiezen voor een nieuwe inzet in het landelijk gebied gericht op voedselzekerheid en innovatie en wil zelf regie in de uitvoerings- en gebiedsgerichte aanpak voeren. Ze wil eind 2024 met een eerste richting hiervoor komen. De provincie Noord-Holland had een startversie van haar PPLG opgesteld, met daarin diverse doelen op het gebied van natuur, landbouw, water en bodem, klimaat en recreatie.

Analysedocument Ontwikkelperspectief Noord-Holland Noord

Voor de provincie Noord-Holland staat de ambitie met betrekking tot het landelijk gebied onverkort overeind. De provincie houdt vast aan de lange termijn ambities op het gebied van klimaatbestendigheid, (handelingsperspectief voor) de landbouw, een sterk water- en bodemsysteem, biodiversiteit, beleefbaarheid van het landschap en de sociaaleconomische vitaliteit (leefbaar en financieel toekomstbestendig) van het landelijk gebied. Hierbinnen wil de provincie zich richten op maatregelen voor het bereiken van doelen rondom de Natura 2000 gebieden van de veenweiden, duinen en omgeving en de Vechtstreek. De provincie komt in het eerste kwartaal van 2025 met een aanpak voor de korte termijn. Daarin staan de maatregelen die zij in de periode tot en met 2027 wil uitvoeren en opstarten, en welke beleidskeuzes daarin

gemaakt moeten worden. In het tweede kwartaal volgt een aanpak voor de middellange en lange termijn. Waar mogelijk zullen de maatregelen input vormen voor het Ontwikkelperspectief NHN. In de Kop van Noord-Holland is besloten verder te gaan met een gezamenlijke aanpak van de opgaven in het landelijk gebied. Deze aanpak kent drie hoofddoelen: •

• •

Er wordt gewerkt aan een regionale visie op de opgaven in het landelijk gebied, geredeneerd vanuit lokaal perspectief op basis van het Schot voor de Boeg; Er komen concrete projectvoorstellen; Stimuleren samenwerking en koppelkansen in de regio.

Opgaven

41

Analysedocument Ontwikkelperspectief Noord-Holland Noord

Het samengaan van natuur en landbouw, betekent bijvoorbeeld ook een inzet op een landbouw die ruimte laat voor een diversiteit van soorten en leefgebieden, natuurnetwerken verbindt en daarmee bijdraagt aan natuurlijke systemen en aan natuurlijke plaagbescherming. Agrarisch natuurbeheer is een goed voorbeeld van samenwerking tussen landbouw en natuur. Daarnaast zijn kaders nodig voor de duiding van productieve en strategische landbouwgronden (op basis van bodem, water, klimaat), ook in het kader van de (internationale) voedselvoorziening. Hierbij

Afbeelding 21. Groenblauwe dooradering (bestaand ca. 3-4 % van het landelijk gebied, excl. Natura 2000 en NNN gebieden). Opgave: 5 % in 2030, 10 % in 2050. Bronnen: Landelijk gebied Minus NNN -à zoekgebied, BGT, Bomen (LULUCF), Waterschappen, Groen, erfgoed, ANLB, NBP L-typen

Opgaven

42

hoort ook de ruimtelijke keuze voor grondgebonden landbouw of geïndustrialiseerde niet-grondgebonden landbouw (glastuinbouw, verticale teelten en ruimte voor aan landbouw verwante productie- en verwerkingsprocessen). Bescherming van de meest vruchtbare landbouwgronden voor duurzame, hoogproductieve grondgebonden landbouw (‘Agrarische Hoofdstructuur’) is een optie om dit te verankeren in de nieuwe Nota Ruimte.

Analysedocument Ontwikkelperspectief Noord-Holland Noord

Voor Noord-Holland Noord leidt een en ander tot vijf sterk samenhangende opgaven, die ook verwoord zijn in de startversie van het PPLG: 1. 2. 3. 4.

transitie landelijk gebied, transitie in de landbouw, biodiversiteit herstellen en versterken, natuurnetwerken verbinden met groenblauwe dooradering, 5. natuurinclusief inrichten van stedelijk en landelijk gebied.

Bij deze opgaven ligt er een evidente relatie met water en bodem, zoals beschreven in de vorige paragraaf. Op termijn zal niet alles meer kunnen omdat er niet meer voldoende water beschikbaar zal zijn. Dit zal sterk doorwerken in het grondgebruik, waardoor keuzes onvermijdelijk worden, zowel wat betreft natuur als landbouw.

Afbeelding 22. Combinatie van beschermingsregimes. Bron: PNH Ca 38 % van landelijk gebied beschermd (Natura 2000, NNN, BPL) ca. 62 % van landelijk gebied zonder beschermingsregime Totaal NHN: 14770 ha (147 km2) Landelijk gebied: 86,2 % Stedelijk gebied: 13,8 %

Opgaven

43

Analysedocument Ontwikkelperspectief Noord-Holland Noord

Opgaven Transitie landelijk gebied Noord-Holland Noord bestaat voor maar liefst 86% uit landelijk gebied. Landbouw en natuur zijn de dragers van het landschap. Die functies zijn ook van groot belang voor de stedelijke omgeving, onder meer voor de voedselvoorziening, recreatie en voor een gezonde leefomgeving en een sociaaleconomisch vitale regio. In delen van de regio staat de landschappelijke kwaliteit echter onder druk. In de afgelopen zeventig jaar hebben de schaalvergroting en mechanisering van de landbouw het landschap ingrijpend veranderd en verschraald. Sloten zijn gedempt, kavels samengevoegd, windsingels gekapt en historische boerderijen in de linten vervangen door moderne (grootschalige) agrarische bebouwing. De economische ontwikkeling is niet steeds gepaard gegaan met een adequate landschappelijke inbedding (met onder meer ‘verglazing’ en ‘verdozing’ tot gevolg).

Meervoudig ruimtegebruik is als prioriteit aangegeven in de Nationale Omgevingsvisie. Innovaties en keuzes zijn zeker nodig om de vele uitdagingen ruimtelijk te vertalen op een manier dat de bestaande kwaliteiten worden gerespecteerd en versterkt. De overheid draagt zorg voor kaders die ondernemers en inwoners inzicht geven in de toekomstige opgaven en ruimte geven voor innovatieve oplossingen en gewenste ontwikkelingsrichtingen. Planologische principes van efficiënt landgebruik, compacte verstedelijking, beschermen van landbouwgronden en respecteren van beschermingsregimes voor natuur en cultuurhistorie zijn uitgangspunten bij de ruimtelijke vertaling van de opgaven.

Voor de komende decennia liggen er vele ruimtelijke opgaven en nieuwe ontwikkelingen die van grote invloed zullen zijn op het landschap: de energietransitie, de klimaatverandering, bouwopgaven, de stikstofcrisis, een toenemende behoefte aan recreatie en de ontwikkeling naar meer duurzame vormen van landbouw. Ook de opgaven en de veranderende condities die in de paragraaf ‘Water en bodem zijn genoemd vragen om aanpassingen van landgebruik, landbouw, natuur en het landschap. De verwachting is dat de verzwaring van het elektriciteitsnet eveneens een aanzienlijk impact heeft op het landelijk gebied in Noord-Holland Noord, evenals de schaalvergroting van de landbouw en de uitbreiding van Agriport. Voor het Ontwikkelperspectief worden integrale afwegingen en keuzes gemaakt. De provincie zoekt samen met de regio’s, gemeenten en waterschappen gebiedsgericht naar de (koppelings)kansen die bijdragen aan een vitaal en leefbaar landelijk gebied met economisch toekomstperspectief, waarin natuur en landbouw met elkaar in balans zijn en zelfs elkaar versterken. Essentieel is om samenhang te brengen in de uiteenlopende doelen en ambities; om een symbiose te bereiken op een wijze die resulteert in een hogere landschappelijke kwaliteit. Dat is een opgave op zich.

In Noord-Holland Noord zullen landbouw en natuur daar de dragers van blijven, afgestemd op de kwaliteit van water en bodem en met voldoende mogelijkheden voor de beleving, de bereikbaarheid en het recreatief gebruik van het landschap. Ruimtelijke, economische en sociale opgaven worden aangewend voor een versterking van het landschap, het verblijfs- en woongenot en het welzijn in het landelijk gebied.

Opgaven

44

Transitie in de landbouw Als producent van voedsel en sierteeltproducten heeft de landbouw ons landschap mede gevormd. Landbouw speelt een belangrijke rol in het beheer van het landschap, maar ook in het mede oplossen van de vele uitdagingen. Het agrarisch gebied beslaat 60% van het totale landelijk gebied in Noord-Holland Noord. Als dominante ruimtegebruiker heeft de agrarische sector een significante economische, ruimtelijke, ecologische en sociale betekenis voor de vitaliteit van het landelijk gebied en voor het beheer van het landschap voor de toekomstige opgaven. De moderne landbouw heeft Nederland voedselzekerheid gebracht. Bovendien is Nederland één van de topexporteurs (in landbouwproducten én -kennis) van de wereld. Tegelijkertijd heeft deze manier van landbouw een grote ecologische footprint. Zo kent de landbouwsector een forse milieubelasting,

Analysedocument Ontwikkelperspectief Noord-Holland Noord

Type landgebruik

ha

%

Akkerbouw

28.964

19,6%

Agrarisch grasland

79.436

53,8%

Boom- en Fruitteelt

1.614

1,1%

Bloembollen

12.471

8,4%

Glastuinbouw

1.843

1,2%

Overige landbouw

13.158

8,9%

Totaal landbouw

137.485

93,1%

Afbeelding 23. Landgebruik. Bron: LGN2021, WUR (2021)

Opgaven

45

Analysedocument Ontwikkelperspectief Noord-Holland Noord

wat weer substantiële consequenties heeft voor de kwaliteit van natuur, water en bodem en voor het cultuurhistorische landschap. Schadelijke emissies, bestrijdingsmiddelen en landbouwtechnieken hebben bij het streven naar grote efficiëntie de bodem- en waterkwaliteit aangetast. De toenemende ecologische footprint maakt dat een transitie van de landbouw noodzakelijk is. Vanuit de EU, Rijk en provincie zijn er diverse onontkoombare doelstellingen en wetten op natuur, klimaat, stikstof en water vastgelegd om de ecologische footprint te reduceren en te komen tot een voltooiing van de transitie naar kringlooplandbouw in 2040.9 De minister van LNV geeft in een brief aan de Tweede Kamer over de toekomstvisie op de agrarische sector10 aan dat de term kringlooplandbouw een bredere betekenis heeft dan alleen het sluiten van de plantaardige en dierlijke kringlopen op verschillende schalen. ‘Het gaat om het tegelijkertijd realiseren van een beter verdienvermogen voor boeren en tuinders, én minder schadelijke emissies naar bodem, lucht en water, én om vergroting van de biodiversiteit’.

Kringlooplandbouw is landelijk uitgewerkt in zeven doelen: het herstellen van biodiversiteit, verbeteren van waterkwaliteit en -beheer, bodemkwaliteit, planten diergezondheid, circulariteit, het tegengaan van en omgaan met klimaatverandering en het verbeteren van de sociaaleconomische positie van agrarische ondernemers. In Noord-Holland zal altijd ruimte zijn voor een sterke, duurzame en innovatieve landbouw die gezond en betaalbaar voedsel produceert. De landbouwbedrijven vormen een belangrijk onderdeel van het totale agrocomplex en een deel van de oplossing van de integrale vraagstukken. De provincie wil agrarische ondernemers een economisch gezond en toekomstbestendig bedrijfsperspectief bieden en onderzoekt hoe de transitie naar kringlooplandbouw kan worden ondersteund, waarbij landbouw een bijdrage kan blijven leveren aan natuurbeheer en aan de vitaliteit en brede welvaart van het landelijk gebied en de kleine kernen. In Noord-Holland Noord is de transitie van de landbouw zonder twijfel kansrijk, vanwege de sterke uitgangspositie van het agro- en voedselcomplex (en de samenwerking in Greenport-verband) en de ontwikkelingen die al gaande zijn. Dat geldt zowel voor de primaire productie, als voor het hoogwaardig netwerk van agrologistiek, verwerking, innovatie en kennisontwikkeling en -deling. De landbouw in Noord-Holland Noord speelt een belangrijke rol in

het nationale agro-foodcomplex, dat wereldwijd toonaangevend is. Duidelijk is wel dat de transitie-opgave in de landbouw substantiële gevolgen zal hebben voor Noord-Holland Noord. Hoe hier vorm aan te geven zal van gebied tot gebied en van ondernemer tot ondernemer verschillen. Oplossingen kunnen bijvoorbeeld liggen in korte economische ketens tussen boer en consument, of in verbrede landbouw met een combinatie van recreatie, toerisme en educatie. Agrotoerisme (mits kwalitatief goed ontwikkeld en in samenhang met andere doelen zoals biodiversiteit, lokale voedselketen, landschapsontwikkeling en identiteitsversterking) kan bijdragen aan het verdienvermogen van agrariërs. En daarnaast zitten er kansen in ‘regeneratieve landbouw’ die de kwaliteit van de bodem en het ecosysteem helpt herstellen.11 Om tot een goede afweging van belangen te komen, dient voor de agrarische sector inzichtelijk te zijn wat de ontwikkelingen zijn en welke (ruimtelijke) effecten daarvan worden verwacht. Veel algemene cijfers zijn reeds te vinden via CBS Statline en Agrimatie (samenwerking tussen de provincie Noord-Holland en Wageningen University & Research). Deze cijfers geven echter onvoldoende context voor het beantwoorden van een aantal kernvragen over de ontwikkeling van de agrisector in Noord-Holland Noord.

Daarom laat de provincie, in overleg met de drie regio’s in NHN, in 2025 een onderzoek uitvoeren. Het doel hiervan is het in beeld brengen hoe de agrisector in het NoordHolland Noord ervoor staat en welke ruimtelijke en economische effecten worden verwacht van diverse trends en ontwikkelingen. Dit geldt zowel voor het totale gebied als voor de individuele regio’s. Transitie van de landbouw omvat ook transformatie naar meer technologie en meer synergie met andere bedrijfsvormen. Bedrijven in de voedselketen gaan dichter bij elkaar zitten. Voor het draagvlak en de slagingskans is het een vereiste om de innovatiekracht van de sector te betrekken bij het realiseren van de transitie. De veelheid aan initiatieven om emissies van broeikasgassen, stikstof en gewasbeschermingsmiddelen verder te reduceren, mineralen nog beter te benutten, teeltmaatregelen om watergebruik te verminderen en innovaties om water in tijden van een neerslagoverschot vast te houden is veelbelovend en tekenend voor de motivatie van de ondernemers om bij te dragen aan een duurzame manier van boeren waarbij het sluiten van kringlopen een middel is. De landelijke overheid ziet veel potentie in de productie van groen gas uit dierlijke mest en organische reststromen. De provincie

9 Provincie Noord-Holland, Startversie PPLG, p. 7 10 Minister van LNV, kamerbrief ‘Toekomst landbouw’, 25 november 2022 11 Provincie Noord-Holland, Voedselvisie Noord-Holland, 2020 Opgaven

46

Analysedocument Ontwikkelperspectief Noord-Holland Noord

Noord-Holland is gestart met een onderzoek naar de potentie van mestvergisting. De voorlopige resultaten zijn veelbelovend en inmiddels zijn eerste initiatieven gestart door agrarische collectieven. Biodiversiteit herstellen en versterken De biodiversiteit is in de afgelopen eeuw sterk afgenomen. De afgelopen jaren is de afname gestagneerd. Er is echter maar 15% van de oorspronkelijke ongestoorde natuursituatie overgebleven.12 Om de biodiversiteit te herstellen en te versterken is het van belang om de condities te verbeteren, zodat de ecosystemen van de natuurgebieden robuuster worden. De overheden werken aan agenda’s voor de korte, middellange en lange termijn voor maatregelen die bij moeten dragen aan natuurherstel en het verbeteren van de natuurkwaliteit in Natura 2000-gebieden, stikstofreductie en het herstel van biodiversiteit in het landelijk gebied. De maatregelen hebben onder andere betrekking op: • • • • •

12

natuurherstelmaatregelen in bestaande natuurgebieden; afronding van Natuurnetwerk Nederland (NNN); realisatie van bos; 10% groenblauwe dooradering van het landelijk gebied; natuurinclusieve ruimtelijke ontwikkeling.

Om de biodiversiteit te versterken moet in de natuurgebieden de bodem- en waterkwaliteit op orde zijn. Natuurgebieden zijn te zien als brongebieden waar de grootste diversiteit aan soorten beschermd wordt. De onderling verbonden natuurgebieden vormen samen het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Enerzijds moet het natuurnetwerk afgerond worden door nieuwe natuur en de ontbrekende schakels in het natuurnetwerk te realiseren, anderzijds wordt een verbetering van de natuurkwaliteit in de bestaande natuurgebieden geambieerd. Dit vergt zowel optimalisatie van het beheer als van de milieuen inrichtingscondities. Over het algemeen zullen de inrichting en het beheer erop gericht zijn om natuurlijke processen te herstellen. Het volledig bereiken van de Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijn-doelen is van belang om gericht natuurbeleid te blijven uitvoeren voor bescherming en herstel van bedreigde soorten en habitattypen. Denk daarbij aan extra areaal voor specifieke natuurtypen of technische herstelmaatregelen. Typisch voor het Noord-Hollandse landschap is bijvoorbeeld het belang voor weidevogels. Maar door verdroging en een teruglopend voedselaanbod hebben die het moeilijk. Met andere provincies werkt Noord-Holland met het ‘Aanvalsplan Grutto’ aan maatregelen die deze tendens moeten keren.

Provincie Noord-Holland, Biodiversiteit in Noord-Holland, 2017

Opgaven

47

Analysedocument Ontwikkelperspectief Noord-Holland Noord

beleefbaar landelijk gebied, zoals landschap-, erfgoed-, recreatie-, klimaat-, water- en bodemdoelen. Natuurnetwerken verbinden met groenblauwe dooradering Vijfentachtig procent van het Noord-Hollands grondgebied valt niet onder Natura 2000 of het Natuurnetwerk Nederland. Ook daar, zowel in het stedelijk als het landelijk gebied, gaat de biodiversiteit achteruit. Ook daar ligt dus een opgave. Een belangrijk instrument daarvoor in het landelijk gebied is, naast de kringlooplandbouw, de groenblauwe dooradering (GBDA).

Met het scheppen van de juiste condities voor biodiversiteit en afspraken over beheer wordt een basiskwaliteit voor de natuur beoogd, zowel in de natuurgebieden als in overige gebieden. Met een samenhangend natuurnetwerk, inclusief ecologische verbindingszones en aangevuld met groenblauwe dooradering en verbetering van de bodemecologie en de waterkwaliteit maken we de natuurgebieden en landbouwgronden beter weerbaar tegen invloeden van buitenaf. De bosuitbreiding tot 2030 die volgt uit de bossenstrategie van Rijk en provincies, bedraagt volgens de startversie van het PPLG voor de Wadden, de Kop en Westfriesland in totaal 29 hectare binnen het NNN en 292 hectare daarbuiten. Voor Noord-Kennemerland is dat respectievelijk 77 en 5 hectare. De uitbreidingsopgave voor het NNN in de binnenduinrand bedraagt voor de hele provincie Noord-Holland 300 hectare, en voor natuurverbindingen in de hele provincie 340 hectare.

In het kader van het Ontwikkelperspectief NoordHolland Noord is het de opgave om naast de kortetermijndoelen, kansen te signaleren voor nieuwe natuurontwikkelingen op lange termijn en te zoeken naar meerduidige oplossingen waarbij de natuuren biodiversiteitsdoelen gecombineerd kunnen worden met andere doelen zoals het tegengaan van bodemdaling, het verlagen van de stikstofdepositie en het stimuleren van natuurinclusieve landbouw (waaronder agroforestry) rondom natuurgebieden. Veel natuurontwikkelingen kunnen vervolgens gecombineerd worden met doelen voor een

Opgaven

48

Het aanleggen en versterken van de groenblauwe dooradering maakt deel uit van het nieuwe provinciale beleid, zoals voorgesteld in de startversie van het PPLG. De GBDA bestaat uit kleinschalige landschapselementen en is een belangrijk onderdeel van zowel het nationale als het provinciale programma landelijk gebied. Het moet onder andere bijdragen aan het behoud van de biodiversiteit, de doelen van de Kaderrichtlijn Water en het versterken van een recreatief aantrekkelijk landschap. De doelstelling is dat in 2050 10% van het landelijk gebied in NoordHolland uit groenblauwe dooradering bestaat. De helft daarvan (5%) moet in 2030 gerealiseerd zijn. De huidige groenblauwe dooradering in de provincie is circa 3 tot 4%. Deze dooradering kan bestaan uit bomenrijen, houtwallen, heggen, hagen en andere houtige elementen, en uit natte elementen zoals slootkanten, natuurvriendelijke oevers, kruidenrijke bermen en akkerranden en poelen. Deze dooradering kan de natuurgebieden in Noord-Holland met elkaar verbinden. Behalve voor de biodiversiteit, heeft de groenblauwe dooradering ook waarde voor cultuurhistorie, landschappelijke identiteit en kwaliteit, recreatie, het watersysteem, water- en bodemkwaliteit en voor ecosysteemdiensten. In het Ontwikkelperspectief worden kansen gesignaleerd, de bestaande initiatieven geïnventariseerd en samengebracht met andere opgaven in Noord-Holland Noord.

Natuurinclusief inrichten van stedelijk en landelijk gebied De basis voor het herstel van biodiversiteit wordt gelegd met een natuurinclusieve inrichting van het landelijk en stedelijk gebied. Natuurinclusief betekent ook dat de samenleving zorgt voor natuur en biodiversiteit door te opereren binnen de grenzen van natuurlijke systemen. Dus bijvoorbeeld geen uitstoot van schadelijke stoffen en geen onttrekking of vervuiling van bodem en water, maar bijdragen aan de gezonde leefomgeving en ecosysteemdiensten (drinkwater, zoetwaterbeschikbaarheid, plagenonderdrukking en bestuiving). Waterberging in een natuurinclusieve stad kan bijvoorbeeld tegelijkertijd wateroverlast voorkomen,

Analysedocument Ontwikkelperspectief Noord-Holland Noord

bijdragen aan het verkoelen van de stedelijke omgeving, leefgebied zijn voor plant- en diersoorten en ruimte bieden voor ontspanning van mensen. Uitgangspunt is dat het natuurlijke bodem- en watersysteem bepalend is voor de ruimtelijke inrichting en natuurlijke processen daardoor ook beter benut kunnen worden. Denk aan water vasthouden waar sprake is van tekorten, water bergen waar sprake is van overlast en voedselproductie op de meest vruchtbare bodems. Bij een natuurinclusieve inrichting hebben de groenblauwe structuren die de stad en het land verbinden, de hoofdrol. Daarnaast dragen groene daken, groene tuinen, groene straatprofielen, parkinrichtingen en groenzones om de stad bij aan een natuurinclusieve stad. Het doel is te komen tot een gezonde omgeving: groene(re) steden die bijdragen aan een gezond leefklimaat voor mens en dier, en een natuurinclusief landelijk gebied dat ruimte biedt aan duurzame voedselproductie, recreatie en condities voor een gezonde levensstijl. Zo’n omgeving combineert ook andere diensten zoals waterberging, verkoeling, en natuurgebieden die behalve voor de biodiversiteit ook van belang zijn om koolstof vast te leggen. Groene, natuurinclusieve steden, dorpen en landelijk gebied bieden een aantrekkelijk perspectief om een sterkere relatie tussen stad en land te realiseren.

De uitdagingen van klimaat-, natuur- en wateropgaven kunnen omgezet worden in nieuwe kwaliteiten en kansen voor recreatie dichtbij huis. Natuurinclusieve inrichting nodigt uit tot verblijven, wandelen en fietsen, ruimte voor buitenactiviteiten en lokale voedselproductie. De principes zijn ondersteunend voor een gezonde leefomgeving en kwaliteit van leven.

5.3. Perspectief voor ordenende netwerken voor energie en (circulaire) economie Regionale en bovenregionale samenhang Om de klimaatverandering en het gebruik van eindige grondstoffen af te remmen, is een ingrijpende verandering nodig van de economische structuur en de energievoorziening. In 2050 moet Nederland klimaatneutraal en circulair zijn, dus zo goed als vrij van fossiele brand- en grondstoffen. De Nederlandse Klimaatwet van 2023 bevat voor 2030 het doel van 55% minder CO2-uitstoot ten opzichte van 1990, conform de Europese Klimaatwet. Het uitbreiden en verduurzamen van de energieinfrastructuur is cruciaal voor ruimtelijkeconomische ontwikkelingen (zoals woningbouw, het vestigingsklimaat en verduurzaming van mobiliteit en landbouw). De energie-infrastructuur wordt steeds bepalender voor keuzes hierin. Dat vraagt om een integrale kijk op nieuwe energie-infrastructuur. Op dit moment wordt nog vooral gebruik gemaakt van fossiele bronnen zoals kolen, olie en aardgas, maar het aandeel hernieuwbare energie neemt gestaag toe. In 2022 was het aandeel 15%, waarbij de groei vooral zit in wind- en zonne-energie.13 Nederland heeft in EUverband afgesproken om in 2030 minstens 27% van het totale energieverbruik op te wekken met hernieuwbare energie. Ruimtelijk betekent dit, dat de energievoorziening zichtbaarder wordt in het landschap.

Waren voorheen vooral de elektriciteitscentrales, onderstations en de hoogspanningsleidingen zichtbaar, nu geldt dat ook voor de opwek. Bovendien is een grote uitbreiding van de energie-infrastructuur noodzakelijk. Factoren als de ligging van een gebied, de bodem en de aansluiting op de energie-hoofdinfrastructuur gaan een rol spelen bij de functie die het gebied in de nationale en regionale energievoorziening heeft. Waar is geothermie mogelijk en waar passen windmolens en zonnepanelen? Hoeveel windenergie komt er van zee en waar leggen we de aansluiting met het stroomnet op land? Hoe groot wordt de rol van waterstof als energiebron en hoe zal dat zich ruimtelijk manifesteren? Is er koel- of proceswater beschikbaar voor bijvoorbeeld waterstofproductie en kan dit ook met zout water (om gebruik van zoetwater te beperken) of met effluent uit rioolwaterzuivering? En hoe verhouden de reststromen van waterstofproductie zich met de omgeving en de waterkwaliteit?

13

CBS, 2023

Opgaven

49

Analysedocument Ontwikkelperspectief Noord-Holland Noord

De ligging aan zee zal een stempel drukken op de ontwikkeling van het duurzame energienetwerk in Noord-Holland Noord, net als de nabijheid van het Noordzeekanaalgebied waar veel grote energievragers gevestigd zijn. In Noord-Holland Noord zelf zijn ook enkele grootverbruikers van energie gevestigd, met name datacenters en glastuinbouwbedrijven. Daarnaast moeten de havens en de Koninklijke Marine elektrificeren. Dat maakt dat de regio nu in beeld is als plek voor aanlanding van op zee opgewekte energie en doorvoer van energie naar gebruikers. De energietransitie is al op gang. In 2021 kon de eerste Regionale Energiestrategie (RES 1.0) voor NoordHolland Noord worden vastgesteld, opgesteld door een stuurgroep van provincie, hoogheemraadschap en gemeenten. Deze RES 1.0 is één van de 30 RES’sen die bijdragen aan een totaal van 35 TWh in 2030, zoals afgesproken in het Nationaal Klimaatakkoord (in het verlengde van het Klimaatakkoord van Parijs). In de RES Noord-Holland Noord zijn onder meer zoekgebieden aangewezen voor zonne-energie en windenergie tot 2030. Er is gerekend met 14 nieuwe windturbines van 3 MW en 2485 hectare nieuwe zonnepanelen op land, daken, parkeerplaatsen en geluidschermen, waarmee de totale opwek aan duurzame energie in Noord-Holland Noord in 2030 op 3,6 TWh komt.

Er is ook een Regionale Warmtestructuur in opgenomen, die beschrijft hoe de beschikbare warmtebronnen en de warmtevraag in de regio op een logische, efficiënte en betaalbare wijze aan elkaar kunnen worden gekoppeld en welke consequenties dit heeft voor het aanleggen van warmtenetten. In 2025 zal het proces voor de RES 2.0 gaan starten. Voor de circulaire economie is de nationale ambitie, in navolging van Europese afspraken, dat het grondstoffengebruik voor onze productie en consumptie in 2050 is teruggebracht binnen de planetaire grenzen. Deze ambitie is opgenomen en uitgewerkt in het Nationaal Programma Circulaire Economie 2023-2030. Want, stelt de minister in dat programma: ‘Het wereldwijde gebruik van grondstoffen veroorzaakt 90% van het mondiale biodiversiteitsverlies, 90% van de waterschaarste en 50% van de broeikasgasemissies. Een circulaire economie is onmisbaar voor het halen van de klimaatdoelen. Ook maakt het ons minder afhankelijk van andere landen voor de levering van grondstoffen.’ De omslag naar een circulaire economie moet de komende jaren van de grond komen. In 2020 bestond 13% van de ingezette grondstoffen in de Nederlandse 14 15 16 17

Aan de omslag naar hernieuwbare energie en circulaire economie zijn voor Noord-Holland Noord de volgende opgaven verbonden: • • • •

een klimaatneutraal energiesysteem, toekomstbestendige netuitbreiding, clustering van energie en (circulaire) economie, voldoende ruimte voor (circulaire) economie.

Opgaven Een klimaatneutraal energiesysteem Om de doelstellingen te halen en klimaatverandering te beperken is een klimaatneutraal energiesysteem nodig. In Noord-Holland Noord zal dat voornamelijk bestaan uit windenergie van zee, opwek op land van wind- en zonne-energie, duurzame warmtevoorziening en waterstof. Ook is een uitbreiding van het stroomnet noodzakelijk. Deze is in dit hoofdstuk als afzonderlijke opgave benoemd. Aan de basis staat echter energiebesparing. Het verder besparen, beter verdelen en intelligenter benutten van energie beperkt de ruimtebehoefte van de energietransitie en spaart grondstoffen. Op dit moment is nog onbekend hoe het energiesysteem er precies uit gaat zien. In het Nationaal Plan Energiesysteem (de conceptversie, juli 2023) is wel het traject voor het toekomstige energiesysteem uitgestippeld. Momenteel draait het systeem voor 20% op elektriciteit. Dat wordt maximaal 50% (al zullen bepaalde gebieden daarboven komen). Duidelijk is dat een groot deel daarvan opgewekt zal worden in windparken op de Noordzee. Het vorige kabinet heeft de landelijke ambitie voor wind op zee opgehoogd van 11,5 gigawatt (GW) naar 21 GW in 2030. In 2050 moet 70 GW van zee komen.17 NoordHolland Noord kan een belangrijke rol spelen in de ‘aanlanding’: de aansluiting van de op zee opgewekte energie op het nationale hoofdnet voor elektriciteit

CBS, 2023 Planbureau voor de Leefomgeving, Voortgangsbericht circulaire economie, 2022 Provinciale Circulaire Economie Rapportage Noord-Holland (PCER-NH), 2023 Ministerie van EZK, Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat / TenneT, Target grid, 2023 Opgaven

50

economie uit hergebruikte materialen. Dit is gelijk aan 2014.14 Bovendien blijft het aandeel circulaire bedrijven in de totale Nederlandse economie al jaren stabiel rond de 6%.15 In Noord-Holland is dat aandeel iets lager, namelijk 4,5%.16 De transitie naar een volledig circulaire economie zal naar verwachting dan ook nog decennia duren. Bovendien zal dit gepaard gaan met een nieuwe ruimtevraag. Ook voor Noord-Holland Noord geldt dat het huidige economische systeem nog vooral gebaseerd is op fossiele bedrijvigheid. Hiervoor zal de komende jaren voldoende ruimte moeten blijven.

Analysedocument Ontwikkelperspectief Noord-Holland Noord

en de waterstofbackbone. Als zoekgebied voor de aanlanding van elektriciteit zijn Middenmeer en Den Helder/Schagen in beeld, en voor de aanlanding van waterstof Den Helder. De aanlanding stelt extra eisen aan de nieuwe hoogspanningsverbindingen in het hoofdnet voor elektriciteit (zie de opgave ‘toekomstige netuitbreiding’). Naast grootschalige opwek op zee is opwek op land noodzakelijk. In de RES Noord-Holland Noord 18

zijn zoekgebieden vastgesteld voor zon en wind op land. De ambitie is om 3,6 TWh (terawatt-uur) op te wekken in 2030. Daarvan komt 2,1 TWh van bestaande windmolens en zonnepanelen, of zon- en windprojecten die in uitvoering zijn of zo goed als zeker worden uitgevoerd (‘pijplijnprojecten’).18 De opgave is nu om de overige 1,5 TWh te vertalen in operationele projecten voor wind- en zonne-energie.

RES Noord-Holland Noord 1.0, 2021

Afbeelding 24. Energie opwek. Bron: PNH

Opgaven

51

Analysedocument Ontwikkelperspectief Noord-Holland Noord

Ook moet onze warmtevoorziening verduurzamen. Afhankelijk van lokale potenties ter plekke kan dat met restwarmte, geothermie, aquathermie of elektrisch. Nabijheid van afnemers en producenten van restwarmte is een belangrijke kans om verduurzaming te versnellen. Restwarmte is grofweg onder te verdelen in restwarmte afkomstig van industrie, datacenters en een (toekomstige) electrolyzer oftewel waterstoffabriek. Deze ‘industrieën’ kenmerken zich door een behoorlijk ruimtegebruik en een aanzienlijke visuele impact op de omgeving. Een deel hiervan is bestaande industrie waarbij restwarmte mogelijk gebruikt kan worden, maar een deel zoekt

Afbeelding 25. Warmte. Bron: PNH

Opgaven

52

nog naar vestigingsplaatsen. De mogelijkheid van afzet van warmte is een extra criterium bij de vestigingsplaatskeuze. Systemen voor geothermie worden specifiek aangelegd voor warmte en daarbij wordt al rekening gehouden met de afstand tot de warmteafnemer. Wel dient stilgestaan te worden bij de impact op de omgeving, want er is een werkend oppervlak voor nodig ter grootte van een voetbalveld en voor de installaties is een gebouw nodig dat ongeveer even hoog is als een woning van twee verdiepingen. Daarnaast mogen warmtenetten niet te dicht bij

Analysedocument Ontwikkelperspectief Noord-Holland Noord

drinkwaterleidingen komen omdat de temperatuur in deze leidingen laag genoeg moet blijven. In Westfriesland is geothermie een belangrijke vestigingsfactor voor de glastuinbouw. Aquathermie-installaties zijn grotendeels aan het zicht onttrokken en kunnen vrijwel overal in het waterrijke Noord-Holland Noord worden toegepast. Watertransportleidingen concurreren vooral met andere kabels en leidingen in de ondergrond. Vooralsnog kennen we in Noord-Holland geen grote en lange transportleidingen zoals LinQ in Zuid-Holland. Op termijn worden wel steeds meer warmtenetten aan elkaar gekoppeld, dus verder onderzoek is wel nodig. Al met al wordt het steeds drukker in de ondergrond. Ook is onderzoek nodig om alle ondergrondse leidingen en tracés in kaart te brengen, met name om lock-ins te voorkomen en koppelingen te maken met bovengrondse inrichting. Een nieuwe ontwikkeling is Hoge Temperatuuropslag (HTO) waarbij water met een temperatuur van 70 tot 90 graden Celsius op grote diepte wordt opgeslagen. Ook hier is nader onderzoek nodig naar de effecten en risico’s (bijvoorbeeld van doorboring van bodemlagen). Daarnaast is duurzame (groene) waterstof een onmisbaar onderdeel van het toekomstige energiesysteem. Voor elektrolyse (de productie van waterstof) is veel stroom nodig. ‘Groene’ waterstof wordt geproduceerd met stroom uit hernieuwbare bronnen.

Het aandeel groene waterstof in de toekomstige Nederlandse energievoorziening is onzeker. Richting 2035 en verder zal een steeds groter deel van de opgewekte groene elektriciteit gebruikt worden voor de productie van waterstof. Het conceptNPE (Nationaal Plan Energiesysteem) spreekt over 15-20 GW in 2040. Groene waterstof zal met name ingezet worden in de energie-intensieve industrie: voor hoge-temperatuurwarmte en als grondstof. Er is bijvoorbeeld een grote hoeveelheid waterstof nodig voor het produceren van duurzame brandstoffen. Waterstof wordt in andere sectoren alleen ingezet op plekken waar geen redelijk alternatief is. Daarnaast speelt waterstof als energiedrager een rol in de flexibiliteit om het wisselende aanbod van zon en wind op te vangen. In het concept Programma Energie Hoofdstructuur (PEH, 2023) heeft het Rijk voorkeursgebieden aangewezen voor de ontwikkeling van grootschalige elektrolyse op land (meer dan 100 MW), onder meer in het Noordzeekanaalgebied. Daarnaast zal de productie van waterstof in toenemende mate plaatsvinden op zee. Kleinschalige elektrolyse kan volgens het PEH ook plaatsvinden nabij een hoogspanningsstation. 19

Aandachtspunten bij de productie van waterstof op land zijn de beschikbaarheid van zoetwater en de invloed op de waterkwaliteit. Productie met behulp van zeewater heeft de voorkeur in verband met de schaarste aan zoetwater. Daarnaast moet de locatie toekomstbestendig zijn, waarbij ook de mogelijke afgifte van restwarmte in beschouwing moet worden genomen. Voor de ruimtelijke ontwikkeling van Noord-Holland Noord is in het bijzonder de infrastructuur voor waterstof relevant. De waterstofbackbone tussen de Eemsdelta in Groningen en het Noordzeekanaalgebied gaat door Noord-Holland Noord lopen, en ook de bestaande gasinfrastructuur in de Noordzee die grotendeels aanlandt in Den Helder kan, indien geschikt, mogelijk worden ingezet voor het transport van waterstof. Toekomstbestendige netuitbreiding Elektriciteit zal een steeds grotere plaats in de nationale energievoorziening innemen. Er komen steeds meer elektrische auto’s op de weg, bedrijfsprocessen elektrificeren, warmtepompen gebruiken elektriciteit, enzovoort. Het elektriciteitsverbruik zal in 2050 ten minste twee- tot driemaal zo hoog zijn als nu. Dit blijkt uit de II3050 scenario’s (de ‘integrale infrastructuurverkenning 2030-2050’ waarvan in 2023 de tweede editie uitkwam). Alle scenario’s gaan uit van een toename van de elektriciteitsvraag van 180-250% ten opzichte van 2019.

Het tijdig en op de juiste plaats realiseren van adequate elektriciteitsnetten is daarmee de hoofdopgave om verduurzaming, vestiging en verplaatsing van bedrijven en de woningbouwopgave mogelijk te maken, alsmede de elektrificatie van de mobiliteit. Dit leidt al op de korte termijn tot een forse uitbreidingsopgave voor het elektriciteitsnetwerk: toevoeging en uitbreiding van een groot aantal voorzieningen, nieuwe hoogspannings- en middenspanningsleidingen en wezenlijke keuzes over uitbreidingsinvesteringen ten behoeve van de regionale energie-infrastructuur. Onder meer is een nieuwe 380 kVhoogspanningsverbinding tussen de Kop van NoordHolland en het Noordzeekanaalgebied noodzakelijk.19 380 kV-leidingen zijn de hoofdverbindingen in het stroomnet met de grootste capaciteit. Deze hoofdspanningsleiding maakt deel uit van de landelijke ring, de ruggengraat van het Nederlandse elektriciteitsnet. In het zuiden sluit die aan op een nieuw te bouwen 380/150 kV-transformatorstation op de bestaande lijn tussen Beverwijk en Diemen, mogelijk later nog aangevuld met een 150 kV-deel, en

Ministerie van EZK, Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat (MIEK) Opgaven

53

Analysedocument Ontwikkelperspectief Noord-Holland Noord

in het noorden op een nieuw te bouwen 380/150 kVstation dat de verbinding legt met het bestaande 150 kV-station Middenmeer. De 380 kV-leiding moet gaan bestaan uit twee circuits (twee sets draden), of vier circuits als er windenergie van zee aanlandt in de Kop van Noord-Holland (tenzij de aanlanding plaatsvindt in de vorm van waterstof). In de periode tot september 2025 werkt de provincie samen met de gemeenten aan een Regioadvies voor het ministerie van KGG. De gevolgen van deze grootschalige energieinfrastructuurontwikkelingen op brede welvaart en de ruimte zijn onderzocht. Rekening houdend met water en bodem zijn van toepassing op de locatiekeuzes van vitale en kwetsbare energieinfrastructuur. De consequenties voor de landschappelijke kwaliteit en het erfgoed vragen om een zorgvuldige ruimtelijke inpassing van die nieuwe infrastructuur. De aanleg kan grote gevolgen hebben voor het cultuurhistorisch landschap in de Wieringermeerpolder en gebieden die vanwege hun openheid zijn aangewezen als Bijzonder Provinciaal Landschap. Bovendien is een Heritage Impact Assessment nodig als de hoogspanningsleidingen de Unesco-werelderfgoederen van de Beemster en/of de Hollandse Waterlinies doorsnijden. Een ander belangrijk onderdeel van het toekomstige stroomnet is de opslag van elektriciteit. Daar is nog geen provinciaal beleid voor, maar er komen wel al aanvragen binnen bij gemeenten.

Batterijen zijn belangrijk om in de toekomst het systeem in balans te houden. Om ze te produceren zijn echter schaarse grondstoffen zoals lithium nodig, reden waarom opslag van energie vooralsnog niet mogelijk is binnen een 100% circulaire economie. TenneT verwacht dat er tot 2030 9 GW aan batterijcapaciteit nodig

is. Omdat het verwachte overschot aan energie in Noord-Holland vrij laag is, is ook de behoefte aan batterijen tot aan 2030 laag: volgens TenneT minder dan 200 MW. Batterijen worden bij voorkeur geplaatst nabij hoogspanningsstations en dichtbij wind- en zonneparken, maar nader onderzoek is nodig om tot aanvullend ruimtelijk beleid te komen.20 Naast deze grootschalige voorzieningen, omvat de versterking van het elektriciteitsnet ook tal an kleinschaligere uitbreidingen. Liander noemt verzwaring van het (meer lokale) middenspanningsnet met 10/20/50 en 150 kV elektra-infrastructuur, nieuwe kabeltracés (2100 km), 945 nieuwe transformatorhuisjes (van circa 30 m2 per stuk), 15 nieuwe middelgrote transformatorstations (van 2,5 tot 10 hectare per stuk) en uitbreiding van 23 bestaande transformatorstations. In de ‘Handreiking voor transformatorstations’ stuurt de provincie zo veel mogelijk op locaties op bedrijventerreinen of kassencomplexen. Dat beperkt de invloed op het landschap, maar kan ten koste gaan van de ruimte voor bedrijvigheid. Het vergroot dan de opgave om bedrijventerreinen te intensiveren en beter te benutten. Tegelijkertijd is de realiteit dat vanuit het technische perspectief de locaties op bedrijventerreinen vaak snel afvallen, en dan toch weer wordt gezocht in het landelijk gebied. Dat er energievoorzieningen worden aangelegd in het landelijk gebied is onontkoombaar.

Maar om dit succesvol te laten verlopen vraagt het om integratie met de andere transities, volgend uit bijvoorbeeld ‘Water en bodem en het perspectief ‘Landbouw en natuur’. Ruimte maken voor het energiesysteem van de toekomst is kortom geen op zichzelf staande inpassingsopgave, maar een gebiedsontwikkelingsopgave. Voor de verduurzaming van het transport over de weg en het water is laad- en tankinfrastructuur nodig. Huidige batterijen hebben een vermogen van 350 kW per laadpunt. In de toekomst komen er ook laders van meer dan 1 MW voor vrachtwagens, maar die zullen vanwege de netcongestie niet overal geplaatst kunnen worden. Ook waterstof, biobrandstoffen en synthetische brandstoffen gaan een belangrijke rol spelen in de energiebehoefte van de mobiliteit. Daarvoor moet een infrastructuur worden opgetuigd van nieuwe tankstation-concepten. Vanwege de netcongestie en de vereiste veiligheidscontouren zullen die niet overal geplaatst kunnen worden. Uiteindelijk zullen alle tankstations met fossiele brandstoffen vervangen moeten worden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16046758/1