CConstaterende datAlkmaar
Koppel je AI →
Document · PDF

260306 Raadsinformatiebrief Aanbieden onderzoek koloniaal verleden - bijlage 1

Gemeenteraad 16 april 2026, gemeente AlkmaarBij agendapunt: Voorstel tot afdoening lijst van ingekomen stukken59.832 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 7

122 NL-AmrRAA, 10.1.1.001, inv.nr. 45, folio 74v. De vroedschap sprak zich regelmatig uit over welke kosten zouden moesten worden gedekt door welke subsidies. In 1645 communiceerde het via de gedeputeerde bewindhebbers dat ‘kustschepen uit de voorsch. twee miljoen eenige maten gesubsidieert’ mochten worden. NL-AmrRAA, 10.1.1.001, inv.nr. 45, folio 86. 123 NL-HaNA, 1.05.01.01, inv.nr. 54/139/1 scan 241. 124 Voorbeeld: SAA, 5075, inv. 10226, n.501. 125 Slavevoyages database, voyage ID: 11602, Eendracht van Amsterdam.

126 NL-HaNa, 1.05.01.01, inv.nr. 11, scans 1050-1054. 127 NL-HaNA, 1.05.01.01, inv.nr. 14, scan 20. 128 NL-HaNA, 1.05.01.01, inv.nr. 14, scan 404. 129 De Alkmaarders Andries Claessen Buijckjes en Theunis Pietersz als soldaten. Arent Dircxsen en Barent Jansz als busschieters, Gerrit Henricxsz en Jan Gerbrantsz als bootgezellen. Jan Hendricxen Eijsinga monsterde aan als barbier en ten slotte Balthus Lucasz als koksmaat. Een enkele Graftenaar is te vinden: Claes Claesz die in 1639 aan boord van de Seven Sterre eveneens naar Curaçao vertrok.

62

63

buurt van Bahia, maar wist uiteindelijk toch naar Amsterdam terug te keren.130 Tussen 1649 en 1654 kwamen maar drie van de zesduizend militairen die naar Brazilië werden uitgezonden uit Alkmaar. Lambert Arents, Jan Claes en Willem Keningen staan als Alkmaarders genoemd naast een enkele Rijper zoals Andries Christiaens.131 Jan van der Meer werd na zijn reis op de Seepost in 1745 eerst op de Afrikaanse kust gestationeerd, en vervolgens overgebracht naar Curaçao.132 Pieter van den Heuvel sleet zijn contract in Apam (het huidige Ghana), waar hij op 13 augustus 1777 kwam te overlijden.133 Het aantal Alkmaarders in de lagere rangen van de WIC is opmerkelijk klein, zonder dat we hier een duidelijke reden voor hebben kunnen vinden. Nadat het koloniale bestuur aan het einde van de achttiende eeuw werd overgenomen door de steeds verder centraliserende staat, betekende dat een definitief einde aan compagnieschepen die uitvoeren naar de koloniën. Militaire taken werden overgenomen door leger en marine. In het begin van de negentiende eeuw dienden vier mannen uit De Rijp in ‘West-Indië’. Het ging om korporaal Jan Holstroom en de jagers Pieter Duppelt, Klaas Arend Kars en Jan de Wolf. Holstroom en Kars overleden in Suriname en Duppelt deserteerde. Het aantal Alkmaarders was met 22 opvallend hoog.

Het is goed voorstelbaar dat de moeilijke economische situatie tijdens de napoleontische oorlogen de hogere aantallen rekruten verklaren. Juist in deze jaren gingen grote groepen Europese mannen naar de Atlantische koloniën om de strijd aan te gaan met de omvangrijke slavenopstanden in de Cariben en de oplopende Europese wedijver om koloniale gebieden. De strijd en uitbraken van gele koorts eisten juist in deze jaren een grote tol. Tien van de 22 Alkmaarders overleden in plekken als Suriname, Curaçao, Sint-Eustatius en Demerary.134

De fiscaal zag toe op het naleven van de reglementen aan boord en had daardoor een wat betere positie dan de zeelieden. Een ander voorbeeld is Pieter Allertsen, die aanmonsterde als barbier op het schip Hoop. Hoewel we dit beroep tegenwoordig associëren met het knippen van haar en het scheren van baarden, was de barbier in de zeventiende eeuw een medisch beroep. Naarmate de tijd vorderde werd het gebruikelijk om de barbier te vervangen door een chirurgijn, en monsterden er op ieder groter schip een opperchirurgijn en onderchirurgijn aan.136 Eenmaal overgevaren bleven de Alkmaarse barbiers en chirurgijnen soms achter in de vestigingen van de compagnie. De chirurgijn Willem Nobel, die in 1631 naar Nieuw-Nederland (in de huidige staat New York) vertrok op het schip Soutberch, kwam uit Alkmaar.137 Nobel zou in de kolonie aan het werk gaan en lokaal bekend komen te staan als chirurgijn. Hij raakte echter ook betrokken bij de kaapvaart en indigohandel.138 De kolonie Nieuw-Nederland was een integraal onderdeel van de op slavernij gebaseerde kolonisatie in de Atlantische wereld.139 Niet alleen werden er goederen naartoe gebracht die met slavenarbeid waren geproduceerd, ook waren er tot slaaf gemaakte Afrikanen in de kolonie. Ze werkten daar op de boerderijen, in de huishoudens van de kolonisten en als ambachtslieden.

Vanuit Curaçao werden er slaafgemaakten naar Nieuw-Nederland vervoerd. De koloniale projecten werden bijeengehouden door een steeds verder uitdijende hoeveelheid papierwerk. In 1629 werd Dirck de Gardijn uit Alkmaar aangesteld

130 NL-SAA, 5075, inv.nr. 1282, 49r. Veel verklaringen werden opgesteld bij notaris Hendrik Schaef, die zijn kantoor hield ín het Amsterdamse gebouw van de compagnie. 131 NL-HaNA, 1.01.02, inv.nr. 12582.7, nrs. 429, 371 en 336. 132 NL-HaNA, 1.05.01.02, inv.nr. 294, scan 180 en inv.nr. 934, scan 39. 133 NL-HaNA, 1.05.01.02, inv.nr. 294, scan 180. 134 Met dank aan Martijn Wink die in het Nationaal Archief gegevens verzamelde over de uitgezonden militairen in de Bataafs-Franse tijd. 135 NL-HaNA, 1.05.01.01, inv.nr. 1, scan 70.

136 NL-HaNA, 1.05.01.01, inv.nr. 14, scan 338. In 1636 diende Allertsen een verzoek in om een uitstaande som van ƒ 2.216 betaald te krijgen, voor ‘het cureren van diversche soldaten’ die hij had geholpen toen ze op het schip waren overgebracht uit Brazilië. 137 Er is weinig over hem te vinden, behalve dat hij in 1650 op verzoek van de vrouw van de reeds overleden Pieter Cornelisz van Goudriaan, Annetgen, een getuigenis liet vastleggen. Nobel was samen met Jan Cornelisz van Goudriaan, vermoedelijk de broer van Pieter, en Theunis Jansz afgereisd naar Nieuw-Nederland. Niet veel later voer Van Goudriaan weer naar de Republiek en keerde terug met zijn vrouw Aeltgen. De mannen woonden een paar jaar bij elkaar in de buurt, en Theunis en Willem verklaren beiden Jan, Aeltgen en hun vier kinderen gekend te hebben. In 1643 werd Jan echter vermoord in het bos. Theunis en vermoedelijk Willem stelden zijn lichaam veilig, maar vier jaar later overleed ook Aeltgen. De vier wezen leefden nu onder de zorg van de kerk in Nieuw-Nederland, en dit was wellicht iets waar Annetgen iets aan wilde doen. SAA, 5075, inv.nr. 1298, 1650-04-08. 138 New York State Archives. New York (Colony). Secretary of the Province. Register of the Provincial Secretary, 1642-1660. Series A0270-78. Volume 3, documents 70a-b - 70c, side 2. 139 Goodfriend, ‘Burghers and Blacks’, 125-44; Andrea C.

Mosterman, Spaces of Enslavement: A History of Slavery and Resistance in Dutch New York (Cornell University Press, 2025); Susanah Shaw Romney, New Netherland Connections: Intimate Networks and Atlantic Ties in Seventeenth-Century America (UNC Press Books, 2014); Saffold Maskiell, ‘Elite Slave Networks in the Dutch Atlantic’.

64

65

Ambachtslieden en administratief personeel aan boord en in de kolonie Het leeuwendeel van de bemanning bestond uit matrozen, maar er waren ook enkele andere beroepen aan boord. Zo gingen er Alkmaarders aan boord als barbier, commies en fiscaal. Een van de vroegste voorbeelden is de Alkmaarder Jacob Calf, die als fiscaal werd aangesteld op een van de eerste WIC-schepen.135

als fiscaal van het Noorderkwartier. Hij moest bij de organisatie van de derde vloot die werd uitgezonden naar Brazilië toezicht houden op het naleven van de regels.140 De contracten waarmee de handel werd geregeld, het vastleggen van testamenten, eigendomspapieren en officiële verklaringen waren van belang voor de continuïteit van de handel en productie. Zowel in Azië als de Atlantische wereld werd het Hollandse rechtssysteem geïntroduceerd en waar nodig aangepast aan een situatie met slavernij en een grotere etnische en religieuze diversiteit. Vanaf het ontstaan van de compagnieën zien we in de archieven daarom ook de reizen van bijvoorbeeld notarissen terug. In 1649 was ‘de eersame’ Henrick Indijck van Alkmaar ‘reijsvaardig naar Oostindie’, waar hij als notaris zou gaan werken. Uit deze akte blijkt dat een stationering ver van Alkmaar voor hem niet nieuw was. Eerder werkte hij al als notaris te Recife in Brazilië, en hij machtigde voor zijn vertrek zijn schoonvader Willem Cornelisz de Bruijn voor de ontvangst van enkele wisselbrieven.141 In het hoofdstuk ‘Leven en bezit in de koloniën’ komt Indijcks leven wat uitvoeriger aan bod.

Schippers Schippers in de grote vaart werden aangesteld door de kamers van de compagnieën waar ze voor voeren. Vaak hadden deze mannen ervaring opgedaan in de lagere rangen van de de handelsvloot en waren ze opgeklommen tot stuurman, of hadden ze de maritieme wereld leren kennen bij een van de admiraliteiten of op de kleinere schepen in de Europese vaart. Eenmaal aangesteld als kapitein hadden ze een machtige positie, en waren ze slechts verantwoording schuldig aan een eventuele admiraal of de bestuurders van de desbetreffende compagniekamer. Schippers van de VOC en WIC moesten bereid zijn om het onbekende tegemoet te gaan tijdens lange, gevaarlijke reizen die hen en hun bemanning midden in gewapende (maritieme) conflicten brachten. Tegenover dit grote risico stond een onzekere kans op rijkdom. Na een carrière op de grote vaart probeerden schippers zich vaak in hun thuishaven of elders te vestigen en een rustiger leven te leiden als kroegbaas of handelaar. Het schip Alkmaar stond onder bewind van de Alkmaarse kapitein Pieter Cornellissen Croeger. Zijn opdracht was om slavenschepen buit te maken op de vijand en met de buit de plantages in Brazilië te bevoorraden. Maar in plaats van deze riskante missie uit te voeren, koos de schipper ervoor om smokkelhandel te gaan drijven.

In 1638 voer de Alkmaar naar het Afrikaanse eiland São Tomé om hier te handelen in goederen en tot slaafgemaakte mensen aan te kopen, om vervolgens richting Nederlands-Brazilië te varen. Een brief van niemand minder dan gouverneur-generaal Johan Maurits van Nassau-Siegen en zijn raadsleden 140 NL-HaNA, 1.05.01.01, inv. 1, 371. 141 NL-SAA, 5075, inv.nr. 1297, 1649-12-16. 66

Matthijs van Ceulen, Johan Ghijselin en Adriaen van der Dussen, gestuurd vanuit Recife in Brazilië aan de vergadering van de Heren XIX, vertelt meer over de reis van dit schip.142 De Alkmaar bereikte Recife op 25 augustus 1638 en meldde aan de koloniale autoriteiten aan dat de handel op São Tomé was ‘mislukt’. Met zijn commies had Croeger daarom een nieuw plan gemaakt en zij verzochten toestemming van de raad in Recife om de handelsgoederen aan boord van de Alkmaar te mogen verkopen in Brazilië. Vervolgens wilden zij het ‘dessijn’ van de Alkmaar vervolgen: doorvaren naar de Caribische eilanden. De raad vorderde hierop het contract van de Alkmaar, waaruit bleek dat het schip was uitgereed door Dordrecht voor de kamer Maze. Het contract gaf aan dat Croeger toestemming had gekregen om vijandelijke slavenschepen te kapen en met de gevangenen naar Brazilië te varen. Dit contract specificeerde nog iets cruciaals: als er geen schepen werden gekaapt tijdens de reis naar São Tomé en de handel daar tegenviel, mocht de Alkmaar géén andere vestigingen op de Afrikaanse kust aandoen – sterker nog: het werd het schip verboden om op Brazilië te varen. Als de handel in São Tomé niet gunstig was, moest de kapitein zo veel mogelijk hout kopen, en terugkeren naar de Republiek.

Croeger en zijn commies Quesnoy vielen door de mand, en werden door de gouverneur-generaal en raadsleden beticht van het te buiten gaan van het contract en tegen het octrooi van de WIC te hebben gehandeld. Na overleg met het bestuur van de kolonie werd besloten ‘in alle stillicheit sonder kennisse van de schipper en commies’ beslag te leggen op het schip, wat een dag later op de 26e gebeurde. Croeger en Quesnoy maakten direct bezwaar bij de vergadering toen zij ontdekten dat het schip en de goederen ‘onder arrest’ waren en betichtten de raad van partijdigheid. Een wisseling van raadsleden hielp de zaak van Croeger en Quesnoy geenszins; op 18 september bevestigde een nieuw college de eerdere uitspraak, en wederom werden het schip en goederen aan de WIC overgedragen omdat Croeger in strijd met het octrooi had gehandeld. Toch gaf Croeger zijn strijd niet op: hij wilde in de Republiek in hoger beroep gaan. De raad had inmiddels de lading van de Alkmaar laten inventariseren en een aanzienlijk deel van de boekhouding bleek niet te kloppen. Een flinke lijst aan ontbrekende goederen werd opgesteld. De aanwezige goederen werden per publieke veiling verkocht, en de opbrengst was voor de WIC. Croeger keerde terug naar de Republiek zonder de Alkmaar.

Het schip werd ter plekke gerepareerd en in de daaropvolgende jaren ingezet voor de verdediging van Brazilië.143 142 NL-HaNA, 1.05.01.01, inv.nr. 53, stuk 197, f. 15. Dit stuk correspondeert met de inventaris die in Brazilië werd gemaakt van de goederen aan boord van de Alkmaar; diezelfde inventaris is te vinden als stuk 131. De details van de reis van de Alkmaar en de afhandeling van haar aankomst in Pernambuco zijn gebaseerd op deze twee stukken, nrs. 131 en 197. 143 NL-HaNA, 1.05.01.01, inv.nr. 54, stuk 193, scan 12; inv.nr. 55, stuk 138, scan 2; inv.nr. 55, stuk 40, scan 2. 67

Los van het beslag op schip en goederen lijken er geen consequenties te zijn geweest voor de Alkmaarse Croeger. Twee jaar later was hij weer kapitein op een WIC-schip dat naar Brazilië voer, ditmaal Den Salm waarmee hij op de kust van Bahia erin slaagde een burcht en een schip te veroveren. Hij mocht een deel van de buit zelf houden, maar Croeger had niet, zoals enkele andere kapiteins, een slavenschip gekaapt.144 Hij werd in Brazilië actief in de suikerhandel en wellicht ook de suikerproductie, en laadde onder andere suiker op het schip Casteel del Mina. Jacques Hack en Mathias Berx, lokale suikerhandelaren en planters, verkochten vier ladingen suiker, waarvan een aan Croeger.145 Croeger was erop uitgestuurd om slavenschepen te kapen. Hoewel hij zich niet aan zijn missie wilde houden en ook bij een tweede reis niet slaagde in het veroveren van slavenschepen, raakte hij toch direct betrokken bij slavernij en de handel in door slavernij geproduceerde goederen.

Cornelis Pieterse Crough: naar de grenzen van het octrooi Onder leiding van admiraal Hendrik Brouwer vertrok in 1642 een vloot van vijftien schepen op een verkenningsexpeditie naar Chili. Aangekomen in Brazilië voer Brouwer na een tussenstop met vijf schepen naar Chiloé, het zuidelijkste puntje van het Zuid-Amerikaanse continent. Het doel was naast het dwarsbomen van de Spanjaarden ook het vinden van een andere route naar Azië en het verifiëren van de bevindingen van andere expedities. Handelscompagnieën of naties die op dergelijke verkenningstochten gingen, wisten amper hoe deze gebieden eruitzagen. Er waren weinig goede kaarten, en het zou nog een eeuw duren voordat er een methode was ontwikkeld waarmee schippers aan boord niet alleen de breedte-, maar ook de lengtegraad (en dus hun exacte locatie) konden bepalen. Een van de vier schepen, de Oranjen Boom, had een Alkmaarse schipper genaamd Cornelis Pieterse Crough. Hij was inmiddels misschien meer een Amsterdammer dan Alkmaarder te noemen. Vlak voor zijn vertrek naar Chili liet Crough zijn kind namelijk dopen in Amsterdam. Zijn vrouw Marritgen Pieters beviel in 1642 van een meisje Maria, en als getuige stond de bewindhebber van de West-Indische Compagnie van Dordrecht te boek.146 Crough keerde heelhuids terug van zijn

expeditie.147 Van Crough is het scheepsjournaal bewaard gebleven van zijn reis. Deze ‘beschrijvinge van de voijagie naer de kust’ is te vinden in het archief van de eerste WIC, samen met het beter bekende verslag van de admiraal Hendrik Brouwer. In Croughs journaal is duidelijk te zien hoe deze verkenningsmissies van de WIC bijdroegen aan het opdoen van kennis over deze gebieden.148 Het einddoel was ook in dit geval de strijd tegen de Spaanse concurrenten; de lokale bevolking moest dan worden ingezet om het vuile werk op te knappen. Ook hoopten de avonturiers dat zij het gebied zouden kunnen gebruiken voor plantagelandbouw met tot slaaf gemaakte arbeiders. De reis naar Chili was zeker niet de enige tocht die Crough ondernam. En zoals wel vaker zochten degenen die in dienst van de compagnie waren tegelijkertijd de grenzen van het octrooi op. Zo was Crough in 1635 als vertegenwoordiger van het particuliere handelshuis Meulenaer aan boord van het WIC-schip St. Pieter; hij bracht in opdracht van zijn reders een grote hoeveelheid goederen mee terug uit ‘West-Indiën’. Het schip had vijftig lasten groenhout (een tropische hardhoutsoort), 12 à 13.000 pond tabak en 3.000 pond katoen aan boord. Crough verzocht of de goederen naar het pakhuis van Meulenaer gebracht mochten worden, natuurlijk nadat de WIC haar wettelijke deel toebedeeld kreeg.

De WIC ging echter niet akkoord; het hout moest aan boord blijven tot het aandeel van de WIC berekend was, waarna het naar het particuliere pakhuis mocht. De katoen en tabak, waardevolle handelsgoederen, moesten naar het WIC-pakhuis.149 Het wantrouwen tussen Crough en de WIC was wederzijds, en hij verzocht om de tabak aan boord te laten, of anders in een schuit die bij het schip bleef, zodat ‘den toubacq door ‘t verhandelen niet onsien te maecken’, oftewel dat een deel van de tabak niet zou verdwijnen. De WIC ging wederom niet akkoord.150 Maar Crough zette door: het volgende verzoek dat hij indiende was dat hij de 300 pond tabak die hem contractueel toebehoorde, ‘vrij’ zou mogen verhandelen aan land. Weer wees de WIC dit verzoek af.151 De compagnie had particuliere ondernemers nodig om de handel gaande te houden, maar het was altijd een kwetsbare balans tussen het toelaten van initiatieven en het behouden van het monopolie.

144 NL-HaNA, 1.05.01.01, inv.nr. 55, stuk 65, scan 16. 145 NL-HaNA, 1.05.01.01, inv.nr. 54, stuk 171, scan 12. Verschillende aktes uit het Stadsarchief Amsterdam beschrijven Jacques Hack als handelaar woonachtig in Pernambuco, bijvoorbeeld: NL-SAA, 5075, inv.nr. 642, aktenummer 59510; NL-HaNA, inv.nr. 1.05.01.01, inv.nr. 54, stuk 171, scan 12. 146 NL-SAA, 5001, inv.nr. 93, scan 13.

147 NL-SAA, 5001, inv.nr. 8, folio 53. Drie jaar later lieten hij en Marritgen een zoon dopen, die zij Cornelis noemden. Weer is de doopregistratie opmerkelijk: de getuige van de doop van Cornelis is een man genaamd ‘Don Jon Louwijs Guilijame Prince van Portugal’, al blijkt uit de documenten dat deze edele getuige een plaatsvervanger stuurde genaamd Anthonij Hendrix. 148 NL-HaNA, 1.05.01.01, inv.nr. 44, scan 207. 149 NL-HaNA, 1.05.01.01, inv.nr. 14, scan 42. 150 NL-HaNA, 1.05.01.01, inv.nr. 14, scan 44. 151 NL-HaNA, 1.05.01.01, inv.14, scans 44-46.

68

69

Kerkraam in De Rijp met een en Oosterse koopman. Klaas Weeshoff, 1889. Collectie Historische vereniging Het Schermereiland en Museum In ‘t Houten Huis, De Rijp

Het schip zeilde uit in 1666 en sloeg om, waarbij 188 slaafgemaakten en bemanningsleden omkwamen. Overlevenden hebben twaalf dagen overleefd: ‘zij dooden de voorsz. swartinne, daer se haer honger mede stelpten.’154 De anderen werden gered door een Engels schip. De schipper werd later kerkmeester in Graft.

Windmolens werden waarschijnlijk vanaf de jaren 1650 op Antigua gebruikt om suiker te malen. William Clark, Suikermolen op Antigua, 1823. Paul Mellon Collection, New Haven.

Smokkelvaart en suikerrevolutie Zoals in de paragraaf over de schippers al duidelijk werd, kwam ontduiking van het handelsmonopolie van de WIC veel voor. De vaart op de Atlantische koloniën was veel gemakkelijker dan op Azië. De reis was minder ver en kon met kleinere schepen en weinig bemanning worden uitgevoerd. Bovendien waren er genoeg eilanden waar de gouverneurs een oogje toeknepen als er smokkelschepen arriveerden met voorraden of om plantageproducten in te kopen. Sluikhandel door zogenoemde ‘lorrendraaiers’ werd actief bestreden door de WIC, en de Alkmaarse vroedschap ondertekende en steunde natuurlijk de regelingen die tegen deze lorrendraaiers werden uitgevaardigd.152 Echter, er waren onder de smokkelaars ook schippers uit de omgeving van Alkmaar te vinden. Jacob Wilre (ook Wilree), Laurens Jacobz van Slot, Floris Jansz, Jan Jansz Bestevaer, Dirk Jansz Kinckert, Jan Bergen en andere schippers uit Graft voeren op de Caribische eilanden zoals Barbados en Antigua om daar met de kolonisten handel te drijven en bij te dragen aan de mensenhandel. Omdat het gaat om smokkelhandel zijn er weinig gegevens van deze vaart bewaard gebleven. In 1637 vertrokken er schepen met de namen Graft en Rijp naar Batavia. Uit Graft afkomstig was Louris Jacobsz Slot van het schip Gouden Luipaard.153

Van Jacob Wilre zijn drie reizen bekend, in de periode dat zijn broer Dirck Wilre de scepter zwaaide op de Goudkust (waarover later meer).155 In 1663 voer Jacob naar Calabar, in het huidige Nigeria, waar tot slaaf gemaakte Afrikanen aan boord werden gebracht. Van daar voer het schip Catharina naar Curaçao, het knooppunt in de mensenhandel richting Spaans Amerika. Na terugkeer in Nederland voer Wilre opnieuw met de Catharina, ditmaal naar Ardra en door naar Curaçao en Martinique. Over die reis weten we alleen dat er in Curaçao honderdvijftig gevangenen van boord gingen. De laatste reis van Jacob was met het slavenschip Leonora, opnieuw naar Ardra. Het schip voltooide de reis, maar Jacob overleed op de kust van Sierra Leone. Het deelnemen aan de goederen- en mensensmokkel in de Atlantische wereld leverde aardig wat op. De plantage-eigenaren waren echter vaak niet in staat om de mensenhandelaren met goederen, laat staan geld te betalen. Zo kon het zijn dat schippers in deze vaart in ruil voor hun aangeleverde goederen of mensen, delen van plantages in handen kregen. Of dit ook het geval was voor de schippers uit Graft is niet helemaal zeker, maar op Antigua waren diverse Nederlandse

152 NL-AmrRAA, 10.1.1.001, inv.nr. 49, f. 112. 153 Herman Kaptein, Het Schermereiland: Een zeevarend plattelandsgebied, 950-1800 (Bergen 1988), 86

154 Hollantse Mercurius, april 1668, pagina 69. 155 Franz Binder en Norbert Schneeloch, ‘Dirck Dircksz. Wilre en Willem Godschalk van Focquenbroch, geschilderd door Pieter de Wit te Elmina in 1669,’ Bulletin van Het Rijksmuseum, 27:1 (1979), 13–29.

70

71

plantage-eigenaren actief, onder wie Jacob Wilre. Antigua transformeerde in de periode dat Wilre er was van een bebost eiland naar een kaalgekapte verzameling suikerplantages waar met windmolens suikerriet werd geperst. Of deze innovatie in de suikerproductie een Noord-Hollandse oorsprong heeft is onzeker, maar het is natuurlijk goed mogelijk. Ook op andere, niet-Nederlandse, eilanden waren Nederlanders actief. De jaren 1650 staan op Barbados en Antigua bekend als de suikerrevolutie. De productie van suiker was al eerder in de Amerika’s geïntroduceerd, maar in de jaren 1650 transformeerde de suikerproductie enkele Caribische eilanden in hoog tempo. Door dalende tabaksprijzen en stijgende suikerprijzen werd het voor de nog kleine plantages op de eilanden aantrekkelijk om over te stappen op suikerproductie.

Dirck Wilre werd in 1659 eerst als assistent en daarna als commies geplaatst op een van de forten waar goud werd verhandeld. Hij werd daarna al snel oppercommies en stond in contact met de heersers en handelaren van Akan in het huidige Ghana. Het ging hier niet in de eerste plaats om mensenhandel, maar het was wel een belangrijkere activiteit aan het worden rond het fort. Voorheen waren Angola en het gebied rond Benin belangrijk geweest voor de trans-Atlantische slavenhandel, en bleven goud en ivoor belangrijkere producten aan de Goudkust. Dat was in de jaren 1650 en 1660 aan het verschuiven, en in plaats van een plek waar tot slaaf gemaakten naartoe werden gebracht voor de goudindustrie, veranderde de Goudkust in een gebied waar tot slaaf gemaakte mensen konden worden gekocht voor de trans-Atlantische handel. Deze verschuiving voltrok zich juist in de jaren dat Wilre carrière maakte. De grote sterfte onder Europeanen spaarde ook het hogere personeel van de compagnie niet en in 1662 kon Wilre zo de vrijgekomen plek van de directeur-generaal overnemen. Op deze positie had hij het bevel over de militairen, compagniedienaren en de 250 tot slaaf gemaakten van de compagnie.

En hij raakte ook direct betrokken bij de terugkerende conflicten tussen de concurrerende Europese compagnieën en de Afrikaanse vorsten.156 De spanningen liepen vooral op door de grote vraag naar tot slaaf gemaakten in het Spaanse rijk. De Spanjaarden lieten deze handel aan de Noord-Europeanen,

Suikervaten laden op Anitgua. William Clarke, 1823. Paul Mellon Collection, New Haven.

In 1658 voer de jongere broer van Jacob, Dirck Wilre, mee op diens slavenschip Stadt Cremp, dat zich voordeed als een niet-Nederlands schip om de WIC om de tuin te leiden. De slavenschepen die de WIC omzeilden voeren naar plekken waar geen Nederlandse forten waren, om daar op de kust handel te drijven. Bij aankomst aan de rivier Kameroen kwam het schip echter in de problemen en verging. Dankzij de hulp van een Engels schip bereikten de gebroeders Wilre Kaap Lopez, waar ze op een WIC-schip overstapten. Ze waren inmiddels al een klein jaar onderweg toen ze het fort Elmina bereikten. Hoewel de WIC uiteraard niet te spreken was over de smokkelaars, belandde menig smokkelaar toch in compagniedienst. De sterfte onder de Europeanen op de Afrikaanse kust was dusdanig dat er altijd gebrek was aan ervaren zeelieden, zeker als ze ervaring hadden met handel in het Atlantische gebied. 72

Pieter de Wit, Portret Dirck Wilre in Elmina, 1669. Collectie Lord Harlech.

156 Binder en Schneeloch, ‘Dirck Dircksz.’ Kaptein, Het Schermereiland, 88. 73

die ondertussen zelf in toenemende mate suiker produceerden op de Caribische eilanden. Bij aankomst van Jan Valkenburgh als directeur-generaal werd Wilre teruggezet in zijn rang, en werd oppercommies van Elmina. De Engelsen ondernamen in 1664 een poging om de forten en vestigingen in West-Afrika op de WIC te veroveren. Het belang van de slavenhandel werd ingezien door de WIC en ze stuurden – met succes – Michiel de Ruyter om de forten in Nederlandse handen te houden. Bij Elmina ontmoetten De Ruyter en Wilre elkaar. Wilre keerde vervolgens terug naar Amsterdam, waar hij echter al gauw werd gevraagd om aan het einde van de Tweede Nederlands-Engelse Zeeoorlog naar de Goudkust terug te keren.

veel gevangenen overleden. Aan boord van de schepen werden gemiddeld vijfhonderd mensen ingeladen, van wie gemiddeld vierhonderd de overtocht overleefden.159 De betrouwbaarheid van deze gegevens is voldoende om schattingen te maken, maar niet om exacte cijfers te geven. De tabel en de grafiek aan het eind van deze paragraaf zijn tot stand gekomen door gegevens te combineren die historici verzamelden over de reizen in de trans-Atlantische mensenhandel. De twee onderste lijnen in de grafiek geven de ontwikkeling op basis van de gecombineerde gegevens. Dit is de ondergrens van het aantal verhandelde mensen op/via schepen van het Noorderkwartier. Voor de periode 1675-1740 komt dat op 15.538 mensen, van wie 12.936 de overtocht overleefden.

Nu het vrede was tussen de Engelsen en de Nederlanders, keerde de mensenhandel op volle kracht terug. Het maakte aan de smokkelhandel geen eind, ook niet aan de smokkel door Wilre zelf. Hij maakte van zijn positie gebruik om goud aan zijn vrouw in Amsterdam te sturen. Wilre kwam om het leven bij zijn poging om in 1674 terug te keren naar Nederland. Zijn schip Witte Haes verging bij Schiermonnikoog en Wilre werd in Graft begraven. De vissers van het eiland visten voor de WIC het ivoor en smokkelgoud op dat hij aan boord had meegebracht.157 Zijn dochter heeft later nog wel een deel van het opgeviste goud kunnen claimen, en ze erfde het huis van Wilre op de Brouwersgracht in Amsterdam (Het Wilde Ree). Daarnaast ging een deel van het legaat naar de diaconie en kerk van Graft.158

Van veel schepen ontbreken echter gegevens over het aantal mensen dat ze aan boord hadden. We weten vaak wel dát ze van Europa naar Afrika en vervolgens naar de Cariben voeren, maar niet hoeveel slaafgemaakten ze aan boord hadden. Door deze schepen te tellen en te vermenigvuldigen met het aantal dat gemiddeld aan boord werd gebracht komen we tot meer dan een verdubbeling van het aantal vervoerde mensen. Het gemiddelde schip van het Noorderkwartier vervoerde iets meer dan 501 mensen, van wie er gemiddeld 404 levend aan de overkant kwamen. Vermenigvuldigen we dit met het aantal schepen dat de driehoeksreis maakte, dan komen we op aanzienlijk hogere getallen. Het aantal ingescheepte slaafgemaakten komt dan op 38.076 en het aantal overlevenden op 30.704. Dit gaat dan alleen nog over de Atlantische handel en de periode 1675-1740, en niet over de hele periode waarin de slavenhandel werd bedreven. Als we meenemen dat er grote onzekerheden zitten in deze getallen, kunnen we een voorzichtige uitspraak doen over de totale omvang van de trans-Atlantische mensenhandel van het Noorderkwartier. Deze zal voor de gehele periode van de slavenhandel ergens tussen de 40.000 en 70.000 hebben gelegen.

De aantallen zijn goedbeschouwd niet het belangrijkste, maar ze geven wel een indicatie van de schaal van wat er zich heeft afgespeeld onder verantwoordelijkheid van de vergaderende heren van de compagnie.

De slavenhandel De ondergang van Wilre viel samen met het bankroet van de eerste WIC (1621-1674) en de gelijktijdige oprichting van de tweede WIC (1674-1791). De West-Indische Compagnie had zich in de twee decennia na de val van Brazilië volledig toegelegd op de trans-Atlantische mensenhandel. Deze mensenhandel verliep voor een belangrijk deel via de kust van Angola en het fort Elmina op de Goudkust. Het Noorderkwartier participeerde in deze activiteiten, en dat ging door nadat de WIC in 1674 opnieuw werd opgericht. Door de kamerstructuur van de compagnie is het niet goed vast te stellen hoe groot het Alkmaarse aandeel binnen deze slavenvaart was; daarom bespreken we hier enkel de mensenhandel op schepen die werden uitgereed door de WIC-kamer van het Noorderkwartier. Deze mensenhandel door de compagnie eindigde rond 1740 nadat in de voorgaande jaren deze handel steeds meer werd overgelaten aan particulier initiatief.

De directeuren in de Republiek waren tot in detail op de hoogte van wat er zich afspeelde aan boord van de schepen. Nadat de Sociëteit van Suriname was opgericht, wilden de bestuurders zeker weten dat de slavenhandel naar Suriname op gang zou komen. Ze bedongen bij de WIC dat ze de leiding konden hebben over enkele reizen. Deze schepen kwamen van de WIC en aan boord waren

De slavenschepen van het Noorderkwartier waren grote schepen en vergeleken met het geheel van de trans-Atlantische mensenhandel zijn er aan boord relatief 157 Binder en Schneeloch, ‘Dirck Dircksz.’, 13-29. 158 Kaptein, Het Schermereiland, 88. 74

159 Postma, The Dutch in the Atlantic Slave Trade, 227-258, 369-398. 75

vertegenwoordigers van de Sociëteit die gedetailleerde verslagen nalieten.160 Het Noorderkwartier-schip Geele Ruijter voer voor de SvS naar Angola en vervolgens met honderden gevangenen aan boord naar Suriname. Bij terugkeer in de Republiek werd de suiker in Hoorn verkocht.161 Het schip maakte een driehoeksreis waarbij tientallen op zee omkwamen. Michiel IJsbrandt Schilperoort was op het schip verantwoordelijk voor de handel in goederen en mensen. Dat betekende dat hij voor vertrek zorgde dat alle ingekochte goederen werden geadministreerd. In lange lijsten staat opgesomd wat er werd ingekocht aan zijde, koraal en tal van andere handelsgoederen. Ook werd alles ingeslagen dat nodig was voor de reis, zoals voedsel en benodigdheden zoals 150 voetboeien en 25 handboeien.162 Deze Schilperoort diende bovendien nog een verzoek in. Hij vroeg de directeuren of hij een ‘negerjongen naar ’t vaderlant’ mee mocht nemen om ‘seecker heer te vereeren, die hem hadde versoght een mede te brengen.’163

Omvang van de slavenhandel van het Noorderkwartier

6000 Ingescheept

5000

Overlevenden

4000 3000 2000 1000 0

Periode

Ingescheept

Overlevenden

Reconstructie inscheping

Reconstructie overlevenden

1675-1679

450

375

2505

2020

1680-1684

1483

1327

2505

2020

1685-1689

767

716

3507

2828

1690-1694

700

615

3507

2828

Reconstructie inscheping

1695-1699

0

488

2505

2020

Reconstructie overlevenden

1700-1704

0

3

1503

1212

1705-1709

1276

1197

4008

3232

1710-1714

1240

1065

3006

2424

1715-1719

0

0

2505

2020

1720-1724

3374

2542

5010

4040

1724-1729

1949

1519

2505

2020

1730-1734

2939

2079

3507

2828

1735-1739

800

1013

1503

1212

38076

30704

Totaal

160 Van het schip Conick Salomon is het verslag van Jan Wils nagelaten. Wils werd gelijktijdig aangesteld met Michiel IJsbrandt Schilperoort die op een schip van het Noorderkwartier voor de SvS zou varen. NL-HaNA, 1.05.03, inv.nr. 18, scan 112. Voor het verslag van Wils zie Frank Dragtenstein, Van Elmina naar Paramaribo (Walburg Pers 2017). 161 NL-HaNA, 1.05.03, inv.nr. 19, scan 56. 162 NL-HaNA, 1.05.03, inv.nr. 216, scan 146. 163 NL-HaNA, 1.05.03, inv.nr. 216, scan 26. 76

1675

1680 1685 1690 1695 1700 1705

1710

1715

1720 1724

1730

1735

1710

1715

1720 1724

1730

1735

10000

8000

6000

4000

2000

0 1675

1680 1685 1690 1695 1700 1705 77

De reizen van Adriaan van der Mieden De Alkmaarse regentenfamilie Van der Mieden hield, zoals vele families in de Republiek, vast aan de traditie van het vernoemen van zoons naar vaders en dochters naar moeders. Een nobele traditie, maar een verwarrende aangelegenheid enkele eeuwen later, en deze verwarring heeft in het geval van de familie Van der Mieden misinterpretatie tot gevolg gehad. In de achttiende eeuw mengden drie Van der Miedens zich namelijk in de koloniale wereld, maar alle drie heetten zij Aris of Adriaan. De stamboom toont de relatie van deze drie mannen tot elkaar. Dr. Aris Adriaansz (1665-1739) werd geboren in Alkmaar en kwam hier in 1739 te overlijden.164 In 1696 huwde hij Anna Coren en samen kregen zij twee zoons, in 1698 Jacob Arisz van der Mieden en in 1702 volgde Adriaan Arisz van der Mieden.165 Dr. Aris was de eerste Van der Mieden die een koloniale bestuursfunctie uitvoerde. Hij was vroedschapslid en burgemeester geweest van Alkmaar, was van 1687 tot 1725 actief als notaris in de stad en werd in 1728 verkozen tot VOC-bewindhebber van de kamer Enkhuizen, een functie die hij tot zijn dood in 1739 vervulde. Om te kwalificeren voor deze functie moest Aris hoofdparticipant zijn in de VOC en dus bezat hij minstens ƒ 3.000 aan aandelen. De jongste zoon van dr.

Aris, Adriaan, klom in zijn bestuurlijke carrière op tot raadsheer in het Hof van Holland, al werd hij in 1744 (tijdelijk) ontslagen uit deze functie. Adriaan huwde in 1725 Elisabeth Wouters van Siam uit Middelburg en samen kregen zij elf kinderen, van wie er vier de volwassen leeftijd bereikten. De twee zoons, Aris en Gualtherus George Gideon werden in 1726 en 1736 geboren.166 Mr. Adriaan kwam in 1764 in Den Haag te overlijden en leek in zijn carrière vooral veel op Holland te zijn gefocust. Dat hij wel enige VOC-aandelen erfde van zijn (groot)vader blijkt uit 1750. In dit jaar verkocht hij (een deel van) zijn VOC-aandelen in de kamer Enkhuizen ter waarde van ƒ 3.000 aan de weduwe Jacoba van Ghesel. 167

Dr. Aris Adriaensz van der Mieden (1665-1739)

Mr. Adriaan Ariszn van der Mieden

Anna Coren (1671-1732)

Elisabeth Wouters (1705-?)

(1702-1764)

Mr. Aris Adriaansz van der Mieden

Gualtherus George Gideon van der Mieden

(1726-1792)

(1736-1798)

Om vervolgens uit te komen bij de laatste Adriaan van der Mieden – die zijn voorvaderen ver overtrof in zijn koloniale nalatenschap en betrekkingen – is enigszins ingewikkeld. De oudste zoon van mr. Adriaan groeide op tot mr. Aris van der Mieden. Hij was van 1747 tot en met 1757 vroedschapslid in Alkmaar, vervulde functies in de Raad van State, de Gecommitteerde Raden van Holland en werd secretaris van de Staten van Holland in 1759.168 Zijn jongere broer Gualtherus had eveneens een politieke carrière, ook hij werd vroedschapslid

164 NL-AmrRAA, 10.3.001, inv.nr. 41, aktenummer 31662, 22-05-1739. 165 NL-AmrRaa, 10.3.001, inv.nr. 10, 9 januari 1698 en 4 juni 1702. 166 Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek, ‘Mieden, Adriaan van der’. 167 NL-SAA, 5075,inv.nr. 10253, 02-09-1750 en 21-09-1750. 168 ‘Dr. Aris van der Mieden,’ Repertorium van Ambtsdragers en Ambtenaren 14281861, nr. 8844. 78

Maria Cardinaal (1743-1789)

Adriaan van der Mieden (1760-1794)

Familiewapen Van der Mieden. Bron: Regionaal Archief Alkmaar.

79

en uiteindelijk burgemeester van Alkmaar. Van Gualtherus is duidelijk dat hij trouwde en een gezin kreeg. In 1759 huwde hij Maria Cardinaal, met wie hij vijf kinderen kreeg. De oudste zoon noemde hij Adriaan Gualteruszn van der Mieden, gedoopt op 17 januari 1760.169 Enigszins verwarrend is dat Adriaan in 1793 zou verwijzen naar het overlijden van mr. Aris, als het overlijden van zijn ‘Heer Vaders’.170 Zijn daadwerkelijke vader Gualtherus kwam pas in 1798 te overlijden.171 Ondanks de aanhoudende verwarring tussen de Arissen en Adriaans is het levensverhaal van de Alkmaarse Adriaan van der Mieden de moeite van het vertellen waard.

Ondanks de tegenslagen waar de Alkmaarder mee geconfronteerd werd, bleef hij een (jonge)man met grote koloniale ambities die hij via loyaliteit en toewijding aan de West-Indische Compagnie wilde bereiken. Adriaans ervaring steekt in een belangrijk opzicht af tegen de carrière van vele andere kolonisten. Zijn reis naar de forten in West-Afrika en de periode die hij hier werkzaam was, gaven hem een

Geboren in Alkmaar in 1760 monsterde Adriaan eind 1779 aan bij de West-Indische Compagnie. Aan boord van het schip Beverwijck voer hij van Amsterdam naar de westkust van Afrika. Over deze reis schreef hij een verslag dat in twee vormen is overgeleverd in het Regionaal Archief Alkmaar. Lang werd gedacht dat dit dagboek en de bijbehorende reis het werk waren geweest van zijn oom (of vader) Aris, maar nader onderzoek heeft uitgewezen dat het de jonge Adriaan was die zijn ervaringen op zee neerpende.172 Het verslag dat Adriaan naliet, suggereert dat dit niet zijn eerste zeereis was. Hij schreef: ‘mijne reize na de eilanden van Desirade, St. Louis de Marigalante, St. Eustatius en Ierland volbragt hebbende, begaf ik mij aan boord van ‘s lands oorlog fregat De Beverwijck’.173 Desirade en St. Louis de Marigalante zijn twee havensteden op het Caribische eiland Guadeloupe, destijds een Franse kolonie, en het door Nederland bezette Sint-Eustatius ligt hier niet ver vandaan. Wanneer, hoe en waarom Adriaan deze reis ondernam is onduidelijk, net zoals enige details. Zijn verslag vertelt enkel over zijn ervaringen in Afrika, en zijn ontsnapping uit gevangenschap terug naar de Republiek. Het verslag, de transcriptie en toelichtingen van Adriaans belevenissen zijn te lezen op de website van het Regionaal Archief Alkmaar.

We geven een korte samenvatting van Adriaans belevenissen, vooral om aan te tonen hoe deze reis de springplank vormde voor zijn carrière in Essequibo. 169 NL-AmrRaa, 10.3.001, inv.nr. 15, 17 januari 1760. 170 NL-HaNA, 1.05.02, inv.nr. 67A, scan 382. 171 NL-HGA, 0320-01, inv.nr. 137, pagina 14. ‘Overlijdensadvertentie Adriaan van der Mieden,’ Oprechte Haerlemsche Courant (Haarlem, 16 oktober 1794) 2. 172 Paul Post, ‘Adriaan van der Mieden. In dienst van de WIC’, Blog Regionaal Archief Alkmaar. https://www.regionaalarchiefalkmaar.nl/verdieping/blog/1101adriaan-van-der-mieden-in-dienst-van-de-wic 173 NL-AmrRAA, Collectie Aanwinsten, inventarisnummer 315, Verslag van een reis van Adriaan van der Mieden naar de Kust van Guinea, de belegering van het fort Crevecoeur door de Engelsen, zijn gevangenneming en vlucht, reis naar Zuid-Amerika en terugkeer naar Nederland, 1779-1783. 80

Gezicht op o.a. fort Crevecoeur te Accra. Johannes Kip, Aanzichten van Europese forten aan de westkust van Afrika, 1732. Collectie Koninklijke Bibliotheek Den Haag.

81

perspectief dat de meeste kolonisten en planters in de koloniën niet hadden. Adriaan wist hoe de slavenhandel functioneerde, hoe verschillende Europese handelaren de handel in gevangen Afrikanen vormgaven, en kende dus de wortels van het Europese koloniale slavernijsysteem. Deze kennis nam hij mee toen hij zich vestigde in Essequibo, een kolonie die enkel kon functioneren door de toevoer van tot slaaf gemaakte mensen uit de forten waar Adriaan had gewerkt. De meeste kolonisten en planters vestigden zich direct uit Europa in een kolonie, en hadden deze ervaring niet. Het verslag dat Adriaan schreef over zijn ervaringen omvat de periode van 29 juni 1779 tot en met 1783. In zijn eigen introductie deelt hij het verhaal al op in vier delen: zijn reis naar de westkust van Afrika via Lissabon, de gevechten aan de Goudkust tijdens de Vierde Engels-Nederlandse Oorlog (1780-1784), zijn gevangenschap bij een Afrikaans volk en daaropvolgende vlucht, en zijn reis terug naar de Republiek via Martinique. Zijn verslag past duidelijk in een traditie van reisverhalen en verslagen van verre oorden die in de achttiende eeuw zeer populair waren. Wellicht had Adriaan er ooit over gedacht zijn belevenissen te publiceren, maar vertrouwde hij erop nog meer tijd te hebben.

Zijn reis naar het fort Elmina verliep niet voorspoedig.174 De reis langs de Afrikaanse kust, die bijna drie maanden duurde, wordt summier beschreven. Een sloep met zeven man aan boord ging verloren aan de kust van Kaap Miserade, de bemanning ging kort aan land in het land van ‘de menschenvreeters’ en het schip slaagde erin ‘een Brasilievaarder’ te kapen. Het schip was volgens Adriaan afkomstig uit Rio de Janeiro en was beladen met tabak, suiker en huiden. Het kapen van een schip kwam de hele bemanning ten goede, zoals blijkt uit Adriaans verslag. Aangekomen bij het fort Elmina trad hij in dienst als assistent en werkte mee aan de verkoop van de eerder gekaapte buit. Als vergoeding of ‘present’ kreeg hij twee rollen Bahiatabak. Die zou Adriaan vervolgens weer voor zijn eigen gewin kunnen verkopen en ruilen aan het fort. Adriaan was overduidelijk een man die er altijd naar streefde om hogerop te komen. Toen hij in eerste instantie in dienst 174 Voor de kust van Lissabon richting de West-Afrikaanse kust raakte de grote mast van het schip beschadigd. Adriaan verbleef hierop vanaf 1 februari 1780 voor een langere periode bij een kennis in Lissabon die hij jammer genoeg niet bij naam noemde. Hij raakte in de stad verwikkeld in opstootjes, een waarbij hij zijn sabel verloor, en reisde met de onbekende kennis het binnenland van Spanje in richting Madrid.

Zijn rondreis te paard vervolgde zich terug naar de westkust van Portugal en van alles wat hij onderweg meemaakte deelt Adriaan korte anekdotes. Hij kon bijvoorbeeld als protestantse Hollander net een ‘frisch pak slag’ ontwijken toen hij nietsvermoedend een katholiek gebod overtrad door vlees op vrijdag te eten, en vertelt hij hoe hij van zijn paard viel in een moeras. Terug in Lissabon ondervond hij dat De Beverwijck hersteld was en hervatte hij zijn reis op 21 mei. 82

ging bij de WIC was dat als assistent, maar binnen enkele maanden na aankomst promoveerde hij tot ondercommies aan het fort Elmina op de kust van Guinea.175 Hoewel dit een stap omhoog was in de hiërarchie aan het fort, was de opslag die gepaard ging met deze promotie waarschijnlijk gering en kreeg hij slechts enkele guldens meer dan zijn gage van ƒ 16 als assistent.176 Na vier maanden te hebben doorgebracht in Elmina werd Adriaan overgeplaatst naar fort Crevecoeur. Dit kleinere fort lag ongeveer honderd mijl naar het oosten en lag zij aan zij met forten van andere Europese kolonisten/slavenhandelaren: in het westen het Engelse fort James en in het oosten het Deense fort Christiansburg. Na zijn aankomst in Crevecoeur bevat Adriaans verslag uitgebreidere beschrijvingen van zijn omgeving, voorzien van enkele persoonlijke reflecties. Vanaf dit punt in het verslag wordt ook het verschil tussen de ‘nette versie’ en de later gevonden versie duidelijker. De tweede versie, die in 2019 gevonden werd, is uitgebreider, maar in deze versie zijn verschillende secties doorgehaald. Juist deze secties ontbreken in de netversie. Zoals verderop zal worden toegelicht, was Adriaans terugkeer naar de Republiek enigszins problematisch, deels door de aantijgingen die hij maakte tegenover zijn collega’s in de forten.

Zou hij daarom een netversie van zijn verslag hebben geschreven om het conflict rondom zijn terugkomst te versoepelen? De eerste weggehaalde sectie reflecteert bijvoorbeeld op de machtsverhoudingen aan de kust van Guinea. Adriaan snapte niet dat het ondanks de vele Engelse en Deense forten de Afrikanen waren die het gezag hadden in de regio, en niet de compagnies en kolonisten. Een tweede doorgestreepte sectie beschrijft de algemeen aanwezige haat tegenover de commandeur die gouverneur Van der Puye had aangesteld op het fort. Na zijn aankomst op Crevecoeur mopperde Adriaan over de slechte bezetting en het nalatige bestuur. Toch besloot hij door te strepen dat hij meermaals had ondervonden dat de commandeur hem haatte. Dit deed hij omdat hij vond dat de commandeur zich niet moest bemoeien met de koophandel. Niet alleen was dit Adriaans taak, maar volgens hem had de commandeur hier ook geen enkele ervaring in. Voordat Adriaan inging op de belegering van Crevecoeur wijdde hij uit over de inwoners en cultuur van het omringende Accra. Zijn uitspraken weerspiegelen de racistische denkbeelden en het superioriteitscomplex van de WIC-dienaren aan de forten. Adriaan beschreef de bevolking als onbetrouwbaar, wreed en oorlogszuchtig. Weer sprak hij zijn verbazing uit dat de lokale bevolking en niet ‘de blanken’ de meester waren van het land.

Adriaan vond dat er ‘in de vier hoeken des werelds geen rampsaliger land als de gewesten van Guinea’ was, en dat het 175 NL-HaNA, 1.05.01.02, inv.nr. 19, scans 32 en 392. 176 NL-HaNA, 1.05.01.02, 282, scan 173. 83

allesbehalve gemakkelijk was om hier zijn geld te verdienen. Dit laatste streepte hij door, samen met de volgende passage: ‘‘t Is dus geheel ’t tegendeel van ’t geen de meeste menschen denken, dat men maar kisten en kasten moet medenemen om ’t goud in te samelen, en dan zelve bijna in goud veranderd, na Europa wederkeeren.’ Een uitspraak die de indruk wekt dat ook Adriaan vooral in dienst was gegaan bij de WIC om gouden bergen te verdienen. Adriaan beklaagde zich over de slechte gezondheid van de meeste kolonisten; zelf was hij ook drie maanden erg ziek. In dezelfde ziektegolf overleed Van der Puye, en hierna werd Adriaan geïnstrueerd om voor de afhandeling van Van der Puyes boedel richting een ander fort te reizen. Een reis die hem net niet fataal werd toen hij bijna met zijn paard verdronk in de buurt van Tema. Hoewel nieuws over de Engels-Nederlandse Oorlog vanaf april 1781 fort Crevecoeur bereikte, kwam Adriaan pas vanaf 1782 zelf in aanraking met de oprukkende Britten. Oorlogsschepen richtten hun kanonnen op de Nederlandse bezittingen aan de Goudkust en ook op de Afrikaanse bondgenoten van de WIC. Zodra de dreiging duidelijk werd, deed Adriaan aan de adjunct-commandant een ingrijpend voorstel: hij wilde het nabijgelegen fort James veroveren voordat de Britten de kans hadden Crevecoeur aan te vallen.

Maar de Britse zeemacht bereikte enkele dagen later al Crevecoeur en nam het fort in. Van de Nederlanders en hun Afrikaanse bondgenoten werd in een statige brief hun overgave geëist. Enigszins sensationeel schreef Adriaan dat zij in antwoord hadden verklaard: ‘[...] te zullen staan voor onze vrijheid en leeven, zoo lang een druppel bloed in onze aderen sweefde, en dat bij aldien onse regterhand wierd afgeschoten, wij de linker nog gebruiken zouden om de brandende lonten in het buskruid te leggen, eerder dan dat wij hem ’t fort overgaven, en hij dus ook staat kon maaken, dat zoo lang een blanke in de fortresse van Crevecoeur was, de Prinsevlag niet zou worden gestreken, nog de koninglijke standaart der Britten over desselfs muuren waaijen.’ Er volgde een belegering van twee weken waartegen vooral de Afrikaanse bondgenoten de strijd voerden. Eerder noemde Adriaan dat de militie van het fort bestond uit vijf witte mannen, 25 mannen van kleur en 2.500 Afrikanen die hij ‘Mooren’ noemde. Maar op de zeventiende dag van de belegering schreef hij dat de verdediging van het fort was ‘gemindert tot op 2600 man’, wat suggereert dat er vanaf het begin al meer dan 2.600 man aanwezig was. Ook al kwam die dag nog een landtroep van wel 2.500 man het fort te hulp, de verdediging van het fort viel een dag later.

Adriaans beschrijving van de nederlaag laat wederom de impact zien die dit op de lokale bevolking had, ook al besteedde hij hier weinig aandacht aan. De Britten schoten op de stad in de buurt van het fort met ‘gloeiende kogels’, waarop ‘de stad der swarten, uit 2000 rieten huisen bestaande, welhaast in volle vlam geraakten’. 84

Hoewel er nog slechts 25 man over was van het leger waar Adriaan deel van had uitgemaakt, schreef hij in de ochtend te zijn teruggekeerd naar het fort. Niet lang na zijn terugkeer werd het fort binnengevallen door menigte van vijfhonderd Afrikaanse soldaten. De kleren werden van Adriaans lijf getrokken, hij kreeg ‘een frisch pak slaag’ en werd gedwongen alles van waarde in te pakken voor de aanvallers. Samen met enkele officieren en de chirurgijn-majoor werd Adriaan richting het binnenland gevoerd. Al snel deed Adriaan een ontsnappingspoging, maar die mislukte waardoor hij ‘een donker hok’ als verblijf kreeg aangewezen. Waar Adriaan precies gevangen werd gehouden en door wie is onduidelijk, hij spreekt over een grote woestijn en bossen. Van der Mieden dikte zijn verhaal flink aan, zowel om het spannender te maken voor de lezers als om de WIC te overtuigen van zijn heldhaftige optreden en de noodzaak hem te compenseren voor zijn gevangenschap en verlies van bezittingen. Adriaan lijkt enkele dagen of weken in gevangenschap te zijn gehouden. Hij moest naakt ‘onder de blooten hemel’ slapen en kreeg weinig en hem onbekend eten: ‘een stuk van een tijgeraap, baviaan en boshond of [...] aapensoep met piment’. De soep vond hij te pittig, en hij verafschuwde dat hij deze moest eten uit dezelfde bak als de Afrikanen.

Adriaan werd mishandeld en belachelijk gemaakt en overwoog zelfs een einde aan zijn leven te maken. Zijn aanhoudende pleidooi tegen ‘de koning’ zorgde ervoor dat hij aan een andere koning werd overgeleverd, hoogstwaarschijnlijk bij een gevangenenruil. Onder deze minder oplettende opzichter greep Adriaan zijn kans en slaagde erin te ontsnappen. Te voet liep Adriaan terug naar de kust, iets waar hij wonderbaarlijk genoeg zonder kompas, dwars door een woestenij, in slaagde. Hij kwam uit bij het fort Christiansburg, het buurfort van Crevecoeur. De gouverneur verleende hem daar toestemming om aan boord van een Deens slavenschip de kust te verlaten. Het schip waar Adriaan aan boord ging voer echter niet direct naar Europa, maar reisde met 564 gevangenen aan boord naar Martinique. Samen met de bemanning en de honderden gevangenen maakte Adriaan de oversteek over de Atlantische Oceaan. Het is een ervaring die hij niet in detail beschrijft, behalve dat er onderweg sprake was van ‘oproer’ dat moest worden neergeslagen.177 Zonder geld en connecties was Adriaan genoodzaakt om enkele maanden in Martinique door te brengen. Het lukte hem na maanden zoeken pas om een schip te vinden dat richting de Nederlanden zou varen, en ook die reis verliep stormachtig. Op 27 januari 1783 keerde Adriaan terug in de Republiek, waar hij slechts een paar maanden zou vertoeven.

177 Het maakt van de reis van Adriaan een mysterie: op het moment van schrijven van dit boek is er namelijk geen enkel schip te vinden in de omvangrijke internationale databases van slavenreizen die overeenkomt met het schip waar Adriaan aan boord was. 85

Een maand na terugkomst diende Adriaan een verzoek in bij de heren van de WIC: hij wilde zijn gage van het afgelopen jaar, een vergoeding voor de kosten van zijn reizen en een vergoeding omdat al zijn spullen hem waren afgenomen toen hij werd gevangengenomen. Ook verzocht Adriaan weer in dienst te mogen treden, aan de Afrikaanse kust waar hij net van was teruggekeerd, ditmaal wel in een hogere functie. Het was een verzoek dat niet direct werd goedgekeurd.178 De strijd aan de verschillende Europese forten had ervoor gezorgd dat de WIC slecht op de hoogte was van de stand van zaken. Adriaan was te midden van deze chaos vertrokken, zonder toestemming van zijn meerdere; daarnaast had hij enkele serieuze aantijgingen gedaan, vooral over de dronkenschap van zijn commandeur in Crevecoeur. Adriaan schroomde niet om een jaar later in maart 1784 een nieuw verzoek in te dienen. Zijn ambities binnen de WIC waren nog niet bekoeld. Hij verzocht de kamer opnieuw om ‘te mogen werden begunstigt met eenig Emploij’, het liefst op Curaçao, in ‘Demerarij’ of elders.179 Het verzoek werd doorgestuurd naar de het hoofdbestuur van de WIC, de Heren X, die op 7 oktober 1784 Adriaan inzworen als veilingmeester in Essequibo.180 Vanaf januari 1785 vestigde Adriaan zich in Essequibo als vendumeester.

De koloniën Essequibo en Demerary waren nauw met elkaar verbonden, omdat de beide rivieren waarnaar de koloniën genoemd waren op dezelfde plek uitmondden. De koloniën vielen samen onder het directe bestuur van de WIC en deelden een directeur-generaal die zitting had in Demerara. De geografische nabijheid en overeenkomende bewindsstructuur, die afweek van die in Suriname en Berbice, zorgden ervoor dat de twee koloniën vaak in één adem genoemd werden. Als vendumeester betekende dit voor Adriaan dat hij regelmatig af moest reizen naar Demerara, net als andere koloniale bestuurders. Als commissaris van de vendu zou Adriaan toezicht houden op alle veilingen die in de kolonie plaatsvonden. Het ging hier zowel om het veilen van tot slaaf gemaakte Afrikanen, als het veilen van handelsgoederen en boedels.181 Zijn optreden als vendumeester was het opstapje naar aanvullende functies. De eerste aanvullende functie waar Adriaan zijn pijlen op richtte was ontvanger van

last- en recognitiegelden van Essequibo, een functie die hem in 1787 werd toegekend.182 Maar Adriaans ambitie blijkt vooral uit de functies die hij ad interim vervulde: fiscaal, raad-fiscaal, ontvanger van de lastgelden voor de WIC en adviseur voor het Hof van Politie. Zodra iemand uit het koloniaal bestuur de kolonie verliet, ziek werd of kwam te overlijden stond Adriaan klaar om de functie over te nemen. Als commissaris van de vendu genoot hij ƒ 1.000 per jaar, maar hij trad ook op als fiscaal ad interim en als adviseur voor het Hof van Politie, functies die hem respectievelijk ƒ 100 en afgerond ƒ 84 per maand betaalden. Opvallend is dat hij van de ƒ 1.600 die hij in deze jaren verdiende, beide jaren ƒ 600 in wissels naar de Republiek stuurde, maar wat of wie hij betaalde is onduidelijk.183 De opeenstapeling van deze functies was niet genoeg. Hij had in het eerste jaar van zijn vendumeesterschap ‘tot zijn leedwezen […] moete ondervinden dat al ’t voordeelige van die post op verre na niet was toerijkende om daar van als een fatsoenlijk man te kunnen leeven’. Ook schreef Adriaan dat hij had verwacht dat hij als vendumeester lid zou zijn van de Raad van Politie en Justitie, maar deze hoop of verwachting bleek niet waar te zijn, wat volgens hem ook niet in verhouding stond met ‘’t geen men in ‘t vaderland hadde opgegeven’.

Zijn teleurstelling had hem ertoe gemotiveerd de functie van fiscaal ad interim op zich te nemen in 1787, maar deze functie werd al snel door iemand anders vervuld. Adriaan restte daarom nog maar één verzoek: dat hij weer begunstigd mocht worden met een ad interim-post, ditmaal die van ontvanger van de last- en recognitiegelden namens de raad van Essequibo.184 Zijn pleidooi had het gewenste resultaat, in oktober 1789 werd hij naast ontvanger van de last- en recognitiegelden namens de raad van Essequibo ook ontvanger namens de WIC, en tegen het eind van 1789 had hij al in vier verschillende functies gewerkt voor de koloniale overheid.185 Een jaar later werd Adriaan in november 1790 gevraagd om als ad interim de posten van raad-fiscaal en adviseur aan het Hof van Politie waar te nemen, een post die hij permanent probeerde te gaan bezetten.186 Adriaans verzoek werd door directeur-generaal Albertus Backer goedgekeurd en verkondigd in de kolonie, en aan het eind van het jaar kwam het besluit van de WIC binnen dat hij permanent was aangesteld als fiscaal en in het Hof van Politie, waarop Adriaan zijn ontslag nam als vendumeester.187

178 NL-HaNA, 1.05.01.02, inv.nr. 438, scans 82-83. 179 NL-HaNA, 1.05.01.02, inv.nr. 439, scan 133. 180 NL-HaNa, 1.05.21, AG.1.9.A, scan 116. NL-HaNa, 1.05.21, AG.1.9.A, scan 115. Deze aanstelling was niet alleen aan de goedkeuring van de WIC te danken. Vanaf 1768 nam de stadhouder Willem V, prins van Oranje-Nassau deel in het bestuur van de WIC als gouverneur-generaal en opperbewindhebber. Adriaans aanstelling als vendumeester werd door de stadhouder, via zijn representant, goedgekeurd. 181 In de WIC- en Guyana-archieven zijn verschillende instructies te vinden, zo ook voor de commissaris der venduen in Essequibo, bijvoorbeeld in NL-HaNA, 1.05.21, AG.2.10, scan 46.

182 NL-HaNA, 1.05.01.02, inv.nr. 21, scan 23. 183 NL-HaNA, 1.05.01.02, inv.nr. 1113, scan 61; inv.nr. 1114, scan 55; inv.nr. 533, scan 36. 184 NL-HaNA, 1.05.21, inv.nr. AB.3.44, scan 145. 185 NL-HaNA, 1.05.21, inv.nr. AG.1.9A, scan 198. 186 NL-HaNA, 1.05.02, Raad der Koloniën, inv.nr. 57, scan 365. 187 NL-HaNA, 1.05.01.02, inv.nr. 1367.3, scan 6; 1.05.21, AG.2.10, scan 46; 1.05.02, inv.nr. 62A, scan 68.

86

87

Adriaan woonde en werkte van 1784 tot 1794 in de kolonie Essequibo en ondernam regelmatig reizen naar Demerara. Over zijn persoonlijke leven is weinig bekend, hij lijkt niet getrouwd te zijn en geen familie achter te hebben gelaten. Adriaan had geen vrouw of kinderen, of andere familieleden die deel uitmaakten van zijn huishouden, maar in 1790 waren er drie tot slaaf gemaakte mannen en een kind die tot zijn huishouden behoorden.188 Over deze vier mensen is verder geen informatie. Adriaan kocht in 1793 een man die ‘over was gebleven’ na een veiling van weggelopen tot slaaf gemaakten.189 Hoewel Adriaan geen planter was, profiteerde hij wel op andere manieren van het systeem van slavernij in Essequibo, en waren de functies die hij vervulde cruciaal voor het functioneren van de slavernij in de kolonie. Vrijwel alles wat Adriaan ondernam in zijn zakelijk leven stond in het teken van slavernij. Zijn verschillende functies leidden ertoe dat Adriaan optrad als taxateur, zoals in 1788 toen hij samen met Mathijs Thierens de tot slaaf gemaakten die eigendom waren van de West-Indische Compagnie inventariseerde. Voor 37 mannen, 18 vrouwen, 5 jongens en 8 meisjes stelden de mannen een waarde vast. Op de bijbehorende lijsten werden namen genoemd en soms een opmerking over hun vaardigheden/werkzaamheden of hun fysieke gezondheid.

Opvallend op deze lijst is dat naast deze 55 ‘hele’ tot slaaf gemaakten ook ‘halve’ tot slaaf gemaakte individuen werden geteld: 10 mannen, 9 vrouwen, 5 meisjes en 4 jongens werden beschreven als ‘half vrij’.190 In zijn functies als adviseur voor het Hof van Politie en als (ad interim) raad-fiscaal nam Adriaan een adviserende en toezichthoudende rol op zich. Zo leidden zijn adviezen tot het vastzetten van de tot slaaf gemaakte Harrij in het fort Zeelandia tot de sessie van het Hof van Politie zou beginnen. Het Hof werkte met periodes van activiteit en inactiviteit, en voor Harrij betekende dit dat hij weken tot maanden moest wachten tot zijn zaak werd behandeld.191 Adriaan zag ook toe op de uitbetalingen van vergoedingen aan eigenaren voor de tot slaaf gemaakten die werden geëxecuteerd. Zo kende hij in 1792 een vergoeding van ƒ 500 toe aan meneer Franzen, omdat zijn tot slaaf gemaakte Amour aan het fort was geëxecuteerd.192 In de jaren 1790 lijkt het afhandelen van zaken van weglopers een van de taken te zijn geweest die Adriaan als (ad interim) fiscaal overzag. Vermoedelijk omdat hij in deze jaren ook regelmatig optrad als commandant van het fort Zeelandia.193 Weggelopen individuen die werden opgespoord en gevangengenomen, werden naar het fort gebracht en hier wederom vastgezet, wachtend op het vonnis dat het

188 NL-HaNA, 1.05.01.02, inv.nr. 192A, scan 7. 189 NL-HaNA, 1.05.02, inv.nr. 67A, scan 461. 190 NL-HaNA, 1.05.02, inv.nr. 57, scan 70. 191 NL-HaNA, 1.05.02, inv.nr. 59, scan 197. 192 NL-HaNA, 1.05.02, inv.nr. 62A, scan 42. 193 NL-HaNA, 1.05.02, inv.nr. 59, scan 410. 88

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16682196/1