CConstaterende datAlkmaar
Koppel je AI →
Document · PDF

260306 Raadsinformatiebrief Aanbieden onderzoek koloniaal verleden - bijlage 1

Gemeenteraad 16 april 2026, gemeente AlkmaarBij agendapunt: Voorstel tot afdoening lijst van ingekomen stukken59.832 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 7

Hof van Justitie uit zou spreken zodra zij in sessie waren. Van enkele zaken weten we meer details. Nadat Louis, George, Cornelis en Adjoeba met haar niet bij naam genoemde kind in 1791 per boot wegvluchtten van plantage Belle Plaine, werden zij in de Maroccokreek aangehouden en overgeleverd aan Van der Mieden. Louis werd gezien als de leider van het gezelschap. Hij ontving daarom de zwaarste straf: geseling, brandmerken en het afsnijden van zijn beide oren. Hij werd vervolgens veroordeeld tot het overdag werken in kettingen in dienst van de kolonie. Cornelis, George en Adjoeba werden gegeseld en teruggestuurd naar de plantage, met waarschijnlijk ook Adjoeba’s kind. De afhandeling die plaatsvond na de bestraffing lag in de handen van Adriaan. Hij keerde ƒ 300 vangloon uit aan degene die de vijf personen had aangehouden en gevangengezet. Een aanvullende ƒ 645 werd uitgekeerd aan de eigenaar van het vijftal, om het ‘verlies’ van Louis te compenseren en de kosten van het secretariaat en de fiscaal te dekken.194 In meerdere zaken lijkt Adriaan te hebben beslist aan wie er vangloon werd uitgekeerd, en hoeveel. Vangloon was gebaseerd op hoe ver de tot slaaf gemaakten waren aangehouden ten opzichte van de rivier. Het bedrag liep op naarmate de afstand waarover tot slaaf gemaakten terug naar de kolonie werden gevoerd toenam.

Hierdoor ontstond vaak discussie, zoals in 1792 toen de landmeter J. van der Burcht een boot met vluchtende individuen najoeg met zijn eigen vaartuig en tien gevangenen overleverde aan fiscaal Adriaan van der Mieden. Adriaan bood de man ƒ 50 per gevangene, maar dit vond Van der Burcht onvoldoende.195 Adriaan trad op als executeur van boedels, inspecteerde wegen, deed uitspraken over de plaatsing van herbergen en winkels, en deed verslag van de uitbetalingen van hoofdgelden.196 Maar hij kreeg ook te maken met uitzonderlijke voorvallen, zoals in oktober 1791 toen hij verslag deed van een aanklacht tegen een man genaamd Primo die een ‘horible crime’ had verricht, namelijk het plegen van sodomie met koeien. Als fiscaal was Adriaan verantwoordelijk voor het arresteren van Primo, hem over laten brengen naar het fort en het verhoor dat daarop volgde.197 Zowel Primo als de koe in kwestie werden geëxecuteerd, de eigenaar van Primo, de heer Thierens, kreeg een vergoeding voor de executie van Primo. Aan de heer Jansen, eigenaar van de koe, keerde Van der Mieden ook ƒ 75 uit.198 Zijn verslag heeft er ook voor gezorgd dat Adriaans mening over grotere en

194 NL-HaNA, 1.05.02, inv.nr. 57, scan 231-232 en inv.nr. 62A, scan 114. 195 NL-HaNA, 1.05.02, inv.nr. 62A, scan 38. 196 NL-HaNA, 1.05.02, inv.nr. 57, scan 308; inv.nr. 57, scan 547; 1.05.21, inv.nr. AB.3.49, scan 154; inv.nr. AB.3.51, scan 20. 197 NL-HaNA, 1.05.02, inv.nr. 58, scan 26. 198 NL-HaNA, 1.05.02, inv.nr. 57, scan 268. 89

slepende problemen binnen de kolonie bewaard zijn gebleven.199 Essequibo was een relatief nieuwe en onderontwikkelde kolonie en de planters en het koloniale bestuur kampten met hardnekkige problemen. Adriaan liet in sommige gevallen geen gras groeien over de aanpak van de problemen, en dit kwam hem financieel en later ook politiek duur te staan. Het begin van de onrust rondom Adriaans handelen lijkt te liggen in 1791. Destijds deed Adriaan als ad interim fiscaal verslag aan het hof over de klachten die hij had ontvangen van planters dat andere planters hun tot slaaf gemaakten niet van genoeg voedsel voorzagen. Het had tot gevolg dat de ondervoede tot slaaf gemaakten ‘s nachts de ‘provisiegronden’ van andere nabijgelegen plantages leegroofden. Als schrijver van het verslag stelde Adriaan dat hij zich ‘niets dan verpligt’ voelde om te voldoen aan het 18e artikel van ‘Het Reglement op de behandeling van blanke bediende en slaven’ van 1 oktober 1784. De oplossing voor Adriaan was het oproepen van burgerofficieren, die immers verantwoordelijk waren voor het bewaken van de rust en het welzijn van de ingezetenen. Tot Adriaans ontzetting weigerden deze heren echter onderzoek te doen naar het ontbreken van toereikende provisiegronden op plantages. Adriaan werd doorverwezen naar de landmeter, die hij vervolgens inhuurde om een onderzoek te doen.

Maar Adriaans verzoek om de honderden guldens die hij hieraan had uitgegeven vergoed te krijgen, werd afgewezen. Net als zijn voorstel om een standaardboete in te stellen voor planters die niet genoeg provisiegronden ter beschikking van hun tot slaaf gemaakten stelden.200 Zonder steun van de gouverneur en het hof had Adriaan niet mogen handelen, en zijn snelheid van handelen keerde zich tegen hem. Grofweg het laatste jaar van Adriaans leven is getekend door de neergang van zijn tot dan toe glansrijke carrière. In maart 1793 nam Willem August van Grovestins de post van gouverneur over van Albertus Backer; nu kwamen Adriaans handelingen onder een vergrootglas te liggen. In Stabroek, Demerara, waar de sessies van het hof werden gehouden, woedde bovendien een mysterieuze epidemie die vele levens eiste. Adriaan werd voor langere periodes ziek. De bestuurders voelden ook de druk van de Britse marine in de regio, en in de sessies die Adriaan wél bijwoonde sprak hij zich uit voor het verbeteren en zwaarder bemannen van het fort Willem Hendrik.201 In oktober 1793 kreeg hij bericht dat zijn vader was

overleden en moest hij zich wederom excuseren voor zijn afwezigheid bij het Hof.202 Toch lijkt er meer aan de hand te zijn dan enkel een kwakkelende gezondheid.203 De nieuwe gouverneur had zijn pijlen op Adriaan en zijn functioneren gericht. Niet alleen Adriaan kwam onder vuur te liggen, de oud-gouverneur Backer en de heer Thierens werden beschuldigd van het vormen van een corrupte samenzwering, en hier wilde Grovestins korte metten mee maken.204 Grovestins diende bij de WIC een klacht in over Adriaan, waarin zijn gedrag als raad-fiscaal ‘onvergeeflijk’ werd genoemd, omdat hij ‘nimmer de Resolutien van Haar Hoog Moogende Heeren’ respecteerde.205 Grovestins had Adriaan en zijn acties laten doorlichten en openbaarde dat hij verschillende ‘Heeren’ sommen geld schuldig was, waarop Grovestins concludeerde: ‘misschien is dat de reeden dat zij Ed. Gestrenge niet meer durft te spreeken.’206 In aanvullende brieven werd Adriaan ervan beticht samen te werken met Gerrit Seyfken die beschuldigd werd van corruptie en wreed gedrag tegen slaafgemaakten. Grovestins stuurde de Heren X een brief door van de gouverneur-generaal van Suriname, Jurriaan François de Friderici, die zijn bevindingen over Seyfken kon bevestigen.207 In een laatste brief van 1 maart 1794 zette Adriaan alles op alles om zich uit zijn netelige positie te bevrijden en zijn werkzaamheden in de kolonie voort te kunnen zetten.

Vol lof en dankbaarheid verzocht hij om van zijn functie te worden ‘verlost’ omdat ‘mijne schouderen te swak zyn om die last te torschen en in alle deelen zo ‘t behoord te voldoen’. Angst voor de verspreiding van de epidemie speelde ook een rol. Het zou hem op hoge kosten jagen en hij wilde niet ‘het gevaar lopen een gedeelte van mijn volk te verliezen, ‘t geen voorzeeker in deeze lande een aanzienlijk capitaal is’.208 Desondanks werd van Adriaan verwacht dat hij zo snel mogelijk naar Demerara zou reizen, anders dreigde het hof, ‘niet zullen nalaaten daar van kennis te geven aan de Edele Moogende Heeren Raaden der Colonien’.209 Of Adriaan zich ooit nog naar Demerara begaf is onduidelijk, op 10 augustus 1794 kwam hij op 34-jarige leeftijd te overlijden.210

199 NL-HaNA, 1.05.02, inv.nr. 12, scan 311. In 1792 was Adriaan aan boord van een vaartuig dat de rivier op en afzeilde om sluikhandelaren op heterdaad te kunnen betrappen, ook al kwam hier weinig van terecht en raadde de fiscaal aan deze taak over te geven aan zes kleine en wendbare voertuigen. 200 NL-HaNa, 1.05.21, inv.nr. AB.3.48, scans 121-125. 201 NL-HaNA, 1.05.02, inv.nr. 66, scan 243.

202 NL-HaNA, 1.05.02, inv.nr. 67A, scan 382. Een vreemde mededeling, want Adriaans vermeende vader Gualtherus George Gideon van der Mieden kwam pas in 1798 te overlijden, vier jaar na Adriaan zelf. De vraag is dus of hij geen kind is van mr. Aris van der Mieden, heer van Opmeer. 203 NL-HaNA, 1.05.02, inv.nr. 66, scan 231; NL-HaNA, 1.05.02, inv.nr. 64, scan 242. 204 NL-HaNA, 1.05.02, inv.nr. 69A, scan 243. 205 NL-HaNA, 1.05.02, inv.nr. 67A, scan 612. 206 NL-HaNA, 1.05.02, inv.nr. 67A, scan 612. 207 NL-HaNA, 1.05.02, inv.nr. 64, scan 343; inv.nr. 13, scan 289. 208 NL-HaNA, 1.05.02, inv.nr. 67B, scan 170. 209 NL-HaNA, 1.05.02, inv.nr. 66 scan 482. 210 NL-HaNA, 1.05.02, inv.nr. 68, scan 464.

90

91

i K

A

TEXEL

E U

R O P A

M

E

R

N

A

N

O

O

R

D

A F R i K A ST. EUSTATiUS CURAÇAO ELMiNA

Z

BERBiCE

U

i D

A

M E

SURiNAME

R i K

Routes van de slavenschepen van het Noorderkwartier

ANGOLA

A

Bron: Postma, The Dutch in the Atlantic Slave Trade; Den Heijer, Dataset WIC 1674-1730.

A anta l s ch ep en op de route, 1 674-1 7 30 Angola - Curaçao 5 Angola - Berbice - Curaçao 2 Angola - Suriname 6 Benin - Curacao 4 Benin - Suriname 10

Elmina - Angola - St Eustatius Elmina - Berbice Elmina - Curaçao Elmina - Suriname 92

BENiN

1 1 4 4

Texel - Angola 15 Texel - Benin 15 Texel - Elmina 41 Texel - Kaapverdië 1 93

H o ofd s tuk 3

Leven en bezit in de koloniën In het vorige hoofdstuk bespraken we Alkmaarders die in dienst traden bij de grote koloniale compagnieën van de zeventiende en achttiende eeuw en zo op zee of in de koloniën een rol speelden in de slavernijgeschiedenis. Ze waren betrokken als kapitein of bestuurder, maar ook als zeeman, soldaat of vroedvrouw. Niet iedereen zou compagniedienst als hoofdbetrekking hebben en bij de opbouw van productieve koloniën kwam ook veel particulier initiatief kijken. Zodra slavenkoloniën enige omvang kregen begonnen meer Europeanen, onder wie Alkmaarders, zich er te vestigen en bezit op te bouwen. Een deel van dat bezit waren de tot slaaf gemaakten die op de plantages werkten, aangevoerd op de slavenschepen van het Noorderkwartier, de andere kamers of smokkelaars. In dit hoofdstuk richten we ons specifiek op de plekken waar kolonisten zich vestigden en bezittingen opbouwden. Daarmee toont het hoofdstuk hoe divers de acties en ervaringen van Alkmaarders in de koloniën waren. De rode draad in al deze ervaringen is de dominantie van koloniale productieslavernij in de economie. Tegen de terreur van slavernij kwamen mensen in verzet; ook op de plantages die in Alkmaarse handen waren, ontwikkelden de tot slaaf gemaakten een tegenmacht.

Jacob Hengevelt en de onderdrukking in Suriname Een Alkmaarder die vertrok en nooit meer terugkeerde was Jacob Hengevelt. Hij werd in 1696 in Alkmaar geboren en overleed in 1747 in Paramaribo. Hengevelt is een voorbeeld van de maatschappelijke stijging die het op slavernij gebaseerde koloniale systeem bood aan jongemannen uit het Noorderkwartier. En zijn geschiedenis is een voorbeeld van het extreme geweld waarmee deze stijging gepaard ging. Historici vatten Hengevelts leven meestal samen rondom twee ‘verdiensten’. Ten eerste dat hij in Suriname als landmeter een groot aantal kaarten heeft geproduceerd die veel informatie bevatten over de ontwikkeling van de kolonie. Ten tweede staat Hengevelt sinds de tentoonstelling ‘Plantage Alkmaar’ vooral in Alkmaar bekend om het stichten van deze plantage.211 Plantage Alkmaar zou uitgroeien tot een van de grootste koffieplantages van Suriname, en Jacob en zijn vrouw vernoemden deze plantage naar de stad waar ze vandaan kwamen. De naam leeft voort: er is in Suriname nog altijd een ressort dat Alkmaar heet. In de geschiedschrijving over Plantage Alkmaar wordt echter de invloedrijke man met wie Hengevelts tweede vrouw Catherina L’Isle (De Lies) hertrouwde, Charles Godefroij, genoemd als degene die de plantage ontwikkelde Het verhaal wil dat Hengevelt in de jaren waarin hij de plantage bestierde weinig 211 Mark Ponte, Plantage Alkmaar. 94

had kunnen volbrengen. Maar bij nader onderzoek blijkt dat er een veel grotere geschiedenis schuilt in de lucratieve en gewelddadige carrière van Jacob Hengevelt in Suriname. Hij was meer dan enkel een Alkmaarse landmeter die in Suriname ging werken: hij gaf op een belangrijk moment in de koloniale geschiedenis vorm aan het rechtssysteem en hij had een grotere invloed op Plantage Alkmaar dan gedacht. Jacob groeide uit van landmeter tot planter en vervolgens ook lid van het Hof van Civiele Justitie en de Raad van Politie en Criminele Justitie. Daarmee was hij een van de machtigste mannen in de kolonie. Deze ontwikkeling was niet gebaseerd op zijn afkomst uit een regentenfamilie, maar op de mogelijkheden die de koloniale samenleving bood aan vrije Europese mannen. Voorwaarde was wel dat iemand als Hengevelt de raciale slavernij accepteerde en er zelfs actief in participeerde. Hengevelt kocht tot slaaf gemaakte mensen, werkte als administrateur en directeur op plantages, stichtte zelf een plantage die werd gecultiveerd door de arbeid van tot slaaf gemaakte mensen, en verdiende zo zijn geld. Maar Hengevelt was ook luitenant van de burgercompagnie, stuurde tot slaaf gemaakte soldaten aan, jaagde op mensen die waren weggevlucht van plantages, verhoorde hen, sprak vonnissen uit, en zag toe op het uitvoeren van straffen en executies.

Dat deed hij niet alleen in zijn rol als raadslid, maar ook als commissaris van het fort Amsterdam, een plek die mede diende als gevangenis en executieplaats. Jacob Hengevelt moet een stevige reputatie gehad hebben onder de medekolonisten en de onvrije bevolking, en zeker binnen zijn eigen huishouden. Het werd destijds waarschijnlijk geacht dat hij door slaafgemaakten om het leven was gebracht. De Alkmaarder overleed op 29 november 1746, waarop gouverneur Mauricius in zijn dagboek noteerde: ‘Verleden nacht is den oudsten Raadsheer Jacobus Hengevelt overleden, en heden avond begraaven. Sijn Ed. is lang seer siek geweest, en sijn vrouw is ook seer gevaarlijk, sijnde sijn dochter reeds voor eenige weeken gestorven. Men meent, dat het vergif van slaaven is.’212 Een analyse van Hengevelts carrière levert een beeld op van een man van wie het niet ondenkbaar is dat de mensen die hij onderdrukte en toetakelde hem zouden willen vergiftigen. Hengevelt werd op 8 augustus 1696 gedoopt in Alkmaar als kind van Gerrit Hengevelt en Geertruijt van Overschij.213 Eenentwintig jaar later verschijnt hij in koloniale bronnen, als op 6 oktober 1717 zijn verzoek om landmeter in Suriname 212 NL-HaNA, 1.05.03, inv.nr. 200, scan 198. 213 NL-AmRAA, 10.3.001, Oude Kerkelijke Doop-, Trouw- en Doden- (Begraaf-) boeken te Alkmaar, inventarisnummer 10, blad 13626. 95

‘traktement’ van rond de ƒ 300, maar kreeg ook commissies betaald voor specifieke kaarten.217 Voor een van deze opdrachten kreeg hij in 1733 bijvoorbeeld ƒ 300, een heel jaarsalaris. Dat Jacob grotere ambities had dan landmeter zijn, werd in 1723 duidelijk. Hij nam ontslag als landmeter, omdat hij de directie van een plantage op zich nam.218 Zijn ontslag viel samen met het ontslag van een andere landmeter, wat een groot probleem bleek te zijn voor de koloniale overheid. Direct werd verzocht twee nieuwe landmeters ‘herwaerts te senden’.219 In hetzelfde jaar trouwde Jacob met Simeona Pennockius. Zelf kwam ze uit Amsterdam, maar de achtergrond van haar familie lijkt in het Noorderkwartier en specifiek Medemblik te liggen. Simeona was recent weduwe geworden van Jan Muijderman uit Naarden, met wie zij vermoedelijk naar Paramaribo was vertrokken na hun huwelijk in Amsterdam in 1716.220 Als landmeter woonde en werkte Jacob in Paramaribo, maar een directeur van een plantage woonde gewoonlijk op de plantage waar hij werkte. Het is niet duidelijk waar het koppel zich vestigde, en toen Simeona in 1734 kwam te overlijden had het stel geen kinderen.221 Hun huishouden breidde zich wel uit door tot slaafgemaakte mensen aan te kopen.

In 1725 kocht Jacob in ieder geval de vrouw ‘Diane’, die eerder toebehoorde aan Adolff Gerold van Stockert.222 Een kaart gemaakt door Jacob Hengevelt van de Surinamerivier bij de oude plantage van Van den Poel tot boven de Parnasberg. Collectie Nationaal Archief Den Haag.

te worden, wordt goedgekeurd.214 Hij trad in de voetsporen van zijn vader, die vanaf 1692 werkzaam was als landmeter voor het Hof van Holland. Ook Jacob werd later door het Hof van Holland erkend als landmeter.215 Wanneer Jacob precies aankwam in Suriname is niet geheel duidelijk. Hoogstwaarschijnlijk solliciteerde hij vanuit Alkmaar op de functie van landmeter, en vond hij vervolgens zijn weg naar de kolonie. Vier of vijf jaar lang woonde en werkte Jacob in en rond Paramaribo. De koloniale overheid gaf in deze jaren veel land uit voor het verbouwen van koffie. Dit was in deze jaren een nieuw productiegewas in de kolonie en het bleek erg succesvol. Hierdoor was er een grote behoefte aan landmeters die vastlegden welke stukken land aan wie toebehoorden.216 De kaarten die Hengevelt maakte dienden dit doel, maar hadden daarnaast vaak ook een militair doel. Door zijn werk als landmeter had Jacob een goede financiële positie. Hij kreeg een jaarlijks

Nadat Hengevelt tien jaar in de kolonie had gewoond en gewerkt, diende zich een mogelijkheid aan waar hij gretig gebruik van maakte. Er heerste grote onrust onder de kolonisten, doordat een groeiend aantal plantages te maken kreeg met vluchtpogingen van tot slaaf gemaakten.223 Tegelijkertijd kwamen de inheemsen, die verdreven waren uit het kustgebied, in opstand en voegden zich bij de marrons, mensen die van de plantages waren weggevlucht en zich buiten het plantagegebied vestigden. Dit leidde tot onrust bij de planters en de koloniale overheid, die vreesden dat ze hun overwicht zouden verliezen.224 Al in 1683 had de SvS bepaald dat er een militie nodig was om Suriname te verdedigen. Deze militie werd gevormd door drie kapiteins, vier luitenants, twee onderluitenants,

214 NL-HaNA, 1.05.03, inv.nr. 9, scan 69. 215 Marijke Donkersloot-de Vrij en Peter van der Krogt, Repertorium van Nederlandse Kaartmakers 1500-1900, en NL-HaNA, 1.05.03, inv.nr. 25, scan 74. 216 Fatah-Black, White lies and black markets, hoofdstuk 4.

217 NL-HaNA, 1.05.03, inv.nr. 131, scan 358. 218 NL-HaNA, 1.05.03, inv.nr. 131, scan 358. 219 NL-HaNA, 1.05.03, inv.nr. 131, scan 358. Een daarvan zou de beruchte en uiteindelijk vooral beroemde Alexander de Lavaux zijn. 220 NL-HaNA, Oud Archief Burgerlijke stand Suriname, inv.nr. 9, p. 191, en NLSAA, inv.nr. 552, p. 186, 28/02/1716. 221 NAS, 1.05.11.16, inv.nr. 23, 1734-07-26. 222 NL-HaNA, 1.05.03, inv.nr. 258, scan 798. 223 Wim Hoogbergen, ‘De binnenlandse oorlogen in Suriname in de achttiende eeuw,’ Enthoven, den Heijer en Jordaan (red.), Geweld in de West, 148. 224 Julien Wolbers, Geschiedenis van Suriname (H. de Hoogh, 1861), 136-45.

96

97

één vaandrig, twaalf sergeanten en driehonderd soldaten.225 De meeste provincies betaalden hieraan mee via een subsidie die afhankelijk was van de omvang van de legermacht die ze op de been brachten. Voor iedere ‘honderdste man’ die in de participerende Staten werd gerekruteerd, financierden ze er een voor Suriname.226 De soldaten werden in de Republiek geronseld, via een systeem dat ook de VOC gebruikte. De hoop was vanaf het begin van de achttiende eeuw dat de helft van hen zich permanent zou vestigen in de kolonie. Dit zou een gewenste ontwikkeling zijn in de ogen van de koloniale overheid, die zich continu zorgen maakte om de relatief lage aantallen witte mensen tegenover de groeiende bevolking van tot slaaf gemaakten.227 Naast deze soldaten uit Nederland werd er in Suriname zelf een gewapende burgermacht op districtsniveau georganiseerd. Alle gezonde volwassen Europese mannen moesten hierin dienen. Deze burgerwacht bleek echter niet in staat om de vluchtelingen terug te halen en de marrons te bestrijden. Het gebrek aan militair succes leverde een conflict op tussen de directeuren van de SvS, de Staten-Generaal en de koloniale overheid in Paramaribo. De eerste twee bestuursorganen zagen het in toom houden van de slavenbevolking als de verantwoordelijkheid van de planters.

Een toename in weglopende tot slaaf gemaakten was immers, zo redeneerden zij, een direct gevolg van de wrede behandeling door de planters en directeuren. Uiteindelijk zou er in 1730 een middenweg worden gevonden en zou de militie voortaan de burgercompagnieën bijstaan in het bestrijden van binnenlandse dreigingen.228 Als onderdeel van deze ontwikkelingen werd Jacob in 1728 aangesteld als eerste luitenant van de burgerofficieren van de divisie Para en Pauluskreek.229 Vanaf 1730 trad hij ook op als een van de vier luitenants van de militie en ondernam hij zijn eerste tocht met zijn commando. Net als andere commando’s trokken zij op naar Saramacca, om te strijden tegen marrons die werden aangeduid als Saramaccanen en die zichzelf Saamaka noemen. In de nasleep van opstanden waren groepen vluchtelingen naar dat gebied getrokken om er zich te verschuilen en te vestigen. De verslagen en brieven die de strijd tegen de omliggende dorpen samenvatten zijn geschreven vanuit het oogpunt van de koloniale overheid. Toch is overduidelijk hoe goed georganiseerd en doordacht de marrons de strijd 225 M.J. Lohnstein, ‘Organisatie, sterkte en samenstelling van de militie, 1724-1795’, OSO. Tijdschrift voor Surinaamse Taalkunde, Letterkunde en Geschiedenis. Jaargang 7 (1988): 49. 226 Fatah-Black, Sociëteit van Suriname, 65-67. 227 M.J.

Lohnstein, ‘De werving voor de militie in Suriname in de 18e eeuw’, OSO. Tijdschrift voor Surinaamse Taalkunde, Letterkunde en Geschiedenis. Jaargang 6 (1987): 67-84. 228 Lohnstein, ‘Organisatie, sterkte en samenstelling van de militie’, 48. 229 NL-HaNA, 1.05.03, inv.nr. 132, scan 335. 98

aangingen met de onderdrukkende kolonisten, en dat zij ook hulp kregen van inheemsen. August Willem Zwallenberg was de aanvoerder van de tocht die voorafging aan een tocht van Hengevelt. Zwallenberg vond in Saramacca drie grote dorpen, en ook nog twee ‘lege gronden’. Deze gronden waren niet werkelijk leeg, er waren woningen en landbouwgrond voorbereid op de komst van nieuwe vluchtelingen. Omdat Zwallenberg werd misleid door de inheemse bevolking en hierdoor niet met zijn volle troepenmacht de dorpen kon aanvallen, werd een vervolgtocht uitgestuurd. Tot zijn teleurstelling was hij namelijk ‘maar’ in staat geweest om achttien mensen gevangen te nemen (twee mannen, vijf vrouwen, en elf kinderen) en tien andere marrons of tot slaaf gemaakten te doden en te onthoofden.

Een nieuwe tocht was daarom nodig, met aan het hoofd Jacob Hengevelt, Abraham Lemmers en Cornelis Adriaan van Vheelen.230 Op 1 november 1730 begonnen zij aan hun tocht richting de Saramaccaanse dorpen, met onder hun commando vijftig man burgers en tweehonderd tot slaaf gemaakten die gedwongen werden als dragers op deze tochten mee te gaan.231 Als opdracht kregen de luitenants mee om ‘de ontvlugtene te attrappeeren, en hun dorpen totaliter te ruineeren’.232 Jacob kreeg als de burgerkapitein van zijn divisie van de gouverneur de opdracht om de weerbare Europeanen en 36 tot slaaf gemaakten van de plantages Beeckhuizen, Woutvliet, Dijkvelt, Meersorg, La Liberté en Peperpot ‘naar proportie van hunne macht’ mee te nemen. Ook uit de divisie Commewijne, Cottica en Pirica werden mannen opgeroepen. Bovendien werd er opgedragen dat ‘alle mulatten uit Paramaribo’ zouden meegaan op deze tocht.233 Vanuit het perspectief van de koloniale overheid was de tocht een succes: de drie luitenants en hun manschappen namen elf vluchtelingen gevangen die bij terugkeer werden vastgezet in het fort Zeelandia en verhoord door de koloniale raadsheren.

Het ging om volgelingen van Kaási, een beruchte en succesvolle leider van de marrons.234 De elf – Joosje, Wieri, Manboote, Lucretia, Ambira, Flora, Gomba, Marie, Victoria, Diana en Christiana – werden veroordeeld voor samenzweren, kwaadaardigheid en het vermoorden van kolonisten. Ze werden ook schuldig bevonden aan het ‘weghaalen’ van tot slaaf gemaakten van plantages en verzet tegen de koloniale milities. Het was gedrag dat ‘gansch ruineus voor de goede ingeseetenen deeser lande soude komen sijn, en meede tot een quaad

230 NL-HaNA, 1.05.03, inv.nr. 257, scans 784-8. 231 NL-HaNA, 1.05.03, inv.nr. 257, scan 786. 232 NL-HaNA, 1.05.03, inv.nr. 132, scan 615. 233 NL-HaNA, 1.05.03, inv.nr. 132, scan 616. 234 Frank Dragtenstein, Kaási de rebellenleider: Het vroege verzet tegen de slavernij in Suriname (Boom, 2023). 99

exempel souden kunnen strekken voor andere welmeenende [tot slaaf gemaakten]’. Alle elf werden ze ter dood veroordeeld ‘tot afschrik en exempel alle anderen’.235 De groep van elf gevangenen werd naar verhouding van hun overtreding ter dood veroordeeld. Joosje werd met een ijzeren haak in zijn ribben aan de galg gehangen tot de dood erop volgde, waarna zijn hoofd werd afgehakt en als ‘afschrikking’ tentoongesteld aan de waterkant. Wieri en Manboote werden levend verbrand ‘tot asche’, en tijdens de verbranding zouden zij met gloeiende tangen genepen worden. Lucretia, Ambira, Flora, Gomba, Marie en Victoria werden geradbraakt en vervolgens onthoofd. Ook hun hoofden zouden tentoongesteld worden aan de waterkant. Diana en Christiana werden met een bijl onthoofd.236 Het waren gruwelijke en gewelddadige straffen die publiekelijk uitgevoerd werden. Dat Jacob Hengevelt zoals vele planters achter deze gewelddadige gewoontes stond, wordt duidelijk uit het verdere verloop van zijn leven. Wat betreft de tocht werden Hengevelt, Lemmers en Van Vheelen bedankt voor hun dienst aan de kolonie, en kregen zij daarnaast ƒ 2100 om te verdelen onder zichzelf en hun vrije troepen.237 Sinds 1717 werd ƒ 600 uitgereikt aan kolonisten die een weglopersdorp opspoorden en ƒ 10 per wegloper.

Hengevelt was zowel slaven­ eigenaar, militair als rechter.238 Soms legde Jacob zijn taak als luitenant van de divisie Para en Pauluskreek neer, bijvoorbeeld als hij het te druk had met zijn werkzaamheden voor de raad.239 De activiteiten van Hengevelt hebben een blijvende indruk achtergelaten in Suriname. Toen in 1752 nieuwe tochten tegen weglopers en marrons werden opgezet, werd er nog altijd gerefereerd aan het optreden van de drie burgerofficieren ‘Lemmers, Hengevelt en van Veelen’. Uit hun verslagen werd duidelijk ‘hoe zoo een commando moet gereguleert zyn’.240

Directeur, priseur, raadslid en planter Jacob Hengevelt groeide uit tot een spin in het web van de koloniale overheid. Hij ontwikkelde zich vanuit zijn rol als landmeter tot directeur van verschillende plantages, aanvoerder van slavenjagers en bestuurder, tot hij uiteindelijk zelf plantage-eigenaar werd van Plantage Alkmaar. Van welke plantage in 1723 Jacob de directie op zich nam is niet duidelijk, maar hij zou de rol voor verschillende plantages vervullen in de daaropvolgende jaren. Zo was hij in 1736 directeur van

235 NL-HaNA, 1.05.03, inv.nr. 132, scan 629. 236 NL-HaNA, 1.05.03, inv.nr. 258, scans 10-12. 237 NL-HaNA, 1.05.03, inv.nr. 132, scan 637. 238 NL-HaNA, 1.05.03, inv.nr. 134, scans 427-428 en inv.nr. 199, folio 63. 239 NL-HaNA, 1.05.03, 133, scan 564; NL-HaNA, 1.05.03, inv.nr. 134, scan 769. 240 NL-HaNA, 1.05.03, inv.nr. 126, scan 46. 100

De afbeelding van de executie van Joosje, een van de elf in de groep van rebellenleider Kaási die gevangen werden genomen door Hengevelt, is symbool komen te staan voor de wreedheid van de Surinaamse slavernij. Ook Anton de Kom noemde de groep gevangenen in zijn boek Wij slaven van Suriname. William Blake, A negro hung alive by the ribs, 1792.

101

de plantage Potribo en in 1739 van de plantage Rac à Rac.241 En tot 1742 was hij directeur van de plantage St. Barbera in opdracht van de in Amsterdam woonachtige Daniel Varlet.242 Zijn functies als raad van Civiele Justitie en later binnen het Hof van Politie betekenden enerzijds dat hij veel meer taken en verantwoordelijkheden op zich nam, maar ook dat hij zich beschikbaar stelde als executeur van testamenten en bijvoorbeeld gemachtigd werd om inventarissen van plantages te maken. In zijn functie als raadslid verschijnt hij in de bronnen als ‘prisateur’, wat nu een taxateur zou zijn, als getuige, als afhandelaar van testamenten, verhoorder van verdachten en rechtsprekend raadslid.243 In de laatste jaren van zijn leven werd hij ook nog rekenmeester van koloniale raden en commissaris van het fort Amsterdam.244 Als directeur en raadslid was Jacob geenszins coulant jegens tot slaaf gemaakten die verzet pleegden. In 1744 deed hij melding bij het Hof omdat een van de tot slaaf gemaakten die tot zijn huishouden behoorden was doodgeslagen. De man – die niet eens bij naam wordt genoemd – had ruzie gekregen met een Engelse matroos en hem geslagen.

Jacob deed aangifte bij het Hof zodat hij een vergoeding kon krijgen voor het verlies van zijn bezit.245 In 1745 deed Jacob weer een verzoek aan het Hof, of hij als voogd van de minderjarige kinderen van Daniel Varlet een tot slaaf gemaakte genaamd Dikje het land uit zou mogen zetten. Dikje woonde en werkte op de plantage Rac à Rac, maar was volgens Jacob ‘niet wel bij zinnen’. Dit leidde tot allerlei ongeregeldheden op de plantage, ongeregeldheid die vooral klinkt alsof Dikje consistent in verzet kwam en het leven in slavernij op de plantage probeerde te ontvluchten. De directeur had Dikje vast laten zetten in het fort nadat hij brand had proberen te stichten, maar zelfs dit had niet mogen baten. Jacob verzocht daarom of hij Dikje mocht verkopen met het doel hem de kolonie uit te werken. Dit werd toegestaan.246 Het laatste voorbeeld betreft ‘de Indiaan Fransje’, een beschrijving die aangeeft dat Fransje onderdeel was geweest van de inheemse bevolking en toen tot slaaf was gemaakt, iets wat eigenlijk niet was toegestaan in Suriname. Fransje werd ervan beschuldigd dat hij van plan was om te stelen. Zijn verweer was dat hij dronken was geweest, gevallen was en toen door een deur heen het pakhuis van de koopman binnen was gevallen. Met weinig bewijs en zonder gestolen goederen 241 N L-SAA, 5075, inv.nr. 9128, 08-08-1736 en NL-SAA, 5075, inv.nr. 9759, 0202-1739.

242 NL-SAA, 5075, inv.nr. 11742, 11-10-1740 en NL-SAA, 5075, inv.nr. 9163, nr. 657 en NL-HaNA, 1.05.03, inv. 136, 309. 243 NL-HaNA, 1.05.03, inv.nr. 133, scan 44. 244 NL-HaNA, 1.05.03, inv.nr. 136, scan 308. 245 NL-HaNA, 1.05.03, inv.nr. 199, scan 230. 246 NL-HaNA, 1.05.03, inv.nr. 137, scan 23. 102

werd Fransje overgeleverd aan ‘zijn meester’ Jacob. Die verzocht echter dat er een vonnis over Fransje werd uitgesproken, wat gedaan werd. Fransje werd ‘op alle hoeken van de straat in Paramaribo’ gegeseld met een Spaanse bok.247 Dit was een zwaar strafmiddel dat de latere gouverneur Nepveu beschreef als: ‘dat is de handen te zaam gebonden de knien daardoor gestooken, en dan een stok tusschen de opening der knien; die door die der handen heen gestooken; vast in de grond gaat, waar aan zij dan als een hoepel rond leggen, en dus met Goeijave (fruit) of Tamarinde (boom) garden op de billen geslaagen worden.’248 Tot Jacob kwam te overlijden in 1746 lijkt er geen inventaris of boedel van zijn bezittingen te zijn gemaakt. Hij erfde in 1734 de bezittingen van Simeona, maar een testament of inventaris is niet gemaakt of overgeleverd. Een dergelijk document werd pas gemaakt toen zijn tweede vrouw Catherina zich een jaar na zijn overlijden, in november 1747, voorbereidde op haar huwelijk met Hengevelts oude mede-raadslid Charles Godefroij. Ze verzocht dat er twee inventarissen werden gemaakt, een van haar privébezit, en een van de Plantage Alkmaar, zodat het kindsdeel van de minderjarige zoon Gerrit Benjamin Hengevelt duidelijk kon worden vastgelegd zodra zij hertrouwde. Een jaar na het overlijden van Jacob was het privébezit van Catherina en Gerrit Benjamin ƒ 51.207 waard.

Hoeveel hiervan ook nog bedoeld is voor haar oudste levende kind Pieter, van haar eerste man Pieter Braet, is onduidelijk. Maar omdat deze documenten enkel het bezit van Gerrit Benjamin wilden veiligstellen, lijkt Pieters deel buiten beschouwing te kunnen worden gelaten. Dergelijke boedelinventarissen beslaan vaak tientallen pagina’s volgens een vaste opbouw: onroerend goed tot roerend goed, en voor elk huis/erf werd per kamer beschreven en getaxeerd wat werd aangetroffen. Uit de inventaris blijkt dat het woonhuis van de familie Hengevelt stond aan de Waterkant in het centrum van Paramaribo; in 1830 zou deze dwarsstraat hernoemd worden als Jodenbreestraat. Het was een flink huis met meerdere kamers en op hetzelfde erf stond ook een stenen gebouw dat diende als magazijn. Daarnaast was het erf voorzien van een lang en diep afdak dat langs de omheining van het erf liep. De inventaris stelt dat het in slechte staat is, maar nu is onder­ verdeeld voor verschillende doeleinden. Onder dit afdak verbleven de paarden en koeien, maar waren ook de woonruimtes voor de tot slaaf gemaakten. Er waren gemakshuisjes, werkplekken voor een kuiper en timmerman – en dit alles was al de helft van het totale bezit van Catharina waard, ƒ 25.632.249 Samen hadden Jacob en Catharina 42 tot slaaf gemaakten als hun privébezit. De lijst van namen 247 NL-HaNA, 1.05.03, inv.nr. 137, scan 416.

248 NL-SAA, toegang 231, inv.nr. 298, folio 268. 249 NL-HaNA, 1.05.11.14, inv.nr. 184, vanaf folio 275. 103

en beroepen maakt duidelijk dat investeren in slavernij een van de manieren was waarop Jacob geld had kunnen verdienen. Naast zijn ambitie om een plantage te hebben en via de exploitatie van plantagearbeid rijk te worden, investeerde het echtpaar in wat ‘stadsslavernij’ genoemd kan worden. In het groeiende stedelijke centrum van Paramaribo kon stadsslavernij lucratief zijn voor de eigenaren. Er was in de stad een grote vraag naar tot slaaf gemaakten die ambachten verrichten, in de haven werkten, huizen bouwden, of in het huishouden werkten.

Op de inventarislijst staan elf mannen genoemd met hun taken en vaardigheden. Benjamin en Palm waren timmermannen, Abraham, Agrippa en Thee werkten als kuipers of als smid. Fortuijn was kok, net als Cabende, die ook als delver (graver) werkte. Twee mannen waren paardenknecht Isaac en Traeton. Cadet, die net lijkt over te zijn gegaan van de categorie jongens naar mannen, was voormalig ‘voetebooij’ (persoonlijk bediende) maar nu in de leer als metselaar, en Sesoe was tuinier. Onder de zestien vrouwen kwamen de beroepen naaister, breister en wasvrouw het meest voor; die staan vermeld naast de namen Leena, Marianna, Silvia, Bellona, Threesa, Rosa, Diana, Ero, Laura en Philida. Deze vrouwen deden hoogstwaarschijnlijk werk voor het huishouden en werden verhuurd aan anderen. In dat geval werd hun werk toebedeeld door hun eigenaren in andere huishoudens of voor andere mensen, en het geld dat zij hiermee verdienden, hun ‘huur’, werd vervolgens uitbetaald aan de Hengevelts. Cicilia, Bellona, Leonora (of Lea) en Kallisto staan vermeld als huismeiden. Zij werkten dus in het huishouden van de Hengevelts zelf. Opvallend is dat er ook een ‘Indiaanin’ op de lijst staat genaamd Olimphia, haar taak was ‘kindermeid’. De vraag is of zij verantwoordelijk was voor de twee jonge kinderen van Catharina, of voor de tientallen kinderen die het echtpaar in slavernij hield.

Twee vrouwen hebben geen taak: Eminerensje en Catherina. Zij waren te oud om te werken en Catherina was bovendien blind. Zes jongens en negen meisjes woonden aan de Waterkant. Zij werden ofwel opgeleid tot een ambacht – Quakoe bijvoorbeeld tot kleermaker, Manniellie en Ponte als tuiniersjongens – of zij waren de kinderen van volwassen tot slaaf gemaakten. Het aangeven van familieverbanden onder de tot slaaf gemaakten was niet verplicht, maar degene die deze inboedel maakte deed dit wel. Manuel werd beschreven als ‘de mulat van Diana’. Troubel en Mel waren de zoons van Laura. Bij de negen meisjes wordt dit niet aangegeven. Paulina, Dido, Hermina, Cicilia, Constantia, Hester, Charlotte, Bergere en Florensia staan opgesomd met slechts twee opmerkingen. Hermina behoorde net als Silvia en Benjamin voor de helft toe aan een plantage waar Jacob directeur was geweest (Macriabo), Constantia werd omschreven als mulattin.

Twee mannen in slavernij graven een trens (afwateringskanaal) op een Surinaamse plantage. Collectie Rijksmuseum Amsterdam. 104

Het instabiele en dodelijke bestaan van tot slaaf gemaakten in huishoudens zoals die van Hengevelt en L’Isle is goed zichtbaar als we de lijst met tot slaaf gemaakten die in 1747 woonden en werkten vergelijken met de lijst die werd gemaakt na Catherina’s overlijden in 1757. Catherina had haar huishouden uitgebreid, ze bezat nu zeventig tot slaaf gemaakten: twaalf mannen, elf jongens, 31 vrouwen en zestien meisjes. Van de mannen waren tien jaar later alleen nog Thee en Fortuijn aanwezig. Elf vrouwen waren in het huishouden gebleven en bij een van hen, Thresa, staat dat Catherina voor haar dood had verzocht haar vrij te maken zodra zij kwam te overlijden. Hoewel geen enkele jongen die inmiddels was opgegroeid tot man nog in het huishouden was gebleven, was dit wel het geval voor vijf meisjes: Bergere, Cecilia, Dido, Hermina en Paulina. 105

De mate waarin Hengevelt en L’Isle als echtpaar investeerden in hun plantage – waar ze in eerste instantie naar verwezen als ‘de nieuwe aanleg’, maar die ze al gauw Alkmaar zouden gaan noemen – komt duidelijk naar voren in de inventaris die werd gemaakt van alleen de plantage, naast de zojuist genoemde privéboedel van Catherina en Gerrit Benjamin. De inventaris start met een opsomming van de gronden die genummerd zijn van een tot zes. Bij de aanplanting zijn verschillende landbouwtechnieken toegepast en elk stuk land heeft een wisselende verhouding tussen geplante tajer-bananenplanten, met het gewas waar het om draaide: koffiebomen. Deze aantallen zijn niet gering, in 1747 telde De nieuwe aanleg Alkmaar 9.400 koffiebomen, waarbij het oudste deel van 1.100 bomen twee jaar oud was, en de jongste planten enkele maanden.250 Een woonhuis of opzichters-/directeurshuis was nog niet aanwezig op deze plantage, wel zestien nieuwgebouwde huizen voor de tot slaaf gemaakten. Ook de tot slaaf gemaakten staan in de inventaris. Zoals gewoon was in deze documenten, worden de mannen, vrouwen, jongens en meisjes gerangschikt op hun geschatte ‘verkoopwaarde’. Enkel hun naam, af en toe een functie of ambacht, een eventueel mankement en de geschatte prijs werden aangegeven. Er staan 32 mannen op de lijst en zeventien vrouwen, onder wie één huismeid genaamd Susana.

Vijftien jongens worden genoemd, zoals Kees ‘met de duiselingen in ‘t hoofd’, en een jongen genaamd ‘Alkmaer’. Opvallend is ook dat degene die de inventaris maakte een familieverband aangaf. Coffij, Codjo en Priens staan genoteerd als ‘creole kinderen van Regina’. Regina zelf staat op de lijst als ‘waschter en strijkster’. Een jongen genaamd Coffij staat beschreven als ‘zoutwater’, een verwijzing dat hij als kind in Afrika gevangen is genomen, de oversteek maakte aan boord van een slavenschip en vervolgens is aangekocht door Hengevelt en L’Isle. Vier meisjes sluiten de lijst, die daarmee een totaal van 68 tot slaaf gemaakten weergeeft die werkten en woonden op de plantage. Tien jaar later was de plantage sterk uitgebreid en was er een woonhuis toegevoegd voor de familie; en ten tijde dat de volgende inventaris werd gemaakt, woonden en werkten er 184 tot slaaf gemaakten op Plantage Alkmaar, 73 mannen, 52 vrouwen, zeventien meisjes en 42 jongens.251 Hengevelt bracht zijn laatste jaar doorlopend ziek door. Iemand anders moest zijn functie als commissaris van fort Amsterdam waarnemen, en de gouverneur noteerde in zijn journaals dat Hengevelt al maanden ziek en vaak afwezig was.252 Vlak na zijn dood wilde Catharina het werk dat zij met Jacob was begonnen voortzetten. Ze diende een verzoek in bij de directeuren van de Sociëteit om de plantage te mogen uitbreiden.

Dit had een specifiek doel: ‘dat haar man zaliger 250 NL-HaNA, 1.05.11.14, inv.nr. 690, vanaf scan 361. 251 NL-HaNA, 1.05.11.14, inv.nr. 201, vanaf folio 457. 252 NL-HaNA, 1.05.03, inv.nr. 200, scan 119. 106

van intentie altoos was geweest, dito gront metter tijd (onder Gods Zegen) aan te leggen tot een florisante suijcker plantage.’253 Een suikerplantage werd Alkmaar niet, maar van de toegestane gronduitbreiding maakte het gezin zeker gebruik. Hoe het leven van Gerrit Benjamin, de zoon van Jacob, verliep is onduidelijk. Hoewel hij erfgenaam was van delen van de plantage, en opgroeide in een plantersmilieu bij zijn moeder Catharina, lijkt hij nooit te zijn getrouwd, of actief te zijn geweest in het beheren van de plantage. Slechts drie jaar na zijn moeder kwam hij te overlijden in Paramaribo.254 Hengevelt heeft tijdens zijn dertig jaar in Suriname een wezenlijke bijdrage geleverd aan de ontwikkeling van het repressieapparaat in de kolonie. Zij periode viel samen met de plotselinge opkomst van koffie als exportgewas. Het geld dat in de koffieproductie werd verdiend, werd gestoken in een snelle expansie van het aantal tot slaaf gemaakten in de kolonie.

De invoer zorgde volgens historicus Cornelis Goslinga in deze periode voor een verharding van de slavernij en een verslechtering van de omstandigheden op de plantages.255 Volgens Alex van Stipriaan werd de negatieve demografische ontwikkeling in de tijd van Hengevelt veroorzaakt door het zware werk dat moest worden gedaan bij het aanleggen van de koffieplantages.256 Bij deze uitbreiding hoorde ook groeiend verzet, waartegen de kolonisten, mede onder leiding van Hengevelt, hard optraden. Hengevelt was dus veel meer dan een verdienstelijk kaartenmaker en de naamgever van Plantage Alkmaar, hij was bepalend in de op slavernij gebaseerde expansie van de Surinaamse plantagelandbouw.

Suriname, Demerara, Berbice en Essequibo Suriname is veruit de bekendste Nederlandse plantagekolonie, maar langs de naastgelegen rivieren bevonden zich soortgelijke plekken waar ook enkele honderden plantages te vinden waren. Naar al deze plekken reisden Alkmaarders af, en hun levensloop geeft een goede indruk van de manieren waarop mensen daar met slavernij in aanraking kwamen. Van deze koloniën had Suriname met Paramaribo de grootste stad. De bevolking van Paramaribo nam in de tweede helft van de achttiende eeuw sterk toe. De meerderheid van de bevolking, zo’n 60 procent, leefde in slavernij, en het overige deel bestond uit zowel een groeiende

253 NL-HaNA, 1.05.10.01, inv.nr. 224, nr. 149, scans 787-789. 254 NL-HaNA, Oud archief Burgerlijke Stand Suriname, inv.nr. 25, pg. 10, 1760-04-02. 255 Cornelis Ch. Goslinga, The Dutch in the Caribbean and in the Guianas, 1680-1791, Anjerpublikaties 19 (Van Gorcum, 1985). 256 A lex van Stipriaan, Surinaams contrast: roofbouw en overleven in een Caraïbische plantagekolonie, 1750-1863 (KITLV Uitgeverij, 1993). 107

gemeenschap van vrije mensen van kleur als een kleine groep Europese migranten die zich bij de planterselite probeerde te voegen. Nadat de vrouw van een gouverneur in het kraambed was overleden, werd er besloten dat er vroedvrouwen naar de kolonie moesten komen. Deze vroedvrouwen zouden vrije Europese vrouwen bijstaan, niet de vele bevallingen van vrouwen in slavernij op de plantages. Er is weinig onderzoek gedaan naar dit aspect van de koloniale geschiedenis, maar de aanstelling van de Alkmaarse Lotje Jans in 1736 licht een tipje van de sluier op. Lotje Jans moet hebben gereageerd op een oproep van de Sociëteit van Suriname voor de functie van stadsvroedvrouw in Paramaribo. Die betaalde aardig, zowel een vaste commissie als een toelage per bevalling; bovendien gaven de families waar de vroedvrouwen kwamen ook nog cadeaus of fooien. Een rekening van de Sociëteit uit 1753 laat zien dat Lotjes traktement voor een jaar ƒ 360 bedroeg.257 Om in aanmerking te komen voor het stadsvroedvrouwschap, een aanstelling die ook bestond in steden in de Republiek, waren referenties nodig. Lotje kreeg deze van de Alkmaarse dokter Jacob Elias en de Alkmaarse stadsvroedvrouw Trijntje Limborg.258 Twintig jaar lang was de Alkmaarse Lotje vroedvrouw in Paramaribo.259 De kolonie Demerara werd in 1745 onder leiding van de WIC gecreëerd uit gebied dat eerder toebehoorde aan de kolonie Essequibo.

Omdat de kolonie, gelegen in het huidige Guyana, werd afgesplitst moest er een nieuw administratief centrum worden gecreëerd en georganiseerd, en dit werd het eiland Borsselen in de Demerararivier. Op het eiland werd een klein fort gebouwd, evenals een pakhuis en barakken voor de soldaten. In die barakken werkten in 1779 enkele Alkmaarders. W.J. van Veen ‘van Alkmaar’ was werkzaam als administratief assistent op het eiland Borsselen in het ‘Huys Loevestijn’, daarnaast was hij ook pakhuiswaag en magazijnmeester. Per maand kreeg hij ƒ 36 gage, inclusief kost en inwoning, en twee rantsoenen.260 Ook D. van der Valk was op 31 oktober 1778 aangekomen in Demerara en voor ƒ 8 per maand aangesteld als soldaat op het fort Eijland.261 Lang was D. (Dirk) niet opgewassen tegen het leven in de kolonie, bijna exact een jaar na zijn aankomst op 27 oktober 1779 kwam hij te overlijden.262

stichten. Na de oprichting van de WIC zou hij dit in 1627 ook daadwerkelijk doen. Berbice was samen met Tobago en Renselaarswijck een van de patroonschappen binnen het octrooigebied van de WIC. De handelsactiviteiten en de plantages in dit patroonschap zouden in de zeventiende eeuw relatief klein blijven. De kolonie kreeg wel een slechte reputatie: de uitdrukking ‘naar de barrebiesjes gaan’ beloofde niet veel goeds. Toch zou de kolonie het wel overleven, tot een Franse aanval in 1712 gelijktijdig alle Nederlandse kolonies in Guiana overrompelde. De Zeeuwse familie kon de brandschatting niet betalen en Berbice ging in 1720 over op de Sociëteit van Berbice, een voornamelijk Amsterdamse organisatie gemodelleerd naar de Sociëteit van Suriname. Het was mogelijk om aandelen in de kolonie te kopen, en er zijn dan ook verschillende voorbeelden waarin ‘actien in de colonie Berbice’ door Alkmaarse handen gingen.263 Ook als soldaat, klerk of bestuurder reisden Alkmaarders af naar de kolonie. Met het nieuwe kapitaal dat na 1720 aanwezig was, en de stijgende vraag naar koloniale producten, probeerde de Sociëteit de kolonie zo snel mogelijk uit te breiden. De eerste veertig jaar van de kolonie zouden stormachtig verlopen. Aan die groei kwam echter abrupt een einde.

Berbice is vandaag het meest bekend om de slavenopstand van 1763.264 Vanaf de plantages Leliëndaal en Hollandia breidde de opstand zich uit, tot die vrijwel de gehele kolonie had overrompeld. Een jaar lang wisten de opstandelingen zich staande te houden, terwijl ze onderhandelden over het verdelen van het grondgebied tussen henzelf, onder leiding van Cuffy, en de kolonisten. Nederland bracht, met grote leningen door onder andere de Staten van Holland en internationale hulp, een grote legermacht op de been om het door de tot slaaf gemaakte bevolking opgeëiste gebied terug te veroveren. Het lukte na een jaar om de opstand te onderdrukken, maar de plantages en de infrastructuur waren geruïneerd.

Berbice was de oudste Nederlandse kolonie in Guiana. Al in 1602 ontving de Zeeuw Abraham van der Peere het recht om langs de rivier een kolonie te

Onder de soldaten die naar Berbice reisden, waren ook Alkmaarders. De commandeur Joosen van het fort Naussau schreef in een brief dat er elf nieuwe militairen waren gearriveerd, maar dat drie van hen 56, 54 en 52 jaar oud waren, die Joosen ‘seer gaerne voor een jonge soude missen’. Hij klaagde dat hij niets met de mannen kon uitrichten, ‘deselve sijn ook suijver gries [grijs]’, en een van hen was voordat hij werd uitgezonden twintig jaar kleermaker geweest in Alkmaar. Dat deze naamloze Alkmaarder zich nu als soldaat in Berbice bevond, heeft hoogstwaarschijnlijk te maken met schulden of straf. Joosen smeekte de

257 NL-HaNa, 1.05.03, inv.nr. 294, scan 171. 258 NL-HaNA, 1.05.03, inv.nr. 133, scans 561-562. 259 NL-HaNA, 1.05.03, inv.nr. 149, scan 603. Op 9 juni 1757 wordt haar aanvraag voor ontslag goedgekeurd. 260 The National Archives (TNA), Colonial Office (CO) 116/51, folio 682. 261 TNA, CO 116/51, folio 552. 262 TNA, CO 116/51, folio 720.

263 NL-HaNA, 1.05.05, inv.nr. 412, scan 551. In 1762 vroegen de executeurs van de boedel van Jan van der Streng, onder wie Alkmaarder Nanning Daaij, bijvoorbeeld toestemming aan de Sociëteit van Berbice om vijf ‘actiën’ uit de boedel van hun schoonvader te verkopen, elk part met een waarde van ƒ840. 264 Marjoleine Kars, Blood on the River: A Chronicle of Mutiny and Freedom on the Wild Coast (The New Press, 2020).

108

109

directeuren om niet meer ‘sulke oude lieden over te senden’. Ze waren volgens hem onmogelijk in staat tot het leren omgaan met een wapen, en zodra zij aan het werk werden gezet moesten ze ‘aanstonds naer ‘t Hospitael, blijven daarin sukkelen, kunnen door hun Hooge Jaren niet weder bijkomen, soo is het eijnde de dood’. Ze waren volgens Joosen het bedrag dat was betaald voor hun transport niet waard.265

Winder Ook jongemannen uit gegoede families, zoals de al eerder genoemde Adriaan van der Mieden, reisden naar de koloniën af. Het lijkt er vaak op dat ze dit deden als ze maatschappelijk waren vastgelopen. Op 17 oktober 1788 tekende Alkmaarder Willem Winder het contract om voor zes jaar als klerk te werken in Berbice. De Vrouwe Lina Jacoba vertrok en de 33-jarige Willem nam zijn intrek in fort Nassau.266 De Winders waren een gevestigde naam in Alkmaar, Willem jr. was zelf oud-schepen, en zijn vader had ruim dertig jaar in de vroedschap gezeten, enkele jaren als burgemeester gediend en was het hoofd van de Alkmaarse Latijnse School geweest.267 Als klerk vervulde Willem Winder een rol die lijkt op die van een notaris. Zijn naam prijkt op tientallen aktes die hij opstelde, en waarvoor hij gelijk ook als een van de twee benodigde getuigen optrad. Willem ondertekende testamenten en boedelinventarissen van vermogende planters en inspecteerde namens de Sociëteit van Berbice de schepen die waren aangekomen met beschadigde goederen.268 Willem Winder ondertekende ook een verklaring die bevestigde dat Johannes Jacobus Treurniet uit Medemblik een kind had verwekt in Berbice, bij ‘een zekere vrije mulatinne, genaamd Annatie of Claudina’.

Het zoontje heette Jan Albert en wordt ‘eene natuurlijke zoon, of speelkind’ genoemd.269 De erkenning zorgde ervoor dat het kind alsnog aanspraak kon maken op de erfenis. In het geval van Willem Winder lijkt het erop dat hij een tijdelijke positie in de kolonie had aangenomen in afwachting van de erfenis van zijn ouders. Hij was zowel bezig met het opbouwen van een carrière in de kolonie als het beheren van eigendommen in Noord-Holland. Willem machtigde twee Alkmaarders (Pieter Klinkhamer en Pieter Al) om op zijn zaken toe te zien terwijl hij overzee was. Voor zijn vertrek naar Berbice had vader Winder aan Willem een ‘boereplaats’ in Zijpe overgedragen, en Willem wilde verzekerd zijn van de hem toekomende

huurpenningen.270 Het blijkt dat het Willem niet lukte om een trans-Atlantische portefeuille te beheren. In februari 1790 vertrok hij weer naar de Republiek aan boord van De Zeenimph.271 Er waren zakelijke problemen ontstaan, wissels die hij had uitgeschreven waren in de Republiek niet uitbetaald.272 Toch verzekerde hij de crediteuren dat het allemaal goed zou komen en hij zelfs de boetes zou betalen, in het vaderland had hij naar eigen zeggen recht op de erfenis van zijn moeder en vader, en hij zette zijn roerend en onroerend goed in Alkmaar in als onderpand.273 Willem verliet Berbice met flink wat schulden en keerde terug naar Alkmaar.

Indijck Hendrik Gerritsz Indijck uit Alkmaar ging op 16 december 1639 in ondertrouw met Marritje Heijndrix.274 Hendrik was waarschijnlijk in Amsterdam opgeleid tot notaris, en misschien zelfs door Hendrik Schaef. Hij stond in ieder geval van 1636 tot 1642 op veel akten van Schaef, die als notaris gevestigd was in het pand van de VOC-kamer van Amsterdam.275 In 1640 werd Hendrik zelf notaris en nam hij het besluit om naar Brazilië te gaan om daar als notaris te werken.276 Hendrik lijkt twee reizen naar Brazilië te hebben gemaakt. Een in 1641-1642, waarna hij verlof aanvroeg om terug te keren maar het ‘vaderland’, maar direct aangaf graag weer naar Brazilië te gaan.277 Marritje en Hendrik reisden aan boord van slavenschepen via het slavenfort Elmina in West-Afrika naar Recife.278 Daar werd hij opnieuw ‘notaris publiek ende opperste clerck […] in de Griffie van de hoge regeringe, beijde in Brasil’.279 In 1648 vroeg Hendrik opnieuw bij de WIC toestemming om weer naar het vaderland te gaan, wat werd toegestaan.280 Terug in Nederland vestigen de twee zich in Alkmaar. Het ging niet goed met het gezin en Marritje maakte haar testament op, ‘zwanger

265 NL-HaNA, 1.05.05, inv.nr. 193, scan 139, brief Juli 1767. 266 NL-HaNA, 1.05.05, inv.nr. 435, scan 274; NL-AmrRAA, 10.3.001, inv.nr. 15, folio 37107; NL-AmrRAA, 10.3.001, inv.nr. 42, 10 februari 1789. 267 NL-HlmNHA, 2344, inv.nr. 301, scan 101. 268 NL-HaNa, 1.05.21, inv.nr. AC.9.11, scan 143; inv.nr. AC.9.11, scans 198 en 206. 269 NL-HaNa, 1.05.21, inv.nr. AC.9.11, scan 209.

270 NL-HaNa, 1.05.21, inv.nr. AC. 9.13.B, scan 19. 271 NL-HaNa, 1.05.21, inv.nr. AZ.1.35A, scan 18. 272 NL-HaNA, 1.05.05, inv.nr. 435, scan 274. Een lijstje met uitstaande schulden telt maar liefst negentien namen voor een som van bijna ƒ 1.000. In overweging nemende dat Winder slecht een gage had van ƒ 20 per maand en hij de eerste twee maanden vooruit betaald kreeg, heeft hij flink veel geld uitgegeven in Berbice. 273 NL-HaNa, 1.05.21, inv.nr. AC9.14, scan 34. 274 NL-SAA, 5001, inv. 453, p. 75. 275 Zie bijvoorbeeld: NL-SAA, 5075, inv. 1310, aktes 587404 en 547637, inv. 1312, aktes 110464, inv. 1281, aktes 186791 276 NL-SAA, 5075, inv. 1281, aktenummer 186791. 277 OWIC, inv. 57, scan 126, stuk 46. 278 OWIC, inv. 57, scan 97, stuk 4. 279 NL-SAA, 5075, inv. 1295, aktenummer 665463. 280 OWIC, inv. 72, scan 924.

110

111

van kinde en sieckelijck van lichaem’.281 Marritje en haar kind kwamen hoogstwaarschijnlijk te overlijden in Alkmaar, waarna Hendrik ditmaal in dienst ging bij de VOC. Hij vertrok naar Siam (het huidige Thailand) als koopman, later naar Cambodja, en hierna begon hij aan zijn verblijf in Deshima, de handelspost van de VOC in Japan, waar hij uiteindelijk opperhoofd werd. Uit correspondentie uit 1660 en 1661 blijkt dat Hendrik twee ‘natuurlijke kinderen’ had achter­ gelaten in Ayutthaya, Thailand. Hier woonden zij bij hun moeder Osoet Pegua, die bekendstond als een vrouw met veel macht en invloed aan het Thaise hof en de bestuurlijke elite van de VOC. Osoet trouwde eerst met Jeremias van Vliet, die het hoofd was van de handelspost Ayutthaya waar Hendrik later ook terechtkwam. Jeremias verliet haar en later kreeg zij twee kinderen met Hendrik: Adriana en Gerrit. Osoet liet de koopmannen niet zomaar met haar kinderen vertrekken. Pas na haar dood zag Hendrik de kans de VOC te bewegen om met alle mogelijke moeite zijn kinderen naar Deshima te krijgen.282 Hendrik heeft een bijzondere loopbaan gehad in de koloniën van de Republiek, en is hier ongetwijfeld veel in aanraking gekomen met onderdrukking en slavernij. Niets wijst erop dat hij zelf in tot slaaf gemaakte mensen handelde of deze bezat.

Maar zoals eerder gezegd is het waarschijnlijk dat hij aan boord van een schip dat ook tot slaaf gemaakte Afrikaanse gevangenen naar Brazilië vervoerde naar Recife is gekomen. Ook in Azië kwam hij in aanraking met slavernij, zo blijkt uit een lijst met aanwezigen uit zijn eigen ‘dagregister’ op Deshima dat er ‘ses swarte jongens ongegageert’ aanwezig waren. Daarnaast heerste er grote onrust in de Zuid-Chinese Zee: niet alleen door de constante toestroom van Europese indringers onder het mom van handel, maar ook door de historische conflicten tussen de Thaise, Japanse, Chinese en de verschillende Indonesische staten zoals Java en Sumatra. Een missive aan de Heren XVII beschrijft dan ook hoe de ‘Chinezen’ in 1661 onvrij verklaard waren door de Hollanders. Een van de vele pogingen van de VOC en de Republiek om ook dit volk te onderdrukken voor eigen belangen. 283 Hendrik kwam in 1664 te overlijden, enkele jaren nadat hij erin was geslaagd om Adriana en Gerrit naar Deshima af te laten reizen. Gerrit mocht als zoon van het opperhoofd Indijck zelfs in 1661 mee naar het hof van de shogun in Edo (Japan). Een jaarlijkse gebeurtenis voor Indijck, die op deze audiënties de shogun namens de VOC overlaadde met cadeaus. Een van deze cadeaus is tot op de dag van vandaag onderwerp van onderzoek.

In 1663 bood Indijck het boek van Johannes Jonstonus aan: Naeukeurige beschryving van de natuur der vier-voetige dieren, vissen en bloedlooze water-dieren, vogelen, kronkel-dieren, slangen en draken, dat slechts 281 NL-AmrRAA, inv. 178, f. 213v. 282 NL-HaNA, 1.04.02, inv. nr. 1233, scan 1150. 283 NL-HaNA, 1.04.02, inv. 124, scan 320. 112

drie jaar eerder was verschenen.284 Een boek met prachtige, doch niet altijd accurate, prenten van allerlei dieren. Het heeft aan het hof als inspiratiebron kunnen dienen voor Japanse schilders.285 Gerrit en Adriana werden rond 1663 voor hun opvoeding terug naar Alkmaar gestuurd, waar zij woonden bij Hendriks zus Trijntje. Beiden overleefden zij hun kindertijd, trouwden en Gerrit kreeg zelfs twaalf kinderen (alhoewel zij niet allemaal bleven leven). Hendrik had voor zijn dood gepoogd zijn zaken goed te regelen voor zijn kinderen, de inborst van een goede notaris. Maar zijn kinderen leken minder bekwaam te zijn in administratie en financiële zaken. De laatste jaren van hun leven lijken Gerrit en Adriana allebei aan lager wal te zijn geraakt. Verzoek op verzoek kwam binnen bij de Alkmaarse Weeskamer die het fortuin van Hendrik beheerde, om hun erfenis te mogen opnemen.286

De familie Somers en Des Tombesburg Plantage-eigenaar Jan Carel Somers kon zich kortstondig een Alkmaarder noemen. Hij vestigde zich in 1772 in de stad na de scheiding van zijn vrouw Jozina Agneta van Varick. De twee hadden in augustus 1771 een dochter genaamd Maria Josina gekregen, maar zij bleef bij haar moeder. Jozina en Jan Carel waren in 1763 gehuwd. De ouders van Jan Carel waren van oorsprong Duits-Limburgs. Philip Carel en Maria Eleonora verhuisden met hun twee zoons in 1745 naar Paramaribo toen Philip voor de koloniale overheid kon gaan werken.287 Dit was geen vreemde ontwikkeling: de familie Köpp, de ouders van Maria, waren al gevestigd in de kolonie en bezaten enkele plantages. Ook Philip Carel werkte zichzelf op van ontvanger van de belastingen in de kolonie tot een onderdeel van de koloniale elite. De familie van Jozina maakte eveneens deel uit van diezelfde planterselite. Jan Carel trad in de voetsporen van zijn vader. Na twee jaar – van 1761 tot 1763 – in de Republiek en specifiek Amsterdam te hebben doorgebracht, keerde hij terug naar Paramaribo als boekhouder van het hospitaal, het ziekenhuis.288 Tegelijkertijd nam hij de rol van ‘sequester’ aan voor de erfdelen van plantages

284 Joannes Jonstonus, I. Jonstons Naeukeurige beschryving van de natuur der vier-voetige dieren, vissen en bloedlooze water-dieren, vogelen, kronkel-dieren, slangen en draken (I.I. Schipper, 1660), http://archive.org/details/gri_33125008412369. 285 Nino Nanobashvili et al., Drawing Education – Worldwide! Continuities – Transfers – Mixtures, Heidelberg University Publishing (Heidelberg University Publishing, 2019), https://doi.org/10.17885/heiup.457 286 NL-AmrRAA, 0940, inv. 102A ‘Indijck’. 287 NL-HaNA, 1.05.03, inv. 200, f.148, 26-09-1745. 288 De Bye, Scheepsregister, ‘Jan Carel Somers’. 113

van zijn moeder Maria die in 1758 was overleden.289 Maria had erfdelen in de suikerplantages Bleyendaal aan de Pauluskreek en Concordia aan de Commewijne. Als pas getrouwde man lijkt hij zich met volle overtuiging op zijn posities in de kolonie te hebben gestort, maar erg tevreden was de Sociëteit van Suriname niet. Al in september 1765 kwamen er klachten binnen over hoe Jan Carel zijn functie als boekhouder van het hospitaal vervulde, en er werd zelfs geëist dat hij ƒ 4.000 zou betalen om de schade die hij had berokkend aan het hospitaal te vergoeden.290 Hoogstwaarschijnlijk verliet Jan Carel deze functie hierna snel en legde hij zich toe op het plantersleven, een leven als slaveneigenaar en koopman. Dit blijkt uit verschillende bronnen, die belangrijke momenten in het leven van Jan Carel weerspiegelen. De vader van Jozina kwam vlak na hun huwelijk te overlijden en Jan Carel was verantwoordelijk voor de afhandeling van Cornelis van Varicks testament en boedel. In deze rol diende Jan Carel in 1765 een verzoek in om een van de voormalige tot slaaf gemaakten van Cornelis brieven van vrijheid te geven.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16682196/1