CConstaterende datAlkmaar
Koppel je AI →
Document · PDF

260306 Raadsinformatiebrief Aanbieden onderzoek koloniaal verleden - bijlage 1

Gemeenteraad 16 april 2026, gemeente AlkmaarBij agendapunt: Voorstel tot afdoening lijst van ingekomen stukken59.832 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 7

Om enigszins inzicht te verschaffen in de onderlinge verdeling van investeringen in de kamer Noorderkwartier te Hoorn en Enkhuizen zijn bijlage 1 en 2 toegevoegd. Deze twee lijsten zijn het product van de opheffing van de Tweede West-Indische Compagnie in 1791. Nadat de WIC in 1730 het monopolie op de slavenhandel verloor liepen de winsten gestaag terug. De laatste zestig jaar van de compagnie functioneerde deze voornamelijk als een bestuursorgaan en was er van winstgevende handel geen sprake. Desondanks boden de Staten-Generaal bij de opheffing van de WIC in 1791 de aandeelhouders 30 procent van de nominale waarde van hun aandelen. Om hier aanspraak op te maken moesten deze aandelen worden ‘aangemeld’, waarna zij werden omgezet in het bezit van de Staten-Generaal. De lijsten die als naslag van deze transacties werden aangelegd geven inzicht in de aandeelhouders die via Hoorn en Enkhuizen in het Noorderkwartier hadden geïnvesteerd, in hoe groot hun aandelen waren, en of zij deze wel of niet hadden ‘getransporteerd’ naar de Staten-Generaal. Op dat moment waren er nog zestig aandeelhouders in Hoorn en 78 in Enkhuizen. Jammer genoeg werd in deze bron niet aangegeven welke van deze aandeelhouders uit Alkmaar afkomstig waren, of zouden kunnen zijn.

Wat het identificeren van Alkmaarse aandeelhouders verder bemoeilijkt, is de manier waarop de aandelen werden overgedragen aan andere personen, door verkoop en vererving. Niet in elk geval werd namelijk de naam van de aandeelhouder veranderd; het kan dus zijn dat het aandeel van ‘Nanning van Foreest’, een bekende Alkmaarder, inmiddels in het bezit was van een familielid dat in Hoorn woonde en werkte. De aandelen werden zo vaak in de naam van de oorspronkelijke investeerder gehouden. Dat maakt het bepalen van Alkmaars aandeelhouderschap lastig. De lijsten maken wel duidelijk dat Alkmaarse investeerders tot het eind van de WIC betrokken bleven en profiteerden van de verkoop van hun aandelen aan de Staten-Generaal.44 Het octrooi van de West-Indische Compagnie legde vast dat de keuze van bewindhebbers wederom aan de stedelijke regeringen werd toebedeeld. Uit een lijst van drie nominanten die werd opgesteld door de zittende bewindhebbers mochten zij een selectie maken. De in eerste instantie tegenvallende investeringen uit Alkmaar betekende niet alleen dat er geen Alkmaarse kamer kwam. Door de drempel van ƒ 4.000 die zou gelden voor het hoofdparticipantschap, had de stad er zelfs een hard hoofd in dat er genoeg investeerders zouden zijn om WIC-bewindhebbers namens Alkmaar binnen het Noorderkwartier veilig te stellen.

De vroedschap moest in deze vroege periode zelfs toegeven dat het aanleveren van een drietal misschien niet zou lukken.45 Om de invloed van 44 NL-HaNa, 2.01.28.02 Inventaris van het archief van de Raad der Amerikaanse Bezittingen en Etablissementen, scan 57-58. 45 NL-AmrRAA, 10.1.1.001, inv.nr. 43, folio 97. 35

Alkmaar zo veel mogelijk te concentreren spoorde de vroedschap daarom investeerders aan hun investeringen in één stad te doen, de kamer Hoorn.46 Binnen deze stad en de daaropvolgende selectie van de Heren XIX werd de bewindhebbers opgedragen dat de gedeputeerden ‘vooral letten dat in desen ‘t rechte ende respect van de preseance van de stadt van Alckmaer werden geconserveert voor soo veel mogelijk is’.47 De vroedschap vond dat vooral de belangen van de zoutvaart beschermd moesten worden.48 Omdat er in het begin een gebrek was aan hoofdparticipanten liet Alkmaar oud-burgemeesters die inmiddels niet meer in Alkmaar woonden, de belangen behartigen. Een voorbeeld is Gerrit van der Nieuwburg die de stad in 1622 moest vertegenwoordigen tijdens een samenkomst in Amsterdam. In hetzelfde jaar werd Van der Nieuwburg ook gevraagd de belangen van de Alkmaarse zoutvaart te behartigen.49 Doordat in de loop van 1622 de inschrijvingen voor de WIC toenamen haalden ook meer investeerders de drempel voor het bewindhebberschap en werden Alkmaarse WIC-bewindhebbers een realistisch streven. In tegenstelling tot de VOC werd het aantal bewindhebbers per kamer niet vastgelegd in de octrooien van de eerste en tweede WIC. De WIC stelde in eerste instantie 74 tijdelijke bewindhebbers aan.

De kamer Amsterdam telde twintig bewindhebbers, Zeeland twaalf, en de kamers Maze, Noorderkwartier en Stad en Lande elk veertien bewindhebbers. In 1622 besloot de vroedschap dat zij altijd twee bewindhebbers namens Alkmaar in de kamer Noorderkwartier wilde hebben, wat ook lukte.50 De selectie van bewindhebbers liep ook binnen de WIC uit op conflicten. Binnen de kamer Noorderkwartier kwam dit doordat eerst zes en later zeven steden deel uitmaakten van een kamer: Alkmaar, Edam, Enkhuizen, Hoorn, Monnickendam, Medemblik en Purmerend. Vooral bij de kleinere steden Medemblik en Edam was er veel ontevredenheid over de verhouding tussen het aangeleverde kapitaal en de verplichtingen en rechten die hieruit voortkwamen.51 Het aandeel dat een stad had in het totale kapitaal van het Noorderkwartier vertaalde zich in het aantal bewindhebbers dat zij mocht aanstellen – en omdat deze kleine steden minder hadden geïnvesteerd, zouden zij enkel een bewindhebber mogen aanstellen nadat hun stad door middel van een loting was geselecteerd. Vooral Medemblik was het hier niet mee eens.52 Naast het aantal bewindhebbers bepaalde de omvang van de stedelijke investering ook hoeveel ‘equipage’ 46 NL-AmrRAA, 10.1.1.001, inv.nr. 43, folio 99. 47 NL-AmrRAA, 10.1.1.001, inv.nr. 43, folio 99v. 48 NL-AmrRAA, 10.1.1.001, inv.nr. 43, folio 99v. 49 NL-AmrRAA, 10.1.1.001, inv.nr. 43, folio 97v.

50 NL-AmrRAA, 10.1.1.001, inv.nr. 43, folio 99v. 51 Erik Odegard, Graaf en gouverneur: Nederlands-Brazilië onder het bewind van Johan Maurits van Nassau-Siegen, 1636-1644 (Amsterdam University Press 2022) 38. 52 NL-AmrRAA, 10.1.1.001, inv.nr. 43, folio 101v, 142, 128, 182v. 36

(mankracht en bevoorrading van schepen) een stad moest verzorgen. Om de balans tussen investering en zeggenschap te bewaren wilden de kleinere steden van het Noorderkwartier daarom dat er meerdere kamers zouden worden gevormd, waardoor er ook meer bewindhebbers konden worden aangesteld. Door op twee locaties zitting te hebben en de handel van het Noorderkwartier onder te verdelen tussen Hoorn en Enkhuizen hoopten de verschillende steden meer inspraak te hebben. Wederom brak er gebakkelei uit tussen Hoorn en Enkhuizen, die ook al aparte VOC-kamers huisden in hun stad. Een uitspraak van de Prins van Oranje en de Gecommitteerde Raden van het Noorderkwartier maakte dit onmogelijk. Het Noorderkwartier zou in één stad hoofdzitting nemen, en dat werd Hoorn.53 Ondanks de kapitaalconcentratie in de kamer van Hoorn, wilde de vroedschap van Alkmaar ook haar belangen in de stad Enkhuizen bewaken. Een uitspraak van de Gecommitteerde Raden en de Prins van Oranje in 1622, die de vestiging van het hoofdkantoor van het Noorderkwartier in Hoorn vastlegde maar ook een kantoor in Enkhuizen erkende, deed ook uitspraak over zogenoemde ‘ambulatoire’ bewindhebbers, oftewel bewindhebbers die roulerend plaatsnamen in Hoorn of Enkhuizen. Zowel Hoorn als Enkhuizen mocht drie bewindhebbers aanwijzen, van wie er een ‘ambulatoir’ zou zijn.

Deze zou dus, ook al was hij afkomstig uit Hoorn, plaatsnemen in Enkhuizen en vice versa. Dat Hoorn en Enkhuizen dit niet wenselijk vonden is duidelijk. Alkmaar wilde buiten de roulatie blijven, zodat er zowel in Hoorn als Enkhuizen altijd een Alkmaarse vertegenwoordiger was.54 Zo wist de vroedschap het ingewikkelde ‘tweekamerstelsel’ naar haar hand te zetten. Bij de herziening van het octrooi van de WIC in 1647 stond het onderwerp van de verdeling van bewindhebbers over de respectievelijke kamers wederom ter discussie, toen werd voorgesteld om het aantal bewindhebbers te verminderen. De financiële wantoestand van de compagnie werd namelijk geweten aan de grote aantallen ongeschikte aristocraten die door nepotisme binnen de compagnie de overhand hadden gekregen.55 Samen met de steden Dordrecht en Leiden was de vroedschap van Alkmaar sterk tegen dit voorstel gekant.56 Bij het daadwerkelijke bankroet en de daaropvolgende heroprichting van de WIC in 1674 was er nog altijd de ambitie dat er minder bewindhebbers zouden worden aangesteld, en tevens om bewindhebbers aan de stellen die kennis van handel hadden. Voor de Tweede WIC werd vastgelegd dat Amsterdam tien, Zeeland elf en Maze zeven bewindhebbers zouden mogen hebben. De kamers 53 NL-AmrRAA, 10.1.1.001, inv.nr. 43, folio 118v. 54 NL-AmrRAA, 10.1.1.001, inv.nr. 43, folio 101. 55 NL-AmrRAA, 10.1.1.001, inv.nr. 45, folio 227.

56 NL-AmrRAA, 10.1.1.001, inv.nr. 45, folio 117. 1647-11-10 37

Noorderkwartier en Stad en Lande mochten zelf bepalen hoeveel bewindhebbers zij wensten. Het bewindhebbersaantal zal gefluctueerd hebben; de schatting is dat het Noorderkwartier er twaalf had.57 Het is duidelijk dat Alkmaar zich weinig aantrok van de tijdelijke status van het bewindhebberschap. Vrijwel alle mannen vervulden de functie tot hun dood. Een tweede conclusie die kan worden getrokken is dat de bewindhebbers van de WIC grotendeels afkomstig waren uit de lokale bestuurlijke elite van het Noorderkwartier. Vijftien van de twintig bewindhebbers die voor het Noorderkwartier dienstdeden waren burgemeester (geweest) binnen hun respectievelijke steden. Ook bij Alkmaar zien we dit terug. Pieter Willemsz Kessel, Pieter Pauw en Adriaan Schagen, drie van de eerste bewindhebbers, waren allen zowel vroedschapslid als burgemeester (geweest), naast hun WIC-bewindhebberschap. De consistente aanwezigheid van verschillende Alkmaarse families werkte in deze manier door op de bewindhebberschappen van de VOC en WIC. De families Schagen, Van de Nijenburg (ook geschreven als Nijenburch of Neyenburgh), Van Egmond van der Nijenburg, Van Teylingen en Van Foreest maakten in twee eeuwen Nederlandse compagnieën vrijwel altijd de dienst uit namens Alkmaar. In andere kamers werd de rol van bewindhebber vaak vervuld door kooplieden met kennis en ervaring in de Atlantische handel.58

boek dat Johannes de Laet, zelf WIC-bewindhebber, publiceerde over de geschiedenis van de compagnie.60 Zijn lijst van 204 bewindhebbers omvat de periode 1621-1636 en hierin worden vijf Alkmaarders genoemd. Vanaf 1637 zijn we afhankelijk van andere informatie – maar omdat het stadsbestuur de bewindhebbers selecteerde, kunnen dankzij de resoluties van de vroedschap en de bewaard gebleven nominatiebrieven voor het bewindhebberschap de bewind­ hebbers (en nominanten) tot aan 1796 deels worden geïdentificeerd.61 Tussen 1642 en 1691 zijn er geen nominaties bewaard gebleven, waardoor het onduidelijk is wie de bewindhebbers namens Alkmaar waren. In bijlage 3 is een overzicht opgenomen van de zeventien Alkmaarders die zitting namen in de kamer Noorderkwartier. Omslag van Johannes de Laet, Historie ofte Iaerlijck Verhael, 1644.

Er was, in het geval van Pieter Jansz Schagen, nog een andere manier waarop een Alkmaarder inspraak kon krijgen bij de WIC. Schagen werd als lid van de Staten-Generaal afgevaardigd naar de Heren XIX van de WIC. Hij zat hier niet namens Alkmaar of het Noorderkwartier, maar vertegenwoordigde de belangen van de Staten-Generaal. In deze functie heeft hij nog wel een opmerkelijke rol gespeeld. De legitimatie van de Nederlandse kolonie op Manhattan is tot stand gekomen door een bijzinnetje in een brief die Schagen opstelde. Daarin meldde hij dat het eiland ‘Manhattes’ voor zestig gulden zou zijn gekocht. Er is in het gehele WIC-archief echter geen enkele aanwijzing dat er daadwerkelijk een dergelijke transactie heeft plaatsgehad. Vermoedelijk probeerde Schagen, die zelf nooit de Atlantische Oceaan was overgestoken, doen voorkomen dat het land ter plekke niet onrechtmatig was toegeëigend.59 Drie bronnen kunnen ons meer vertellen over wie de Alkmaarse bewindhebbers waren, alhoewel dit vermoedelijk geen compleet beeld geeft. De eerste bron is het

57 Den Heijer, De geoctrooieerde compagnie, 115-116. 58 Den Heijer, De geoctrooieerde compagnie, 114-115. 59 NNWB, Schagen, Pieter Jansz; L. Strengholt, ‘Twee Alkmaarse dichters uit het begin van de Gouden Eeuw: Pieter Janssoon Schagen en Cornelis Pieterssoon Schagen’ in: Van Spaans beleg tot Bataafse Tijd: Alkmaars stedelijk leven in de 17de en 18de eeuw (1980) 123-140.

60 Johannes de Laet, Iaerlijck verhael van de verrichtinghen der Geoctroyeerde West-Indische Compagnie... in derthien boecken (Bonaventuer & Elsevier 1644). 61 NL-AmrRAA, 10.1.1.001, inv.nr. 2915.

38

39

voornamelijk gebukt ging onder dure tegenslagen. De aandeelhouders werd hierdoor herhaaldelijk om extra kapitaal gevraagd, en zonder de verovering van de zilvervloot in 1628 was het de WIC niet gelukt om dividend uit te keren.64 Pas bij de latere aanvalsgolf van 1630 zouden delen van Brazilië in handen van de WIC komen, maar in 1645 zouden grote opstanden onder de Portugese kolonisten het gebied waar de compagnie controle had steeds verder terug­ dringen, tot de WIC zich in 1654 definitief terugtrok.

Frans Post, Het schip Alkmaar bij de Kaapverdische Eilanden, op weg naar Brazilië. Collectie Scheepvaartmuseum Amsterdam.

Steun aan de WIC In het octrooi van de WIC hadden de verschillende stadsbesturen toegezegd tien miljoen gulden steun te geven aan de nieuwe compagnie. In februari 1623 ging Alkmaar over tot het betalen van de eerste ƒ 200.000.62 Een groot bedrag binnen een al gigantische financiële steunverklaring, bedoeld om de macht en aanwezigheid van de West-Indische Compagnie aan de westkust van Afrika, op de Atlantische Oceaan en op het Amerikaanse continent te consolideren. Met deze financiële steun werden kaapexpedities opgezet, (slaven)schepen uitgereed, forten aan de Afrikaanse kust veroverd en gebouwd, Afrikaanse heersers betaald en werd de Nederlandse bezetting van Brazilië ten koste van de Portugezen mogelijk gemaakt. Het ‘groot desseyn’ was een plan van de WIC om de controle te krijgen over het Zuid-Atlantische slavernijsysteem van de Portugezen. Het plan werd in het najaar van 1623 opgesteld door de WIC en er werden verschillende aanvalsgolven uitgezonden om eerst Brazilië en vervolgens West-Afrikaanse handelsforten te veroveren.63 Het was een kostbaar plan dat tot enkele overwinningen leidde, maar

Om het werk op de plantages daar te verrichtten zouden de kolonisten in WIC-gebied gebruikmaken van de arbeid van tot slaaf gemaakte Afrikanen. Vanuit Brazilië werden pogingen ondernomen om ook de eilanden en forten die de Portugezen voor de slavenhandel gebruikten over te nemen. De verovering van onder meer São Tomé en Elmina betekende dat de WIC een directe verbinding kon opzetten tussen de plekken waar Afrikaanse tot slaaf gemaakten werden aangevoerd en de suikerplantages waar deze mensen onder dwang aan het werk werden gezet. Om de kolonie tot een succes te maken was het van groot belang om zo veel mogelijk tot slaaf gemaakten naar Brazilië te vervoeren.65 En dus moest de WIC schepen bemannen en uitreden, soldaten rekruteren en bestuurders in de veroverde gebieden installeren.66 Uit de Alkmaarse resoluties blijkt dat de stadsbestuurders deze ontwikkelingen op de voet volgden en bovendien steunden. Alkmaar steunde via het Noorderkwartier de opbouw van de troepenmacht die het ‘groot desseyn’ mogelijk maakte. De betaling uit 1623 werd opgevolgd met een som van ƒ 300.000 in april 1627.67 Hoe de stad Alkmaar dit bekostigde, wordt niet duidelijk uit de resoluties of de thesaurierrekeningen (penningrekeningen) van de stad.

Maar de conclusie van de vroedschap dat ‘dese penningen soo veel mogelick sall moeten vinden uyt de consenteerde ordinaris en extra-ordinaris middelen’ geeft aan dat deze grote bedragen onderdeel waren van een groter financieel plan.68 Naast bijdragen die deel uitmaakten van de steun voor het WIC-octrooi steunde Alkmaar het ‘groot desseyn’ ook direct door manschappen te sturen of zogenaamde compagnieën te betalen. In 1630 werden de eerste zesduizend militairen naar Brazilië gestuurd, ‘tot afbreuk van de algemenen vijant’.69 Een jaar later stemde de vroedschap ermee in ‘de compagnie de goede hant te bieden’ door mee te

62 NL-AmrRAA, 10.1.1.001, inv.nr. 43, folio 106v. 63 Henk den Heijer, ‘Het ‘groot desseyn’ en de aanval op Elmina in 1625’, in: Victor Enthoven, Henk den Heijer en Han R. Jordaan, Geweld in de West: Een militaire geschiedenis van de Nederlandse Atlantische wereld, 1600-1800 (Brill 2013) 217-244.

64 Den Heijer, De geoctrooieerde compagnie, 91-92. 65 Johannes Postma, The Dutch in the Atlantic slave trade, 1600-1815 (Cambridge University Press 1990) 13-18. 66 Victor Enthoven, Henk den Heijer en Han Jordaan, ‘De Nederlandse Atlantische wereld in militaire context, 1585-1800’, in: Geweld in de West, 21-22. 67 NL-AmrRAA, 10.1.1.001, inv.nr. 43, folio 217v. 68 NL-AmrRAA, 10.1.1.001, inv.nr. 43, folio 226. 69 NL-AmrRAA, 10.1.1.001, inv.nr. 99, folio 172v.

40

41

betalen aan 36 eenheden die 150 koppen groot waren. Dit zou de bezetting van Pernamboucque, de hedendaagse Braziliaanse provincie Pernambuco, mogelijk moeten maken.70 Wie deze soldaten waren, hun afkomst en de verbinding met de stad Alkmaar zal verderop in dit boek worden besproken. De verschillende verhogingen van het bestaande kapitaal werden ook binnen de vroedschap besproken. Men was goed op de hoogte van de vorderingen van de WIC in het bezetten van Brazilië. Toen in 1634 de compagnie wederom vroeg of alle aandeelhouders hun investering met een derde wilden verhogen, stemde de vroedschap in – op één voorwaarde: de ƒ 250.000 die deze verhoging zou opleveren mocht niet gelden als subsidie, maar moest als ‘capitale’ penningen verdeeld worden onder de respectievelijke kamers. Dit laat wederom de ambitie van de Alkmaarse vroedschap zien om de teugels in handen te houden.71 De kapitaalverhoging op deze manier vormgeven betekende namelijk dat de kamers zélf over het geld zouden beschikken, en dat de guldens niet op de grote hoop terecht zouden komen. Voor Alkmaar hield dit in dat de stad zelf een grotere kans had om te profiteren van deze kapitaalinjectie.

In 1635 volgde een nieuw verzoek van de Heren XIX, een nieuwe kapitaalverhoging, ditmaal van ƒ 246.000 die het mogelijk zou maken om ‘te bewaren het veroverde eijlant Curaçao’.72 Een derde kapitaalverhoging in 1636 werd ook zonder tegenspraak aangenomen door de Alkmaarse vroedschap, hoewel niet in de resoluties is opgenomen wat de specifieke inhoud van het verzoek van de WIC was.73 De vierde en laatste keer dat de WIC succesvol was in het verzoek om meer kapitaal was in 1637. Alkmaar stemde weer in, maar sloot zich aan bij de overwegingen van andere kamers en participanten om tegenover deze extra investering een verplichting tot uitbetaling van dividend te zetten – iets wat de compagnie uiteindelijk alleen maar verder in de schulden zou drijven.74 Alkmaar verzette zich in deze jaren niet tegen de steeds verder oplopende kosten van de verovering van Brazilië.

beleid van de compagnie een belangrijk onderwerp van gesprek was aan de stedelijke bestuurstafel. De bestuurders waren op de hoogte en wogen af hoe zij zich tot de ontwikkelingen op het koloniale strijdtoneel wilden verhouden. De resoluties uit deze jaren tonen hoe goed men op de hoogte was van de koloniale ontwikkelingen, en welke inspraak zij hadden als bestuurders van de stad. Zoals gezegd had het Noorderkwartier 1/9e aandeel in de WIC, wat zich vertaalde in een verplichting van 1/9e van alle kosten. Deze kosten werden vervolgens verhaald op de steden die deel uitmaakten van de kamer, wederom naar rato van de inleg. De verstrengeling van vroedschap en WIC-bewindhebbers had tot gevolg dat de Alkmaarse bestuurders geïnformeerd waren over de gang van zaken van de WIC, al hadden ze weinig concrete invloed.

Toen er in 1641 onderhandelingen werden geopend met de ambassadeur van de koning van Portugal, benadrukte de vroedschap wederom dat haar afgevaardigden de belangen van de handel en dus van de stad moeten afwegen tegen de belangen van de compagnieën: ‘Dat de gedeputeerden sullen sorg dragen dat met Portugael gehandelt werden ten minsten quetsen en meesten voordele van de Oost en West indische compagnie’.76 De vroedschap sprak overigens niet alleen over de militaire en financiële kant van de koloniale ondernemingen, maar sprak zich bijvoorbeeld ook uit over de inrichting van het godsdienstonderwijs ter plaatse.77 In de eerste helft van de zeventiende eeuw ontwikkelden Alkmaarse bestuurders ook een visie op de toekomst van het koloniale rijk. Vanaf 1644 sprak Alkmaar zich stellig uit voor de samensmelting van de VOC en WIC. Dit voorstel vond uiteindelijk binnen de VOC weinig steun. De vroedschap erkende uiteraard de geldproblemen van de WIC, maar zag in een eventuele combinatie van de compagnieën en octrooien juist een oplossing voor dit probleem.78

De handel en oorlogvoering door de WIC in de Atlantische wereld zorgde ervoor dat de Alkmaarse vroedschap regelmatig een positie moest innemen ten aanzien van internationale politieke ontwikkelingen. De vroedschap ontving berichten over de ontwikkelingen in de strijd, zoals de inname van Luanda (in het huidige Angola) door de Portugezen.75 De keuzes van de vroedschap laten zien dat het

In het landelijke bestuur begon zich langzaam een ontwikkeling af te tekenen waarin de steden die graag betrokken waren bij de koloniale politiek maar geen eigen kamer hadden, steeds meer samen optrokken. De Alkmaarse vroedschap zou zich steeds vaker naast de steden Dordrecht, Haarlem en Leiden scharen, in plaats van zich ‘te consenteren met de meeste stemmen’.79 De betrokkenheid bij de compagnieën maakte van het stadsbestuur een op kolonisatie en wereldpolitiek georiënteerd college.

70 NL-AmrRAA, 10.1.1.001, inv.nr. 43, folio 226. 71 NL-AmrRAA, 10.1.1.001, inv.nr. 99, folio 281. 72 NL-AmrRAA, 10.1.1.001, inv.nr. 44, folio 104. 73 NL-AmrRAA, 10.1.1.001, inv.nr. 44, folio 125. 74 NL-AmrRAA, 10.1.1.001, inv.nr. 44, folio 18v, 153v, 166v, 191v, 203 en 210. 75 NL-AmrRAA, 10.1.1.001, inv.nr. 45, folio 153.

76 NL-AmrRAA, 10.1.1.001, inv.nr. 44, folio 239. 77 NL-AmrRAA, 10.1.1.001, inv.nr. 100, folio 240. 78 NL-AmrRAA, 10.1.1.001, inv.nr. 45, folio 53v. 79 NL-AmrRAA, 10.1.1.001, inv.nr. 45, folio 104.

42

43

Glas met de tekst T. Welvaren van d’ West Indische Compagnie. Collectie Stedelijk Museum Alkmaar.

Nadat de Portugese kolonisten in 1645 in Brazilië in opstand waren gekomen tegen het WIC-bestuur, noteerde de vroedschap dat als ‘de koning van Spanjen geen vrije handel op de Westindien toestaat, dat deselve Koning niet alleen uijt Neerlants Brasil maar ook uijt Portugaels Brasil sal moeten blijven’.80 Deze stellingname volgde op een periode waarin de vroedschap juist bepleitte om de militaire kosten van de WIC af te bouwen. Slechts een jaar later stelde de vroedschap vast dat de Raad van Staten had opgedragen tot het ‘vinden’ van een nieuwe subsidie van maar liefst 147 miljoen gulden. De bestemming: het opzetten en uitzenden van een nieuwe krijgsmacht en ‘expeditie’ naar Brazilië. Een deel van het geld was bedoeld voor de ‘compagnie van vier-roers [infanterie met geweren] van Hans Bauman’, hun benodigdheden en het transport naar Nederlands-Brazilië. Voor de verdediging van de kolonie werden kosten noch moeite gespaard.81 De vroedschap was op de hoogte van de onderhandelingen met de Portugese ambassadeur in 1647, en leek rapporten van zowel de gedeputeerden van de Gecommitteerde Raden te ontvangen als van de bewindhebbers van de WIC.82 Het stadsbestuur reflecteerde op het concept van het vredestraktaat van 1647, waarbij het lot van de bezittingen aan de westkust van Afrika en het eiland

80 NL-AmrRAA, 10.1.1.001, inv.nr. 45, folio 99v. 81 NL-AmrRAA, 10.1.1.001, inv.nr. 45, folio 116v, 119v. 82 NL-AmrRAA, 10.1.1.001, inv.nr. 45, folio 119v. 44

São Tomé ook besproken werden.83 Ook verzoeken om financiering, bijvoorbeeld toen admiraal Witte de With na terugkeer van een Atlantische campagne een nieuwe vloot van zes schepen en zes jachten verzocht, schrok de vroedschap niet af. ‘Persisterend met de voorgaande resolutie’ bleef de vroedschap op tijd de subsidies betalen, ditmaal om een vloot mogelijk te maken die voor de stad Lissabon moest gaan liggen om een snellere afhandeling van de onderhandelingen af te dwingen.84 Een maand later werd duidelijk dat deze vloot een bemanning van 3.500 mannen nodig had, en Alkmaar stemde weer in om de WIC ‘met penningen te assisteren’.85 Naast haar loyaliteit richting de WIC was de Alkmaarse vroedschap ook zeer aanhankelijk aan de familie Oranje-Nassau. Toen Johan Maurits van NassauSiegen in 1636 werd aangesteld als gouverneur-generaal van Brazilië volgde Alkmaar zijn leiding. Op momenten dat de handelsbeperkingen op de slavenhandel naar Brazilië ter discussie kwamen te staan, koos de vroedschap er keer op keer voor om het advies van ‘graeff Maurits’ op te volgen en het privilege van de compagnie te handhaven.86 Ook bij de discussie over de vrije goederenhandel op Brazilië was de Alkmaarse vroedschap terughoudend om een standpunt in te nemen. Dat is vooral opvallend gezien haar eerdere stelligheid over het openstellen van de zoutvaart.

De vroedschap was zich duidelijk sterker met de WIC gaan identificeren en de invloed van Maurits lijkt bepalend te zijn geweest. Schoorvoetend zou hij instemmen met een liberalisatie van de handel op de kolonie, zolang de belangen van de WIC gewaarborgd zouden blijven.87 In 1651 werd voor het eerst de rekening van de strijd in Brazilië opgemaakt met daarop de equipage van 62 schepen, vier galeien en zesduizend manschappen.88 Dit overzicht was nog niet opgemaakt, of de Raad van State verzocht 7.500 man naar Brazilië te zenden.89 Twee jaar later werden weer zes schepen en twee jachten uitgereed.90 Het conflict met Portugal escaleerde, en er werd van de vroedschap gevraagd om bij te dragen aan de benodigde dertig oorlogsschepen en zes jachten om voor Lissabon te gaan liggen.91 Verwijzingen naar hoe de Alkmaarse vroedschap deze steun financierde zijn schaars. Toch geeft een resolutie uit 1654 enig inzicht in de financiële constructies. De vroedschap adviseerde toen om de militairen in Brazilië te betalen uit de restanten van de ‘1000e penning en 83 NL-AmrRAA, 10.1.1.001, inv.nr. 45, folio 139 84 NL-AmrRAA, 10.1.1.001, inv.nr. 45, folio 162. 85 NL-AmrRAA, 10.1.1.001, inv.nr. 45, folio 164. 86 NL-AmrRAA, 10.1.1.001, inv.nr. 44, folio 132v, 140v, 170v. 87 NL-AmrRAA, 10.1.1.001, inv.nr. 44, folio 170v. 88 NL-AmrRAA, 10.1.1.001, inv.nr. 45, folio 230. 89 NL-AmrRAA, 10.1.1.001, inv.nr.

45, folio 234. 90 NL-AmrRAA, 10.1.1.001, inv.nr. 45, folio 305v. 91 NL-AmrRAA, 10.1.1.001, inv.nr. 45, folio 316. 45

diergelijke’. De duizendste penning was een vaker voorkomende provinciale belasting op huishoudens met een aanzienlijk vermogen, vaak in onroerend goed. De relatie tussen het Alkmaarse belastingsysteem en de ‘penningen’ die werden gebruikt voor bijvoorbeeld de afbetalingen van de militairen in Brazilië of vanaf 1657 om fort Elmina te onderhouden blijft echter onduidelijk. Omdat belastingen niet in gealloceerde bestemmingsreserves terechtkwamen maar alles uit de schatkist werd betaald, droegen alle belastingplichtigen mee aan de subsidies voor de oorlog.

de WIC.92 Vrijwel elke zeevarende Europese natie maakte gebruik van kaapvaart: het aanvallen van vijandige schepen met het doel om zich het schip, de aanwezige goederen, inclusief tot slaaf gemaakte mensen toe te eigenen. Wat de daders graag zagen als legitieme kaapvaart, was in de ogen van de slachtoffers ordinaire plundering. Het uitbreken van de Tweede Nederlands-Engelse Oorlog in 1663 zorgde opnieuw voor een vraag aan Alkmaar naar schepen en mankracht, vooral om slag te leveren op het strijdtoneel langs de West-Afrikaanse kust. De vroedschap van Alkmaar leverde echter pas toen ook Hoorn en Enkhuizen instemden.93 We kunnen stellen dat de vroedschap bijzonder loyaal was aan de activiteiten van de WIC, ook na de val van Brazilië. In 1671 droeg de stad ƒ 36.000 bij aan de bezettingen op de kust van Guinea (West-Afrika) en de ondersteuning van de bezetting van Curaçao.94 In 1739 en 1745 droeg Alkmaar nogmaals bij aan het onderhouden en verdedigen van de bezittingen van de WIC op Curaçao door eerst proviand, wapens en andere benodigdheden te sturen en vervolgens twee schepen met veertig kanonnen uit te reden.95 Alkmaar was trouw in het betalen van de beloofde subsidies en stond achter de ambities van de WIC.

Zelfs te midden van onderhandelingen om nóg meer kapitaal te investeren voldeed de stad aan de eerder beloofde subsidies aan de compagnie ‘op dat zij een magtige vloote in zee mogten brengen’.96 Tegenover al deze kosten stonden ook enige inkomsten, al vielen die in het niet bij wat er werd uitgetrokken voor de koloniale activiteiten. Vanaf 1621 ontving Alkmaar belastinginkomsten door het heffen van 1 procent op het verhandelen van VOC-aandelen door inwoners.97 In 1654 werd deze belasting verhoogd naar 2,5 procent.98 Vanaf 1663 werd deze belasting ook toegepast op de handel in WIC-aandelen.99

Hans Profeet, Het Kasteel d’Elmina en het fort St. Jago, benevens de gelande troepen en eene Vloot op de reede, 1629. Collectie Nationaal Archief Den Haag.

Nadat de WIC de macht van Portugal en Spanje in de Atlantische wereld succesvol had teruggedrongen, dienden zich in de tweede helft van de zeventiende eeuw nieuwe concurrenten aan. Frankrijk en Engeland slaagden er steeds beter in om hun plek op te eisen op zee, aan de West-Afrikaanse kust en in de Amerika’s. Toen de Engelse burgeroorlog in 1660 eindigde, legde het land zich nadrukkelijker toe op de opbouw van het koloniale rijk. Dit werd enerzijds gedaan door het samenbrengen van bestaande initiatieven, maar ook door het aanvallen van Portugese en Nederlandse schepen, forten en handelsroutes. Deze ontwikkeling is goed terug te zien in de resoluties van de Alkmaarse vroedschap: vanaf 1660 werd het bestrijden van ‘piraterij’ een nieuwe zorg voor

46

Ondanks het tumult in de beginjaren en de slechte financiële staat was de WIC een machtige positie gaan innemen in de Atlantische wereld. De territoriale ambitie bleek uiteindelijk te groot, maar de rol in de internationale handel bleef nog een tijd doorgroeien. In het derde kwart van de zeventiende eeuw was de WIC, na het verlies van de bezittingen in Brazilië in 1654, de grootste slaven­ handelaar van de Atlantische wereld geworden. De Alkmaarse vroedschap was op de hoogte van mogelijkheden die de trans-Atlantische slavenhandel kon bieden. Tijdens de onderhandelingen over de toekomst van het contract dat de Spaanse kroon sloot voor het recht op het leveren van tot slaaf gemaakte mensen aan de 92 NL-AmrRAA, 10.1.1.001, inv.nr. 46, folio 75. 93 NL-AmrRAA, 10.1.1.001, inv.nr. 46, folio 187v. 94 NL-AmrRAA, 10.1.1.001, inv.nr. 47, folio 92v. 95 NL-AmrRAA, 10.1.1.001, inv.nr. 56, folio 17 en 161. 96 NL-AmrRAA, 10.1.1.001, inv.nr. 44, folio 210. 97 NL-AmrRAA, 10.1.1.001, inv.nr. 43, folio 65v. 98 NL-AmrRAA, 10.1.1.001, inv.nr. 45, folio 325. 99 NL-AmrRAA, 10.1.1.001, inv.nr. 46, folio 158, 187, 188v, 190. 47

Spaanse koloniën hoopte Alkmaar dat de WIC de Engelsen de pas kon afsnijden. In 1712 steunde de vroedschap daarom de oprichting van een staatscommissie die het alleenrecht van de Engelsen zou bevechten – wat niet zou lukken.100

Acte van Subsidie voor de verdediging van Suriname.

Suriname Na de val van Brazilië legde de WIC zich niet langer toe op het veroveren en besturen van plantagegebieden. De bezittingen bestonden vooral uit fortificaties en kleinere eilanden. Vanuit Amsterdam werd echter het initiatief genomen om toch weer een plantagekolonie in bezit te krijgen. Suriname was in 1667 door de Staten van Zeeland veroverd en, tegen het WIC-octrooi in, in Zeeuwse handen gehouden. Na enkele moeizame jaren waarin de eerder gevestigde Engelse kolonisten vertrokken en een strijd werd gevoerd door verschillende groepen van oorspronkelijke bewoners, probeerden de Zeeuwen van de kolonie af te komen. Ze wilden echter ook de kosten van de verovering dekken. Zodoende werd er een samenwerking gecreëerd tussen drie partijen – de stad Amsterdam, de edelman Cornelis van Aerssen van Sommelsdijck en de WIC – die gezamenlijk de Sociëteit van Suriname (SvS) zouden vormen en de kolonie zouden besturen. Door deze ongebruikelijke constructie was het in de beginjaren niet helemaal duidelijk wie op welke manier zeggenschap had over het beleid van de Sociëteit. Namens Amsterdam en Van Sommelsdijck was dit eenvoudig geregeld, maar hoe de WIC-directeuren precies hun deel van de sociëteitsdirecteuren zouden aanstellen was onduidelijk en er schoven om die reden vanuit verschillende kamers directeuren aan bij de vergaderingen.

Het enthousiasme voor dit nieuwe project was evenwel groot, en het lukte de SvS om veel politieke steun te krijgen en vooral ook financiële steun voor de verdediging van de kolonie.101

bedankte de Gecommitteerde Raad in 1705 voor het verstrekken van ƒ 5.516, bedoeld voor het uitrusten van een oorlogsschip in Suriname.104

De SvS diende bij de Staten van Holland een verzoek in voor een oorlogsschip om de kolonie te beveiligen. Door het getrapte systeem van vertegenwoordiging kwam dit verzoek ook in Alkmaar terecht. De stad stemde zonder bezwaren in.102 Alkmaarse steun aan de militaire verdediging van de kolonie zou niet eenmalig zijn, in 1701 stemde de vroedschap toe om de Sociëteit tegemoet te komen met een som van ƒ 51.840, zodat er wederom een oorlogsschip kon worden uitgereed ‘tot haare [Surinames] defensie’.103 Vier jaar later deed Alkmaar via de Gecommitteerde Raden van West-Friesland en het Noorderkwartier weer een duit in het zakje. Een brief van de Sociëteit van Suriname, ondertekend met ‘U weledele gestrenge goede vrienden, de directeuren van de Geoct. Sociëteit van Zuriname’,

De Alkmaarse steun bestond uit obligaties of rentebrieven die de steden van het Noorderkwartier namen bij de Sociëteit. Hoorn had twee obligaties van ƒ 1.000, Enkhuizen een van ƒ 1.000 en een van ƒ 500, en Alkmaar volgde Hoorn: twee obligaties van in totaal ƒ 2.000. De verstrekte subsidie kwam zo als een lening van de Sociëteit in de boeken te staan. En bovendien een lening waarover de steden van het Noorderkwartier van 1705 tot 1725 jaarlijks rente betaalden.105 Het Noorderkwartier steunde het koloniale project in Suriname door toeschietelijk te zijn op het moment dat de bestuurders van Suriname om militaire bijstand vroegen, en vervolgens ook nog door ruim twintig jaar rente te betalen over een door hen geleverde subsidie waarmee een deel van de verdediging werd bekostigd. Het belang van het koloniale project was echter niet het reilen en zeilen van de bestuursorganisatie, maar het ontwikkelen van plantagelandbouw door particuliere investeerders, ook uit Alkmaar.

100 NL-AmrRAA, 10.1.1.001, inv.nr. 52, folio 124. 101 Karwan Fatah-Black, Sociëteit van Suriname: het bestuur van de kolonie in de achttiende eeuw (Zutphen 2019) 59. 102 NL-AmrRAA, 10.1.1.001, inv.nr. 50, folio 1 en 2. 103 NL-AmrRAA, 10.1.1.001, inv.nr. 51, folio 75.

104 NL-HaNA, 1.05.03, inv.nr.104, scan 43. 105 NL_HaNA, 1.05.03, inv.nr.7, scan 267, inv.nr.23, scans 251 en 305; NL-HaNA, 1.05.03 inv.nr. 10, scan 167; NL-HaNA, 1.05.03 inv.nr. 10, scan 168.

48

49

1633 1636 1639 1642 1645 1648 1651 1654 1657 1660 1663 1666 1669 1672 1675 1678 1681 1684 1687 1690 1693 1696 1699 1702 1705 1708 1711 1714 1717 1720 1723 1726 1729 1732 1735 1738 1741 1744 1747 1750 1753 1756 1759 1762 1765 1768 1771 1774 1777 1780 1783 1786 1789 1792 1795 1798 1801 1804 1807

Inkomsten van de accijns op tabak, koffie en thee in Alkmaar, in guldens, 1633-1807

Einde van de betrokkenheid van het stadsbestuur

Tabak

De inhoudelijke inmenging door de Alkmaarse vroedschap in het beleid van de compagnieën nam in de laatste decennia van de zeventiende eeuw af. Dit past in het beleid van de WIC, die na de heroprichting in 1674 een kleinere koloniale ambitie had en steeds meer ruimte liet aan initiatieven buiten de compagnie om. Behalve bij enkele noodkreten om hulp en verdediging was er geen assistentie van de stadsbesturen nodig; en Alkmaar ontplooide geen initiatieven om een eigen kolonie te beginnen, zoals Amsterdam wel deed. Ook wat betreft de VOC nam de bemoeienis af. Men was ongetwijfeld nog steeds op de hoogte van de ontwikkelingen, maar buiten het proberen aan te stellen van een bewindhebber waren er minder beleidskeuzes waarover gedebatteerd werd.

Koffie en thee

De betrokkenheid bij de koloniën veranderde vooral in de Atlantische wereld op twee manieren. De schaal van de consumptie van koloniale goederen nam toe en het kapitaal dat beschikbaar was om te investeren, bijvoorbeeld in plantages, ook. Deze investeringen werden vaak door individuen en families gedaan, en de WIC en andere compagnieën speelden geen rol van betekenis. In zekere zin werd zo het stokje in de koloniale expansie overgedragen aan particulieren.

0

200

400

600

800

1000

1200 51

aanwezig.106 Naast deze incidentele ontmoetingen aan boord van transportschepen, waren er uiteraard ook de slavenschepen die grote aantallen gevangenen vanuit West-Afrika naar de koloniën vervoerden. Ook de schepen van de WIC-kamer van het Noorderkwartier werden ingezet voor de slavenhandel. Zij vervoerden vele tienduizenden, waarschijnlijk tussen de 40.000 en 70.000 gevangenen van Afrika naar de Amerika’s.

Geopende ogen Een van de beroemdste vroege koloniale avonturiers was Frederick de Houtman, en ook hij raakte direct betrokken bij slavernij. Terug van een reis naar Azië noteerde deze Alkmaarder in zijn Spraeck ende woord-boeck in de Maleysche ende Madagaskarsche talen (1603) het woord slaaf en daarachter twee vertalingen, de eerste naar het Maleis, de tweede naar het Malagasi: hamba en onbeta. Bij de eerste ontmoeting met Azië, en zeker ook in de verdere carrière van De Houtman zou slavernij een belangrijke rol spelen. Hij was afkomstig uit Gouda, maar Historie van Indien, 1598.

H o ofd s tuk 2

In dienst van de compagnieën Individuele Alkmaarders waren vroeg betrokken bij overzeese slavernij, zelfs al voordat er sprake was van kolonisatie. De veranderende aard van hun betrokkenheid hield gelijke tred met de ontwikkelingen van het Nederlandse kolonialisme. Zoals we in dit hoofdstuk zien gaat het in eerste instantie nog om incidentele reizen van zeevaarders die onderweg kinderen roofden of met bruut geweld eilanden ontvolkten en de overlevenden tot slaven maakten. Daarop volgde een fase van grootschalige militaire operaties tegen voornamelijk Spaanse en Portugese bezittingen. Toen er daadwerkelijk plantages gevestigd werden, veranderde de betrokkenheid naar het deelnemen aan de trans-Atlantische mensenhandel en de plantageslavernij. Een deel van de Alkmaarders bouwde ver weg hun carrière op en integreerde in de koloniale samenleving. Die integratie gebeurde door alle lagen van de vrije Europese bevolking, van arbeiders en ambachtslieden tot handelaren, planters en de bestuurlijke elite.

Kaart van Madagaskar. Historie van Indien, 1598.

Of Alkmaarders nu voor enkele jaren de compagnieën dienden, zich permanent wilden vestigen of snel rijk wilden worden en terugkeren naar de Republiek – altijd kwamen zij daarbij in aanraking met slavernij. Ook op de directe vaart tussen de Republiek en de koloniën waren soms tot slaaf gemaakte mensen

106 NL-HaNA, 1.05.05, inv.nr. 483, scan 40. Zo ging de Alkmaarder Johannes van Laar in 1790 als soldaat aan boord van het schip Lena Johanna, waarop naast zeelieden en soldaten ook drie tot slaaf gemaakten als passagiers meereisden. De tot slaaf gemaakten Carel en Adriaantje voeren samen met hun eigenaren J.C.W. Herlin en zijn vrouw C. Walenson naar Berbice. Thomas Jozij voer zonder duidelijke begeleiding naar de kolonie. Hij was door H. Volkmar en Abraham Ketwich naar de plantage Zorg en Hoop gestuurd.

52

53

tussen Aziatische reizen en bestuursposten door was hij gevestigd in Alkmaar. De Houtman nam deel aan vroege pogingen van ondernemers uit de jonge Republiek om toegang te krijgen tot het (toen nog) Portugese rijk in Azië. Op 1 april 1595 vertrok De Houtman onder leiding van zijn broer Cornelis vanaf Texel richting de Indonesische archipel. Hoewel Frederick vaker naar Azië zou reizen en ook een grotere rol in de geschiedenis zou spelen, is vooral Cornelis bekend geworden door het leiden van deze reis, die wordt gezien als de eerste door Nederlanders ondernomen reis naar Azië. Voor deze reis maakten ze gebruik van de heimelijke observaties van Jan Huygen van Linschoten die bij de Portugezen spioneerde. Onderweg kwamen ze Nederlandse en Portugese schepen tegen die op São Tomé suiker hadden ingeladen.107 De reis voerde vervolgens via de kust van Brazilië naar Kaap de Goede Hoop, maar de gezondheid van de bemanning verslechterde snel. Getroffen door scheurbuik maakte de kleine vloot een tussenstop op Madagaskar. Op het eiland werd geprobeerd de voedseltekorten aan te vullen. Er werd door de bemanning gejaagd en er vonden diverse gewelddadige aanvallen plaats op de ‘Swarten’, zoals de eilandbewoners werden genoemd in het Nederlandse reisverslag. De gewelddadigheid van hun optreden verraste de mensen op het eiland.

Een man werd, werkend aan een weefgetouw, gevangengenomen en teruggevoerd naar het kamp van de bemanning.108 Toen eilanders in zeven vaartuigen naar het kamp kwamen om verhaal te halen en geroofde vis probeerden terug te krijgen, ontstond er een schermutseling waarbij een dode viel en meerdere eilanders gevangen werden genomen. Met deze gevangenen voer de Nederlandse bemanning verschillende keren naar de rivier in de hoop ze te kunnen ruilen voor vee, voedsel of water. En wat ze niet konden ruilen, roofden ze. De bemanning maakte op 26 oktober 1595 twee kinderen van het eiland tot slaaf. Deze twee tieners werden beiden naar het eiland genoemd, de ene Laurens (afgeleid van Sint-Laurens, de Portugese naam voor het eiland) en de andere Madagaskar. Een van hen werd het bezit van Cornelis de Houtman.109 De minachting ten opzichte van de eilandbewoners, de plunderingen en de mensenroof die onmiddellijk ook gepaard ging met ontmenselijking in de vorm van het opleggen van een nieuwe naam wijzen vooruit naar wat er in de eeuwen daarna op grotere schaal zou gaan volgen.110

107 Willem Lodewijcksz, De Eerste Schipvaart der Nederlanders naar Oost-Indië onder Cornelis de Houtman, 1595-1597. Bezorgd door G. P. Rouffaer en J.W. IJzerman (Martinus Nijhof 1915) 4. 108 Lodewijcksz, De Eerste Schipvaart, 21. 109 Lodewijcksz, De Eerste Schipvaart, 21, 203n3. 110 Leender van der Valk, ‘Jongens van goeden begrijpe,’ De Groene Amsterdammer (22 juni 2022). 54

Inwoners van Madagaskar. Historie van Indien, 1598.

De ‘eerste schipvaart’ werd gevolgd door een volgende reis; nu ging Frederick de Houtman mee op een vloot georganiseerd door Balthasar de Moucheron. De vloot voer weer onder bevel van broer Cornelis, maar nu was Frederick niet langer ‘volontair’ maar opgeklommen tot kapitein van het schip Leeuwin dat samen met het schip Leeuw naar Atjeh koers zette. De ontmoeting met de sultan van Atjeh liep uit op een mislukking, Cornelis kwam om en Frederick zat twee jaar gevangen. Hij had tijdens zijn gevangenschap voldoende tijd om het woordenboek te maken dat eerder in dit hoofdstuk werd geciteerd. De derde keer dat Frederick de Houtman naar Azië zou gaan was in 1603, als commies (vertegenwoordiger), maar op voordracht van Steven van der Hage klom hij op tot gouverneur van Ambon, een rol die hij van 1605 tot 1611 vervulde. Toen hij terugkeerde naar Nederland, nam hij enkele Ambonese jongens mee.111 De Houtman bekleedde in het VOC-gebied aanzienlijkere posities dan in Alkmaar. Teruggekomen uit Indië werd hij in Alkmaar schepen, van 1614 tot 1619. De Houtman zou nog één keer terugkeren naar de Indische Oceaan. Na het gouverneurschap van Ambon zou hij ook nog het gouverneurschap van de Molukken bekleden, van 1621 tot 1623. Dit was zijn laatste bestuurlijke post in Azië. Op zijn vierde reis voerde Frederick de Houtman het commando over de schepen Dordrecht en Amsterdam.

Nabij de Australische kust – het was door de wind en de 111 Johannes Tiberius Bodel Nijhuis, Over het leven en de letterkundige verdiensten van Frederick de Houtman (1831) 11-12. 55

stromingen gunstiger om vanaf Kaap de Goede Hoop zo lang mogelijk oostwaarts te varen en dan pas naar het noorden richting Java af te buigen – stuitte de vloot op een groep nauwelijks zichtbare koraalriffen en eilandjes. Dit zou een gevaarlijk herkenningspunt vormen voor de vloten die via deze route naar Java koersten. Dergelijke rotsformaties, vlak onder of net boven de zeespiegel worden door zeevaarders wel abrolhos genoemd, afgeleid van het Portugees voor ‘open de ogen’.

mijnbouw. Het bestond daar vaak naast andere vormen van gedwongen arbeid. Daarnaast werd de slavernij voor VOC-dienaren ook bedreven als vorm van (sluik)handel of voor het uitvoeren van huishoudelijke arbeid.

Na de reizen van De Houtman waren de ogen in de Lage Landen zeker geopend als het ging om de mogelijke rijkdommen, carrières en macht die er met handel en kolonisatie te vergaren waren. En dat dit gepaard ging met slavernij – en in het geval van de Banda-eilanden zelfs met volkerenmoord – stond De Houtman niet in de weg. Na terugkeer werd hij gelauwerd door de Staten-Generaal en zou hij als gewaardeerde poorter van 1625 tot 1626 opnieuw een plek in het stadsbestuur van Alkmaar krijgen. Na zijn overlijden in 1627 werd hij begraven in de zuidgang van de Grote Kerk.112 Tijdens het leven van De Houtman kwam in de jonge Republiek het idee op dat er moest worden geparticipeerd in de handel met Azië. De Houtman was erbij toen de eerste Nederlandse reis naar Azië werd ondernomen. En met die reis verloor de Republiek ook direct haar onschuld als slavenvrij verbond van staten. De ondernemers kwamen niet alleen passief in aanraking met slavernij, maar op Madagaskar participeerde oudere broer Cornelis er ook direct in. Frederick zou langer betrokken blijven bij de VOC dan zijn op Atjeh gewelddadig omgekomen broer – en zo zelfs een rol spelen in de volkerenmoord en het tot slaven maken van de resterende bevolking op Banda. Slavernij, ook door Alkmaarders, was vanaf het prille begin onderdeel van de opbouw van het koloniale rijk.

Toch is De Houtman later vooral bekend geworden als de eerste uit de Nederlanden die de sterrenhemel van het zuidelijk halfrond vastlegde.

‘een seedich stil dier’

Portret van Cornelis van der Lijn, circa 1650. Collectie Rijksmuseum Amsterdam.

In de jaren dat de carrière van De Houtman op zijn einde liep, kwamen die van andere Alkmaarders juist tot bloei. Slavernij was inmiddels nog meer dan bij De Houtman een vast bestanddeel van het VOC-rijk geworden. De aard van slavernij in Azië kon verschillen. Op veel plekken was de slavernij overduidelijk bedoeld als een vorm van gedwongen arbeidsmobilisatie voor het aanleggen van verdedigingswerken, scheepsbouw, de productie van exportgewassen en 112 Nicolien van der Sijs, Wie komt daar aan op de olifant? Een zestiende-eeuws taalgidsje voor Nederland en Indië, inclusief het verhaal van de avontuurlijke gevangenschap van Frederik de Houtman in Indië (2000) 32. 56

De Alkmaarder Cornelis van der Lijn vertrok in 1627 naar Batavia, waar hij snel door de administratieve en bestuurlijke rangen opklom tot de vertrekkende gouverneur-generaal Van Diemen hem in 1647 aanwees als voorzitter van de Raad van Indië en vervangend generaal-gouverneur. In deze positie was slavernij en dwangarbeid niet ver weg. Zo is er een hardnekkig gerucht dat hij dwangarbeiders liet inzetten om de grachten rond Batavia uit te graven.113 Het VOC-bestuur was ontevreden over de groeiende corruptie onder Van der Lijn en haalde hem 113 Nieuw Nederlands Biografisch Woordenboek, ‘Cornelis van der Lijn,’ 859. 57

terug naar Nederland, waar hij oneervol – maar schatrijk – werd ontslagen. Terug in Alkmaar stonden de bestuurlijke problemen aan het eind van zijn VOC-carrière hem niet in de weg om in zijn thuisstad diverse bestuurlijke posten te bekleden en tussen 1668 en 1678 burgemeester te zijn. Hij vestigde zich in het Hof van Sonoy en raakte goed bevriend met iemand die vrijwel gelijktijdig carrière had gemaakt in Indië, de beroemde weesjongen Wollebrant Geleynssen de Jongh. Geleynssen de Jongh had als handelaar en bestuurder een glorierijke loopbaan bij de VOC, voordat hij zich in Alkmaar vestigde. In zijn loopbaan kwam hij op verschillende manieren in aanraking met slavernij, en deed daar volop aan mee. Tijdens zijn verblijf in Burhanpur (in het huidige India) kreeg Geleynssen de uitdrukkelijke opdracht om tot slaaf gemaakte vrouwen in te kopen. Hij kocht enkele kinderen tussen de acht en elf jaar en ook een volwassen vrouw. Hogere compagniedienaren zonden soms de slaafgemaakten die ze inkochten naar andere posten in het VOC-rijk. Zo konden VOC’ers elkaar diensten bewijzen door slaven naar elkaar toe te zenden. Op deze manier ontving Geleynssen de Jongh twee vrouwen van een andere VOC-dienaar. Hij beschreef een van hen als ‘een seedich stil dier’ die ‘soo lang het hier bij mijn is, doen als ick wilde.’114 Geleynssen de Jongh wist waar hij tot slaafgemaakte mensen vandaan moest halen.

Toen hij tijdens zijn bestuursperiode in Perzië ontevreden was over de werklieden die hij ter beschikking had, stuurde hij een brief naar Coromandel met de vraag of ze vier of vijf slaafgemaakten over konden zenden. Deze zouden dan na enkele jaren vrijgemaakt kunnen worden. Vanaf de Coromandelkust kwam echter bericht dat de vraag naar slaafgemaakten zo groot was dat ze er niet ook een paar naar hem konden sturen.115 Niet alleen was Geleynssen de Jongh op hoog niveau verantwoordelijk voor het bestuur van een samenleving waar slavernij een belangrijk deel van uitmaakte, ook was hij persoonlijk eigenaar van tot slaaf gemaakte mensen. Een daarvan, Ventura, kennen we bij naam.116 Hoewel de grote afstand tot Azië en de sterkere bestuurlijke hiërarchie van de VOC ervoor zorgden dat men vanuit Alkmaar moeilijker toegang had tot de koloniën daar dan tot die in het WIC-gebied, waren er in de zeventiende eeuw meerdere Alkmaarders die hoge bestuurlijke posities in het rijk innamen. Daar kwamen ze zowel in bestuurlijke als persoonlijke zin in aanraking met slavernij en wisten, zoals we zien in de voorbeelden van De Houtman, Geleynssen de Jongh en Van der Lijn, na terugkeer een vooraanstaande positie in de stad te bekleden.

114 Van Santen, Van Alkmaarse wees tot commandeur, 46. 115 Ibid., 122. 116 Ibid., 140. 58

De retourvloot onder commando van de heer Wollebrand Geleynsz de Jongh, 1650. Collectie Stedelijk Museum Alkmaar.

Zo oud als de reizen van de VOC naar Azië zijn, zo ver terug gaan ook de Nederlandse onderdrukking en het tot slaaf maken van mensen in dit deel van de wereld, zoals beschreven. Rond 1750 waren er ongeveer 75.500 tot slaaf gemaakten in de Nederlandse vestigingen in Azië.117 Het oprukken van de VOC in Azië, het creëren van handelsposten en het afdwingen van monopolies gingen hand in hand met slavenhandel, slavernij en systemen van dwangarbeid. Alkmaarders waren getuigen van en namen deel aan deze onderdrukking. Onder het bewind van de VOC werd Kaap de Goede Hoop een belangrijk bevoorradings- en informatiepunt waar duizenden mensen in slavernij werden gehouden. De Alkmaarder Cornelis Jacobs Thuijn woonde en werkte in Kaap de Goede Hoop in 1773 toen hij een verklaring aflegde voor een crimineel proces. Thuijn was wagenmaker en gaf in zijn verklaring aan op de zaterdag aan het werk te zijn geweest aan een ossenwagen, samen met een tot slaafgemaakte jongen genaamd Ontong. Ontong was ook wagenmaker en Thuijn had hem gehuurd van zijn eigenaar Willem Nel. Ergens die dag was een andere tot slaafgemaakte jongen genaamd Maart de winkel binnen gekomen, die ook toebehoorde aan Nel. Maart had enkele woorden gewisseld met Ontong. Thuijn verklaarde dat hij niet kon zeggen of dat ‘in de Maleijtsche of Portugeesche taal’ geschied was.

Niet veel later was Nel zijn winkel binnengestormd met het gebod dat hij zo snel mogelijk de deuren moest sluiten. Nel was hevig aan het bloeden, zakte kort 117 Van Rossum, Kleurrijke tragiek. 59

daarna ineen en kwam in de winkel te overlijden. Onderzoek wees uit dat hij in zijn hart was gestoken. De vrouw van Thuijn verklaarde verbaasd te zijn geweest dat Ontong geen water ging halen voor de gewonde Nel toen dit hem werd opgedragen, en Thuijn uitte zijn frustratie over de communicatie tussen de twee die hij niet kon verstaan.118 Hoogstwaarschijnlijk zelf niet in staat om een tot slaaf gemaakte te kopen, huurde hij iemand in met de vaardigheden die hij nodig had. Het geld voor het werk dat Ontong deed werd echter niet aan hem betaald, maar aan Nel. Van hoog tot laag kwamen dienaren van de VOC in aanraking met slavernij, participeerden daarin en profiteerden ervan. Dit profijt bereikte ook Alkmaar; al in 1610 schonk Herman Roswinckel ƒ 300 aan het burgerweeshuis uit de verkoop van in Azië buitgemaakte goederen.119

Het groot desseyn Ook in de Atlantische wereld ging de Republiek de strijd aan met het verenigde Portugese en Spaanse rijk. Tijdens de reizen van De Houtman naar Azië kwam hij volgeladen slavenschepen en suikerhandelaren tegen en deden verhalen de ronde over de rijkdommen aan boord van de schepen die vanuit de Cariben naar Europa terugvoeren. De WIC werd opgericht als handelsorganisatie, maar ook als wapen in de strijd tegen Spanje. De militaire kant bleef in eerste instantie beperkt tot kaapvaart, maar al snel werd er ook een idee ontwikkeld om op een gestructureerde manier afbreuk te doen aan het verenigde Spaans-Portugese rijk in de Atlantische wereld. Dit groot desseyn behelsde onder meer de verovering van forten op de kust van West-Afrika, op de Caribische eilanden en in plantage­ gebieden in Brazilië. Hoeveel Alkmaarders precies over de Atlantische Oceaan richting de verschillende zeeslagen, plunderingen en veroveringen in Afrika, Guyana en de Caribische eilanden trokken is niet met zekerheid vast te stellen. Maar in de administratie van de WIC staan namen uit Alkmaar, Graft, De Rijp en Schermer. Het zijn meestal mannen maar zeker ook enkele vrouwen, in verschillende posities en rollen.

118 NL-HaNA, 1.04.02, inv.nr. 10973, scans 400-406 119 C.W. Bruinvis, De geldmiddelen van het Burgerweeshuis te Alkmaar (1909) 12. 60

Dit document uit 1638 laat zien dat het Noorderkwartier, hier opvallend genoeg ‘Noorholland’ genoemd, 543 soldaten naar Brazilië had moeten sturen, maar in 1637 pas had voldaan aan 421. Collectie Nationaal Archief Den Haag.

Mannen in lage rangen De soldaten die in de koloniën gestationeerd zouden worden, net zoals de bemanningen van de (slaven)schepen, hoefden niet specifiek afkomstig te zijn uit steden die hadden geïnvesteerd. Compagnieën en admiraliteiten waren gretige werkgevers en de vraag naar soldaten en zeelieden was altijd groot. Velen overleden tijdens hun dienst aan de gevolgen van oorlog en geweld of door de onhygiënische, gevaarlijke, lange reizen met slechte voeding naar gebieden met een ander klimaat en ziektes waartegen geen immuniteit was opgebouwd. Bij terugkomst dwongen gemaakte schulden deze mannen dikwijls om opnieuw dienst te nemen. Zoals besproken in het vorige hoofdstuk, droeg de Alkmaarse vroedschap via het Noorderkwartier bij aan de schepen en militairen die de compagnie uitzond.120 De aanhoudende strijd in Brazilië zorgde voor een grote vraag naar militairen, maar de WIC beschikte niet over genoeg middelen om aan deze vraag te voldoen. De omstandigheden op het slagveld verslechterden, doordat de compagnie uitgediende troepen niet liet terugkeren naar Europa en onbetrouwbaar was in het uitbetalen van soldij.121 Welke politieke koers er werd gevaren ten aanzien van de verslechterende vooruitzichten in de kolonie, werd medebepaald in steden 120 NL-HaNA, 1.05.01.01, inv.nr. 53, scan 195.

121 Bruno Romero Ferreira Miranda, Gente de Guerra: origem cotidiano e resistência dos soldados do exército da companhia das índias ocidentais no Brasil (1630-1654) (Dissertatie Leiden University, 2011). 61

zoals Alkmaar. De vroedschap bewoog zich richting de positie dat de troepenmacht kon worden verkleind, en dat de troepen die nu betaald werden uit de opbrengst van de handel moesten worden ‘afgedankt’.122 Wat het stadsbestuur besloot had effect op de omstandigheden overzee. De Alkmaarders, Rijpers, Schermers en Grafters die in lage rangen aanmonsterden op de schepen van de compagnieën, leefden veelal tussen enerzijds de wurggreep van schulden en armoede, en anderzijds het gevaar van een lange reis op zee. We komen deze (vaak nog jonge) mannen tegen in de archieven omdat ze voor vertrek hun testament lieten opmaken, een deel van hun gage met een maandbrief afstonden aan hun vrouw, familie of schuldeisers. Ze komen ook voor op lijsten van overleden zeelieden. Veel van hen haalden de eerste bestemming niet, zoals Jacob Jans uit Alkmaar, die gerekruteerd was door de WIC-kamer van Zeeland en aan boord van de Goude Son uitvoer richting Brazilië, maar aan boord kwam te overlijden.123 Uitvarende zeelieden konden via schuldbrieven, testamenten en andere financiële regelingen geld opleveren voor achterblijvers. Veel Alkmaarders lieten voordat zij vertrokken een testament opmaken; soms deden ze dat in Alkmaar, maar vaak ook in de haven van vertrek, zoals Amsterdam.

De familieleden en voornamelijk vrouwen van zeelieden en soldaten die achterbleven konden jaren in onzekerheid verkeren over het welzijn van hun partner. In sommige gevallen konden echtgenotes van opvarenden hun gage innen terwijl zij weg waren, maar dit moest wel vooraf geregeld worden.124 Over veel zeelieden hebben we niet meer informatie dan enkele aantekeningen op een monsterrol. Op de monsterrol van het slavenschip Eendracht uit 1645 krijgen we een indruk van de diverse oorsprong van de bemanning. Het Amsterdamse schip vertrok via Texel naar Elmina en São Tomé, waar een onbekend aantal tot slaaf gemaakte Afrikaanse mensen werd aangekocht waarna de oversteek naar Brazilië begon.125 Om het schip te bezeilen waren niet veel mensen nodig, maar op een reis van een slavenschip gingen altijd meer mensen mee. Onder de 75-koppige bemanning was ook een Alkmaarder: Cornelis Pietersen Put, die dienstdeed als busschieter. Hij diende in een rang die net boven die van matroos stond, omdat hij naast matroos ook als zeesoldaat kon worden ingezet. Dat

betekende dat hij bijvoorbeeld moest helpen om een opstand onder de slaaf­ gemaakten neer te slaan of de kanonnen te bedienen bij een confrontatie met andere schepen. De positie van busschieter betaalde niet geweldig, Put kreeg ƒ 11 per maand. Er waren verder ook veel Zeeuwen aan boord, mannen uit Middelburg, Zierikzee en Vlissingen, naast Amsterdammers en Haarlemmers. Uit het Noorderkwartier waren meerdere zeelieden aangemonsterd. We vinden in de lijst met geboorteplaatsen naast Alkmaar ook Enkhuizen, Monnickendam en Edam. De compagnieën rekruteerden waar ze maar konden; een van de twee koks, Fransisco Jans, kwam uit Angola. De opperstuurman kwam uit Münster, en onder de soldaten waren Zweden, Fransen en Engelsen te vinden.126 Hoewel het overgrote deel van de mannen die op schepen van de WIC en VOC stapten zelf hun weg naar de compagnie hadden gevonden, zijn twee aanbevelingen te herleiden naar de Alkmaarse vroedschap en burgemeesters. Opvallend genoeg gaat het hier om functies in lagere rangen. Roeloff Jansen werd in 1636 aangenomen als bootgezel voor het jacht Naerden nadat hij werd aangeraden door het bestuur van Alkmaar. Een jacht was een snel en wendbaar schip dat onder andere werd ingezet voor patrouilles langs de kust.

Als bootgezel kreeg Roeloff ƒ 8 per maand.127 Iets later raadden de burgemeesters in oktober 1636 Andries Jacobsen aan als ‘cajuitvaarder’ of ‘constabelsjongen’.128 Wat de achtergrond van de aanbeveling was hebben we niet kunnen achterhalen, maar het lijkt niet vaak te zijn voorgekomen dat stedelingen voor compagniedienst werden voorgedragen. Het is opvallend dat veel Alkmaarders hun emplooi vonden in andere kamers dan het Noorderkwartier. Het aantal zeelieden dat door de eerste WIC vanuit het Noorderkwartier werd uitgezonden bedroeg 630, maar zoals gezegd kwamen zij vaak niet uit het gewest zelf. Dat er relatief weinig Alkmaarders uitvoeren voor het Noorderkwartier kwam wellicht omdat andere kamers relatief meer mensen en schepen moesten leveren, en er dus een grotere vraag was naar mensen. De kamer die de meeste Alkmaarders naar de Amerika’s uitzond was Amsterdam. Acht Alkmaarse mannen voeren tussen 1638 en 1642 naar Curaçao op schepen van de Amsterdamse kamer.129 De bootgezel Jan Gerbrantsz werd na bijna twee jaar aan boord van De Eendragt gevangengenomen door de Portugezen in de

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16682196/1