260306 Raadsinformatiebrief Aanbieden onderzoek koloniaal verleden - bijlage 1
Tekst van het document
Alkmaar en het slavernijverleden Karwan Fatah-Black & Camilla de Koning
Karwan Fatah-Black
Alkmaar en het slavernijverleden
Karwan Fatah-Black is docent en onderzoeker bij de Universiteit Leiden en het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land-, en Volkenkunde. Hij is specialist op het gebied van koloniale en slavernijgeschiedenis.
K a rwa n Fata h - B l ack & C a m i l l a d e Ko n i n g
Camilla de Koning Camilla de Koning is historicus en gespecialiseerd in het Britse en Nederlandse slavernijverleden. In haar onderzoek staan verwantschap, netwerken en levenswijzen van tot slaaf gemaakte mensen centraal. Ze werkte mee aan diverse projecten over sporen van het Nederlandse slavernijverleden, onder meer voor het Tropenmuseum, Erfgoedhuis Zuid-Holland, Arnhem en De Nederlandsche Bank.
N
h e t
A l k m a a r e n s l a v e r n i j v e r l e d e n
i n h o u d s o p g av e
ONONTKOOMBAAR VERBONDEN ~4~
DE GEFNUIKTE KOLONIALE AMBITIES VAN HET STADSBESTUUR ~ 12 ~
IN DIENST VAN DE COMPAGNIEËN ~ 52 ~
LEVEN EN BEZIT IN DE KOLONIËN ~ 94 ~
DE KOLONIALE WERELD IN DE STAD ~ 118 ~
SAMENVATTING ~ 153 ~
BIJLAGEN ~ 155 ~
2
3
N
I n l e id i ng:
Onontkoombaar verbonden Dat Nederland direct en op veel verschillende manieren betrokken was bij de koloniale slavernij begint steeds duidelijker te worden. Onderzoeken hebben laten zien dat dit niet alleen een geschiedenis is die de grote handelssteden als Amsterdam en Rotterdam raakt. Maar had ook Alkmaar een slavernijverleden? En als het betrokken was bij historische en koloniale slavernij, wat moeten de huidige Alkmaarders daar dan mee? Om goed te kunnen begrijpen hoe relevant de koloniale slavernij voor de geschiedenis van Alkmaar is, is het nodig om de feiten daarover boven tafel te halen. In dit boek delen we de resultaten van het onderzoek naar de relatie tussen Alkmaar, inclusief de onderhorige dorpen, en het slavernijverleden in de koloniale wereld. We bespreken hoe die betrokkenheid in het verleden tot stand kwam en hoe deze zich ontwikkelde. De geschiedenis, en zeker pijnlijke geschiedenissen van grootschalig onrecht en uitbuiting, leidt soms tot moeilijke gesprekken over historische verantwoordelijkheid en verbondenheid. Alkmaar is een stad die hecht aan de eigen geschiedenis. Dat heeft mooie en inspirerende kanten, maar kan niet zonder een erkenning van ongemakkelijke waarheden over dat verleden. Op 8 oktober 1973, vierhonderd jaar na het beëindigen van het Beleg van Alkmaar sprak historicus Ivo Schöffer daar mooie woorden over.
Hij zei: “Wij zullen steeds moeten pogen het verleden opnieuw te waarderen, te begrijpen, te doorzien. Wij zijn aan dat verleden op talrijke wijzen onontkoombaar verbonden, als individuen en als gemeenschappen, maar geschiedenis mag nooit een last worden die ons niet meer als werkelijkheid tegemoet kan treden.”1 We hopen, in navolging van Schöffer, dat dit boek bij zal dragen aan het opnieuw waarderen van de geschiedenis.
Caesar van Everdingen, Portret van Wollebrant Geleynssen de Jongh, koopman en regent van het Weeshuis te Alkmaar, 1673. Collectie Stedelijk Museum Alkmaar.
Dit boek is zeker niet het eerste over de relaties tussen Alkmaar en koloniale slavernij. In 2022 opende het Stedelijk Museum Alkmaar de tijdelijke tentoonstelling Plantage Alkmaar.2 Het was voor veel Alkmaarders een eerste ontmoeting met het koloniale verleden van de stad en direct ook een confrontatie met het slavernijverleden. De achttiende-eeuwse Surinaamse slavenplantage bleek op veel verschillende manieren verbonden te zijn met de geschiedenis van Alkmaar. In de tentoonstelling en de tentoonstellingscatalogus werd bovendien al aangestipt dat de plantage slechts één voorbeeld was in een geschiedenis die, zo vermoedden de tentoonstellingsmakers, veel structureler met het verleden van de stad verknoopt was. En daarin hebben ze, zoals we in dit boek laten zien, gelijk gekregen.
Op de tentoonstelling hing het beroemde schilderij van Caesar van Everdingen waarop hij Wollebrant Geleynssen de Jongh, die opklom binnen de VOC in Azië, ten voeten uit portretteerde. Op het schilderij staan naast Alkmaars beroemdste weeskind ook twee zwarte bedienden. Door wat we nu weten over de slavernij onder de WIC en VOC waren de twee jonge bedienden vrijwel zeker door de slavernij van hun ouders gescheiden, evenals de jonge meisjes die Wollebrant op slavenmarkten aanschafte.3 Het schilderij, dat lang diende om het succes en de onbegrensde mogelijkheden van Alkmaarse wezen te illustreren, toont met de blik van nu ook de prijs die daar overzee voor werd betaald. In dit onderzoek
1 Ivo Schöffer, ‘Alkmaars ware victorie,’ Alkmaars Jaarboekje 1973 (1973) 40. 2 Mark Ponte, Plantage Alkmaar: Alkmaar in Suriname 1745-heden (Stedelijk Museum Alkmaar 2023).
3 Hans van Santen, Van Alkmaarse wees tot commandeur van de VOC: het rijke leven van Wollebrant Geleynssen de Jongh, 1594-1674. Alkmaarse historische reeks (Matrijs 2022) 46.
4
5
vonden we meer voorbeelden van eenvoudige Alkmaarders die overzee dankzij het slavernijsysteem tot hoge maatschappelijke posities opklommen. Het koloniale systeem was, cynisch gezegd, een emancipatiemachine voor Hollandse jongemannen. Na de tentoonstelling in het Stedelijk Museum groeide de belangstelling voor deze andere kant van het koloniale verleden. De tentoonstelling was er niet geweest zonder de inzet van nazaten van degenen die tot in de negentiende eeuw in slavernij leefden, een deel van hen zelfs op Plantage Alkmaar. Door het organiseren van debatten, dialogen en herdenkingen krijgt de herinnering aan het koloniale verleden een plek in de stad. Het ontbrak echter nog aan een studie waarin het koloniale verleden van Alkmaar structureel wordt beschreven. Laat het duidelijk zijn, ook zonder een dergelijk onderzoek is de relevantie van het koloniale en slavernijverleden zeker. Toen koning Willem-Alexander op 1 juli 2023 namens de Nederlandse staat excuses voor het slavernijverleden uitsprak, benadrukte hij dat dit een geschiedenis is die het hele land aangaat en waarvan de doorwerking voor velen nog voelbaar is.
Over Alkmaar is echter een specifiek verhaal te vertellen: hoe de stad zich vanaf het eerste moment verhield tot de koloniale ambities van de Republiek der Verenigde Nederlanden, tot de formele beëindiging van de koloniale slavernij in 1863 en tot de doorwerking in koloniale cultuur en mensbeeld. In het onderzoek naar de plek van slavernij in de Nederlandse geschiedenis is veel aan het veranderen. De geografische reikwijdte is aan het verruimen. Lange tijd lag de nadruk eenzijdig op de geschiedenis van achttiende-eeuwse plantages in Suriname. Zowel de slavernij op de Caribische eilanden als het grotendeels vergeten slavernijverleden van Nederlands-Brazilië vormen een belangrijk onderdeel van de geschiedenis van Alkmaar. Nieuw-Amsterdam, het tegenwoordige New York, is lang gezien als een baken van vrijheid, maar onderzoekers hebben gevonden dat ook daar door kolonisten mensen via Curaçao naar de kolonie werden getransporteerd om in slavernij in huishoudens en landbouw bedrijven te werken.4 Het portret van Wollebrant Geleynssen de Jongh illustreert bovendien dat ook in de wereld van de VOC in Azië de slavernij alomtegen woordig was.
Het begon daar eerder dan in de Atlantische domeinen en had er bovendien een minstens even zo grote omvang.5 4 Susanah Shaw Romney, New Netherland Connections: Intimate Networks and Atlantic Ties in Seventeenth-Century America (UNC Press Books 2014); Nicole Saffold Maskiell, ‘Elite Slave Networks in the Dutch Atlantic’, in: Jeroen Dewulf, Olf Praamstra en Michiel Kempen ed., Shifting the compass pluricontinental connections in Dutch colonial and postcolonial literature (Cambridge Scholars 2013); Joyce D. Goodfriend, ‘Burghers and Blacks: The Evolution of a Slave Society at New Amsterdam’, New York History 59 (1978) 125-144. 5 Matthias van Rossum, Kleurrijke tragiek: de geschiedenis van slavernij in Azië onder de VOC. Zeven Provinciën reeks (Verloren 2015). 6
Met de uitbreiding van de geografische reikwijdte van het onderzoek groeide ook het besef over de duur van deze geschiedenis. Al vanaf de late zestiende eeuw kwamen de inwoners van de Lage Landen in aanraking met vormen van slavernij, en participeerden ze daarin, soms met terughoudendheid, dan weer met gewetenloze machtslust en opportunisme. Bovendien eindigde de slavernij niet plotsklaps met de afschaffing van 1863. Nazaten van tot slaaf gemaakten in Suriname hebben er nadrukkelijk op gewezen dat de periode van staatstoezicht, een periode van tien jaar waarin de voormalige veldslaven gedwongen werden om contracten te sluiten om op plantages te werken, een voortzetting was van de slavernij. Naast deze gedwongen contracten werden ook contractarbeiders vanuit India, Indonesië en China naar Suriname gebracht om op de plantages te werken, waarmee de koloniale uitbuiting na de slavernij werd voortgezet. De ideeën over raciale hiërarchieën – bot gezegd de racistische superioriteitswaan van de bestuurders – werkte door in het koloniale bestuur, migratie en ongelijk burgerschap. Wat we in deze studie niet verruimen en verbreden, is de definitie van slavernij. Er waren in het verleden tal van verschillende vormen van dienstbaarheid, extreme afhankelijkheid en uitbuiting.
Tot slaafgemaakte mensen vielen in het koloniale rechtssysteem echter specifiek onder het eigendomsrecht als ‘slaaf ’. ‘Het zijn goederen en geen personen’ was kortgezegd het standpunt van de koloniale overheid en het rechtssysteem. We onderzoeken de relatie tussen de stad Alkmaar en deze koloniale vorm van slavernij. Het gaat ons hier dus om mensen die volgens de koloniale overheid deze juridische status hadden. Dat zegt nog niets over hun welvaart, cultuur of andere omstandigheden waarin zij leefden. En ook niet over de vergelijking met andere onderdrukte of uitgebuite individuen of groepen. Noord-Hollandse zeelieden die als krijgsgevangenen gedwongen werden tot zwaar werk in Noord-Afrikaanse koninkrijken vallen buiten dit boek. Terwijl de Lage Landen eeuwenlang geen slavernij hadden gekend, hadden de steden tijdens de Opstand tegen Spanje steeds meer geaccepteerd dat het simpelweg hoorde bij de opbouw van een wereldrijk. En bovendien, dat het was gerechtvaardigd zolang het was voorbehouden aan mensen van Afrikaanse of Aziatische komaf. Dit raciale onderscheid gaf Europeanen de prettige zekerheid dat zij niet tot de schandelijke status van slaaf konden vervallen – tenminste, als ze uit handen bleven van de kapers op de Noord-Afrikaanse kust.
De geracialiseerde rechtvaardiging van slavernij bracht Europeanen niet alleen een bepaalde zekerheid, maar bovendien een gevoel van superioriteit. Ze waren uitgesloten van slavernij omdat zij, zo was het idee, geboren waren om te leiden. In zijn lezing van 1973 sprak Schöffer zijn lof uit over de verandering in de geschiedwetenschap, die niet meer alleen de levens van bestuurders en de elite centraal stelde, maar een bredere blik ontwikkelde op de samenleving en 7
inzichten uit de sociologie meenam. In de Noord-Hollandse geschiedschrijving van de afgelopen vijftig jaar is die verandering goed te zien. Auteurs als Ad van der Woude, Herman Kaptein, Peter Bitter en anderen maakten met economische en demografische studies zichtbaar hoe de stads- en plattelandsgemeenschappen van handwerklieden en vissers zich in de regio ontwikkelden, hoe ze leefden en wat ze zoal consumeerden.6 Die studies bieden een goed zicht op de contouren van het leven in de regio en wijzen ook de weg naar mogelijke verbanden met de koloniale wereld. In Arie van Deursens beroemde werk Een dorp in de polder wordt melding gemaakt van zeelieden uit Graft die zich richting de tropische gebieden begaven.7 Dit waren voor ons de eerste aanwijzingen en beginnetjes om vervolgens dieper te kunnen gaan zoeken in de archieven naar de verbondenheid met de koloniën. In zijn redevoering van 1 juli 2023 zei koning (en tevens historicus) WillemAlexander: “In de archieven zijn veelal wel de dorre cijfers overgeleverd. Ze tonen
ons de feiten door de bril van de boekhouder. Maar de stemmen van de tot slaaf gemaakten zijn verwaaid in de wind. Zij lieten nauwelijks sporen na.” Het archief en een oriëntatie op het bestuur en cultuur van de elite zijn niet voldoende om een completer beeld van de geschiedenis te reconstrueren. In het geval van het slavernijverleden is het juist ook van belang om de verhalen, perspectieven en inzichten van degenen die overzee werden gedwongen, uitgebuit en zich verzetten te tonen en invoelbaar te maken. Wat was het effect van de Alkmaarse betrokkenheid op de mensen daar, en hoe stelden zij zich daartegen te weer? In dit boek pogen we die werelden bij elkaar te brengen, ook als over de ene kant van deze geschiedenis meer archiefmateriaal te vinden is dan van de andere kant. Het resultaat is een boek met vier enigszins chronologisch geordende hoofdstukken. In deze hoofdstukken richten we ons op de verbanden tussen politieke macht, materiële welvaart en cultuur. Dit is essentieel om de kolonialiteit van de Nederlandse samenleving te begrijpen. Het eerste hoofdstuk onderzoekt de vroege betrokkenheid van het Alkmaarse stadsbestuur bij de oprichting van koloniale compagnieën en het koloniale rijk.
Vervolgens belichten hoofdstukken 2 en 3 de rol van Alkmaarders in de overzeese expansie – van de vroege expedities en smokkelvaart, inclusief de trans-Atlantische slavenhandel in de zeventiende eeuw, tot de vestiging van Alkmaarders in plantagekoloniën als Suriname. Deze hoofdstukken bieden de context voor het vierde hoofdstuk, waarin we de nadruk leggen op Alkmaar zelf. Welke industrieën profiteerden van het koloniale rijk, wie keerden terug uit de koloniën om zich in de stad te vestigen, en welke koloniale onderdanen namen ze mee? Tot slot bespreken we in dat hoofdstuk het einde van de slavernij en de culturele erfenis die het geracialiseerde slavernijsysteem heeft nagelaten.
Koning Willem-Alexander houdt een toespraak tijdens de Nationale Herdenking Slavernijverleden in het Oosterpark, 1 juli 2023. Remko de Waal, ANP.
6 Ad van der Woude, Het Noorderkwartier: een regionaal historisch onderzoek in de demografische en economische geschiedenis van westelijk Nederland van de late middeleeuwen tot het begin van de negentiende eeuw (H. Veenman en zonen 1972). 7 A.T. van Deursen, Een dorp in de polder: Graft in de zeventiende eeuw (7e dr; Bert Bakker 2006).
Louise van Panhuys, Grote boom aan de Commewijne met zicht op plantage Alkmaar, 1812. Collectie Universitätsbibliothek Johann Christian Senckenberg, Frankfurt am Main.
8
9
Bevindingen Uit ons onderzoek volgt een vijftal conclusies over de relatie tussen Alkmaar, Alkmaarders en de koloniale slavernij in Azië en de Atlantische wereld. Deze conclusies worden in de volgende hoofdstukken verder toegelicht en aan het eind van dit boek samengevat.
was niet uitzonderlijk groot of gespecialiseerd, al zou verder onderzoek dit beter in kaart kunnen brengen. Individuen uit de koloniën die in slavernij hadden geleefd kwamen naar de stad, maar zij vormden – anders dan in Amsterdam – binnen de stad geen gemeenschap.
5 De afschaffing van slavernij en koloniale cultuur 1 Het stadsbestuur Het Alkmaarse stadsbestuur heeft zich in de zeventiende eeuw langdurig ingezet om invloed te krijgen op het bestuur van de VOC en WIC. Door bij te dragen aan het bestuur en de oorlogsvoering van deze compagnieën probeerden de bestuurders de stad mee te laten delen in de opbrengsten van deze koloniale ondernemingen. Dit heeft veel middelen en inzet gevergd, maar had maar beperkt succes. Er werden door bestuurders geen ethische bezwaren uitgesproken tegen de betrokkenheid bij kolonialisme en koloniale slavernij. De directe betrokkenheid nam vanaf het einde van de zeventiende eeuw af.
Alkmaar werd geen broeihaard van maatschappelijk verzet tegen slavernij. Er was belangstelling in de stad voor de ontwikkeling en dreiging van koloniale slavenopstanden, maar opvallend weinig aandacht voor koloniale politiek en bestuur, waaronder de afschaffingskwestie. De remonstrantse predikant Martinus Cohen Stuart was een veelzeggende uitzondering op de afwezigheid van de afschaffingsbeweging in de stad.
2 In dienst van de compagnieën Alkmaarders waren al in een zeer vroeg stadium betrokken bij de opbouw van het koloniale rijk. Soldaten, zeelieden en bestuurders trokken vanuit de stad en haar omgeving, vaak via Amsterdam, Hoorn of Enkhuizen, naar de koloniën. Slavernij was alomtegenwoordig in het overzeese rijk. Door smokkelhandel, waaronder mensenhandel, kwamen schippers uit (de buurt van) Alkmaar al vroeg in het bezit van plantages op Caribische eilanden. De overzeese wereld bood carrièremogelijkheden voor jongemannen uit de stad en de omgeving. Alkmaarders droegen ook bij aan de mensenhandel toen deze omvangrijker begon te worden. De stad was, als onderdeel van de kamer Noorderkwartier van de WIC, direct betrokken bij het vervoeren van tienduizenden tot slaaf gemaakte Afrikanen.
3 Leven en bezit in de koloniën In alle Nederlandse slavenkoloniën in de Atlantische wereld waren Alkmaarders te vinden die plantages en daarmee ook tot slaaf gemaakte mensen in eigendom hadden. In de koloniën zetten de kolonisten, onder wie Alkmaarders, samen met de koloniale bestuursorganisaties een repressieapparaat op. Hiertegen kwamen de tot slaaf gemaakten en inheemse bevolkingen in verzet.
4 De koloniale wereld in de stad Inkomsten uit koloniale handel en ondernemingen kwamen in de stad terecht. Op alle maatschappelijke niveaus was er economische betrokkenheid, van bestuur tot detailhandel. Het economische belang van de koloniën voor de economie van Alkmaar 10
11
in voor de WIC. Dat deden de bestuurders vooral in de hoop invloed te verwerven. De betrokkenheid van de stad bij het beleid van de compagnieën eindigde tegen het einde van de zeventiende eeuw. Daarna ging de betrokkenheid over op individuele bestuurders die niet direct werden aangestuurd door de Alkmaarse vroedschap en burgemeesters, maar wel zitting hadden in deze bestuurlijke organen.
Varen en vechten In dit hoofdstuk traceren we hoe Alkmaar na het ontzet van 1573 stapsgewijs betrokken raakte bij kolonialisme en slavernij. We doen dat door de ontwikkelingen in de opbouw van het koloniale rijk en van de stedelijke politiek te volgen aan de hand van het archief van het stadsbestuur, de Staten-Generaal, de Staten van Holland en de koloniale compagnieën. Deze geschiedenis begint bij de losmaking van de Noordelijke Nederlanden uit het wereldrijk van Filips II (1527-1598). Dat rijk omvatte niet alleen het Iberisch Schiereiland, de Nederlanden en gebieden in Europa, maar ook alle claims van de Spanjaarden en Portugezen in de Amerika’s, Afrika en Azië. Om los te komen uit dat wereldrijk zou een lange strijd worden gevoerd. Zilvermijnen in de berg Potosí. Herman Moll, Map of South America, London c.1715.
H o ofd s tuk 1
De gefnuikte koloniale ambities van het stadsbestuur Het stadsbestuur van Alkmaar was direct betrokken bij de oprichting van zowel de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) als de West-Indische Compagnie (WIC). Het lukte de stad niet om bij de oprichting van de VOC in 1602 een eigen kamer (lokale afdeling) van de compagnie te mogen vestigen in de stad, zoals Hoorn en Enkhuizen wel voor elkaar kregen. Toch droeg Alkmaar via de kamers van Amsterdam en Enkhuizen veel bij aan de oprichting van de VOC. De oprichting van de WIC liep vertraging op en werd pas in 1621 gerealiseerd. Voor Alkmaar was de bescherming van de belangen van de zouthandelaren en zoutzieders van de stad een belangrijke reden om aan de oprichting van de WIC bij te dragen. Slavernij en slavenhandel waren bij de oprichting van deze onder nemingen nog niet voorzien als cruciale bestanddelen van hun functioneren, maar toen ze dat eenmaal werden schrok Alkmaar niet terug voor verdere deelname. De stad zette zich met leningen en troepenleveranties bovenmatig 12
In juli 1572 werd de eerste vergadering van de Staten van Holland gehouden. De vergadering van de Staten vond plaats in Dordrecht en was een daad van verzet tegen het Spaanse bestuur. Uit Alkmaar waren burgemeester Jacob van Waerdendeel en vroedschapslid Claes Hercxz aanwezig.8 De Alkmaarders hadden zich naar voorbeeld van Enkhuizen samen met de andere Noord-Hollandse steden in juni 1572 van Spanje losgemaakt en dat bleef niet zonder gevolgen. Ook rond Alkmaar verhevigde de strijd, met als belangrijke ontwikkeling het beleg van de stad vanaf augustus 1573. Dat beleg zou niet lang duren. Door de inmenging van de geuzen werd het beleg gebroken en met het ontzet van Alkmaar op 8 oktober 1573 kwam de vraag op wie de stad zou gaan besturen, hoe de militaire verdediging geregeld moest worden en uiteraard wie daarvoor zou betalen. Filips II moest in zijn tactische afwegingen rekening houden met een ingewikkeld en uitgestrekt rijk, maar daartegenover stond dat dit rijk ook inkomsten opleverde waarmee de strijd kon worden voortgezet. De Spaanse troepen werden betaald met het zilver dat door de Afrikaanse tot slaaf gemaakten uit de berg bij Potosí (in het huidige Bolivia) werd opgediept. Hoe Alkmaar onafhankelijk kon blijven, was verbonden met de vraag of de Spanjaarden konden blijven rekenen op de rijkdommen uit hun koloniën, en of de volgelingen van Willem van Oranje daar 8 J.R.
Persman, ‘De bestuursorganisatie in West-Friesland en het Noorderkwartier van 1573 tot en met 1795’ in: West-Frieslands Oud en Nieuw 1973, 40 (Historisch genootschap “Oud West-Friesland” 1973). 13
een gezamenlijk politiek en militair antwoord op konden formuleren. Zoals we zullen zien, beperkte dat antwoord zich niet tot de Lage Landen.
Noorderkwartier met daarop de belangrijke locaties van kantoren voor de WIC en VOC
Zelfs al in de vroege jaren van de Opstand is te zien dat er een verband bestond tussen de varende en vechtende bevrijders van de Nederlanden en de veroveraars die het koloniale rijk zouden gaan vormgeven. Of geuzenleider Jacob Cabeliau die Alkmaar hielp bevrijden een oom of neef was van de eveneens uit Gent afkomstige ontdekkingsreiziger Abraham Cabeliau is niet helemaal duidelijk, maar de deels maritieme strijd tijdens de Opstand tegen de Spanjaarden in de Lage Landen is direct verbonden met de overzeese wedijver tussen de Republiek en de Spaanse kroon.
E
Z E R D N O O ALKMAAR
H O O R N ( V, W)
ER
MONNiCKENDAM HET
E
HAARLEM
ZE
14
E N K H U i Z E N ( V, W)
iD
9 Oscar F. Hefting, ‘Bij hoog en bij laag: Portugese en Nederlandse bouwtradities ontmoeten elkaar in koloniaal Brazilië (1500-1654)’, in: Verre forten, vreemde kusten: Nederlandse verdedigingswerken overzee (Sidestone Press 2017) 255-271. 10 Erik Odegard, The Company Fortress: Military Engineering and the Dutch East India Company in South Asia, 1638-1795. Colonial and Global History Through Dutch Sources (Amsterdam University Press 2020) 9-12, 254.
MEDEMBLiK
ZU
Ook de innovaties die werden gedaan in de strijd tussen Spanje en de Republiek vonden hun weg naar de rest van de wereld. Stadsverdediging was een belangrijke aangelegenheid in deze jaren en bij de bevrijding van Alkmaar was Adriaen Anthonisz een van de burgemeesters van de stad. Hij speelde tijdens de strijd met Spanje een belangrijke rol in het ontwikkelen en ontwerpen van verdedigings werken voor een groot aantal steden, waaronder Alkmaar. Met de aarden wallen die hij liet aanleggen konden laaggelegen steden tegen kanonvuur worden verdedigd.9 Deze verdedigingsvorm was nodig tegen de met kanonnen bewapende Europese legers die met gemak de oude middeleeuwse muren konden open breken. De allereerste koloniale forten die overzee door de ‘voorcompagnieën’ werden aangelegd, hadden nog niet de vooruitstrevende vorm die Anthonisz had ontwikkeld, maar omdat ook in de tropen het kanonvuur zijn intrede deed werden er later ook rond de nieuwe, vaak laaggelegen steden in NieuwNederland, Brazilië, Sri Lanka en in de Indonesische archipel uitgebreide verdedigingswerken aangelegd naar het model van Anthonisz en de uitwerking ervan door Simon Stevin. Het verband met slavernij laat zich raden.
Het zware werk van het uitgraven en opwerpen van de wallen werd gedaan door de soldaten die uit Europa waren overgekomen, de lokale bevolking en door de tot slaaf gemaakten die naar deze plekken werden gevoerd. De militaire innovaties uit de Tachtigjarige Oorlog, waaronder die van Adriaen Anthonisz, werden zodoende toegepast in de opbouw van het koloniale rijk.10
TEXEL
YE
A M S T E R D A M ( V, W)
Vereenigde Oostindische Compagnie (V)
Geoctroyeerde West-Indische Compagnie (W)
15
Stedelijke wedijver ten noorden van het IJ Het vormen van nieuwe politieke structuren in het begin van de Opstand tegen Spanje zou op termijn ook de kaders van de overzeese expansie gaan bepalen. Door het ontzet in 1573 kregen Willem van Oranje en de watergeuzen in Alkmaar het politieke initiatief in handen. Diederick van Sonoy was al tijdens het beleg tot burgemeester benoemd. De coördinatie van de oorlogvoering werd niet op stedelijk niveau georganiseerd, maar ging op het niveau van de staten, de soevereine staten waren immers de basis van de unie. Het front liep in 1573 dwars door Holland heen, met Haarlem en Amsterdam nog in Spaanse handen en slechts een begin van ‘de victorie’ in Alkmaar. Het noordelijke deel van Holland kreeg daarom de mogelijkheid om zich te organiseren als het Noorderkwartier. Deze noordelijke vergadering van de Staten hoefde niet te wachten op goedkeuring van de voltallige Staten van Holland. Lokaal particularisme speelde het Noorderkwartier echter al direct parten. De West-Friese steden hadden eerder al een stedenvergadering en beschouwden zich als eenheid, deels zelfs tegenover Holland.11 Vanuit Alkmaar had Diederick van Sonoy de vergadering bijeengeroepen, maar de West-Friezen vonden dat zij een afzonderlijke vergadering vormden en stonden erop om als zodanig erkend te worden.
Door de afgevaardigden (Gecommitteerde Raden) in Hoorn bijeen te laten komen, kon het Noorderkwartier bijeengehouden worden onder de noemer ‘de Gecommitteerde Raden van West-Friesland en het Noorderkwartier’. Alkmaar speelde zo in een cruciale fase aan het einde van de zestiende eeuw de rol van spelbederver voor het creëren van een afzonderlijk West-Fries gewest. Hoorn, Enkhuizen en Medemblik probeerden de leiding te krijgen over het gewest, en botsten hierover herhaaldelijk met Oranje en de Staten van Holland. Een belangrijke uitkomst was dat de Amsterdamse controle over een noordelijke admiraliteit werd gebroken en dat er een afzonderlijke admiraliteit voor het Noorderkwartier werd gevormd, die in de praktijk een West-Friese admiraliteit was. De onberekenbare rol van Alkmaar in dit proces was een voorbode voor de plek die de stad zou houden in de gezamenlijke organisatie op en overzee.12 In de ruim twee eeuwen tot de stichting van het Koninkrijk der Nederlanden in 1815 zou nog vaker blijken dat de West-Friese steden zich niet makkelijk binnen een overkoepelende structuur lieten voegen. Het moeizame bijeenkomen van de steden in West-Friesland en het Noorderkwartier zou een blijvende invloed krijgen op de structuur van belangrijke militaire en koloniale organisaties in de zeventiende en achttiende eeuw.
En de wedijver tussen de steden zou blijven, zelfs binnen organisaties die na het verschieten van hun zeventiende-eeuwse kruit in de achttiende eeuw een lege huls zouden worden. 11 C.T.F. Thurkow, De Westfriese admiraliteit (Fas Frisiae 1945) 12, 27. 12 Ibid., 18-21. 16
De strijd om de Gouden Stok, 1608. Collectie Rijksmuseum Amsterdam.
Na de vorming van het Noorderkwartier stuitten de pogingen van Oranje en de Staten van Holland om de maritieme coördinatie bijeen te brengen op Noord-Hollandse, of beter gezegd West-Friese weerspannigheid. De West-Friezen weigerden zich neer te leggen bij de vorming van een gezamenlijke Hollandse admiraliteit en uiteindelijk besloot prins Maurits in 1589 dat Rotterdam, Amsterdam en Hoorn een eigen admiraliteitscollege zouden krijgen.13 Maar zelfs toen bleven de West-Friese steden wedijveren om een centrale rol. Door de onenigheid tussen Hoorn en Enkhuizen werd uiteindelijk afgesproken om iedere drie maanden van zetel te wisselen.14 De ontwikkeling van de admiraliteit is direct verbonden met het vraagstuk van overzeese machtsontplooiing. Wie meedeed aan de samenwerking en wie er het voortouw in nam, bepaalde ook hoe de koloniale expansie werd opgezet. In deze context is het duidelijk dat Alkmaar te maken had met stevige regionale concurrentie, en waarom de stad hard werkte om zowel binnen de bestaande structuren als via sluiproutes op statelijke en landelijk niveau invloed te krijgen. 13 W. Veenstra, Tussen gewest en Generaliteit: Staatsvorming en financiering van de oorlog te water in de Republiek der Verenigde Nederlanden, in het bijzonder Zeeland (1586-1795) (proefschrift Vrije Universiteit 2014) 45. 14 Thurkow, De Westfriese admiraliteit, 28-29. 17
Alkmaarse afvaardiging naar VOC en WIC De Alkmaarse betrokkenheid kreeg vorm langs verschillende bestuurlijke kanalen. Vanaf 1585 kende het bestuur van de stad zowel een getrapt als een roulerend systeem. Een duo of trio van burgemeesters vormde de hoogste bestuurlijke macht, bijgestaan door een groep vroedschapsleden. Niet elke burgemeester was vroedschapslid geweest, evenmin werd elk vroedschapslid burgemeester. Beide bestuursorganen hebben afschriften van hun besluiten (resoluties) nagelaten in archieven. Uit deze bronnen blijkt dat de beslissingen ten opzichte van koloniale zaken werden genomen in de vroedschapsraad. Er was geen specifieke bestuurder belast met ‘koloniale zaken’. Verzoeken van poorters of hogere bestuurlijke instanties kwamen ter goedkeuring bij de bestuurders terecht. In de notulen werd bijvoorbeeld gesproken over het verzoek van Pieter van der Hagen om een overzeese militaire expeditie te bewapenen. Van der Hagen hoort in het rijtje van vroege koloniale ondernemers die op eigen initiatief scheepvaart, handel, diplomatie en oorlogvoering bijeenbrachten in avontuurlijke expedities. Al voordat de VOC werd opgericht, was de koers van het stadsbestuur duidelijk.
Gemotiveerd door afkeer jegens Spanje en Portugal beloofde Alkmaar in 1599 enkele schepen gereed te maken ‘om den vijand zelfs op zijn kusten van Spanje, Portugal en andere landen te bezoeken’.15 Rond de eeuwwisseling stond de Europese handel nog centraal, maar in de jaren die volgden kregen de mogelijkheden in intercontinentale handel, oorlogsvoering en kolonisatie een belangrijkere plek. De Spanjaarden sloegen echter ook terug, zowel militair als door middel van economische oorlogsvoering. Het Noorderkwartier en West-Friesland ondervonden in het slot van de zestiende eeuw de gevolgen van het verbod om op Portugal te varen. De steden werden zo door het verbod namelijk afgesloten van een belangrijke bron van zout: het hoofdingrediënt bij de bereiding van gepekelde vis, in het bijzonder haring. De West-Friezen vonden hier echter een oplossing voor: door zout te gaan halen in de Cariben kon het pekelen doorgaan en werd bovendien de Spaans-Portugese macht gebroken op een plek waar ze niet in staat waren om daar paal en perk aan te stellen. In het steekspel om de militaire en economische macht groeide de koloniale ambitie in de jonge Republiek. Kooplieden, handelaren en steden bundelden aan het begin van de zeventiende eeuw hun krachten in de door de Staten-Generaal bevoorrechte samenwerkingsverbanden.
Deze ondernemingen werden geoctrooieerde compagnieën genoemd en de bekendste waren de VOC en WIC. Deze twee compagnieën kregen van de Staten-Generaal het alleenrecht op de handel vanuit Nederlandse havens naar hun respectievelijke octrooigebieden, de ene in Azië en de andere rond de Atlantische Oceaan. Wie bijdroeg aan de oprichting en financiering van deze
Portret van Frederick de Houtman, circa 1610-1620. Collectie Rijksmuseum Amsterdam. 18
15 NL-AmrRAA, 10.1.1.001, inv.nr. 41, folio 13v. 19
ondernemingen deelde niet alleen in de winst, maar kon ook mede het beleid bepalen. Verschillende steden deden hun best om een stem te krijgen binnen de compagnieën. Soms deden ze dat door een eigen kamer op te richten, of door bestuurlijke invloed binnen andere kamers te bewerkstelligen. Wie aan deze bestuurstafels zat had direct invloed op het gehele koloniale beleid. De compagnieën dreven namelijk niet alleen handel, maar kregen ook het recht om verdragen te sluiten, forten te bouwen en in veroverde gebieden recht te spreken en belasting te heffen. De Alkmaarse betrokkenheid bij en toewijding aan de twee compagnieën hadden zowel een financiële als een politieke kant en droegen direct bij aan de opbouw van een op slavernij gebaseerd wereldrijk.
Sluiproutes naar inspraak: Alkmaar en het VOC-bestuur
Johannes Vingboons, Kaart van de kust van Venezuela en Guiana van omtrent Chichiriviche tot Kaap Nassau met de voorliggende eilanden, circa 1665. Collectie Nationaal Archief Den Haag.
Detail van kaart met daarop aangegeven de zoutpan bij Punta de Araya. Na de Spaanse verovering verplaatsten de zoutwinning en de strijd zich naar het nabijgelegen eiland Tortuga.
Al voor de oprichting van de VOC stemde de Alkmaarse vroedschap in met het geven van steun aan initiatieven die de handel met Azië en andere nog onbekende gebieden mogelijk zou maken. Alkmaar schonk aan de Rotterdamse ondernemer Pieter van der Hagen ‘twee metalen stucken etc’, een verwijzing naar kanonnen en toebehoren, voor zijn ‘jacht naar de Oostindien, Japan ende China, en weder te comen door de Magelanes’.16 Toen de verschillende compagnieën – die elkaar eerder nog beconcurreerden in de handel op Azië – samen werden gevoegd tot de VOC, gaf Alkmaar zijn steun. Sterker nog, voor Alkmaar sloot het een het ander niet uit: Pieter van der Hagen was nog maar enkele maanden onderweg toen de onderhandelingen over de oprichting van de VOC in 1601 begonnen. Vanaf de oprichting was het duidelijk dat Alkmaar en de Alkmaarders zich een positie in de compagnie probeerden te verwerven. Ze stonden echter altijd in de schaduw van Amsterdam en de beter gepositioneerde kamersteden Hoorn en Enkhuizen. Omdat de VOC vaak om kapitaal verlegen zat, was het mogelijk om langs die weg invloed op het beleid te verkrijgen. In de eerste jaren leverde de compagnie overzee strijd met zowel Spanje als Portugal, en was men ondertussen ook met geweld voordelige handelsposities aan het afdwingen bij leveranciers van specerijen en textiel in Azië.
De kapitaalhonger leidde tot ingewikkelde financieringsconstructies, met de daarbij horende afspraken en afhankelijkheden. Niet alleen wilden de subsidieverstrekkers inzicht in de besteding van de vaak grote sommen geld, ook wilden ze inspraak in het beleid. Inspraak liep via de vergaderingen van de compagnie, met als gevolg dat het aantal bewindhebbersplekken steeds verder moest worden uitgebreid om alle partijen te kunnen vertegenwoordigen. Bij de oprichting in 1602 kreeg de VOC voor 21 jaar een octrooi. De compagnie was opgedeeld in zes kamers: Amsterdam, Zeeland, Delft, Rotterdam, Hoorn en Enkhuizen. De omvang van de investering die elke regionale ‘kamer’ inbracht, bepaalde het aantal bewindhebbers die zij mocht aanstellen. Op basis van de investering en het aantal bewindhebbers werd bepaald hoeveel afgevaardigden 16 NL-AmrRAA, 10.1.1.001, inv.nr. 41, folio 65.
20
21
Tabel 1. Investeringen VOC eerste octrooi, 1602.
Kamer (Stad)
Ingelegd kapitaal (guldens)
Bewindhebbers Extra-ordinaris Afgevaardigden naar octrooij bewindhebbers in Heren XIV
Amsterdam
ƒ 3.674.915
20
3
8
Zeeland
ƒ 1.300.405
12
2
4
Maze (Delft)
ƒ 469.400
7
5
2
Maze (Rotterdam) ƒ 173.000
7
2
-
Hoorn
ƒ 266.868
7
-
2
Enkhuizen
ƒ 540.000
7
4
-
Totaal
ƒ 6.424.578
60
16
16 +1
Bron: J.G. van Dillen, Het oudste aandeelhoudersregister van de kamer Amsterdam der Oost-Indische Compagnie. Werken uitgegeven door de Vereniging Het Nederlandsch Economisch-Historisch Archief 14 (Nijhoff 1958) 35-36; Femme S. Gaastra, Geschiedenis van de VOC: opkomst, bloei en ondergang (Amsterdam University Press 2016), Tabel 5 “De 76 bewindhebbers van de VOC in 1602”.
Het octrooi van de VOC. Collectie Nationaal Archief Den Haag.
plaatsnamen in het overkoepelende bestuur, de Heren XVII. In het eerste octrooi werd bepaald dat er zestig bewindhebbers zouden zijn, ook wel directeuren genoemd, maar er werden er 76 verkozen. De zestien boventallige bewindhebbers werden extra-ordinarissen genoemd. Pas als alle extra-ordinarissen waren afgetreden of overleden, zouden nieuwe bewindhebbers kunnen worden aangesteld om het aantal bewindhebbers aan te vullen tot het vastgestelde aantal in het octrooi. Alkmaar was er in 1602 niet in geslaagd een bewindhebber namens Alkmaar aan te stellen; en omdat er geen snelle doorloop zou zijn, maakte dit het voor Alkmaar moeilijker om zelf een stem te krijgen in het bestuur van de compagnie. In de eerste decennia van de VOC konden er amper nieuwe bewindhebbers toetreden. 22
Dat Alkmaar geen eigen kamer had, kwam doordat de stad niet voldoende geld bijeen had gebracht. De drempel voor de vestiging van een eigen kamer werd bij het eerste octrooi op ƒ 100.000 gezet. Bij gebrek aan een eigen kamer moesten Alkmaarders investeren in een andere regionale kamer, en zoals blijkt uit de vroege lijsten van investeerders voor de kamers Amsterdam en Enkhuizen werd dit veel gedaan. Investeerders hadden vaak al sterke banden met andere handelssteden, en ook binnen vermogende families had het de voorkeur om te investeren in Amsterdamse activiteiten. Zo eindigden steden als Alkmaar, Leiden en Utrecht met een tekort voor een eigen kamer. Vanuit deze steden werd er vervolgens gezocht naar manieren om toch mee te kunnen praten, zowel vanuit het bestuur als door individuele investeerders. Het bestuur van VOC-kamers was in handen van bewindhebbers. Het bewindhebberschap was alleen weggelegd voor hoofdparticipanten, mannen die in de kamers Amsterdam, Zeeland, Delft en Rotterdam minstens ƒ 6.000 hadden geïnvesteerd. Voor de kamers Hoorn en Enkhuizen lag deze grens op ƒ 3.000. De bewindhebbers voor de VOC werden gekozen uit deze hoofdparticipanten. De 23
gewone participanten maakten geen deel uit van deze keuze. Het bewindhebberschap was, ondanks dat er een officiële termijn van drie jaar was, in de praktijk voor het leven.
opliepen tot omvangrijke sommen, laten zien dat in Alkmaar in verschillende lagen van de bevolking bekend was dat investeringen in de VOC winstgevend konden zijn. Het is goed mogelijk dat Frederick de Houtman een rol speelde in het verspreid raken van de kennis hierover in de stad. De urgentie om deel te worden van de VOC werd in ieder geval duidelijk gevoeld. Alkmaar was niet de enige stad die in de zeventiende eeuw meer inspraak wilde in het bestuur van de VOC. In de kamer Amsterdam werden vanaf 1648 twee plaatsen uit de twintig ordinaris-bewindhebbers opgeëist door de steden Haarlem en Leiden. Alleen hoofdparticipanten uit die steden zouden deze plaatsen mogen vervullen. Ook werden er vijf extra-ordinaris-bewindhebbers aan de kamer Amsterdam toegevoegd namens Utrecht (1613), Gelderland (1613), Friesland (1613), Dordrecht (1614) en Gouda (1665). Op deze manier kon de VOC ook steden die niet in staat waren een eigen kamer op te richten, toch motiveren om flink wat geld in te leggen. Deze steden konden vervolgens aan tafel zitten bij de grote en machtige kamers van de compagnie.
Johan de Baen, Bewindhebbers van de kamer Hoorn van de VOC, 1682. Collectie Westfries Museum Hoorn.
Het is niet mogelijk om een volledig beeld te krijgen van de Alkmaarse investeringen in de VOC. Behalve voor de kamers Amsterdam en Zeeland zijn aandeelhoudersregisters niet bewaard gebleven. Voor de kamer Enkhuizen is een vroege kopie beschikbaar, waaruit blijkt dat er tussen 1608 en 1619 in ieder geval 34 Alkmaarders geregistreerd stonden als investeerders in het register van deze VOC-kamer (zie bijlagen). Gezamenlijk investeerden zij ƒ 52.250. Uit deze 34 personen hadden vier mannen een bijdrage geleverd die boven de ƒ 3.000 kwam, waardoor zij in aanmerking hadden kunnen komen voor een bewindhebbersplaats als deze was vrijgekomen.17 Opvallend in beide registers zijn de grote verschillen in investeringen. Jinneken Wiellems investeerde ƒ 100 in de kamer Amsterdam, ongetwijfeld in samenspraak met haar werkgever Pieter van Dieck (ook Dijck) die maar liefst ƒ 2.400 investeerde. De kleinere bedragen, die samen 17 René T. Willemsen, ‘Beleggers in een nieuwe compagnie. Het aandeelhouders register van de Kamer Enkhuizen der VOC’, Souffrir pour parvenir. De wereld van Jan Huygen van Linschoten (1998) 65-79, aldaar 173-181. 24
Alkmaarders gingen erg ver in hun pogingen deel te worden van het VOCbestuur. Vanuit de stad waren er negen zogenoemde ‘dolende hoofdparticipanten’ die in 1624 verklaarden zich te hebben losgemaakt van hun respectievelijke kamers en poogden stemrecht te krijgen in de vergadering van de Heren XVII. Hun voorstellen werden herhaaldelijk afgewezen, maar de vroedschap van Alkmaar bleef hun steun geven – tot de groep door de Heren XVII en de prins van Oranje een halt werd toegeroepen.18 Wie deze dolende participanten waren blijft onduidelijk, maar Alkmaar zag in deze opportunisten wellicht een weg naar meer zeggenschap binnen de VOC. Het octrooi van de VOC werd afgegeven voor een periode van 21 jaar en moest aan het einde van die periode worden verlengd. De octrooiverlengingen waren doorgaans momenten waarop er een krachtmeting plaatsvond tussen de verschillende partijen binnen de compagnie. Het beleid voor de volgende octrooiperiode kon immers worden bepaald en dat was relevant voor de verschillende kamersteden, maar ook voor individuele ondernemers. Bij het beslechten van conflicten binnen de VOC probeerde Alkmaar zich in een positie te manoeuvreren waardoor het op termijn invloed kon gaan uitoefenen. Een voorbeeld daarvan zijn de conflicten rond de reikwijdte van het octrooi.
Zo waren de oprichting van de VOC en het aan de compagnie verstrekte alleenrecht op de handel met Azië niet onomstreden. Enkele ondernemingen die voor de oprichting al een octrooi voor de handel op Azië of de Stille Zuidzee hadden
18 NL-AmrRAA, 10.1.1.001, inv.nr. 43, folio 136. 25
bemachtigd, probeerden buiten de verenigde compagnie te blijven. Er waren ook partijen die poogden om na de oprichting van de VOC een uitzonderingspositie te bemachtigen. In de strijd tussen de VOC en concurrenten was het geen uitgemaakte zaak waar de stedelijke loyaliteit zou liggen. Het zo veel mogelijk spreiden van kansen en investeringen was kenmerkend voor de positie die het Alkmaarse stadsbestuur innam in de eerste decennia van de zeventiende eeuw. In 1612 steunde de vroedschap de Magelhaensche Compagnie toen deze een conflict had met de VOC over de reikwijdte van het octrooi.19 Zes jaar later kon een andere compagnie niet op dezelfde soort steun rekenen, hoogstwaarschijnlijk omdat de Staten-Generaal in het conflict met de Magelhaensche Compagnie had besloten in het voordeel van de VOC. Toen in 1618 een conflict ontstond tussen de VOC en de Australische Compagnie luidde het advies voor de gedeputeerden van Alkmaar om in eerste instantie in te zetten op het samenvoegen van de VOC en de Australische Compagnie, en anders ‘de Oostindische compagnie te favoriseren’.20 De overmacht van de VOC was duidelijk en de Alkmaarse vroedschap koos de kant van de partij die de strijd waarschijnlijk zou gaan winnen. In deze onderhandelingen had het stadsbestuur
als doel om zo veel mogelijk inspraak te krijgen binnen de compagnie, of in ieder geval aanwezig te zijn bij de gesprekken. In 1622 stemde het stadsbestuur volmondig in met het verlengen van het octrooi van de VOC.21 Het lukte echter nog steeds niet om een bewindhebber namens de stad Alkmaar in de kamer Hoorn of Enkhuizen aan te stellen. Bij de tweede octrooiverlenging van 1647 kreeg Alkmaar enigszins een voet tussen de deur bij de VOC. Dit was het resultaat van lang lobbyen: al in 1642 sprak de vroedschap over de mogelijke verlenging van het octrooi. Dit initiatief wilden ze wel steunen, maar enkel ‘ingevalle de stad Alkmaer in de directie van de Compagnie kan werden ingelaten’.22 Door de instelling van een ‘extra-ordinaire zetel’ die om de drie jaar (ambulatoir) in de kamer Hoorn of kamer Enkhuizen zitting kreeg, hadden Alkmaarders een weg gevonden naar het lokale VOC-bestuur. Het idee was dat deze zetel ‘boventallig’ of extra-ordinair zou zijn, maar door onderhandelingen rondom het octrooi in 1665 zouden Alkmaarders ook vrijkomende ‘ordinaire’ zetels in Hoorn of Enkhuizen gaan invullen. Hoorn en Enkhuizen hadden daardoor in sommige periodes een bewindhebber minder in hun eigen kamer (zes in plaats van zeven), en Alkmaar had in sommige jaren zowel in Hoorn als Enkhuizen een vertegenwoordiger.
De functie van extra-ordinaris of supernumeroire bewindhebber was voornamelijk gecreëerd om de gemoederen te sussen, waarbij de formele rol van deze bewindhebber beperkt was. Zo hadden deze bewindhebbers enkel toegang tot de boeken en hadden ze formeel geen zeggenschap. In de praktijk bleken de Alkmaarse extra-ordinaire bewindhebbers echter meer te doen binnen de kamers en namen zij bijvoorbeeld concrete bestuurlijke verantwoordelijkheden op zich.23 De procedure waarmee de extra-ordinaris-bewindhebbers werden verkozen bleef tot 1749 hetzelfde, maar verschilde per kamer en stad. In Alkmaar werd de VOC-bewindhebber door de burgemeesters gekozen uit drie genomineerden. Deze drie waren genomineerd door de nog zittende bewindhebbers. In 1623 was vastgesteld dat bewindhebbers niet langer de functie zouden krijgen ‘voor het leven’, maar aan een termijn van drie jaar gebonden zouden zijn. Dit betekende dat de burgemeesters elke drie jaar nieuwe nominaties zouden hebben moeten ontvangen om een nieuwe bewindhebber te kiezen. In de praktijk blijkt echter dat het bewindhebberschap van de zittende bewindhebber meerdere keren werd verlengd. De functie werd hierdoor vaak alsnog voor het leven.
Schepen van de Magelhaensche Compagnie onderweg naar Azië. Zacherias Heijns, Wijdtloopigh verhael van tgene, 1599. 19 NL-AmrRAA, 10.1.1.001, inv.nr. 42, folio 107. 20 NL-AmrRAA, 10.1.1.001, inv.nr. 42, folio 227v. 26
21 NL-AmrRAA, 10.1.1.001, inv.nr. 43, folio 95v. 22 NL-AmrRAA, 10.1.1.001, inv.nr. 44, folio 263v. 23 Henk den Heijer, De geoctrooieerde compagnie: de VOC en de WIC als voorlopers van de naamloze vennootschap. Ars notariatus, 128 (Stichting tot Bevordering der Notariële Wetenschap 2005) 114. 27
Enkhuizen. Deze steden hielden echter vast aan het principe dat dit pas kon nadat een zittend bewindhebber kwam te overlijden (of afstand nam van zijn zetel). Dit was duidelijk bedoeld om Alkmaar buiten de deur te houden. De kwestie werd pas in 1665 definitief beslecht. Alkmaar behield zijn recht op het aanstellen van een ‘extra-ordinaris’, maar daarnaast werd beloofd dat Alkmaar mee zou mogen dingen naar vrijkomende functies in Hoorn of in Enkhuizen. In het geval dat de extra-ordinaris al in deze kamer plaats zou nemen, zou deze naar de andere kamer moeten ‘verplaatsen’. Niet alleen werd het aantal bewindhebbers van de kamers Hoorn en Enkhuizen uitgebreid, Alkmaar kreeg ook toegang tot verkiezing binnen het vaste aantal.
Cornelis Pronk, Gezicht op het Oost-Indisch huis en Staten Logement te Hoorn, 1727. Collectie Westfries Museum Hoorn.
De vroedschapsresoluties noemen slechts dat de burgemeesters hadden besloten het bewindhebberschap weer met drie jaar te verlengen. Voor de plek van extra-ordinaris-bewindhebber was geen verdere selectie nodig. Deze functie was enkel bedoeld voor een vertegenwoordiger uit Alkmaar, en dus had de kandidaat die was goedgekeurd door de burgemeesters geen concurrentie van kandidaten die werden voorgesteld uit andere steden die geïnvesteerd hadden in de kamers Hoorn of Enkhuizen. Toch was het aanstellen van die eerste bewindhebber geen sinecure. De onderlinge strijd tussen Alkmaar, Hoorn en Enkhuizen lijkt ervoor gezorgd te hebben dat het enkele jaren duurde voordat de eerste verkozen bewindhebber, Claas Cornelisz Hoogtwout, zijn rechtmatige functies kon uitoefenen in de kamer. De onenigheid was gebaseerd op de discussie of de hoofdparticipanten uit Alkmaar moesten wachten tot een huidige ordinaris aftrad of kwam te overlijden, of dat de extra-ordinaris direct kon worden toegevoegd aan de kamer.24 Alkmaar was van mening dat het per 1647 direct een bewindhebber mocht aanstellen voor de roulerende plek in Hoorn of 24 NL-AmrRAA, 10.1.1.001, inv.nr.nr. 2914. 28
De verkiezing voor deze nieuwe ordinaris-bewindhebbersfunctie verliep net anders dan de eerder vastgestelde procedure voor de extra-ordinaris. De zittende bewindhebbers van de desbetreffende kamer stelden een nominatielijst op van drie hoofdparticipanten, maar in dit geval kwamen niet alleen hoofdparticipanten uit Alkmaar in aanmerking. De belofte aan Alkmaar was dat een van de drie genomineerden altijd een Alkmaarse hoofdparticipant zou zijn, en dat die genomineerde werd voorgedragen door de burgemeesters van de stad. De Alkmaarse hoofdparticipant werd dus genomineerd door het stadsbestuur, de uiteindelijke keuze uit de drie nominanten lag bij de zittende bewindhebbers. Op een ordinaris-bewindhebbersplek had de stad daarom een-derde kans, en in sommige jaren zou dit resulteren in twee Alkmaarse bewindhebbers: één extra-ordinaris, door de Alkmaarse burgemeesters verkozen uit drie nominaties, en een ordinaris, verkozen uit drie nominaties, waaruit altijd een Alkmaarder werd geselecteerd door de burgemeesters maar die werd verkozen door de zittende bewindhebbers.25 Ondanks de succesvolle aanstelling van bewindhebbers bleef Alkmaar met de kamers over ‘hun bewindhebber’ steggelen.
Vooral wanneer er weer een octrooiverlenging ter sprake kwam, zoals in 1691, benadrukte de stad dat zij enkel in zou stemmen zolang het recht om een bewindhebber aan te stellen namens Alkmaar zou blijven bestaan.26 Doordat het bewindhebberschap voor het leven werd toegekend, bestaat de lijst van bewindhebbers namens Alkmaar uit elf personen (zie bijlage). Vanaf 1749 werd de Prins van Oranje gouverneur van de VOC, en hierdoor moest de voorgestelde kandidaat eerst door hem worden goedgekeurd. Deze bestuurlijke reorganisatie werd door het oranjegezinde Alkmaar verwelkomd, en de verdere nominatie van bewindhebbers lijkt zonder conflicten te zijn overgedragen aan de nieuwe gouverneur.27 25 NL-AmrRAA, 10.1.1.001, inv.nr. 2914. 26 NL-AmrRAA, 10.1.1.001, inv.nr. 50, folio 147v - 149v. 27 NL-AmrRAA, 10.1.1.001, inv.nr. 57, folio 41. 29
Ook geen Alkmaarse kamer van de WIC De Alkmaarse bewindhebberspositie was gewild bij de stedelijke elite. Naast macht en invloed bracht de positie ƒ1.200 per jaar op. Dat kwam nog boven op de dividenden, naar rato van de investering van minstens ƒ3.000 die nodig was om verkiesbaar te zijn.
Ampliatie van het octrooi van de West-Indische Compagnie, 1623. Collectie Nationaal Archief Den Haag.
Slechts tien dagen nadat de plannen van de Staten-Generaal om de Oost-Indische Compagnie op te richten gecommuniceerd werden aan de Alkmaarse vroedschap, werd hetzelfde gedaan voor een West-Indische compagnie, met bijpassend octrooi.28 Maar bij dit tweede initiatief lagen de belangen voor Alkmaar anders. Als stad was Alkmaar in de zestiende eeuw begonnen met investeren in de zouthandel en lokale ‘zoutziederijen’. Mede hierdoor werd de stad geraakt door het Spaanse verbod op handel met het Iberisch Schiereiland, waar van oudsher het meeste zout werd gehaald in Portugese havens als Setúbal. Vanwege het embargo zocht men naar nieuwe mogelijkheden om zout in te kopen en die werden gevonden in de Cariben, waardoor er een trans-Atlantische zoutvaart vanuit het Noorderkwartier werd opgetuigd. Toen het initiatief voor een West-Indische compagnie op de politieke agenda kwam, werden de Alkmaarse afgevaardigden door de vroedschap geïnstrueerd om erop te staan dat de vrije ‘zoutvaart op Westindie’ zou blijven bestaan. Het zou echter nog een lange tijd duren voordat de compagnie daadwerkelijk zou worden opgericht. Pas toen in 1618 het aflopen van het vredesbestand met Spanje (1609-1621) in zicht kwam, werden de plannen voor de compagnie geconcretiseerd. De status van de zoutvaart zou een splijtzwam blijken te zijn.
Het Alkmaarse uitgangspunt was vanaf 1618 dat de op te richten kamer Noorderkwartier van de WIC in Alkmaar zou moeten komen. De argumenten dat de kamer Noorderkwartier Alkmaar als standplaats moest krijgen, waren dat Enkhuizen al een VOC-kamer had en Hoorn de thuishaven van de admiraliteit van het Noorderkwartier was. Maar men zag in Alkmaar de bui al wel hangen dat het ook met de WIC moeilijk zou worden om een kamerstad te worden, of zelfs maar de standplaats van een gezamenlijke kamer. De vroedschap nam zich voor om, als een eigen kamer niet zou lukken, dan toch ‘ten minste eenig deel te hebben in de toerusting en de bewinthebbers’.29 De vroedschap – ongetwijfeld gemotiveerd door de toenemende conflicten rond het bewindhebberschap van de VOC – stelde dat zij alleen zou instemmen met een nieuw conceptoctrooi van de WIC als de bewindhebbers niet alleen uit de magistraten en hoofdparticipanten van de kamersteden zouden worden gekozen, maar ook uit magistraten en hoofdparticipanten van buiten deze steden.30 Met het vooruitzicht dat een eigen WIC-kamer buiten bereik lag, wilde de Alkmaarse vroedschap veiligstellen dat Alkmaarse investeerders wel in aanmerking zouden komen voor een bewindhebbersplaats.
Floris jonkheer van Teijlingen en Gerrit van der Nieburch, beiden burgemeester van Alkmaar, namen samen met vroedschapslid Pieter Willemsz Kessel in 1621 28 NL-AmrRAA, 10.1.1.001, inv.nr. 41, folio 116. 29 NL-AmrRAA, 10.1.1.001, inv.nr. 42, folio 243. 30 NL-AmrRAA, 10.1.1.001, inv.nr. 43, folio 16v.
30
31
de taak op zich om het geld bijeen te krijgen voor de Alkmaarse deelname in de WIC.31 Vier maanden na dit initiatief groeide binnen de vroedschap het vermoeden dat het verzamelde kapitaal voor de WIC niet toereikend zou zijn.32 Een investering in de WIC werd binnen het stadsbestuur gezien als stadsbelang, en de vroedschap beschouwde het als haar taak om Alkmaarders over te halen meer te investeren zodat de stad meer zeggenschap zou krijgen. Alleen leek niet heel Alkmaar het hiermee eens te zijn. Het vooruitzicht dat de WIC een monopolie op de zoutvaart zou kunnen krijgen, bleek voor mogelijke investeerders een obstakel en in strijd met de belangen van de stad.33 Alkmaar zou zich excuseren voor de eerste inlegging van de WIC, maar beloofde beterschap: ‘dat aen d’openinge van dese stadt nimmermeer gebreck gevonden sall worden.’34
met het octrooi en had geïnvesteerd in de WIC, besloten de Staten-Generaal in juni 1622 het monopolie alsnog aan te passen. De zoutvaart werd toch onderdeel van het WIC-monopolie, en uit het kapitaalboek van Amsterdam blijkt dat dit twijfels bij andere investeerders wegnam: de belangstelling voor aandelen nam direct toe – terwijl in het Noorderkwartier juist de twijfels over de compagnie werden bevestigd.36 Toch betekende dit niet dat het verlies van de vrije zoutvaart voor Alkmaar (en andere steden binnen het Noorderkwartier die dit belang deelden) een gedane zaak was. Een vroedschapsresolutie uit 1624 laat zien dat het Noorderkwartier wederom van plan was om bij het hoogste bestuurscollege van de WIC, de Heren XIX, het belang van de vrije zoutvaart te bepleiten, ook al zou dit een nadeel voor de WIC kunnen zijn.37 De Alkmaarse vroedschap bleef volharden in het verdedigen van de belangen van de lokale handelaren, ook al lukte het de Noorderkwartierders niet om de vrije zoutvaart in ere te herstellen.38 Omdat de West-Indische Compagnie tot 1623 nog niet voldoende kapitaal bijeen had kunnen brengen en nog niet met activiteiten was begonnen, bleven de WestFriese steden gerechtigd om op Punta de Araya te blijven varen. Het probleem was echter wel dat de Spanjaarden daar inmiddels een fort hadden gebouwd en meerdere West-Friese aanvalspogingen wisten af te slaan.39
Investering en bestuur van de WIC
Het recht op de zoutvaart bleef een heikel punt voor de steden van het Noorderkwartier. Hoewel in het originele octrooi in artikel I werd gesteld: ‘dat de soutvaert op Ponte del Rey sal mogen werden gecontinueert’, ondanks dat dit binnen het octrooigebied viel, wilde de WIC ook het monopolie op de zoutvaart veiligstellen.35 De tegenvallende inschrijvingen in de WIC werden door de Staten-Generaal gekoppeld aan de belangen in de zoutvaart. Ondanks dat het Noorderkwartier had gestaan op de vrije handel en op die basis had toegestemd
Hoeveel kapitaal Alkmaarse investeerders exact bijdroegen aan de oprichting van de WIC in 1621 is niet bekend. De financiële boekhouding van de kamer Noorderkwartier van de eerste West-Indische Compagnie (1621-1674) is verloren gegaan. Ook voor de Tweede West-Indische Compagnie (1674-1791), die werd opgericht nadat de eerste failliet was gegaan, is geen compleet overzicht beschikbaar van de aandeelhouders van het Noorderkwartier. Wel zijn de contouren van het geïnvesteerde kapitaal te reconstrueren. Het is zeker dat het Noorderkwartier 1/9e van het totale WIC-kapitaal leverde. Hoewel de VOC en WIC relatief snel na elkaar zijn opgericht, zaten er naast overeenkomsten ook belangrijke verschillen in hun financiële grondslag. Participanten in de WIC legden hun kapitaal voor 24 jaar vast, de gehele periode van het eerste octrooi. Wat hier tegenover stond was dat de WIC garandeerde dat er geen nieuwe participanten zouden worden toegelaten nadat de eerste kapitaalinzameling sloot.
31 NL-AmrRAA, 10.1.1.001, inv.nr. 43, folio 58v. 32 NL-AmrRAA, 10.1.1.001, inv.nr. 43, folio 66. 33 NL-AmrRAA, 10.1.1.001, inv.nr. 43, folio 76. 34 NL-AmrRAA, 10.1.1.001, inv.nr. 43, folio 85v. 35 NL-HaNA, 1.05.01.01, 13, Octrooi verleend door de Staten-Generaal aan de West-Indische Compagnie, kopie, 1621.
36 Den Heijer, De geoctrooieerde compagnie, 62-63. 37 NL-AmrRAA, 10.1.1.001, inv.nr. 43, folio 134. 38 NL-AmrRAA, 10.1.1.001, inv.nr. 43, folio 154v. 39 Henk den Heijer, De geschiedenis van de WIC (Zutphen 2013) 30.
Willem Bartsius, Officieren en vaandeldragers van de Oude Schutterij te Alkmaar, 1634. Collectie Stedelijk Museum Alkmaar.
32
33
Tabel 2. Aandelenkapitaal van de eerste WIC.40 Kamer (Stad)
Ingelegd kapitaal (guldens)
Amsterdam
ƒ 2.846.582
Zeeland
ƒ 1.379.775
Maze
ƒ 1.039.202
Stad en Lande
ƒ 836.975
Noorderkwartier
ƒ 505.627
Staten-Generaal
ƒ 500.000
Totaal
ƒ 7.108.161
Anders dan bij de VOC liep het bij de WIC geen storm toen de inschrijving werd geopend. In november 1622 riep de Alkmaarse vroedschap haar leden op om te kijken of zij ‘nog eenigen [...] tot inleg sall kunnen bewegen.’41 Bij het sluiten van de boeken had het Noorderkwartier een investering van ƒ 505.627 verzameld, maar hoeveel hiervan afkomstig was uit Alkmaar blijft onduidelijk. Het kapitaal van de eerste WIC bleef niet lang op ƒ 7.108.161 staan. Al in 1624 werd de aandeelhouders gevraagd hun kapitaalinleg met 50 procent te verhogen om de verovering van Brazilië op de Portugezen mogelijk te maken. De aandeelhouders steunden dit plan en het kapitaal werd met ƒ 3.554.080 verhoogd tot ƒ 10.662.241. Maar de verovering van Portugese bezittingen en de oorlogvoering die dit mogelijk maakte, resulteerden in een constante vraag naar kapitaal. Driemaal werd de aandeelhouders gevraagd hun inleg te verhogen, tot er in 1639 al ƒ 17.090.658 in de compagnie was gestoken.42 De Alkmaarse vroedschap steunde vrijwel altijd de verzoeken van de WIC om meer financiële middelen. Enerzijds ondersteunde zij de oproepen van de Heren XIX via de Alkmaarse participanten, anderzijds ging het om financiële steun van de stad zelf.
Die steun kwam in de vorm van extra zogenoemde subsidies, die de WIC vervolgens kon besteden aan munitie, manschappen en schepen, zoals verder wordt toegelicht in de paragraaf ‘Steun aan de WIC’. Alles was erop gericht de handel en de gebieden die onder het WIC-octrooi vielen te beschermen en waar mogelijk uit te breiden.43 40 Den Heijer, De geoctrooieerde compagnie, 61. 41 NL-AmrRAA, 10.1.1.001, inv.nr. 43, folio 95v. 42 Ibid., 64. 43 NL-AmrRAA, 10.1.1.001, inv.nr. 99, folio 280v. 34