totaal bijlage 2 E Streefbeeld Buijtenland van Rhoon PDF.pdf
Tekst van het document
Van een latere ontstaansdatum zijn de oeverwallen en beddingen van oude getijdekreken. Door de wat grovere afzetting in de kreken en op de oevers ten opzichte van de fijnere afzettingen in de gebieden verder van de rivier (komklei) kwamen deze gronden na inklink van de klei-afzettingen vaak hoger te liggen in het landschap (inversie) en vormden ideale plekken voor bewoning. In het projectgebied is zo’n kreekrug duidelijk terug te zien in een hogere band lopend van oost naar west door de Molenpolder en via het noordoostelijke deel van de Zegenpolder naar het noordwesten doorlopend. Een aftakking van deze kreekrug is ook nog in het meest noordelijke puntje van het projectgebied terug te vinden. Door de relatief vroege ontstaansgeschiedenis van deze kreekrug wordt verwacht dat sporen van bewoning hier pas op een diepte van 3 meter onder het maaiveld te vinden zijn, in veel gevallen dus niet relevant voor de plannen in het Buijtenland (Kroes, 2009).
Advieskaart archeologie uit archeologisch vooronderzoek uitgevoerd door bureau RAAP (Kroes 2009)
De Zegenhoeve (1890): één van de fraaie historische boerderijen in het Buijtenland van Rhoon Bron: van website www.polderdag-rhoon.nl
3. De strijd om het land
c. Hogere zeeafzetting
a. Dijken en hoofdwatergangen
Dichter tegen het maaiveld (ongeveer -1 m MV) zouden echter meer recente sporen van bewoning kunnen worden aangetroffen die stammen uit de IJzertijd of Romeinse tijd (1500-3000 jaar geleden). Volgens het RAAP-rapport zijn deze met name terug te vinden in een grotendeels noord-zuid lopende band ten oosten van de leidingenstraat en ook in de westelijke punt van de Zegenpolder. Het zou hier gaan om voornamelijk zee-afzettingen. Op één specifieke plek in dit gebied, net ten zuiden van de Essendijk en ten oosten van de leidingenstraat is een gebied aangemerkt dat mogelijk net onder de bouwvoor reeds bewoningsresten zou kunnen bevatten.
Na de grootste vloed in 1421 (St. Elisabethvloed) is het hele gebied in fasen steeds weer meer teruggewonnen op het water. Dit proces heeft echter meerdere eeuwen in beslag genomen, beginnend in het noorden in het huidige Buijtenland van Rhoon rond 1500 en eindigend in het zuiden met de Nieuwe Polder (huidige golfbaan) in 1820. Dit geleidelijke proces van herwinning van het land is nog volop terug te zien in de loop van zowel de nog aanwezige slaperdijken als enkele watergangen in het gebied. Voornamelijk in het Buijtenland van Rhoon en de Zegenpolder laat het nog steeds bestaande sloten- en wegenpatroon zien hoe de polders in fases zijn ingepolderd. Daarnaast is op enkele plaatsen te zien geweest dat deze geleidelijke herpoldering niet altijd zonder slag of stoot ging. Hoewel het voor lange tijd verloren raken van bedijkt land sinds 1421 niet meer heeft voorgedaan, herinnerde onder andere een wiel net ten westen van de Schenkeldijk er in de Zegenpolder nog lange tijd aan dat dit niet de laatste dijkdoorbraak was die in dit gebied heeft plaatsgevonden. Ook in de laatste grootste waterramp van 1953 zijn grote delen van de zuidelijke polders nog onder water gelopen. Deze lijnen vertellen tezamen daarom het verhaal van de strijd met het water en vormen een belangrijk cultuurhistorische drager onder dit landschap.
Het behouden van deze landschapslijnen en het daar waar mogelijk eventueel herstellen of accentueren van deze lijnen moet daarom zwaar meewegen in het eventueel herinrichten van delen van de polders.
d. Boerderijen in de droogmakerijen
Archeologische waarnemingen (ARCHIS, rood), monumenten (AMK-terrein, blauw) op de Cultuurhistorische Hoofdstructuurkaart van de Provincie Zuid-Holland (Kroes, 2009)
44
b. Kreekruggen
2. Bewoning
Hoewel veel van de boerderijen inmiddels zijn verdwenen zijn er tientallen nog terug te vinden in en rond het projectgebied. De oudsten zijn te vinden in de noordelijkste polder Buijtenland van Rhoon en vormen ware juweeltjes: Reesteijn (1470) en Heuvelsteijn (17e eeuw/1906), Johannahoeve (1790) en Buytenhof (1600/1905). Ook de zuidelijke polders kennen echter nog markante boerderijen, waaronder met name de Portlandhoeve (1803) en de Zegenhoeve (1890) (Binder, 2016 en polderdag-rhoon.nl).
45
b. Molens en boezemvaarten In dit laagliggende land moet constant regenwater uit de polders worden gemalen. Hiervoor werden lange tijd voornamelijk windmolens gebruikt die in de 16e en 17e eeuw voornamelijk uit houten wipmolens bestonden. Er is bekend dat er eerst een wipmolen in de Molenpolder heeft gestaan die zorgde voor de uitwatering van zowel de Zegenpolder als de Molenpolder naar de Oude Maas. In 1691 is deze molen verplaatst van de Molenpolder naar het oostelijke deel van de Zegenpolder. In 1770 is deze vervangen door een stenen grondzeiler (www.molendatabase. org). Bij de aanleg van de Portlandpolder in 1769 is er nog een stenen grondzeiler net ten oosten van de Veerweg aan toegevoegd die verantwoordelijk was voor de uitwatering van deze nieuwe polder. In 1879 is de functie van beide molens overgenomen door een stoomgemaal. Ten noorden van de Essendijk werd de polder van het Buijtenland van Rhoon uitgewaterd op de Oude Koedood. Hier werd in 1709 een stenen grondzeiler gebouwd aan de zuidkant van de Oude Koedood, recht tegenover de Pendrechtse molen die aan de noordkant van de Koedood de Nieuwe Pendrechtse polder bemaalde. De Buijtenlandse watermolen is in 1910 gesloopt en vervangen door een stoomgemaal. Delen van de molen zijn later gebruikt om een korenmolen in Oisterwijk op te knappen (www.polderdag-rhoon. nl). Het stoomgemaal is later ook gesloopt.
De Pendrechtse molen is echter bewaard gebleven en in 1993 drie kilometer naar het oosten verplaatst om plaats te maken voor een industrieterrein. Voor de uitwatering van de Zegenpolder en Portlandpolder waren in de 19e eeuw brede boezemvaarten aangelegd. Hoewel deze boezemvaarten op de meeste plekken nog wel als kavelsloot te vinden zijn, zijn deze niet meer als boezem te herkennen. Naast watermolens werden er ook korenmolens gebouwd om het graan tot meel te verwerken. In het projectgebied zelf heeft geen korenmolen gestaan, maar aan de noordkant van Rhoon heeft in het Binnenland van Rhoon wel een korenmolen gestaan in de vorm van een stenen stellingmolen: Het Hert (1849). Het Hert werd in 1971 ontmanteld en uiteindelijk in 1976 volledig gesloopt om plaats te maken voor een uitbreidingswijk van Rhoon. Er is nog wel een straatnaam die verwijst naar de oude standplaats van deze korenmolen.
46
noorden wordt echter steeds grootschaliger en openen naar het zuiden. Met name in de meest recente polder in het projectgebied, de Portlandsche polder, is te zien dat zowel de hoofdwatergangen als de secundaire sloten al een veel grootschaliger en rationeler patroon volgen met veel rechte lijnen en lange percelen. Dit meer grootschalige karakter heeft zich na de Tweede Wereldoorlog nog verder ontwikkeld tot het open en grootschalige landschap dat het nu is. Veel kavelsloten zijn gedempt en zijn met buurpercelen tot grote, mechanisch goed te bewerken percelen omgevormd. Daar komt nog bij dat percelen zelf, voor de ondergrondse drainage zijn opgang deed, nog verder opgedeeld waren in smalle deelakkers van 10 tot 20 meter breed die zo bol waren geploegd dat deze bovengronds afwaterde naar de lagere greppels die zich tussen de deelakkertjes bevonden. Het verdwijnen van zowel deze deelakkers als het verdwijnen van veel kavelsloten heeft veel overgangen en diversiteit in het landschap doen verdwijnen.
Polderwipmolen Oostmolen Mijnsheerenland: Een houten wipmolen zoals die in de Molenpolder heeft gestaan en later is verplaatst naar de Zegenpolder. Bron: https://hoekschewaard. wordpress.com/molens/
Historische windmolens vormen in Nederland een heel belangrijk element in onze cultuurhistorie die enorm tot de verbeelding spreekt. Ze helpen om het verhaal van de ontstaansgeschiedenis van een gebied te vertellen, maar vormen ook een belangrijke blikvanger en richtpunt voor passanten en recreanten. Een graanmolen biedt daarnaast de mogelijkheid om ook in de producten die het verwerkt een verbinding te maken tussen de landbouwproducten die in de buurt worden geproduceerd en de consument die op deze manier de beschikking krijgt over zeer herkenbare producten met een bijbehorend verhaal van grond tot mond.
c. De verkaveling Naast dit verleden van inpoldering vertelt ook de kavelverdeling in de polders een verhaal. In het noordelijke deel is te zien dat de verkaveling nog heel erg kleinschalig is en er vele kleine perceeltjes zijn terug te vinden die als een legpuzzel het gebied invullen. Dit wat kleinschaligere en meer gesloten landschap in het
De laatste tijd wordt steeds meer duidelijk dat het meer grootschalig en uniform worden van dit landschap ook een keerzijde heeft. Met name op randen van percelen en gewassen vond namelijk een veelheid aan biodiversiteit een plek in het agrarische landschap. Het herstellen van een deel van die perceelsovergangen ligt dus voor de hand bij het streven naar herstel van deze biodiversiteit. Naast de inpassing in de huidige agrarische bedrijfsvoering moet bij het herstellen van die verkaveling echter ook rekening gehouden worden met het hiervoor beschreven verschil in karakter van de verkaveling in het noordelijke en het zuidelijke deel van het gebied.
d. Napoleonroute Een hele belangrijke historische route door het gebied vormde de Napoleonroute, die per keizerlijk decreet in 16 december 1811 opgenomen werd in de lijst als de Route Imperiale IIIe klasse no. 65. Deze route liep van Antwerpen, Bergen op Zoom, Rotterdam en Den Haag naar Haarlem (Binder, 2016) en kwam vanuit de zuidelijk gelegen Hoekse Waard via een veerpontje het gebied binnen over de Veerweg. De route verloopt vervolgens via de Veerweg, Korteweg, Essendijk, Oudeweg door het gebied om via de Rijsdijk het gebied te verlaten. Enkele verwijzingen naar deze belangrijke verbindingsroute uit de Napoleontische periode zijn nog in het landschap terug te vinden: het Veerhuis, een historisch bruggetje en enkele kilometer- en hectometerpaaltjes.
De historisch Napoleonroute en de hooggelegen dijkwegen vormen een hele mooie drager voor het ontwerp van de recreatieve routes. De toenemende drukte aan gemotoriseerd verkeer op deze dijken heeft op veel plaatsen echter wel voor problemen gezorgd omdat de beperkingen van het dijktalud verbredingen van deze wegen vaak niet mogelijk maakt. In de verdere ontwikkelingen van deze ontsluitingsroutes moet hier dus goed rekening mee worden gehouden. Daarnaast moet naast het dankbaar gebruik maken van de bestaande dijkwegen ook erg zuinig omgegaan worden met de enige dijk in het gebied die nog geen verharde weg heeft, de Molenpolderse Zeedijk. Deze grasdijk vormt daarbij een bijzondere uitzondering in het gebied wat in het landschappelijke beeld een mooie aanvulling vormt en als zodanig ook de moeite waard is om te bewaren.
Kilometerpaal 34 van de Napoleonroute tegenover Essendijk 7 in Rhoon die het projectgebied doorkruist. Bron: polderdag-rhoon.nl
4. Historisch landgebruik a. Bouwplannen Het agrarisch landgebruik in Zuidwest-Nederland heeft zich vanaf de vroege geschiedenis altijd sterk gericht op landbouw. Toch werd het karakter van de landbouw niet alleen door de grondsoort bepaald. Ook de relatieve nabijheid van grote steden in Vlaanderen (Antwerpen, Gent) en later Noord- en ZuidHolland speelde een rol. Hierdoor werd de landbouw door de eeuwen heen veel meer gekenmerkt door het telen van handels- en groentegewassen dan in de akkerbouwgebieden die verder verwijderd waren van deze bevolkingscentra (Groningen, Friesland, Limburg en het oostelijke rivierengebied). Naast gewassen
47
als vlas en koolzaad was dit onder andere meekrap, verbouwd als grondstof voor zijn rode kleur, maar ook lang vergeten gewassen als kaardenbollen, mierikswortel en koriander (Bieleman, 1992). De grote diversiteit in gewassen zoals het gebied vanaf het ontstaan van de polders al heeft gekend, is in de naoorlogse periode een stuk teruggelopen. In de wedloop van de landbouwintensivering hebben heel veel gewassen de noodzakelijk opgaande lijn in productie niet kunnen bijhouden en zijn daardoor grotendeels onrendabel geworden. Akkerbouwrotaties van de 21e eeuw worden nog slechts gedomineerd door een handjevol gewassen: aardappelen, suikerbieten, uien en wintertarwe vormen het leeuwendeel van het gewasareaal. Typerend voor de Zuid-Hollandse eilanden kan daar een bescheiden areaal spruiten aan worden toegevoegd. De grootste teruggang is te zien in de maaivruchten die vroeger naast een grotere diversiteit in granen vooral ook meerdere bloeiende gewassen kenden (bonen, erwten, vlas en koolzaad). Met name het verdwijnen van deze bloeiende maaivruchten kan als één van de oorzaken worden opgevoerd voor de terugloop aan insecten in het agrarisch landschap die als broedvoedsel dienen voor de foeragerende akkervogels.
Het terugbrengen van een deel van deze gewasdiversiteit kan een belangrijk aanknopingspunt zijn voor het herstellen van de biodiversiteit (akkerflora, insecten en akkervogels) in het projectgebied.
b. Landgebruik Niet alleen de bouwplannen zijn door de eeuwen heen sterk veranderd, ook het algemeen landgebruik was aan verandering onderhevig. In de vooroorlogse landbouw was er namelijk nog veel minder sprake van specialisatie. Daar waar we in het huidige landschap scherpe scheidingen zien in delen die bestemd zijn voor landbouw, bewoning, recreatie of natuur werd het vooroorlogse landgebruik veel meer gekenmerkt door verwevenheid. Bewoning was veel minder verspreid door de regio, de laagste natte delen van polders (eeuwkanten) werden ingericht als grienden om voor geriefhout te zorgen, de iets minder lage en natte delen werden als permanente of semipermanente graslandjes ingericht om als voervoorziening voor de paarden en koeien te zorgen en de akkerbouw zelf was ook veel minder pure akkerbouw en had in de vruchtwisseling ook tijdelijk gras- of klaverteelt opgenomen. Rond de erven waren kleine boomgaarden te vinden die deels ook als uitloop dienden voor een deel van het vee. Hoewel de veebezetting in het gebied veel lager was dan in bijvoorbeeld het veenweidegebied, waar akkerbouw nagenoeg niet mogelijk is, kwam er rond 1850 op de Zuid-Hollandse eilanden per
48
100 ha cultuurgrond toch 24 GVE’s aan runderen voor, 13 GVE’s aan paarden en 2 GVE aan schapen (Bieleman, 1992). Naast de trekkracht waren deze dieren namelijk ook een belangrijke leverancier van mest voor de akkerbouw. Daarnaast droeg met name de tijdelijke klaverteelt bij aan het vruchtbaar houden van de akkerbouwgrond. In het zuidelijke buitendijkse gebied werden in de 19e eeuw ook nog uitgebreide grienden aangeplant die voorzagen in een grote behoefte aan hout en twijgen voor een veelheid van toepassingen (manden, beschoeiing). In dit buitendijkse deel werd ook een eendenkooi aangelegd waar eenden werden gevangen en waar volgens het Middeleeuwse afpalingsrecht binnen een afstand van 200 Rijnlandse roeden (750 m) de rust niet mocht worden verstoord. Beide elementen zijn na de Tweede Wereldoorlog langzaam in onbruik geraakt omdat de vraag naar wilgentenen snel afnam en het werken in de eendenkooi niet meer rendabel was. Deze grienden worden echter nog met veel passie en inzet in ere gehouden. Ook hier geldt weer dat het historische landgebruik een belangrijke inspiratiebron kan zijn voor het herstel van de biodiversiteit in het agrarische landschap.
Natuur 1. Akkerflora a. Achteruitgang van akkerflora Het zuidwestelijke zeekleigebied, waar het Buijtenland van Rhoon onderdeel van is, werd ook in de historie altijd al gekenmerkt door akkerbouw, wat zich in de gewassen die verbouwd werden voornamelijk richtte op het leveren van voedsel- en handelsgewassen aan de grotere steden in de buurt. Tussen de veelheid aan gewassen kwamen, met name in de akkerbouw van voor de 20e eeuw, ook een veelheid aan begeleidende akkeronkruiden voor die veelal ook erg kleurrijk waren. De grote diversiteit aan akkerflora is echter in de loop van de 20e eeuw steeds verder achteruitgegaan. Deze achteruitgang kondigde zich in de 19e eeuw aan. De meest gevoelige vormen van akkerflora kregen het aan het eind van deze eeuw reeds moeilijk door de toenemende beschikbaarheid van kunstmest, een verbeterde zaadschoning en een optimalisatie van de mechanische onkruidbestrijding (rijenteelt en schoffelwerktuigen). De grote achteruitgang heeft zich echter ingezet na de Tweede Wereldoorlog, waarbij met name de opkomende chemische onkruidbestrijding het leeuwendeel van deze diverse akkeronkruiden liet doen verdwijnen. Deze sterk dalende trend kwam echter pas laat onder de aandacht bij de natuurbescherming.
Pas in 2000 is een beschermingsplan gepubliceerd (Bakker, 2000) waarin deze alarmerende achteruitgang van flora-associaties wordt beschreven en een eerste poging wordt gedaan om aanwijzingen te geven om de dalende trend om te buigen. Hoewel er wel meer aandacht komt voor bedreigde akkerflora bij natuurbeheerorganisaties wordt de dalende trend verre van omgebogen. In 2005 werd hier in een interne evaluatie binnen Natuurmonumenten al aandacht voor gevraagd (Tooren et al., 2005). Ook uit studies van Natuurbalans en B-Ware in Brabant en Limburg (Verbeek, 2011) blijkt dat de situatie voor akkerflora nog steeds alarmerend is en de trend nog verre van gekeerd. In de laatste publicatie van de rode lijst (Sparrius et al., 2012) wordt wederom aangegeven dat akkerflora tot de meest bedreigde flora-associaties van Nederland behoort, en dan met name de akkerflora van de kalkrijke gronden. Van de 33 karakteristieke soorten zijn er 29 soorten (88%) die op de rode lijst staan. Rond 2010 zijn daarom meerdere programma’s gestart
om samen met beheerders naar succesvol herstel toe te werken (Eichhorn 2011 en 2012 en Verbeek et al 2016). Hieruit blijkt onder andere dat voor een goed herstel niet alleen een aangepast beheer nodig is en de juiste (a)biotische randvoorwaarden op het betreffende perceel, maar dat ook een uitvoerend beheerder betrokken moet zijn die goed weet welke werkzaamheden wanneer moeten worden uitgevoerd.
b. Onderbouwing van de uitvoeringsmaatregelen Er is een veelvoud aan redenen waarom de rijkheid aan flora zoals die vroeger op de akkers kon worden gevonden geen kans meer lijkt te hebben in het huidige akkerbouwsysteem. Een deel van deze oorzaken laat in de loop van de 19e eeuw al een afname zien. Daarbij moeten we denken aan de toenemende dichtheid van gewassen door een hogere bemesting (gevolg van de introductie van kunstmest), verbeterde zaaizaadschoning (rond einde 19e eeuw) en intensivering van de bouwplannen door toename van het aandeel hakvruchten ten koste van het aandeel maaivruchten. Maar de grootste teruggang werd veroorzaakt door de steeds efficiëntere onkruidbestrijding die zeker na de Tweede Wereldoorlog in een stroomversnelling kwam door de inzet van herbiciden en voortgaande landbouwmechanisatie met onder andere kortere stoppelfases en grotere percelen als resultaat. Om de vorm van akkerbouw die nodig is voor een breed herstel van akkerflora mogelijk te maken, zullen we moeten teruggrijpen op een akkerbouw die zo veel extensiever is dan de huidige (zelfs biologische) akkerbouw, dat het aanleggen van aparte flora-akkers de enige manier is om dit voor elkaar te krijgen. Daar staat echter tegenover dat de oppervlaktes die hiervoor nodig zijn niet heel groot hoeven te zijn om voor de veelheid aan soorten ruimte te bieden die we graag terug willen zien.
Relatief kleine akkers van 1-2 ha zijn vaak meer dan voldoende voor een goed herstel. Toch is de ervaring ook dat door slechts kleine verschillen in grondslag, bemestingstoestand of ontwatering grote verschillen kunnen ontstaan in welke doelsoorten zich bestendig kunnen vestigen op een akker. Het aanleggen van voldoende akkers op verschillende plekken in de polder met steeds afwijkende (a)biotische factoren is dus essentieel voor het vergroten van de kansen voor een zo breed mogelijke terugkeer van de gewenste doelsoorten. Uit ervaringen met akkerfloraherstel in andere gebieden in Nederland (Prins, 2016) blijkt dat het zorgen voor een passend beheer op flora-akkers echter niet
49
voldoende is om tot herstel te komen. Dit heeft te maken met het feit dat de zaadbank in de bodem van gewenste doelsoorten vaak niet meer aanwezig is door het uiterst dynamische karakter van akkerbeheer (elk jaar ploegen maakt steeds weer een nieuwe lading onkruiden wakker die bij intensieve onkruidbestrijding geen kans zien zich te vermeerderen). Hierdoor is een mogelijk historische zaadbank in veel gevallen volledig uitgeput. Naast een actief floragericht beheer zal daarom een actief herintroductieprogramma moeten worden opgezet om de verdwenen doelsoorten weer terug te kunnen brengen in het gebied. Om de in het streefbeeld genoemde floradoelsoorten terug te kunnen krijgen in het Buijtenland van Rhoon wordt in eerste instantie ingezet op twee hoofdmaatregelen: het aanleggen van een kweektuin van doelsoorten en tevens het aanleggen van speciale flora-akkers waarbij het beheer er primair op gericht is de genoemde doelsoorten een bestendige plek te geven. Zoals aangegeven geldt voor beiden dat het ruimtebeslag daarvan beperkt kan zijn, maar dat er wel een veelvoud aan locaties met verschillen in grondslag, bemesting of vruchtwisseling nodig is om voldoende kansen te bieden voor het herstel van zo veel mogelijk doelsoorten1. In het hele projectgebied wordt daarom gestreefd naar minimaal 25 ha aan flora-akkers die minimaal bestaat uit 10 verschillende flora-akkers.
Sommige wat grotere percelen zullen worden gebruikt om de effecten van verschillend akkerbeheer (bemesting, vruchtwisseling etc.) te kunnen bekijken.
of als bouwlocatie of als grasland verdergaat. Hiermee duiken lokale genetische bronnen vaak tijdelijk op om daarna, veelal voor de eeuwigheid, verloren te gaan. Het opzetten van een kweektuin zal daarom als voornaamste doel hebben om lokaal opduikende doelpopulaties, met name de doelpopulaties die een tijdelijk karakter lijken te hebben, op te kweken om deze vervolgens op één van de aan te leggen flora-akkers een bestendige plek te geven. Een sprekend voorbeeld hiervan is het spontaan opduiken van een populatie van de uiterst zeldzame Stijve wolfsmelk in het Buijtenland van Rhoon dit jaar (2017) vanwege graafwerkzaamheden op een perceel aan de Oudeweg waar een natuurvriendelijke oever is aangelegd. Hierbij is een oude grondlaag aangeroerd die blijkbaar in geen jaren het daglicht had gezien en waar spontaan tientallen exemplaren Stijve wolfsmelk uit tevoorschijn kwamen. Het toekomstig beheer van deze natuurvriendelijke oever doet verwachten dat deze soort na 1-2 jaar op deze plek zal verdwijnen waarmee deze soort hier mogelijk nooit meer terugkeert. Door het zaad van deze planten echter te oogsten en op te kweken kan deze soort een bestendige plek krijgen op één van de aan te leggen flora-akkers, daarmee deze genetische bron behoudend.
Gezien de voorgenomen aanleg van nog veel meer natuurvriendelijke oevers in het gebied is extra alertheid voor de komende jaren geboden om spontaan opduikende akkerflora op dezelfde manier te kunnen oogsten, opkweken en uitzetten.
c. Toelichting Kweektuin Zoals terecht in het Alterrarapport wordt opgemerkt, is de kans erg klein dat in het gebied een breed scala aan gewenste doelsoorten spontaan zal terugkomen. Er zal daarom een actief herintroductieprogramma nodig zijn om een groot deel van de gewenste soorten weer terug te krijgen. Nu kan teruggegrepen worden op nog aanwezige bronnen van deze doelsoorten in Nederland of aangrenzende landen, maar uit onderzoek van Science-4-Nature blijkt dat we met name bij de groep van akkerflora extra aandacht moeten besteden aan het behouden van zo veel mogelijk, genetisch onderscheidende bronpopulaties2. Dit vraagt erom niet elke akker te herintroduceren met dezelfde, nu nog bekende bronpopulatie. Een andere specifieke eigenschap van akkerflora is dat deze regelmatig tijdelijk opduikt op een plek, doordat de grond verstoord wordt vanwege graafwerkzaamheden. Doordat het bij akkerflora echter om annuellen gaat, verdwijnen deze soorten dan vaak weer na 1-2 jaar omdat de bewuste plek niet als (flora)akker beheerd wordt, maar
50
De variatie in grondslag in het hele projectgebied is niet heel erg groot. Door de ontstaansgeschiedenis van de polders (aanwaspolders) bevinden de lichtste gronden zich grotendeels aan de rivierkant van de polder (zuidkant) terwijl de grondslag verder van de rivier af zwaarder wordt. Toch is de variatie in grondslag in het gebied niet heel erg groot. De lichtste gronden behoren tot de matig zware zavels (15% lutum), wat oploopt tot matig zware kleigronden met een lutumgehalte van 40%. Dwars door de Molenpolder en in het noordoostelijke deel van de Zegenpolder loopt echter ook een wat hogere rug waar de kleilaag een stuk dunner lijkt (0,5m ipv 1m) dan in de rest van het gebied en waar de gronden iets lichter lijken te zijn. De grootste kansen voor bijzondere akkerflora lijken te liggen op de wat lichtere kleien zavelgronden, maar de akkers zullen op zo veel mogelijk verschillende gronden worden aangelegd, verspreid over de verschillende polders om een zo groot mogelijk palet aan doelsoorten de ruimte te bieden voor duurzaam herstel. Daarnaast is er een oude stroomrug die deels door de Molenpolder loopt waar de gronden plaatselijk ook iets lichter zijn. Het goed verspreiden van de flora-akkers heeft als aanvullend voordeel dat ze vanwege de aanwezige florarijkdom een goede foerageerplek vormen voor akkervogels zowel in de broedtijd als in de herfstperiode (stoppelfase).
1
De meeste akkerflora zijn zelfbestuivers waardoor grote genetische uniformiteit is binnen een lokale populatie. Het in stand houden van genetische diversiteit moet daarom gebeuren door het in stand houden van meerdere, genetisch verschillende bronpopulaties.
2
d. Toelichting flora-akkers
e. Onderbouwing en uitwerking lerend beheren
Voor de inrichting van flora-akkers kan gekozen worden voor een aanpak waarbij de gewasproductie geheel wordt losgelaten en het beheer zich geheel richt op het ruimte bieden voor de gewenste doelsoorten (Eichhorn 2010 en 2012) en een aanpak waarbij de vooroorlogse akkerbouw model staat voor het gewenste akkerbeheer (Verbeek et al., 2016). Hoewel beide wijzen van aanpak goede en slechte resultaten hebben opgeleverd in de verschillende regio’s van Nederland wordt voor het grootste deel van de flora-akkers in het Buijtenland van Rhoon in eerste instantie gekozen voor de tweede aanpak. Deze keuze wordt gemaakt om twee redenen: ten eerste past deze manier van aanpak het best bij het feit dat agrariërs het uitvoerend beheer op deze akkers gaan doen en daarmee het maatwerk en de aandacht kunnen leveren die met name nodig is om deze vorm van beheer succesvol te maken, maar ten tweede ook omdat deze vorm beter past bij de meervoudige doelstelling van natuur, landbouw, recreatie en cultuurhistorie.
Door niet alleen de vruchtwisselingen en bemestingsniveaus op deze akkers af te stemmen op een historische vorm van akkerbouw, maar daarbij ook te kiezen voor oude gewassen en rassen zoals oude graanrassen, vlas en meekrap ontstaat de mogelijkheid tot regionale afzet en verwerking van deze granen in een uniek streekproduct dat tegemoetkomt aan een versterking van de beleving door bezoekers van het gebied en omwonenden. Het bijkomend voordeel van oude granen is dat ze vaak nog een grotere strolengte bezitten waardoor de balans tussen gewenste doelsoorten en ongewenste wortelonkruiden beter kan worden behouden.
Over het gewenste beheer op flora-akkers zijn de laatste jaren behoorlijk wat rapporten verschenen. Na de eerste beheersaanwijzingen in het Beschermingsplan Akkerplanten zijn de rapporten recent uitgebreid bekeken in een inventariserend onderzoek uitgevoerd door Eichhorn-Ecologie in opdracht van Vereniging Natuurmonumenten en een akkerfloraherstelprogramma uitgevoerd door Natuurbalans, Louis Bolk Instituut, B-Ware en Science-4-Nature in opdracht van de provincie Noord-Brabant. Uit beide projecten komen een aantal duidelijke lijnen naar voren die cruciaal zijn voor het herstel van akkerflora:
Op termijn denken wij dat het goed is dat er verschillende bouwplannen worden uitgeprobeerd die gebaseerd kunnen zijn op de historische bouwplannen in de drie belangrijkste kalkrijke kleigebieden van Nederland: Zuidwest-Nederland (Zeeland en Zuid-Hollandse eilanden), Noord-Nederland (Groningen, Friesland) en ZuidoostNederland (Limburg) (zie voor voorbeelden in ‘Lerend beheren’). Met name in het eerste geval zullen vruchtwisselingen niet alleen bestaan uit maaivruchten, maar ook voor een belangrijk deel uit hakvruchten (bijv. aardappelen, uien en mogelijk meekrap). Om de start echter niet al te moeilijk te maken adviseren we eerst met een vereenvoudigd Gronings bouwplan te starten waarin een wintergraan en een zomergraan jaarlijks worden gewisseld. Als bemestingsniveau kan begonnen worden met 40-60 kg Ntotaal/ha in de vorm van vaste dierlijke mest (runderpotstalmest of geitenpotstalmest) en/of natuurcompost.
1. 2. 3. 4.
5. 6. 7. 8.
een gebruik van chemische onkruidbestrijding en spaarzaam gebruik van mechanische onkruidbestrijding; geen of een schrale bemesting die de vooroorlogse bemestingsniveaus niet overschrijdt; herintroductie van akkerflora is essentieel omdat in de meeste gevallen geen historische bodemvoorraad aan onkruidzaden meer aanwezig is; het houden van de balans tussen gewenste akkerfloradoelsoorten en algemene, woekerende soorten als kweek, distels en hoefblad vraagt gerichte aandacht in het beheer; meer nadruk in de vruchtwisseling op maaivruchten vs hakvruchten; gebruik van weinig geschoond eigen zaaizaad; langere stoppelfase; voor enkele specialistische onkruiden moeten specifiek bepaalde gewassen weer verbouwd worden (op de ZH-eilanden met name vlas en mogelijk ook meekrap).
Er zijn echter ook een aantal zaken waar nog geen consensus over is ten aanzien van het verhogen van de slagingskans voor akkerflora: 9. de zaaidichtheid van de gewassen 10. het wel of niet toepassen van bemesting 11. het wel of niet toepassen van vruchtwisseling (afwisseling winter- en zomergraan, hakvruchten, grasklaver/luzerne)
51
Om met name op deze laatste vragen antwoord te krijgen stellen wij voor om de komende jaren meerdere historische vruchtwisselingen van de kalkhoudende kleigronden met elkaar te vergelijken en daarin ook verschillende bemestingsniveaus aan te houden. Voor de vruchtwisselingen hebben we inspiratie gehaald uit de historische agrarische literatuur en komen we tot drie mogelijke vruchtwisselingen die kenmerkend waren voor de drie kleiregio’s van Nederland in de 19e eeuw. Bouwplan Zeeland en Zuid-Hollandse eilanden begin 1800: Jaar
Gewassen
1
braak (grasklaver)
2
wintertarwe
3
meekrap
4 5
vlas
6
veldbonen
7
wintergerst
Bouwplan Groningen begin 1800: Jaar
Gewassen
1
braak (grasklaver)
2
wintertarwe
3
haver
4
winterkoolzaad
5
veldbonen
6
wintergerst
7
zomerkoolzaad
52
Bouwplan Limburg begin 1800: Jaar
Gewassen
1
braak (grasklaver)
2
spelt
3
winterrogge
4
haver
5
spelt
6
winterrogge
7
winterrogge
De vruchtwisseling bestond daarbij uit een 4 tot 7-jarige vruchtopvolging, onderbroken door een jaar zwarte braak. De braakperiode werd daarbij gebruikt om toenemende onkruidproblemen de baas te worden, waaronder wortelonkruiden als distels. Daarnaast werd de voornaamste mestgift vaak in deze braakperiode gegeven. Door de eeuwen heen is te zien dat de braak steeds verder kon worden beperkt door licht verbeterende opbrengsten, dichtere gewasstand en daarmee minder ontwikkelende probleemveronkruiding. Rond het begin van de 19e eeuw werd echter nog steeds eens in de 7 jaar gebraakt. Op GoereeOverflakkee zagen de verhoudingen tussen gewassen er in 1820 ongeveer als volgt uit:
Hieronder drie bemestingsniveaus met indicatieve graanopbrengsten: aardappel
Referentietijd
Bemesting
Graanopbrengst
haver
1800
40-60 kg Ntotaal/ha
1,5-2 t/ha
winterkoolzaad
1900
60-80 kg Ntotaal/ha
2,5-3 t/ha
1960
80-120 kg Ntotaal/ha
3-4 t/ha
f. Historisch perspectief akkerbouw in het Zuidwestelijke kleigebied Het Zuidwestelijke kleigebied werd al in de vroege historie (vroege middeleeuwen) gekenmerkt door een intensief en door akkerbouw gedomineerd landgebruik. Door de nabijheid van belangrijke bevolkingscentra (Antwerpen, Gent) werden daarbij niet alleen voedselgewassen geteeld, maar ook verscheidene nijverheidsgewassen als vlas, koolzaad en meekrap (rode kleurstof). De vruchtwisseling werd daardoor altijd gekenmerkt door een grote diversiteit waarbij de veehouderij in het gebied duidelijk in dienst was van de akkerbouw (mestleverantie). Bemestingsniveaus lagen daarbij altijd hoger dan in het meer oostelijke zandgebied en ook de opbrengsten waren beduidend hoger. In tegenstelling tot het zandgebied waar met name rogge en haver domineerde, werden in de kleigebieden de behoeftigere granen als tarwe en gerst verbouwd. Ook peulvruchten hebben altijd een belangrijke rol gespeeld in de vruchtwisselingen van het kleigebied.
tarwe
19%
rogge
2%
gerst
10%
haver
10%
erwten
4%
bonen
7%
uien
1%
aardappelen
10%
meekrap
12%
vlas
5%
koolzaad
5%
braak
15%
Uit: Bieleman (1992) Typische opbrengsten voor tarwe waren 1,5 t/ha begin 19e eeuw en stegen tot 2,5 t/ha begin 20e eeuw (Bieleman, 1992). De bemesting bestond begin 19e eeuw uit ongeveer 10 ton vaste stalmest per jaar (Slicher van Bath, 1987).
2. Akkervogels a. Achteruitgang akkervogels Net als in veel andere landbouwgebieden in Nederland is het aantal en de diversiteit van boerenlandvogels in het Buijtenland van Rhoon gedurende de tweede helft van de 20e eeuw enorm afgenomen. Detailgegevens
over soortenrijkdom en aantallen uit het verre verleden ontbreken helaas. Voor heel Nederland wordt de achteruitgang geschat op enige miljoenen broedparen sinds 1960 (http://www.clo.nl/indicatoren/nl1479-vogels-vanhet-boerenland?ond=20882). Veel soorten zijn gedecimeerd in aantal en uit veel gebieden verdwenen. Het behoeft dan ook geen verbazing dat een groot deel van de karakteristieke boerenlandvogels op de Rode Lijst is terecht is gekomen (in totaal 27 soorten, zie van Kleunen et al. 2017). Ook in het Buijtenland van Rhoon heeft deze kaalslag plaatsgevonden. De met name door akkervogels gedomineerde boerenlandvogel-gemeenschap waarin soorten voorkwamen als patrijs, steenuil en zomertortel zijn geen schim meer van voorheen (Vogelwerkgroep Avifauna West-Nederland 1981, Teixeira 1979). Eens algemene soorten als veldleeuwerik en graspieper zijn zeldzaam geworden. Deze achteruitgang in heel Nederland staat niet op zichzelf en doet zich in geheel Europa voor (Gregory et al. 2005). De oorzaken zijn verbonden met de steeds intensievere landbouwpraktijken en de gewijzigde gewassamenstelling (Newton 2013). Als reactie op deze achteruitgang zijn al enige decennia beschermingsplannen in zwang (zie o.a. www.vogelbescherming.nl) .
Met name via maatregelen in het kader van agrarisch natuurbeheer wordt gepoogd om de habitatkwaliteit voor boerenlandvogels te verbeteren en zijn er tal van publicaties met richtlijnen voor concrete maatregelen op soortniveau, zie o.a. de factsheets voor akkervogels en akkervogelbeheer van Vogelbescherming Nederland. Een combinatie van specifiek te nemen inrichtingsmaatregelen en een aangepaste agrarische bedrijfsvoering biedt grote kansen om in de polder Rhoon voor boerenlandvogels, met name de akkervogels, gunstige habitatvoorwaarden te scheppen die zullen leiden tot terugkeer en duurzaam herstel van de populaties.
b. Onderbouwing van de indicatoren Om te komen tot een lijst van doelsoorten is in eerste instantie een groslijst gemaakt op basis van de soorten die al in eerdere stappen in het proces zijn opgenomen. Daarbij is gekeken naar het VNC rapport uit februari 2014, het rapport Veerman uit juni 2014, het Alterrarapport uit juni 2015 en het rapport Verdaas uit mei 2016. In deze rapportages worden doelsoorten benoemd voor de broedperiode en de winterperiode. Samen met een groep experts die deels ook beschikken over gebiedskennis is uit deze groslijst een uiteindelijke lijst met doelsoorten voortgekomen.
53
Het voorspellen van aantallen is notoir lastig. Niet alleen is een goed beeld nodig van het toekomstig habitatbeeld, ook moeten er goede referentiedichtheden worden gebruikt. Als basis voor de inschattingen is gebruik gemaakt van de schetsen over aandeel natuurmaatregelen, de ingezette verandering in de landbouw en de daarvoor geplande oppervlaktes. Uiteraard bestaan er nog veel vrijheidsgraden in hoe nu precies het geplande landschapsonderdeel wordt ingericht-beheerd. Dat geldt met name voor de gras- en akkeronderdelen. Gewastype, gebruik en beheer hebben een grote invloed op de verwachte dichtheden van de soorten. De aantallen dienen zowel realistisch als ambitieus te zijn. Als basis voor de dichtheden is gekeken naar dichtheden die momenteel nog in landbouwgebieden in Zuidwest-Nederland worden gevonden. Echter, deze dichtheden zijn in reguliere landbouwgebieden veel lager dan vroeger. Daarom zijn ook expert judgement, oude dichtheden uit Nederland zoals in de databases van Sovon aanwezig zijn en indicaties voor dichtheden uit andere West-Europese gebieden gebruikt zoals Duitsland gebruikt(Flade 1986). Voor de indicatorsoorten zijn de aangegeven oppervlaktes en randen via de verwachte optimale dichtheden vertaald in aantallen. Voor icoonsoorten zijn expert-inschattingen gebruikt.
De verwachte aantallen zijn per definitie laag en eigenlijk gaat het grotendeels om een verwachte aanwezigheid als broedvogel. Voor de overige doelsoorten zijn in overleg met de gebiedsdeskundigen en de aanwezige gegevens uit het verleden (Teixeira 1979, Vogelwerkgroep Avifauna West-Nederland 1981) inschattingen gemaakt in vaste klasses. Voor overwinterende doelsoorten is het zo mogelijk nog lastiger om te komen tot aantalsvoorspellingen. Het gedrag buiten het broedseizoen is veel erratischer en is bijvoorbeeld afhankelijk van het winterweer. Tevens zijn aantallen buiten het broedseizoen veel minder dichtheidsafhankelijk en komen ze vaak in groepen voor. Referentie-getallen voor dichtheden zijn niet of nauwelijks voorhanden. De inschattingen zijn op basis van expert-judgement gedaan waarbij dezelfde klasseindeling wordt gehanteerd.
c. Onderbouwing van de uitvoeringsmaatregelen 1. Belangrijke elementen voor herstel Voor de vogelsoorten zoals die voor het Buijtenland van Rhoon als doelsoort zijn aangewezen, werd in al deze behoeftes voorzien door een akkerbouw zoals die
54
vlak na de Tweede Wereldoorlog nog bestond. Tijdens de intensivering van de landbouw die daarop volgde, is dit echter steeds verder teruggelopen. Inspiratie voor herstel kan dus worden gehaald uit kenmerkende elementen die in de akkerbouw zijn veranderd: het verdwijnen van vee en de bijbehorende weilandjes uit het akkerlandschap, de verbetering van de ontwatering van percelen door ondergrondse drainage, de terugloop in de gewasdiversiteit, de schaalvergroting van de akkerpercelen waardoor er minder gewasovergangen zijn, de terugloop in het aantal bloeiende maaigewassen en het toegenomen gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Het terugbrengen van elementen in een moderne agrarische bedrijfsvoering zal de uitdaging vormen waar we in het Buijtenland van Rhoon voor staan. Kijkend naar de oorzaken voor het teruglopen van de vogelstand, kunnen hier ook de elementen worden gevonden die belangrijk zijn voor herstel van deze vogelstand. Veel van de maatregelen die we hierna noemen zijn dan ook steeds terugkerende elementen in de adviezen vanuit Vogelbescherming.
Werkgroep Grauwe Kiekendief en SOVON: • Het terugbrengen van vochtigheid in het gebied, met name omdat deze vochtigheid veel insecten voortbrengt die als voedsel dienen voor veel akkervogels • Het terugbrengen van meerjarige en/of kruidenrijke elementen, deels omdat hieruit zaden voortkomen die voor de herfst en winter een belangrijke voedselbron vormen voor vogels, maar ook vanwege de aantrekkende werking op insecten, zowel bloembezoekend, als insecten met een tweejarige cyclus, als bodembewoners • Schrale graslandvegetatie die niet te vaak wordt gemaaid
Het belang van deze maatregelen voor de verschillende doelsoorten voor broeden, foerageren of overwintering wordt door experts van SOVON als volgt ingeschat: Foerageerfunctie
plasdrasrand
greppelplasdras
akkerrand
Ringmus Steenuil Boerenzwaluw Gekraagde roodstaart Roodborsttapuit Kneu Grasmus Grauwe klauwier Patrijs Putter Groenling Torenvalk Ransuil Spotvogel Grauwe vliegenvanger Blauwborst Zomertortel Veldleeuwerik Gele kwikstaart Kievit Velduil Grauwe kiekendief Kwartelkoning Bruine kiekendief Scholekster Graspieper Kwartel TOTAAL Broedfunctie
2 2 2 3
3 3 3 3
1 2 1 3
2 2 1 3
2 2 1 3
2 3 2 3
2 1 3 1
2 3 3 2
2 3 2 1
1 3 2 2
2 1 3 2
2 2 3 3 1 2 2 2 3 3 3
3 3 3 3 2 3 3 3 3 3 3
1 1 1 2 1 1 1 1 1 3 3
1 2 2 1 1 2 2 1 1 3 3
1 2 2 1 1 2 2 1 1 3 3
2 2 3 3 1 2 2 1 1 3 3
3 2 2 2 2 1 1 2 2 2 1
2 1 1 1 2 1 1 3 3 1 1
2 2 2 2 2 2 2 2 2 2 2
2 2 2 2 3 2 3 3 3 3 3
3 2 1 3 5 3 3 4 4 1 2
2 1 1 1 1 2 2 1 2 1 2 2 7
3 2 3 1 1 1 1 1 1 1 3 1 3 1 1 2 3 1 1 2 2 1 2 1 4 19 greppelplas- akkerrand dras 3 3 3 3 3 3 3 3
2 2 2 2 2 1 1 1 1 2 1 1 12
2 2 2 2 2 1 1 1 1 2 1 1 12 flora-akker
3 3 3 3 3 3 3 3 3 3 3 3 7
1 2 3 3 3 3 3 3 3 3 3 3 2
1 3 3 3 3 3 3 3 3 3 3 3 2
2 2 4 4 4 4 4 5 4 2 4 4
3 3 3 3
3 3 3 3
3 3 2 2 1 3 1 3 1 3 1 3 1 3 1 3 1 3 3 3 1 3 1 3 12 5 vogelakker/ boomgaard strokenteelt 3 1 3 1 3 3 3 1
1 2 2 3 1 3 3 3 3 3 3
1 2 2 3 1 3 3 3 3 3 3
3 3 3 3 1 3 3 3 3 3 3
3 3 3 3 1 3 3 3 3 3 3
2 3 2 2 2 2 2 2 2 2 1 2 3
2 3 2 2 2 2 2 2 2 2 1 2 3
3 3 2 2 2 2 2 2 2 2 1 2 2
3 3 1 1 2 1 1 1 1 2 1 1 9
plasdrasrand Ringmus 3 Steenuil 3 Boerenzwaluw 3 Gekraagde 3 roodstaart Roodborsttapuit 3 3 Kneu 3 3 Grasmus 3 3 Grauwe klauwier 3 3 Patrijs 2 2 Putter 3 3 Groenling 3 3 Torenvalk 3 3 Ransuil 3 3 Spotvogel 3 3 Grauwe 3 3 vliegenvanger Blauwborst 3 3 Zomertortel 3 3 Veldleeuwerik 2 2 Gele kwikstaart 2 2 Kievit 2 2 Velduil 3 3 Grauwe kiekendief 3 3 Kwartelkoning 3 3 Bruine kiekendief 3 3 Scholekster 2 2 Graspieper 2 2 Kwartel 2 2 TOTAAL 0 0 1 in hoge mate van belang 2 enige mate van belang 3 weinig of geen mate van belang
hooilandrand
floraakker
vogelakker/ strokenteelt
boomgaard
haag/ struweelrand
griend
haag/ struweelrand
rietstrook
griend/ knotwilg
TOTAAL
rietstrook
3 3 3 3
2 2 3 2
3 3 3 3
1 1 0 1
3 1 2 2 2 1 1 2 3 2 1
3 1 1 1 2 1 1 3 3 1 3
3 2 2 2 2 2 2 2 2 2 2
3 3 2 3 3 3 3 3 3 3 3
1 2 1 1 4 2 2 0 0 1 1
3 2 3 3 3 3 3 3 3 3 3 3 7
3 1 3 3 3 3 3 3 3 3 3 3 7
1 2 3 3 3 3 3 3 3 3 3 3 1
1 3 3 3 3 3 3 3 3 3 3 3 1
2 0 1 1 0 1 1 1 1 0 4 1
soort
plasdrasrand
greppelplasdras
Ringmus Kneu Veldleeuwerik Torenvalk Geelgors Velduil Grauwe gors Ruigpootbuizerd Putter Groenling Klapekster Blauwe kiekendief TOTAAL 1 2 3
2 2 2 3 2 3 2 3 2 2 3 3 0 in hoge mate van belang enige mate van belang weinig of geen mate van belang
akkerrand 3 3 3 3 3 3 3 3 3 3 3 3 0
hooilandrand 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 12
floraakker 2 2 2 1 2 1 2 1 2 2 1 1 5
vogelakker / strokenteelt 2 2 2 1 2 1 2 1 2 2 1 1 5
boomgaard
2 2 2 2 2 2 2 2 2 2 2 2 0
haag / struweelrand 3 3 3 3 3 3 3 3 3 3 3 3 0
griend
2 2 3 3 2 3 3 3 2 2 1 3 1
wintervoedselakker 3 3 3 2 3 2 3 2 3 3 2 2 0
rietstrook
1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 12
totaal
3 3 3 3 3 3 3 3 3 3 3 3 0
2 2 2 4 2 4 2 4 2 2 5 5
• Bloeiende struiken en bomen die een belangrijke broed- of schuilplaats vormen voor vogels van het kleinschalig akkerlandschap Om deze maatregelen echter ook goed in samenhang te laten werken en te kunnen vertalen naar een ruimtelijke verdeling in het gebied houden wij de volgende basisprincipes voor ontwerp aan: • Vogels komen op landschappen af, dus generieke maatregelen eerst; • De maatregelen zijn robuust met voldoende afwisseling en spreiding; • Er wordt rekening gehouden met de cultuurhistorie en met geformuleerde doelen op het gebied van recreatie; • De meest ingrijpende, langjarige maatregelen komen het eerst. Ongeacht de maatregelen die worden getroffen, hebben vogels voorkeuren voor landschappen. In het Buijtenland van Rhoon onderscheiden we kleinschalig landschap, dat aan de noordkant van de Essendijk is te zien en open akkerland aan de zuidkant van deze dijk. Het kleinschalig landschap bedient soorten zoals de kneu, de grasmus en de patrijs, het open akkerlandschap bedient soorten zoals de veldleeuwerik, de gele kwikstaart, de kievit en de graspieper. Daarnaast onderscheiden we erven, waar bijvoorbeeld een gekraagde roodstaart kan gaan broeden. Maatregelen zullen er daarom in eerste instantie op moeten zijn gericht om deze landschappelijke kenmerken te versterken.
Dat vogels voorkeuren hebben voor bepaalde landschappen betekent zeker niet dat ze zich aan de grenzen daarvan zullen houden. Zo zullen we ook in het open akkerland patrijzen
55
gaan tegenkomen en zullen zich op termijn gekraagde roodstaarten gaan vestigen in extensief beheerde boomgaarden. De beste plekken zullen altijd worden ingenomen door de meest dominante vogels, de rest moet met minder genoegen nemen. Een gedeelte van de natuurmaatregelen ondersteunt zowel de kwaliteiten van het kleinschalig boerenland als die van het open akkerland. Dit betreft akkerranden, watergangen en flauwe oevers. Om extra kwaliteit toe te voegen aan het kleinschalig boerenland worden daar hagen en hoogstamboomgaarden aangelegd. Om de kwaliteit van het open akkerland extra te behouden en te verhogen komt het accent te liggen op flora-akkers, akkerranden, vogelakkers en wintervoedselvelden. Bovendien wordt in het open land aantasting van openheid zoveel mogelijk beperkt, bijvoorbeeld door het tegengaan van bosontwikkeling, vervanging van hoge bomen door knotbomen en beperking van rietvegetatie. Door je eerst te concentreren op het creëren van aantrekkelijke landschappen, kan het best begonnen worden met generieke maatregelen waar bijna alle vogelsoorten in dat specifieke landschap van profiteren. Er zal dan eerst gekeken worden hoe alle individuele doelsoorten reageren op dit aangepaste landschap voordat er mogelijk wordt gekeken naar hele doelsoortspecifieke maatregelen. 2.
Robuustheid, afwisseling en spreiding Om de streefgetallen te kunnen behalen is robuustheid nodig, met voldoende afwisseling en spreiding. In de tweede helft van de 19e eeuw was het agrarische landschap vooral zeer gevarieerd en veel kleinschaliger dan nu. Afwisseling en spreiding van voor vogels belangrijke landschapselementen was uitbundig aanwezig, niet als gevolg van bewuste maatregelen, maar omdat er werd geboerd zoals er werd geboerd. De modernisering van de landbouw, die zeker niet op zichzelf staat, heeft dit beeld drastisch veranderd. Met het gevarieerde landschap van weleer verdween ook veel biodiversiteit en daarmee vogelrijkdom. In Rhoon liggen kansen om te laten zien dat hieraan iets is te doen, zonder de ontwikkelingen die we doormaakten terug te draaien en uitdrukkelijk met handhaving van agrarische bedrijfsvoering. Ruimhartigheid is daarbij een belangrijke randvoorwaarde. Daarom is met overtuiging gekozen om 40% van de beschikbare ruimte voor natuurmaatregelen te bestemmen. De effecten van deze robuustheid worden groter naarmate deze gepaard gaan met diversiteit in elementen (plas dras, flauwe oevers, randen, hoogstamboomgaarden, vogelakkers etc.) en naarmate deze elementen beter verspreid zijn over het gehele gebied
56
en goed verweven raken met de agrarische bedrijfsvoering. Het streven is ten behoeve van de vogels overal in het gebied optimaal voedsel, veiligheid en broedgelegenheid voorhanden te krijgen. Gelukkig is op dit terrein al veel onderzoek en praktijkervaring beschikbaar. De diversiteit in elementen is uitdrukkelijk ook gericht op voldoende aanwezigheid van insecten, omdat die essentieel zijn voor de overlevingskansen van jonge vogels. Eén van de vele andere aspecten waarmee rekening moet worden gehouden is dat ook de verschillende elementen op zichzelf voldoende robuust zijn. Als dat niet zo is kan het gevaar van ecologische vallen ontstaan omdat ze dan te gemakkelijk af te speuren zijn door predatoren, waardoor de vogels te kwetsbaar worden. Naast de maat wordt echter ook steeds meer duidelijk dat de vorm waarin de maatregelen worden aangelegd veel invloed heeft. 3. De meest ingrijpende, langjarige maatregelen eerst Het aanleggen van plas dras randen met flauwe oevers en de daaraan grenzende faunaranden is ingrijpend omdat dit met veel grondverzet gepaard zal gaan en relatief veel onrust in het gebied zal veroorzaken. Deze elementen zullen daarom prioriteit krijgen om in de eerste fase reeds grotendeels te worden uitgevoerd.
Daar komt nog bij dat verwacht wordt dat de verbrede watergangen met plasdras, flauwe oevers en aangrenzende natuurlijke grasranden en plas-dras weilanden een grote invloed zullen hebben op de ontwikkeling van het gebied. Dit omdat ze een brede dooradering van het gehele gebied tot stand zullen brengen, waardoor volgende maatregelen extra effectief zullen zijn. Dit geldt ook voor de hoogstamboomgaarden met omzoming van bloeiend struweel waarvoor echter ook geldt dat het ongeveer 20 jaar duurt voordat de fruitbomen het stadium van volwassenheid bereiken. Daarom is het aan te raden zo snel mogelijk een aantal boomgaarden te realiseren.
d. Nadere toelichting op de maatregelen Bij het ontwikkelen en ontwerpen van de natuurmaatregelen is gebruik gemaakt van bestaande kennis over de effectiviteit van maatregelen. Daarbij is vooral gekeken naar maatregelen die gebaseerd zijn op ervaringsfeiten en wetenschappelijk onderzoek, deels ook samengevat in factsheets van Vogelbescherming. Tevens zijn de deskundigheid van Sovon en de
praktijkervaringen uit het gebied, onder andere van Stichting Werkgroep Grauwe Kiekendief, in het geheel opgenomen. 1. Flexibele akkerranden Een groot deel van de hectares zal zeker in eerste instantie niet in een permanent hooilandbeheer worden gelegd, maar zal gebruikt worden om te experimenteren met de veelheid aan akkerranden die er door de jaren voor vogelbeheer zijn ontwikkeld en uitgeprobeerd. Ruigteranden, groenbraakstroken, tweejarige akkerranden en éénjarige graanranden met inheemse akkeronkruiden zullen in verschillenden vormen worden uitgeprobeerd en worden geëvalueerd op de mate van effectiviteit voor akkervogels en de inpasbaarheid in een natuur-inclusief akkerbeheer. Ook in het Zegenpolderexperiment zijn de randen weer in een bepaalde breedte en botanische samenstelling neergelegd. Samen met ervaringen in onder andere het Partridge-project en de Kop van Schouwen kunnen deze op termijn leiden tot een set van werkbare vormen van akkerrandenbeheer die ook de robuustheid van de agrarische productie kan ondersteunen. Doel van deze akkerranden is om de biomassa en de diversiteit van insecten extra te doen toenemen, waarvan zowel de vogels als de boeren profiteren. De boer met name vanwege de biologische plaagbestrijding in de gewassen, die hij mag verwachten van de aanwezigheid van roofinsecten.
Bij de aanleg wordt direct schraalheid van de ondergrond gerealiseerd zodat dat later hopelijk slechts één keer per jaar gemaaid hoeft te worden. Dat betekent weinig verstoring voor de vogels en relatief goedkoop beheer. Het maaien van de flauwe oevers dient buiten het broedseizoen plaats te vinden en groei van riet in de watergangen moet binnen de perken blijven. 2. Watergangen met plasdrasranden en flauwe oevers De watergangen tussen de percelen in het Buijtenland van Rhoon doorkruisen de verschillende polders van oost naar west en van noord naar zuid. Door langs de watergangen, in plaats van langs de steile oevers, plasdras oevers aan te leggen met flauw oplopende taluds, ontstaan zones met oevervegetatie. De plasdrasranden met flauw oplopende oevers zijn bepalend voor de natte verbindingen in het gebied. Twee van west naar oost lopende watergangen krijgen
aan één kant flauwe oevers met een verloop van 1:20 (elke meter loopt 5 cm op), oplopend naar 1:9. De eerste 7 meter van deze rand is plas dras, zijn totale breedte is 20 meter. De andere zijde van deze watergangen wordt verflauwd naar 1:3, en indien mogelijk naar 1:5. Voor de noord-zuid watergangen kan een keuze worden gemaakt tussen het profiel van 1:3 of 1:5. Het talud 1:20 loopt onder water door, zodanig dat bij elke waterstand minimaal een strook van 7 meter plas dras aanwezig is met een diepte die afloopt van 35 cm naar 0 cm. Op het stuk van de glooiing waar na verflauwing nog bouwvoor resteert wordt deze verschraald. Deels wordt op de flauwe rand een gras-kruiden mengsel ingezaaid (hooilandmengsel, zie hierna onder ‘aan flauwe oevers grenzende faunaranden’), deels wordt ruimte gegeven aan spontane groei. Dit zorgt voor extra biodiversiteit. De flauw oplopende schrale strook krijgt ter verdere verhoging van de biodiversiteit aan de waterkant een zeker onregelmatig verloop. Van de robuustheid, lengte en de variatie van de brede stroken langs de watergangen profiteren veel vogels, waaronder alle drie de indicatorsoorten van het open akkerland: de veldleeuwerik, de gele kwikstaart en de kievit.
Bovendien zal de plas dras strook een belangrijke bijdrage leveren aan de diversiteit van insecten in het gebied, die nu nog laag is, en daarmee ook aan de voedselvoorziening voor vogels. Soorten die er verschijnen zijn sprinkhanen, libellen, zweefvliegen en wapenvliegen. Ook is de aanleg van de plasdras oevers belangrijk voor vissen en planten zoals de snoek, ruisvoorn, zeelt, stekelbaarsje, gele plomp, waterlelie, zwanenbloem, watermunt, pijlkruid, grote lisdodde, waterviolier, waterranonkel en sterrenkroos. Als bij de aanleg direct schraalheid van de ondergrond wordt gerealiseerd, wat wij uitdrukkelijk adviseren, is de kans groot dat straks maar één keer per jaar gemaaid hoeft te worden, wat betekent dat de voor de vogels vereiste kwaliteit zonder noemenswaardige verstoring verzekerd is en dat de vereiste kwaliteit over een lange termijn gerekend relatief goedkoop kan worden gehandhaafd. Het is belangrijk voor de verschraling van de ondergrond een aannemer te kiezen die daar aantoonbare ervaring mee heeft. Bij afgraven is het zaak de bemeste bovenlaag te scheiden van de schrale grond eronder. Dat dient in aparte
57
werkgangen te gebeuren: eerst moet de bouwvoor worden afgegraven en dan pas de schrale grond. De schrale grond is te gebruiken voor het afdekken (ca 30 cm dik) of vervangen van rijke graslandbodems die bijvoorbeeld grenzen aan de oevers van watergangen. Na het afdekken volgt inzaaien. Zo ontstaat in twee jaar tijd een fantastisch bloemrijk grasland. Met maaien en afvoeren of uitmijnen is een dergelijk resultaat bij de meeste graslanden vermoedelijk pas na vele decennia te bereiken. Over het beheer van de flauwe oevers is dit streefbeeld kort. Maaien dient buiten het broedseizoen plaats te vinden en groei van riet in de watergangen moet binnen de perken blijven. Ervaringen elders hebben geleerd dat dit mogelijk is en dat de beschikbare machines dit aankunnen. Als het riet aan het eind van de winter wordt gemaaid hoeft dat maar één keer per jaar te gebeuren. Zo nodig wordt hierover overleg gevoerd met het waterschap. 3. Schrale hooilandranden grenzend aan watergangen Langs de twee oost-west watergangen en langs een aantal noord-zuid watergangen wordt naast de flauw oplopende oeverstrook een strook aangelegd, die al naar gelang het gekozen profiel een breedte heeft van minimaal 3 tot maximaal 30 meter. Net zoals in een deel van de flauwe oevers wordt in deze randen een hooilandmengsel ingezaaid. De hooilandranden bestaan uit bloemrijkgrasland met glanshaverhooiland soorten.
Dit is de plantengemeenschap die op de bodem van Rhoon het best passend is en qua natuurwaarde het maximaal haalbare als graslandvegetatie. Indien mogelijk wordt zaaigoed gebruikt dat afkomstig is uit een natuurgebied ergens in de buurt. Als het hooiland goed is ontwikkeld bestaat dit uit een soortenrijke plantengemeenschap met veel bloeiende kruiden zoals margrieten, knoopkruid, ratelaars, rolklavers, rode klaver, gewone bereklauw. De bloemrijke randen zijn zeer goed voor insecten en daarmee ook voor broedvogels. Een dergelijke rand fungeert optimaal als de bodem zo voedselarm mogelijk is. Dan is de soortenrijkdom maximaal. Het verschralen van de stroken kan op diverse manieren: verschralen door regelmatig maaien en afvoeren, het afgraven van de bouwvoor, afdekken van de bouwvoor met schrale grond of diepploegen. Dit vereist maatwerk en vraagt nog veel lerend beheer om te zien of het reëel is dit
58
soort hooilanden op deze rijke kleigrond goed te kunnen realiseren. Er wordt begonnen met beperkte oppervlaktes af te graven en andere stukken zonder afgraven met passende soorten in te zaaien en via een maaibeheer zich botanisch goed te laten ontwikkelen. Ook dit vraagt echter veel maatwerk omdat regelmatig maaien op gespannen voet staat met de benodigde rust voor broedende vogels. 4. Struweel, heggen en hagen De aanplant van heggen kan stapsgewijs plaatsvinden, door bij elke perceel waar een maatregel aan de orde is de vraag te stellen wat een heg toevoegt. Daarbij kan behalve aan de vogels ook gedacht worden aan insecten, inclusief de daaraan verbonden biologische plaagbestrijding, en niet in de laatste plaats aan de bijdrage die heggen leveren aan de kwaliteit van de bodem. Ook voederhagen behoren tot de mogelijkheden. Bij dit alles hebben heggen tevens een belangrijke functie als ecologische verbindingszones. Bij aanplant kan voor één soort worden gekozen, zoals meidoorn of els, of voor gemengde heggen. Met het oog op de biodiversiteit is een netwerk te verkiezen van meidoornheggen en gemengde heggen, met slechts hier en daar een elzenhaag. Het is belangrijk uitsluitend inheemse soorten te planten, die passen bij de streek.
Ook is aan te raden rekening te houden met de periode waarin de struiken bloeien, vooral met het oog op de voedselvoorziening voor insecten in het vroege voorjaar. De vroegbloeiende sleedoorn mag dan bijvoorbeeld niet ontbreken. Het beheer van heggen kan op diverse manieren. Als een heg kan doorgroeien ontstaat struweel. Dit kan op diverse manieren worden teruggezet: inkorten, bijvoorbeeld tot een hoogte van 1,20 meter, afzagen aan de grond of vlechten. Wanneer gekozen wordt voor een knip- en scheerheg van minimaal 1,20m hoogte zal deze minimaal 1 keer per 2 jaar geknipt moeten worden. Het is zeer aan te bevelen voor het onderhoud van heggen deskundigheid te ontwikkelen: met goed onderhoud is veel ecologische winst te behalen. In toenemende mate worden bij de aanplant van heggen kinderen betrokken. Dat gebeurt in het kader van de landelijke Boomfeestdag en heeft een niet te onderschatten educatieve waarde. Veel kinderen blijven de struikjes als hun struikjes zien en bekijken ze als jongvolwassenen nog steeds met trots en respect.
Dit soort voorbeelden verdient navolging. Een vergelijkbare verbondenheid ontstaat als volwassenen bij het vlechten van heggen worden betrokken. Ook dit is dan ook aan te bevelen. 5. Hoogstamboomgaarden Vele eeuwen waren hoogstamboomgaarden vooral te vinden bij kastelen, in kloostertuinen en bij grotere boerderijen. Tijdens de landbouwcrisis van rond 1880 veranderde dit beeld ingrijpend. Een groeiend aantal boeren schakelde noodgedwongen over op de teelt van hoogstamfruit, die sindsdien in korte tijd zeer snel in omvang toenam. Na 1950 zijn de hoogstammen in opnieuw hoog tempo verdrongen door laagstammen. Nog maar een fractie is op dit moment over. Behalve natuurwaarde heeft de hoogstamboomgaard een hoge cultuurhistorisch waarde. Hetzelfde geldt voor hun belevingswaarde. De hoogstamboomgaarden komen vrijwel allemaal in het kleinschalig boerenland te liggen. Wij stellen voor te beginnen met de aanleg van minimaal 10 ha. Fruitbomen kunnen daarnaast ook op boerenerven worden geplant, ook in het open akkerland, op voorwaarde dat dit niet ten koste van de openheid gaat. Dit komt hierna nog aan de orde. De plantafstand tussen de bomen in de rij is 8 tot 10 meter, wat overeenkomt met gemiddeld 130 bomen per ha. Het plantmateriaal is biologisch en er worden jonge bomen aangeschaft, die de kans krijgen om in natuurlijke omstandigheden goed te aarden.
Bij de aankoop wordt rekening gehouden met streekeigen soorten. Kennis daarover wordt bijvoorbeeld verzameld bij de Historische vereniging Rhoon en kan ook worden verkregen door in gesprekken met enkele fruittelers die nog ervaringen kunnen overbrengen uit de tijd rond 1960. Bovendien is veel documentatie en kennis aanwezig bij diverse pomologische verenigingen. De klassieke ondergrond van een boomgaard is grasland met grazend vee en de klassieke omheining bestaat uit houtachtige opstanden. Wij stellen voor minimaal 10 hectares extensief te beheren met als doel optimalisering van de vogelstand. Hierna geven we een korte impressie van dit soort beheer.