totaal bijlage 2 E Streefbeeld Buijtenland van Rhoon PDF.pdf
Tekst van het document
29
Beheer van de maatregelen Aanpassingen in landbouwkundig beheer In dit deel wordt met name ingegaan op het beheer van de 60% productiegrond in het gebied. Een aanpassing van het beheer op deze gronden is essentieel voor het realiseren van de natuurdoelen in het gebied. Er zijn al veel elementen bekend van hoe de aangepaste landbouw eruit moet gaan zien. Toch zal het een zoektocht zijn, waarbij elk individueel bedrijf net een andere invulling kiest. Dit vraagt om een proces van lerend beheren waarbij de ondernemers vanuit de coöperatie begeleiding van experts krijgen. Veranderingen met weinig kosten en risico’s worden direct doorgevoerd. Veranderingen die een groter agronomisch of economisch risico met zich meebrengen worden uitgeprobeerd in experimenten. Pas wanneer zo’n aanpassing een daadwerkelijke verbetering vormt (natuurwinst, ecosysteemdienst) én agronomisch en markttechnisch inpasbaar blijkt wordt deze aanpassing breder uitgerold en/of verplicht gesteld. Er zijn twee belangrijke, praktijkrijpe veranderingen die in het Buijtenland van Rhoon direct worden doorgevoerd: extensivering van de bouwplannen en het terugdringen van chemische gewasbescherming. Extensivering van de bouwplannen Voor zowel de gangbare als de biologische akkerbouw geldt dat de intensiteit van de bouwplannen niet alleen voor de natuur, maar ook agronomisch te ver is doorgeschoten.
De balans in die vruchtwisselingen wordt teruggebracht naar een verdeling van ongeveer 66% maaivruchten (zoals granen) en 33% hakvruchten (zoals aardappelen). In de maaivruchten is het belangrijk dat er weer meer voorjaarsgezaaide maaivruchten komen en dat er een grotere diversiteit aan bloeiende maaivruchten komt (peulvruchten, kruisbloemige oliegewassen) en rustgewassen als luzerne of grasklaver. Wat daarin een optimale balans is, is nog niet duidelijk omdat er enerzijds nog niet veel ervaring mee is en anderzijds ook heel veel dingen niet zwart wit zijn.
30
Terugdringen van chemische gewasbescherming Voor het projectgebied geldt een ideaalbeeld van een natuurinclusieve landbouw die uiteindelijk zonder chemische bestrijdingsmiddelen toe kan. Tegelijkertijd is er overeenstemming dat ondernemers moeten kunnen ondernemen en een boterham moeten kunnen verdienen. De coöperatie zal daarom beslissen of en in hoeverre gebruik van bestrijdingsmiddelen noodzakelijk is. Binnen de aan te leggen natuurmaatregelen (40%) wordt geen chemie gebruikt. Onder de randvoorwaarde dat de natuurdoelen worden gehaald blijft op de productiegronden (60%) beperkt gebruik van bestrijdingsmiddelen toegestaan. Ook hier geldt een ideaalbeeld van een landbouw zonder gebruik van chemie. Bij de afbouw van het gebruik van chemie past maatwerk: De financiële risico’s voor het terugbrengen van insecticiden zijn sterk afhankelijk van het verbouwde gewas. Voor de gewassen met een klein risico (zoals granen) wordt snel afgebouwd. Dit kan voor 75-80% van het totale areaal van landbouw en natuur. Voor gewassen met een groot risico (tuinbouw en fruitteelt) wordt meer tijd uitgetrokken en nader onderzoek uitgevoerd. Aandachtspunt is dat zelfs een klein oppervlak waar pesticiden worden toegepast verstorend kan werken voor het hele gebied. De coöperatie zal goed monitoren om een “ecologische val” te voorkomen.
Voor herbiciden wordt geëxperimenteerd met nestbesparende mechanische onkruidbeheersing. Om fungiciden terug te brengen worden resistente rassen ingezet. Een meer gedetailleerde beschrijving van de voorgestelde werkwijze kan gevonden worden in de bijlage. Beheervergoedingen Om tegemoet te komen aan de doelstelling in het streefbeeld ten aanzien van het halen van een goed bedrijfsresultaat wordt in eerste instantie begonnen met vergoedingen die zijn gebaseerd op de SCAN. Deze SCAN-systematiek gaat ervan uit dat wanneer een agrariër op zijn eigen grond natuurmaatregelen aanlegt, en deze dus tijdelijk uit productie haalt, deze niet alleen vergoed wordt voor de directe netto kosten (kosten – opbrengsten) van deze natuurmaatregel, maar daarnaast ook voor de grondlasten en de gederfde inkomsten.
Deze systematiek is gerechtvaardigd zolang de hectare-grondslag voor de betrokken ondernemers niet verandert: deze moet namelijk zijn inkomen nog steeds halen uit dezelfde hectares. In de loop van het proces zullen de agrarisch ondernemers echter ook extra grond ter beschikking kunnen krijgen. Daarnaast zullen de grondlasten dalen omdat alle grondeigenaren via de planschaderegeling gecompenseerd worden voor het gedaalde opbrengende vermogen van de grond. De lagere grondlasten in combinatie met de beschikbaarheid van meer grond per bedrijf zal zich vertalen in een nieuwe systematiek van vergoedingen die vooral gebaseerd zal zijn op een vergoeding voor de geleverde arbeidsinspanning en niet zozeer op de gederfde inkomsten. Bij creatief en ondernemend beheer wordt aan de pachter overgelaten om hier in het beheer of in de afzet meerwaarde te zoeken waardoor het bedrijfsresultaat van deze hectares verbetert. Om te onderzoeken wat op termijn redelijke vergoedingen zijn, zullen boeren en eventuele andere beheerders in de coöperatie zoveel mogelijk met “open boeken” werken3 ten aanzien van prijzen, opbrengsten en dergelijke.
• Inzet van nieuwe technieken (zoals GPS in combinatie met nestherkenning, lichtere machines in combinatie met robotisering) om tot innovatieve manieren van nestbescherming te komen en tevens tot agronomische verbeteringen (beter bodembeheer, minder verdichting, efficiënte omgang met kleinere percelen). De agrariërs en de natuurorganisaties bundelen hierbij de krachten in partnerschap en wisselen kennis uit. De opgave is groot. Ze kijken naar wat hen bindt en zoeken elkaar op in de uitvoering.
Lerend beheren Deze vorm van natuur-inclusieve landbouw kent weinig praktische voorbeelden in de Nederlandse akkerbouw. Daarom worden op een veelvoud van onderwerpen experimenten aangegaan in het Buijtenland van Rhoon: • Verder terugdringen chemische gewasbescherming: via de inzet van resistente rassen, mengteelten, strokenteelt, keuze voor onkruidonderdrukkende rassen, nestbesparende mechanische onkruidbeheersing; • Creëren van meer perceelsranden: toewerken naar kleinere deelpercelen waardoor er meer randen ontstaan. Met het oog op natuur en landbouw optimaliseren van het beheer van de randen; • Zoektocht naar weinig geteelde maai- of hakvruchten die een gunstig effect hebben op de akkervogels; • Zoeken naar slimme combinaties van groenbemesters met wintervoedsel voor vogels;
3 Indien openbaarheid van informatie onwenselijk is vanwege bedrijfsbelangen, dan kunnen gegevens eventueel door onafhankelijke onderzoekers geanonimiseerd worden voor gebruik.
31
Relaties tussen landbouw, recreatie en natuur: zoeken naar balans In het Buijtenland van Rhoon wordt de traditionele landbouw omgevormd tot meer biodiversiteit en toegankelijkheid voor het publiek. Het uiteindelijke doel is dat landbouw, natuur en recreatie samengaan en elkaar versterken. Er bestaat echter wel een zekere spanning tussen de verschillende doelen, waar een goede balans tussen gevonden moet worden. Een goede balans tussen recreatie en natuur bijvoorbeeld. Vooral in het zuidelijke deel van het projectgebied (Zegenpolder en Portlandpolder) hebben grondbroeders een bepaalde rust en ruimte nodig, met name in het broedseizoen. Deze rust laat zich onder andere slecht combineren met recreatie. Recreatievoorzieningen worden daarom geconcentreerd op de hoekpunten van het gebied en ten noorden van de Essendijk. Ook de combinatie tussen recreanten en flora brengt een risico met zich mee. Voorbijgangers kunnen zelf bloemen gaan plukken en daarmee delen van de flora-akkers vertrappen. Dit kan deels opgelost worden door een slimme locatie te kiezen ten opzichte van de wandelpaden en sloten, en door op bepaalde plekken plukakkers aan te bieden.
32
Daarnaast zijn er - zeker in de eerste jaren - tegengestelde belangen tussen de gewenste flora-ontwikkeling op de permanente grasranden en de nestbescherming van grondbroeders in die randen. Voor de floraontwikkeling is het namelijk belangrijk dat er regelmatig gemaaid wordt, terwijl nestbescherming dit maaien tot ver in het seizoen onmogelijk kan maken. Eenzelfde soort conflict geldt ook tussen de benodigde agrarische activiteiten en nestbescherming. In alle gevallen is maatwerk en monitoring essentieel in het vinden van de balans. De boeren worden dus medeverantwoordelijk om naast het produceren van herkenbare kwaliteitsproducten voor de markt ook ruimte te bieden voor akkervogels, insecten en akkerkruiden. Het belangrijkste voor het houden van die balans is dat een boer iets kan overhouden aan het onderhoud van deze natuurlijke elementen. Bovendien zal steeds duidelijker moeten worden dat de natuurlijke elementen een belangrijke bijdrage leveren aan het robuust houden van de agrarische productie. Door binnen de coöperatie constant kennis en ervaringen met elkaar te delen kan die balans voor elkaar worden bewaard. De boer wordt een beetje natuurbeheerder en de natuurbeheerder een beetje boer.
Werkwijze Gezien de nieuwe zoektocht naar synergie tussen soms conflicterende doelstellingen zien we zowel de inrichting als het beheer van het Buijtenland van Rhoon als een dynamisch leerproces. In dit leerproces zal veel ruimte moeten worden gecreëerd voor experimenteren en monitoren van de resultaten, terwijl tegelijkertijd zo concreet mogelijk geformuleerde doelen voor het gebied goed in het oog worden gehouden. Dit vraagt om een helder proces van uitvoeren, monitoren, evalueren en bijstellen dat hieronder verder wordt uitgewerkt. Alle inspanningen van de coöperatie zijn erop gericht om de natuur, recreatie en landbouwdoelen binnen 10 jaar te realiseren.
33
Lerend inrichten en beheren De diverse rapporten van het voortraject onderstrepen dat bij de context van het Buijtenland van Rhoon een aanpak past van doen en leren, waarbij een hoge mate van betrokkenheid wordt nagestreefd van alle betrokkenen: boeren, recreatieondernemers, natuurpartijen, recreanten en omwonenden. Een goede samenwerking op basis van vertrouwen tussen deze partijen met ieder hun eigen kennis en kunde, zal van cruciaal belang zijn. Lerend inrichten en beheren betekent in onze context het continu doorontwikkelen van kennis op de gebieden cultuurhistorie, landschap, natuur, recreatie en landbouw en de samenhang daartussen. Dat is niet eenvoudig. De vereiste vaardigheden zijn waarnemingsvermogen en het vermogen om van waarneming tot actie te komen. Een eindbeeld, mits het al wordt bereikt, zal geen statisch maar een dynamisch evenwicht zijn. Het leren kan nooit ophouden, omdat sprake is van een complexe omgeving die altijd onderhevig is aan verandering. Een belangrijk aanvullend element voor dit lerend beheren is dat van proactief ontwerpen in plaats van reactief. In de huidige maatschappij, en zo ook in de landbouw, zijn we geneigd om bij het constateren van problemen direct over te gaan tot het repareren van deze problemen door middel van vaak eendimensionale, technische oplossingen die dan vervolgens weer een volgend probleem oproepen.
Bij proactief ontwerpen is een probleem echter een aanleiding tot het terugkijken naar het systeem als geheel en daar de ontwerpfout proberen te achterhalen waarom de huidige manier van werken het probleem oproept of faciliteert.
34
Een probleem is dan niet een beginpunt van een nieuwe technologische innovatie maar een uitnodiging om het systeem gedeeltelijk te herontwerpen waardoor het probleem niet of veel minder voorkomt. Oplossingen worden vooral gezocht in levende systemen, waarbij inspiratie wordt gevonden in het versterken van natuurlijke processen. Op dit principe wordt met name in het landbouwdeel verder ingegaan. Een expliciete keuze voor een op de natuur afgestemde werkwijze zal eraan bijdragen dat het onderscheid tussen natuur, landbouw en recreatie afneemt en het denken over één gebiedsambitie de overhand krijgt. Daartegenover moet aandacht zijn voor bedrijfsindividualiteit. Dat wil zeggen dat elke ondernemer de keuze krijgt om binnen de geformuleerde uitgangspunten de keuzes te maken waar hij zich het prettigst bij voelt. Dat leidt bovendien tot meer variatie en ook daarmee kan de natuur gediend zijn. Als onbekend is welke beheer- of uitvoeringsmaatregel het beste werkt, wordt in onze optiek zo veel mogelijk ruimte gegeven voor experimenten. Tegenover dit laatste zou dan, zoals ook in het voortraject is geopperd, begeleiding door experts moeten staan en bereidheid tot leren bij alle betrokkenen.
4
Kwartiermakersrapport, pagina 23
Borging en leercyclus Het innovatieve karakter van de gewenste ontwikkeling (verweving van functies) en de wens om dit met name vorm te geven met de ondernemers in het gebied zelf vraagt om een flexibele aanpak waarbij niet te veel van tevoren moet worden vastgelegd. Tegelijkertijd is het belangrijk dat de realisatie van de (publieke) doelen geborgd en gemonitord wordt. Om die reden staan in dit streefbeeld heldere en ambitieuze doelen (het wat) en een ambitietermijn van 10 jaar om dit te bereiken (het wanneer). Vervolgens is de manier waarop deze doelen gerealiseerd worden aan de coöperatie (het hoe). De coöperatie zorgt daarom voor een onafhankelijke en deskundige monitoring van de doelen en desgewenst van andere indicatoren die informatie geven over de voortgang, zoals insecten, bodemgesteldheid etc. Indien uit de monitoring blijkt dat de doelen niet (tijdig) gehaald worden dan stuurt de coöperatie bij. De coöperatie maakt waar nodig gebruik van externe en onafhankelijke expertise bij het ontwikkelen van plannen, het uitvoeren daarvan en het bijsturen op resultaten. Onderdeel van de realisatie van het streefbeeld is het volgen van een eenvoudige leercyclus. Vertrekpunt voor deze leercyclus vormt daarbij de doelen voor natuur, recreatie, en landbouw.
Aan de hand van het streefbeeld wordt een meerjarenplan door de coöperatie gemaakt waarin de inrichtings- en beheersmaatregelen worden beschreven voor de komende 4-6 jaar. Dit meerjarenplan helpt de coöperatie vooruit te kijken en voldoende grote stappen te zetten richting realisatie van de doelen. Het meerjarenplan wordt daarbij jaarlijks geactualiseerd. De eerste jaarschijf van dit plan vormt daarbij het eerstvolgende jaarplan.
Het streefbeeld en de daarin opgenomen doelen staan vast en alle inspanning is erop gericht om het streefbeeld te realiseren. Wanneer uit de monitoring blijkt dat de realisatie van de doelen achterblijft ten opzichte van de verwachtingen zoekt de coöperatie met behulp van aanvullende gezaghebbende (onafhankelijke) experts naar mogelijke aanpassingen in het meerjarenplan, zowel in de inrichting als in het beheer. Aan de in het streefbeeld gestelde doelen verandert niets. Met name de doelsoortenlijsten en streefgetallen voor zowel natuur als recreatie zijn echter gebaseerd op de kennis en kunde op het moment van opstellen en kunnen later onrealistisch blijken. Indien er binnen de coöperatie overeenstemming is dat alle middelen zijn gebruikt om tot realisatie van de doelen te komen en dit toch niet binnen bereik lijkt te komen, dan kan de coöperatie (of de provincie Zuid-Holland) verzoeken om aanpassingen in de gestelde doelen5. Dit is geen lichtvaardige procedure. Een dergelijk verzoek moet goed worden onderbouwd. Zowel de coöperatie (met daarin natuurpartijen, boeren en recreatieondernemers) als de provincie Zuid-Holland moeten instemmen met aanpassing van het streefbeeld.
Streefbeeld
Evaluatie
Plan van aanpak
Monitor
Op basis van monitorgegevens wordt een evaluatie gemaakt van de effectiviteit van het tot dan toe gevolgde plan van aanpak. Het gaat hier nadrukkelijk niet om de grote lijnen van het streefbeeld, zoals de keuze om te gaan voor bedreigde akkervogels en akkerkruiden enerzijds en het bieden van een open en groen recreatiegebied voor de stadsregio Rotterdam, maar enkel om de gestelde doelsoortenlijsten en streefgetallen voor zowel vogels, kruiden en recreanten.
5
35
Organisatie van coöperatie en monitoring Tot nu toe zijn in dit streefbeeld de doelen voor het Buijtenland van Rhoon besproken: hoogwaardige natuur, natuur-inclusieve landbouw, recreatie en behoud en versterking van de cultuurhistorie. Natuurlijk gaat het niet om het formuleren van doelen, maar juist om het realiseren ervan. De doelen zijn ambitieus en dus per definitie niet gemakkelijk te realiseren. Daarvoor is veel kennis, ondernemerschap en bezieling nodig. Een samenwerkingsverband van lokale en regionale ondernemers, natuurpartijen en organisaties op het gebied van recreatie, educatie en cultuurhistorie zal uitwerking en uitvoering geven aan dit streefbeeld. De provincie Zuid-Holland stelt hiervoor geld en grond beschikbaar.
Gebiedscoöperatie Buijtenland van Rhoon Een samenwerking moet zich organiseren en in dit geval is gekozen voor de vorm van de (gebieds)coöperatie. Een coöperatie is bij uitstek een organisatievorm waarbij partijen samenwerken en waarbij de leden het voor het zeggen hebben. De centrale doelstelling van de gebiedscoöperatie Buijtenland van Rhoon is om dit streefbeeld te realiseren. Alle activiteiten en middelen van de coöperatie zijn daarop gericht. Daardoor ligt de verantwoordelijkheid om tot realisatie te komen bij degenen die de uitvoering ter hand nemen. Binnen de kaders van het streefbeeld heeft de gebiedscoöperatie de vrije hand om zelf plannen uit te werken en uit te voeren op een manier die past in het gebied en bij de leden van de coöperatie. Zowel in de samenstelling van het ledenbestand als het bestuur wordt ervoor gezorgd dat de verschillende belangen in het gebied (natuur, recreatie en landbouw) goed vertegenwoordigd zijn.
36
Besluitvorming
Monitoring
Lid van de coöperatie kunnen alle ondernemers en organisaties worden die een actieve bijdrage leveren aan het realiseren van de doelen. Alle leden tekenen voor de doelen van de coöperatie en daarmee voor de inhoud van dit streefbeeld. Leden zijn bijvoorbeeld agrarische ondernemers, recreatieondernemers en natuurpartijen. Ook ondernemers van buiten het gebied kunnen zich aansluiten als zij voornemens zijn in het Buijtenland actief te worden. Het is wel zo dat de coöperatie leden kan schrappen als zij tenminste twee jaar lang géén bijdrage hebben geleverd aan de realisatie van de doelen. Particulieren kunnen geen lid worden van de coöperatie, dat zou te veel ongelijkheid in belangen geven. Zij kunnen zich wel aansluiten bij een van de (belangen)verenigingen die lid zijn van de coöperatie en via die weg hun stem laten horen en een bijdrage leveren.
Binnen de coöperatie vindt besluitvorming plaats volgens het consentprincipe. Dat wil zeggen dat besluiten (bijvoorbeeld over jaarplannen) alleen worden genomen als géén van de leden een overwegend en beargumenteerd bezwaar heeft tegen het besluit. Dit dwingt de leden van de coöperatie met hun verschillende achtergronden en belangen om met elkaar in gesprek te gaan over plannen en uitvoering en om er samen uit te komen. Het voorkomt ook dat bepaalde minderheidsbelangen systematisch genegeerd kunnen worden en dat stemrechten moeten worden toegekend aan de individuele leden. Mocht besluitvorming in de ALV onverhoopt blokkeren dan is er een vangnet waarbij het bestuur van de coöperatie besluit met 3/4e meerderheid. In het bestuur zitten een onafhankelijk voorzitter en drie vertegenwoordigers van agrarische-, natuur- en recreatiebelangen.
Geld en grond
Communicatie
Voor een goede doelrealisatie op het gebied van natuur, recreatie en landbouw is primair de gebiedscoöperatie verantwoordelijk. De controle van de inspanningen van de gebiedscoöperatie ligt bij de Provincie Zuid-Holland. In de leer- en borgingscyclus zijn drie niveaus te onderscheiden. Uitgangspunt daarbij is dat de monitoring in opdracht van de coöperatie wordt uitgevoerd door een deskundige onafhankelijke partij. In opdracht van de coöperatie stelt deze deskundige onafhankelijke partij ook een meerjarig monitoringsplan op. Het plan richt zich op a. de realisatie van de doelen, b. de beleidsuitvoering (effectiviteit en implementatie) en c. het lerend beheren (naast de leercurve van de individuele inspanningen, zal ook jaarlijks de ontwikkeling voor het totaal van de natuurinclusieve landbouw gemonitord worden). De resultaten van deze monitoring zijn openbaar en de coöperatie legt de jaarlijkse monitoring (een soort kompas) voor aan de Raad van Advies en betrekt het advies van deze raad bij de verdere besluitvorming.
De coöperatie zal een samenwerkingsovereenkomst aangaan met de provincie Zuid-Holland. In die overeenkomst worden afspraken gemaakt over de condities waaronder de provincie gelden en gronden ter beschikking stelt aan de coöperatie om de doelen in dit streefbeeld te realiseren. De coöperatie zal jaarplannen en projectvoorstellen maken als basis voor het beschikbaar stellen van budget door de provincie aan de coöperatie. Vervolgens maakt de coöperatie afspraken met leden (of in voorkomende gevallen leveranciers van buiten de coöperatie) over de uitvoering van de plannen. Op basis van het lerend beheren, de monitoring van de doelen en de voortgang worden deze plannen waar nodig bijgesteld. Uitgangspunt is dat de provinciale grondeigendommen exclusief voor de coöperatie worden gereserveerd en ter beschikking gesteld op basis van jaarplannen en/of projectplannen. De coöperatie geeft deze vervolgens uit aan de leden.
Het verhaal van het Buijtenland van Rhoon vraagt toelichting aan de bezoekers, al was het maar omdat natuurvriendelijk beheer soms op een voorbijganger overkomt als “verrommeling”: bermen worden bijvoorbeeld niet strak gemaaid zoals men gewend is. De coöperatie betrekt bezoekers en legt uit wat er gebeurt.
Leden van de gebiedscoöperatie
Jaren 1-6 7-12 >12
Akkervogels jaarl. 3 jaarl. 6 jaarl.
Akkerflora jaarl. 3 jaarl. 6 jaarl.
Overige flora 3 jaarl. 6 jaarl. 6 jaarl.
Insecten 3 jaarl. 6 jaarl. 6 jaarl.
a. Monitoring realisatie van de doelen Het is essentieel dat er met regelmaat een monitoring wordt uitgevoerd om bij te houden in hoeverre de doelen uit het streefbeeld worden gehaald. De monitoring zal als volgt gaan:
Bezoekersaantallen jaarl. 3 jaarl. 6 jaarl.
Recreatieve beleving 3 jaarl. 6 jaarl. 6 jaarl.
Saldo berekeningen jaarl. 3 jaarl. 6 jaarl.
37
Akkervogels
Rotterdam en Albrandswaard reeds met enige regelmaat worden afgenomen.
Om de ontwikkeling van de vogelstand in het gebied bij te houden worden in het seizoen broedvogelmonitoring uitgevoerd (BMP) volgens de gestandaardiseerde methode zoals die binnen SOVON is ontwikkeld en in heel Nederland wordt uitgevoerd. Daarnaast worden in de winter tellingen gedaan aan foeragerende wintervogels. Deze worden in het hele projectgebied uitgevoerd.
Akkerflora en overige flora Om de ontwikkelingen van de flora te volgen, worden de doelsoorten voornamelijk op de florarijke-akkers geïnventariseerd. Gezamenlijk met de inventarisatieronden voor de overige flora op dijken, graslanden, natuurvriendelijke oevers en grasstroken worden ook op de overige percelen in het gebied doelsoortenkartering uitgevoerd in een lagere frequentie dan op de florarijke-akkers.
Insecten Uit de nulmetingen die afgelopen jaar in en rond de Zegenpolder zijn uitgevoerd zijn een aantal insecten waargenomen die gebonden zijn aan het akkermilieu en het bijbehorende landschap van slaperdijken zoals die ook in het projectgebied te vinden zijn. Het gaat hierbij om enkele loopkevers en zeldzame bijen. Om de ontwikkelingen van de insectenstand te kunnen bijhouden zou voor de monitoring vooral gebruik worden gemaakt van de plaatsing van potvallen, plakvallen en het lopen van transecten met een vlindernet.
Bezoekersaantallen De bezoekersaantallen worden in eerste instantie voornamelijk gebaseerd op de gecombineerde bezoekersaantallen van de verschillende recreatieve trekpleisters: Abel, Buytenhof, Transferium etc. Aanvullend wordt gekeken of ook de passerende recreanten, fietsend of wandelend, eenvoudig kunnen worden gemonitord door GSM-mastdata of vaste tellussen op cruciale punten in het gebied.
Recreatieve beleving In een lagere frequentie dan de bezoekersaantallen zullen ook recreanttevredenheidsonderzoeken worden uitgevoerd. Deze worden in een gebruiksvriendelijke enquête aangeboden aan bezoekers in het gebied. De bekendheid en waardering van het gebied door omwonenden wordt zo veel mogelijk meegenomen in recreatieve inventarisaties die door de gemeenten
38
Saldoberekeningen Voor het bijhouden van de juiste vergoedingen worden kosten en baten van verschillende specifieke natuurmaatregelen, als ook de aangepaste bedrijfsvoeringen, generiek in beeld gebracht om als basis te dienen voor mogelijk aangepaste vergoedingen en/of pacht.
b. Monitoring beleidsuitvoering De realisatie van het streefbeeld is de verantwoordelijkheid van de coöperatie. Hiervoor maakt de coöperatie jaarplannen en meerjarenplannen en zorgt jaarlijks voor de monitoring van de realisatie. Hiermee houdt de coöperatie zicht op de effectiviteit en het tempo van de uitvoering van deze plannen.
c. Monitoring en onderzoek als input voor lerend beheren Aanvullend op de vaste monitoring op de doelrealisatie dienen aanvullende monitoring als input voor het lerend beheer. Zo kan met name in de eerste jaren veel intensiever naar het vóórkomen van bepaalde insecten worden gekeken die een belangrijke voedselbron vormen voor akkervogels). Een brede kwantitatieve insectenmonitoring geeft inzicht om de ontwikkeling van het ‘voedende’ karakter van het landschap te kunnen zien veranderen. Daarnaast zal ook moeten worden gekeken naar de ontwikkeling van de bodem en bijbehorende bodemfauna. Ze vormen een belangrijke voedselbron voor een doelsoort als de kievit. Ook onderzoek naar het foerageergedrag van doelsoorten kan daarbij belangrijke informatie opleveren over het gebruik van de verschillende landschapselementen en/of gewassen door deze vogeldoelsoorten. Onderzoek en aanvullende monitoring zullen daarmee meer divers van aard zijn en vaak ook meer tijdelijk van karakter om als belangrijke input te dienen voor het evalueren en mogelijk bijstellen van de jaarplannen van de coöperatie. Het inzetten van onderzoek en monitoring zal dan ook in opdracht gebeuren van de coöperatie, maar zal ook als aanvullende informatie met de provincie worden gedeeld zodat deze de ontwikkelingen in het Buijtenland van Rhoon meer in detail kunnen volgen.
Aanvullende informatieve monitoring kan zijn: • Kwantitatieve insectenmonitoring op en rond de akkers die de effectiviteit in beeld brengen van verschillende landschapselementen in het gebied Speciale aandacht ook voor aquatische en semi-aquatische soorten die een larvestadium in het water hebben (haften, kokerjuffers, muggen en vliegen). • Bodemkwaliteitsmonitoring op het gebied van bodemstructuur, bodemchemie en bodemleven in relatie tot de ontwikkeling van de landbouw richting een meer natuur-inclusieve landbouw. • Inventarisatie van aanwezigheid van predatoren in het gebied: kraaiachtigen, vossen, marters etc. • Ontwikkelingen in het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen.
Termijn voor realisatie De wens is om het streefbeeld zo snel mogelijk te realiseren. Alle inspanningen van de coöperatie zullen er op gericht zijn om het overgrote deel van de doelen binnen een termijn van 10 jaar te bereiken. Om dit te kunnen halen, zullen inrichtingsmaatregelen zo snel mogelijk genomen moeten worden. De gewenste aantallen aan vogels, akkerkruiden en recreanten zullen hier dan op moeten volgen.
Realisatie natuur- en recreatieve maatregelen De coöperatie spant zich maximaal in om afspraken te maken over inrichting en beheer met grondeigenaren en gebruikers. Wanneer gronden voor de coöperatie beschikbaar komen, is de bedoeling om deze zo snel mogelijk in te richten. De coöperatie neemt binnen één jaar een besluit over de verdere planvorming en uitvoering. In een enkel geval kan de coöperatie besluiten om specifieke gronden te “reserveren” voor toekomstige ontwikkeling. Na 10 jaar is wel het volledige natuurareaal (228 ha) ingericht.
Doelrealisatie Op basis van het einddoel van het streefbeeld kan een verwachting worden uitgesproken hoe snel deze verandering tot stand zou moeten komen. Deze verandering is voornamelijk op basis van expertinschattingen, aangezien zowel natuur, recreatie als landbouw zich allen moeilijk laten sturen. Wel is duidelijk dat de ontwikkeling van het aantal akkervogels een andere dynamiek zal hebben dan die van akkerplanten. Dit komt met name doordat de akkerflora actief geherintroduceerd zal worden, terwijl de vogels zelf moeten gaan reageren op de veranderingen in habitat die deze in het gebied geboden wordt. Het herstel van het aantal akkervogels zal daarom veel meer een s-curve zijn, terwijl die bij de akkerplanten in de jaren van actieve herintroductie snel zal toenemen (voornamelijk de eerste 5 jaar) om daarna mogelijk nog wat af te nemen omdat niet alle soorten zich genoeg thuis voelen in het gebied, onder andere vanwege bodemomstandigheden, om zich blijvend te vestigen. De doelrealisatie voor akkerplanten zal daarom na 5 jaar al behoorlijk veel duidelijkheid kunnen geven, terwijl de akkervogels mogelijk pas een eerste teken van herstel laten zien. Sommige vogelsoorten zullen sneller reageren dan andere soorten.
Zo is de grasmus als indicatorsoort voor het kleinschalige akkerlandschap een soort die al op korte termijn toenemende aantallen broedgevallen zullen laten zien terwijl het herstel van de kneu langzamer op gang zal komen. Voor het open akkerland zal voor de korte termijn naar de kievit kunnen worden gekeken die na 5 jaar wel een trendbreuk moet laten zien van verbeterd broedsucces en het keren van de dalende trend in aantallen. De veldleeuwerik, die geheel is verdwenen uit het Buijtenland van Rhoon als broedvogel, is minder te voorspellen zeker voor de korte termijn. Bij de wintergasten zullen met name de vinkachtigen zoals de kneu, putter en groenling snel reageren en al binnen 5 jaar reageren op de maatregelen die voor overwinteraars in het gebied worden aangelegd.
39
LEGENDA
Initiatieven die niet in het streefbeeld staan
Natuur Bomendijk en dijkzone Het dijkprofiel wordt behouden van dijksloot tot
dijksloot, de bomen worden gehandhaafd en aangevuld. De dijkzones worden extensief ingericht en beheerd met aan de zonzijde een bloemrijk grasmengsel. Aan de schaduwzijde wordt incidenteel struweel aangeplant aan de overzijde van de dijksloot.
Dit streefbeeld en de bijlage bevatten veel maatregelen die de coöperatie gaat nemen om de gestelde doelen te bereiken. De wereld verandert, dus het zou goed kunnen dat over een paar jaar blijkt dat andere, nieuwe of aanvullende maatregelen nodig zijn. Daarnaast kunnen aanvullende (beleids)wensen ontstaan op andere gebieden dan landbouw, natuur en recreatie. Denk aan wensen op het gebied van zorg, veiligheid of energie. De coöperatie is hoogstwaarschijnlijk niet de enige partij die aan de slag gaat in het Buijtenland van Rhoon: ook inwoners, ondernemers buiten de coöperatie of de overheid kunnen initiatieven ontplooien. Het is aan de gemeente om te beoordelen voor welke initiatieven een vergunning wordt verleend. De coöperatie streeft naar een goede samenwerkingsrelatie met de gemeente, waarbij de coöperatie de gemeente kan adviseren over initiatieven in het Buijtenland. Initiatieven die bijdragen aan de doelen zijn uiteraard welkom. Op initiatieven die de realisatie van de doelen in de weg staan zal de coöperatie negatief adviseren. Initiatieven die niet bijdragen, maar ook niet afdoen aan het realiseren van dit streefbeeld zal de coöperatie niet in de weg staan.
Natuurvriendelijke watergang 1:20 De belangrijkste oostwest waterlopen vormen een natuurlijke dooradering van het landschap. De natuurlijke watergangen worden voorzien van een zeer flauwe natuurvriendelijke oever met plasdras en begeleid met brede akkerranden. Natuurvriendelijke watergang 1:3 Overige waterlopen worden voorzien van een natuurvriendelijke oever en geflankeerd door akkerranden van minimaal 6 m breed. Hoofdwatergang / secundaire watergang
Akkerranden De situering van de akkerranden op het kaartbeeld is indicatief en
De Buytenhof Een gemengd boerenbedrijf met zorgfunctie, theeschenkerij, boerderijwinkel en door het seizoen heen een scala aan agrarische activiteiten.
Griend De voormalige natste gedeelten van de polders (eeuwkanten) werden
De Zegenhoeve Een voormalige boerderij dichtbij het dorp Rhoon en daarmee een vanzelfsprekend startpunt voor wandelingen in de Zegenpolder.
Hoogstamboomgaard De voormalige hoogstamboomgaarden worden gereconstrueerd op de oorspronkelijke locaties. De definitieve situering van de overige boomgaarden wordt afgestemd op de bedrijfsplannen en de bodemgesteldheid. Er wordt minimaal 10 ha en maximaal 30 ha hoogstamboomgaard gerealiseerd. Alles minder dan 30 ha wordt vervangen door florarijke-akkers.
De Vlakkenburg Een voormalige boerderij die nu dienst doet voor de informatievoorziening voor het Buijtenland van Rhoon en ruimte biedt aan vergaderingen en presentaties.
Riet Langs de Leidingenstraat en de dijksloot aan de voet van de primaire waterkering worden rietzones gemaakt van 9 m breed. Via gefaseerd beheer wordt voorkomen dat een lange aaneengesloten wand van riet gaat ontstaan. Zuiveringsmoeras Rhoonse stort De exacte uitvoering van met name de
rietvelden behorende bij de Rhoonse stort is nog onderwerp van gesprek. Op het kaartbeeld staat het zoekgebied dat qua inrichting en beheer het beste past bij de natuurdoelen van het streefbeeld.
een historische vorm van akkerbouw met oude gewassen. De bouwplannen zijn kleinschalig en er worden geen bestrijdingsmiddelen gebruikt. De situering op het kaartbeeld is indicatief en moet worden afgestemd op de bedrijfsplannen. Van het totaal aan flora akkers wordt ca 20 ha ingericht als wintervoedselakker.
20
5
10
15
Belevingsplek eendenkooi De eendenkooi van ZHL wordt beter zichtbaar en beleefbaar gemaakt, onder andere via rondleidingen door vrijwilligers.
Haag / struweel Rondom de flora-rijke akkers en de hoogstamboomgaarden worden elzenhagen ), knip- en scheerheggen en struweel aangeplant. Om de natuurwaarden te optimaliseren heeft struweel de voorkeur. De hagen accentueren de amorfe blokverkaveling (polder Buitenland van Rhoon) ten opzicht van de meer open en rechtlijnige strokenverkaveling (Molenpolder, Portlandpolder en Zegenpolder).
Natuurspeeltuin In het streefbeeld worden twee openbare natuurspeeltuinen nagestreefd, bij voorkeur bij de entrees van het gebied. De locaties zijn nog niet bepaald en onderdeel van nadere uitwerking.
1000
Entreegebied het Binnenland De grootste entree is het Binnenland in het noorden van het plangebied, omdat hier de recreatiedruk het hoogst mag zijn. Dit punt is tevens bezoekerscentrum met transferium, kanoverhuur, verkoop van streekproducten en fietsverhuur.
9 april 2018 Opgesteld door
NATUUR
40
500
Hoofdfietsroute Een directe en brede wandel- en fietsverbinding van RotterdamZuid naar het Buijtenland van Rhoon en overige recreatie- en natuurgebieden lands de Oude Maas. Struinpad Bestaande en nieuwe onverharde struinpaden maken het Buijtenland van Rhoon toegankelijk voor de recreant.
Ruiterroutes De ruiterroutes staan nog niet ingetekend op het streefbeeld. Doelstelling is om in overleg met de branche te komen tot voldoende veilige ruiterroutes Napoleonroute De Napoleonroute wordt beter beleefbaar gemaakt in de recreatieve routing.
Blauwe verbinding De Koedood is onderdeel van de Blauwe Verbinding tussen Rotterdam-Zuid en Barendrecht. In het Binnenland komt een verhuurpunt voor kano’s.
STREEFBEELD BUIJTENLAND VAN RHOON
20
Akkerplanten
Akkervogels
100
Belevingsplek wiel De voormalige dijkdoorbraak van de Schenkeldijk resulteerde in een wiel. Het wiel wordt zichtbaar gemaakt en wordt één van de belevingsplekken in het gebied.
Schraal grasland Een aantal kavels in het plangebied is van origine zeer laag gelegen. Deze ligging wordt geaccentueerd door het afgraven van de bouwvoor en het beheer als schraal grasland.
Recreatie
0
Belevingsplek molenplaats Portlandpolder De locatie van de oorspronkelijke watermolen in de Portlandpolder wordt gemarkeerd in de vorm van een vogelkijkpunt.
Belevingsplek pluktuin In het Buijtenland van Rhoon komen twee pluktuinen, waarvan er reeds één is gerealiseerd (De Buytenhof).
als graskruidenweiland. De situering op het kaartbeeld is indicatief en moet worden afgestemd op de bedrijfsplannen.
0
15
Belevingsplek algemeen Op markante punten in het landschap worden belevingsplekken gerealiseerd met zitgelegenheid en informatievoorziening (picknickplekken, uitzichtpunten, vogelkijkhutten). De belevingsplekken trekken de meeste recreanten aan zodat de vogelrustgebieden worden ontzien.
Graskruidenweiland Op de Leidingenstraat wordt een aantal kavels ingericht
Entreegebied met parkeren De vanzelfsprekende entrees van het Buijtenland van Rhoon zijn gesitueerd op de drie hoekpunten: de Rhoonse haven, de Koedoodhaven en het Binnenland. Hier worden parkeerplaatsen aangeboden zodat de recreant wandelend of met de fiets in het gebied kan recreëren. Tevens is er een horecavoorziening waar men informatie kan krijgen over de routes en bezienswaardigheden.
10
De Vossenburg Een akkerbouwbedrijf met verkoop van eigen producten en een breed palet aan paardgerelateerde activiteiten.
Flora akker De vruchtwisselingen en bemestingsniveau worden afgestemd op
aaneengesloten en open stiltegebieden worden gehandhaafd. Deze gebieden worden niet doorsneden door recreatieve routes.
5
Waterwipmolen in Zegenpolder Dit is een start- en rustpunt voor wandelaars en fietsers, waar men informatie kan krijgen over routes in het gebied en fietsen kan huren. Maar de horecavoorziening is ook een trekpleister op zich: vanaf het terras heeft men uitzicht op het eeuwenoude polderlandschap en kinderen kunnen spelen in de natuurspeeltuin.
krijgt nadere invulling in de specifieke bedrijfsplannen. Van belang is een minimale breedte (6 m), enkele bredere delen en een fijnmazige dooradering van het akkerlandschap.
veelal ingericht als griend ten behoeve van geriefhout. Deze grienden worden gereconstrueerd.
15
0
Horecagelegenheid Horecagelegenheid Dit is een start- en rustpunt voor wandelaars en fietsers, waar men informatie kan krijgen over routes in het gebied en fietsen kan huren. De horecavoorziening is een trekpleister op zich: vanaf het terras heeft men uitzicht op het eeuwenoude polderlandschap en kinderen kunnen spelen in de natuurspeeltuin.
Boerderij De boerderijen in het plangebied vertellen de ontstaansgeschiedenis van het landschap en worden zo mogelijk recreatieve knooppunten met activiteiten en voorzieningen op en rondom het erf.
Stiltegebied Voor de akkervogels is het van groot belang dat er grotere
100
Korenmolen in Binnenland In Het Binnenland wordt een korenmolen, naar voorbeeld van het Hert, herbouwd voor de verwerking en verkoop van streekproducten en informatievoorziening aan de recreant.
RECREATIE
41
Actoren in het gebiedsproces
LEGENDA
LEGENDA
Vanuit de provinciale en landelijke natuurorganisaties is erNatuur tevens veel tijd en aandacht besteed om tot een goed uitgewerkt streefbeeld te komen en daarbij moeten met name Niek Koppelaar en Mireille Dosker van het Zuid-Hollands Landschap, Alex Ouwenhand van de Milieufederatie Zuid-Holland en Anneklaar Wijnants en Wouter van Steenis van de Vereniging Natuurmonumenten worden genoemd. Vanuit de Provincie Zuid-Holland zijn het met name Willy Cornelissen, Annemieke Bijlmer, Bert Jacobs en Raymond Mangé geweest die als opdrachtgever voor de uitwerking van het streefbeeld voor veel nodige achtergrondinformatie hebben gezorgd. Daarnaast zijn natuurlijk ook de kwartiermaker Co Verdaas en onafhankelijk projectleider Jenny May essentieel geweest bij het tot stand komen van dit streefbeeld door het inhoudelijke proces van de nodige structuur en afstemming te voorzien. Als laatste is het belangrijk te noemen dat vanuit de uitvoerende partijen Louis Bolk Instituut en Vereniging Nederlands Cultuurlandschap veel inhoudelijke input en schrijfwerk is geleverd door Bart Dingemanse, Charlotte Witte (VNC), Louis Dolmans (VNC) en Boki Luske, Bart Timmermans en Udo Prins (LBI).
Daarbij is essentiële inhoudelijke expertise geleverd op het gebied van insecten door Jinze Noordijk en Theo Zeegers van EIS, op het gebied van akkervogels door Ruud Foppen en Frank Majoor (SOVON), op het gebied van flora door Peter Verbeek (Bureau Natuurbalans) en op het gebied van landschapsarchitectuur en inrichting Peter Verkade (PVLA).
Natuur
Bomendijk en dijkzone Het dijkprofiel wordt behouden van dijksloot tot
dijksloot, de bomen worden gehandhaafd en aangevuld. De dijkzones worden extensief ingericht en beheerd met aan de zonzijde een bloemrijk grasmengsel. Aan de schaduwzijde wordt incidenteel struweel aangeplant aan de overzijde van de dijksloot.
Natuurvriendelijke watergang 1:20 De belangrijkste oostwest waterlopen vormen een natuurlijke dooradering van het landschap. De natuurlijke watergangen worden voorzien van een zeer flauwe natuurvriendelijke oever met plasdras en begeleid met brede akkerranden.
Natuurvriendelijke watergang 1:3 Overige waterlopen worden voorzien van een natuurvriendelijke oever en geflankeerd door akkerranden van minimaal 6 m breed.
Hoofdwatergang / secundaire watergang
Korenmolen in Binnenland In Het Binnenland wordt een korenmolen, naar voorbeeld van het Hert, herbouwd voor de verwerking en verkoop van streekproducten en informatievoorziening aan de recreant.
Bomendijk en dijkzone Het dijkprofiel wordt behouden van dijksloot tot
dijksloot, de bomen worden gehandhaafd en aangevuld. De dijkzones worden extensief ingericht en beheerd met aan de zonzijde een bloemrijk grasmengsel. Aan de schaduwzijde wordt incidenteel struweel aangeplant aan de overzijde van de dijksloot.
Horecagelegenheid Horecagelegenheid Dit is een start- en rustpunt voor wandelaars en fietsers, waar men informatie kan krijgen over routes in het gebied en fietsen kan huren. De horecavoorziening is een trekpleister op zich: vanaf het terras heeft men uitzicht op het eeuwenoude polderlandschap en kinderen kunnen spelen in de natuurspeeltuin.
Natuurvriendelijke watergang 1:20 De belangrijkste oostwest waterlopen vormen een natuurlijke dooradering van het landschap. De natuurlijke watergangen worden voorzien van een zeer flauwe natuurvriendelijke oever met plasdras en begeleid met brede akkerranden.
Waterwipmolen in Zegenpolder Dit is een start- en rustpunt voor wandelaars en fietsers, waar men informatie kan krijgen over routes in het gebied en fietsen kan huren. Maar de horecavoorziening is ook een trekpleister op zich: vanaf het terras heeft men uitzicht op het eeuwenoude polderlandschap en kinderen kunnen spelen in de natuurspeeltuin.
Natuurvriendelijke watergang 1:3 Overige waterlopen worden voorzien van een natuurvriendelijke oever en geflankeerd door akkerranden van minimaal 6 m breed.
Hoofdwatergang / secundaire watergang
Boerderij De boerderijen in het plangebied vertellen de ontstaansgeschiedenis van het landschap en worden zo mogelijk recreatieve knooppunten met activiteiten en voorzieningen op en rondom het erf.
Akkerranden De situering van de akkerranden op het kaartbeeld is indicatief en krijgt nadere invulling in de specifieke bedrijfsplannen. Van belang is een minimale breedte (6 m), enkele bredere delen en een fijnmazige dooradering van het akkerlandschap.
De Buytenhof Een gemengd boerenbedrijf met zorgfunctie, theeschenkerij, boerderijwinkel en door het seizoen heen een scala aan agrarische activiteiten.
Griend De voormalige natste gedeelten van de polders (eeuwkanten) werden
De Zegenhoeve Een voormalige boerderij dichtbij het dorp Rhoon en daarmee een vanzelfsprekend startpunt voor wandelingen in de Zegenpolder.
Het streefbeeld dat hier voorligt is het resultaat van een jaar lang intensief overleg en afstemming tussen een groot aantal lokaal en regionaal betrokken partijen. Een volledige lijst van mensen die hier aan hebben bijgedragen draagt altijd het risico met zich mee dat enkele mensen vergeten worden, maar enige vermelding is toch wel op zijn plaats. Daarbij is het goed om te beginnen bij de agrariërs die in 2013 de basis legde voor het huidige streefbeeld door via landschapsarchitect Adriaan Geuze, Jaap Dirkmaat van de Vereniging Nederlands Cultuurlandschap te vragen om mee te denken aan een natuurinclusief akkerbouwplan voor het Buijtenland van Rhoon. Met name Adjan Vos, Gert van Herk, Hans de Klerk en Wiard Visser hebben sindsdien heel veel van hun kennis en tijd gegeven om dit streefbeeld te vervolmaken. De eerste opzet van het plan ‘Het Levend Buijtenland van Rhoon’ zijn voornamelijk tot stand gekomen door het harde werk van Egbert-Jaap Mooiweer (VNC)Recreatie met inhoudelijke input van Ben Koks (Werkgroep Grauwe Kiekendief) en Udo Prins en Jan-Willem Erisman (Louis Bolk Instituut). Bij de start van de uitwerking heeft zich al snel een grote groep lokaal betrokken mensen aangediend om mee te denken met de vormgeving van het streefbeeld.
Hierbij hebben zich met name Thedie Binder en Simon Barendregt laten kennen als grote kenners van de rijke cultuurhistorie in het gebied en hebben zij ervoor gezorgd dat deze een prominente uitwerking heeft gekregen in het streefbeeld. Daarnaast is ook heel actief bijgedragen door de lokale natuurpartijen Vereniging STREEFBEELD BUIJTENLAND VAN RHOON Carnisse Grienden (Elma Schreuders en Leo Heezen) en Natuurvereniging Het streefbeeld is opgesteld door: IJsselmonde (Sander Elzerman en Niels Godijn). Vanuit de (omliggende) gemeenten zijn Liselotte Mesu (Gemeente Rotterdam) en Peter Wunderink (Gemeente Albrandswaard) actief betrokken geweest waarbij met name Liselotte heel actief heeft meegeholpen om het recreatieve deel goed uitgewerkt in het streefbeeld te krijgen. veelal ingericht als griend ten behoeve van geriefhout. Deze grienden worden gereconstrueerd.
Hoogstamboomgaard De voormalige hoogstamboomgaarden worden gereconstrueerd op de oorspronkelijke locaties. De definitieve situering van de overige boomgaarden wordt afgestemd op de bedrijfsplannen en de bodemgesteldheid. Er wordt minimaal 10 ha en maximaal 30 ha hoogstamboomgaard gerealiseerd. Alles minder dan 30 ha wordt vervangen door florarijke-akkers.
Akkerranden De situering van de akkerranden op het kaartbeeld is indicatief en
De Vossenburg Een akkerbouwbedrijf met verkoop van eigen producten en een breed palet aan paardgerelateerde activiteiten.
Riet Langs de Leidingenstraat en de dijksloot aan de voet van de primaire
waterkering worden rietzones gemaakt van 9 m breed. Via gefaseerd beheer wordt voorkomen dat een lange aaneengesloten wand van riet gaat ontstaan.
Zuiveringsmoeras Rhoonse stort De exacte uitvoering van met name de rietvelden behorende bij de Rhoonse stort is nog onderwerp van gesprek. Op het kaartbeeld staat het zoekgebied dat qua inrichting en beheer het beste past bij de natuurdoelen van het streefbeeld.
Graskruidenweiland Op de Leidingenstraat wordt een aantal kavels ingericht als graskruidenweiland. De situering op het kaartbeeld is indicatief en moet worden afgestemd op de bedrijfsplannen.
Natuurspeeltuin In het streefbeeld worden twee openbare natuurspeeltuinen nagestreefd, bij voorkeur bij de entrees van het gebied. De locaties zijn nog niet bepaald en onderdeel van nadere uitwerking.
Stiltegebied Voor de akkervogels is het van groot belang dat er grotere
aaneengesloten en open stiltegebieden worden gehandhaafd. Deze gebieden worden niet doorsneden door recreatieve routes.
Entreegebied met parkeren De vanzelfsprekende entrees van het Buijtenland van Rhoon zijn gesitueerd op de drie hoekpunten: de Rhoonse haven, de Koedoodhaven en het Binnenland. Hier worden parkeerplaatsen aangeboden zodat de recreant wandelend of met de fiets in het gebied kan recreëren. Tevens is er een horecavoorziening waar men informatie kan krijgen over de routes en bezienswaardigheden.
0
100
500
1000
Entreegebied het Binnenland De grootste entree is het Binnenland in het noorden van het plangebied, omdat hier de recreatiedruk het hoogst mag zijn. Dit punt is tevens bezoekerscentrum met transferium, kanoverhuur, verkoop van streekproducten en fietsverhuur.
9 april 2018
Opgesteld door
RECREATIE
NATUUR
42
Blauwe verbinding De Koedood is onderdeel van de Blauwe Verbinding tussen Rotterdam-Zuid en Barendrecht. komt een verhuurpunt voor 0 100 In het Binnenland500 1000 kano’s.
De Vlakkenburg Een voormalige boerderij die nu dienst doet voor de informatievoorziening voor het Buijtenland van Rhoon en ruimte biedt aan vergaderingen en presentaties.
een historische vorm van akkerbouw met oude gewassen. De bouwplannen zijn kleinschalig en er worden geen bestrijdingsmiddelen gebruikt. De situering op het kaartbeeld is indicatief en moet worden afgestemd op de bedrijfsplannen. Van het totaal aan flora akkers wordt ca 20 ha ingericht als wintervoedselakker.
De Vossenburg Een akkerbouwbedrijf met verkoop van eigen producten en een breed palet aan paardgerelateerde activiteiten.
Belevingsplek algemeen Op markante punten in het landschap worden belevingsplekken gerealiseerd met zitgelegenheid en informatievoorziening (picknickplekken, uitzichtpunten, vogelkijkhutten). De belevingsplekken trekken de meeste recreanten aan zodat de vogelrustgebieden worden ontzien.
Toelichting en onderbouwing bij Streefbeeld Buijtenland van Rhoon
Belevingsplek molenplaats Portlandpolder De locatie van de oorspronkelijke watermolen in de Portlandpolder wordt gemarkeerd in de vorm van een vogelkijkpunt. Belevingsplek wiel De voormalige dijkdoorbraak van de Schenkeldijk resulteerde in een wiel. Het wiel wordt zichtbaar gemaakt en wordt één van de belevingsplekken in het gebied.
Graskruidenweiland Op de Leidingenstraat wordt een aantal kavels ingericht
Belevingsplek pluktuin In het Buijtenland van Rhoon komen twee pluktuinen, waarvan er reeds één is gerealiseerd (De Buytenhof).
Schraal grasland Een aantal kavels in het plangebied is van origine zeer laag gelegen. Deze ligging wordt geaccentueerd door het afgraven van de bouwvoor en het beheer als schraal grasland.
Belevingsplek eendenkooi De eendenkooi van ZHL wordt beter zichtbaar en beleefbaar gemaakt, onder andere via rondleidingen door vrijwilligers.
Haag / struweel Rondom de flora-rijke akkers en de hoogstamboomgaarden worden elzenhagen ), knip- en scheerheggen en struweel aangeplant. Om de natuurwaarden te optimaliseren heeft struweel de voorkeur. De hagen accentueren de amorfe blokverkaveling (polder Buitenland van Rhoon) ten opzicht van de meer open en rechtlijnige strokenverkaveling (Molenpolder, Portlandpolder en Zegenpolder).
Natuurspeeltuin In het streefbeeld worden twee openbare natuurspeeltuinen nagestreefd, bij voorkeur bij de entrees van het gebied. De locaties zijn nog niet bepaald en onderdeel van nadere uitwerking.
als graskruidenweiland. De situering op het kaartbeeld is indicatief en moet worden afgestemd op de bedrijfsplannen.
Stiltegebied Voor de akkervogels is het van groot belang dat er grotere
aaneengesloten en open stiltegebieden worden gehandhaafd. Deze gebieden worden niet doorsneden door recreatieve routes.
Struinpad Bestaande en nieuwe onverharde struinpaden maken het Buijtenland van Rhoon toegankelijk voor de recreant.
Napoleonroute De Napoleonroute wordt beter beleefbaar gemaakt in de recreatieve routing.
Hoogstamboomgaard De voormalige hoogstamboomgaarden worden gereconstrueerd op de oorspronkelijke locaties. De definitieve situering van de overige boomgaarden wordt afgestemd op de bedrijfsplannen en de bodemgesteldheid. Er wordt minimaal 10 ha en maximaal 30 ha hoogstamboomgaard gerealiseerd. Alles minder dan 30 ha wordt vervangen door florarijke-akkers.
Flora akker De vruchtwisselingen en bemestingsniveau worden afgestemd op
Hoofdfietsroute Een directe en brede wandel- en fietsverbinding van RotterdamZuid naar het Buijtenland van Rhoon en overige recreatie- en natuurgebieden lands de Oude Maas.
Ruiterroutes De ruiterroutes staan nog niet ingetekend op het streefbeeld. Doelstelling is om in overleg met de branche te komen tot voldoende veilige ruiterroutes
De Zegenhoeve Een voormalige boerderij dichtbij het dorp Rhoon en daarmee een vanzelfsprekend startpunt voor wandelingen in de Zegenpolder.
rietvelden behorende bij de Rhoonse stort is nog onderwerp van gesprek. Op het kaartbeeld staat het zoekgebied dat qua inrichting en beheer het beste past bij de natuurdoelen van het streefbeeld.
Belevingsplek pluktuin In het Buijtenland van Rhoon komen twee pluktuinen, waarvan er reeds één is gerealiseerd (De Buytenhof).
Haag / struweel Rondom de flora-rijke akkers en de hoogstamboomgaarden worden elzenhagen ), knip- en scheerheggen en struweel aangeplant. Om de natuurwaarden te optimaliseren heeft struweel de voorkeur. De hagen accentueren de amorfe blokverkaveling (polder Buitenland van Rhoon) ten opzicht van de meer open en rechtlijnige strokenverkaveling (Molenpolder, Portlandpolder en Zegenpolder).
Griend De voormalige natste gedeelten van de polders (eeuwkanten) werden
Zuiveringsmoeras Rhoonse stort De exacte uitvoering van met name de
Belevingsplek wiel De voormalige dijkdoorbraak van de Schenkeldijk resulteerde in een wiel. Het wiel wordt zichtbaar gemaakt en wordt één van de belevingsplekken in het gebied.
Belevingsplek eendenkooi De eendenkooi van ZHL wordt beter zichtbaar en beleefbaar gemaakt, onder andere via rondleidingen door vrijwilligers.
Boerderij De boerderijen in het plangebied vertellen de ontstaansgeschiedenis van het landschap en worden zo mogelijk recreatieve knooppunten met activiteiten en voorzieningen op en rondom het erf. De Buytenhof Een gemengd boerenbedrijf met zorgfunctie, theeschenkerij, boerderijwinkel en door het seizoen heen een scala aan agrarische activiteiten.
waterkering worden rietzones gemaakt van 9 m breed. Via gefaseerd beheer wordt voorkomen dat een lange aaneengesloten wand van riet gaat ontstaan.
Belevingsplek molenplaats Portlandpolder De locatie van de oorspronkelijke watermolen in de Portlandpolder wordt gemarkeerd in de vorm van een vogelkijkpunt.
Schraal grasland Een aantal kavels in het plangebied is van origine zeer laag gelegen. Deze ligging wordt geaccentueerd door het afgraven van de bouwvoor en het beheer als schraal grasland.
Waterwipmolen in Zegenpolder Dit is een start- en rustpunt voor wandelaars en fietsers, waar men informatie kan krijgen over routes in het gebied en fietsen kan huren. Maar de horecavoorziening is ook een trekpleister op zich: vanaf het terras heeft men uitzicht op het eeuwenoude polderlandschap en kinderen kunnen spelen in de natuurspeeltuin.
Riet Langs de Leidingenstraat en de dijksloot aan de voet van de primaire
Belevingsplek algemeen Op markante punten in het landschap worden belevingsplekken gerealiseerd met zitgelegenheid en informatievoorziening (picknickplekken, uitzichtpunten, vogelkijkhutten). De belevingsplekken trekken de meeste recreanten aan zodat de vogelrustgebieden worden ontzien.
Flora akker De vruchtwisselingen en bemestingsniveau worden afgestemd op
een historische vorm van akkerbouw met oude gewassen. De bouwplannen zijn kleinschalig en er worden geen bestrijdingsmiddelen gebruikt. De situering op het kaartbeeld is indicatief en moet worden afgestemd op de bedrijfsplannen. Van het totaal aan flora akkers wordt ca 20 ha ingericht als wintervoedselakker.
Horecagelegenheid Horecagelegenheid Dit is een start- en rustpunt voor wandelaars en fietsers, waar men informatie kan krijgen over routes in het gebied en fietsen kan huren. De horecavoorziening is een trekpleister op zich: vanaf het terras heeft men uitzicht op het eeuwenoude polderlandschap en kinderen kunnen spelen in de natuurspeeltuin.
krijgt nadere invulling in de specifieke bedrijfsplannen. Van belang is een minimale breedte (6 m), enkele bredere delen en een fijnmazige dooradering van het akkerlandschap.
veelal ingericht als griend ten behoeve van geriefhout. Deze grienden worden gereconstrueerd.
De Vlakkenburg Een voormalige boerderij die nu dienst doet voor de informatievoorziening voor het Buijtenland van Rhoon en ruimte biedt aan vergaderingen en presentaties.
Bijlage
Korenmolen in Binnenland In Het Binnenland wordt een korenmolen, naar voorbeeld van het Hert, herbouwd voor de verwerking en verkoop van streekproducten en informatievoorziening aan de recreant.
Recreatie Entreegebied met parkeren De vanzelfsprekende entrees van het Buijtenland van Rhoon zijn gesitueerd op de drie hoekpunten: de Rhoonse haven, de Koedoodhaven en het Binnenland. Hier worden parkeerplaatsen aangeboden zodat de recreant wandelend of met de fiets in het gebied kan recreëren. Tevens is er een horecavoorziening waar men informatie kan krijgen over de routes en bezienswaardigheden. Entreegebied het Binnenland De grootste entree is het Binnenland in het noorden van het plangebied, omdat hier de recreatiedruk het hoogst mag zijn. Dit punt is tevens bezoekerscentrum met transferium, kanoverhuur, verkoop van streekproducten en fietsverhuur.
Hoofdfietsroute Een directe en brede wandel- en fietsverbinding van RotterdamZuid naar het Buijtenland van Rhoon en overige recreatie- en natuurgebieden lands de Oude Maas. Struinpad Bestaande en nieuwe onverharde struinpaden maken het Buijtenland van Rhoon toegankelijk voor de recreant.
Ruiterroutes De ruiterroutes staan nog niet ingetekend op het streefbeeld. Doelstelling is om in overleg met de branche te komen tot voldoende veilige ruiterroutes Napoleonroute De Napoleonroute wordt beter beleefbaar gemaakt in de recreatieve routing.
Blauwe verbinding De Koedood is onderdeel van de Blauwe Verbinding tussen Rotterdam-Zuid en Barendrecht. In het Binnenland komt een verhuurpunt voor kano’s.
STREEFBEELD BUIJTENLAND VAN RHOON 9 april 2018 Opgesteld door
RECREATIE
43
Landschap en cultuurhistorie 1. Ontstaansgeschiedenis van het landschap Het eiland IJsselmonde, waar het Buijtenland van Rhoon onderdeel van is, kent een rijk cultuurhistorisch verleden dat terug gaat tot de Middensteentijd, zo’n 9.000 jaar geleden (Schoor, 2013). Bewoners werden al heel vroeg in de geschiedenis aangetrokken door de afwisseling van rivieren en kreken met vis en vruchtbare gronden die zich vormden op de zee- en rivierafzettingen in het gebied. In de prehistorie ging het nog grotendeels om jager-verzamelaars die vaak maar tijdelijk het gebied bewoonden, maar zeker in de loop van de middeleeuwen werd dit steeds meer permanente bewoning. Zo werden hogere gronden bedijkt. Desondanks doorbraken hoogwater en rivieren de dijken ook regelmatig waardoor de gronden weer voor jaren verloren waren voor agrarisch gebruik. Het huidige patroon aan dijken, watergangen en kavels, maar ook de ondergrond in het Buijtenland van Rhoon, laten nog volop die rijke geschiedenis zien. Zeker in de stadsregio Rotterdam raken steeds meer van die cultuurhistorische, landschappelijke patronen echter bedekt onder de oprukkende stadsuitbreidingswijken. De gemoderniseerde landbouw met de grote, rechte kavel heeft daar nog een steentje aan bijgedragen.
Toch vormen de polders van het projectgebied Buijtenland van Rhoon daar een nog zeldzame uitzondering op, waarbij veel van die landschappelijke verhalen nog te lezen zijn en beleefd kunnen worden. Door deze nog bestaande patronen te bewaren en te koesteren en her en der weer overnieuw te accentueren kan dit verhaal versterkt worden en mede gebruikt worden om de verbinding tussen landbouw, natuur en recreatie in het gebied verder vorm te geven.
a. Donken Het vruchtbare gebied van Zuidwest-Nederland was al in de vroege geschiedenis een aantrekkelijke vestigingsplek voor eerst rondtrekkende volken, maar later ook sedentaire bewoning. Deze bewoning vond met name plaats op de hoge plekken in het landschap: donken en oeverwallen (Kroes, 2009). Donken, wat overblijfselen zijn van de oude rivierduinen die zich aan het eind van de ijstijd (10.000 v. Chr.) vormden, waren daarbij vaak de eerste plekken die daarvoor in aanmerking kwamen en bevatten de oudste sporen van bewoning tot zo’n 7.000 jaar geleden. Deze donken zijn her en der nog in de ondergrond te vinden, onder andere ten noorden van Rhoon. Vermoed wordt dat uitlopers van deze donk zich mogelijk ook in de ondergrond van het noordelijk deel van het projectgebied bevinden op nog onbekende diepte. Nader onderzoek zou nodig zijn om te kunnen vaststellen of hier bij vergravingen rekening gehouden moet worden.