CConstaterende datAlbrandswaard
Koppel je AI →
Document · PDF

totaal bijlage 2 E Streefbeeld Buijtenland van Rhoon PDF.pdf

Gemeenteraad AW 7 februari 2022, gemeente AlbrandswaardBij agendapunt: 8: Ontwerp Bestemmingsplan Buijtenland van Rhoon 202140.832 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 5

Streefbeeld

Inhoud Inleiding 2 Streefbeeld 4

Bijlage 43

Het Buijtenland van Rhoon over 10 jaar

Landschap en cultuurhistorie

5

44

Landschap en cultuurhistorie 9

Natuur 49

Natuur 13

Recreatie 64

Recreatie 23

Landbouw 76

Landbouw 27

Literatuur 81

Relaties tussen landbouw, recreatie en natuur: zoeken naar balans 32 Werkwijze 33 Lerend inrichten en beheren

34

Borging enleercyclus 35 Organisatie van coöperatie en monitoring

36

Actoren in het gebiedsproces

42

Inleiding Voor u ligt het streefbeeld voor het Buijtenland van Rhoon. In dit streefbeeld leest u welke doelen de komende jaren gerealiseerd worden op het gebied van natuur, landbouw en recreatie. Het streefbeeld is opgesteld door het Louis Bolk Instituut en de Vereniging Nederlands Cultuurlandschap met inbreng van natuurorganisaties, boeren, recreatiedeskundigen en lokale betrokkenen. Het zal gerealiseerd worden door een gebiedscoöperatie waarin (lokale) natuurpartijen, boeren en recreatieondernemers op een gelijkwaardige manier samenwerken. Ieder vanuit zijn eigen achtergrond en belang, maar met respect voor elkaars kennis en kunde en in het volle besef dat zij elkaar nodig hebben om de doelen in dit streefbeeld te realiseren. Het Buijtenland van Rhoon is een uniek gebied: een prachtig cultuurhistorisch polderlandschap en een oase van rust vlakbij de stad Rotterdam. Het is er nu al mooi maar het wordt de komende jaren nog veel aantrekkelijker: voor natuur, voor bezoekers én voor ondernemers. Dit streefbeeld schetst een “stip aan de horizon”: het bevat heldere en meetbare doelen, maar de weg daarnaartoe staat nog niet vast. Nergens in Nederland is ervaring met het verweven van natuur, landbouw en recreatie op dit schaalniveau en met deze intensiteit.

Door experimenten en onderzoek zal de gebiedscoöperatie in het Buijtenland van Rhoon veel kennis vergaren over ‘natuurinclusieve landbouw’. De doelen zijn ambitieus, maar wie weet welke verrassingen de natuur nog in petto heeft.

2

Dat er in het Buijtenland van Rhoon iets gaat veranderen is al lange tijd duidelijk. In 2006 heeft het Rijk de Planologische Kernbeslissing Project Mainportontwikkeling Rotterdam (PKB PMR) vastgesteld, waarin staat dat in het Buijtenland van Rhoon hoogwaardige natuur en recreatie met agrarisch medegebruik ontwikkeld moeten worden. Aanvankelijk werd dit besluit vertaald in een plan waarbij in een groot deel van het gebied moerasnatuur zou komen. Voor dit plan bestond weinig draagvlak en in 2014 is op initiatief van lokale agrariërs een alternatief plan gepresenteerd met de titel “Levend Buijtenland van Rhoon”. Dit plan is gebaseerd op de realisatie van hoogwaardige akkernatuur: een vorm van natuur die hand in hand gaat met recreatie en landbouw en die past bij het cultuurhistorisch polderlandschap. Vanuit de Tafel van Borging werden met name door betrokken natuurpartijen echter veel zorgen geuit over de te bereiken natuurwaarden in dit plan. Na adviezen van Alterra, oud-Minister Cees Veerman en een Commissie van drie kwartiermakers hebben het Rijk en de Provinciale Staten van de provincie Zuid-Holland uiteindelijk besloten om het alternatieve plan wel te omarmen, maar op voorwaarde dat het plan samen met betrokken natuur- en recreatiepartijen verder zal worden uitgewerkt tot gedeelde verifieerbare doelen. Dit streefbeeld geeft invulling aan dat verzoek.

De provincie zal na het vaststellen van dit streefbeeld een rol ‘op afstand’ vervullen als opdrachtgever van de gebiedscoöperatie. De verschillende doelen (op het gebied van natuur, recreatie en landbouw) zijn in dit streefbeeld verder uitgewerkt en voorzien van afspraken binnen welke termijn deze doelen gehaald moeten worden. Het streefbeeld is bij de verdere ontwikkelingen van het Buijtenland van Rhoon kaderstellend. Dit streefbeeld bestaat uit twee delen. Het eerste deel beschrijft het landschappelijk en historisch kader van het Buijtenland van Rhoon en vormt de basis voor de doelen die nagestreefd worden, indicatoren en concrete maatregelen voor natuur, recreatie en landbouw. Deel twee beschrijft de beoogde werkwijze van ‘lerend beheren’, de rol van de gebiedscoöperatie en de monitoring. In de bijlage, die integraal onderdeel uitmaken van dit streefbeeld kunt u meer informatie vinden over wetenschappelijke achtergrond en toelichtingen op de gemaakte keuzes.

3

Streefbeeld Het streefbeeld omvat de hoofdelementen natuur, landbouw en recreatie. Het cultuurhistorische landschap vormt het raamwerk waarbinnen deze doelen worden gerealiseerd. Zo is het voor het realiseren van natuur- en landbouwdoelen noodzakelijk goed gebruik te maken van de eigenschappen van dit landschap en inspiratie te halen uit het historische landgebruik. Ook voor een goede recreatieve ontwikkeling is behoud en versterking van de kwaliteit van het landschap en de cultuurhistorie belangrijk. Dit streefbeeld start daarom met een beschrijving van bestaande en toekomstige landschappelijke en cultuurhistorische waarden in het Buijtenland van Rhoon.

4

Het Buijtenland van Rhoon over 10 jaar Bezoekers van het Buijtenland van Rhoon worden met open armen ontvangen in het noordelijk gelegen bezoekerscentrum, de voornaamste toegangspoort tot het gebied. Het is goed te bereiken met de auto en er zijn volop parkeergelegenheden. Er zijn verschillende fiets- en wandelroutes, dus vanuit hier worden bezoekers uitgenodigd om als fietser of wandelaar het gebied te ontdekken. De eerste indruk in het Buijtenland van Rhoon is er één van een open, door akkerbouwgewassen gedomineerd gebied waar een veelheid aan gewassen wordt verbouwd. Daarnaast zijn overal in de polder, aan de randen van graanpercelen, de bekende en kleurrijke akkerbloemen te zien. De korenbloem, klaproos, kamille en gele ganzenbloem horen vanouds thuis tussen de gewassen. De percelen worden gescheiden door watergangen met hooilandranden en plasdrasoevers. In de hooilandranden groeien bloeiende kruiden als margrieten, ratelaars en rode klavers. De beplante oevers trekken insecten aan, zoals sprinkhanen, libellen en zweefvliegen, die op hun beurt weer vogels aantrekken.

Het noordelijk landschap is kleinschalig en gevarieerd. De landbouw, met onder andere hoogstamboomgaarden en het meer besloten landschap met heggen, hagen en struweel, vormt een aantrekkelijk gebied voor de recreant. Hier zijn tevens relatief veel toeristische voorzieningen, zoals de herbouwde graanmolen Het Hert, een landwinkel en natuurspeeltuin. In de westelijke punt (Johannapolder) en de oostelijke punt (Nieuwe Koedoodzone) vindt de recreant horeca en parkeergelegenheid. Dit deel is te beleven vanaf de dijken (slaperdijken en zeedijk) en enkele struinpaden door het gebied. Naar het zuiden toe opent het landschap zich meer en is het rustiger. Er liggen minder paden en er zijn meer akkervogels te zien, en te horen. Kwartels, kieviten, veldleeuweriken, gele kwikstaarten of roofvogels zoals de grauwe kiekendief. Vanaf de Schenkeldijk zijn bewoners van de grienden te aanschouwen: rietvogels, rietgorzen, kleine karekieten en blauwborsten. Het Buijtenland van Rhoon biedt de vogels een permanente leefomgeving. Ze kunnen overwinteren door het voedsel dat de onbewerkte stoppels leveren in de herfst en door de granen en zaden van de wintervoedselakkers. Ten slotte zijn de akkerbouwgewassen niet alleen mooi en herkenbaar in het landschap terug te vinden, maar ook op de boerenerven, lokale markten, in de stedelijke markthallen en de landwinkel.

Het beeldmerk van het Buijtenland van Rhoon roept bij een grote groep van trouwe consumenten een herinnering op van hun laatste bezoek aan dit bijzondere gebied. Veel geven er zelfs de voorkeur aan met enige regelmaat de producten rechtstreeks te kopen bij de boer op zijn erf of op de streekmarkt. Zo hebben zij het gevoel medeverantwoordelijk te zijn voor de instandhouding van zo’n mooi en rustig gebied onder de rook van Rotterdam.

Behalve flora-akkers zijn verspreid door de polders kleine percelen waar oude gewassen worden verbouwd die kenmerkend waren voor deze regio: oude granen als spelt, emmertarwe en einkorn, maar ook handelsgewassen als vlas, lupines, koolzaad en meekrap. Door het speciaal aangepaste beheer op deze percelen — lage bemesting en minimale (mechanische) onkruidbestrijding — is ook tussen deze gewassen een rijkdom aan begeleidende akkerflora te zien. Dit biedt hoogwaardige natuur met uiterst zeldzame soorten als naaldenkervel, nachtkoekoeksbloem en akkerboterbloem.

5

De visualisatie van dijken en dijkzones (Peter Verkade, Landschapsarchitect)

De visualisatie van water en akkerranden (Peter Verkade, Landschapsarchitect)

De uitwerking van dijken en dijkzones (Peter Verkade, Landschapsarchitect)

De visualisatie van een haag en heggen (Peter Verkade, Landschapsarchitect)

6

7

Landschap en cultuurhistorie

De uitwerking van een haag en heggen (Peter Verkade, Landschapsarchitect)

De uitwerking van water en akkerranden (Peter Verkade, Landschapsarchitect)

Versterking van het bestaande en herstel van wat was

Het eiland IJsselmonde, waar het Buijtenland van Rhoon onderdeel van is, wordt al 9.000 jaar bewoond (Schoor, 2013). Op veel plekken in de regio Rotterdam zijn de cultuurhistorische, landschappelijke patronen verdwenen vanwege stadsuitbreiding en modernisering van de landbouw. De polders van het projectgebied Buijtenland van Rhoon vormen daar een uitzondering op en laten deze geschiedenis nog volop zien. Het landschap en de cultuurhistorie vormen het raamwerk waarbinnen de doelen uit dit streefbeeld worden gerealiseerd. Daarbij gelden drie randvoorwaarden:

Bewoning in de droogmakerijen

1. Het behoud van bestaande cultuurhistorie 2. Herstel en versterking van landschap en cultuurhistorie 3. Het vernieuwen en verrijken door voort te bouwen op wat er al is

Dijken & hoofdwatergangen: de strijd om het land

Behoud van het bestaande In het Buijtenland van Rhoon liggen mogelijk ‘verborgen schatten’. Bij nieuwe ontwikkelingen en vergravingen op kwetsbare plekken wordt daarom de kaart uit het archeologische adviesrapport van RAAP geconsulteerd om te kijken of de werkzaamheden deze schatten zouden kunnen verstoren. Bij de mogelijkheid van verstoring vindt archeologisch en/of bodemkundig onderzoek plaats om deze structuren en overblijfselen zoveel mogelijk te beschermen. Daarnaast zal voor het behoud van de nog zichtbare cultuurhistorie gebruik worden gemaakt van de lijst van Rijksmonumenten en beschermde gezichten, samen met de cultuurhistorische waardenkaart van de Provincie en de gemeentelijke monumentenlijsten.

Vanaf de middeleeuwen is het gebied regelmatig op kaarten terug te vinden waardoor de bewoning in het gebied kan worden herleid. De eerste overblijfselen vormen daarbij de mogelijke woonheuvels. Deze woonheuvels uit de 15e eeuw en historische boerderijen worden behouden en meer benadrukt. Locaties van oude boerderijen die reeds zijn verdwenen kunnen aanleiding zijn voor verwijzingen met informatieve borden die het verhaal van die plek vertellen.

Het patroon van dijken en watergangen vertelt het verhaal over de langdurige strijd om het vruchtbare land. Het verhaal begint in 700-800 n. Chr. waaruit de eerste sporen van ontginningen dateren. In de buurt van Poortugaal werd een (grotendeels) veengebied langzaam drooggemaakt en ontgonnen. Vanaf de 14e eeuw overspoelden verschillende watersnoodrampen een groot deel van het gebied en ringdijken werden weggeslagen. In deze periode ontstond een doorbraak door het eiland tussen de Oude Maas en de Nieuwe Maas: de Koedood, die echter in de loop der eeuwen meerdere aanpassingen meegemaakt waardoor maar weinig delen nog op hun oorspronkelijke locatie liggen.

Aanvullende kaarten van het projectgebied in de aansluiting met het omliggende gebied op IJsselmonde qua recreatieve routes.

8

9

Na de grootste overstroming in 1421 (St. Elisabethvloed) is het hele gebied gefaseerd teruggewonnen op het water. Dit proces heeft meerdere eeuwen in beslag genomen en is nog steeds zichtbaar in de landschapslijnen bestaande uit slaperdijken en watergangen. Deze lijnen vertellen tezamen het verhaal van de strijd met het water en vormen een belangrijke cultuurhistorische drager onder dit landschap. Het streven is daarom deze elementen zoveel mogelijk te behouden, te herstellen en te accentueren. Daarbij is het fundamentele uitgangspunt dat het huidige watersysteem en waterpeil gehandhaafd blijven.

Molens: het behoud van het land Terwijl dijken de taak hadden het water van de zee en rivieren buiten te houden, moest het Laagliggende land constant worden beschermd tegen overvloedig regenwater. Windmolens werden ingezet om het overtollige water uit de polders te malen. In de 16e en 17e eeuw waren dit vooral houten wipmolens. Uiteindelijk werd in 1879 de functie van de molen overgenomen door een stoomgemaal. Zo kent het Buijtenland van Rhoon een geschiedenis van verschillende (soorten) molens die zijn geplaatst, verplaatst, vervangen en gesloopt.

Wegen en verbindingen: een keizerlijke historie

De verkaveling: van uniformiteit naar diversiteit

De verbindingswegen vallen samen met de dijken en vormen belangrijke lijnen in het landschap. Ook kenmerkend zijn de wegen die de loop van de oude schenkelkades aangeven. Door het gebied loopt een belangrijke historische route: de Napoleonroute. Enkele verwijzingen naar deze verbindingsroute uit de Napoleontische periode zijn terug te vinden in het landschap: het Veerhuis, een historisch bruggetje en kilometer- en hectometerpaaltjes.

In het noorden van het gebied liggen vele kleine perceeltjes die als een legpuzzel het gebied invullen, terwijl de kavels in het zuiden groter en opener zijn. Dit karakter met rechte lijnen en lange percelen heeft zich na de Tweede Wereldoorlog ontwikkeld tot het open en grootschalige landschap van nu. Door het weghalen van kavelsloten en deelakkers, zijn er veel overgangen tussen gewassen, perceelranden en sloten in het gebied verdwenen. Dit heeft geleid tot afname van de biodiversiteit. Het streven is door natuurmaatregelen te treffen, meer overgangen te creëren en daarmee de biodiversiteit in het gebied te vergroten (zie hoofdstuk natuur).

Het streven is om de Napoleonroute en de hooggelegen dijkwegen als uitgangspunt te nemen in het ontwerp van de recreatieve routes. Deze zullen aangevuld worden met nieuwe wandel- en fietspaden die aansluiten op recreatieve routes richting Rotterdam en omgeving. De bestaande autowegen behouden hun breedte maar gestreefd wordt naar een autoluw gebied geschikt voor bestemmingsverkeer.

Agrarische bouwplannen en landgebruik: inspiratie uit de historie Het agrarisch landgebruik in Zuidwest-Nederland heeft zich vanaf de vroege geschiedenis altijd sterk gericht op de akkerbouw. Door de invloed van de relatieve nabijheid van grote steden in Vlaanderen en later Noord- en Zuid-Holland werd deze akkerbouw door de eeuwen heen gekenmerkt door het telen van een grote diversiteit aan handels- en groentegewassen zoals vlas, koolzaad, meekrap –verbouwd als grondstof voor rode kleur-, kaardenbollen, mierikswortel en koriander. Daarnaast hadden veel bedrijven een hoogstamboomgaard, paarden, koeien en schapen.

Watermolen Buijtenland van Rhoon aan de Oude Koedood (Polderdag-rhoon.nl)

Inpoldering in Albrandswaard achtereenvolgens rond 1350, 1550, 1800 en 2000 (Eigen ontwerp).

10

Vanaf de jaren 50 zijn veel van deze gewassen verdwenen en is de teelt, net als in andere delen van Nederland, steeds verder geïntensiveerd. Het aandeel -veelal bloeiende- maaivruchten zoals granen, vlas, bonen en koolzaad is afgenomen, terwijl het aandeel hakvruchten als aardappel, suikerbieten en uien is toegenomen. Ook zijn veel hoogstamboomgaarden verdwenen.

Polderwipmolen Oostmolen Mijnsheerenland (Hoeksche Waard)

Historische windmolens spreken tot de verbeelding en zijn in Nederland een belangrijk element in onze cultuurhistorie. Ze helpen het verhaal van de ontstaansgeschiedenis van een gebied te vertellen, en vormen tegelijkertijd een belangrijke blikvanger en richtpunt voor passanten en recreanten. Het streven is daarom één van de historische watermolens in het gebied te herbouwen (zie hoofdstuk recreatie).

Kilometerpaal 34 van de Napoleonroute tegenover Essendijk 7 in Rhoon (Polderdag-Rhoon.nl)

Het streven is om de diversiteit aan gewassen en het aandeel maaivruchten in het gebied weer te vergroten, zodat dit ten goede komt aan het bodemleven, de insectenaantallen en akkervogels (zie hoofdstuk landbouw). In het noordelijke deel van het gebied is het streven om hoogstamboomgaarden te laten herrijzen.

11

Natuur

Nieuwe elementen: passend bij het bestaande landschap Om dit streefbeeld te realiseren zullen ook nieuwe elementen worden toegevoegd aan het Buijtenland van Rhoon. Deze nieuwe elementen moeten een verrijking vormen van het bestaande landschap en de cultuurhistorie. Het streven is om een beeldkwaliteitplan op te stellen die aangeeft waaraan nieuwe toevoegingen moeten voldoen. Denk aan locatie, schaalgrootte, vorm en materiaalgebruik.

In het Buijtenland van Rhoon komt de nadruk op hoogwaardige akkernatuur te liggen. De term akkernatuur verwijst naar de grote biodiversiteit die op en om de akkers te vinden was tot ver in de 20e eeuw.. Inmiddels behoort akkernatuur tot de meest bedreigde natuur in Nederland, veroorzaakt door de sterke intensivering van de agrarische productie na de Tweede Wereldoorlog.

Doelsoorten flora Het projectgebied bestaat uit kalkrijke zavel- en kleigronden. De floradoelsoorten behoren daarom allemaal tot de Stoppelleeuwenbekjesassociatie, de nauw verwante Nachtkoekoeksbloemassociatie en de Grote ereprijs-Witte kroddeassociatie. Sommige doelsoorten zijn naar verwachting gemakkelijk terug te brengen, anderen niet (Tabel 1). Tabel 1. Doelsoorten akkerflora ingedeeld in categorieën van waarschijnlijkheid van terugbrengen.

In dit streefbeeld ligt de nadruk op twee zichtbare onderdelen van deze akkernatuur: akkerflora en akkervogels. Beide zijn indicatief voor een breder herstel aan biodiversiteit in het Buijtenland. Naast flora en vogels zullen namelijk ook bovengrondse insecten, bodemleven, waterleven en zoogdieren dankbaar gebruik maken van het nagestreefde herstel van biodiversiteit in de polders. Makkelijk

Redelijk

Tuinwolfsmelk

Eironde leeuwenbek

Akkerboterbloem

Grote leeuwenklauw

Hondspeterselie

Spiesleeuwenbek

Nachtkoekoeksbloem

Groot spiegelklokje

Rood guichelheil

Brede wolfsmelk

Doffe ereprijs

Wilde ridderspoor

Het vertrekpunt

Kleine leeuwenbek

Naaldenkervel

Driehoornig walstro

Naakte lathyrus

Kleine wolfsmelk

Akkerandoorn

Vlaswarkruid

Stijve wolfsmelk

Er zijn veel redenen waarom de rijkheid aan flora geen kans meer lijkt te hebben in het huidige akkerbouwsysteem. De grootste teruggang werd veroorzaakt door de steeds efficiëntere onkruidbestrijding met herbiciden en voortgaande landbouwmechanisatie.

Gladde ereprijs

Stinkende kamille

Vlasdolik

Behaarde boterbloem

Korenbloem

Akkerdoornzaad

Vlashuttentut

Blauw walstro

Akkerflora Graanmolen Het Hert aan de noordrand van Rhoon (1976 gesloopt) (Oudheidkamer Poortugaal)

2. Naast watermolens werden ook graanmolens gebouwd om graan te verwerken tot meel. In het Buijtenland zelf heeft geen korenmolen gestaan. In Rhoon wel, een stenen stellingmolen: Het Hert (1849). In 1967 werd Het Hert echter gesloopt om plaats te maken voor een uitbreidingswijk van Rhoon. Een straatnaam verwijst nog naar de oude standplaats van deze korenmolen. Een optie is om Het Hert te herbouwen in of bij het Buitenland van Rhoon. Een graanmolen is niet alleen een recreatieve trekpleister, maar biedt ook de mogelijkheid om lokale landbouwproducten en consumenten met elkaar te verbinden. De molen verwerkt de producten, de consument koopt ze én krijgt een bijbehorend verhaal van grond tot mond.

Uit onderzoek blijkt dat voor een goed herstel van akkerflora een uitvoerend beheerder nodig is die goed weet welke werkzaamheden op welk moment moeten worden uitgevoerd. Het gaat daarbij om de juiste balans tussen ecologische en agronomische kennis. Doordat agrariërs en natuurpartijen gezamenlijk aan de slag gaan in het Buijtenland van Rhoon is de kans voor het herstel van deze bijzondere en uiterst zeldzame akkerflora in dit gebied heel groot.

12

Moeilijk

Onduidelijk

Dreps

Ruw parelzaad

Akkergeelster

Gele ganzenbloem

Wilde weit

Geoorde veldsla

Blauw guichelheil

Getande veldsla

Akkerogentroost

Klein spiegelklokje Ruige klaproos Valse kamille Akkerleeuwenbek

13

Voor duurzaam herstel moeten voldoende exemplaren van de doelsoorten voorkomen in het Buijtenland van Rhoon. Streven is om te komen tot minimaal een “goed” en bij voorkeur een “uitstekend” op basis van tabel 2. Tabel 2. Streefdoelen voor akkerflora Indicator

Streefwaarde

Aantal doelsoorten dat zich bestendig vestigt per flora-akker

>5 (matig) >12 (goed) >20 (uitstekend)

Aantal doelsoorten dat zich bestendig vestigt in het gehele gebied

Kruidenrijke akker in de Zegenpolder met historisch graan (Emmertarwe) (Udo Prins)

Stijve wolfsmelk, zeer zeldzame akkerflora-doelsoort in 2017 gevonden in een berm aan de Oudeweg in Buijtenland van Rhoon (Udo Prins)

14

>11 (matig) >18 (goed) >25 (uitstekend)

Gele ganzenbloem, Grote klaproos, Korenbloem en Kamilles (Udo Prins)

Maatregelen voor akkerflora

Lerend beheren

Om de in het streefbeeld genoemde floradoelsoorten terug te kunnen krijgen in het Buijtenland van Rhoon wordt in eerste instantie ingezet op twee hoofdmaatregelen: het aanleggen van een kweektuin van doelsoorten en het aanleggen van speciale florarijke-akkers waarbij het beheer er primair op gericht is de genoemde doelsoorten een bestendige plek te geven.

Over het gewenste beheer op florarijke-akkers zijn de laatste jaren behoorlijk wat rapporten verschenen. Daaruit komt een aantal duidelijke lijnen naar voren die cruciaal zijn voor het herstel van akkerflora. Bijvoorbeeld dat de beheerder geen gebruik maakt van chemische onkruidbestrijding en slechts spaarzaam gebruik van mechanische onkruidbestrijding, geen of een schrale bemesting plaatsvindt en het houden van de balans tussen gewenste doelsoorten en algemene, woekerende soorten zoals distels gerichte aandacht vraagt in het beheer. Onderwerpen van onderzoek waar het Buijtenland van Rhoon zich voor leent zijn:

Florarijke-akkers De akkerbouw die nodig is voor een breed herstel van akkerflora is vele malen extensiever dan de huidige akkerbouw, zelfs extensiever dan biologische akkerbouw. Voor herstel is het aanleggen van speciale flora-akkers de enige manier. Op een flora-akker wordt een gewas verbouwd, maar op zo’n manier dat de bijbehorende zeldzame planten en bloemen weer een kans krijgen. Relatief kleine florarijke-akkers van 1-2 ha zijn waarschijnlijk voldoende voor een goed herstel. Toch kunnen door slechts kleine verschillen in grondslag, bemestingstoestand of ontwatering grote verschillen ontstaan in welke doelsoorten zich duurzaam vestigen op een akker. Door akkers, op verschillende plekken in het gebied aan te leggen, wordt de kans vergroot op brede en duurzame terugkeer van doelsoorten. In het hele projectgebied komen minimaal 10 florarijke-akkers van in totaal minimaal 25 ha. Op sommige grotere percelen zullen de effecten van verschillend akkerbeheer (bemesting, vruchtwisseling etc.) onderzocht worden.

Kweektuin Uit ervaringen met herstel van akkerflora in andere gebieden in Nederland is het nodig om soorten actief te herintroduceren. Door de opzet van een kweektuin voor akkerflora en het uitzetten van soorten op specifieke locaties zullen soorten geherintroduceerd worden.

• de beste zaaidichtheid van gewassen is • het verschil tussen geen en schrale bemesting is • Het effect van wel of niet toepassen van een vruchtwisseling is.

Florakansen op de overige akkergronden Het herstel van de akkerflora zal in het begin vooral optreden op de speciaal daarvoor ingerichte flora-akkers. Echter, op termijn, is het de bedoeling dat ook de overige landbouwgronden gaan bijdragen aan het herstel van akkerflora. Daarvoor is wel een ander landbouwkundig beheer nodig (zie hoofdstuk landbouw) zoals wellicht omschakelen van chemische naar mechanische onkruidbestrijding ¹ en een groter aandeel maaivruchten in het bouwplan. Meer algemene floradoelsoorten, als korenbloemen en klaprozen vervullen naast een floradoel ook een rol voor de landschappelijke aankleding en het verhogen van het insectenaanbod. Dit insectenaanbod kan dienen als broedvoedsel voor akkervogels. Daarom wordt deze akkerflora in de randen van graanpercelen meegezaaid. Hierdoor ontstaat een mengvorm van cultuurgewas en akkerrand. Ook de wat minder kritische doelsoorten als akkerandoorn en gele ganzenbloem kunnen zich dan op deze percelen in stand houden.

Akkervogels Het aantal en de diversiteit van boerenlandvogels is in Nederland sterk afgenomen. Sinds 1960 een achteruitgang van circa enkele miljoenen broedparen. Veel soorten zijn afgenomen in aantal en uit veel gebieden verdwenen. Dit is ook het geval in het Buijtenland van Rhoon. Een groot deel van de karakteristieke boerenlandvogels is terechtgekomen op de Rode Lijst. Door maatregelen te nemen en een aangepaste agrarische bedrijfsvoering in te voeren bieden de polders van het Buijtenland van Rhoon kansen voor terugkeer en duurzaam herstel van boerenlandvogels.

Doelsoorten vogels Het Buijtenland van Rhoon kent in het noorden een kleinschalige akkernatuur en in het zuiden een meer open, grootschalige structuur. Daarom is voor de broedvogels onderscheid gemaakt tussen doelsoorten voor (1) erven, (2) vogels van kleinschalig cultuurlandschap met veel groene dooradering en (3) vogels van open akkerlandschappen. Tabel 3 bevat de doelsoorten voor het broedseizoen. Tabel 4 de doelsoorten voor het winterseizoen.

¹ Wellicht, omdat mechanische landbouwbestrijding verstorend kan zijn voor akkervogels en dus een goede afweging nodig is.

15

Tabel 3. Lijst met doelsoorten voor de broedtijd soort Ringmus

ecotype erven

Voorstel broedvogel indicatordoelsoort

Streefwaarde BroedNoord >100

Steenuil* Boerenzwaluw

erven erven

doelsoort doelsoort

A D

Gekraagde roodstaart Roodborsttapuit Kneu Grasmus

erven kleinschalig boerenland/GBDA kleinschalig boerenland/GBDA kleinschalig boerenland/GBDA

doelsoort indicatordoelsoort indicatordoelsoort indicatordoelsoort

B >10 >40 >50

Grauwe klauwier

kleinschalig boerenland/GBDA

icoondoelsoort

A

Patrijs* Putter Groenling Torenvalk

kleinschalig boerenland/GBDA kleinschalig boerenland/GBDA kleinschalig boerenland/GBDA kleinschalig boerenland/GBDA

doelsoort doelsoort doelsoort doelsoort

C D D B

Ransuil

kleinschalig boerenland/GBDA

doelsoort

B

Spotvogel

kleinschalig boerenland/GBDA

doelsoort

B

Grauwe vliegenvanger

kleinschalig boerenland/GBDA

doelsoort

B

Blauwborst

kleinschalig boerenland/GBDA

doelsoort

Zomertortel Veldleeuwerik Gele kwikstaart Kievit**

kleinschalig boerenland/GBDA open akkergebied open akkergebied open akkergebied

doelsoort indicatordoelsoort indicatordoelsoort indicatordoelsoort

B

Velduil

open akkergebied

icoondoelsoort

A

Grauwe kiekendief

open akkergebied

icoondoelsoort

A

Kwartelkoning

open akkergebied

icoondoelsoort

A

Bruine kiekendief** Scholekster Graspieper

open akkergebied open akkergebied open akkergebied

doelsoort doelsoort doelsoort

A

Kwartel open akkergebied doelsoort *soort is jaarrond in het gebied aanwezig maar de aantallen kunnen het beste in het broedseizoen worden bepaald

De doelsoorten zijn ingedeeld in diverse categorieën: Streefwaarde BroedZuid

Streefwaarde broed beiden

D

>100 >100 >150

C C B

Status soort in gebied/ omgeving aanwezig in zeer kleine aantallen aanwezig in omgeving aanwezig in kleine aantallen aanwezig in omgeving aanwezig aanwezig aanwezig in jaren 50 regelmatige broedvogel voormalig broedvogel op IJsselmonde aanwezig aanwezig aanwezig in omgeving voorkomend in omgeving voorkomend in zeer klein aantal aanwezig in omgeving in omgeving voorkomend voormalig broedvogel grienden voormalige broedvogel aanwezig aanwezig niet aanwezig in omgeving niet aanwezig in omgeving niet aanwezig in omgeving in omgeving voorkomend aanwezig voormalige broedvogel in omgeving voorkomend

Ringmus Kneu Veldleeuwerik Torenvalk Geelgors Velduil Grauwe gors Ruigpootbuizerd Putter Groenling Klapekster Blauwe kiekendief

Voorstel wintergasten indicatordoelsoort indicatordoelsoort indicatordoelsoort indicatordoelsoort icoonsoort icoonsoort icoonsoort icoonsoort doelsoort doelsoort doelsoort doelsoort

16

C: 11-50 D: 51-100 E: >100

-- Indicatorsoorten zijn doelsoorten die typisch en kenmerkend zijn voor het gebied. Omdat ze in principe algemeen voorkomen en snel kunnen reageren op leefgebiedsomstandigheden is de populatieontwikkeling daarmee indicatief voor de ontwikkelingen in het gebied. -- Icoonsoorten zijn doelsoorten die staan voor een hoge kwaliteit van de aanwezige natuurwaarden. Het zijn habitatspecialisten met hoge eisen en daarom vaak zeldzaam en in lage dichtheden voorkomend. Ze worden beschouwd als de kroon op het werk. Vanwege hun zeldzaamheid spelen er ook andere factoren een rol bij de terugkeer in het gebied, zoals biogeografische processen en toeval. De verwachting is dat niet alle icoonsoorten (snel) terug zullen keren of jaarlijks zullen verschijnen. -- Overige soorten zijn akkervogels die zich naar verwachting in het gebied gaan vestigen (of die daar al gevestigd zijn) in vaak wat lagere aantallen. Deze zijn wel dusdanig kenmerkend dat ze als graadmeters worden gezien van succesvolle inrichting en beheer van een rijk akkervogellandschap. Zij dragen in belangrijke mate bij aan de totale soortenrijkdom van het gebied.

• Het terugbrengen van grienden en riet, plasdrasweilanden en watergangen met plasdraslanden en/of flauwe oevers in het gebied. Hier leven veel insecten die als voedsel dienen voor veel akkervogels; • Het aanleggen van akkerranden, kruidenrijke akkers, kruidenrijke hooilandranden. Hieruit komen zaden voort die in de herfst en de winter een belangrijke voedselbron vormen voor vogels waarbij deze elementen een aantrekkende werking op insecten hebben; • Het realiseren van schrale graslandvegetatie die niet te vaak wordt gemaaid; • Het aanleggen van hoogstamboomgaarden, struweel en hagen die een belangrijke broed- of schuilplaats vormen voor vogels van het kleinschalig akkerlandschap.

Maatregelen voor akkervogels Belangrijke elementen voor herstel

**als broedvogel in akkerpercelen (incl randen).

Tabel 4. Lijst met doelsoorten voor de wintertijd soort

A: 1-3 B: 4-10

Naast de akkerbouw kunnen ook natuurmaatregelen helpen de akkervogels terug te brengen:

De basisbehoeftes van vogels bestaan uit: Klasse winter E E E B C B B A E E A B

A: 1-3 B: 4-10 C: 11-50 D: 51-100 E: >100

• Veilige broedgelegenheid en dekking; • Voldoende en gemakkelijk te bereiken zomervoedsel in de nabijheid van het nest; • Voldoende wintervoedsel. Om deze basisbehoeften te kunnen bieden in het gebied zijn er aanpassingen nodig in de akkerbouw .De vogels hebben voordeel van minder gebruik van chemicaliën, meer diversiteit in teelten, de toepassing van strokenteelt waardoor meer gewasovergangen ontstaan en het laten staan van graanstoppels of inzaaien van voor vogels aantrekkelijke groenbemestingsmengsels.

Bloeiend struweel is van grote waarde voor de vogels van het kleinschalig akkerlandschap (Louis Dolmans)

Concrete ruimtelijke natuurmaatregelen In het Buijtenland van Rhoon is 570 hectare beschikbaar voor landbouw en/ of natuur – dit is exclusief wegen, woonkavels en erven –. Het streven is dat ongeveer 40% van de oppervlakte in het Buijtenland van Rhoon wordt ingericht voor natuurmaatregelen (akkerflora en akkervogels). . Dit levert 228 ha op aan natuurhectares. Deze 228 ha is geen doel op zich, maar een waarborg voor het halen van de natuurdoelen. De natuurhectares bestaan deels uit flexibele maatregelen zoals akkerranden. Ook is er ruimte voor kleine overhoeken waar de natuur haar gang kan gaan. Deels bestaan de 228 natuurhectares ook uit vaste natuurstructuren. Op dit moment is nog niet zeker welke structuren het meest bijdragen aan het realiseren van de doelen. Daarom wordt gestart met een minimale omvang per maatregel en vervolgens gekeken welke maatregelen worden uitgebreid. De meest ingrijpende, langjarige maatregelen worden het eerst genomen. Watergangen (plasdras en flauwe oevers) Zuiden Noordzuidwatergangen

13,5ha (5,5km) 2,5ha

Hoogstamboomgaarden

10ha (evt. uitgebreid tot max. 30ha, afhankelijk van eerste ervaringen met deze boomgaarden)

Heggen en elzenhagen

27km, waarvan 10km als omzoning van boomgaarden

Vochtige hooilanden met plasdras Zegenpolder Essendijk

6ha (verdeeld over 5 kleine deelpercelen) 3,5ha

Verbinding met buitendijkse grienden

min. 1,5ha

Kruidenrijk grasland in Zegenpolder

3,65ha

Zuiverend rietmoeras

2ha

Bomendijken

31ha

Florarijke akkers

25-30ha

Wintervoedselakkers

20-25ha

Flexibele en langjarige natuurmaatregelen (vogelakkers, hooilandranden, graan-kruidenranden, ruigte en natuurbraak)

69ha

Totaal

228ha

17

Watergangen (plasdras en flauwe oevers)

Hoogstamboomgaarden

Heggen en elzenhagen

De aangepaste watergangen (plas-dras en flauwe oevers) in eerste instantie met name aanleggen in het zuidelijke deel van het gebied omdat de gekozen doelsoorten voor dit deelgebied het meest profijt hebben van deze maatregelen. Er wordt begonnen met de realisatie van enkele oost-west lopende hoofdwatergangen (2 in de Zegenpolder en 1 in het westelijke deel van de Portlandpolder), aangevuld met twee noord-zuid lopende watergangen in het westelijke deel van de Portlandpolder. Bij elkaar gaat het hier om ongeveer 5,5 km watergang die van een hele flauwe oever (1:20/1:9) aan de noordzijde wordt voorzien en een minder flauwe oever (1:3) aan de zuidzijde. Omgerekend naar oppervlakte gaat het hier om 13,5 ha.

Voor het aanleggen van hoogstamboomgaarden zal begonnen worden met de aanplant van 10 ha op plekken die het meest geschikt zijn voor deze boomgaarden. Afhankelijk van de eerste ervaringen van exploitatie kan dit, op termijn, maximaal 30 ha worden.

De totale lengte van de aan te planten heggen en elzenhagen is 27 kilometer. Tien kilometer is voor omzoming van boomgaarden. De rest komt op of rond erven te staan of rondom een akker. Heggen oefenen een grote aantrekkingskracht uit op vogels om te schuilen of te broeden. Bijvoorbeeld voor de de kneu en de groenling.

Bloeibeeld van vochtig glanshaverhooiland (Louis Dolmans)

De Gele kwikstaart houdt van grasland en komt ook op bouwland voor (Louis Dolmans)

Buitendijkse grienden Deze hoogstam krijgt de kans om oud te worden. Nog maar een kwart van zijn kroon is over en hij blijft gezond fruit leveren (Louis Dolmans)

Een gekraagde roodstaart voelt zich in een extensieve boomgaard helemaal thuis

Gevlochten heggen (Louis Dolmans)

Vochtige hooilanden met plasdras Een plasdras trekt vogels aan (Louis Dolmans)

Aanvullend zullen in het gebied van de Zegenpolder de noord-zuid watergangen uitgevoerd worden met 1:3 oevers omdat hiermee een combinatie kan worden gemaakt met de noodzakelijke vergravingen voor de Rhoonse stort. Hierbij gaat het om een aanvullende 2,5 ha. Op basis van de ervaringen rond de ecologische werking en het gemak van onderhoud van deze aangepaste watergangen zal worden besloten deze hoeveelheid in de toekomst uit te breiden of in de huidige staat te laten.

18

Voor het aanleggen van vochtige hooilanden zullen laag liggende graslanden gebruikt worden. Dit zijn een vijftal kleine deelperceeltjes aan de zuidkant van de de hoofdwatergang in de Zegenpolder. Dit is in totaal, ongeveer 6 ha. Daarnaast wordt ernaar gestreefd om 3,5 ha aan vochtig hooiland te realiseren ten zuiden van de Essendijk rond de kruising met de leidingenstraat . Ook langs de twee oostwestwatergangen en langs een aantal noord-zuidwatergangen wordt naast de flauw oplopende oeverstrook een strook aangelegd minimaal 3 tot maximaal 30 meter. Net als in een deel van de flauwe oevers wordt in deze randen een hooilandmengsel ingezaaid. Het verschralen van de stroken vereist maatwerk en experimenten.

Voor de cultuurhistorische verwijzing en het maken van een verbinding met de buitendijkse grienden is het voorstel minimaal 1,5 ha aan historische grienden in de vorm van eeuwkanten te herstellen ten oosten van de Schenkeldijk. Daarnaast zou het vroeger aanwezige wiel ten westen van de Schenkeldijk weer worden uitgegraven. Deze grienden kunnen gezien worden als uitlopers van de Rhoonse grienden en zullen snel worden bevolkt door de daar aanwezige rietvogels zoals rietgorzen en kleine karekieten. Voor wandelaars zullen deze vogels goed te zien zijn waardoor het gebied aantrekkelijker wordt.

19

Ruigte

In de praktijk zal blijken wat de optimale maat en vorm is voor de eerder geschetste natuurmaatregelen.

Het belang van overhoekjes en ruigtes binnen de agrarisch gebruikte perceelsdelen kan niet genoeg worden benadrukt. In feite worden met akkerranden dergelijke soortenrijke ruigtes en open kruidenrijke vegetaties nagebootst, daar waar ze in minder intensief gebruikte landschappen ‘van nature’ voor komen. Ook natuurbraak heeft eenzelfde uitwerking op vegetaties en gelijke positieve gevolgen voor veel soorten akkervogels. De positieve invloed van natuurbraak staat bijvoorbeeld uitvoerig toegelicht in Wiersma et al. 2014 (‘Op landschapsschaal is een positieve effect van faunaranden en/of natuurbraak voor een aantal soorten aan te tonen, namelijk Blauwborst, Fazant, Grasmus en Veldleeuwerik.’). Grienden hebben ook belangrijke cultuurhistorische waarde (Louis Dolmans)

Florarijke akkers en wintervoedselakkers Er zullen mimimaal 25-30 ha aan flora-rijke akkers worden aangelegd, en 20-25 ha aan wintervoedselveldjes. De locatie wordt hiervoor nog bepaald.

Kruidenrijk grasland en rietmoeras In verband met de werkzaamheden rond de Rhoonse stort zal aan de teen van de waterkerende Maasdijk in de westelijke helft van de Zegenpolder nog 3,65 ha aan kruidenrijk grasland ontstaan. Op de leidingenstraat is ook ruimte voor de ontwikkeling van kruidenrijk grasland. Voor de zuivering van het water zal een kleine 2 ha zuiverend rietmoeras moeten worden aangelegd.

20

Het samenspel van de natuurmaatregelen, het precieze beheer en de verweving van de natuurmaatregelen met de akkerbouw zal nog veel lerend beheer vergen. Dit begint met onderzoek en monitoring van de akkervogels en hun voedselbronnen (insecten, bodemleven en zaden) in relatie tot de verschillende landschapselementen. Onderwerpen van onderzoek zijn:

Bomendijken De bomendijken zijn al bestaande dijken in het gebied van 31 ha groot. Het zijn zogenaamde ‘slaperdijken’. Slaperdijken zijn landinwaarts gelegen dijken, die door de aanleg van nieuwe voorliggende dijken theoretisch geen directe waterkerende functie meer hebben. De bomemdijken in het Buijtenland van Rhoon hebben een krachtige cultuurhistorische waarde voor het gebied. De bomendijken zullen daarom behouden blijven. Het achterliggende verhaal van de dijken, de geschiedenis over het ontstaan en de aanleg, zal voor de recreatie in het gebied een belangrijke leidraad zijn. De ecologische waarde van de bomendijken zal versterkt worden.

Blauwborst kan uit de omliggende grienden ook een plek vinden ten noorden van de Maasdijk (Louis Dolmans)

Lerend beheren

Wintervoedselakkers kunnen groepen van enkele duizenden vink-achtigen aantrekken in de winter op zoek naar zaden

Lang jarige en flexibele maatregelen Bij elkaar blijft ca. 70 ha over voor aanvullende langjarige maatregelen en het aanleggen van flexibele ruigtes, overhoekjes, akkerranden, hooilanden en vogelakkers die onderdeel zijn van het proces van lerend beheren om uit te vinden welke vorm van randen en hun beheer tot de beste resultaten leidt. Het belang van overhoekjes en ruigtes in het Buijtenland van Rhoon kan niet genoeg worden benadrukt. In feite worden met akkerranden dergelijke soortenrijke ruigtes en open kruidenrijke vegetaties nagebootst, daar waar ze in minder intensief gebruikte landschappen ‘van nature’ voor komen. Ook natuurbraak heeft eenzelfde uitwerking op vegetaties en gelijke positieve gevolgen voor veel soorten akkervogels. Uitgebreide achtergrondinformatie is te vinden in de bijlage.

• Broed- en foerageergedrag van enkele cruciale doelsoorten; • Ontwikkeling van de voedselbronnen zoals die van de insecten, regenwormen en zaden in de verschillende landschappelijke elementen (akkers, watergangen, meerjarige stroken); • Aanleg en het onderhoud van landschappelijke elementen; • Het meest passende gras-kruidenmengsel; • Synergie tussen de akkervogelmaatregelen en de agrarische bedrijfsvoering;

Lijnvormige en blokvormige landschapselementen De vorm van landschapselementen is, naast het oppervlakte, van belang. Lijnvormige elementen zoals akkerrandensloten zijn aantrekkelijker voor roofdieren dan blokvormige elementen zoals een plasdrasakker. Blokvormige elementen zijn echter een stuk lastiger te integreren in een moderne landbouwpraktijk.

21

Kansen voor overige fauna in het akkergebied Naast de gekozen doelsoorten zullen meerdere vogelsoorten meeprofiteren van de maatregelen die in het gebied worden aangelegd. Bijvoorbeeld de plasdrasweilanden en aangepaste watergangen kunnen steltlopers als grutto’s aantrekken. Waarschijnlijk hebben de aangepaste watergangen ook een positief effect op de waterkwaliteit. Hierdoor maakt het waterleven als snoek en ruisvoorn en libellen een betere kans. Naast de mogelijk gunstige ontwikkeling zal het gebied ook te maken kunnen krijgen met de toename van een aantal minder gewenste soorten als bijvoorbeeld de gans en de vos . De regulering van de aantallen van deze soorten zal daarom altijd een punt van aandacht zijn. Jacht vindt alleen plaats als dat noodzakelijk is, niet als vorm van recreatie. Het streven is om (de noodzaak van) jagen te voorkomen. Als dat onverhoopt niet lukt, dan kan de coöperatie jacht toestaan om landbouwdoelen (schadebestrijding), natuurdoelen, nabuurschap en veiligheid te realiseren, maar alleen wanneer dat niet strijdig is met het behalen van de natuurdoelen. Om dit verder te onderbouwen wordt door de coöperatie -voor zover nodig in overleg met de wildbeheereenheid eiland IJsselmonde- een faunabeheerplan opgesteld wat door de provincie Zuid Holland wordt goedgekeurd.

Recreatie Het vertrekpunt Het projectgebied van het Buijtenland van Rhoon biedt unieke mogelijkheden voor de stadsregio omdat het met haar cultuurhistorie, agrarische functie en hoge biodiversiteit een mooie aanvulling vormt op het binnenstedelijk groen van stadsparken en buurtgroen. Het vervult de behoefte aan een groter aanbod van wandel- en fietsmogelijkheden in de stadsregio Rotterdam. Daarnaast is er een groeiende behoefte bij recreanten en consumenten om het landschap ook via de producten te kunnen beleven. Hoewel er al enige initiatieven bestaan in het gebied, zijn er volop mogelijkheden voor verdere (door)ontwikkeling. Het streven is daarom om de bekendheid en bereikbaarheid van het Buijtenland van Rhoon te verbeteren en de mogelijkheden voor recreatie en beleving in het gebied te vergroten. Het Buijtenland van Rhoon heeft de potentie om van onschatbare waarde te worden voor de gehele regio.

Doelen voor recreatie In het gebied moet sprake zijn van een substantiële toename van het aantal bezoekers, met –een voorlopig streefgetal van 600.000 unieke bezoekers per jaar2. In de praktijk zal moeten blijken of dit aantal passend is in combinatie met de realisatie van de gestelde natuurdoelstellingen. Zo kan een bosgebied een recreatiedruk aan van ongeveer 12 mensen per hectare, terwijl dit voor een agrarisch gebied rond de 2 personen per hectare ligt. De ontwikkeling van recreatie in het gebied zal dus afgestemd worden op de doelstellingen voor natuur en landbouw. Deze afstemming zal enerzijds gevonden worden door de voorzieningen met name te richten op bepaalde groepen recreanten die goed passen bij de overige doelstellingen in het gebied. Daarnaast door een zonering aan te brengen met verschillen in dichtheid van recreatieve mogelijkheden.

BSR Leefstijlkaart dagrecreatie IJsselmonde (Bron: Leefstijlatlas dagrecreatie Zuid-Holland (2011) p. 80.)

In de Rotterdamse regio is sprake van een (groot) tekort aan mogelijkheden voorwandelen en fietsen en is bovendien overwegend sprake van een (sterke) afname van diemogelijkheden (CBS et al., 2013). Bron: Uit het Alterra-rapport, maar die hadden het weer uit: CBS, PBL, Wageningen UR (2013). Beschikbaarheid groen om de stad, 1996 - 2008 (indicator 0451, versie 04, 8 februari 2013)

22

Dit is inclusief de bezoekers van de Johannapolder, de Rhoonse en Carnisse Grienden en Kleijn Profijt.

2

23

Naast bezoekersaantallen is het streven om een goede bekendheid en beleving door de beoogde doelgroepen in het gebied te realiseren. Om vinger aan de pols te houden zal de waardering van bezoekers gemonitord worden op de volgende onderdelen: • De bekendheid van het gebied in de verschillende delen van de stadsregio Rotterdam; • De bereikbaarheid met auto, fiets en openbaar vervoer; • De hoeveelheid en kwaliteit van de fiets- en wandelpaden in het gebied; • De mate van natuurbeleving; • De mate van cultuurhistorische beleving; • De mate van agrarische beleving en verkooppunten van agrarische producten; • De kwantiteit en kwaliteit van de horecafaciliteiten; • De kwantiteit en kwaliteit van de verblijfsmogelijkheden (eg. B&B); • Het aanbod en de kwaliteit van natuur- en cultuureducatie. Voor deze kwalitatieve monitoring zijn geen eenduidige streefcijfers vast te stellen. Om een goed beeld te vormen van de waardering door recreanten zal de eerste tien jaar een kwalitatieve recreatiemonitoring plaatsvinden die elke drie jaar herhaald wordt. In 2018 zal een nulmeting wordt uitgevoerd.

Doelgroepen en zonering Belangrijke elementen Zoals reeds hiervoor is aangegeven zal er een balans moeten komen tussen het faciliteren en stimuleren van de recreatieve beleving in het gebied, en met name de natuurdoelstellingen. Een belangrijk aangrijpingspunt voor het vinden van de balans kan worden gevonden in enerzijds de doelgroepenkeuze voor het gebied en anderzijds een zonering in de intensiteit van de recreatieve beleving.

24

Doelgroepen Driekwart van de vrijetijdsactiviteiten buiten de deur vindt plaats op maximaal 10 kilometer van huis. Het is daarom belangrijk dat het recreatieve aanbod ook aansluit bij de vraag van omwonenden. Hoewel het Buijtenland van Rhoon een belangrijke rol zal vervullen voor de recreatiebehoefte van de direct aangrenzende woongebieden, zal het ook een functie vervullen voor periodieke en incidentele bezoekers uit de regio en daarbuiten. Tegelijk moet de recreatie in het Buijtenland van Rhoon in balans zijn met de natuur- en landbouwdoelen. Recreatievoorzieningen zullen daarom met name gericht zijn op doelgroepen die rust, beweging, natuur en gezelligheid zoeken. Van deze drie groepen is ‘wandelen, fietsen, eropuit naar het bos, park of water’ de meest favoriete activiteit. In de omgeving van het Buijtenland van Rhoon wonen relatief veel gezinnen met kinderen. Op dit moment is er voor deze groepen nog relatief weinig aanbod op IJsselmonde. In het Buijtenland van Rhoon kunnen natuureducatie en natuurspeelplaatsen een interessant aanbod zijn voor deze groepen. Bovendien sluit dit aanbod goed aan bij de natuur- en landbouwdoelen van het gebied.

Maatregelen voor recreatie

Recreatieve trekpleisters

Om uitvoering te geven aan de streefdoelen voor de recreatieve beleving in het gebied zullen de volgende maatregelen worden genomen (zie tabel):

Drie entrees

Landbouw, natuur, cultuurhistorie en recreatie zijn zoveel mogelijk met elkaar verweven en versterken elkaar. Een integrale aanpak is echter in de praktijk niet altijd een optie. Met name tussen de doelen natuur en recreatie kunnen zich conflicten voordoen. Veel akkervogels zijn grondbroeders of anderszins grondgebonden soorten, wat ze extra gevoelig maakt voor verstoring. Bovendien ligt het Buijtenland van Rhoon in een sterk verstedelijkt gebied. Het is daarom van groot belang een zonering aan te brengen (in ruimte en tijd), zodat zowel recreatie als natuurdoelen een plaats krijgen. Ten noorden van de Essendijk zullen ook de meeste faciliteiten worden aangeboden als eerste ontmoeting om vervolgens uitgenodigd te worden om de rest van het gebied als fietser of wandelaar verder te ontdekken. Naar het zuiden toe wordt het gebied opener en rustiger gehouden. Hier liggen minder paden om de akkervogels rust en ruimte te bieden en zullen een aantal zones als stiltegebied aangemerkt worden (zie streefbeeldkaart).

Transferium/ bezoekerscentrum

De grootste entree is tevens transferium en bezoekerscentrum en ligt in het noorden van het gebied omdat daar de recreatiedruk het hoogst mag zijn.

Herbouw van twee molens

De waterwipmolen in de Zegenpolder wordt op de oorspronkelijke plek herbouwd. Een graanstellingmolen wordt naar voorbeeld van Het Hert in de buurt van het bezoekerscentrum nagebouwd.

Overnachtingsplekken

Er zijn overnachtingsmogelijkheden aanwezig zoals B&B, logeren bij de boer en natuurkamperen.

Grienden en eendenkooi

Monumentale boerderijen

Zonering

Bij alle drie de entrees is voldoende parkeergelegenheid aanwezig en een horecavoorziening waar men informatie kan krijgen over de routes en bezienswaardigheden in het Buijtenland van Rhoon. De entrees zijn op de hoekpunten van het gebied gelokaliseerd en zorgen ervoor dat de bezoeker die per auto komen zo veel mogelijk te voet of per fiets de rest van het gebied beleven. Vanaf de drie entrees is een goede aansluiting op de wandel- en fietsroutes in het gebied.

De ontwikkeling van het Buijtenland van Rhoon zal vermoedelijk extra bezoekers trekken naar de Rhoonse- en Carnisse grienden, de eendenkooi en Klein Profijt, gelegen vlak buiten het gebied. Een goede beleving voor recreanten van de grienden en de eendenkooi zal worden nagestreefd. In ere houden van monumentale boerderijen en daar waar mogelijk extra benadrukken door deels herbestemming voor recreatieve bestemmingen (oa Zegenhoeve en Portlandhoeve)

Recreatieve infrastructuur Rhoonse grienden (Yoga School)

Wandel- en fietspaden

Aanleg van nieuwe wandel- en fietsroutes (21 km) die aansluiten aan bestaande routes in de omgeving. Herstel en zichtbaar maken van de Napoleonroute

Napoleonroute Bij het transferium komt een fietsverhuur.

Fietsverhuur Op minimaal vier locaties in het gebied worden picknickbanken geplaatst.

Picknickplekken

Het Kempische heideschaap is erg geschikt voor de beweiding van de grasdijken in het Buijtenland van Rhoon Bron: Vereniging Gescheperde Schaapskuddes (VGSN)

Ruiterroutes

Het aantal veilige ruiterroutes blijft gehandhaafd voor de bestaande paardensporters in het Buijtenland van Rhoon.

Kanoverhuur

Een kanoverhuur gelokaliseerd bij het transferium is aangesloten op ‘de Blauwe Verbinding’, hier komt een aanlegsteiger voor passerende kano’s.

25

Natuurbeleving en educatie Aanleg van twee openbare natuurspeeltuinen gelegen bij de entrees van het gebied.

Natuurspeeltuinen Pluktuinen of – fruitboomgaard

Pluktuin De Buytenhof is al gerealiseerd. Het streven is om een tweede pluktuin of boomgaard te ontwikkelen waar bezoekers kunnen recreëren. Bij voorkeur in samenwerking met bestaande initiatieven in het gebied.

Educatief programma gericht op scholen in omgeving Voorlichting: Cultuurhistorie Landbouw Natuur

Schaapskudde

In het gebied wordt voorlichting gegeven over de ontstaansgeschiedenis en cultuurhistorie van het gebied, de landbouw en flora en fauna informatiecentrum, informatieborden, rondleidingen e.d.

Rondtrekkende schaapskudde met herder en hond begraast de bomendijken in het gebied

Regionale vermarkting Overkoepelende landwinkel met verkoop van streekproducten Beeldmerk Buijtenland van Rhoon

Producten uit het gebied zijn te koop bij de boer, bij het bezoekerscentrum of bij de herbouwde molens.

Landbouw Het vertrekpunt De landbouw in het Buijtenland van Rhoon staat voor meerdere uitdagingen. Enerzijds de omschakeling naar een meer natuur-inclusieve landbouw, waarbij een trendbreuk plaatsvindt met intensivering, bodemuitputting, bemesting en bestrijdingsmiddelen. Anderzijds de omschakeling naar een systeem waarin boeren niet alleen worden gewaardeerd voor de agrarische productie maar ook voor de landschappelijke en ecosysteemdiensten die zij leveren. Dit vraagt om een andere verbintenis met de maatschappij. Op dit moment wordt de bulk van de agrarische productie in de anonieme (wereld)handel afgezet. Door meer in te zetten op regionale vermarkting en korte afzetketens kan de verbondenheid van de consument/burger met het agrarische landschap weer worden hersteld. Het Buijtenland van Rhoon geeft de mogelijkheid om de voorwaarden voor het ontstaan van zo’n soort landbouw te ontdekken.

Bij het streefbeeld voor de landbouw in het Buijtenland van Rhoon hoort een vorm van landbouw waarbij de scheiding tussen landbouw en natuur steeds meer vervaagd. Een landbouw die zo ontworpen wordt dat de aanwezige natuur de productie in de landbouw ondersteunen en de landbouw bijdraagt aan het herstel en het in stand houden van de biodiversiteit. In het Buijtenland van Rhoon gaat het om een landbouw die het mogelijk maakt dat de doelsoorten zoals die genoemd zijn voor flora en fauna kunnen worden gehaald. Eenzelfde soort synergie wordt nagestreefd met de recreatieve beleving van het gebied. Door het verhogen van de landschappelijke en natuurlijke diversiteit wordt door de landbouw bijgedragen aan het aantrekkelijker maken van het gebied. Daarbij wordt ruimte geboden voor de ontsluiting van dit gebied voor wandelaars en recreatieve fietsers daar waar het de landbouwactiviteiten en natuurontwikkeling niet te veel hindert. De landschappelijke beleving zal nog eens worden versterkt door zo veel mogelijk van de agrarische producten die uit het gebied komen via regionale ketens af te zetten naar de consumenten in de regio Rotterdam. Het succes van de landbouw zal zich dus mede uiten in het halen van de hiervoor benoemde streefwaarden voor natuur en recreatie. De landbouwdoelen hebben betrekking op:

Een herkenbaar logo en beeldmerk maken het Buijtenland van Rhoon zichtbaar en herkenbaar.

• Bodemconditie en bodemleven. Natuurlijke landbouw begint met zorg voor de bodem. De boer mist essentiële kwaliteit als deze onvoldoende in conditie is; • Insecten op de landbouwhectares. De aanwezigheid van insecten op de landbouwhectares zegt veel over de verwevenheid tussen landbouw en natuur; • Aanbod van zaden door het jaar voor foeragerende vogels; • Korte ketens. Het deel van de productie dat niet in de anonieme bulkmarkt wordt afgezet, maar herkenbaar en traceerbaar zijn weg vindt richting de consument;

Overig Regels en toezicht

Doelen voor de landbouw

Regels zijn duidelijk en worden goed gecommuniceerd naar bezoekers. Een veldwachter zorgt voor bekendheid en handhaving van de regels, vormt aanspreekpunt voor bezoekers en ziet toe op beheer openbare recreatievoorzieningen.

Deze uitvoeringsmaatregelen worden verder uitgewerkt in de bijlage.

De vier pijlers voor het vormgeven van Natuurinclusieve Landbouw (Louis Bolk Instituut)

26

27

Tot slot is een belangrijke doelstelling op het gebied van landbouw dat agrarische ondernemers een (goed) inkomen moeten kunnen verdienen. Dat betekent dat grondlasten, opbrengend vermogen van producten en aanvullende beheersvergoedingen in het gebied dusdanig zijn dat agrarische ondernemers bij vakkundig en creatief ondernemerschap een goed bedrijfsresultaat kunnen halen. dat in verhouding staat tot de arbeid en het kapitaal die erin wordt gestoken. Deze economische randvoorwaarden moeten zo worden ingericht dat goed ondernemerschap, dat bijdraagt aan het halen van de hierboven genoemde doelen op het gebied van natuurwaarden, recreatie en regionale afzet, zich vertaalt in ruimere marges voor de desbetreffende ondernemer.

productiedoel (zie hoofdstuk Natuur).Op de overige 60% van het areaal zullen vermartkbare gewassen worden verbouwd waarmee een belangrijke basis wordt gelegd voor de agrariër om een goede boterham te kunnen blijven verdienen.

Tabel 5. Streefbeeld natuurlijke landbouw

1. Functionele agrobiodiversiteit, bijvoorbeeld: • Verhogen aandeel maaigewassen (granen, droge peulvruchten, oliegewassen, luzerne en grasklaver) die zowel een rol spelen bij het verbeteren van de bodemkwaliteit als schuil- en foerageergelegenheid geven voor meerdere vogelsoorten; • Stimuleren van levende, vitale bodem door onderhoud bodemorganische stof, mulchen en vaste rijpaden. • Verhogen van de gewasdiversiteit, met nadruk op bloeiende gewassen (meer bloembezoekende insecten); • Gebruik van resistente rassen, waardoor het gebruik aan chemische gewasbescherming kan worden afgebouwd. 2. Landschappelijke diversiteit, bijvoorbeeld: • Bloeiende akkerranden en/of spuitpaden, met verhoging van de plaagbeheersing door verhoging biodiversiteit op en rond de akker; • Creëren van meer perceelsranden door het opdelen van percelen in deelpercelen en door het doorsnijden van grote percelen met beetlebanks of bloeiende stroken; 3. Specifieke soortenmaatregelen(4), bijvoorbeeld: • Flora-akkers, gericht op het herstellen van bijzondere akkerflora • Aangepaste waterlopen met plas-draszones en natuurvriendelijke oevers, voor het terugbrengen van een vochtig element dat essentieel is voor de foerageermogelijk van bepaalde vogelsoorten • Struweel en hoogstamboomgaarden, als broed, schuil en foerageergelegenheid voor vogels van het kleinschalig akkerland

Indicator Landbouw maakt het halen van de natuur en recreatiedoelstellingen mogelijk Verdienmodel natuurlijke landbouw op basis van afdoende betaling arbeidsinzet en meerwaarde bij creatief ondernemerschap Significante toename van de afzet in korte herkenbare ketens Indicatoren natuurlijke landbouw (optie) (bv insecten, bodemleven)

Maatregelen landbouw Om tot een natuur- en recreatie-inclusieve landbouw te komen zoals deze in het streefbeeld wordt beschreven, is het noodzakelijk dat er een trendbreuk plaatsvindt met het nu geldende principe van productie-maximalisatie in de landbouw. Een werkelijk natuur-inclusieve landbouw streeft naar productieoptimalisatie door slim gebruik te maken van natuurlijke processen en door preventief ontwerpen: dat gaat om het voorkómen van problemen in plaats van het voortdurend achteraf corrigeren ervan. In de aanpak van het Buijtenland van Rhoon wordt er in eerste instantie voor gekozen om het halen van de genoemde natuurwaarden te realiseren door het aanleggen van een substantieel oppervlak aan soort-specifieke natuurmaatregelen. Van het totale oppervlak wordt 40% ingericht zonder direct

28

Om tot een natuur-inclusieve landbouw te komen zullen beide elementen (natuurmaatregelen en productiegrond) echter in samenhang moeten worden ontworpen zodat de gewenste synergie ontstaat: de 60% helpt mee om de natuurdoelen te halen en de natuurmaatregelen zal helpen om de agrarische productie duurzamer en robuuster te maken. Belangrijke elementen voor dit integrale ontwerp zullen zijn:

• Ruigtes, voor schuil en foerageergelegenheid voor oa de fazant en patrijs • Meer voorbeelden in hoofdstuk natuur 4. Brongebieden en verbindingszones: afstemming van de maatregelen tussen de verschillende bedrijven en percelen Al deze elementen zullen zowel de agrarische productie als de biodiversiteit op en rond de akkers vergroten waardoor er een samenhangend landschap ontstaat waar bijzondere akkerkruiden weer bestendig terugkeren en akkervogels voldoende plaats vinden om te broeden en te schuilen en voedsel vinden om hun jongen groot te brengen en te overwinteren.

Op termijn is het de bedoeling dat landbouw, recreatie en natuur vervlechten waardoor het onderscheid tussen de 40% natuurmaatregelen en 60% agrarische productiegrond steeds minder scherp te maken is. Akkerranden die ook een bijdrage leveren aan het voorkomen van ziektes en plagen in gewassen, groenbemesters die zo zijn samengesteld dat ze in de winterperiode voedsel en schuilgelegenheid bieden voor overwinterende vogels, oude granen die van flora-akkers geoogst worden en een goede afzet vinden in de nabijgelegen stad, zijn slechts enkele voorbeelden waarbij niet meer goed te zeggen is of dit nu bij de 40% of de 60% hoort. Er zal een grote variatie van landgebruik ontstaan van intensief naar extensief en van hoogproductief naar laagproductief wat allemaal een bijdrage levert aan de realisatie van alle gestelde doelen in het projectgebied.

Naast het meehelpen in het realiseren van natuurdoelen zal de productiegrond door middel van de vermarktbare, agrarische producten die deze voortbrengt ook een belangrijk rol spelen bij het tot stand brengen van de connectie tussen stad en platteland en de beleving van dit landschap door recreanten. Daar hoort bij dat de nadruk van die productie zal bestaan uit akkerbouw, tuinbouw en fruitteelt. Hierbij worden niet alleen dorsbare producten als granen en bonen geproduceerd, maar ook hakvruchten als aardappelen en uien en kleinere groentegewassen als kolen, sla, broccoli, pompoenen en fruit. Naast deze akkerbouw komt er meer ruimte voor vee in het gebied (zie Cultuurhistorie). Een belangrijk deel van de natuurmaatregelen bestaat uit bloemrijk grasland waardoor substantiële hoeveelheden ruwvoer beschikbaar komen. Daarnaast komt er voor zowel de akkerbouwvruchtwisseling als de ruimte voor akkervogels goed tijdelijke luzerne of grasklaver in de bouwplannen. Een directe samenwerking met een veehouder in of net buiten het gebied zou deze producten tot meerwaarde kunnen brengen en ook aanvullende vermarktbare producten kunnen opleveren (Rhoonse zuivel en vlees). Dit vergroot de beschikbaarheid van dierlijk mest wat helpt bij de verbetering van de bodemkwaliteit. Met name een melkveehouder met een geschikt koeienras zou van grote toegevoegde waarde kunnen zijn.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.albrandswaard.nl/api/v1/meetings/3397/documents/26657