RO-BP-621.110.80-TOTAAL-ON02.pdf
Tekst van het document
De meest nabij gelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden zijn Krammer-Volkerak (circa 17,5 km afstand), Solleveld & Kapittelduinen (circa 20 km afstand) en Biesbosch (circa 21 km afstand). Voor de gebieden Oude Maas (circa 1,5 km afstand), Haringvliet (circa 9,5 km afstand) en Oudeland van Stijen (circa 10 km afstand) geldt dat binnen deze gebieden geen stikstofgevoelige habitats aanwezig zijn. Door de uitspraak van de Raad van State van mei 2019 is het voor ieder project nodig uit te sluiten dat hier negatieve effecten als gevolg van onder andere stikstofdepositie optreden. Met een AERIUSberekening dient te worden aangetoond dat er geen nadelige effecten optreden. Op 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering in werking getreden. Via het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering – waarin de stikstofwet verder is uitgewerkt – geldt per 1 juli een vrijstelling voor bouw, aanleg- en sloopactiviteiten omdat de emissies tijdelijk en beperkt zijn. De bouwfase hoeft niet langer te worden berekend. Een berekening voor de gebruiksfase blijft wel benodigd. In dit kader is door KuiperCompagnons een stikstofdepositie-berekening uitgevoerd. De bijbehorende notitie is opgenomen in bijlage 4.
Uit dit onderzoek wordt geconcludeerd dat met zekerheid kan worden gesteld dat geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden door het gebruik van de 47 (zorg)woningen in dit bestemmingplan. Dit betekent dat significant negatieve effecten op de instandhouding van die gebieden kunnen worden uitgesloten en dat de Wet natuurbescherming niet leidt tot belemmeringen voor de ontwikkelingen in dit project.
4.3
Conclusie Op basis van de uitgevoerde quickscan bleek aanvullend onderzoek naar de huismus en vleermuizen noodzakelijk. Uit aanvullend onderzoek is gebleken dat de aanwezigheid van deze soorten kan worden uitgesloten. Daarnaast is er geen sprake van andere door de Wnb beschermde soorten planten of dieren. Het plangebied maakt daarnaast geen deel uit van een beschermd natuurgebied. Verder kan met zekerheid worden gesteld dat geen sprake is van een toename van stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden.
Bestemmingsplan ‘Sonneheerdt’ Toelichting – Ontwerp (16 maart 2022)
24
5
Water
5.1
Kader Er is een groot aantal beleidsstukken dat betrekking heeft op de waterhuishouding. Hieronder wordt één en ander uiteengezet.
5.1.1 Europees en rijksbeleid Nationaal Waterplan Het 2e Nationaal Waterplan (NWP2) beschrijft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de periode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het rijk streeft naar een duurzaam en klimaatbestendig waterbeheer en heeft de ambitie om de komende decennia te investeren in bescherming tegen overstromingen en in de zoetwatervoorziening. Het Nationaal Waterplan 20162021 is op 10 december 2015 door de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken vastgesteld. Waterwet De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen. Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen.
In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en het waterschap samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen (bijvoorbeeld wateroverlast of verdroging) in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is sinds 2003 verankerd in de wetgeving en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. Kaderrichtlijn water De Kaderrichtlijn Water is opgesteld om de waterkwaliteit in Europa te verbeteren. De richtlijn is sinds 2000 van kracht. In de richtlijn staan afspraken die ervoor moeten zorgen dat uiterlijk in 2027 het water in alle Europese landen voldoende schoon en gezond is. Waterbeheer 21e eeuw (WB21) In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatsvinden. Berging moet binnen het stroomgebied plaatsvinden.
Dit betekent onder andere het aanwijzen en in stand houden van waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd.
Bestemmingsplan ‘Sonneheerdt’ Toelichting – Ontwerp (16 maart 2022)
25
5.1.2 Provinciaal beleid Regionaal Waterplan Zuid-Holland 2016 - 2021 In het Regionaal Waterplan wordt verwezen naar de Visie Ruimte en Mobiliteit, vastgesteld op 7 juli 2014. Provinciale staten van Zuid-Holland hebben echter op 20 februari 2019 nieuw beleid vastgesteld, namelijk het Omgevingsbeleid. In het Omgevingsbeleid is al het bestaande provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving samengevoegd in een Omgevingsvisie en een Omgevingsverordening. Het waterbeleid komt op diverse plekken voor in de Omgevingsvisie Zuid-Holland en Omgevingsverordening Zuid-Holland. In de Omgevingsverordening zijn voor bestemmingsplannen in hoofdstuk 6 instructieregels opgenomen. Hier komen onder andere de Keur, legger en peilbesluit aan bod. Verder wordt in het Regionaal Waterplan Zuid-Holland 2016-2021 verwezen naar de Voortgangsnota KRW en het Provinciaal Waterplan 2010 2015. Voortgangsnota KRW In de Voortgangsnota Europese Kaderrichtlijn Water 2016-2021, vastgesteld op 14 oktober 2015, zijn de doelen en maatregelen voor waterkwaliteit van grond- en oppervlaktewater vastgelegd. Deze nota fungeert als een regionaal waterplan conform de Waterwet, voor het thema waterkwaliteit. Provinciaal Waterplan 2010 - 2015 Een aantal onderdelen van het Provinciaal Waterplan 2010 – 2015 blijft ongewijzigd van kracht.
Dit heeft betrekking op een onderdeel van waterveiligheid, water en natuur en vismigratie. 5.1.3 Beleid waterbeheerder Waterschap Hollandse Delta – Waterbeheerprogramma 2022-2027 In het Waterbeheerprogramma (WBP) van Waterschap Hollandse Delta zijn de doelen beschreven die het waterschap tijdens de planperiode 2022-2027 wilt bereiken voor de primaire taken waterveiligheid, watersysteem, waterketen en wegen. De doelen voor deze planperiode zijn afgeleid uit de ambities voor de langere termijn (2050). Deze ambities worden, nog meer dan voorheen, beïnvloed door de grote maatschappelijke opgaven van deze tijd, waar het waterschap voor staat. Het omgaan met de gevolgen van een veranderend klimaat én het tegengaan van verdere klimaatverandering springen hierbij het meest in het oog. Behalve de ambities voor de lange termijn en de doelen die het waterschap in 2027 bereikt wil hebben, gaat het Waterbeheerprogramma ook in op de strategie om te komen tot realisatie van deze doelen. De doelen voor 2027 en de strategie vormen de basis voor de concreet uit te voeren maatregelen. De maatregelen zelf maken geen deel uit van dit Waterbeheerprogramma, maar worden elk jaar opnieuw in het kader van de reguliere planning- en controlcyclus bepaald.
Keur waterschap Hollandse Delta Alle handelingen of werkzaamheden in de nabijheid van watergangen en waterschapswegen vallen onder de regels van de Keur. In deze verordening van het Waterschap zijn gebods- en verbodsbepalingen opgenomen om de waterstaatsbelangen veilig te stellen. In de meeste gevallen zal een vergunning moeten worden verleend door het Waterschap. In de Legger van oppervlaktewaterlichamen en kunstwerken voor waterschap Hollandse Delta zijn de watergangen opgenomen, waarop de Keur van toepassing is. 5.2
Onderzoek Hieronder volgt de inhoudelijke toetsing van het plan aan de verschillende ‘waterthema’s’, zoals die beschreven staan in de Handreiking Watertoets. Toetsing aan deze thema’s levert de watertoets op. Bestemmingsplan ‘Sonneheerdt’ Toelichting – Ontwerp (16 maart 2022)
26
Huidig watersysteem Het plangebied ligt in het bemalingsgebied Zwaardijk & Ghijseland. Ter plaatse van het plangebied geldt zowel een zomer- als winterpeil (rekenpeil) van -1,50 m ten opzichte van NAP. Het plangebied ligt op jonge zeekleigronden, die bestaan uit kleiig zand tot lichte klei. In het gebied treedt kwel op vanuit de rivieren Oude Maas, de Noord en de Nieuwe Maas. Dit komt doordat deze rivieren een hoger peil hebben dan het oppervlaktewater in het plangebied. Het kwelwater is meestal van goede kwaliteit. In het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Zoals te zien op afbeelding 5.1 loopt er aan de westkant van het plangebied een smalle watergang, aangeduid als overig water. Deze sluit via een stuw aan de zuidkant aan op een hoofdwatergang, die in noordwestelijke en zuidelijke richting doorloopt. Ook hierop aansluitend is een breder oppervlaktewater ten zuidwesten van het plangebied. In tegenstelling tot de andere watergangen is dit water in beheer van de gemeente.
Afbeelding 5.1: Uitsnede Legger wateren en kunstwerken (waterschap Hollandse Delta).
Planbeschrijving Het plangebied omvat een oppervlakte van circa 3.933 m2. In de huidige situatie kent 2.693 m2 daarvan de bestemming ‘Wonen’, grotendeels bestaand uit bebouwing en overige verharding, en is 1.240 m2 bestemd als ‘Tuin’. In de toekomstige situatie beslaat de woonbestemming ten behoeve van de nieuwe woningen 2.012 m2. Daarnaast is 714 m2 ingeruimd voor parkeerplaatsen en het achterterrein, en 1.207 m2 voor de tuin en groene ruimte rondom het zorgwoningengebouw.
Bestemmingsplan ‘Sonneheerdt’ Toelichting – Ontwerp (16 maart 2022)
27
Watervoorziening Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Het oppervlaktewatersysteem wordt door de ontwikkelingen dan ook niet aangetast. Op basis van de vigerende en nieuwe bestemmingen in het plangebied is het verhard oppervlak in de planologische situatie berekend. In tabel 5.1 zijn de oppervlaktes in de huidige en toekomstige situatie weergegeven. Omwille van de vergelijking zijn hierbij de bestemming ‘Wonen’ en ‘Verkeer – Verblijfsgebied’ als volledig verhard beschouwd, en de bestemming ‘Tuin’ als geheel onverhard. Hieruit blijkt dat het verhard oppervlak in de planologische situatie beperkt toeneemt met circa 33 m2. Dit komt voornamelijk door de toevoeging van de verkeersbestemming; de woonbestemming ten behoeve van de (zorg)woningen neemt in oppervlakte af. Daarbij komt dat rondom de parkeerplaatsen mogelijk ook enige groenvoorzieningen worden gerealiseerd. Conform de beleidsregels van het Waterschap Hollandse Delta dient vanaf een toename van 500 m2 compenserende waterberging toegepast te worden. Daarvan is hier geen sprake; waterbergende maatregelen zijn dan ook niet benodigd. Bestemming Wonen Verkeer – Verblijfsgebied Tuin Totaal verhard Totaal onverhard
Oppervlakte huidige situatie 2.693 m2 0 m2 1.240 m2 2.693 m2 1.240 m2
Oppervlakte toekomstige situatie 2.012 m2 714 m2 1.207 m2 2.726 m2 1.207 m2
Tabel 5.1: Overzicht oppervlakten in de huidige en toekomstige planologische situatie.
Veiligheid Het plangebied ligt niet in een beschermingszone van een regionale waterkering. Er is in het vigerende bestemmingsplan dan ook geen beschermende dubbelbestemming ten behoeve van de waterstaat opgenomen. Riolering De riolering wordt aangesloten op het bestaande rioleringssysteem. Bij toekomstige ruimtelijke ontwikkeling mogen geen (bouw)materialen toegepast worden waardoor het afstromende hemelwater bijvoorbeeld door uitloging verontreinigd kan raken. Gestreefd dient te worden naar het volgen van het voorkeursbeleid van het waterschap. Volksgezondheid Overstorten van vuilwater dient te worden voorkomen. Door het afkoppelen van hemelwater van de droogweerafvoer (DWA) worden vuilwateroverstorten (in de omgeving) tegengegaan. De risico’s van watergerelateerde ziekten en plagen worden hierdoor geminimaliseerd. Bodem en grondwater De huidige waterpeilen worden niet aangepast ten behoeve van het plan. Hierdoor zal bodemdaling niet aan de orde zijn. Het grondwater zit vrij diep in het plangebied; grondwateroverlast is niet bekend en is ook niet te verwachten. Indien bij toekomstige ruimtelijke ontwikkeling ondergrondse constructies worden gebouwd, waarvan de onderkant dieper ligt dan de hoogste grondwaterstand, wordt geadviseerd waterdicht te bouwen om te voorkomen dat overlast van grondwater ontstaat.
Bestemmingsplan ‘Sonneheerdt’ Toelichting – Ontwerp (16 maart 2022)
28
Waterkwaliteit Het plan heeft geen effect op de waterkwaliteit. Bij toekomstige ruimtelijke ontwikkeling dient het ontstaan van (nieuwe) vervuilingsbronnen zoveel mogelijk voorkomen te worden om vervuiling van grond- en oppervlaktewater te beletten. Het toepassen van niet-uitloogbare bouwmaterialen voorkomt dat het hemelwater wordt vervuild. In verband hiermee dienen geen (sterk) uitloogbare materialen zoals koper, lood, zink of teerhoudende dakbedekking te worden gebruikt op delen die met hemelwater in contact komen, zoals de dakbedekking, goten en pijpen of er moet voorkomen worden dat deze materialen kunnen uitlogen (bijvoorbeeld door het coaten van loodslabben). Verdroging De huidige waterpeilen worden niet aangepast ten behoeve van het plan. Het plan heeft derhalve geen (negatieve) invloed op karakteristieke grondwaterafhankelijke ecologische waarden; er is immers geen kans op verdroging als gevolg van het plan. Natte natuur Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), of andere beschermde of belangrijke natuurgebieden. Negatieve effecten op NNN-gebieden of andere (natte) natuur in de omgeving zijn daarmee uit te sluiten. Beheer en onderhoud Er bevinden zich geen wateren en kunstwerken in het plangebied die onder de onderhoudsverplichtingen vallen van het waterschap.
Beheer en onderhoud van de riolering is in handen van de gemeente Albrandswaard. 5.3
Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor het uitvoeren van het plan. Een concept van deze waterparagraaf zal worden voorgelegd aan het waterschap Hollandse Delta.
Bestemmingsplan ‘Sonneheerdt’ Toelichting – Ontwerp (16 maart 2022)
29
6
Archeologie en cultuurhistorie
6.1
Kader Erfgoedwet De Erfgoedwet (2016) bundelt de voorgaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals deze in de oude wetten en regelingen gold, blijft gehandhaafd. Het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed was geregeld in zes verschillende wetten en een regeling. Waarin roerend, onroerend en archeologisch erfgoed allemaal hun eigen specifieke definities, procedures en beschermingsmaatregelen hadden. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Overbodige regels zijn geschrapt en de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het cultureel erfgoed ligt waar mogelijk bij het erfgoedveld zelf. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, worden overgeheveld naar de Omgevingswet die in 2022 van kracht wordt. Op grond van de Erfgoedwet is het verplicht om in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland De provincie Zuid-Holland hanteert het beleidsinstrument “Cultuurhistorische Hoofdstructuur ZuidHolland (CHS)”.
In de CHS heeft de provincie bestaande en mogelijk te verwachten archeologische waarden in beeld gebracht. In het bijbehorende “Beleidskader Cultuurhistorische Hoofdstructuur ZuidHolland” zijn per waarderingscategorie algemene beleidsuitgangspunten geformuleerd. De waardering zoals vastgelegd in de cultuurhistorische hoofdstructuur geldt als uitgangspunt van beleid.
6.2
Onderzoek en conclusie In het vigerende bestemmingsplan ‘Albrandswaard Noord’ kent het westelijk deel van het plangebied de archeologische dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 5’, en het oostelijk deel ‘Waarde – Archeologie 3’. In de bijbehorende regeling is bepaald dat het zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning niet is toegestaan om werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te (laten) voeren die boven de opgenomen vrijstellingsgrens uitkomen. Voor de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 5’ betreft dit dieper dan 1 m beneden maaiveld en tevens een terreinoppervlakte groter dan 200 m2, voor ‘Waarde – Archeologie 3’ dieper dan 50 cm beneden maaiveld en tevens een terreinoppervlakte groter dan 100 m2. Een vergunning wordt verleend nadat op basis van een rapport van een archeologisch deskundige de archeologische waarde van het terrein (die blijkens de aanvraag zal worden verstoord) naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld. De terreinoppervlakte van de voorgenomen ontwikkeling bedraagt meer dan 200 m2, en de werkzaamheden reiken naar verwachting dieper dan 1 m. Archeologisch onderzoek is zodoende benodigd.
In dit kader is door Archeologie Rotterdam (BOOR) een plantoets uitgevoerd, en op grond daarvan geadviseerd om voorafgaand aan de graafwerkzaamheden een archeologisch vooronderzoek (bestaande uit een bureauonderzoek en de verkennende fase van een inventariserend veldonderzoek) te laten uitvoeren. Ten behoeve van de uitvoering van het onderzoek heeft Archeologie Rotterdam een bureauonderzoek uitgevoerd, en aan de hand van de resultaten daarvan een Programma van Eisen (PvE) voor een verkennend inventariserend veldonderzoek opgesteld. Dit bureauonderzoek plus PvE Bestemmingsplan ‘Sonneheerdt’ Toelichting – Ontwerp (16 maart 2022)
30
is opgenomen in bijlage 7. Op basis van dit PvE wordt momenteel nog een archeologisch veldonderzoek uitgevoerd.
Bestemmingsplan ‘Sonneheerdt’ Toelichting – Ontwerp (16 maart 2022)
31
7
Milieu
7.1
Algemeen In dit hoofdstuk worden de ruimtelijke (on)mogelijkheden inzichtelijk gemaakt. Waar nodig dient een vertaling plaats te vinden naar de juridische regeling. Het uitgangspunt hierbij is dat de juridische regeling zowel de ruimtelijke kwaliteit als de milieukwaliteit voldoende dient te borgen.
7.2 M.e.r.-beoordeling 7.2.1 Kader Het inwerkingtredingsbesluit wijziging Besluit m.e.r. is op 7 juli 2017 in werking getreden. In dit gewijzigde Besluit m.e.r. is de nieuwe procedure omtrent de vormvrije m.e.r.-beoordeling opgenomen. Het besluit is aangepast omdat de Europese rechter heeft geoordeeld dat de drempelwaarden voor m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten onvoldoende recht deden aan de vraag of er sprake is van "aanzienlijke gevolgen voor het milieu". Het besluit is aangepast en de drempelwaarden zijn nu indicatief. Dat betekent dat als een project (ruim) onder de drempelwaarden blijft er wel een toetsing moet worden gedaan. Het bevoegd gezag moet zich er van vergewissen dat er daadwerkelijk geen aanzienlijke gevolgen voor het milieu zijn. Bij de aanleg, wijziging of uitbreiding van woningbouw kan sprake zijn van een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals aangegeven in D 11.2, kolom 1, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer; 2. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat; of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De drempelwaarden in het Besluit m.e.r. (kolom 2-'gevallen' in de D-lijst) zijn gebaseerd op algemene kenmerken van een activiteit en een globale aanname dat bij gevallen onder de drempelwaarde geen belangrijke nadelige milieugevolgen zullen optreden.
Dat hoeft echter niet altijd het geval te zijn: in bepaalde gevallen kan een activiteit met een kleinere omvang wel degelijk belangrijke nadelige milieugevolgen hebben. De consequentie van de nieuwe regeling is dat in elk besluit of plan, dat betrekking heeft op activiteiten, die voorkomen op de D-lijst aandacht moet worden besteed aan m.e.r. Er zal een toets moeten worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets, die dus een nieuw element is in de m.e.r.-regelgeving, wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: • belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; • belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is dus altijd nodig als een besluit of plan wordt voorbereid over activiteiten die voorkomen op de D-lijst. Voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling bestaan geen vereisten voor de vorm, maar wel voor de inhoud.
7.2.2 Afweging en conclusie De voorgenomen sloop van de huidige bebouwing en bouw van 47 (zorg)appartementen kan worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject zoals voorkomend in de eerste kolom van de D-lijst horende bij het Besluit m.e.r. (categorie 11.2). Hoewel de ontwikkeling ruimschoots onder de drempelwaarden (kolom 2) van 100 hectare of 2.000 woningen blijft, dient evenwel een vormvrije m.e.r.beoordeling te worden uitgevoerd.
Bestemmingsplan ‘Sonneheerdt’ Toelichting – Ontwerp (16 maart 2022)
32
In kader van dit bestemmingsplan is onderzoek gedaan naar de verschillende relevante milieuaspecten. In de voorgaande en volgende paragrafen is per aspect beoordeeld wat de effecten van het plan zijn. Uit de verschillende onderzoeken die zijn uitgevoerd blijkt dat als gevolg van de realisatie van de ontwikkeling geen significant nadelige milieueffecten optreden. Een m.e.r.-beoordeling is daarom niet aan de orde. De afwegingen van de verschillende milieuaspecten in de paragrafen van deze toelichting vormen tezamen de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Het gaat om de volgende aspecten: • Beschermde flora en fauna en natuurgebieden (hoofdstuk 4); • Stikstof (hoofdstuk 4); • Water (hoofdstuk 5); • Bodem (paragraaf 7.3); • Geluid (paragraaf 7.4); • Luchtkwaliteit (paragraaf 7.5); • Bedrijven en milieuzonering (paragraaf 7.6); • Externe veiligheid (paragraaf 7.7); • Overige belemmeringen (paragraaf 7.8). 7.3 Bodemkwaliteit 7.3.1 Kader Wet bodembescherming De Wet bodembescherming (Wbb) voorziet in maatregelen indien sprake is van ernstige bodemverontreiniging. Het doel van de Wbb is in de eerste plaats het beschermen van de (land- of water-) bodem zodat deze kan worden benut door mens, dier en plant, nu en in de toekomst.
Via de Wbb heeft de Rijksoverheid de mogelijkheid algemene regels te stellen voor de uitvoering van werken, het transport van stoffen en het toevoegen van stoffen aan de bodem. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop deze ontwikkelingen gaan plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij nieuwbouwactiviteiten dient de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te zijn gebracht. In het algemeen geldt dat nieuwe bestemmingen bij voorkeur op een schone bodem dienen te worden gerealiseerd. Besluit bodemkwaliteit Het doel van het Besluit bodemkwaliteit (2008) is de bodem beter te beschermen en meer ruimte te bieden voor nieuwe bouwprojecten. Ook geeft het besluit gemeenten en provincies meer verantwoordelijkheid om de bodem te beheren. Het Bouwstoffenbesluit (Bsb) is opgenomen in het Besluit bodemkwaliteit. Relatie Wabo, Wbb en Woningwet (Wonw) De inwerkingtreding van de Wabo (1 oktober 2010) heeft ook effect op de Wbb en de Woningwet (Ww): in de Wabo is aangegeven dat in de plaats van de aanhoudingsgrond (uit de Ww) een afstemmingsregeling wordt opgesteld waarbij de inwerkingtreding van de omgevingsvergunning wordt afgestemd op de acties ten aanzien van de bodemverontreiniging.
Voorts geldt ten aanzien van de bodem dat de Woningwet gemeenten verplicht in hun bouwverordening voorschriften omtrent het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem op te nemen. Die voorschriften moeten in elk geval betrekking te hebben op het verrichten van onderzoek naar aard en mate van verontreiniging van de bodem, op de aard en omvang van dat onderzoek en op inrichting van het op te stellen onderzoeksrapport.
Bestemmingsplan ‘Sonneheerdt’ Toelichting – Ontwerp (16 maart 2022)
33
7.3.2 Onderzoek Uitgangspunt bij nieuwe ontwikkelingen is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de toekomstige functie(s), in dit geval wonen. De nieuwe appartementen zijn voorzien op gronden die in het vigerende bestemmingsplan ‘Albrandswaard Noord’ bestemd zijn als ‘Tuin’ en ‘Wonen’. Daarom kan worden aangenomen dat ter plaatse van deze gronden de bodem reeds geschikt is voor de toekomstige functie, namelijk eveneens wonen. Het uitvoeren van een bodemonderzoek is in het kader van dit bestemmingsplan dan ook niet benodigd. Wel dient bij de aanvraag van de omgevingsvergunning nog wel inzicht te worden gegeven in de geschiktheid van de bodemkwaliteit op de locatie. 7.3.3 Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan. Uiteindelijk dient bij de verlening van de omgevingsvergunning te zijn aangetoond dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de toekomstige functie. 7.4 Akoestische aspecten 7.4.1 Kader De Wet geluidhinder verlangt inzicht in de akoestische effecten bij de realisatie van nieuwe geluidsgevoelige objecten, zoals de realisatie van woningen. Voordat nieuwe woningen worden geprojecteerd, moet onderzoek worden uitgevoerd naar de relevante geluidhinderaspecten. De nieuwe woningen zijn gelegen in de onderzoekszone van de Groene Kruisweg, de route Zwaardijk/Stationsstraat en de Viaductweg.
Om die reden is vanuit de Wet geluidhinder een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai benodigd. Op basis van vaste jurisprudentie worden in het kader van een goede ruimtelijke ordening in de geluidsbelastingen berekend van de omliggende 30 km/uur-wegen, Dit betreft in ieder geval de Dorpsdijk. De nieuwe woningen zijn daarnaast gelegen binnen de geluidszone van het gezoneerde industrieterrein ‘Waal-/Eemhaven’. Op grond van de Wet geluidhinder is daarom ook akoestisch onderzoek noodzakelijk naar het aspect industrielawaai. Indien uit onderzoek blijkt dat de geluidsbelasting door het wegverkeer en/of de activiteiten op het industrieterrein leidt tot een geluidbelasting die hoger is dan de voorkeurswaarde moeten er maatregelen worden getroffen om hieraan alsnog te kunnen voldoen. Blijkt dat niet mogelijk of op overwegende bezwaren te stuiten dan is het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Albrandswaard bevoegd tot het vaststellen van hogere waarden. Daartoe heeft de gemeente criteria bepaald in de op 1 mei 2007 vastgestelde ‘Beleidsregel vaststellen hogere waarde gemeente Albrandswaard’. 7.4.2 Onderzoek Door KuiperCompagnons is een akoestisch onderzoek wegverkeers- en industrielawaai uitgevoerd. De rapportage is opgenomen in bijlage 5. De belangrijkste conclusies uit het onderzoek worden hieronder samengevat.
Bestemmingsplan ‘Sonneheerdt’ Toelichting – Ontwerp (16 maart 2022)
34
Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat de voorkeursgrenswaarde niet wordt overschreden door de gezoneerde wegen. Wel vindt op de twee woningen aan de Dorpsdijk 30 en 40 een overschrijding plaats vanwege de 30 km/uur weg Dorpsdijk tot een waarde van maximaal 59 dB. Omdat de Dorpsdijk een 30 km/uur weg is, is het aanvragen van hogere waarden voor deze weg niet mogelijk. De activiteiten op het industrieterrein Waal-/Eemhaven leiden ter plaatse van de nieuwe woningen tot een geluidsbelasting van maximaal 55 dB(A), zodat de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) wordt overschreden. De maximale ontheffingswaarde van 55 dB(A) wordt niet overschreden. Verder blijkt uit het onderzoek dat het nestgeluid een toename van de geluidsbelasting veroorzaakt ter plaatse van de woningen. Inclusief het nestgeluid is de geluidsbelasting maximaal 56 dB(A). Deze geluidsbelasting moet als uitgangspunt worden aangehouden bij het beoordelen van de karakteristieke geluidwering van de gevels. Aangezien het treffen van geluidsreducerende maatregelen niet mogelijk is, is het noodzakelijk om hogere waarden vast te stellen. Omdat voor de woningen meerdere ontheffingsgevallen van toepassing zijn, zoals deze zijn neergelegd in het gemeentelijke geluidbeleid, past de hogere waarde ook binnen dit beleid.
Het ontwerpbesluit tot vaststelling van de hogere waarden is opgenomen in bijlage 6 bij deze toelichting, en wordt gelijktijdig met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd. 7.4.3 Conclusie Uit akoestisch onderzoek blijkt dat de voorkeursgrenswaarde door gezoneerde wegen niet wordt overschreden. De voorkeursgrenswaarde wordt wel overschreden door het industrieterrein Waal/Eemhaven. Omdat het treffen van geluidsreducerende maatregelen niet mogelijk is, dienen hogere waarden te worden vastgesteld. Het ontwerpbesluit tot vaststelling van hogere waarden wordt gelijktijdig met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd. 7.5 Luchtkwaliteit 7.5.1 Kader Het onderzoek naar luchtkwaliteit wordt uitgevoerd op grond van hoofdstuk 5, titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' van de Wet milieubeheer. De titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' is beter bekend als de Wet luchtkwaliteit. Een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en internationaal niveau die de luchtkwaliteit verbeteren. Daarnaast zijn daarin alle ruimtelijke ontwikkelingen opgenomen die de luchtkwaliteit verslechteren. Het doel van de NSL is om overal in Nederland te voldoen aan de Europese normen voor de luchtverontreinigende stoffen.
Voor wegverkeer zijn stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en ultra fijnstof (PM2,5) de belangrijkste stoffen. De in de Wet luchtkwaliteit gestelde norm voor NO2 en PM10 jaargemiddelde grenswaarde is voor beide stoffen 40 µg/m 3, terwijl voor PM2,5 de jaargemiddelde grenswaarde 25 µg/m3 bedraagt Daarnaast mag de PM10 24 uurgemiddelde grenswaarde van 50 µg/m3 maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. Naast de introductie van het NSL is het begrip 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit. Een project draagt NIBM bij aan de verslechtering van
Bestemmingsplan ‘Sonneheerdt’ Toelichting – Ontwerp (16 maart 2022)
35
de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 µg/m3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. Een ruimtelijke ontwikkeling kan volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang vinden als: • de ontwikkeling is opgenomen in het NSL; • de ontwikkeling aangemerkt wordt als een NIBM-ontwikkeling; • de gestelde grenswaarden in bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit niet worden overschreden; • projectsaldering wordt toegepast. Voor zover de ruimtelijke ontwikkeling is opgenomen in het NSL of de ontwikkeling kan worden aangemerkt als NIBM-project is toetsing aan de normen van de Wet luchtkwaliteit niet nodig. 7.5.2 Onderzoek Beoordeling luchtkwaliteit In de 'Regeling niet in betekenende mate bijdrage (luchtkwaliteitseisen)' (Regeling NIBM) zijn voor verschillende functiecategorieën cijfermatige kwantificaties opgenomen, waarbij een ontwikkeling als een NIBM-project kan worden beschouwd. Deze categorieën betreffen landbouwinrichtingen, spoorwegemplacementen, kantoorlocaties, woningbouwlocaties en een combinatielocatie van woningbouw en kantoren. In de regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.
Met dit bestemmingsplan wordt de realisatie van 47 (zorg)appartementen mogelijk gemaakt. Daardoor is de voorgestelde ontwikkeling aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit, waardoor toetsing aan de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit niet nodig is. Goede ruimtelijke ordening In het kader van een goede ruimtelijke ordening is daarnaast aandacht besteed aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen nabij het plangebied. Met behulp van de NSL-monitoringstool zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 in de omgeving van het plangebied inzichtelijk gemaakt. In afbeelding 7.1 is hiervan een uitsnede te zien, met daarbij de concentraties NO2, PM10 en PM2,5 voor het peiljaar 2020.
Bestemmingsplan ‘Sonneheerdt’ Toelichting – Ontwerp (16 maart 2022)
36
Afbeelding 7.1: Overzicht concentraties NO2, PM10 en PM2,5, peiljaar 2020 (NSL-monitoringstool 2020)
Uit de voorgaande afbeelding blijkt dat in de omgeving van het plangebied de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 respectievelijk maximaal 26,1 µg/m3, 18,8 µg/m3 en 11,1 µg/m3 bedraagt. De jaargemiddelde grenswaarde voor NO2, PM10 (beide 40 µg/m3) en PM2,5 (25 µg/m3) wordt niet overschreden. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24 uurgemiddelde concentratie PM10 is maximaal 6,7, waardoor het maximum van 35 dagen niet wordt overschreden. De trend is dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten. 7.5.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt gezien het bovenstaande geen belemmering voor de realisatie van de 47 (zorg)appartementen. 7.6 Milieuzonering 7.6.1 Kader Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de verschillende voorkomende functies en wonen noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen.
Daarnaast bepaalt de feitelijke (planologische) situatie eveneens in hoeverre bedrijven in de bestaande situatie reeds beperkt worden in hun bedrijfsvoering. 7.6.2 Onderzoek Gelet op het karakter van de omgeving en de hier aanwezige functies, kan het plangebied worden aangeduid als ‘gemengd gebied’. Dat betekent dat één stap soepeler met de richtafstanden kan worden omgegaan.
Bestemmingsplan ‘Sonneheerdt’ Toelichting – Ontwerp (16 maart 2022)
37
In de omgeving van het plangebied zijn enkele (potentieel) milieubelastende functies aanwezig; een bedrijf ten noorden van het plangebied en de horecagelegenheid ten zuiden van het plangebied zijn hier relevant. Ten zuiden van het plangebied bevindt zich een horecagelegenheid. In het vigerende bestemmingsplan is hier de bestemming ‘Horeca’ opgenomen met de functieaanduidingen ‘restaurant’ en ‘parkeerterrein’, waarmee de bestaande situatie exact bestemd is. Aangezien de toegestane horecagelegenheid al aanwezig is, en de nieuwe appartementen niet op een kortere afstand worden gerealiseerd dan de woningen die in de huidige situatie in het plangebied liggen, is geen sprake van een verslechtering van de planologische situatie. Ten noorden van het plangebied ligt een bedrijfsbestemming. Volgens het vigerende bestemmingsplan zijn hier bedrijfsactiviteiten tot en met milieucategorie 2 toegestaan. Ter plaatse van de aanduiding ‘opslag’ is uitsluitend een opslag mogelijk. Voor bedrijvigheid in categorie 2 geldt binnen het gebiedstype ‘gemengd gebied’ een richtafstand van 10 m. Met een minimale afstand van 15 m van deze bestemming tot aan de voorliggende plangrens wordt hieraan voldaan. Bovendien zijn op nog kortere afstand van de bedrijfsbestemming reeds woningen aanwezig.
7.6.3 Conclusie Gezien het voorgaande vormt het aspect milieuzonering geen belemmering voor de haalbaarheid van dit bestemmingsplan. Een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de nieuwe appartementen is geborgd, en de bestaande bedrijven worden niet in hun bedrijfsvoering gehinderd. 7.7 Externe veiligheid 7.7.1 Kader Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden. In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, beoordeeld te worden. Plaatsgebonden risico Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. De normstelling heeft de status van een grenswaarde die niet overschreden mag worden.
Voor kwetsbare objecten wordt in zowel bestaande als nieuwe situaties het niveau van 10 -6 per jaar als grenswaarde gehanteerd. Nieuwe beperkt kwetsbare objecten zijn alleen toegestaan onder een gewichtige motivering. Bestaande beperkt kwetsbare objecten zijn toegestaan binnen de PR 10 -6 contour. Groepsrisico Het GR kan worden beschouwd als de maat van maatschappelijke ontwrichting in geval van een calamiteit (en drukt dus de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal 10 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit). De normstelling heeft de status van een oriënterende waarde. Deze waarde is geen vastgestelde wettelijke norm. Voor het bevoegd gezag geldt met betrekking tot het GR wel een verantwoordingsverplichting. Bestemmingsplan ‘Sonneheerdt’ Toelichting – Ontwerp (16 maart 2022)
38
Verantwoording groepsrisico Binnen het invloedsgebied geldt dat voor ieder ruimtelijk plan groepsrisicoverantwoording verplicht is. Een verantwoording is een kwalitatieve beschrijving over de waarde van het groepsrisico, maatregelen, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Het advies van de veiligheidsregio speelt hierbij een belangrijke rol. Bij complexe projecten ligt doorgaans een proces van overleg met veiligheidsdeskundigen ten grondslag. Regelgeving risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) uit 2004 legt veiligheidsnormen op aan overheden die besluiten nemen over bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Het gaat daarbij om bijvoorbeeld chemische fabrieken, LPG-tankstations en spoorwegemplacementen waar goederentreinen met gevaarlijke stoffen rangeren. Deze bedrijven verrichten soms risicovolle activiteiten dichtbij (beperkt) kwetsbare objecten waaronder woningen, ziekenhuizen, scholen, winkels, horecagelegenheden en sporthallen. Hierdoor ontstaan risico’s voor mensen die in de buurt ervan wonen of werken. Het besluit verplicht gemeenten en provincies bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van bestemmingsplannen met externe veiligheid rekening te houden. Dit betekent bijvoorbeeld dat woningen op een bepaalde afstand moeten staan van een bedrijf dat werkt met gevaarlijke stoffen.
In 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) in werking getreden. In het Bevt staan regels voor de ruimtelijke inrichting rond wegen, waterwegen en spoorwegen met vervoer van gevaarlijke stoffen. In dit onderzoek is op deze wetgeving voorgesorteerd. Regelgeving transport van gevaarlijke stoffen over wegen, water en spoor Het Bevt hanteert een vaste grens van 200 meter, vanaf de buitenrand van de transportroute, waarbuiten in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Buiten de 200 meter is een verantwoording niet noodzakelijk. Wel geldt dat bij ruimtelijke ontwikkelingen die nieuwe kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten mogelijk maken buiten de 200 meter, in de toelichting aandacht moet worden gegeven aan de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Ten aanzien van de verantwoordingsplicht groepsrisico wordt, net als in het Bevb, onderscheid gemaakt tussen een volledige verantwoording en een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Een volledige verantwoording kan bovendien achterwege blijven indien kan worden aangetoond dat: a. het groepsrisico, niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico, of; b. het groepsrisico, gelet op de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen, met niet meer dan 10% toeneemt en; c.
de oriëntatiewaarde, gelet op de dichtheid van personen, niet wordt overschreden. d. Indien sprake is van een volledige verantwoording dienen maatregelen ter beperking van het GR, alternatieve ruimtelijke ontwikkelingen met een lager GR en mogelijkheden en voorgenomen maatregelen ter beperking van de omvang van een calamiteit te worden overwogen. Een beperkte verantwoording houdt wel rekening met de effecten van een calamiteit en vindt alleen plaats als het plangebied binnen het invloedsgebied (effectgebied) van transportassen is gelegen. In het Bevt zijn tevens plasbrandaandachtsgebieden (PAG) benoemd voor transportroutes. Een PAG is een zone, waarbinnen een aanvullende verantwoording noodzakelijk is met betrekking tot het al dan niet nemen maatregelen om de effecten van een plasbrand te beperken en de zelfredzaamheid van personen. Bestemmingsplan ‘Sonneheerdt’ Toelichting – Ontwerp (16 maart 2022)
39
7.7.2 Onderzoek Externe veiligheid gaat over de invloed van het transport of opslag van gevaarlijke stoffen op de omgeving. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt de realisatie van nieuwe (zeer) kwetsbare objecten mogelijk gemaakt. Op basis van de risicokaart zijn de volgende risicobronnen in de omgeving aanwezig: - Vervoer gevaarlijke stoffen over de Groene Kruisweg en rijksweg A15; - Vervoer gevaarlijke stoffen over de spoorlijn Rotterdam - Maasvlakte; - Rail Service Center Rotterdam B.V.; - ProRail B.V. (emplacement Waalhaven - Zuid). Op onderstaande afbeelding is een uitsnede van de EV signaleringskaart weergegeven met de globale ligging van het plangebied.
Afbeelding 7.2: Uitsnede EV signaleringskaart met globale ligging plangebied (rode ovaal).
Transportroutes Langs vervoersassen van gevaarlijke stoffen is een verantwoordingsgebied voor het groepsrisico aanwezig van 200 meter, een invloedsgebied 355 meter voor GF3 (LPG) en een invloedsgebied voor toxische stoffen van 880 of 4.000 meter. De locatie is gelegen buiten het verantwoordingsgebied, maar binnen het invloedsgebied van GF3 van de Groene Kruisweg en binnen het invloedsgebied voor toxische stoffen van de rijksweg A15 en spoorlijn Rotterdam - Maasvlakte. Er dient een beschrijving te worden gegeven van de aspecten ‘zelfredzaamheid’ en ‘bestrijdbaarheid’ Inrichtingen Op grote afstand ten noorden en noordoosten van het plangebied bevinden zich de inrichtingen Rail Service Center Rotterdam B.V. en het emplacement Waalhaven - Zuid van ProRail B.V. Het plangebied bevindt zich binnen de PR 10-8 contour van het bedrijf Rail Service Center Rotterdam B.V. en binnen het invloedsgebied van het emplacement Waalhaven - Zuid. In overleg met de omgevingsdienst Rotterdam-Rijnmond kan worden afgezien van een groepsrisicoberekening, gezien de grote afstand Bestemmingsplan ‘Sonneheerdt’ Toelichting – Ontwerp (16 maart 2022)
40
tussen het plangebied en beide inrichtingen en de relatief kleine omvang van de ontwikkeling. Er dient een beschrijving te worden gegeven van de aspecten ‘zelfredzaamheid’ en ‘bestrijdbaarheid’ Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting. Het zelfredzame vermogen van personen in de buurt van een risicovolle bron is een belangrijke voorwaarde om grote effecten bij een incident te voorkomen. Een deel van de nieuwe woningen in het plangebied worden zorgappartementen. Zorgappartementen is een functie die specifiek bedoeld is voor personen met een beperkte zelfredzaamheid. Het plangebied bevindt zich echter op een grote afstand van de risicobronnen. Het is van belang dat het zorgpersoneel en/of de begeleiding is voorbereid op eventuele calamiteiten bij de risicobronnen. Hierbij is het van belang dat zij ook weten hoe daarbij te handelen. Bijvoorbeeld om bewoners en bezoekers van de zorgappartementen te assisteren om zichzelf in veiligheid te brengen. Ook is het natuurlijk niet uit te sluiten dat kinderen, ouderen en/of gehandicapten in de reguliere woningen in het plangebied zullen gaan wonen of aanwezig zijn.
Vanuit maatschappelijk oogpunt is het juist gewenst dat dergelijke specifieke doelgroepen zich gelijkmatig ‘verspreiden’ tussen de reguliere doelgroepen. Maatgevende scenario BLEVE Het maatgevende scenario voor de Groene Kruisweg is een BLEVE (Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion). Er wordt onderscheid gemaakt tussen een warme BLEVE en een koude BLEVE. Bij een warme BLEVE kan door een incident op de weg of bij het tankstation kan een brand ontstaan waarbij een tankwagen met LPG is betrokken. Vanwege oplopende temperaturen neemt dan de druk in de tank met LPG toe. Binnen circa 20 minuten leidt het vrijkomen en het ontsteken van de inhoud tot overdrukeffecten en een grote vuurbal, een BLEVE. Een koude BLEVE treedt op zonder of voordat de LPG-tankwagen (maximaal) is opgewarmd door een externe brand. Het scheuren van de tank wordt veroorzaakt door een plaatselijke verzwakking van de tankwand. De maximale druk en temperatuur worden in dit scenario niet bereikt. De hittestraling van een BLEVE is kort en hevig en kan secundaire branden in de omgeving veroorzaken. Ontvluchting in het geval van een BLEVE is mogelijk, mits er geen bijzondere beperkingen zijn ten aanzien van zelfredzaamheid van aanwezigen. Scenario toxische gassen Door een incident op de rijksweg met een tankwagen kan de tankwand scheuren waardoor een groot deel van de toxische vloeistof in korte tijd uitstroomt.
De toxische stof verdampt deels direct en wordt gedurende korte tijd meegevoerd door de wind. De resterende vloeistof vormt een plas. Het gevaar kan door de aanwezigen in het benedenwindse effectgebied opgemerkt worden door de herkenbare geur van ammoniak. Aanwezigen kunnen het beste binnen in gebouwen schuilen tegen de toxische effecten van het scenario. Vluchtmogelijkheden De aanwezigen kunnen vanuit het plangebied naar de Dorpsdijk vluchten, om vervolgens via deze weg richting het noorden te gaan en zo van de bron af te vluchten. Mogelijkheden tot bestrijdbaarheid Algemeen Bij het stedenbouwkundig ontwerp en de indeling van de openbare ruimte dient rekening te worden gehouden met de bereikbaarheid en keermogelijkheden van hulpverleningsdiensten en opstelplaatsen Bestemmingsplan ‘Sonneheerdt’ Toelichting – Ontwerp (16 maart 2022)
41
in relatie tot ingangen van gebouwen. De wegenstructuur in het plangebied dient te voldoen aan de door de brandweer gestelde minimumeisen betreffende uitvoering en inrichting. De aanwezigheid van effectieve bluswatervoorziening is tevens een belangrijk aandachtspunt. Brandkranen dienen nabij entrees van het gebouwen en de opstelplaatsen gerealiseerd te worden. Ten behoeve van de zelfredzaamheid is het van belang dat E-Alert wordt ingezet. In het kader van een effectieve zelfredzaamheid bij het vrijkomen van toxische stoffen wordt geadviseerd bij ontwikkelingen afsluitbare ventilatiesystemen in gebouwen toe te passen waarmee kan worden voorkomen dat toxische stoffen binnentreden. Aanwezigen zijn in gebouwen enkele uren beschermd tegen de effecten van toxische dampen. Het opleggen van het aanbrengen van afsluitbare mechanische ventilatiesystemen is alleen mogelijk indien dit in de planregels van het bestemmingsplan is vastgelegd. Risicocommunicatie naar de bewoners is zeer belangrijk. Bij het sluiten van een huur-/koopcontract kunnen bewoners op de externe veiligheidsrisico’s gewezen worden en kan onderhavige rapportage genoemd worden. Er kan informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen ter voorkoming en bestrijding van incidenten en over de daarbij te volgen gedragslijn. De gemeente heeft in dit kader een informatieplicht.
Transport gevaarlijke stoffen over de weg Alle LPG-tankwagens in Nederland zijn voorzien van een hittewerende bekleding. De uitvoering en de keuring van de hittewerende bekleding is geregeld in de NTA 8820:2015. Deze maatregel is overigens alleen effectief tegen het optreden van een warme BLEVE. Bestrijding van een dreigende BLEVE vereist veel bluswater bedoeld voor het koelen van de LPG-tank. Bij voldoende koeling zal een BLEVE worden voorkomen. Hiervoor wordt (vanwege de snelheid die is geboden) gebruik gemaakt van primaire bluswatervoorzieningen (in het voertuig aanwezige water en brandkranen op het openbaar waterleidingnet). De aanwezigheid van effectieve grootschalige bluswatervoorziening is hierbij een belangrijk aandachtspunt. 7.7.3 Conclusie Het aspect ‘externe veiligheid’ staat de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg. Bij de uiteindelijke vergunningverlening dient formeel advies te worden gevraagd aan de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond. 7.8
Overige belemmeringen In het plangebied is geen sprake van overige belemmeringen. Er zijn dan ook geen overige aspecten die een belemmering vormen voor de haalbaarheid van dit bestemmingsplan.
Bestemmingsplan ‘Sonneheerdt’ Toelichting – Ontwerp (16 maart 2022)
42
8
Uitvoerbaarheid
8.1
Economische uitvoerbaarheid In deze paragraaf wordt inzicht gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Exploitatieverplichting Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Een en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten met iedere grondeigenaar. Als er met een grondeigenaar geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, dient een exploitatieplan te worden opgesteld die tegelijkertijd met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld. Tussen de initiatiefnemer en de gemeente zal een anterieure overeenkomst worden gesloten. Het kostenverhaal is hiermee anderszins verzekerd en het opstellen van een exploitatieplan is niet noodzakelijk. De initiatiefnemer zal geheel voor eigen rekening en risico overgaan tot de ontwikkeling en realisatie van het plan.
Conclusie Gezien het voorgaande wordt het plan financieel uitvoerbaar geacht.
8.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 8.2.1 Voorbereidingsfase Vooraankondiging Op grond van artikel 1.3.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet voorafgaand aan een bestemmingsplanprocedure, een vooraankondiging worden gepubliceerd waarin de gemeente aangeeft een bestemmingsplan voor te bereiden. Overleg Conform artikel 3.1.1 van het Bro moeten burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeentes en waterschappen en met de Rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. In dit kader is het bestemmingsplan voor advies voorgelegd aan de betrokken overlegpartners. Daarnaast is in het kader van de marktinitiatievenprocedure al een participatietraject gevoerd. Er zijn geen overlegreacties ontvangen die hebben geleid tot aanpassingen in het bestemmingsplan. 8.2.2 Ontwerpfase Na afronding van het vooroverleg wordt de formele bestemmingsplanprocedure gestart. De aanpassingen die volgen uit de overlegreacties worden verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan. Indien er inspraakreacties zijn ingediend worden die waar nodig verwerkt in het plan. Ook worden er – indien nodig – ambtshalve aanpassingen doorgevoerd.
Bestemmingsplan ‘Sonneheerdt’ Toelichting – Ontwerp (16 maart 2022)
43
Op de voorbereiding van een bestemmingsplan is artikel 3.8 Wro (gelezen in samenhang met afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht) van toepassing. De kennisgeving van het ontwerpbesluit tot vaststelling van het bestemmingsplan moet in de Staatscourant worden geplaatst en dient via elektronische weg te geschieden. Tevens dient de kennisgeving te worden toegezonden aan die diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn, aan het waterschap en aan belanghebbende gemeenten. Het ontwerpbestemmingsplan ligt gedurende zes weken ter inzage. Binnen deze termijn wordt een ieder in de gelegenheid gesteld schriftelijk en/of mondeling een zienswijze op het plan in te dienen. Ingediende zienswijzen worden samengevat en van een reactie voorzien in de ‘Nota van Zienswijzen’, die als separate bijlage bij dit bestemmingsplan zal worden gevoegd. 8.2.3 Vaststellingsfase Binnen twaalf weken na de termijn van terinzagelegging heeft de gemeenteraad een besluit genomen omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan. Tegen het besluit tot vaststelling staat, voor belanghebbenden, direct beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Direct na de beroepstermijn treedt, indien tijdens de beroepstermijn geen verzoek om voorlopige voorziening is ingediend, het plan in werking waarna tot planrealisatie kan worden overgegaan.
Bestemmingsplan ‘Sonneheerdt’ Toelichting – Ontwerp (16 maart 2022)
Bijlagen bij toelichting
Bijlage 1 Demografisch onderzoek particuliere woonzorg Albrandswaard, Klinkenberg Groep B.V., juni 2020
DEMOGRAFISCH ONDERZOEK: Gemeente Albrandswaard, RHOON
OPDRACHTGEVER: BRUKON BEHEER B.V. DATUM: JUNI 2020 BETREFT: DEMOGRAFISCH ONDERZOEK PARTICULIERE WOONZORG ALBRANDSWAARD OPGESTELD DOOR: D.N. DE JONG KLINKENBERG ADVIES B.V. VERSIE: DEFINITIEF
1
PARTICULIERE WOON –EN ZORGVOORZIENING VOOR OUDEREN
“Een particuliere woon -en zorgvoorziening voor ouderen is het alternatief voor een regulier verpleeghuis. Waarbij nu mensen tussen wal en schip vallen in de gemeente Albrandswaard, zou een dergelijk initiatief grote meerwaarde hebben voor de steeds maar ouder wordende populatie met een zorgvraag ¨
2
INHOUD. INLEIDING: ALGEMEEN
4 5 6
BELEIDSKADERS: NATIONAAL BELEID: PROVINCIAAL BELEID:
7
DEMOGRAFISCHE ONTWIKKELING EN WONEN MET ZORG ZUID HOLLAND
8,9
GEMEENTELIJK BELEID:
10
ALBRANDSWAARD IN CIJFERS EN DEMOGRAFIE WOONWENSEN VAN OUDEREN
11
VOORZIENINGEN en AANBOD
12 13
CONCLUSIES:
14
REFERENTIES:
15
BRONVERMELDING EN CONTACT:
16
3
INLEIDING.
Inleiding: De Klinkenberg Groep is recent gevraagd door de ontwikkelaar (Brukon Beheer B.V.) i.v.m. een nieuw te bouwen particuliere woon- en zorgvoorziening voor ouderen gelegen in de het dorp Rhoon, gemeente Albrandswaard om onderzoek te doen voor de betreffende gemeente en deze ontwikkeling gestalte te doen geven. De demografische ontwikkelingen, vraag en noodzaak zijn in dit voorliggend document toegelicht.
4
ALGEMEEN: NEDERLAND VRAAGT OM VERPLEEGHUISBEDDEN : Het aandeel ouderen in de Nederlandse bevolkingsopbouw neemt al jaren toe als gevolg van demografische ontwikkelingen. Naar verwachting zal het aandeel 65-plussers stijgen van 19,5% in 2018 tot 25,2% in 2040. De zogenoemde grijze druk stijgt hiermee van 30% tot 43,8% in 2040. Bovendien is de verwachting dat het aandeel 80-plussers in dezelfde periode verdubbelt tot 8,5% van de totale bevolking in 2040. De toenemende vergrijzing heeft tot gevolg dat er de komende tien jaar zo’n 35.000 extra zorgplaatsen nodig zullen zijn om te kunnen voorzien in de groeiende (ouderen)zorgbehoefte. Deze uitbreiding komt bovenop de benodigde revitalisatie van de bestaande (en vaak verouderde) woonzorgvoorzieningen in Nederland. Ondanks de groeiende vraag naar bedden zijn veel zorgorganisaties de afgelopen jaren terughoudend geweest met het realiseren van nieuw zorgvastgoed. Veranderingen in het financieringsstelsel van de langdurige ouderen zorg (Wlz) en de beperkte financiële speelruimte van de zorgorganisaties hebben tot gevolg dat er nog weinig wordt geanticipeerd op de groeiende vraag naar bedden. Hoewel de reguliere zorgsector nog steeds goed is voor zo’n 92% van de circa 116.000 beschikbare bedden, maakt de particuliere zorgsector de laatste jaren een sterke groei door.
Dit is onder meer het gevolg van de expansiedrift van pan-Europese particuliere zorgorganisaties. Verwacht wordt dat het huidige aandeel van 8% van de particuliere sector in komende jaren verder zal toenemen door het openen van nieuwe locaties en een groeiend gemiddeld aantal zorgplaatsen per locatie.
5
BELEIDSKADERS: Nationaal beleid: Een van de belangrijkste prioriteiten van het huidige kabinet is het verbeteren van de ouderenzorg. Door middel van een ouderen pact wil het kabinet samen met allerlei landelijke organisaties werken aan drie opgaven om zo een ouderenvriendelijke samenleving te creëren:
•
Het voorkomen en bestrijden van eenzaamheid. Door het in groepsverband laten wonen in een dergelijke kleinschalige voorziening krijgt deze functie een belangrijke rol in het tegengaan van eenzaamheid bij ouderen.
•
Het verbeteren van de verpleeghuiszorg. Er zal op deze locatie een vorm van “belevingsgerichte zorg” zorg geleverd worden hetgeen het kwaliteitsniveau van de zorg ten goede zal komen.
●
Tekorten van verpleeghuisplaatsen De huidige situatie en de toekomstige ontwikkelingen vragen om ingrijpen van de landelijke politiek en om acties van publieke en private partijen op lokaal en regionaal niveau. De groei van het aantal ouderen, de stijging van de zorgvraag, het tekort aan zorgpersoneel en de behoefte aan nieuwe woonzorgvormen voor ouderen, maken het onderwerp zorg, wonen en ouderen actueel én explosief.
6
PROVINCIAAL BELEID: Door de bevolkingsontwikkelingen zullen op termijn meer ouderen behoefte hebben aan wonen met zorg. Dit gaat zowel om wonen met 24-uurs zorg (beschermd wonen), bijvoorbeeld in een verpleeghuis, als zelfstandig wonen met zorg (verzorgd wonen). Dit is een woning die toegankelijk is voor bewoners met een hulpmiddel, zoals een rolstoel, rollator etcetera. Door de landelijke beleidskeuzes neemt met name de vraag naar beschermd wonen toe. Het Tympaan Instituut (zie:https://www.tympaan.nl/ ) heeft met het Ramingsmodel Wonen met Zorg (RWZ) geraamd dat de vraag in veel regio’s niet kan worden opgevangen met de huidige woningvoorraad. - Doordat de locatie plaats zal bieden aan circa 26 bewoners zullen er weer plekken vrijkomen in de huidige woningvoorraad in Albrandswaard en omgeving. Ook de noodzaak volgens de provincie voor plekken met beschermd en verzorgd wonen voor ouderen zal conveniëren met deze ontwikkeling.
7
DEMOGRAFIE: ZUID HOLLAND Demografische ontwikkelingen wonen met zorg zuid Holland Met name het aantal 75-plussers stijgt sterk in Zuid-Holland tussen 2020-2050. Dit is de groep die het meest gebruik maakt van wonen met zorg. Voor de ontwikkelingen op de woningmarkt is het belangrijk om de demografische expansie van alle leeftijdscategorieën te volgen. Zeker omdat huishoudens steeds kleiner worden. De prognoses van het aantal inwoners met behoefte aan een vorm van wonen met zorg zijn gebaseerd op onder andere onderstaande gegevens : • •