RO-BP-621.110.80-TOTAAL-ON02.pdf
Tekst van het document
bevolkingsontwikkeling: ABF primos prognose 2019 aantal ouderen met een indicatie voor een verpleeghuis en het aantal ouderen dat persoonlijke verzorging ontvangt in 2019 (CIZ)
•
aantal volwassenen met mobiliteitsbeperkingen (WooN 2019)
Daarnaast is er rekening gehouden met feit dat ouderen later in aanmerking komen voor een plek in een verpleeghuis door de aangescherpte eisen in de Wet Langdurige Zorg (WLZ). Er is ook rekening gehouden met de mogelijkheid dat ouderen in de toekomst langer gezond blijven en met de leeftijdssamenstelling binnen de groep 65-plussers. Het eerste betekent dat de cijfers overschat worden, het tweede een onderschatting omdat er in de toekomst meer 75-plussers zijn dan 65-74 jarigen. Naar verwachting stijgt het aantal ouderen met een behoefte aan een beschermde woonvorm van zo’n 36.000 in 2015 in heel Zuid-Holland naar ongeveer 50.500 in 2050. Het aantal mensen met de noodzaak aan verzorgd wonen neemt fors toe van zo’n 39.000 naar 92.000 en het aantal ouderen met behoefte aan een geschikte woning zonder zorg van 143.000 naar 235.000 in heel Zuid-Holland. Door demografische ontwikkelingen verschillen de stijgingspercentages tussen de regio’s.
8
De groep met behoefte aan verzorgd wonen betreft met name 75-plussers bij wie somatische dus lichamelijke aandoeningen de voornaamste redenen zijn. Ouderen met psychogeriatrische problemen oa dementie, vormen de grootste groep. Deze groep zorgbehoeftige ouderen omvat ongeveer 20% van de behoefte van beschermd wonen wonen.
9
Gemeentelijk beleid: Woonvisie Albrandswaard: Hieronder enkele pijlers die uit de woonvisie van de gemeente Albrandswaard prioriteit hebben: Significante doelgroepen hierbij zijn op volgorde van prioriteit: a. Startende en terugkerende jonge gezinnen b. Doorstromers vanuit sociale huurwoningen c. Ouderen (senioren) die doorstromen naar een passende woonvorm d. Inwoners in de laagste inkomensgroepen. e. Nog niet settelende bewoners tussen 18 en 30 jaar f. Particuliere initiatiefnemers “Extramuralisatie geeft druk op de typologie van woningen. Wij streven naar het beperken van uitplaatsing van inwoners naar zorginstellingen buiten de gemeente.” Aldus de gemeente Albrandswaard
Met dit initiatief zal er op de woonvisie van de gemeente worden ingespeeld: Ouderen kunnen in hun gemeente blijven wonen en er zal doorstroming plaatsvinden op de woningmarkt.
10
Albrandswaard in cijfers:
Uit bovenstaande prognose van Alzheimer Nederland is een aanzienlijke stijging te zien van het aantal ouderen met dementie in de gemeente. Met de huidige voorraad van beschermd wonen, verpleeghuisplaatsen, ofwel een particuliere woon -en zorgvoorziening voor ouderen zal het aanbod nu, en zeker in de toekomst niet toereikend zijn.
Hierboven de prognose van het aantal 70 plussers in de gemeente albrandswaard, uit de grafiek is een explosieve stijging te zien tot en met 2040.
11
Woonwensen van ouderen:
Uit bovenstaand onderzoek van de ING, ANBO en PBL komen de huidige (anno 2020) woonwensen van ouderen naar voren: 1. 2. 3. 4. 5. 6.
Ouderen zijn bereid extra geld uit te trekken voor een dergelijke woonvorm. Gemeenschappelijk wonen Bereidheid van ouderen om te verhuizen neemt toe Behoefte aan veiligheid en voorzieningen Behoefte aan woonvormen tussen thuis en het verpleeghuis Behoefte aan specifieke woonvormen
Middels dit particuliere woonzorg initiatief wordt op al deze wensen ingespeeld!
12
VOORZIENINGEN: En huidig aanbod ● ● ●
●
Villa MaJa, Rhoon , Aantal plekken: 17 Particulier gemiddelde huurprijs 4000,- euro P.M. Archos zorggroep, Rhoon Aantal plekken: 70 (nieuwbouw 2022) prijs: WLZ, WMO plus eigen bijdrage Tweespan/Vierspan, Rhoon Aantal plekken 54 waarvan 0 voor dementie, prijs: WLZ, WMO plus eigen bijdrage. NB: “Gezien het grote aantal woningzoekenden op de wachtlijst voor dit ouderencomplex is de inschrijving gesloten.” Hoge Werf Poortugal Aantal plekken: 77 waarvan 28 voor ouderen met een vorm van dementie.
Het huidige aanbod van 17 particuliere plaatsen voor ouderen met een hoger dan modaal inkomen voldoet niet aan de vraag en noodzaak van het voorliggende initiatief, namelijk ouderen met een modaal inkomen. De beoogde zorgexploitant (Stepping Stones) van het voorliggend initiatief hanteert een vanafprijs van 2350, euro., dit is inclusief wonen en servicekosten. Er is dus in de gemeente een lacune tussen het aanbod van reguliere en particuliere aanbieders voor ouderen met een modaal inkomen c.q. vermogen.
13
Conclusies: Om deze beeldbepalende locatie in Rhoon een langdurige herbestemming te geven, waarbij zowel de sociaal economische als maatschappelijke vraagstukken gehonoreerd worden, zal hier een grote meerwaarde gecreëerd worden. Mede m.b.t. de vraag naar een dergelijke voorziening voor ouderen met een modaal inkomen nu, en zeker in de nabije toekomst!
In het kort: 1. .
. 2 3
4. 5 6
WOONZORG OPGAVE Door de bevolkingsontwikkelingen zullen op termijn meer ouderen behoefte hebben aan wonen met zorg. Dit gaat zowel om wonen met 24-uurs zorg (beschermd wonen), bijvoorbeeld in een verpleeghuis, als zelfstandig wonen met zorg (verzorgd wonen) of zelfstandig wonen zonder zorg. De prognose ten aanzien van de toename van het aantal ouderen met somatische en/of psychogeriatrische beperkingen in de gemeente albrandswaard is aanzienlijk. Met dit initiatief wordt daarop ingespeeld. Het huidige aanbod is niet toereikend en de vraag zal aanzienlijk toenemen. Ouderen kunnen in hun “geliefde” gemeente blijven wonen. (zie context) Het is positief voor de woningvoorraad in de gemeente, aangezien ouderen hun huis verlaten en er dus weer ruimte op de zeer “krappe” woningmarkt zal komen. Gezien de huidige druk op de woningmarkt is het vrijkomen van woningen van substantiële betekenis voor de gemeente. Mantelzorgers zullen ontlast worden aangezien de zorg zal worden overgenomen door een professionele zorg- exploitant. (zie context) Met een dergelijk initiatief zullen er circa 54 arbeidsplaatsen (27 fte) worden gecreëerd in de gemeente Het huidige aanbod voldoet niet aan de vraag nu en in de nabije toekomst zeker niet. Ouderen met een modaal inkomen kunnen in de gemeente blijven wonen indien aan dit initiatief gehoor gegeven zal worden.
14
REFERENTIES: Enkele referentie projecten: BEN Oude Nijhuis
Herontwikkeling voormalige
2016 (omroep MAX) www.benoudenijhu is.nl
kliniek naar een
Huis Hunderen Twello:
Herontwikkeling van een
woonzorgvoorziening met 52 plaatsen.
hotel/vergader locatie naar een woon –en zorgvoorziening met 19 plaatsen.
Herontwikkeling van trouw/
Landgoed Eikenrode Loosdrecht:
hotelfunctie naar een woonen zorgvoorziening voor ouderen met 18 plaatsen.
15
Bronvermelding en Contact: ABF PRIMOS, CBS, CIZ Gemeente albrandswaard, Google, Alzheimer Nederland, Klinkenberg Data, CNC, ING, ABN AMRO. Cushman en Wakefield
CONTACT: Klinkenberg Groep B.V. Dimitri Nanning de Jong dndejong@klinkenberggroep.nl tel: 0623332439 Web: https://www.klinkenberggroep.nl
24
Bijlage 2 Quickscan Wet natuurbescherming Dorpsdijk 40 en 40a te Rhoon, Blom Ecologie B.V., 29 juni 2020
24-
H. BLOKLAND DIENSTVERLENING T.a.v. dhr. H. Blokland Waalstraat 5 3371 SW Hardinxveld-Giessendam Datum
29 juni 2020
Kenmerk
BE/2020/400/r
Uw kenmerk
Email d.d. 13-05-2020
Auteur(s)
M.A. Brinkbaumer
Collegiale toets
ir. T.W.D. Schrader
Quickscan Wet natuurbescherming Dorpsdijk 40 en 40a te Rhoon Aan de Dorpsdijk 40 en 40a te Rhoon is een kantoor en een gebouw met multifunctionele bestemming gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens de bestaande bebouwing op de planlocatie te saneren ter behoeve van nieuwe woongelegenheid. Deze ontwikkeling voorziet ook het dempen van een ondiepe sloot ten noorden van de Dorpsdijk 40a. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggend ecologisch oriënterend onderzoek is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van de planlocatie voor deze soorten in kaart gebracht. De opdrachtgever begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie B.V. verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna en deze vervolgens te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden.
Onderzoeksdoelen Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie? • Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op het de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van Natuurnetwerk Nederland, Belangrijke weidevogelgebieden en/of de Strategische reservering natuur? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming te worden genomen, en zo ja, welke?
Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Dorpsdijk 40 & 40a te Rhoon (figuur 1). Dorpsdijk 40 is opgetrokken uit gemetselde muren met spouw en een plat bitumen dak. Dorpsdijk 40a bestaat uit gemetselde muren met spouw met deels plat en deels hellende daken. De platte delen betreffen bitumen en de hellende delen zijn belegd met pannen. De bebouwing bevat op enkele delen rotte boeiboorden. Ten zuiden van de planlocatie is (volledig bestraatte) parkeergelegenheid aanwezig. De tuinen van de panden zijn volledig overwoekerd en hebben een zeer laag onderhoudsbeeld. In figuur 2 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. De directe omgeving van de planlocatie is zeer divers. Ten westen bevindt zich een woonwijk, ten westen bevindt zicht het landgoed van het kasteel van Rhoon met de begraafplaats. Op ca. 100 m ten noorden zijn agrarische percelen gelegen. Het dichtstbijzijnde wateroppervlak betreft een vijver op ca. 20 m ten zuidwesten.
2
Figuur 1
De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Dorpsdijk 40 en 40a te Rhoon (bron kaartmateriaal: arcgis.com).
Figuur 2
Fotografische indruk van de bebouwing op de planlocatie. Dorpsdijk 40a links afgebeeld en Dorpsdijk 40 rechts te zien
Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter. De beoogde ontwikkeling betreft het saneren van de bebouwing ter behoeve van nieuwe woongelegenheden. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • • • • • •
saneren van bebouwing: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; dempen van een sloot: dempwerkzaamheden; verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.
Figuur 3
Impressie van de beoogde situatie met de nieuw gerealiseerde appartementen.
Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 2 juni 2020 en is uitgevoerd door M.A. Brinkbaumer. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 0/8 bewolkt, 28 Celsius en windkracht 1-2 (Bft). Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.
3
Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 zijn drie voormalige wetten; de Flora- en faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998, vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Bevoegdheden zijn met het ingaan van deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. (a) Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en Andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij negatieve effecten op soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor bepaalde soorten.
In de verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Zuid-Holland. Aardmuis Gewone bosspitsmuis Ree Bastaardkikker
Gewone pad
Rosse woelmuis
Bosmuis
Haas
Veldmuis
Bruine kikker Bunzing Dwergmuis
Hermelijn Huisspitsmuis Kleine watersalamander
Vos Wezel Woelrat
Dwergspitsmuis Egel
Konijn Meerkikker
(b) Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming genieten. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Voor werkzaamheden in Natura 2000gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist en binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden geldt een ontheffingsplicht. (c) Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten.
Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft: a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden;
4
d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.
Beoordeling (a) soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘Andere soorten’) geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie soortenbescherming). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. soorten waarvoor een ontheffingsplicht noodzakelijk is. Vaatplanten In de directe omgeving van de planlocatie is het voorkomen bekend van glad biggenkruid (NDFF 2010-2020). Glad biggenkruid groeit als pionier op zonnige, warme, open plaatsen op droge voedselarme gronden. Aangezien de planlocatie hoofdzakelijk verhard is en de tuinen van de panden volledig overwoekerd zijn is er geen sprake van functionele groeiplaatsen van glad biggenkruid. Gedurende het veldbezoek zijn geen beschermde planten en/of sporen hiervan aangetroffen. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante kruiden zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: braam, buxus, fluitenkruid, grote brandnetel, hortensia, Japanse duizendknoop en klimop.
Op de muren van de bebouwing is geen (beschermde) muurvegetatie aangetroffen. Op de planlocatie zijn verschillende bomen aanwezig zoals, coniferen en witte paardenkastanje. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende schrale grond of stikstofarme blauwe graslanden. De Japanse duizendknoop geldt als zeer invasief, wat inhoud dat deze zich zeer snel kan verspreiden en daarbij andere (planten-) soorten verdringt. Doordat de stengels en wortels van de plant zeer krachtig zijn, kunnen bouwwerken en infrastructuur zoals wegen en riolering worden beschadigd. Derhalve wordt geadviseerd om de plant te verwijderen alvorens de bouwwerkzaamheden van start gaan. Omdat de Japanse duizendknoop moeilijk te verwijderen is en bij een verkeerde aanpak verder verspreid kan worden, dient er een passend advies hierover te worden ingewonnen over de methode waarop de Japanse duizendknoop kan worden bestreden. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, waarmee negatieve effecten ten aanzien van beschermde vaatplanten derhalve kunnen worden uitgesloten.
Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is onder andere de aanwezigheid van de volgende soorten vastgesteld: bever, bosmuis, bruine rat, bunzing, dwergmuis, egel, haas, konijn, mol, ree, steenmarter, veldmuis, vos en wezel (NDFF 2010-2020). Voor de bever en steenmarter geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren.
5
De bever komt hoofdzakelijk voor in de uiterwaarden van (grote) rivieren met voldoende houtige begroeiing langs de oeverzone. Vanwege het ontbreken van functioneel leefgebied op de planlocatie is de aanwezigheid van de bever uitgesloten van de planlocatie. Het voorkeurshabitat van de steenmarter betreft een kleinschalig parklandschap. De soort wordt met name aangetroffen nabij steden, dorpen en boerderijen. Geschikte leefgebieden bestaan voornamelijk uit kleinschalige landbouw met oude schuren, heggen en geriefhoutbosjes. Gezien de grote hoeveelheid bestrating rondom de planlocatie en de ontoegankelijkheid van bebouwing is er geen sprake van functioneel leefgebied van de steenmarter. Verder is de aanwezigheid van steenmarter zeer duidelijk door gekras op het dak, geuroverlast en prooiresten. Vanwege ontbreken van meldingen en voorgenoemde argumenten is de aanwezigheid van steenmarter uitgesloten van de planlocatie. Gelet op het gebruik van de locatie en de afwezigheid van gunstige migratieroutes in de directe omgeving van de locatie is het aannemelijk dat soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde Andere soorten niet op de locatie voorkomen. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel, konijn, mol en veldmuis.
Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Verordening uitvoering Wet natuurbescherming van de provincie vallen (zie Wnb art 3.10). Effecten op beschermde zoogdieren zijn uitgesloten. Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van onder andere: gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis (NDFF 2010-2020). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd. Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocument, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). Op de planlocatie zijn alle bomen geïnspecteerd op de aanwezigheid van boomholten welke kunnen dienen als rust- en/of verblijfplaats.
In de bomen op de planlocatie zijn tot zover zichtbaar vanaf de grond geen holtes waargenomen, verder zijn de bomen zeer dicht begroeid waardoor er geen vrije aanvliegroute bestaat. Derhalve zijn vaste rust- en/of verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen uitgesloten. De te saneren bebouwing is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen. Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, ontbrekende/scheefliggende dakpannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur waar ze een verblijfplaats zouden kunnen vinden. Zo’n verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden. De bebouwing op de planlocatie bestaat uit gemetselde muren met open luchtspouw met deels platte daken en deels hellende daken. De muren van de bebouwing bevatten open stootvoegen welke toegang kunnen bieden tot de open luchtspouw. De dakranden bevatten op verschillende plekken boeiboorden. Deze boeiboorden zijn op verschillende plaatsen rot waardoor er toegang geboden wordt tot de dakruimte.
Verder bevat de bebouwing kierende daklijsten waar toegang tot de dakruimte verleend kan worden (figuur 4).
6
Figuur 4
De kierende daklijsten, open stootvoegen en rotte boeiboorden van de bebouwing op de planlocatie.
Voorgenoemde argumenten maken dat het niet uit te sluiten is dat er vleermuisverblijfplaatsen aanwezig zijn in de bebouwing. De aan- dan wel afwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen dient vastgesteld te worden middels aanvullend onderzoek. Dit dient plaats te vinden middels 5 veldbezoeken in de periode april-september (zie Vervolgstappen). Aangezien de bebouwing over enkel twee bouwlagen bestaat is de potentie voor (massa)winterverblijfplaatsen door een beperkt thermisch buffer uit te sluiten. Naast de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als vaste rust- en/of verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. Aangezien de planlocatie geen opgaande vegetatie of bomenlanen bevat is uit te sluiten dat er sprake is van essentieel foerageergebied of vliegroute. In de luwte van bebouwing kunnen vliegbewegingen en foerageeractiviteiten van vleermuizen plaatsvinden. Hierbij kan sprake zijn van tijdelijke verstoring van vleermuizen ten gevolge van werkzaamheden of lichtgebruik. Vleermuizen jagen op insecten waarbij ze opportunistisch gebruik maken van een groot netwerk aan jachtgebieden. De omvang en het gebruik van een gebied alsmede de jachttechniek en prooien verschillen per soort.
Gedurende het foerageren verspreiden vleermuizen zich diffuus over het landschap waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van bosranden, bomenlanen, oeverzones of andere structuurrijke zones. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens en na de beoogde ontwikkeling dient bij voorkeur geen verlichting te worden toegepast. Bij voorkeur de werkzaamheden uitvoeren tussen zonsopkomst en zonsondergang. Mocht verlichting noodzakelijk zijn wordt vleermuisvriendelijke verlichting geadviseerd. Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en meerkikker (NDFF 2010-2020). Voor geen van deze soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming of dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën aangetroffen op de planlocatie. De planlocatie is verhard en wordt intensief gebruikt, waardoor veel verstoringen optreden.
In het kader van de beoogde ontwikkelingen dient een sloot ten noordwesten van het pand aan de Dorpsdijk 40a gedempt te worden. Deze sloot is aan weerszijden beschoeid en is derhalve niet uittreedbaar voor amfibieën (figuur 5).
7
Figuur 5
Sloot aan de noordzijde van de Dorpsdijk 40a te Rhoon met beschoeiing aan beide kanten.
Bij het dempen van de sloot dienen, in het kader van de Algemene zorgplicht, maatregelen te worden getroffen om het onnodig verwonden of doden van vissen of amfibieën te voorkomen Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen (zie Wet natuurbescherming). Negatieve effecten op beschermde amfibieën zijn derhalve uitgesloten. Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van reptielensoorten niet bekend (NDFF 20102020). Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. Gezien de afwezigheid van structuurrijke biotopen en de hoge mate van menselijke verstoring is het voorkomen van beschermde reptielen binnen het plangebied uitgesloten. Negatieve effecten op beschermde reptielen zijn derhalve uitgesloten. Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde vissoorten niet bekend (NDFF 2010-2020).
De te dempen sloot is niet aangesloten op verdere watergangen, is zeer ondiep en de waterkwaliteit wordt laag geacht vanwege de vele bladinval. Derhalve zijn negatieve effecten op (beschermde) vissen zijn uitgesloten. Bij het dempen van de sloot dienen, in het kader van de Algemene zorgplicht, maatregelen te worden getroffen om het onnodig verwonden of doden van vissen of amfibieën te voorkomen. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de grote vos en de gevlekte witsnuitlibel (NDFF 2010-2020). De grote vos komt voor in aaneengesloten bosgebieden en leeft rondom de boomtoppen. Aangezien de planlocatie niet ligt in (of grenst aan) bosgebied is er geen sprake van functioneel leefgebied van de grote vos. Derhalve is de aanwezigheid van de soort op de planlocatie uitgesloten. De gevlekte witsnuitlibel komt vooral voor in laagveenmoerassen en vegetatierijke vennen en duinplassen. Aangezien deze habitattypen op de planlocatie niet aanwezig zijn is er geen sprake van functioneel leefgebied. Derhalve is de aanwezigheid van deze soort uitgesloten van de planlocatie. Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant
8
vormen. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: gierzwaluw, halsbandparkiet, kleine mantelmeeuw, koolmees, pimpelmees en zilvermeeuw. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) De huismus broedt vrijwel altijd bij menselijke bebouwing en bouwt zijn nesten onder dakpannen, onder golfplaten, kieren/gaten in de muur en in spantconstructies. Vanuit de nestlocatie en/of vanaf een uitzichtpunt moet de huismus zijn omgeving kunnen zien. Hierbij moet er in de directe omgeving continu voedsel te vinden zijn in de vorm van zaden van grassen en onkruiden en larven van insecten. Daarnaast moet er beschutting nabij de foerageerlocaties, voldoende jaarrond groene struiken of heesters, plaatsen met stof en grind voor stofbaden en water voor waterbaden aanwezig zijn (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). Het pand aan de Dorpsstraat 40 heeft een plat bitumen dak waar geen geschikte nestlocaties van huismus aanwezig zijn. Het pand aan de Dorpsstraat 40a heeft deels dakpannen daken.
De dakpannen sluiten deels nauw aan op de goot, echter zijn er overige plaatsen waar wel toegang aanwezig is tot de ruimte onder de dakpannen. Tijdens het veldbezoek is het dak betreden en is zichtbaar geworden dat de dakpannen nauw aansluiten op de goot maar dat er verder voldoende plaats is om toe te treden tot de dakruimte (figuur 6).
Figuur 6
Visuele ondersteuning van het nauw aansluiten van de dakpannen op de goot (L) en rood omcirkeld dat er overige plaatsen zijn waar toegang tot de dakruimte verleend wordt (R).
Vanwege de onzekerheid dat de dakpannen overal nauw aansluiten op de goot en de overige mogelijke toegangspunten tot de dakruimte zijn nestlocaties van de huismus niet uit te sluiten. Derhalve dient aanvullend onderzoek uit gevoerd te worden om de aan- of afwezigheid vast te stellen (zie vervolgstappen). De beoogde ontwikkeling leidt tot zeer beperkte aantasting van groene delen en resulteert niet in afname van essentieel leefgebied. De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). De soort is vaak te vinden in woonwijken en is vrij zeldzaam in landelijk gebied. Het gebouw aan de Dorpsstraat 40 heeft een plat bitumen dak en geen geschikte gaten en/of kieren in de muren waardoor gierzwaluwnesten niet mogelijk zijn. Het gebouw aan de Dorpsstraat 40a heeft deels hellende pannendaken met overhangende kantpannen. Deze kantpannen sluiten echter nauw aan op de aluminium daklijst (figuur 7). Door het nauw aansluiten op de daklijst is er onvoldoende ruimte aanwezig waardoor er voor gierzwaluwen geen nestgelegenheid aanwezig is. Hierdoor kan de aanwezigheid van gierzwaluw op de planlocatie uitgesloten worden.
9
Figuur 7
Visuele ondersteuning van het nauw aansluiten van de kantpannen op de aluminium daklijst.
In de bebouwing zijn geen sporen van uilen met jaarrond beschermde nesten (kerkuil en steenuil) aangetroffen. Op en rondom de planlocatie is geen sprake van functioneel leefgebied van uilen. Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. Op de planlocatie is geen sprake van functioneel leefgebied van roofvogel- en uilensoorten. Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode en bij ecologisch zwaarwegende redenen) De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie.
Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.
10
Beoordeling (b) gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van circa 1,8 km ligt het Natura 2000gebied ‘Oude Maas’ (figuur 8). Op een afstand van circa 5 m ligt het Natuurnetwerk Nederland (figuur 9). Op een afstand van circa 8,3 km ligt het dichtstbijzijnde Belangrijk weidevogelgebied (figuur 10). Op een afstand van circa 17,7 km ligt het dichtstbijzijnde gebied wat valt onder de ‘Strategische reservering natuur’ (figuur 10). Er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig op de planlocatie die weggenomen worden ten gevolge van de beoogde ingreep.
11
Figuur 8
De planlocatie ligt op een afstand van circa 1,8 km tot het Natura 2000-gebied ‘Oude Maas’ (bron: pzh.maps.arcgis.com).
Figuur 9
De planlocatie ligt op een afstand van circa 5 m tot het Natuurnetwerk Nederland / Brabant / Gelders Natuurnetwerk (bron: pzh.maps.arcgis.com).
Figuur 10 De planlocatie ligt op een afstand van circa 8,3 km tot een Belangrijk weidevogelgebied en circa 17,7 km tot een gebied dat valt onder de ‘Strategische reservering natuur’ (bron: pzh.maps.arcgis.com). Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een beschermd gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Blom Ecologie B.V. adviseert om projecten die kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden te beoordelen middels de AERIUS Calculator. Doel daarvan is vast te stellen of significante effecten kunnen worden uitgesloten. In sommige gevallen kan op voorhand negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie worden uitgesloten, wegens de grote afstand tot stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden, een afname in stikstofemissie of een beperkte ingreep. De beoogde ontwikkeling betreft het saneren van de bebouwing ter realisatie van nieuwe woongelegenheid.
Ten opzichte de huidige situatie leidt de beoogde ingreep tot een toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben. Gedurende de aanlegfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en transportbewegingen (het ‘projecteffect’). Gezien er een geringe afstand (1,8 km) is tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied ‘Oude Maas’, en de beoogde ontwikkeling van aanzienlijke formaat is, wordt geadviseerd om een berekening met de AERIUS Calculator uit te voeren. Hiermee kan inzichtelijk gemaakt worden of er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen van Natura 2000-gebieden.
Beoordeling (c) houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien aan (i) zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer of (ii) een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Een meldingsplicht in het kader van Wnb is niet noodzakelijk. Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten echter vaak een eigen beleid omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en struiken. Dit is vaak opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.
12
Conclusies Samenvatting (a) Soortenbescherming Er dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar huismussen en vleermuizen. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. (b) Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland, een Belangrijk weidevogelgebied of de Strategische reservering natuur en er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie dienen de effecten van stikstofemissie inzichtelijk gemaakt te worden. Dit kan middels de AERIUS Calculator. (c) Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.
+
-
-
-
-
-
-
-
n
n
n
n
+
+
n
j
Geschikt habitat Habitatrichtlijnsoort
-
-
Geschikt habitat Andere soort
-
-
Soortspecifiek onderzoek noodzakelijk
n
n
Gebiedsbescherming
afstand
effecten
nader onderzoek
Natura 2000
1,8 km
stikstof
AERIUS
Natuurnetwerk Nederland
5m
geen
n.v.t.
Belangrijk weidevogelgebied
8,3 km
geen
n.v.t.
Strategische reservering natuur
17,7 km
geen
n.v.t.
Houtopstanden
aanwezig
kap
melding
Struiken
ja
ja
n.v.t.
Bomen
ja
ja
n.v.t.
j
-
broedvogels (j)
Geschikt habitat Vogelrichtlijnsoort
broedvogels (a)
vissen
reptielen
amfibieën
insecten en ongewervelden
Soortenbescherming - = ongeschikt + = geschikt n (nee)/ j (ja)/ m (maatregelen)
vaatplanten
Legenda
vleermuizen
Overzicht van het plangebied voor beschermde flora en fauna en ook de verwachtte effecten naar aanleiding van de beoogde ingrepen en de eventueel daarop te nemen vervolgstap. (a) algemene broedvogel en cat. 5 soorten, (j) jaarrond beschermde nesten, cat. 1 t/m 4 soorten.
grondgebonden zoogdieren
Tabel 2
Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wnb. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient met aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de te slopen bebouwing een relevante functie heeft voor huismussen en vleermuizen (soortenbescherming). Indien deze soorten gebruik maken van de planlocatie zal bevoegd gezag onder voorwaarden een ontheffing verlenen van de verbodsbepalingen Wet nb art 3.1, lid 2 en 4 alsmede Wet nb art. 3.5, lid 2 en 4. De voorwaarden betreffen: er is geen andere bevredigende oplossing, er is sprake van een wettelijk belang (vleermuizen: er is sprake van een reden van sociale of economische aard, huismus: er zijn belangen vanuit volksgezondheid -klimaatsverandering- aan te voeren) en er wordt geen afbreuk gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort (een robuust en ruim maatregelenpakket van tijdelijke en permanente voorzieningen wordt hiertoe voorgesteld en uitgevoerd).
13
Gezien het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden. Conclusie De ontwikkeling aan de Dorpsdijk 40 en 40a te Rhoon is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).
Vervolgstappen • Voor de beoogde ontwikkeling dient aanvullend onderzoek naar huismus uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar huismus wordt uitgevoerd middels twee gerichte veldbezoeken in de periode 1 april t/m 15 mei of middels vier gerichte veldbezoeken in de periode 10 maart t/m 20 juni. Een technische inspectie wordt uitgevoerd middels het lichten van dakpannen en inventariseren van nestlocaties buiten het broedseizoen, tussen 15 september en 1 maart. Bij een technische inspectie bestaat er de kans dat oude nesten ook meegenomen worden. • Voor de beoogde ontwikkeling dient aanvullend onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar vleermuizen wordt uitgevoerd middels vijf gerichte veldbezoeken in de periode 15 april t/m 30 september. De planlocatie heeft potentie voor zomer-, kraam- en paarverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis. • Voor de beoogde ontwikkeling dient rekenkundig inzichtelijk te worden gemaakt of er sprake is van een verhoging van stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen van Natura 2000-gebieden. Dit kan middels de AERIUS calculator.
Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a.
op aanwijzing van deskundige. Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.
14
Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Diepenbeek, A., 1999. Veldgids Diersporen. KNNV Uitgeverij 5e druk 2015, Zeist. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht.
Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.ndff.nl www.pzh.maps.arcgis.com www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdiervereniging.nl
15
We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen. Met vriendelijke groet,
Blom Ecologie B.V., M.A. Brinkbaumer Auteur
Blom Ecologie B.V., ir. T.W.D. Schrader Collegiale toets
Bijlage 1 Fotografische impressie Bijlage 2 Vervolgstappen Wet natuurbescherming
© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46A - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.
16
Bijlage 1 Fotografische impressie
17
Figuur 1
De planlocatie is gelegen aan de Dorpsdijk 40 en 40a te Rhoon en bestaat uit twee gebouwen opgetrokken uit gemetselde muren met deels plat dak en deels hellend dak.
Figuur 2
De bebouwing heeft hoofdzakelijk plat bitumen daken.
18
Figuur 3
De tuinen van de planlocatie zijn grotendeels overwoekerd door braamstruiken.
Figuur 4
Op de planlocatie is voldoende jaarrond groen aanwezig om voor huismussen als foerageergebied te functioneren
Bijlage 2 Vervolgstappen Wet natuurbescherming Als uit het oriënterend onderzoek is gebleken dat effecten op beschermde soorten naar aanleiding van de beoogde ingreep niet uitgesloten zijn, dient een vervolgonderzoek te worden uitgevoerd. Uit dit vervolgonderzoek blijkt of desbetreffende soort aanwezig is en welke functie de planlocatie al dan niet heeft voor de soort. Met onderstaand stappenplan, overgenomen uit ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’ van het Ministerie van Economische Zaken, wordt inzichtelijk gemaakt welke consequenties dit heeft voor het project.
19
Stap 4b. Is er sprake van een wettelijk belang? Vogelrichtlijnsoort In het kader van de Vogelrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.3, lid 4b).
Habitatrichtlijnsoort In het kader van de Habitatrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.8, lid 5b).
20
Andere soort Ten aanzien van Andere soorten zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.10, lid 2).
21
Bijlage 3 Nader onderzoek huismus, gierzwaluw en vleermuizen Dorpstraat 40/40a Rhoon, Buijs Eco Consult B.V., 23 augustus 2021
Nader onderzoek huismus, gierzwaluw en vleermuizen Dorpstraat 40/40A Rhoon
Projectnummer 202107 23 augustus 2021
Auteur ing. R.J. Buijs
Opdrachtgever H. Blokland Jupiterstraat 70 3371 TE Hardinxveld Giessendam
Buijs Eco Consult B.V., adviseurs ecologie
Projectnummer 202107 23 augustus 2021
Nader onderzoek Dorpstraat 40/40A Rhoon H. Blokland
Inhoudsopgave 1
INLEIDING ..................................................................................................................... 3
2
METHODE ..................................................................................................................... 4 2.1 2.2 2.3 2.4
3
RESULTATEN VELDONDERZOEKEN ........................................................................ 12 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7
4
ONDERZOEK............................................................................................................ 4 WERKWIJZE ............................................................................................................ 4 VELDBEZOEKEN EN OMSTANDIGHEDEN ..................................................................... 5 AANPAK EN ONDERZOCHTE FUNCTIES ....................................................................... 5 BESCHRIJVING WAARNEMINGEN VLEERMUIZEN ........................................................ 12 WAARGENOMEN FUNCTIES VLEERMUIZEN................................................................ 12 WAARNEMINGEN PER VLEERMUISSOORT ................................................................. 13 AANWEZIGHEID HUISMUS ....................................................................................... 15 AANWEZIGHEID GIERZWALUW ................................................................................. 15 AANWEZIGHEID OVERIGE SOORTEN......................................................................... 15 MITIGATIE/COMPENSATIE ....................................................................................... 16
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ......................................................................... 17
LITERATUUR ...................................................................................................................... 18 BIJLAGE 1
WETTELIJK KADER ..................................................................................... 19
BIJLAGE 2
QUICKSCAN ECOLOGIE (EXTERNE BIJLAGE) .......................................... 22
Buijs Eco Consult B.V., adviseurs ecologie
2
Projectnummer 202107 23 augustus 2021
Nader onderzoek Dorpstraat 40/40A Rhoon H. Blokland
1 Inleiding Naar aanleiding van de voorgenomen herontwikkeling, (rooien tuin en amoveren bestaande bebouwing) is in 2020 een quickscan uitgevoerd door Blom Ecologie en Onderzoek (zie bijlage 2) op Dorpstraat 40/40A (zie figuur 1.1). Uit deze quickscan blijkt dat er geen bedenkingen zijn ten aanzien van gebiedsbescherming maar dat er wel aanvullend onderzoek noodzakelijk is naar: • • •
Huismus Gierzwaluw Vleermuizen (gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger)
Buijs Eco Consult heeft in opdracht van H. Blokland aanvullend onderzoek uitgevoerd naar bovengenoemde soorten.
Figuur 1.1. Ligging van de onderzochte bestaande locatie (bron Blom Ecologie, 2020)
Leeswijzer In hoofdstuk 2 is de methode van onderzoek en werkwijze toegelicht. In hoofdstuk 3 zijn de resultaten van de veldbezoeken uitgewerkt en is de noodzakelijke maatregelen beschreven. In hoofdstuk 4 zijn de conclusies en aanbevelingen opgenomen.
Buijs Eco Consult B.V., adviseurs ecologie
3
Projectnummer 202107 23 augustus 2021
Nader onderzoek Dorpstraat 40/40A Rhoon H. Blokland
2 Methode 2.1
Onderzoek
Het terrein is op verschillende datums bezocht (zie tabel 1). Er is gebruik gemaakt van de batdetectoren Pettersson D240x, D230 Echometer (Touch 2 pro) en een of twee Songmeters SM4 BAT met GPS-logger. Opgenomen geluiden zijn geanalyseerd met de programma’s BatSound en Kaleidoscope. Er is iedere ronde geïnventariseerd met minimaal twee (en soms 3-4) ter zake deskundige waarnemers, door N. Huig, H.A. Keijser, S.J.M.P. Halters en/of R.J. Buijs van Buijs Eco Consult B.V. zodat alle uitvliegopeningen van de te amoveren bebouwing goed te overzien waren. Voor een goed overzicht is bij alle bezoeken ook het platdak betreden zodat ook de binnentuinen goed te overzien waren. Hierbij is gewerkt volgens het vleermuisprotocol 2021 en de kennisdocumenten huismuis en gierzwaluw.
2.2
Werkwijze
Vleermuizen Tijdens de bezoeken is eveneens gebruik gemaakt van een warmtebeeldcamera (FLIR E6/ Pulsar Helion XP50) en een krachtige zaklamp (Feniks) om aanwezige vleermuizen in hun bewegingen te kunnen volgen. De veldbezoeken voor vleermuizen zijn merendeels uitgevoerd vanaf zonsondergang. Het bezoek op 2 juni en 30 juni is uitgevoerd vanaf 2 uur voor zonsopkomst tot zonsopkomst. Bij alle bezoeken is verder gezocht naar sporen van vleermuisactiviteit (keutels e.d. nabij mogelijke in- en uitvliegopeningen), deze zijn niet waargenomen. Tijdens het ochtendbezoek en tijdens de najaarsbezoeken zijn aanvullend geluidsopnamen gemaakt met vleermuisloggers SM4Bat FS om sociale geluiden met hun jongen danwel baltsgeluiden van vleermuizen achteraf te kunnen analyseren. In de nacht van 4 september is middennacht zwermen beoordeeld. Tijdens deze veldbezoeken is tevens gelet op de aanwezigheid van overige soorten flora en fauna Vogels Voor huismus en gierzwaluw zijn extra bezoeken gepland 2 uur voor zonsondergang en zijn extra bezoeken gebracht de overige bezoeken zijn gecombineerd met het vleermuisonderzoek (2 uur voor zonsondergang tot zonsondergang). Overige bezoeken zijn gecombineerd met het vleermuisonderzoek.
Buijs Eco Consult B.V., adviseurs ecologie
4
Projectnummer 202107 23 augustus 2021
2.3
Nader onderzoek Dorpstraat 40/40A Rhoon H. Blokland
Veldbezoeken en omstandigheden
Tabel 2.1. Overzicht met bezoekdata, tijden en weersomstandigheden
Datum 4 september 2020 15 september 2020 24 september 2020 6 april 2021 6 mei 2021 16 mei 2021 28 mei 2021 2 juni 2021 23 juni 2021 30 juni 2021 14 juli 2021
2.4
Aanvangstijd 20.00 19.30 19.30 07.00 18.15 19.00 18.15 03.30 19.30 03.25 21.30
Eindtijd 02.00 23.30 23.45 10.05 20.30 23.15 00.35 05.35 00.07 05.30 23.35
Weer 20 °C, wind 2 Bft O, bewolkingsgraad 4/8 22 °C, wind 2 Bft NW, bewolkingsgraad 4/8 14 °C, wind 4 Bft N, bewolkingsgraad 6/8 8 °C, wind 4 Bft ZO, bewolkingsgraad 7/8 12 °C, wind 2 Bft O, bewolkingsgraad 6/8 13 °C, wind 3 Bft NO, bewolkingsgraad 7/8 14 °C, wind 2 Bft ZW, bewolkingsgraad 6/8 23 °C, wind 2 Bft W, bewolkingsgraad 3/8 16 °C, wind 2 Bft Z, bewolkingsgraad 8/8 17 °C, wind 2 Bft Z0, bewolkingsgraad 8/8 17 °C, wind 3 Bft ZO bewolkingsgraad 93/8
Aanpak en onderzochte functies
Per bezoek is grotendeels rondom de te slopen pand gelopen. Omdat het niet helemaal mogelijk was rondom te lopen is bij ieder bezoek ook het dak betreden zodat er op alles gevels goed zicht was. Het plat dak gaf bovendien een goed zicht op de binnenplaatsen. Op locatie is gekeken naar alle typen vleermuisverblijfplaatsen (zomer- en kraamverblijfplaatsen in de voorjaarsperiode en paarverblijfplaatsen in de najaaarsperiode, hiermee zijn winterverblijven in warme perioden ook meegenomen. Voor de in paragraaf 2.1 aangegeven mogelijk aanwezige soorten. Zie figuur 2.1 t/m 2.8 voor impressie plangebied. Daarnaast is tevens gekeken naar aanwezigheid van essentiële vliegroutes en/of essentieel foerageergebied binnen het plangebied, voor de in het onderzoek aangegeven (en op locatie potentieel te verwachten soorten). In paragraaf 3.2 is per functie verwoord of deze waargenomen zijn of niet.
Buijs Eco Consult B.V., adviseurs ecologie
5
Projectnummer 202107 23 augustus 2021
Nader onderzoek Dorpstraat 40/40A Rhoon H. Blokland
Figuur 2.1: Impressie plangebied
Buijs Eco Consult B.V., adviseurs ecologie
6
Projectnummer 202107 23 augustus 2021
Nader onderzoek Dorpstraat 40/40A Rhoon H. Blokland
Figuur 2.2: Impressie plangebied
Figuur 2.3: Impressie plangebied
Buijs Eco Consult B.V., adviseurs ecologie
7
Projectnummer 202107 23 augustus 2021
Nader onderzoek Dorpstraat 40/40A Rhoon H. Blokland
Figuur 2.4: Impressie plangebied
Figuur 2.5: Impressie plangebied
Buijs Eco Consult B.V., adviseurs ecologie
8