CConstaterende datAlbrandswaard
Koppel je AI →
Document · PDF

64. 2025-023770 Raadsvoorstel Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025 AW.pdf

Gemeenteraad AW 22 april 2025, gemeente AlbrandswaardBij agendapunt: 5: Ingekomen stukken31.192 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

bij verhuizing naar een in de eerste of tweede fase aangeboden zelfstandige woonruimte, tenzij het college van burgemeester en wethouders besluiten dat het aan de urgentie ten grondslag liggende huisvestingsprobleem niet opgelost is.

17

Artikel 3.2.2. Inhoud van de urgentieverklaring 1. Het college van burgemeester en wethouders vermeldt in de urgentieverklaring in ieder geval: a. de naam van de houder of namen van de houders van de urgentieverklaring; b. het zoekprofiel, met daarin een omschrijving van het woonruimtetype en het zoekgebied waarvoor de urgentieverklaring voorrang geeft bij het verlenen van huisvestingsvergunningen; c. de voorkeursurgentieregio; en d. de bemiddelingsmodellen waarbij de urgentieverklaring voorrang geeft bij het verlenen van huisvestingsvergunningen. 2. Indien van toepassing vermeldt het college van burgemeester en wethouders in de urgentieverklaring eveneens: a. de eventueel aan de urgentieverklaringen verbonden voorwaarden en verplichtingen; b. de in artikel 3.4.7 bedoelde uitverhuisdatum; en c. de bemiddelingsmodellen bij de toepassing waarvan de urgentieverklaring geen voorrang geeft bij het verlenen van huisvestingsvergunningen. 3. Het in het zoekprofiel op te nemen zoekgebied omvat de gehele regio. 4. In afwijking van het bepaalde in het derde lid kan het in het zoekprofiel op te nemen zoekgebied slechts één regiogemeente omvatten, wanneer dat naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders noodzakelijk is om het huisvestingsprobleem op te lossen. 5. In de urgentieverklaring kan worden bepaald dat de houder van de urgentieverklaring: a.

niet zelf via het aanbodinstrument naar woonruimte mag zoeken; b. bij bepaalde in artikel 2.2.6 bedoelde categorieën woonruimte niet vanwege de urgentieverklaring voorrang heeft bij de verlening van een huisvestingsvergunning; c. op verzoek van het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden dient te verstrekken waarmee het college van burgemeester en wethouders kan beoordelen of de urgentieverklaring gewijzigd of ingetrokken dient te worden. Artikel 3.2.3. Het woonruimtetype 1. In het zoekprofiel wordt het woonruimtetype bepaald dat nodig is voor de oplossing van het huisvestingsprobleem. 2. Het woonruimtetype wordt zodanig bepaald dat: a. de houder met de urgentieverklaring geen wooncarrière kan maken, tenzij het maken van wooncarrière uitsluitend het gevolg is van het afhankelijk zijn van een woonruimtetype dat noodzakelijk is voor het oplossen van het urgente huisvestingsprobleem; en b. het geen eengezinswoningen of benedenwoningen omvat, tenzij dat naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders gelet op bijzondere omstandigheden noodzakelijk is. 3. Het woonruimtetype in het zoekprofiel omvat tenminste de volgende elementen: a. het slaapkameraantal; b. de typering van de woonruimte; c. de huurprijs die passend wordt geacht voor het huishoudinkomen van aanvrager.

18

4. Het zoekprofiel kan de omschrijving van een tweede woonruimtetype bevatten indien dat naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders gelet op de toepasselijke urgentiecategorie of de samenstelling van de woonruimtevoorraad noodzakelijk is voor het oplossen van het urgente huisvestingsprobleem van de houder van de urgentieverklaring. 5. Het in het vorige lid bedoelde tweede woonruimtetype geeft enkel voorrang bij het verlenen van huisvestingsvergunningen: a. gedurende de tweede fase van de urgentie; en b. indien de woonruimte die voldoet aan het tweede in de urgentieverklaring omschreven woonruimtetype, gelegen is in de gemeente van het college van burgemeester en wethouders dat de urgentieverklaring heeft afgegeven. 6. Onder wooncarrière wordt in dit artikel verstaan: het verhuizen naar een type woonruimte dat naar algemeen gangbare maatschappelijke maatstaven als gewilder wordt beschouwd dan de woonruimte die achtergelaten wordt. Artikel 3.2.4. Slaapkameraantal 1. Het in het woonruimtetype op te nemen slaapkameraantal wordt overeenkomstig de onderstaande tabel bepaald aan de hand van de grootte en samenstelling van het huishouden van de houder van de urgentieverklaring. Aantal personen dat deel uitmaakt van het huishouden

Nadere beschrijving van de samenstelling van het huishouden

Aantal slaapkamers

1

-

0 tot en met 2

2

2 volwassenen

1 tot en met 2

2

1 ouder en kind

2

3

2 ouders en kind

2

3

1 ouder en 2 kinderen

2 tot 3

4

2 ouders en 2 kinderen

2 tot 3

4

1 ouder en 3 kinderen

3 tot en met 4

5

2 ouders en 3 kinderen

3 tot en met 4

5

1 ouder en 4 kinderen

4 of meer

6 of meer

-

4 of meer

2. Onder ‘ouder’ als bedoeld in het vorige lid wordt mede verstaan, gelet op de zorg voor het inwonende kind of de inwonende kinderen, daaraan gelijk te stellen persoon zoals voogd, pleeg- of stiefouder. Paragraaf 3.3. Zoeken door en bemiddeling van de houder van de urgentieverklaring Artikel 3.3.1. Direct starten van de tweede fase van de urgentie

19

1. In de urgentieverklaring kan in de volgende gevallen worden bepaald dat de tweede fase van de urgentie in afwijking van het bepaalde in de vorige leden direct na verlening van de urgentieverklaring start: a. de urgentieverklaring wordt verleend voor indeling in de urgentiecategorie ‘uitstroom naar zelfstandig wonen’ voor zover het betreft een woningzoekende als bedoeld in artikel 3.4.3, tweede lid, onder a, b of c; b. de houder van de urgentieverklaring of een lid van zijn huishouden is naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders in zodanige mate afhankelijk zijn van zorg-, onderwijs- of dagbestedingsinstellingen dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd dat aanvrager buiten de huidige woonplaats of kern gaat wonen, terwijl gelet op de samenstelling en mutatiegraad van de woonruimtevoorraad in die woonplaats of kern redelijkerwijs verwacht moet worden dat de houder van de urgentieverklaring niet gedurende de eerste fase van de urgentie zelf woonruimte overeenkomstig het in de urgentieverklaring voor de eerste fase op te nemen zoekprofiel zou kunnen vinden; c. overeenkomstig artikel 3.2.2, vijfde lid, is in de urgentieverklaring bepaald dat de houder van de urgentieverklaring niet zelf via het aanbodinstrument naar woonruimte mag zoeken. 2.

Indien toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in het eerste lid, onder b, wordt in het zoekprofiel van de urgentieverklaring als zoekgebied opgenomen de gemeente waartoe de in het derde lid, onder b, bedoelde kern behoort. Artikel 3.3.2. Zelf zoeken door de houder van de urgentieverklaring 1. De houder van de urgentieverklaring doet al hetgeen redelijkerwijs van hem gevergd kan worden om het aan de verlening van de urgentieverklaring ten grondslag liggende huisvestingsprobleem op te lossen. 2. Gedurende de beide fasen van de urgentie: a. zoekt de houder van de urgentieverklaring zelf via het aanbodinstrument naar woonruimte; b. geeft houder van de urgentieverklaring een reactie op woonruimte die via het aanbodinstrument wordt aangeboden, voor zover de woonruimte voldoet aan het in de urgentieverklaring omschreven woonruimtetype. 3. Het vorige lid is niet van toepassing als toepassing van artikel 3.2.2, vijfde lid, in de urgentieverklaring is bepaald dat de houder van de urgentieverklaring niet zelf via het aanbodinstrument naar woonruimte kan zoeken. Artikel 3.3.3. Bemiddelen van de houder van de urgentieverklaring 1. Gedurende de tweede fase van de urgentie dragen de in de regio werkzame corporaties in gezamenlijkheid verantwoordelijkheid voor het aanbieden van woonruimte aan de houder van de urgentieverklaring. 2.

Gedurende de tweede fase van de urgentie krijgt de houder van de urgentieverklaring van tenminste één van de in de regio werkzame corporaties een direct aanbod van een woonruimte die voldoet elk van de volgende eigenschappen: a. de woonruimte is gelegen in de in de urgentieverklaring vermelde voorkeursurgentieregio; b. de woonruimte behoort tot een in de urgentieverklaring omschreven woonruimtetype.

20

3. Indien de urgentieverklaring verleend is door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, geldt als de in het vorige lid, onder a, bedoelde voorkeursurgentieregio: a. de urgentieregio Noordoever, indien in de urgentieverklaring één van de volgende urgentieregio’s als voorkeursurgentieregio is opgenomen: i. de urgentieregio Waterweg; ii. de urgentieregio Noord; iii. de urgentieregio Hart van Rotterdam; iv. de urgentieregio Oost; of v. de urgentieregio Noordoever. b. de urgentieregio Zuidoever, indien in de urgentieverklaring één van de volgende urgentieregio’s als voorkeursurgentieregio is opgenomen: i. de urgentieregio Zuidrand; ii. de urgentieregio Voorne-Putten; of iii. de urgentieregio Zuidoever. 4. Zodra de helft van de uitverhuisperiode is verstreken, doet een corporatie de houder van een urgentieverklaring, verleend voor indeling in de in artikel 3.4.7 bedoelde urgentiecategorie, een direct aanbod van woonruimte die gelegen is binnen het in de urgentieverklaring opgenomen zoekgebied en voldoet aan het in de urgentieverklaring opgenomen woonruimtetype. Paragraaf 3.4. De urgentiecategorieën Artikel 3.4.1. Mantelzorg Een woningzoekende die mantelzorg als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 verleent of ontvangt komt in aanmerking voor indeling in de urgentiecategorie ‘mantelzorg’ indien: a.

het college van burgemeester en wethouders de aanvraag niet met toepassing van artikel 3.1.3 afwijst; b. de mantelzorg in de drie maanden voorafgaande aan het moment van de aanvraag tenminste acht uur per week is verleend of ontvangen; c. de in onderdeel b bedoelde acht uur mantelzorg per week is verleend gedurende ten minste vier dagen per week, tenzij de medische problematiek zoals Alzheimer, schizofrenie of andere chronische psychische aandoeningen 24 uur per dag nabijheid vereisen en de hulp op onverwachte momenten wordt geboden; d. de mantelzorgsituatie naar verwachting nog minstens één jaar zal voortduren; e. de relatie tussen mantelzorgverlener en mantelzorgontvanger gebaseerd is op familiebanden of langdurige sociale omgang; f. de mantelzorgontvanger of mantelzorgverlener niet in een intramurale instelling woont; g. de mantelzorgverlener medisch, fysiek en psychisch in staat is mantelzorg te verlenen; h. het betrekken van een woonruimte in de regio de meest passende manier is om ervoor te zorgen dat de mantelzorgontvanger zelfstandig kan blijven wonen; en i. de mantelzorgverlener en mantelzorgontvanger op ten minste vijf kilometer afstand van elkaar wonen of de gemiddelde reistijd tussen mantelzorgverlener en mantelzorgontvanger tenminste een half uur bedraagt.

21

Artikel 3.4.2. Ernstige en chronische medische problematiek 1. Een woningzoekende komt in aanmerking voor indeling in de urgentiecategorie ‘ernstige en chronische medische problematiek’ indien: a. het college van burgemeester en wethouders de aanvraag om indeling in deze urgentiecategorie niet met toepassing van artikel 3.1.3 afwijst; b. de woningzoekende kampt met ernstige en chronische medische problematiek, waarbij de huidige woonsituatie levensontwrichtend is omdat de woningzoekende niet meer in staat is zelfstandig te functioneren in de huidige zelfstandige woonruimte, dan wel de behandeling van het probleem aantoonbaar in hoge mate ongunstig door de woonsituatie in de huidige zelfstandige woonruimte wordt beïnvloed; c. een andere zelfstandige woonruimte een substantieel deel van de oplossing voor het probleem van de woningzoekende vormt; en d.

de woningzoekende met ernstige en chronische problematiek van psychische aard op het moment van aanvraag ten minste twaalf maanden onder behandeling is of is geweest voor het betreffende medische probleem bij een specialistische, tweedelijns instelling als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet langdurige zorg voor geneeskundige geestelijke zorg of instelling voor geneeskundige zorg als bedoeld in artikel 10, onderdeel g, van de Zorgverzekeringswet in verband met zorg zoals psychiaters en klinisch-psychologen plegen te bieden, of vrijgevestigd psychiater in Nederland. 2. Bij indeling in de in het eerste lid bedoelde urgentiecategorie van een woningzoekende op grond van ernstige en chronische problematiek van psychische aard kan het college van burgemeester en wethouders de voorwaarde opleggen dat de woningzoekende of een lid van diens huishouden psychiatrische zorg of begeleiding aanvaardt en dat deze zorg aantoonbaar verleend wordt of gaat worden. De voorwaarde wordt dan in de urgentieverklaring vermeld. Artikel 3.4.3. Uitstroom naar zelfstandig wonen 1. Een woningzoekende komt voor indeling in de urgentiecategorie ‘uitstroom naar zelfstandig wonen’ in aanmerking indien: a. het college van burgemeester en wethouders de aanvraag om indeling in deze urgentiecategorie niet met toepassing van artikel 3.1.3 afwijst; en b.

de woningzoekende tot een van de in het volgende lid genoemde categorieën behoort. 2. Tot de in het vorige lid bedoelde categorieën behoren woningzoekenden: a. aan wie wegens dakloosheid een voorziening voor opvang als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 is verleend en deze opvang, geboden door een door het college van burgemeester en wethouders van een regiogemeente aangewezen instelling, verlaten; b. aan wie wegens huiselijk geweld of mensenhandel een voorziening voor opvang als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 is verleend en deze opvang verlaten; c. die een door het college van burgemeester en wethouders van een regiogemeente aangewezen voorziening voor beschermd wonen als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 verlaten;

22

d. die een door het college van burgemeester en wethouders van een regiogemeente aangewezen verblijf in een instelling als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet langdurige zorg verlaten waar zij geneeskundige geestelijke zorg ontvingen of woningzoekenden die in verband met geneeskundige zorg als bedoeld in artikel 10, onderdeel g, van de Zorgverzekeringswet in een instelling verbleven in verband met zorg zoals psychiaters en klinisch-psychologen plegen te bieden en deze verlaten; e. die een door het college van burgemeester en wethouders van een regiogemeente aangewezen accommodatie of gesloten accommodatie als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet verlaten; f. die een door het college van burgemeester en wethouders van een regiogemeente aangewezen instelling voor forensische zorg als bedoeld in artikel 1.1, onder f, van de Wet forensische zorg verlaten; g. die in een door het college van burgemeester en wethouders van een regiogemeente aangewezen opvangwoning verblijven van het Expertisecentrum Seksualiteit, Sekswerk en Mensenhandel van Stichting Humanitas. 3. Bij de indeling van de in het eerste lid bedoelde urgentiecategorie kan het college van burgemeester en wethouders één of meer van de volgende voorwaarden en beperkingen opleggen: a.

de woningzoekende ontvangt begeleiding van een instelling in de regio voor een door het college te bepalen duur, indien dit naar het oordeel van het college nodig is voor het zelfstandig wonen van de woningzoekende; b. de woningzoekende neemt de woonruimte in gebruik van een zorginstelling, indien dat naar het oordeel van het college nodig is voor het zelfstandig wonen van de woningzoekende; c. de indeling in de urgentiecategorie beperkt zich tot een woonruimte in een gebied met kenmerken die structureel bijdragen aan de deelname van de woningzoekende aan de maatschappij. Deze beperking maakt deel uit van het in het in de urgentieverklaring op te nemen zoekprofiel. 4. De in het vorige lid bedoelde voorwaarden en beperkingen worden in de urgentieverklaring vermeld. 5. Het college van burgemeester en wethouders wijst de in het tweede lid, onder a, c, d, e, f of g bedoelde accommodaties, gesloten accommodaties, voorzieningen en instellingen aan. Het college van burgemeester en wethouders actualiseert het aanwijzingsbesluit jaarlijks. Artikel 3.4.4. Onbewoonbaarheid Een woningzoekende komt voor indeling in de urgentiecategorie ‘onbewoonbaarheid’ in aanmerking indien: a. het college van burgemeester en wethouders de aanvraag om indeling in deze urgentiecategorie niet met toepassing van artikel 3.1.3 afwijst; b.

door aanvrager rechtmatig bewoonde zelfstandige woonruimte naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders feitelijk onbewoonbaar is als gevolg van een calamiteit; en c. de onder b. bedoelde woonruimte niet binnen drie maanden zodanig hersteld kan worden, dat bewoning weer redelijkerwijs mogelijk is. Artikel 3.4.5. Woonlasten

23

1. Een woningzoekende komt voor indeling in de urgentiecategorie ‘woonlasten’ in aanmerking indien: a. het college van burgemeester en wethouders de aanvraag om indeling in deze urgentiecategorie niet met toepassing van artikel 3.1.3 afwijst; b. de aanvrager op dit moment een zelfstandige woonruimte bewoont; en c. er zich één of meer van de in het volgende lid genoemde omstandigheden voordoet. 2. De in het vorige lid, onder c, bedoelde omstandigheden zijn: a. de woningzoekende moet voldoen aan een verhuisverplichting die ingevolge de Participatiewet in verband met de hoogte van de woonlasten aan de woningzoekende is opgelegd; b. de woonlasten van de woningzoekende zijn naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders onevenredig in relatie tot het inkomen van aanvrager of andere mogelijkheden van aanvrager en diens huishouden om in de woonlasten te voorzien. 3. Indien de in het vorige lid, onder b, genoemde omstandigheid het gevolg is echtscheiding of beëindiging van samenwoning: a. wordt de urgentieverklaring alleen aangevraagd door degene tot wiens huishouden de kinderen met een leeftijd tot 23 jaar behoren of gaan behoren; en b. toont de aanvrager door overlegging van bewijsstukken aan, dat sprake is van een de echtscheiding, beëindiging van samenwoning, of voornemen daartoe. 4.

Onder woonlasten als bedoeld in het tweede lid worden verstaan alle kosten die het bewonen van woonruimte met zich meebrengt en die naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders rechtstreeks veroorzaakt worden door het in eigendom hebben van woonruimte dan wel het huren van woonruimte. Artikel 3.4.6. Geweld en bedreiging 1. Een woningzoekende komt voor indeling in de urgentiecategorie ‘geweld en bedreiging’ in aanmerking indien: a. het college van burgemeester en wethouders de aanvraag om indeling in deze urgentiecategorie niet met toepassing van artikel 3.1.3 afwijst; en b. voldaan wordt aan elk van de in het volgende lid genoemde voorwaarden. 2. Aan de in het vorige lid bedoelde voorwaarden wordt voldaan indien: a. de aanvrager op het moment waarop de urgentieverklaring wordt aangevraagd, rechtmatig een in de regio gelegen zelfstandige woonruimte bewoont; b. ten aanzien van de aanvrager of één of meer leden van diens huishouden sprake is van ernstig psychisch of fysiek geweld, of bedreiging daarmee, ten gevolge waarvan de aanvrager redelijkerwijs niet langer in de zelfstandige woonruimte kan blijven wonen; en c. uit een schriftelijke verklaring van de politie blijkt dat de aanvrager in verband met de onder b. bedoelde problematiek om veiligheidsredenen niet meer in de zelfstandige woonruimte kan blijven wonen. Artikel 3.4.7.

Herhuisvesting bij sloop of ingrijpende verbetering 1. Een woningzoekende komt voor indeling in de urgentiecategorie ‘herhuisvesting bij sloop of ingrijpende verbetering’ in aanmerking indien:

24

a. het college van burgemeester en wethouders de aanvraag om indeling in deze urgentiecategorie niet met toepassing van artikel 3.1.3 afwijst; b. de aanvrager woonachtig is in een woonruimte die door het college van burgemeester en wethouders op grond van het tweede lid is aangewezen; en c. het aannemelijk is dat de onder b. woonruimte binnen 18 maanden gesloopt of ingrijpend gerenoveerd gaat worden. 2. Het college van burgemeester en wethouders kan woonruimte aanwijzen die in verband met een mede door het algemene of volkshuisvestelijk belang ingegeven object-, project of gebiedsgerichte aanpak gesloopt of ingrijpend gerenoveerd gaat worden. 3. Indien een urgentieverklaring verleend wordt voor indeling in de urgentiecategorie ‘herhuisvesting bij sloop of ingrijpende verbetering’, wordt in de urgentieverklaring de uitverhuisdatum opgenomen. 4. In de urgentieverklaring waarmee een woningzoekende wordt ingedeeld in de urgentiecategorie ‘herhuisvesting bij sloop of ingrijpende verbetering’: a. wordt in afwijking van het bepaalde in artikel 3.2.2, eerste lid, onder b, de urgentieregio waarin de te slopen of grijpend te renoveren woonruimte gelegen is, als urgentieregio en zoekgebied vermeld; en b. wordt in afwijking van het bepaalde in artikel 3.2.3, tweede lid, een woonruimtetype opgenomen dat gelijkwaardig is aan de te slopen of ingrijpend te renoveren woonruimte. 5.

In dit artikel wordt onder uitverhuisdatum verstaan: de datum waarop de houder van een urgentieverklaring zijn of haar huidige woonruimte gelet op de aanstaande sloop of ingrijpende renovatie uiterlijk verlaten moet hebben. Artikel 3.4.8. Vergunninghouders 1. Een vergunninghouder wordt gelijkgesteld met de houder van een urgentieverklaring vanaf het moment waarop de vergunninghouder ingevolge de in artikel 28 van de wet bedoelde taakstelling gehuisvest dient te worden door een regiogemeente tot het moment waarop de vergunninghouder gehuisvest is. 2. Gedurende de termijn dat een vergunninghouder ingevolge het eerste lid gelijkgesteld is met de houder van een urgentieverklaring, geldt voor de vergunninghouder als zoekgebied de regiogemeente die de vergunninghouder dient te huisvesten. Hoofdstuk 4. Standplaatsen Paragraaf 4.1. Inleidende bepalingen Artikel 4.1.1. Werkingsgebied Dit hoofdstuk is van toepassing op de in de gemeente gerealiseerde en nog te realiseren standplaatsen. Artikel 4.1.2. Aanvullende begripsomschrijvingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder wachtlijst: de door het college van burgemeester en wethouders bijgehouden wachtlijst van woningzoekenden die in aanmerking wensen te komen voor een standplaats. Paragraaf 4.2. De huisvestingsvergunning voor standplaatsen

25

Artikel 4.2.1. Aanwijzing vergunningplichtige voorraad De volgende categorie woonruimte is aangewezen als bedoeld in artikel 7 en mag alleen voor bewoning in gebruik worden genomen of gegeven als daarvoor een huisvestingsvergunning is verleend: standplaatsen. Artikel 4.2.2. Verzoek om inschrijving op de wachtlijst van standplaatszoekenden 1. Eenieder die behoort tot een in artikel 2.1.2 aangewezen categorie woningzoekenden en voor een standplaats in aanmerking wenst te komen, kan het college van burgemeester en wethouders verzoeken om inschrijving op de wachtlijst voor standplaatszoekenden. 2. Het verzoek wordt gedaan via het aanbodinstrument. Het college van burgemeester en wethouders kan daarvoor een aanvraagformulier vaststellen en in het aanvraagformulier aangeven, welke gegevens en bescheiden bij het verzoek ingediend moeten worden. Artikel 4.2.3. Einde van de inschrijving op de wachtlijst van standplaatszoekenden 1. Een inschrijving op de wachtlijst vervalt als: a. de ingeschreven standplaatszoekende om beëindiging van de inschrijving verzoekt; b. de ingeschreven standplaatszoekende een standplaats in gebruik neemt; c. de ingeschreven standplaatszoekende overlijdt en zijn of haar inschrijving niet met toepassing van het tweede lid overgenomen wordt; of d. de ingeschreven standplaatszoekende niet behoort tot een in artikel 2.1.2 aangewezen categorie woningzoekenden. 2.

Indien de ingeschreven standplaatszoekende overlijdt, wordt zijn of haar inschrijving van rechtswege overgenomen door de geregistreerd partner of echtgenoot of echtgenote van de standplaatszoekende. Artikel 4.2.4. Verlening van de huisvestingsvergunning voor standplaatsen 1. Indien via het aanbodinstrument is bekendgemaakt dat een standplaats beschikbaar komt voor bewoning, komen alleen aanvragers die op de wachtlijst als standplaatszoekenden zijn ingeschreven, in aanmerking voor een huisvestingsvergunning. 2. Het college van burgemeester en wethouders verleent de huisvestingsvergunning aan de aanvrager die: a. voldoet aan het in artikel 10, tweede lid, van de wet bepaalde; b. behoort tot een in artikel 2.1.2 aangewezen categorie woningzoekenden; c. de inkomensgrens van een middeninkomen, zoals bepaald in artikel 10, vierde lid, van de wet, niet overschrijdt; en d. voornemens is een woonruimte te betrekken waar per persoon uit het huishouden minstens het aantal slaapkamers zoals weergegeven in de tabel in artikel 3.2.4, eerste lid, beschikbaar is. 3. De huisvestingsvergunning wordt geweigerd, indien de aanvrager gelet op het eerste en tweede lid niet voor verlening van de huisvestingsvergunning in aanmerking komt. 4. Het college van burgemeester en wethouders kan de verlening en weigering van huisvestingsvergunningen mandateren. Artikel 4.2.5. Overgangsbepaling

26

Een inschrijving op de in artikel 2.6.2 van de Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024 bedoelde wachtlijst die op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening niet vervallen was, wordt gelijkgesteld met een inschrijving op de in artikel 4.2.2 bedoelde wachtlijst. Hoofdstuk 5. Overige bepalingen Paragraaf 5.1. Experimenten Artikel 5.1.1. Experimenten 1. Dit artikel is uitsluitend van toepassing op woonruimte behorend tot de in artikel 2.1.1, eerste lid, onder a, genoemde categorie. 2. Bij een experiment worden de effecten onderzocht van een wijze van aanbod en in gebruik geven van woonruimte, die niet in of op grond van deze verordening is geregeld maar wel in een op grond van de Huisvestingswet 2014 vast te stellen verordening geregeld zou kunnen worden. 3. De wijze van in gebruik geven van woonruimte als bedoeld in het eerste lid staat ten dienste van een rechtvaardige, doelmatige, evenwichtige en transparante verdeling van woonruimte. 4. Een experiment heeft een maximale duur van twee jaar. 5. De resultaten van een experiment, waaronder in ieder geval de werking en de effecten van het experiment en de uitkomst van de evaluatie ervan worden besproken in regionaal verband en maken deel uit van de evaluatie van de verordening. Artikel 5.1.2. Experimentenovereenkomst 1.

Een in artikel 5.1.1 bedoeld experiment wordt georganiseerd door één of meer corporaties in samenwerking met één of meer gemeenten. Zij sluiten daartoe voorafgaand aan de start van het experiment een experimentenovereenkomst, welke ten minste het volgende bevat: a. een beschrijving van het doel en de inhoud van het experiment; b. het toepassingsbereik van het experiment; c. de tijdsduur van het experiment; d. de wijze van begeleiding van het experiment gedurende de duur van het experiment; en e. de wijze en punten waarop het experiment geëvalueerd wordt. 2. Voordat het college van burgemeester en wethouders van een regiogemeente waar het experiment plaats zal vinden, besluit tot het aangaan van de experimentenovereenkomst, worden de opzet van het experiment en het concept van de experimentenovereenkomst afgestemd met de colleges van burgemeester en wethouders van de overige regiogemeenten. 3. Bij zijn besluit inzake het aangaan van de experimentenovereenkomst neemt het college van burgemeester en wethouders de belangen van een evenwichtige, rechtvaardige, doelmatige en transparante verdeling van woonruimte in acht. Paragraaf 5.2. Registratie, monitoring en afstemming Artikel 5.2.1. Registratie en monitoring van vraag, aanbod en verhuringen van woonruimten van corporaties

27

1. Corporaties en de colleges van burgemeester en wethouders van de regiogemeenten dragen gezamenlijk zorg voor de registratie van vraag, aanbod en verhuringen van de onder de werking van hoofdstuk 2 van deze verordening vallende woonruimten van corporaties. 2. Het in artikel 5.2.2 bedoelde overleg bepaalt in welke gegevens en ontwikkelingen, te herleiden uit de in het eerste lid bedoelde registratie, per kalenderjaar door middel van het document "Monitor woonruimtebemiddeling regio Rotterdam" inzicht wordt geboden. 3. Corporaties en de colleges van burgemeester en wethouders van de regiogemeenten dragen gezamenlijk zorg voor de samenstelling van de in lid 2 bedoelde "Monitor woonruimtebemiddeling regio Rotterdam". De monitor van een kalenderjaar wordt uiterlijk op: a. 1 juni van het daaropvolgende jaar toegezonden aan de corporaties, de colleges van burgemeester en wethouders van de regiogemeenten en het college van gedeputeerde staten van de provincie Zuid-Holland; en b. 1 juni van het daaropvolgende jaar gepubliceerd op de website van de corporaties of van een door hen aan te wijzen partij of orgaan. Artikel 5.2.2. Overleg naar aanleiding van monitoring Corporaties gezamenlijk en de colleges van burgemeester en wethouders van de regiogemeenten voeren ten minste éénmaal per kalenderjaar overleg over de in artikel 5.2.1, tweede lid, bedoelde monitor.

Het college van gedeputeerde staten van de provincie Zuid-Holland wordt uitgenodigd zich daarbij te laten vertegenwoordigen. Artikel 5.2.3. Registratie en monitoring bij overige woonruimten De colleges van burgemeester en wethouders van de regiogemeenten dragen gezamenlijk zorg voor: 1. de registratie van vraag, aanbod, verhuringen en verkoop van woonruimten, niet zijnde woonruimte van corporaties, die onder de werking van hoofdstuk 2 van deze verordening vallen; 2. het per kalenderjaar op basis van de onder a. bedoelde registratie opstellen van een monitor, als onderdeel van de in artikel 5.2.1 bedoelde “Monitor woonruimtebemiddeling regio Rotterdam”. Artikel 5.2.4. Overleg inzake de woonruimtebemiddeling In aanvulling op het in artikel 5.2.2 bedoelde overleg wordt tenminste éénmaal per kalenderjaar overleg gevoerd over de woonruimtebemiddeling in het lopende kalenderjaar, over actuele thema’s in het kader van de woonruimteverdeling en over eventuele benodigde bijsturing. Paragraaf 5.3. Handhaving Artikel 5.3.1. Bestuurlijke boete 1. Overtreding van de verboden bedoeld in artikel 8 van de wet kan worden beboet met een bestuurlijke boete. 2. De in het vorige lid bedoelde bestuurlijke boete bedraagt: a. voor overtredingen van het verbod bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de wet €515; b. voor overtredingen van het verbod bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de wet €25.750.

28

3. In afwijking van het vorige lid, onder b, bedraagt de bestuurlijke boete voor een overtreding van het verbod bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de wet €103.000 indien binnen een tijdvak van vier jaar voorafgaand aan een constatering door een toezichthouder van die overtreding een bestuurlijke boete is opgelegd voor overtreding van hetzelfde verbod. Hoofdstuk 6. Overgangs- en slotbepalingen Paragraaf 6.1. Overgangsbepalingen Artikel 6.1.1. Overgangsbepaling voor aanvragen Indien op het moment waarop deze verordening in werking treedt nog niet besloten is op een aanvraag om een huisvestingsvergunning of een aanvraag om een urgentieverklaring, wordt op die aanvraag beslist overeenkomstig het bepaalde in deze verordening. Artikel 6.1.2. Overgangsbepaling ingeval van bezwaar, beroep of hoger beroep 1. Indien bezwaar is gemaakt, beroep is ingesteld of hoger beroep is ingesteld tegen een besluit dat genomen is met toepassing van de Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024, blijft die verordening van toepassing totdat het besluit onherroepelijk is. 2. Indien bezwaar is gemaakt, beroep is ingesteld of hoger beroep is ingesteld tegen een besluit dat genomen is met toepassing van de Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2020, blijft die verordening van toepassing totdat het besluit onherroepelijk is. Artikel 6.1.3.

Overgangsbepalingen voor urgentieverklaringen 1. Urgentieverklaringen die zijn verleend voorafgaand aan het moment van inwerkingtreding van deze verordening, zijn overeenkomstig dit artikel gelijkgesteld met urgentieverklaringen die zijn afgegeven met toepassing van deze verordening. 2. Een urgentieverklaring waarmee een woningzoekende is ingedeeld in een in kolom 1 van de tabel van Bijlage 1 genoemde, in de Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2020 of de Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024 opgenomen urgentiecategorie, is gelijkgesteld aan een op grond van deze verordening afgegeven urgentieverklaring waarmee een woningzoekende is ingedeeld in een in kolom 2 van de tabel van Bijlage 1 genoemde urgentiecategorie. 3. Indien een urgentieverklaring verleend is vóór het moment van inwerkingtreding van deze verordening, geeft de urgentieverklaring de houder ervan in de volgende gevallen geen voorrang bij het verlenen van een huisvestingsvergunning: a. de aangeboden woonruimte behoort tot de categorie bedoeld in rij 1 van de tabel in artikel 2.2.6, eerste lid, en de houder van de urgentieverklaring heeft de leeftijd van 55 jaar, of een hogere, bij het aanbod van de woonruimte te bepalen leeftijd niet bereikt; b.

de aangeboden woonruimte behoort tot de categorie bedoeld in rij 2 van de tabel in artikel 2.2.6, eerste lid, en de houder van de urgentieverklaring is ouder dan, of ouder dan een lagere leeftijd dan die bij het aanbod van de woonruimte bepaald is;

29

c. de aangeboden woonruimte behoort tot de categorie bedoeld in rij 6 van de tabel in artikel 2.2.6, eerste lid, en de houder van de urgentieverklaring beschikt niet over de in artikel 2.2.6, derde lid, bedoelde indicatie. 4. Voor urgentieverklaringen verleend vóór het moment van inwerkingtreding van deze verordening, blijven gedurende een termijn van één jaar na inwerkingtreding van deze verordening de in die urgentieverklaringen overeenkomstig artikel 3.2 van Bijlage I en Bijlage II bij de Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024 opgenomen voorkeursurgentieregio’s van kracht. 5. Na afloop van de in het eerste lid bedoelde termijn worden de in het eerste lid bedoelde urgentieverklaringen aangepast aan de nieuwe indeling. Artikel 6.1.4. Overgangsbepaling voor huisvestingsvergunningen Na inwerkingtreding van deze verordening blijven de onder de eerder geldende regels verstrekte huisvestingsvergunningen van kracht. Paragraaf 6.2. Slotbepalingen Artikel 6.2.1. Intrekking van de Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024 De Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024 wordt ingetrokken. Artikel 6.2.2. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening wordt aangehaald als Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025. 2. Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 juli 2025. 3.

Deze verordening vervalt vier jaar na het tijdstip van haar inwerkingtreding. Aldus besloten in de vergadering van de gemeenteraad Albrandswaard van 2 juni 2025. De griffier,

De voorzitter,

drs. Leendert Groenenboom

drs. Jolanda de Witte

30

Bijlage 1. Overgangsrecht urgentieverklaringen Bijlage bij artikel 6.1.3, tweede lid, over de Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024 Kolom 1 Urgentiecategorieën uit de Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2020 en de Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024 (met verwijzing naar artikel uit die verordeningen) Medische noodzaak (artikel 5.1) Onbewoonbaarheid (artikel 5.2) Woonlasten (artikel 5.3) Geweld en bedreiging (artikel 5.4) Uitstroom uit voorziening voor tijdelijke opvang van personen die in verband met problemen van relationele aard of geweld hun woonruimte hebben verlaten (artikel 5.5) Mantelzorg (artikel 5.6) Doorstroming vanuit opvanginstellingen (artikel 5.7) Herhuisvesting in verband met sloop of ingrijpende verbetering (artikel 5.8) Vergunninghouders

Kolom 2 Urgentiecategorieën uit deze verordening (met verwijzing naar artikel uit deze verordening)

Ernstige en chronische medische problematiek (artikel 3.4.2) Onbewoonbaarheid (artikel 3.4.4) Woonlasten (artikel 3.4.5) Geweld en bedreiging (artikel 3.4.6) Uitstroom naar zelfstandig wonen (artikel 3.4.3)

Mantelzorg (artikel 3.4.1) Uitstroom naar zelfstandig wonen (artikel 3.4.3) Herhuisvesting in verband met sloop of ingrijpende verbetering (artikel 3.4.7) Vergunninghouders (artikel 3.4.8)

31

Toelichting Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025

Inhoudsopgave 1.

2.

Algemene toelichting.................................................................................................................... 3 1.1.

Regionaal afgestemde regels over woonruimteverdeling ...................................................... 3

1.2.

Vormgeving ............................................................................................................................ 3

1.3.

De noodzaak voor en werking van de woonruimteverdeling ................................................. 4

Artikelsgewijze toelichting ........................................................................................................... 4 2.1.

Hoofdstuk 1 Algemeen ........................................................................................................... 4

2.2. Hoofdstuk 2 De huisvestingsvergunning ................................................................................ 4 Paragraaf 2.1 Algemeen ................................................................................................................. 4 Artikel 2.1.1 ..................................................................................................................................... 4 Artikel 2.1.2 ..................................................................................................................................... 5 Artikel 2.1.3 ..................................................................................................................................... 5 Artikel 2.1.4 ..................................................................................................................................... 5 Artikel 2.1.5 ..................................................................................................................................... 5 Paragraaf 2.2 Te huur aanbieden van woonruimte door corporaties.............................................. 6 Artikel 2.2.1 .....................................................................................................................................

6 Artikel 2.2.2 ..................................................................................................................................... 6 Artikel 2.2.3 ..................................................................................................................................... 6 Artikel 2.2.4 ..................................................................................................................................... 6 Artikel 2.2.5 ..................................................................................................................................... 6 Artikel 2.2.6 ..................................................................................................................................... 7 Artikel 2.2.7 ..................................................................................................................................... 8 Artikel 2.2.8 ..................................................................................................................................... 8 Artikel 2.2.9 ..................................................................................................................................... 8 2.3. Hoofdstuk 3 De urgentieverklaring .........................................................................................

9 Paragraaf 3.1 Verlening, weigering, intrekking en wijziging van de urgentieverklaring .................. 9 Artikel 3.1.1 ..................................................................................................................................... 9 Artikel 3.1.2 ..................................................................................................................................... 9 Artikel 3.1.3 ..................................................................................................................................... 9 Artikel 3.1.4 ................................................................................................................................... 10 Artikel 3.1.5 ................................................................................................................................... 10 Artikel 3.1.6 ................................................................................................................................... 10 Artikel 3.1.7 ................................................................................................................................... 10 Paragraaf 3.2 Werking en inhoud van de urgentieverklaring .......................................................

10 Artikel 3.2.1 ................................................................................................................................... 10 Artikel 3.2.2 ................................................................................................................................... 10 Paragraaf 3.3 Zoeken door en bemiddeling van de houder van de urgentieverklaring ................11 Artikel 3.3.1 tot en met 3.3.3 ..........................................................................................................11 Paragraaf 3.4 De urgentiecategorieën...........................................................................................11 Artikel 3.4.1 ................................................................................................................................... 12 Artikel 3.4.2 ................................................................................................................................... 12 Artikel 3.4.3 ................................................................................................................................... 12 Artikel 3.4.4 ...................................................................................................................................

12 Artikel 3.4.5 ................................................................................................................................... 12 Artikel 3.4.6 ................................................................................................................................... 13 Artikel 3.4.7 ................................................................................................................................... 13 Artikel 3.4.8 ................................................................................................................................... 13 2.4. Hoofdstuk 4 Standplaatsen .................................................................................................. 13 Paragraaf 4.1. Inleidende bepalingen ........................................................................................... 13 Artikel 4.1.1 ................................................................................................................................... 13 Paragraaf 4.2. De huisvestingsvergunning voor standplaatsen ................................................... 13

1

Artikel 4.2.1 ................................................................................................................................... 13 Artikel 4.2.2 ................................................................................................................................... 13 Artikel 4.2.3 ................................................................................................................................... 13 Artikel 4.2.4 ................................................................................................................................... 14 Artikel 4.2.5 ................................................................................................................................... 14 2.5. Hoofdstuk 5 Overige bepalingen .......................................................................................... 14 Paragraaf 5.1.1. Experimenten ..................................................................................................... 14 Artikel 5.1.1 ................................................................................................................................... 14 Artikel 5.1.2 ...................................................................................................................................

14 Paragraaf 5.2 Registratie, monitoring en afstemming .................................................................. 14 Artikel 5.2.1 tot en met 5.2.4 ......................................................................................................... 15 2.6. Hoofdstuk 5 Overige bepalingen .......................................................................................... 15 Artikel 5.3.1 ................................................................................................................................... 15 2.7. Hoofdstuk 6 Overgangs- en slotbepalingen ......................................................................... 15 Paragraaf 6.1 Overgangsbepalingen ............................................................................................ 15 Artikel 6.1.1 ................................................................................................................................... 15 Artikel 6.1.2 ................................................................................................................................... 15 Artikel 6.1.3 ................................................................................................................................... 15 Artikel 6.1.4 ...................................................................................................................................

15 Paragraaf 6.2 Slotbepalingen ....................................................................................................... 15 Bijlage: Weigeren van een urgentieverklaring in verband met schulden ...................................... 16

2

1. Algemene toelichting 1.1. Regionaal afgestemde regels over woonruimteverdeling Gemeenteraden kunnen op grond van de Huisvestingswet 2014 in een huisvestingsverordening regels instellen over woonruimteverdeling inclusief urgentie (hoofdstuk 2 en 3 van de Huisvestingswet 2014) en wijzigingen in de woonruimtevoorraad (hoofdstuk 4 van de Huisvestingswet 2014). Binnen de regio Rotterdam wordt gewerkt met een regionaal model voor de huisvestingsverordening waarin de regels over woonruimteverdeling opgenomen zijn. De laatste grote actualisatie van de regionale modelverordening heeft in 2020 plaatsgevonden. Op grond van de Huisvestingswet 2014 hebben vastgestelde huisvestingsverordeningen een maximale werkingsduur van vier jaar. Omdat in de regio de behoefte aanwezig was om het regionale huisvestingsverordeningsmodel stevig te herzien (op basis van een gezamenlijke evaluatie) en ‘toekomstproof’ te maken (o.a. met het oog op de aanstaande Wet versterking regie op de volkshuisvesting), is er in 2024 voor gekozen om de verordening uit 2020 – met enkele kleine verbeteringen – opnieuw vast te stellen. In 2024 is er vervolgens een nieuw regionaal model opgesteld: de Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025.

De Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025 bevat geen regels over wijzigingen in de woonruimtevoorraad (splitsen, samenvoegen, onttrekken, woningvormen, toeristische verhuur, opkoopbescherming). Regiogemeenten kunnen desgewenst zelf deze regels in een additionele huisvestingsverordening opnemen. 1.2. Vormgeving Het regionale model voor de Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025 bestaat uit hoofdstukken die op hun beurt zijn onderverdeeld in paragrafen. Deze gelaagdheid is terug te zien in de nummering van de afzonderlijke artikelen: artikel 1.1.1 is het eerste artikel van paragraaf 1 van hoofdstuk 1. Bij de verdeling van onderwerpen over hoofdstukken en paragrafen is zoveel als mogelijk de homogeniteitsregel gehanteerd. Daarbij is ook gekozen voor een opbouw ‘van algemeen naar specifiek’. Daarmee wordt bedoeld, dat zoveel als mogelijk algemene onderwerpen – zoals aanvraag, inhoud van beschikkingen, verlening, weigering, intrekken en wijzigen van beschikkingen – eerder in een hoofdstuk aanbod komen dan meer bijzondere onderwerpen (zoals: de specifieke regels over de afzonderlijke categorieën aangewezen woonruimte of de urgentiegronden). Centraal in het regionale model staan de hoofdstukken 2 (de huisvestingsvergunning) en 3 (de urgentieverklaring).

In de eerste paragraaf van hoofdstuk 2, paragraaf 2.1, worden de delen van de woonruimtevoorraad aangewezen, waarop de huisvestingsvergunningplicht van toepassing is. Verder bevat deze paragraaf algemene regels over het aanvragen van een huisvestingsvergunning en het beslissen op zulke aanvragen. De daaropvolgende paragrafen bevatten specifieke regels voor de afzonderlijke delen van de woonruimtevoorraad:

3

-

Paragraaf 2.2 bevat de regels voor sociale huurwoningen van corporaties. Alle regiogemeenten nemen deze paragraaf in hun verordening op.

Hoofdstuk 3 bevat de regionaal afgestemde regels over urgentieverklaringen. Anders dan hoofdstuk 2 bevat dit hoofdstuk geen onderdelen die een gemeente wel of niet overneemt. De opbouw van het hoofdstuk is, net als bij de andere delen van het regionale model, zoveel als mogelijk conform het uitgangspunt ‘van algemeen naar specifiek’. De eerste paragrafen bevatten de meer algemene, voor elke urgentieverklaring relevante, bepalingen. Het hoofdstuk sluit af met de specifieke urgentiecategorieën (ook wel: urgentiegronden). 1.3. De noodzaak voor en werking van de woonruimteverdeling In 2024 heeft RIGO voor de gemeente Albrandswaard een schaarsteonderzoek uitgevoerd, waarin schaarste aan woonruimten is aangetoond (rapport Schaarste in Albrandswaard, 6 september 2024). Dit is ook het geval voor de andere regiogemeenten. Het is daarom van belang om de vrijkomende woningen eerlijk over woningzoekenden te verdelen. Met name voor sociale huurwoningen is dit noodzakelijk, zodat bepaalde groepen woningzoekenden niet worden uitgesloten. De verordening regelt o.a. wie in aanmerking komen voor een bepaalde woning, hoe de woningen die onder de verordening vallen worden verdeeld en wie in aanmerking komen voor een urgentieverklaring. De verordening regelt de verdeling van bepaalde woningen onder woningzoekenden, maar lost de schaarste niet op.

De gemeente Albrandswaard heeft daarom bovendien de ambitie om de komende jaren (tot 2030) ongeveer 1.500 woningen aan de woningvoorraad toe te voegen. Dit is vastgelegd het Geactualiseerd Regioakkoord 2022. De invulling van deze ambitie is o.a. uitgewerkt in de lokale Woonvisie 2024-2028. 2. Artikelsgewijze toelichting 2.1. Hoofdstuk 1 Algemeen Artikel 1.1.1 Dit artikel bevat de voor de hele verordening toepasselijke begripsomschrijvingen. Begrippen waarvan de betekenis in andere wetten – zoals: de Huisvestingswet 2014 of de Algemene wet bestuursrecht – bepaald is, worden hier niet nogmaals omschreven. 2.2. Hoofdstuk 2 De huisvestingsvergunning Paragraaf 2.1 Algemeen Deze paragraaf bevat de bepalingen die gelden voor alle op grond van hoofdstuk 2 aan te vragen, te verlenen en te weigeren huisvestingsvergunningen. Artikel 2.1.1 In het eerste lid van dit artikel wijst de gemeenteraad aan, voor welke categorieën woonruimte de huisvestingsvergunningplicht geldt. De gemeenteraad maakt bij het in dit artikel aanwijzen van de categorieën woonruimte gebruik van zijn in artikel 7 van de Huisvestingswet 2014 opgenomen bevoegdheid. Het gevolg daarvan is, dat het verboden is om zonder daartoe strekkende huisvestingsvergunning de hier

4

aangewezen woonruimte in gebruik te geven of te nemen. Het eerste lid van artikel 2.1.1 wijst daarom deze woonruimte aan. Het verbod zelf is te vinden in artikel 8 van de Huisvestingswet 2014. In het tweede lid is aangegeven voor welke soorten woonruimten de in hoofdstuk 2 opgenomen regels niet gelden. Artikel 2.1.2 In dit artikel zijn de categorieën woningzoekenden aangewezen die in aanmerking komen voor het verkrijgen van een huisvestingsvergunning. Door de aanwijzing van deze categorieën woningzoekenden geeft de gemeenteraad uitvoering aan artikel 10, eerste lid, van de Huisvestingswet 2014. Als een aanvrager van een huisvestingsvergunning niet behoort tot één van deze categorieën, wordt de huisvestingsvergunning geweigerd. Zie artikel 2.1.4, eerste lid, onder b. Artikel 2.1.3 Dit artikel regelt enkele formele aspecten van de aanvraag om een huisvestingsvergunning. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan artikel 5 van de Huisvestingswet 2014. In het eerste en tweede lid is aangegeven, welke informatie in ieder geval met de aanvraag wordt ingediend. Op grond van het derde lid bedraagt de maximale behandeltermijn voor de beslissing op een aanvraag veertien dagen. Deze termijn kan eenmaal met ten hoogste veertien dagen worden verlengd. Artikel 2.1.4 In dit artikel zijn gronden voor weigering van de huisvestingsvergunning opgenomen.

Hiermee wordt uitvoering gegeven aan artikel 9 van de Huisvestingswet 2014. Allereerst wordt gewezen op het onderscheid tussen de weigeringsgronden opgenomen in het eerste lid en die in het tweede lid. Als zich een in het eerste lid opgenomen weigeringsgrond voordoet, wordt de huisvestingsvergunning geweigerd. Dit lid geldt voor alle in artikel 2.1.1 aangewezen categorieën woonruimte De in het tweede lid opgenomen weigeringsgrond geldt alleen voor sociale huurwoningen van corporaties. Als deze weigeringsgrond zich voordoet, kan de huisvestingsvergunning geweigerd worden (maar dat hoeft niet). Verder wordt nog gewezen op artikel 15, tweede lid, van de Huisvestingswet 2014. Ook deze bepaling bevat een grond voor weigering van de huisvestingsvergunning. De verordening bevat geen bepalingen over het intrekken van een huisvestingsvergunning: dit is namelijk geregeld in artikel 18 van de Huisvestingswet 2014. Artikel 2.1.5 Dit artikel behoeft geen toelichting.

5

Paragraaf 2.2 Te huur aanbieden van woonruimte door corporaties Deze paragraaf is van toepassing op sociale huurwoningen van corporaties. Artikel 2.2.1 Dit artikel behoeft geen toelichting. Artikel 2.2.2 Een corporatie biedt een voor verhuur vrijkomende woning aan via openbaar aanbod of via direct aanbod: - Openbaar aanbod gebeurt door de woning te adverteren op de website van het aanbodinstrument, op dit moment Woonnet Rijnmond. Zie verder artikel 2.2.3. - Bij direct aanbod biedt de corporatie de woning rechtstreeks te huur aan aan een specifieke woningzoekende. Zie verder artikel 2.2.4. Artikel 2.2.3 Het eerste lid van dit artikel verplicht corporaties tot het gezamenlijk voor de gehele regio instellen en in stand houden van het aanbodinstrument. In het tweede lid is bepaald, dat bij openbaar aanbod woonruimte tenminste drie werkdagen te huur wordt aangeboden via het aanbodinstrument. Dit betreft de in artikel 17 van de wet bedoelde termijn, zie het vijfde lid van artikel 2.2.3. Verder wordt met dit artikel uitvoering gegeven aan artikel 20 van de Huisvestingswet 2014. In het derde lid worden kwalitatieve eisen gesteld aan het aanbodinstrument en de wijze waarop daarmee woonruimte te huur wordt aangeboden.

Deze eisen worden gesteld om ervoor te zorgen dat het voor woningzoekenden voldoende duidelijk is, welke woonruimte wordt aangeboden en wat de voorwaarden zijn om voor die woonruimte in aanmerking te komen. Dergelijke duidelijkheid is een belangrijke waarborg voor een goede werking van de in de verordening opgenomen regels. Het vierde lid bepaalt gelet op artikel 11a, 11b en 11c van de Huisvestingswet 2014, dat in bepaalde gevallen de inschrijving van woningzoekenden in het aanbodinstrument niet vervalt. Artikel 2.2.4 In het eerste lid van dit artikel is limitatief opgesomd in welke gevallen een corporatie via direct aanbod – in plaats van via openbaar aanbod – te huur kan aanbieden. Het gaat veelal om categorieën woningzoekenden die gelet op specifieke omstandigheden onvoldoende kans hebben om via openbaar aanbod een geschikte woonruimte te vinden. Artikel 2.2.5 In dit artikel zijn de regels over door corporaties gezamenlijk vast te stellen bemiddelingsmodellen opgenomen. In een bemiddelingsmodel kan bijvoorbeeld ‘inschrijfduur’ of ‘loting’ als volgordecriterium opgenomen zijn. De bemiddelingsmodellen zijn de schakel tussen enerzijds het te huur aanbieden van woonruimte zoals geregeld in deze verordening en anderzijds de wijze waarop corporaties bij het ‘matchen’ van woonruimte en potentiële huurders hun eigen

6

volkshuisvestelijke visie en verhuurbeleid operationaliseren. Corporaties zetten de bemiddelingsmodellen in bij het via openbaar aanbod te huur aanbieden van woonruimte. Zie daarvoor ook artikel 2.2.3, derde lid. Corporaties dragen gezamenlijk zorg voor een evenwichtige inzet van de diverse bemiddelingsmodellen. Het uitgangspunt van de Huisvestingswet 2014 is, dat de gemeenteraad alleen van zijn bevoegdheid om via de huisvestingsverordening in te grijpen in het privaatrechtelijke verhuurtraject en de vrijheid van vestiging gebruikmaakt, als dat “noodzakelijk en geschikt is voor het bestrijden van onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste aan woonruimte” (zie artikel 2, eerste lid, van de Huisvestingswet 2014). Voor wat betreft de regulering van de sociale huurvoorraad van corporaties heeft de gemeenteraad ervoor gekozen om in de huisvestingsverordening vooral de voorrang van specifieke categorieën woningzoekenden te regelen. Het gaat om:  woningzoekenden die aangewezen zijn op categorieën woonruimte met een bepaalde aard, grootte of prijs (zie artikel 11 van de Huisvestingswet 2014). In de verordening worden deze categorieën woningzoekenden ook wel ‘passendheidsdoelgroepen’ genoemd;  woningzoekenden voor wie woonruimte dringend noodzakelijk is (zie artikel 12 van de Huisvestingswet 2014).

Dit zijn de urgent woningzoekenden die, als zij aan de in de verordening opgenomen criteria voldoen, in aanmerking kunnen komen voor een urgentieverklaring;  woningzoekenden met maatschappelijke of economische gebondenheid en de vitale beroepsgroepen (zie artikel 14 van de Huisvestingswet 2014). In de verordening wordt wel gesproken over de ‘bindingsdoelgroepen’. De voorrang voor deze doelgroepen is geregeld in de artikelen 2.2.6 tot en met 2.2.9 (en hoofdstuk 3, waarin de regels over de urgentieverklaring zijn opgenomen). De bemiddelingsmodellen werken in het verlengde van deze voorrang:  Komen meerdere voorrangskandidaten in gelijke mate in aanmerking voor een huisvestingsvergunning voor dezelfde via openbaar aanbod te huur aangeboden woonruimte? Dan wordt op grond van het bemiddelingsmodel bepaald wie van hen als eerste voor verlening van de huisvestingsvergunning in aanmerking komt.  Hebben er geen voorrangskandidaten op de aangeboden woonruimte gereageerd? Maar alleen ‘reguliere’ woningzoekende? Ook dan wordt op grond van het bemiddelingsmodel bepaald wie van hen als eerste voor verlening van de huisvestingsvergunning in aanmerking komt. Zie artikel 2.2.9 lid 3.

Het derde en vierde lid van artikel 2.2.5 bevatten regels over transparantie, kenbaarheid en raadpleegbaarheid van de bemiddelingsmodellen (derde lid, onder a), maar ook waarborgen waardoor de bemiddelingsmodellen goed aansluiten op de regels uit de verordening (derde lid, onder b, en vierde lid). Artikel 2.2.6 Bij het te huur aanbieden van woonruimte kan een corporatie ‘labels’ toepassen. Die labels zijn opgenomen in de tabel van het eerste lid van dit artikel.

7

Als een corporatie een label toepast, krijgt een bepaalde categorie woningzoekenden – in de tabel vermeld als ‘passendheidsdoelgroep’ in dezelfde rij het als toegepaste label – voorrang bij de verlening van een huisvestingsvergunning. Het gaat hierbij om de in artikel 11 van de Huisvestingswet 2014 bedoelde voorrang. Deze vorm van voorrang heet ook wel ‘passendheidsvoorrang’. In de laatste regel van de tabel is een nieuwe mogelijkheid gecreëerd om doorstroming binnen de regionale corporatievoorraad te bevorderen. Artikel 2.2.7 Naast ‘passendheidsvoorrang’ is in dit artikel bepaald dat bepaalde categorieën woningzoekenden ook ‘bindingsvoorrang’ kunnen hebben. Het gaat dan om woningzoekenden die maatschappelijk of economisch gebonden zijn aan de regio, de gemeente of een deel van de gemeente. Dit artikel is een uitwerking van artikel 14, tweede en vierde lid, van de Huisvestingswet 2014. Deze voorrang mag ten hoogste bij 50% van de verleende huisvestingsvergunningen toegepast worden. Zie gelet hierop ook artikel 2.1.4, eerste lid, onder f. De Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025 sluit daarmee aan op het wettelijke maximum zoals opgenomen in de Huisvestingswet 2014. Óf deze ruimte ook daadwerkelijk benut wordt, vloeit voort uit de dwingende regels en mogelijkheden in deze verordening.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.albrandswaard.nl/api/v1/meetings/3738/documents/33727