CConstaterende datAlbrandswaard
Koppel je AI →
Document · PDF

64. 2025-023770 Raadsvoorstel Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025 AW.pdf

Gemeenteraad AW 22 april 2025, gemeente AlbrandswaardBij agendapunt: 5: Ingekomen stukken31.192 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Voorstel Onderwerp: Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025 AW Portefeuillehouder Richard Polder Opsteller: Koene Marijke

College van burgemeester en wethouders 8 april 2025

Zaaknummer 2025-023770

Openbaar

Geadviseerd besluit 1. De Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025, inclusief de Toelichting Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025, vast te stellen en per 01-07-2025 in werking te laten treden.

Raadsvoorstel Inleiding De Huisvestingswet 2014 biedt gemeenten de mogelijkheid om de verdeling van (huur)woningen te reguleren, namelijk via het vaststellen van een huisvestingsverordening. Hiervan mag gebruik worden gemaakt wanneer dit “noodzakelijk en geschikt is voor het bestrijden van onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste aan woonruimte”. Om schaarste aan te tonen zijn in 2024 door advies- en onderzoeksbureau RIGO voor alle regiogemeenten schaarsteonderzoeken uitgevoerd (rapport ‘Schaarste in Albrandswaard’ is te vinden in bijlage 3). In alle regiogemeenten is schaarste aangetoond. Hieronder wordt de regionale samenwerking verder uitgelegd. De gemeente Albrandswaard maakt onderdeel uit van het Samenwerkingsverband Wonen regio Rotterdam (hierna SvWrR). De elf gemeenten van het SvWrR werken o.a. samen aan het realiseren van voldoende woningen en het verdelen van de sociale huurvoorraad. Omdat de woningopgave zich niet tot de eigen gemeente beperkt en woningzoekenden vaak over gemeentegrenzen heen zoeken, is er met de regio een verordening woonruimtebemiddeling opgesteld. Het samen opstellen van zo’n verordening wordt sinds 2015 gedaan. Dit betekent voor woningzoekenden dat de woonruimteverdeling in regio Rotterdam op een eenduidige wijze is georganiseerd. Voor de uitvoerders van het woonruimteverdelingsbeleid (de corporaties) betekent deze insteek o.a.

uniformiteit in het gezamenlijke verdeelsysteem en het gezamenlijke aanbodinstrument (Woonnet Rijnmond). De Huisvestingswet 2014 bepaalt dat een huisvestingsverordening voor de maximale duur van vier jaar mag worden vastgesteld. De vorige verordening Woonruimtebemiddeling liep in juli 2024 af. Om tot een gedegen nieuwe verordening te komen is destijds besloten om de toen geldende verordening te verlengen tot eind 2025. Deze verlengde verordening is begin 2024 ter goedkeuring aangeboden aan de gemeenten, die deze vervolgens hebben vastgesteld. Nu echter is de nieuwe verordening gereed en hebben de regiogemeenten de ambitie om deze, allen tegelijk, op 1 juli 2025 in werking te laten treden. De voorliggende verordening is de definitieve versie voor de periode 2025-2029. Ook is er een toelichting op de verordening opgesteld (bijlage 2), om toe te voegen achter de daadwerkelijke verordeningstekst. Dit is gedaan vanuit het oogpunt van transparantie richting woningzoekenden. In de verordening worden o.a. regels gesteld over het in gebruik geven en nemen van woonruimte via een vergunningstelsel. Het biedt bijvoorbeeld de mogelijkheid om toelatingseisen, voorrangs- en urgentieregels en passendheidsnormen in te stellen. Nieuw in deze verordening zijn een aantal keuzemogelijkheden, waarvan per gemeente kan worden bepaald of deze wel of niet in de verordening worden opgenomen.

De voorliggende tekst in bijlage 1 is de verordeningstekst zoals wordt voorgesteld om vast te stellen. In bijlage 4 zijn de verschillende keuzemogelijkheden zichtbaar gemaakt en is een toelichting gegeven bij de voorgestelde keuzes. Onder het kopje ‘kanttekeningen’ worden de voorgestelde keuzes kort samengevat. Wat in elk geval voor elke gemeente is geregeld, en waarin geen keuzes mogelijk zijn, zijn de sociale huurwoningen die onder de woningcorporaties vallen en de verdeling daarvan (woonruimtebemiddeling). Ook zaken rondom urgentieverklaringen zijn voor alle regiogemeenten op dezelfde manier geregeld. Beoogd effect Het delen in de woningnood (schaarste) met de regio, het verdelen van het schaarse aantal vrijkomende en nieuwe (sociale huur)woningen onder woningzoekenden in de regio en het daarbij zorgen dat bepaalde doelgroepen niet worden buitengesloten. Argumenten 1.1 Het vaststellen van de verordening zorgt voor een wettelijk kader voor het verdelen van vrijkomende en nieuwe woningen binnen bepaalde woningmarktsegmenten, afgestemd op de regio. Met het instellen van een huisvestingsverordening worden regels gesteld over het in gebruik geven en nemen van woonruimte via een vergunningstelsel. De verordening bevat een gezamenlijke basis voor urgentieverlening en de verhuur van sociale huurwoningen van woningcorporaties, waarvoor regionaal identieke regels wenselijk zijn.

Bij het opstellen van de verordening is rekening gehouden met recent gewijzigde en aanstaande wetgeving. 1.2 De verordening bevat meer mogelijkheden voor lokaal maatwerk.

2/6

Er zijn in de verordening meer mogelijkheden opgenomen voor lokaal maatwerk, waardoor er per gemeente meer kan worden gestuurd. Zo is het mogelijk om flexwoningen aan woningzoekenden toe te wijzen via directe bemiddeling. Ook zijn de voorrangsregels aangepast voor woningzoekenden met economische en maatschappelijke binding. Ten hoogste 50% van de woonruimten mag met voorrang aan woningzoekenden met lokale binding worden toegewezen. In de verordening die in 2024 afliep mocht maximaal de helft van deze 50% worden gebruikt voor een tot de gemeente behorende kern, maar in de nu vast te stellen verordening is deze beperking komen te vervallen, waardoor de volledige 50% gebruikt kan worden ten behoeve van de gemeente. Tenslotte is er een bepaling opgenomen die het mogelijk maakt om voorrang te geven aan vitale beroepsgroepen. 1.3 Het vaststellen van de verordening is conform de afspraken die zijn vastgelegd in de bestuursovereenkomst SvWrR 2025. In de Bestuursovereenkomst, die ten grondslag ligt aan het SvWrR, wordt o.a.

het volgende gesteld: “dat de hiervoor genoemde gemeenten samen één aaneengesloten woningmarktregio vormen; [en] dat het daarom van belang is dat in deze woningmarktregio door gemeenten regels gesteld worden aan het in gebruik geven en nemen van woonruimte, waarvan de categorieën woonruimte nader worden bepaald in de Verordening Woonruimtebemiddeling, en dat het, omdat sprake is van één woningmarktregio, wenselijk is dat deze regels gelijkluidend zijn”. 1.4 Het vaststellen van de toelichting zorgt voor transparantie en verduidelijking. De toelichting op de verordening (bijlage 2) geeft uitleg en onderbouwing bij de artikelen in de daadwerkelijke verordening. Door deze toelichting achter de verordening bij te voegen zorgen we voor een stukje transparantie, toegankelijkheid en begrijpelijkheid richting woningzoekenden. Overleg gevoerd met • Het SvWrR: Het proces naar een nieuwe verordeningstekst is gestart met een aantrekken van externe adviseurs, met RIGO als projectleider en Robert van ’t Hof als juridisch specialist. Vanuit de regio werd een brede projectgroep samengesteld, waarin gemeenten, de corporatiesector en uitvoerders zijn vertegenwoordigd. • De Gedeputeerde Staten (GS): Op grond van artikel 6 van de Huisvestingswet zijn colleges van B&W verplicht om, bij een voornemen tot het vaststellen van een huisvestingsverordening, GS om advies over deze tekst te vragen.

De colleges van de elf regiogemeenten hebben besloten om één gebundelde adviesaanvraag te doen via het SvWrR bij GS. Op 12 november 2024 hebben GS hun advies toegestuurd aan de voorzitter van het SvWrR, in afschrift aan de colleges van B&W van de elf gemeenten. Het college van Gedeputeerde Staten heeft positief geadviseerd op de aanvraag. • In de maanden mei en juni 2024 heeft een vijftal radenbijeenkomsten plaatsgevonden met als doel discussie over en verduidelijking van de ontwikkelingen van de nieuwe huisvestingsverordening. De aanwezige raadsleden is de mogelijkheid gegeven om vragen te stellen en voor hen belangrijke punten mee te geven. De resultaten van deze bijeenkomsten zijn meegenomen bij het verder opstellen van de verordening. Kanttekeningen Kanttekeningen algemeen 1. Bij dit voorstel is geen was-wordt lijst bijgevoegd, omdat de tekst zodanig is veranderd dat zo’n lijst geen meerwaarde heeft. De meeste wijzigingen hebben betrekking op bestaande bepalingen en zijn aanvullingen of verduidelijkingen. Ook zijn er wijzigingen aangebracht in de structurering van de tekst. De belangrijkste inhoudelijke wijzigingen bestaan uit de in argument 1.2 benoemde bepalingen en de keuzemogelijkheden. 2. De status van vergunninghouders (statushouders) is op dit moment ongewijzigd, wat betekent dat zij gelijk worden gesteld met houders van een urgentieverklaring.

Indien er op dit gebied wetswijzigingen plaatsvinden, zal op dat moment worden beoordeeld wat daarvan de gevolgen zijn voor deze doelgroep op het gebied van woonruimtebemiddeling. 3. De verordening bevat regels voor het verdelen van een schaars aantal woningen, maar lost de schaarste niet op. Hiervoor is het nodig dat we de komende jaren veel woningen bouwen, daar zijn ook volop plannen voor.

3/6

4. De verordening bevat geen regels over wijzigingen in de woonruimtevoorraad (zoals splitsen, samenvoegen en onttrekken) en regelt geen zaken zoals opkoopbescherming en zelfbewoningsplicht. 5. Als de verordening niet wordt vastgesteld, moeten alle zaken die nu regionaal geregeld zijn, lokaal geregeld worden. Dit is bijna onuitvoerbaar. 6. De verordening kent een maximale looptijd van vier jaar. Mogelijke tussentijdse wetswijzigingen kunnen een eerdere herziening wellicht noodzakelijk maken. Kanttekeningen keuzemogelijkheden Zoals genoemd in de inleiding, bevat de verordening naast de tekst die voor elke regiogemeente gelijk is, ook een aantal keuzemogelijkheden en zelf in of aan te vullen gedeelten. Er is gekeken naar de keuzemogelijkheden en afgewogen wat het beste past bij de gemeente Albrandswaard op dit moment. Deze afwegingen hebben geleid tot een aantal keuzes, die reeds zijn verwerkt in de vast te stellen verordening, die te vinden is in bijlage 1. Het advies aan de raad is om de voorgestelde verordeningstekst vast te stellen en hierin de lijn van het college te volgen. Echter, het blijft uiteraard mogelijk om een andere mening te vormen en (een) wijziging(en) voor te stellen. Om hierin een goede afweging te kunnen maken zijn alle keuzemogelijkheden, inclusief een toelichting en een onderbouwing van de voorgestelde keuze(s), zichtbaar gemaakt in bijlage 4.

Ze zijn hieronder bovendien samengevat. Beknopte omschrijving van de afwegingen: a. Het wel of niet verordenen van andere woningmarktsegmenten dan de sociale huurwoningen die onder de woningcorporaties vallen. Het voorstel is om dit niet te doen, maar eerst verder te onderzoeken of de kosten opwegen tegen de baten. Er kan later nog worden besloten om andere woningmarktsegmenten toch te verordenen, middels een wijzigingsbesluit. b. Het wel of niet laten doorlopen van de wachtlijstinschrijvingen voor standplaatsen. Het voorstel is om dit wel te doen, om mensen niet onnodig te benadelen. c. Het toevoegen van aanvullende eisen voor het verlenen van een huisvestingsvergunning voor standplaatsen. Het voorstel is om hier twee aanvullende eisen toe te voegen, die met name zorgen voor een eerlijke verdeling en een bepaalde mate van leefbaarheid. d. Het vaststellen van de hoogte van de bestuurlijke boetes. Het voorstel is om hier de boetebedragen over te nemen die in de tekst door het SvWrR zijn voorgesteld, om een zo eenduidig mogelijke situatie te creëren in de regio. Uitvoering/vervolgstappen • Indien de verordening door alle regiogemeenten wordt vastgesteld en in werking treedt per 1 juli 2025, zal de uitvoering vervolgens voornamelijk bij de woningcorporaties komen te liggen.

Zij zijn gemandateerd om huisvestingsvergunningen te verlenen, moeten het aanbod- en inschrijfplatform beheren (Woonnet Rijnmond) en zijn verantwoordelijk voor het in lijn brengen van de onderliggende spelregels. • Urgentieverleners zullen hun procedures moeten aanpassen n.a.v. deze verordening. • Als de verordening zoals voorgesteld wordt vastgesteld, en daarmee de adviezen worden overgenomen, zal de komende tijd worden onderzocht wat het vergunnen van de verschillende optionele woningmarktsegmenten kost en oplevert voor woningzoekenden en voor de gemeente Albrandswaard. Als er echter toch voor wordt gekozen om op dit moment al bepaalde woningmarktsegmenten, meer dan de verplichte onderdelen in de verordening, vergunningsplichtig te stellen, zal de komende tijd moeten worden gewerkt aan het uitvoeringsproces van de vergunningverlening. • Naast het vaststellen van deze huisvestingsverordening over woonruimtebemiddeling is het ook mogelijk om een aanvullende (huisvestings)verordening op te stellen waarin zaken kunnen worden geregeld zoals woningsplitsing, zelfbewoningsplicht en maximaal aantal bewoners per woonruimte. Het college wil de mogelijkheden voor zo’n aanvullende verordening onderzoeken en de bevindingen voor het einde van 2025 aan de raad voorleggen.

4/6

Financiën Het vaststellen van de verordening heeft op zichzelf geen financiële consequenties. Wel kunnen er financiële consequenties zitten aan het kiezen voor (een deel van) de eerder genoemde keuzemogelijkheden. Als binnen een gemeente niet-corporatie segmenten worden verordend moeten bijvoorbeeld communicatie, vergunningverlening en handhaving/toezicht worden georganiseerd en bekostigd. Het innen van leges zou echter (een deel van) de kosten kunnen dekken. Inclusiviteitstoets n.v.t. Communicatie/participatie na besluitvorming De verordening (incl. de toelichting) zal, indien deze wordt vastgesteld, via de vaste (verplichte) procedure gepubliceerd worden. Dit betekent dat de verordening samen met de toelichting zal worden gepubliceerd op overheid.nl.

Bijlagen 1. 2. 3. 4.

Bijlage 1_Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025 Bijlage 2_Toelichting Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025 Bijlage 3_Schaarsteonderbouwing Albrandswaard Bijlage 4_Keuzemogelijkheden Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025

5/6

CONCEPT RAADSBESLUIT Onderwerp: Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025 AW

Zaaknummer:

De raad van de gemeente Albrandswaard, gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders op 8 april 2025, gelet op Huisvestingswet 2014

BESLUIT: 1. De Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025, inclusief de Toelichting Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025, vast te stellen en per 01-07-2025 in werking te laten treden.

6/6

Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025 Hoofdstuk 1. Algemeen............................................................................................... 4 Paragraaf 1.1. Algemeen ........................................................................................ 4 Artikel 1.1.1. Begripsomschrijvingen.................................................................... 4 Hoofdstuk 2. De huisvestingsvergunning.................................................................... 6 Paragraaf 2.1. Algemeen ........................................................................................ 6 Artikel 2.1.1. Aanwijzing vergunningplichtige voorraad ........................................ 6 Artikel 2.1.2. Categorieën woningzoekenden ...................................................... 6 Artikel 2.1.3. De aanvraag om een huisvestingsvergunning ................................ 7 Artikel 2.1.4. Beoordeling van de aanvraag om een huisvestingsvergunning ...... 7 Artikel 2.1.5. De inhoud van de huisvestingsvergunning ..................................... 8 Paragraaf 2.2. Te huur aanbieden van woonruimte door corporaties ...................... 8 Artikel 2.2.1. Reikwijdte van deze paragraaf ....................................................... 8 Artikel 2.2.2. Te huur aanbieden van woonruimte door corporaties ..................... 8 Artikel 2.2.3.

Openbaar aanbod en het aanbodinstrument .................................. 8 Artikel 2.2.4. Direct aanbod ................................................................................. 9 Artikel 2.2.5. Bemiddelingsmodellen.................................................................... 9 Artikel 2.2.6. Voorrang in verband met de aard, grootte of prijs van woonruimte (passendheidsdoelgroepen) .............................................................................. 10 Artikel 2.2.7. Voorrang in verband met economische en maatschappelijke gebondenheid ..................................................................................................... 11 Artikel 2.2.8. Voorrang voor vitale beroepsgroepen ............................................ 11 Artikel 2.2.9. Volgordebepaling woningzoekenden ingeval van openbaar aanbod .......................................................................................................................... 12 Hoofdstuk 3. De urgentieverklaring .......................................................................... 13 Paragraaf 3.1. Verlening, weigering, intrekking en wijziging van de urgentieverklaring ................................................................................................. 13 Artikel 3.1.1. Bevoegdheid tot verlening van de urgentieverklaring ................... 13 Artikel 3.1.2.

De aanvraag om een urgentieverklaring ....................................... 13 Artikel 3.1.3. Weigeringsgronden....................................................................... 14 Artikel 3.1.4. Intrekkingsgronden ....................................................................... 15 Artikel 3.1.5. Wijzigingsgronden ........................................................................ 16 Artikel 3.1.6. Advisering ..................................................................................... 16 Artikel 3.1.7. Hardheidsclausule ........................................................................ 17 Paragraaf 3.2. Werking en inhoud van de urgentieverklaring ............................... 17 Artikel 3.2.1. Werking van de urgentieverklaring ............................................... 17 Artikel 3.2.2. Inhoud van de urgentieverklaring ................................................. 18 Artikel 3.2.3. Het woonruimtetype ...................................................................... 18 1

Artikel 3.2.4. Slaapkameraantal ......................................................................... 19 Paragraaf 3.3. Zoeken door en bemiddeling van de houder van de urgentieverklaring ................................................................................................. 19 Artikel 3.3.1. Direct starten van de tweede fase van de urgentie ....................... 19 Artikel 3.3.2. Zelf zoeken door de houder van de urgentieverklaring ................. 20 Artikel 3.3.3. Bemiddelen van de houder van de urgentieverklaring .................. 20 Paragraaf 3.4. De urgentiecategorieën ................................................................. 21 Artikel 3.4.1. Mantelzorg .................................................................................... 21 Artikel 3.4.2. Ernstige en chronische medische problematiek ........................... 22 Artikel 3.4.3. Uitstroom naar zelfstandig wonen ................................................ 22 Artikel 3.4.4. Onbewoonbaarheid ...................................................................... 23 Artikel 3.4.5. Woonlasten ................................................................................... 23 Artikel 3.4.6. Geweld en bedreiging ................................................................... 24 Artikel 3.4.7. Herhuisvesting bij sloop of ingrijpende verbetering ......................

24 Artikel 3.4.8. Vergunninghouders ...................................................................... 25 Hoofdstuk 4. Standplaatsen...................................................................................... 25 Paragraaf 4.1. Inleidende bepalingen ................................................................... 25 Artikel 4.1.1. Werkingsgebied ............................................................................ 25 Artikel 4.1.2. Aanvullende begripsomschrijvingen ............................................. 25 Paragraaf 4.2. De huisvestingsvergunning voor standplaatsen ............................ 25 Artikel 4.2.1. Aanwijzing vergunningplichtige voorraad ...................................... 26 Artikel 4.2.2. Verzoek om inschrijving op de wachtlijst van standplaatszoekenden .......................................................................................................................... 26 Artikel 4.2.3. Einde van de inschrijving op de wachtlijst van standplaatszoekenden....................................................................................... 26 Artikel 4.2.4. Verlening van de huisvestingsvergunning voor standplaatsen ..... 26 Artikel 4.2.5. Overgangsbepaling ...................................................................... 26 Hoofdstuk 5.

Overige bepalingen ............................................................................. 27 Paragraaf 5.1. Experimenten ................................................................................ 27 Artikel 5.1.1. Experimenten ............................................................................... 27 Artikel 5.1.2. Experimentenovereenkomst ......................................................... 27 Paragraaf 5.2. Registratie, monitoring en afstemming .......................................... 27 Artikel 5.2.1. Registratie en monitoring van vraag, aanbod en verhuringen van woonruimten van corporaties ............................................................................ 27 Artikel 5.2.2. Overleg naar aanleiding van monitoring ....................................... 28 Artikel 5.2.3. Registratie en monitoring bij overige woonruimten ....................... 28 Artikel 5.2.4. Overleg inzake de woonruimtebemiddeling .................................. 28 Paragraaf 5.3. Handhaving ................................................................................... 28

2

Artikel 5.3.1. Bestuurlijke boete ......................................................................... 28 Hoofdstuk 6. Overgangs- en slotbepalingen ............................................................. 29 Paragraaf 6.1. Overgangsbepalingen ................................................................... 29 Artikel 6.1.1. Overgangsbepaling voor aanvragen ............................................. 29 Artikel 6.1.2. Overgangsbepaling ingeval van bezwaar, beroep of hoger beroep .......................................................................................................................... 29 Artikel 6.1.3. Overgangsbepalingen voor urgentieverklaringen ......................... 29 Artikel 6.1.4. Overgangsbepaling voor huisvestingsvergunningen .................... 30 Paragraaf 6.2. Slotbepalingen ............................................................................... 30 Artikel 6.2.1. Intrekking van de Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024 ................................................................................................. 30 Artikel 6.2.2. Inwerkingtreding en citeertitel ....................................................... 30 Bijlage 1. Overgangsrecht urgentieverklaringen ....................................................... 31

3

Intitulé Besluit van de raad van de gemeente Albrandswaard houdende regels met betrekking tot de verdeling van woonruimte (Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024) De raad van de gemeente Albrandswaard; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 8 april 2025 en het rapport Schaarste in Albrandswaard van 6 september 2024 waaruit blijkt dat sprake is van onevenwichtige effecten van schaarste aan woonruimte; gelet op artikel 4, onder a, van de Huisvestingswet 2014; BESLUIT vast te stellen de Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025 en de Toelichting Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025. Hoofdstuk 1. Algemeen Paragraaf 1.1. Algemeen Artikel 1.1.1. Begripsomschrijvingen In deze verordening en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder: 1. aanbodinstrument: via een website toegankelijk elektronisch systeem waarmee aanbod en vraag van woonruimte bij elkaar wordt gebracht; 2. bemiddelingsmodel: een systeem waarmee de corporatie bepaalt in welke volgorde woningzoekenden voor huur van aangeboden woonruimte in aanmerking komen; 3. bindingsdoelgroep: de woningzoekenden die behoren tot één of meer van de in artikel 14 van de wet bedoelde groepen woningzoekenden; 4. bruto-vloeroppervlakte: bruto-vloeroppervlakte als bedoeld in artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving; 5.

corporatie: een toegelaten instelling als bedoeld in artikel 19 van de Woningwet of een gemeente die woonruimte te huur aanbiedt; 6. direct aanbod: het door een corporatie rechtstreeks aan een specifieke woningzoekende te huur aanbieden van woonruimte; 7. eerste fase van de urgentie: de fase van de urgentie die aanvangt op het moment dat de urgentieverklaring is verleend en eindigt nadat de zes daaropvolgende maanden zijn verstreken; 8. economisch gebonden: economisch gebonden als bedoeld in artikel 14, vierde lid, onder a, van de wet; 9. eigen toegang: afsluitbare toegang tot uitsluitend één woonruimte vanuit: a. het openbaar gebied of direct aan het openbaar gebied toegankelijk erf zoals een voortuin; of, b. een door meerdere woonruimten gedeelde verkeersruimte zoals een trappenhuis of portiek; 10. gemeente: gemeente Albrandswaard;

4

11. herkomstgemeente: de regiogemeente waar de aanvrager woonachtig was, direct voorafgaand aan huisvesting in een voorziening, instelling of inrichting als bedoeld in artikel 3.4.3; 12. huishouden: een alleenstaande, dan wel twee of meer personen, met of zonder kinderen, die een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren of wensen te voeren waarbij er sprake is van bewuste wederzijdse zorg en taakverdeling die het enkel gezamenlijk bewonen van een bepaalde woonruimte te boven gaat en waarbij de intentie bestaat om voor onbepaalde periode samen te wonen; 13. inkomen: rekeninkomen als bedoeld in artikel 1, aanhef en onderdeel i, van de Wet op de huurtoeslag; 14. inkomensgrens: de inkomensgrens bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Woningwet; 15. liberalisatiegrens: het bedrag genoemd in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag; 16. meerderjarige: een persoon die de leeftijd van 18 jaar bereikt heeft, of, indien de leeftijd van 18 nog niet is bereikt: a. die meerderjarig is verklaard met toepassing van artikel 235ha van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek; b. aan wie met handlichting als bedoeld in artikel 235 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek de bevoegdheid tot het sluiten van huurovereenkomsten of koopovereenkomsten voor woonruimte is toegekend; 17.

maatschappelijk gebonden: maatschappelijk gebonden als bedoeld in artikel 14, vierde lid, onder b, van de wet; 18. onzelfstandige woonruimte: woonruimte die geen eigen toegang heeft of niet door een huishouden kan worden bewoond zonder dat dit huishouden daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten de woonruimte; 19. openbaar aanbod: het door een corporatie via het aanbodinstrument te huur aanbieden van woonruimte voor verhuur vrijkomende of beschikbare woonruimte; 20. passende woonruimte: woonruimte die gelegen is in het in de urgentieverklaring opgenomen zoekgebied en voldoet aan het in de urgentieverklaring opgenomen woonruimtetype; 21. passendheidsdoelgroep: een overeenkomstig artikel 11 van de wet aangewezen gedeelte van de overeenkomstig artikel 10, eerste lid, van de wet in deze verordening aangewezen categorie woningzoekenden die in verband met de aard, grootte of prijs van woonruimte voorrang hebben bij de verlening van huisvestingsvergunningen; 22. reactie: de reactie waarmee een woningzoekende via het aanbodinstrument aangeeft, dat hij in aanmerking wenst te komen voor de door corporaties via het aanbodinstrument te huur aangeboden woonruimte; 23.

regio: de woningmarktregio bestaande uit de gemeenten Albrandswaard, Barendrecht, Capelle aan den IJssel, Krimpen aan den IJssel, Lansingerland, Maassluis, Nissewaard, Ridderkerk, Rotterdam, Schiedam, Vlaardingen en Voorne aan Zee; 24. regiogemeente: een gemeente die deel uitmaakt van de regio; 25. slaapkameraantal: het in het woonruimtetype opgenomen slaapkameraantal; 26. studentenwoning: woonruimte van een corporatie die met toepassing van het bepaalde in artikel 7:274d van het Burgerlijk Wetboek bestemd is voor bewoning door studenten;

5

27. tweede fase van de urgentie: de fase van de urgentie die start op het moment dat de eerste fase van de urgentie eindigt; 28. uitverhuisperiode: de periode die gelegen is tussen het verlenen van de urgentieverklaring, verleend voor indeling in de in artikel 3.4.7 bedoelde urgentiecategorie, en de in die urgentieverklaring genoemde datum waarop de houder van een urgentieverklaring zijn of haar huidige woonruimte gelet op de aanstaande sloop of ingrijpende renovatie uiterlijk verlaten moet hebben; 29. urgentiecategorie: een urgentiecategorie, bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de wet; 30. urgentiecriteria: de criteria volgens welke de woningzoekenden ingedeeld worden in de in paragraaf 3.4 bedoelde urgentiecategorieën; 31. urgentieverklaring: de beschikking waarmee een woningzoekende door het college van burgemeester en wethouders wordt ingedeeld in een urgentiecategorie als bedoeld in artikel 12 van de wet; 32. voorkeursurgentieregio: de urgentieregio waarvan de houder van de urgentieverklaring bij het indienen van de aanvraag heeft aangegeven bij voorkeur te willen wonen; 33. wet: de Huisvestingswet 2014; 34. woonruimtetype: het woonruimtetype als bedoeld in artikel 3.2.3; 35. zelfstandige woonruimte: woonruimte die geen onzelfstandige woonruimte is; 36.

zoekgebied: het als onderdeel van het zoekprofiel in de urgentieverklaring op te nemen deel van de regio waarin een woonruimte gelegen moet zijn; 37. zoekprofiel: de in de urgentieverklaring op te nemen eigenschappen waaraan een woonruimte moet voldoen zodat aan de houder van de urgentieverklaring de in artikel 12, eerste lid, van de wet bedoelde voorrang kan worden gegeven bij de verlening van een huisvestingsvergunning voor die woonruimte. Hoofdstuk 2. De huisvestingsvergunning Paragraaf 2.1. Algemeen Artikel 2.1.1. Aanwijzing vergunningplichtige voorraad 1. De volgende categorieën woonruimte zijn aangewezen als bedoeld in artikel 7 van de wet en mogen alleen voor bewoning in gebruik worden genomen of gegeven als daarvoor een huisvestingsvergunning is verleend: a. alle voor verhuur bestemde woonruimten van corporaties met een huurprijs tot de liberalisatiegrens; 2. In afwijking van het eerste lid is dit hoofdstuk niet van toepassing op: a. onzelfstandige woonruimte, voor zover deze rechtmatig als onzelfstandige woonruimte gebruikt wordt; b. woonwagens en standplaatsen; c. studentenwoningen; d. woonruimte die met toepassing van de Leegstandwet verhuurd wordt; e. woonschepen; f. woonruimte die in verband met aanstaande sloop of ingrijpende renovatie op basis van een tijdelijke huur- of gebruiksovereenkomst in gebruik wordt genomen voor bewoning. Artikel 2.1.2.

Categorieën woningzoekenden

6

De volgende categorieën woningzoekenden komen voor het verkrijgen van een huisvestingsvergunning in aanmerking: a. woningzoekenden die deel uitmaken van een huishouden waarvan tenminste één lid een meerderjarige is; b. woningzoekenden die in het bezit zijn van een urgentieverklaring. Artikel 2.1.3. De aanvraag om een huisvestingsvergunning 1. Bij de aanvraag om een huisvestingsvergunning verstrekt de aanvrager in ieder geval de volgende informatie, gegevens en bescheiden: a. de samenstelling van het huishouden waarmee de aanvrager de woonruimte wil betrekken; b. het adres van de woonruimte waar de aanvraag betrekking op heeft; c. voor zover dat niet uit de in het tweede lid bedoelde legitimatiebewijzen blijkt: bewijsstukken waaruit blijkt dat de aanvrager en de leden van diens huishouden voldoen aan het bepaalde in artikel 10, tweede lid, van de wet en behoren tot een in artikel 2.1.2 aangewezen categorie woningzoekenden; d. stukken waaruit blijkt dat het aannemelijk is dat het huishouden van de aanvrager na verlening van de aangevraagde huisvestingsvergunning de woonruimte ook daadwerkelijk in gebruik kan nemen; e. de over het afgelopen belastingjaar door de Belastingdienst afgegeven inkomensverklaring. 2. De aanvrager kan door het college van burgemeester en wethouders verzocht worden om diens legitimatiebewijs en dat van de leden van diens huishouden te tonen. 3.

Het college van burgemeester en wethouders beslist op een aanvraag om huisvestingsvergunning binnen veertien dagen na de dag van ontvangst daarvan. 4. De in het vorige lid bedoelde termijn kan éénmaal met ten hoogste veertien dagen verlengd worden. 5. Het college van burgemeester en wethouders kan per in artikel 2.1.1 aangewezen categorie woonruimte nadere regels stellen ten aanzien van de wijze van indienen van een aanvraag om een huisvestingsvergunning. Artikel 2.1.4. Beoordeling van de aanvraag om een huisvestingsvergunning 1. Een huisvestingsvergunning wordt geweigerd indien: a. de aanvrager of een lid van diens huishouden niet voldoet aan het in artikel 10, tweede lid, van de wet bepaalde; b. de aanvrager niet behoort tot een in artikel 2.1.2 aangewezen categorie woningzoekenden; c. niet aannemelijk is dat de aanvrager na verlening van de aangevraagde huisvestingsvergunning de woonruimte ook daadwerkelijk in gebruik kan nemen; d. de woonruimte niet overeenkomstig het in of op grond van deze verordening bepaalde te huur is aangeboden; e. een andere woningzoekende dan de aanvrager gelet op het bepaalde in de wet of in deze verordening ten opzichte van de aanvrager eerder in aanmerking komt voor verlening van de huisvestingsvergunning; of, f.

verlening van de huisvestingsvergunning tot gevolg zou hebben dat meer dan 50 procent van de huisvestingsvergunningen met voorrang verleend zouden worden aan woningzoekenden die economisch gebonden of maatschappelijk gebonden zijn aan:

7

i. de regio; ii. de gemeente; of, iii. een deel van de gemeente. 2. Een huisvestingsvergunning aangevraagd voor het in gebruik nemen van een in artikel 2.1.1, eerste lid, onder a, aangewezen woonruimte, kan voorts worden geweigerd indien het huishoudinkomen van aanvrager de inkomensgrens overschrijdt. Artikel 2.1.5. De inhoud van de huisvestingsvergunning 1. De huisvestingsvergunning bevat tenminste de volgende informatie: a. het adres van de woonruimte waarop zij betrekking heeft; en b. de naam van de persoon of namen van de personen aan wie de huisvestingsvergunning is verleend. 2. In een huisvestingsvergunning kan een voorschrift worden opgenomen op grond waarvan de vergunninghouder de woonruimte enkel binnen de in de vergunning genoemde termijn in gebruik kan nemen. Paragraaf 2.2. Te huur aanbieden van woonruimte door corporaties Artikel 2.2.1. Reikwijdte van deze paragraaf Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op woonruimte behorend tot de in artikel 2.1.1, eerste lid, onder a, genoemde categorie. Artikel 2.2.2. Te huur aanbieden van woonruimte door corporaties Corporaties bieden woonruimte te huur aan via openbaar aanbod of via direct aanbod. Artikel 2.2.3. Openbaar aanbod en het aanbodinstrument 1. Corporaties stellen gezamenlijk voor de gehele regio een aanbodinstrument in en houden dit in stand. 2.

Bij openbaar aanbod bieden corporaties via het aanbodinstrument hun voor verhuur vrijkomende of beschikbare woonruimte tenminste drie werkdagen te huur aan. Voor zover het bemiddelingsmodel daartoe aanleiding geeft, kunnen zij woonruimte te huur aanbieden door middel van een referentiewoning. 3. Het aanbodinstrument is via een gebruiksvriendelijke en toegankelijke website voor woningzoekenden te gebruiken en voldoet in ieder geval aan de volgende eisen: a. woningzoekenden kunnen zich als woningzoekende inschrijven en kunnen via het aanbodinstrument nagaan wat hun inschrijfduur is; b. woningzoekende kunnen aangeven, dat zij in aanmerking wensen te komen voor de door corporaties via het aanbodinstrument te huur aangeboden woonruimten; c. woningzoekenden worden op uniforme en transparante wijze geïnformeerd over de op grond van deze verordening en het toepasselijke bemiddelingsmodel geldende volgorde, waarin de categorieën woningzoekenden voor de huisvestingsvergunning in aanmerking komen; en d. woningzoekenden worden op uniforme en transparante wijze geïnformeerd over de voorwaarden waaraan zij moeten voldoen om in aanmerking te komen voor huur van de aangeboden woonruimten.

8

4. Een door het aanbodinstrument mogelijk gemaakte inschrijving van woningzoekenden om in aanmerking te komen voor woonruimte, vervalt niet in de gevallen bedoeld in de artikelen 11a, 11b en 11c van de wet. 5. De in het tweede lid genoemde termijn van drie werkdagen is de termijn bedoeld in artikel 17, eerste en derde lid, van de wet. 6. In afwijking van het tweede lid kan een corporatie de woonruimte korter dan drie werkdagen te huur aanbieden, als dat nodig is voor de uitvoering van het toegepaste bemiddelingsmodel. Artikel 2.2.4. Direct aanbod 1. De corporatie kan in de volgende omstandigheden woonruimte te huur aanbieden via een direct aanbod aan een woningzoekende: a. de woningzoekende is een houder van een geldende urgentieverklaring; b. er is sprake van woonruimte met een bijzondere vorm van bewoning zoals atelierwoningen en woongroepen en de uitdrukkelijke woonwens van de woningzoekende sluit bij die bijzondere vorm van bewoning aan; c. de woningzoekende heeft als gevolg van specifieke persoonlijke omstandigheden welke hem of haar onderscheiden van het overgrote deel van de woningzoekenden, een zeer geringe kans om zelfstandig binnen een redelijke termijn woonruimte te vinden; d. specifieke persoonlijke omstandigheden van de woningzoekende maken het noodzakelijk dat de woningzoekende niet zelf woonruimte vindt; e.

het belang van het bevorderen van doorstroming maakt het wenselijk om een woningzoekende een zeer specifiek aanbod aan woonruimte te doen; f. de woningzoekende beschikt als gevolg van een acute en onvoorziene omstandigheid niet meer over zelfstandige woonruimte en zou in verband daarmee in aanmerking komen voor een urgentieverklaring, maar het is om humanitaire redenen onwenselijk om te wachten totdat hij of zij met die urgentieverklaring woonruimte zou vinden; g. de woningzoekende moet als gevolg van een uitspraak van een burgerlijke rechter of het advies van een klachtencommissie over een geschil inzake woonruimtebemiddeling, door een corporatie gehuisvest worden; h. de te huur aangeboden woonruimte betreft een flexwoning, waaronder wordt verstaan woonruimte voor tijdelijk gebruik op een tijdelijke locatie; i. de woningzoekende wil de aan te bieden woonruimte in het kader van woningruil betrekken. 2. Indien woonruimte door een corporatie via direct aanbod te huur wordt aangeboden, komen de aanvragers voor de huisvestingsvergunning in aanmerking in de volgorde waarin hen door de corporatie een direct aanbod wordt gedaan. Artikel 2.2.5. Bemiddelingsmodellen 1. De corporaties stellen gezamenlijk de binnen de regio toe te passen bemiddelingsmodellen vast.

De corporaties nemen bij de vaststelling en toepassing van de bemiddelingsmodellen gezamenlijk het belang van een rechtmatige, transparante en evenwichtige verdeling van woonruimte binnen de regio in acht. 2. De corporaties gebruiken een bemiddelingsmodel wanneer zij woonruimte via openbaar aanbod aanbieden. 3. De bemiddelingsmodellen:

9

a. zijn transparant en zijn voor een ieder kenbaar en raadpleegbaar op of via de websites van de corporaties; en b. voorzien in bijzondere volgorderegels voor die gevallen waarin meer dan één huishouden op grond van de reguliere volgorderegels voor de huur van de woonruimte in aanmerking zouden komen. 4. De bemiddelingsmodellen en het gebruik daarvan waarborgen dat: a. het woningzoekenden mogelijk is om op te huur aangeboden woonruimte te reageren; b. de volgorde waarin woningzoekenden voor de verlening van de huisvestingsvergunning in aanmerking kunnen komen, met toepassing van artikel 2.2.9 vastgesteld wordt; en c. uitsluitend aan de hand van objectieve en rechtmatige criteria de volgorde bepaald wordt waarin woningzoekenden voor de te huur aangeboden woonruimte in aanmerking komen. Artikel 2.2.6. Voorrang in verband met de aard, grootte of prijs van woonruimte (passendheidsdoelgroepen) 1. Bij het verlenen van een huisvestingsvergunning voor woonruimte die behoort tot een in onderstaande tabel genoemde categorie woonruimte, kan voorrang gegeven worden aan woningzoekenden die behoren tot een in die tabel rechts van de desbetreffende categorie woonruimte genoemde passendheidsdoelgroep. Rijnummer

Kolom 1: Categorie woonruimte (gelabelde woonruimte)

Kolom 2: Passendheidsdoelgroep

1

Woonruimte geschikt voor de huisvesting van senioren

Huishoudens waarvan tenminste één lid de leeftijd van 55 jaar, of een hogere, nader te bepalen leeftijd, heeft bereikt.

2

Woonruimte in het bijzonder geschikt voor de huisvesting van jongeren

Huishoudens waarvan alle leden niet ouder zijn dan 27 jaar, of een lagere, nader te bepalen, leeftijd hebben.

3

Woonruimte in het bijzonder geschikt voor de huisvesting van starters

Huishoudens die geen zelfstandige woonruimte onbewoond achterlaten.

4

Woonruimte in het bijzonder geschikt voor de huisvesting van doorstromers

Huishoudens die een zelfstandige woonruimte onbewoond achterlaten.

5

Huishoudens die binnen de regio een zelfstandige woonruimte onbewoond achterlaten.

10

6

Woonruimte in het bijzonder geschikt en nodig voor bewoners met een beperking

Huishoudens in het bezit van een indicatie.

7

Woonruimte in het bijzonder geschikt voor gezinnen

Huishoudens bestaande uit tenminste één volwassene en één kind jonger dan 18 jaar.

8

Woonruimte in het bijzonder geschikt voor grote huishoudens

Huishoudens bestaande uit ten minste vijf personen.

10

Woonruimte met drie of minder kamers

Huishoudens die zelfstandige woonruimte van een corporatie met vier of meer kamers onbewoond achterlaten.

2. De categorieën woonruimte beschreven in kolom 1 van de in het vorige lid opgenomen tabel zijn aangewezen als categorieën woonruimte als bedoeld in artikel 11 van de wet. 3. In dit artikel wordt onder indicatie verstaan: een advies van een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen deskundige, waaruit blijkt of een huishouden als gevolg van een beperking van een lid of meerdere leden van het huishouden aangewezen is op woonruimte die in het bijzonder geschikt en nodig is voor bewoners met die beperking Artikel 2.2.7. Voorrang in verband met economische en maatschappelijke gebondenheid Bij de verlening van huisvestingsvergunningen voor ten hoogste 50 procent van de woonruimten die behoren tot de in artikel 2.1.1, eerste lid, onder a, bedoelde categorieën woonruimte, kan voorrang gegeven worden aan woningzoekenden die economisch gebonden of maatschappelijk gebonden zijn aan: a. regio; b. de gemeente; of c. een deel van de gemeente. Artikel 2.2.8. Voorrang voor vitale beroepsgroepen 1. Binnen de groep van woningzoekenden die economisch gebonden of maatschappelijk gebonden zijn aan de gemeente kan voorrang worden gegeven aan woningzoekenden die, blijkens een schriftelijke arbeidsovereenkomst met een omvang van tenminste 24 te werken uren per week, behoren tot tenminste één van de in het tweede lid aangewezen vitale beroepsgroepen. 2.

De in het eerste lid bedoelde vitale beroepsgroepen zijn overeenkomstig de door het Centraal Bureau voor de Statistiek gehanteerde beroepenindeling ‘ROA CBS 2014 (BRC 2014)’ de volgende beroepsgroepen: 0112 Docenten beroepsgerichte vakken secundair onderwijs 0113 Docenten algemene vakken secundair onderwijs 0114 Leerkrachten basisonderwijs 11

0131 Leidsters kinderopvang en onderwijsassistenten 0632 Brandweer en politie 1033 Verpleegkundigen 1051 Verzorgenden Artikel 2.2.9. Volgordebepaling woningzoekenden ingeval van openbaar aanbod 1. Indien woonruimte via openbaar aanbod te huur wordt aangeboden, wordt de volgorde waarin de aanvragers van de huisvestingsvergunning voor verlening daarvan in aanmerking komen, overeenkomstig dit artikel vastgesteld. 2. Voor de verlening van de huisvestingsvergunning komen achtereenvolgens in aanmerking: a. de woningzoekenden die in het bezit zijn van een passende urgentieverklaring en van hen als eerste degene bij wie de eerste fase van de urgentie als eerste is verlopen of verloopt; b. woningzoekenden die deel uitmaken van een bindingsdoelgroep of een passendheidsdoelgroep, indien aan hen daarom gelet op artikel 2.2.7 of artikel 2.2.6 voorrang wordt gegeven bij de verlening van huisvestingsvergunningen; c. de resterende woningzoekenden. 3. Indien op grond van het tweede lid niet kan worden vastgesteld in welke volgorde aanvragers in aanmerking komen voor verlening van de huisvestingsvergunning, wordt die volgorde vastgesteld op basis van het door de corporatie toegepaste bemiddelingsmodel. 4. Het tweede lid, onder a, is alleen van toepassing op een houder van een urgentieverklaring als: a. het door de corporatie toegepaste bemiddelingsmodel vermeld is in de urgentieverklaring; b.

in de urgentieverklaring niet is bepaald, dat de urgentieverklaring niet van toepassing is op de in artikel 2.2.6 bedoelde categorie woonruimte waartoe de te huur aangeboden woonruimte behoort; en c. de corporatie geen gebruik heeft gemaakt van de in het vijfde lid bedoelde mogelijkheid. 5. Een corporatie kan bij het via openbaar aanbod te huur aanbieden van woonruimte per kalenderjaar in maximaal 5 % van de gevallen aangeven, dat een urgentieverklaring niet tot gevolg heeft dat de houder ervan voorrang heeft bij de verlening van de huisvestingsvergunning. 6. Voor houders van een urgentieverklaring waarmee zij zijn ingedeeld in de urgentiecategorie ‘herhuisvesting bij sloop of ingrijpende verbetering’, wordt voor de toepassing van het bepaalde in het tweede lid, onder a, de eerste fase van de urgentie geacht te verlopen op het moment waarop de helft van de uitverhuisperiode is verstreken. 7. In dit artikel worden onder een passende urgentieverklaring verstaan: een urgentieverklaring die de houder ervan gelet op het bepaalde in artikel 3.2.1, tweede lid, voorrang geeft bij het verlenen van een huisvestingsvergunning voor de te huur aangeboden woonruimte. 8. Dit artikel is niet van toepassing op houders van een urgentieverklaring indien in de urgentieverklaring is bepaald, dat hij of zij niet zelf via het aanbodinstrument naar woonruimte kan zoeken.

12

Hoofdstuk 3. De urgentieverklaring Paragraaf 3.1. Verlening, weigering, intrekking en wijziging van de urgentieverklaring Artikel 3.1.1. Bevoegdheid tot verlening van de urgentieverklaring 1. Het college van burgemeester en wethouders beslist op een aanvraag om een urgentieverklaring. 2. Bevoegd is het college van burgemeester en wethouders van de regiogemeente waar de aanvrager woont. 3. Indien de aanvrager niet in de regiogemeente woont, beslist het college van de regiogemeente waar aanvrager wil gaan wonen op de aanvraag. 4. Indien de urgentieverklaring wordt aangevraagd met een beroep op de in artikel 3.4.3 opgenomen urgentiecriteria, beslist het college van de herkomstgemeente op de aanvraag. Artikel 3.1.2. De aanvraag om een urgentieverklaring 1. De aanvraag om een urgentieverklaring wordt ingediend bij het college van burgemeester en wethouders van de regiogemeente dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen. 2. Het college van burgemeester en wethouders kan bepalen dat de aanvraag om een urgentieverklaring in bepaalde categorieën van gevallen in afwijking van het bepaalde in het vorige lid, uitsluitend ingediend kan worden bij het bestuur van de Stichting Urgentiebepaling Woningzoekenden Rijnmond of een corporatie. 3.

Het college van burgemeester en wethouders dat op de aanvraag beslist, kan de aanvrager een vergoeding voor het behandelen van de aanvraag in rekening brengen. 4. De in het vorige lid bedoelde vergoeding bedraagt ten hoogste € 50,-. Dit bedrag mag vermeerderd worden met de kosten die gemoeid zijn met het door het college van burgemeester en wethouders inschakelen van externe adviseurs ten behoeve van de beoordeling van de aanvraag. 5. De aanvrager van een urgentieverklaring verstrekt bij de aanvraag in ieder geval elk van de volgende gegevens en bescheiden: a. de omvang en samenstelling van het huishouden waarop de aangevraagde urgentieverklaring betrekking heeft; b. een beschrijving van of gegevens over de aard en de oorsprong van het huisvestingsprobleem dat aan de aanvraag ten grondslag ligt; c. gegevens over het inkomen en het vermogen van het huishouden; en d. de voorkeursurgentieregio. 6. De in de aanvraag te vermelden voorkeursurgentieregio is één van de volgende urgentieregio’s: a. de urgentieregio Waterweg, bestaande uit de gemeenten Maassluis, Schiedam, Vlaardingen en het gebied dat samenvalt met de voormalige Rotterdamse deelgemeenten Hoek van Holland en Delfshaven; b. de urgentieregio Noord, bestaande uit de gemeente Lansingerland en het gebied dat samenvalt met de voormalige Rotterdamse deelgemeenten Overschie en Hillegersberg-Schiebroek; c.

de urgentieregio Hart van Rotterdam bestaat uit de voormalige Rotterdamse deelgemeenten Delfshaven, Overschie, Hillegersberg-Schiebroek en

13

Alexander en die delen van de gemeente Rotterdam die geen onderdeel zijn van een andere urgentieregio; d. de urgentieregio Oost, bestaande uit de gemeenten Capelle aan den IJssel, Krimpen aan den IJssel en het gebied dat samenvalt met de voormalige Rotterdamse deelgemeente Alexander; e. de urgentieregio Zuidrand, bestaande uit de gemeenten Barendrecht, Albrandswaard, Ridderkerk en het gebied dat samenvalt met de voormalige Rotterdamse deelgemeenten Charlois, Feijenoord, Hoogvliet, Pernis en IJsselmonde; f. de urgentieregio Voorne-Putten, bestaande uit de gemeenten Nissewaard en Voorne aan Zee en het gebied dat samenvalt met de voormalige Rotterdamse deelgemeente Rozenburg; g. de urgentieregio Noordoever, bestaande uit de gebieden die samenvallen met de voormalige Rotterdamse deelgemeenten Hoek van Holland, Delfshaven, Overschie, Hillegersberg-Schiebroek, Prins Alexander, Centrum, Noord en Kralingen-Crooswijk; of h. de urgentieregio Zuidoever, bestaande uit de gebieden die samenvallen met de voormalige Rotterdamse deelgemeenten Rozenburg, Pernis, Charlois, Feijenoord, Hoogvliet en IJsselmonde. Artikel 3.1.3. Weigeringsgronden 1. Het college van burgemeester en wethouders weigert de aangevraagde urgentieverklaring indien: a. het inkomen van het huishouden boven de inkomensgrens ligt; of b.

de aanvrager gelet op deze verordening niet in aanmerking komt voor indeling in een urgentiecategorie. 2. Het college van burgemeester en wethouders kan de aangevraagde urgentieverklaring weigeren indien sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden: a. de aanvrager of een lid van diens huishouden voldoet niet aan het in artikel 10, tweede lid, van de wet bepaalde; b. de aanvrager maakt geen deel uit van een huishouden waarvan tenminste één lid een meerderjarige is; c. de aanvrager is niet als woningzoekende ingeschreven in het aanbodinstrument; d. de aanvrager heeft geen urgent huisvestingsprobleem of kan dit redelijkerwijs zelf oplossen; e. de aanvrager niet economisch gebonden of maatschappelijk gebonden is aan de woningmarktregio; f. naar het oordeel het college van burgemeester en wethouders kan het urgente huisvestingsprobleem sneller of doelmatiger op een andere wijze opgelost worden; g. naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders is het niet aannemelijk een urgentieverklaring bijdraagt aan een snelle oplossing voor het urgente huisvestingsprobleem; h. naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders is het aannemelijk dat een corporatie gelet op de aard of omvang van de schulden van aanvrager, met de aanvrager geen huurovereenkomst zal sluiten;

14

i.

naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders is bewoning van een zelfstandige woonruimte door aanvrager en diens huishouden redelijkerwijs niet mogelijk; j. naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders is het urgente huisvestingsprobleem ontstaan als gevolg van verwijtbaar doen of nalaten van aanvrager of een lid van diens huishouden, voor zover dit doen of nalaten niet langer dan twee jaar voor het indienen van de aanvraag plaatsvond; k. naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders is het urgente huisvestingsprobleem ontstaan omdat aanvrager of een lid van zijn of haar huishouden geen gebruik heeft gemaakt van een van overheidswege verstrekte voorziening; l. naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders is het gelet op het recente woonverleden of de financiële situatie van aanvrager aannemelijk dat de verlening van de aangevraagde urgentieverklaring niet binnen zes maanden zal leiden tot huur van woonruimte; m. de aanvraag heeft betrekking op indeling in een in artikel 3.4.3 bedoelde urgentiecategorie en de in dat artikel genoemde voorziening of instelling waaruit aanvrager uitstroomt, is niet met toepassing van het bepaalde artikel 3.4.3, vijfde lid, aangewezen door een college van burgemeester en wethouders van een regiogemeente; n.

de aanvraag heeft betrekking op indeling in een in artikel 3.4.3 bedoelde urgentiecategorie en de aanvrager stemt niet in met een voorwaarde die het college van burgemeester en wethouders met toepassing van artikel 3.4.3, derde lid, voornemens is op te leggen; o. de aanvraag is ingediend binnen twee jaar nadat een eerder aan aanvrager of een lid van het huishouden van aanvrager verleende urgentieverklaring is ingetrokken met toepassing van artikel 3.1.4, eerste lid, onder f, of tweede lid, onder b, c of d. 3. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onder a, kan het college van burgemeester en wethouders ook als het inkomen van het huishouden van aanvrager boven de inkomensgrens ligt, de urgentieverklaring toch verlenen indien naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders sprake is van een uitzonderlijke medische situatie waardoor het urgente huisvestingsprobleem van aanvrager niet opgelost kan worden binnen een ander deel van de woonruimtevoorraad dan aangewezen in artikel 2.1.1, eerste lid, onder a. Artikel 3.1.4. Intrekkingsgronden 1. Het college van burgemeester en wethouders kan een urgentieverklaring intrekken als: a. de houder van de urgentieverklaring om intrekking daarvan verzoekt; b. het huisvestingsprobleem dat ten tijde van verlening van de urgentieverklaring bestond, niet meer bestaat; c.

het inkomen van het huishouden boven de inkomensgrens ligt; d. sprake is van één of meer van de in artikel 3.1.3, tweede lid, genoemde omstandigheden; e. de houder van de urgentieverklaring niet meer voldoet aan de urgentiecriteria; of

15

f. de houder van de urgentieverklaring bij het verzoek om indeling in een urgentiecategorie onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en, indien wel juiste of volledige gegevens verstrekt zouden zijn geweest, de urgentieverklaring was geweigerd. 2. Het college van burgemeester en wethouders kan voorts een urgentieverklaring intrekken indien sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden: a. tijdens de eerste fase van de urgentie heeft de houder van de urgentieverklaring nagelaten via het aanbodinstrument een reactie te geven op tenminste 24 verschillende, via het aanbodinstrument aangeboden, woonruimten die voldoen aan het in de urgentieverklaring opgenomen woonruimtetype en die gelegen zijn in de in de urgentieverklaring genoemde voorkeursurgentieregio; b. tijdens de tweede fase van de urgentie heeft de houder van de urgentieverklaring nagelaten via het aanbodinstrument tenminste eenmaal per week een reactie te geven op woonruimten die voldoen aan het in de urgentieverklaring opgenomen zoekprofiel en gelegen zijn in de op de urgentieverklaring vermelde voorkeursurgentieregio; c. de houder van de urgentieverklaring heeft passende woonruimte geweigerd; d. de houder van de urgentieverklaring een via een eigen reactie aangeboden woonruimte, welke tenminste voldeed aan het in de urgentieverklaring opgenomen woonruimtetype, heeft afgewezen; e.

de houder van de urgentieverklaring verhuist naar een zelfstandige woonruimte, tenzij de houder van de urgentieverklaring binnen dertig dagen na de verhuizing verzoekt om het voort laten duren van de urgentieverklaring en daarbij onderbouwd aantoont dat het huisvestingsprobleem in verband waarmee de urgentieverklaring was afgegeven, niet is opgelost; f. de houder van de urgentieverklaring aan hem aangeboden woonruimte misloopt omdat hij de gegevens en bescheiden die hij moet aanleveren voor het sluiten van de huurovereenkomst, niet binnen de door de corporatie aangegeven termijn of voor het door de corporatie aangegeven tijdstip aanlevert; of g. de houder van de urgentieverklaring komt één of meer van de op grond van artikel 3.3.2 op hem rustende verplichtingen of een aan de urgentieverklaring verbonden voorwaarde of verplichting niet na. 3. Het vorige lid, onder a en b, is niet van toepassing op een urgentieverklaring verleend voor indeling in de in artikel 3.4.7 bedoelde urgentiecategorie. Artikel 3.1.5. Wijzigingsgronden Het college van burgemeester en wethouders kan een urgentieverklaring wijzigen indien: a. de woningzoekende bij het verzoek om indeling in een urgentiecategorie onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en, indien wel juiste of onvolledige gegevens verstrekt zouden zijn geweest, anders op het verzoek zou zijn besloten; of b.

de omstandigheden die leidden tot toekenning van de urgentieverklaring zodanig gewijzigd zijn, dat zij nopen tot wijziging van de urgentieverklaring. Artikel 3.1.6. Advisering 1. Het college van burgemeester en wethouders kan zich bij de voorbereiding van een besluit op de aanvraag om een urgentieverklaring of een besluit tot wijziging

16

of intrekking van een urgentieverklaring laten adviseren door een ter zake deskundige persoon. 2. Indien in het eerste lid bedoelde advisering geschiedt door een ter zake deskundige medische of sociaal-medische adviseur, heeft deze geen behandelrelatie met de aanvrager van de urgentieverklaring. Artikel 3.1.7. Hardheidsclausule 1. Het college van burgemeester en wethouders is, indien strikte toepassing van deze verordening zou leiden tot weigering van een urgentieverklaring, bevoegd om toch een urgentieverklaring toe te kennen indien: a. weigering van een urgentieverklaring leidt tot een schrijnende situatie; en b. sprake is van bijzondere, bij het vaststellen van de verordening onvoorziene, omstandigheden die gelet op het doel van de verordening redelijkerwijs toch tot een grond voor de verlening van een urgentieverklaring zouden kunnen zijn. 2. Het college van burgemeester en wethouders registreert de gevallen waarin met toepassing van het in het eerste lid bepaalde een urgentieverklaring wordt verleend. De registratie bevat ten minste de datum waarop de urgentieverklaring wordt verleend en de specifieke omstandigheden van het geval die leiden tot de verlening van de urgentieverklaring. De registraties worden besproken in het in artikel 4.2.2 van de verordening bedoelde overleg. Paragraaf 3.2. Werking en inhoud van de urgentieverklaring Artikel 3.2.1.

Werking van de urgentieverklaring 1. Bij de verlening van een urgentieverklaring wordt de houder ervan ingedeeld in een urgentiecategorie. 2. De houder van een urgentieverklaring heeft met inachtneming van het bepaalde in paragraaf 2.2 voorrang bij het verlenen van een huisvestingsvergunning indien voldaan is aan elk van de volgende voorwaarden: a. de urgentieverklaring is niet ingetrokken; b. de aangeboden woonruimte behoort tot het woonruimtetype dat in het zoekprofiel van de urgentieverklaring is opgenomen; c. de aangeboden woonruimte ligt in het zoekgebied dat onderdeel uitmaakt van het zoekprofiel dat in de urgentieverklaring is opgenomen; d. indien woonruimte via openbaar aanbod te huur wordt aangeboden, is in de urgentieverklaring met toepassing van artikel 3.2.2, vijfde lid, onder a, of in het bemiddelingsmodel niet uitgesloten dat de houder van de urgentieverklaring op de aangeboden woonruimte mag reageren; e. in de urgentieverklaring is niet met toepassing van artikel 3.2.2, vijfde lid, onder b, bepaald, dat de houder van de urgentieverklaring niet vanwege de urgentieverklaring voorrang heeft bij het verenen van huisvestingsvergunningen. 3. De urgentieverklaring vervalt indien: a. de houder niet langer als woningzoekende is ingeschreven in het aanbodinstrument; of b.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.albrandswaard.nl/api/v1/meetings/3738/documents/33727