6. 153400 Raadsvoorstel Integraal Beleid Sociaal Domein.pdf
Tekst van het document
De ‘transformatie’ en de veronderstelde kostenreductie hebben tijd nodig. Hier geldt het principe ‘de kosten gaan voor de baten uit’. Langdurige investeringen in gezondheid en
1
Eerstelijnszorg is alle zorg die direct toegankelijk is voor de patiënt. Denk aan huisartsen, maatschappelijk werk en spoedeisende hulp in ziekenhuizen. 2 Tweedelijnszorg is de zorg waar een verwijzing voor nodig is. 3 Nuldelijnszorg is de zorg die gegeven wordt door mantelzorgers, vrijwilligers en familie.
6
preventie, monitoring van de effecten daarvan en daaruit volgende lering en bijstelling zijn nodig om op termijn een kostenreductie te kunnen realiseren. Het is van belang dat er ruimte is voor ontwikkelen, leren en bijstellen van vernieuwende aanpakken. Dit vraagt om het inrichten van een faciliterende structuur waarin partners participeren. We gaan op zoek naar mogelijkheden voor kostenreductie door innoveren en experimenteren samen met onze partners. We benutten daarbij ervaringen die elders zijn of worden opgedaan. Eventuele kostenbesparingen zullen niet altijd terug te leiden zijn naar de gemeentelijke begroting. Zo kunnen ook zorgverzekeraars of andere overheden baat hebben bij vroegtijdige inzet van hulp of ondersteuning bij extra investeringen in welzijn. Andere autonome ontwikkelingen kunnen het beroep op de zorg en de daarmee gepaard gaande kosten beïnvloeden, zoals wijzigingen in het Rijksbeleid, economische - en demografische ontwikkelingen.
2.2 Wat willen we bereiken? In het licht van de beoogde verandering, de ‘transformatie’, luidt de gemeentelijke missie: Samen met inwoners en maatschappelijke partners wil de gemeente werken aan een vitale en gelukkige samenleving waarin iedereen mee kan doen. Voor inwoners die (tijdelijk) hulp en ondersteuning nodig hebben is een vangnet aanwezig. In het licht van deze missie heeft de gemeente gewerkt aan het formuleren van maatschappelijke effecten. Bij aanvang van het opstellen van het beleid zijn de maatschappelijke vraagstukken bepaald waar we als lokale overheid een wettelijke verantwoordelijkheid in hebben of (samen met onze partners) een rol in willen hebben. Dit is onder meer gebeurd middels het analyseren van documenten, een evaluatie, aan de hand van gegevens uit de gemeentescan, een beschouwing van relevante trends en ontwikkelingen en input die we van verschillende relevante partijen en inwoners hebben ontvangen. Ook medewerkers uit de uitvoering hebben hun zienswijze gegeven op de knelpunten en relevante maatschappelijke vraagstukken. In de hoofdstukken 3 t/m 7 zijn de maatschappelijke effecten in beeld gebracht en de inspanningen die we (nu al) gaan leveren. De aan deze thema’s gekoppelde relevante maatschappelijke trends en ontwikkelingen & kwantitatieve gegevens zijn opgenomen in bijlage 1.
Voordat de maatschappelijke effecten verder in beeld worden gebracht maken we eerst duidelijk op welke wijze de gemeente vorm geeft aan de sturing op deze maatschappelijke effecten en inspanningen.
2.3 Hoe gaan we daarop sturen? De vraagstukken in het sociaal domein zijn complex en de aanpak ervan is meerledig. De gemeente gaat deze maatschappelijke uitdagingen graag samen met haar partners aan. Partners in de brede zin van het woord. Ook is het van belang dat de zorg betaalbaar blijft (wordt) voor de gemeenschap. Om deze reden is het van groot belang dat de inspanningen die verricht en veelal bekostigd worden zo effectief en efficiënt als mogelijk zijn. De gemeente wil in samenwerking met de maatschappelijke partners op de geformuleerde maatschappelijke effecten gaan sturen. Sturing op maatschappelijk effect of resultaat wordt ook wel ‘outcome-gerichte’ sturing genoemd.
7
2.3.1 Sturing op maatschappelijk resultaat Lange tijd was de veronderstelling in ‘gemeenteland’ dat grip op het effect kon ontstaan wanneer het duidelijk was welke inspanningen werden geleverd. Inmiddels is bekend dat de relatie tussen de diensten die geleverd worden en de beoogde effecten complexer in elkaar zit. Dat wil overigens niet zeggen dat de gemeente de inspanningen niet in beeld moet hebben. Integendeel, het is belangrijk om dat overzicht te hebben om vervolgens ook te kunnen bijsturen op basis van het resultaat. Echter dat zal de gemeente in steeds mindere mate doen op de zogenaamde ‘output’, dat wil zeggen op bijvoorbeeld het aantal bezoeken dat aan 75-plussers is uitgevoerd, of het aantal inwoners dat een avond heeft bijgewoond ter bestrijding van eenzaamheid. Dergelijke indicatoren zijn niet onbelangrijk, want op die wijze kan wel het bereik van de gewenste doelgroepen en de omvang van de ingezette inspanningen vast worden gesteld. Maar de gemeente wil het maatschappelijk resultaat meer centraal stellen. Dat wil zeggen dat in het voorbeeld van de 75-plussers niet primair de vraag zal zijn of iedereen bezocht is maar hoe het (ervaren) maatschappelijk resultaat van de afgelegde bezoeken is.
Alleen langs die weg komen we tot de kernvragen: doet de gemeente de juiste dingen? Doen de maatschappelijke partners de juiste dingen? Is bijsturing noodzakelijk? Is er ruimte om met een andere vorm van inzet te experimenteren? Zijn er succesvolle praktijken elders in Nederland die we ook in Albrandswaard kunnen toepassen? Outcome gaat dus niet over het aantal diensten dat wordt geleverd maar juist over de effecten daarvan: wat brengen de inspanningen teweeg? Daarom lijkt het meten van outcome een betere manier om vast te stellen of de beoogde doelen behaald worden4.
2.3.2 Pijlers voor succesvolle implementatie De ‘transformatiebeweging’ (zie paragraaf 2.1.1 ‘Transformatie’) die de gemeente in de samenleving tot stand wil zien komen en de maatschappelijke effecten die gemeente wil bereiken vragen om een integrale aanpak in de gemeentelijke dienstverlening en tussen gemeente, partners en inwoners. Het vraagt om focus en afstemming in rollen, taken en inzet van gemeenten en partners, om onderbouwing door cijfers en ervaringen, een voortdurende leercyclus en op basis daarvan het (voortdurend) doorvoeren van verbeteringen en vernieuwingen. Om dat te kunnen bewerkstelligen implementeert de gemeente het ‘Integraal Beleid Sociaal Domein’ rondom een drietal pijlers:
Partnerschap & ruimte voor burgerinitiatief Ruimte voor ‘leren en experimenteren’ Integrale samenwerking en zorg dichtbij
De mate waarin de gemeente en partners in staat zijn om deze pijlers goed te organiseren zullen er naar onze overtuiging toe leiden dat de doelen van het ingezette beleid steeds beter bereikt worden. De pijlers zouden dus ook kunnen worden omschreven als kritische succesfactoren. In de volgende paragrafen gaan we op deze succesfactoren in. 1. Partnerschap en ruimte voor burgerinitiatief Daar waar de overheid voorheen met name gericht was op rechtmatigheid en prestaties, wordt de rol van de overheid steeds meer samenwerkingsgericht en responsief; met name op het gebied van complexe sociale vraagstukken. Hier hoort een andere manier van sturing en beheersing bij; meer gericht op samenwerking, op gezamenlijk eigenaarschap binnen een samenhangende, integrale aanpak. Deze beweging is in onderstaand figuur weergegeven:
4
De outcome-indicatoren zijn nog niet opgenomen in deze conceptnota. In de ontwerpversie van de nota die eind 2020 gereed zal zijn, zal een set indicatoren zijn opgenomen.
8
Figuur 2 - vier rollen van de overheid (Berenschot, 2019)
Om de vraagstukken in het sociaal domein aan te pakken en de gewenste transformatie te bewerkstelligen focust de gemeente zich meer op haar rol als samenwerkende en responsieve overheid. Vanuit de responsieve benadering biedt de gemeente, daar waar het bijdraagt aan het bereiken van de maatschappelijke effecten, ruimte aan (buurt)initiatieven van inwoners. De rol van de gemeente blijft enerzijds sturend, bijvoorbeeld op het gebied van de inkoop & bekostiging van diensten/aanbod of met oog op de uitvoering van wetten of in het kader van fraudebestrijding. Daarnaast zal de gemeente zich meer verbindend, faciliterend, stimulerend en soms initiërend opstellen. De gemeente is vanuit deze benadering meer de procesregisseur die samenwerkingsverbanden ‘smeedt’, ketens aan elkaar verbindt en innovatievermogen opbouwt samen met de betrokken partners. In de hoofdstukken 3 t/m 7 zijn in tabellen per maatschappelijk effect weergegeven welke inspanningen ten tijde van de aanvang van deze beleidsperiode verricht worden die bijdragen aan het beoogde effect. Rondom ieder maatschappelijk effect zal een ‘opgavetafel’5 worden gevormd. In samenspraak met onze partners aan iedere ‘opgavetafel’ wordt besproken op welke wijze inzet gepleegd kan worden om de beoogde effecten zo effectief en efficiënt als mogelijk te bereiken.
De bedoeling is dat hiermee de integraliteit van de aanpak wordt verbeterd, dat overlap in het aanbod wordt voorkomen of weggenomen en dat met de partners aan tafel wordt bezien waar innovatieve aanpakken gerealiseerd kunnen worden. Ook de resultaten van het gevoerde beleid worden aan deze tafels besproken. De inzichten van de opgavetafel kan voor de gemeente aanleiding zijn wijzigingen aan te brengen in de (bekostiging van) diensten in het sociaal domein. Data-gedreven werken De complexiteit van de vraagstukken maakt dat traditionele sturingswijzen niet volstaan en vraagt om een aanpak die meer outcomegericht dan outputgericht is. De gemeente wil op een stapsgewijze manier een meer data- en informatiegedreven vorm van werken ontwikkelen die ondersteunend is aan de outcome-gerichte sturing. Gemeente en partners hebben hier samen een rol. Die ontwikkeling vraagt om een gestructureerde lange termijnaanpak met aandacht voor leren, monitoren, analyseren 5
De term ‘opgavetafel’ wordt gehanteerd om duidelijk te maken dat aan de betreffende overlegtafel gefocust wordt op het bereiken van het betreffende maatschappelijke effect. Er komen derhalve vijf opgavetafels. De bij het betreffende maatschappelijke effect betrokken partijen zijn partner in het overleg, alsmede een vertegenwoordiging van de doelgroep en/of inwoners van de gemeente.
9
en meten. Outcomegericht werken vraagt zowel om kwantitatief als kwalitatief onderzoek. Om gegevens uit onder meer rapportages, data-analyses, klantervaringsonderzoeken en interviews met de doelgroep goed te kunnen interpreteren, moet het gesprek (vanuit meerdere perspectieven) gevoerd worden. Het is van belang dat bij deze gesprekken een diversiteit van actoren aanwezig is; ook de doelgroep(en) van ons beleid zullen bij de ‘opgavetafels’ betrokken worden. Waar mogelijk wordt data op wijkniveau ontsloten ten behoeve van de wijkgerichte hulp en ondersteuning en samenwerking (zie daarvoor ook punt 3. Integrale en wijkgerichte samenwerking). 2. Ruimte voor ‘leren en experimenten’ Vanuit de ‘opgavetafels’ zal ook onderzocht worden of een aantal projecten gericht op innovatie uitgevoerd kan worden en wordt kennis en ervaring die elders in het land is opgedaan benut. We onderzoeken in samenwerking met onze partners nieuwe vormen van hulp en ondersteuning en bieden mogelijkheden om te investeren in innovatie. We creëren een centralere plek voor innovatie en diversiteit in het zorg- en ondersteuningsaanbod van maatschappelijke organisaties en partners. De gewenste transformatie vraagt immers om een andere houding en werkwijze van de gemeente: gelijkwaardig samenwerken met burgers, professionals, organisaties en bedrijven en uitzoeken wat werkt, of niet, en daarvan leren.
Samen sturen via ‘Opgavetafels‘ Het alleen meten van de output (bijvoorbeeld het aantal geleverde diensten) volstaat zoals gezegd niet. De gemeente wil de effecten van de middelen die worden ingezet -zoals vroegsignalering, welzijnsactiviteiten, activiteiten die participatie bevorderen of zorg en ondersteuning die worden geboden- volgen en hierop kunnen (bij)sturen. In een cyclisch proces worden periodiek de resultaten van de inzet via onderzoek en monitoring geïnventariseerd. Over de resultaten van de inventarisatie gaan we in gesprek met de partners die aan de betreffende ‘opgavetafels’ deelnemen. Dit om met elkaar de resultaten en bevindingen te duiden en gezamenlijk te bezien wat er in de activiteiten en de aanpak verbeterd kan worden. Hiermee ontstaat een cyclisch proces waarin het gewenste maatschappelijk effect (de outcome) sturend is. In het hierboven beschreven proces staat structureel leren en ontwikkelen centraal met als doel de kwaliteit van de inzet steeds meer te verbeteren en flexibel in te kunnen spelen op ontwikkelingen en/of veranderende omstandigheden. Het proces is in onderstaande afbeelding weergegeven.
Figuur 3 (bron: Movisie)
10
De inzet brengt bepaalde resultaten teweeg en heeft daardoor een bepaald maatschappelijk impact. In de literatuur wordt het zinvolle onderscheid gemaakt tussen outcome (effecten korte termijn, voor de direct betrokken partijen) en maatschappelijke impact (effecten lange termijn, voor de maatschappij als geheel). De outcome wordt eveneens beïnvloed door autonome ontwikkelingen zoals economische ontwikkelingen of een crisis zoals de coronacrisis. Dit worden omgevingsfactoren genoemd. Ook deze omgevingsfactoren moeten betrokken worden bij de bespreking van behaalde resultaten. Het kan zijn dat het beleid met succes is uitgevoerd maar dat een andere maatschappelijke ontwikkeling of actualiteit de resultaten beïnvloedt, zoals een recessie. 3. Integrale samenwerking en zorg dichtbij De gemeente investeert in de optimalisatie van de eigen dienstverlening door werkwijzen en – processen bij de uitvoering van de wetgeving sociaal domein op elkaar af te stemmen. De vraagverheldering en vraagverduidelijking gebeurt waar nodig integraal en zo vroeg mogelijk in het proces. Ook in het kader van de eigen dienstverlening stelt de gemeente zichzelf tot doel om op het resultaat te sturen. Het is immers primair zinniger te weten wat het resultaat is van onze dienstverlening dan ‘af te kunnen vinken’ of iemand hulp of ondersteuning heeft gehad.
De gemeente zet in op een integrale dienstverlening met oog voor het duurzaam resultaat voor de inwoner. Indicatoren hierbij zijn bijvoorbeeld het ervaren resultaat, de mate waarin de zelfredzaamheid is versterkt en het herhaald beroep op hulp. De integrale aanpak van de gemeentelijke dienstverlening heeft betrekking op de uitvoering van de Participatiewet, de Wet op de gemeentelijke schuldhulpverlening, de Wet maatschappelijke ondersteuning en de Jeugdwet w.o. de hulp vanuit de wijkteams en ingekochte (specialistische) hulpvoorzieningen. Sommige onderdelen van de dienstverlening voert de gemeente niet zelf uit maar heeft de gemeente via een vorm van opdrachtgeverschap bij partners belegd. Dit geldt onder andere voor de hulpverlening die vanuit de wijkteams wordt geboden (de zogenaamde ‘basishulp’) en de ingekochte (specialistische) hulp die door specialistische aanbieders wordt aangeboden. Vraagwijzer Vraagwijzer is er voor iedere inwoner van Albrandswaard die vragen heeft over wonen, werken, inkomen, opvoeding, zorg en gezondheid. Bij Vraagwijzer kan iedereen terecht voor gratis informatie en advies. De consulenten van Vraagwijzer geven informatie en helpen inwoners bij aanvragen, bij het invullen van formulieren en ze verwijzen inwoners door naar de juiste instanties. Samen met inwoners zoeken ze naar antwoorden en oplossingen die bij hun persoonlijke situatie passen.
Wijkteams Sinds de oprichting van de wijkteams is er veel veranderd. Deze veranderingen zijn vooral zichtbaar in de samenstelling van de teams, de aansturing en in de samenwerking met andere partijen. De oorspronkelijke ambitie van veel gemeenten en zo ook in Albrandswaard was om vanuit de sociale wijkteams dichtbij, laagdrempelig (aansluiten bij de inwoners) en outreachend te werken. Tot nu toe komt echter uit iedere peiling of onderzoek dat de wijkteams onvoldoende toekomen aan preventief werken en vroegsignalering. Ook het doorontwikkelen van individueel aanbod naar collectieve voorzieningen wordt herhaaldelijk genoemd als taak waar onvoldoende tijd voor is. Door veel voorkomende problemen collectief en preventief aan te pakken, wordt de zelf- en samenredzaamheid van inwoners groter en mogelijke risico’s voorkomen6. De gemeente werkt de komende periode aan de aanscherping van rollen en taken voor de wijkteams in relatie tot de rol van de gemeente en partners in de wijk. Gemeente en partners maken afspraken en 6
Bron: Rapport-Sociale-wijkteams-vijf-jaar-later-2020, Movisie
11
scheppen duidelijkheid over ieders verantwoordelijkheid. De afspraken vormen samen met dit Integraal Beleid Sociaal Domein een belangrijke basis voor de doorontwikkeling van de wijkteams. Uitgangspunt van het wijkteam is de eigen kracht van de individuele inwoner en zijn of haar netwerk, de kracht van de wijk en de kracht van de wijkteamprofessional. Samen zorgen zij voor een sterke basisstructuur in de wijk, waar ieder zoveel mogelijk zelf doet, maar waar inwoners ook de hulp en ondersteuning krijgen die ze nodig hebben. De kracht van een wijkteam zit in het integraal en wijkgericht werken dichtbij de inwoners. Dit past bij het dorpse karakter van Albrandswaard. Vragen van inwoners kunnen snel en adequaat worden opgepakt. De taken van het wijkteam zijn:
het organiseren van de ondersteuningsvragen die binnenkomen en voeren van casusregie. uitvoeren van (kortdurende ) ondersteuningstrajecten. een adviesfunctie en samenwerkingspartner voor het lokale veld op het gebied van preventie, gezondheid en welzijn. vroegtijdig signaleren en inzetten op preventie. diagnostiek/vraagverheldering zodat passende hulp en ondersteuning ingezet kan worden.
De komende jaren verschuift het accent van het wijkteam naar netwerksamenwerking, hulpverlening en casusregie. De gemeente neemt een meer prominente rol in bij de toegang en toeleiding naar specialistische hulpverlening. De ontwikkelpunten voor de wijkteams zijn voornamelijk gelegen in:
Intensiveren van preventief werken en vroegsignalering. Meer outreachend werken. (Meedenken over het) doorontwikkelen van collectieve voorzieningen. De verbinding met de zogenaamde nuldelijnszorg.
Zorg dichtbij De integraliteit van hulpverlening raakt ook de samenwerking van de gemeente met andere verwijzers naar hulpverlening zoals huisartsen en de jeugdbescherming, of partners in de wijk zoals de thuiszorg en wijkverpleging, de (jeugd)gezondheidszorg en het welzijnswerk. De gemeente wil de wijkgerichte samenwerking op het gebied van hulp en ondersteuning verder ontwikkelen. Daarbij stelt de gemeente niet de klacht en het individu centraal maar de behoefte(n) van de groep(en) binnen de wijk. De grootste knelpunten en behoefte(n) vormen het uitgangspunt voor het vinden van kansrijke en duurzame oplossingen op het gebied van gezondheid en welzijn. De gemeente wil een goed werkend wijknetwerk doorontwikkelen op het gebied van welzijn, gezondheid, hulp en ondersteuning. Sinds de opzet van de wijkteams in 2014/2015 heeft de gemeente met de partners die hulp leveren via de wijkteams, binnen de mogelijkheden die er waren, belangrijke stappen gezet in wijkgerichte hulp en het bouwen aan een wijknetwerk. Dat opgebouwde wijknetwerk wil de gemeente behouden en uitbouwen. De gemeente streeft daarbij in lijn met het voorgaande naar :
een (stevige) regierol vanuit de gemeente; gedeeld eigenaarschap; goede informatiepositie; een transparante werkwijze met een heldere rol- en taakverdeling tussen partners in de wijk, verwijzers en contractanten; het verbeteren van de ervaren kwaliteit van hulp en ondersteuning; het verbeteren van de gezondheid (van een populatie); het verlagen van de kosten per hoofd van de bevolking. 12
Gegevensuitwisseling Een factor waar in de integrale aanpak op casusniveau rekening mee moet worden gehouden, is de privacy en als gevolg daarvan de (on)mogelijkheden in het delen van informatie. De huidige wetgeving (AVG) zorgt ervoor dat de gemeente en partners tot op heden nog beperkt worden in de uitwisseling van gegevens tussen de uitvoering van de onderscheiden wettelijke kaders. Op het punt van gegevensuitwisseling volgt de gemeente de landelijke ontwikkelingen op de voet. De Wet aanpak meervoudige problematiek sociaal domein (Wams) zal de uitwisseling van persoonsgegevens binnen het sociaal domein regelen en faciliteert de integrale aanpak. Deze wet voorziet in een uitgebreide aanpassing van de Wmo 2015, en een korte verwijzing daarnaar in de Jeugdwet, de Participatiewet en de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening. Deze wet treedt naar verwachting 2021 in werking. Specialistisch aanbod Op het gebied van jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning zoekt de gemeente naar mogelijkheden om synergie te behalen tussen de (inkoop van) diverse typen hulp en ondersteuning in het spectrum van licht tot zwaar. Daarbij valt te denken aan de overgang van 18- naar 18+ of de vormgeving van een betere aansluiting tussen zware en lichte ondersteuning waardoor mogelijkheden om te sturen op ‘afschaling’ worden vergroot.
Met ‘afschaling’ bedoelt de gemeente de sturing op de inzet van zo licht mogelijke passende hulp. Strategische samenwerking Op een aantal terreinen werkt de gemeente strategisch samen. Bijvoorbeeld als het beschikbaar stellen van (schaarse) voorzieningen beter te organiseren is via het benutten van schaalvoordelen in een groter samenwerkingsverband. Denk hierbij aan de samenwerking in de jeugdhulpregio Rijnmond met het oog op de beschikbaarheid van hoogwaardige specialistische voorzieningen waaronder jeugdbescherming en -reclassering. In dit samenwerkingsverband ontwikkelen gemeenten een gezamenlijke regiovisie op jeugdhulp. Ook op het gebied van de jeugdgezondheidszorg (JGZ) en preventie wordt op regionaal niveau samenwerk gewerkt via de Raad voor het Publiek Belang. Ook kan de gemeente kiezen voor een vorm van strategische samenwerking als er sprake is van een grote mate van afhankelijkheid met de beschikbaarheid van voorzieningen waarvoor de gemeente niet zelf bestuurlijk of financieel verantwoordelijk is. Denk hierbij aan samenwerking rondom (de doordecentralisatie) van Beschermd Wonen en Maatschappelijke Opvang of aan afstemming omtrent de overgang naar de Wet langdurige zorg.
Ook kan er ook sprake zijn van samenwerking gericht op het behalen van maatschappelijk resultaat waar zowel gemeente als andere overheden of zorgverzekeraars baat bij kunnen hebben met oog op maatschappelijk en financieel rendement. Denk bijvoorbeeld aan het investeren in welzijn waardoor een afname in een beroep op geestelijke gezondheidszorg bij volwassenen wordt gerealiseerd.
2.3.3 Maatschappelijke effecten In de hoofdstukken 3 t/m 7 zijn de maatschappelijke effecten verder in beeld gebracht. Het betreft de volgende maatschappelijke effecten: 1. 2. 3. 4. 5.
Alle inwoners ontwikkelen zich optimaal Alle inwoners hebben gelijke kansen om mee te doen Alle inwoners kunnen voor zichzelf zorgen en kijken naar elkaar om Alle inwoners zijn (langer) vitaal, gelukkig en gezond Alle inwoners zijn in staat om (langer) (veilig) thuis te (blijven) wonen
Per maatschappelijk effect is in kaart gebracht welke inspanningen de gemeente samen met partners levert. De maatschappelijke effecten zijn vervolgens bij de inspanningen geformuleerd als korte 13
‘speerpunten7’. De ‘speerpunten’ dienen als basis voor de ‘opgavetafels’. Dat wil zeggen dat de gemeente periodiek met de genoemde maatschappelijk partners om tafel gaat om de voortgang en resultaten tegen het licht te houden en in samenspraak bijstuurt. Dit integraal beleid vraagt immers om een integrale aanpak en gemeenschappelijke sturing. De gemeente gaat uit van een generalistische samenwerking tussen diverse specialismen en daarbij optimaal ieders rol en inzet af te stemmen. Per inspanning is globaal opgenomen welke planning wordt gehanteerd en welke extra (niet begrote) kosten hier eventueel aan verbonden zijn. Vernieuwing door samenwerking De gemeente streeft naar een effectieve en efficiënte aanpak die is gebaseerd op gemeenschappelijke doelen. Dit betekent ook dat de gemeente in samenspraak met partners de komende periode de inspanningen tegen het licht houdt die al langere tijd geleverd worden. Mogelijk verdienen deze bijsturing of kunnen ze ingewisseld worden voor nieuwe aanpakken. De vernieuwing moet enerzijds ontstaan vanuit de integrale samenwerking door te kijken naar mogelijkheden om ‘oude inspanningen’ te verruilen voor ‘nieuwe inspanningen’ of door een project/pilot voor te dragen voor bekostiging vanuit het sociaal innovatiefonds8.
Dit fonds staat in het teken van ‘leren en experimenteren’ en de zoektocht hoe vernieuwende elementen of projecten kunnen bijdragen aan een duurzaam resultaat. De gemeente heeft er op het moment van vaststelling van deze beleidsnota voor gekozen om via de ‘speerpunten’ een globaal beeld te creëren van de inspanningen die al worden verricht en welke nieuwe inspanningen geleverd kunnen worden. Het geeft dus geen compleet beeld van de inspanningen die de gemeente met haar partners zal gaan verrichten. De inspanningen zullen immers in samenspraak met de partners verder worden ontwikkeld.
7
De term ‘speerpunt’ wordt gehanteerd om aan te geven waar binnen het beleid extra aandacht voor zal zijn en dient om focus aan te brengen. Gebruik van deze term leidt niet automatisch tot prioritering ingeval van financiële kaderstelling. 8 Indien de gemeenteraad besluit deze in te stellen.
14
2.4 Storytelling bij maatschappelijke effecten In de volgende vijf hoofdstukken maakt u kennis met de fictieve familie uit onze gemeente, zodat u, als lezer, een concreet, levendig beeld krijgt van de maatschappelijke effecten. De gemeente introduceert u hierbij graag de verschillende personages van de familie Al hamra – Janssens: Grootmoeder: Dirkje (90) Moeder: Corrie (66) Kinderen: Ahmed (39) & Linda (38) Kleinkinderen: Yasmin (14) & Elias (11) Corrie is net 66 geworden, helaas is haar man vorig jaar plotseling overleden. Ze woont nu alleen en zelfstandig in een eengezinswoning. Als inkomen heeft ze enkel haar AOW. Door het verlies van haar man is ze erg teruggetrokken en gaat weinig de deur uit. Wel doet ze elke week een boodschap voor haar moeder en drinkt dan ook een kopje koffie. De moeder van Corrie leeft nog. Dirkje (90) woont zelfstandig in een seniorenflat. Door haar ouderdom en longemfyseem is ze slecht ter been en kortademig. Sinds korte tijd zijn er lichte signalen van dementie waardoor ze soms warrig is en zich onzeker voelt. Corrie leunt vanwege het verlies van haar man sterk op haar enige dochter Linda (38) en schoonzoon Ahmed (39). Ahmed en Linda zijn positief ingesteld, maar hebben zelf wel de nodige problemen. Ahmed heeft een vast contract als automonteur voor 5 dagen in de week.
Het lukt Linda niet om een vaste baan te krijgen als administratief medewerkster bij een zorginstelling, zij heeft steeds tijdelijke contracten. Dit geeft veel onzekerheid. Zij geeft de moed niet op en tijdens periodes zonder werk doet zij vrijwilligerswerk bij de lokale kringloopwinkel, waar dit heel erg wordt gewaardeerd. De ouders van Ahmed leven helaas allebei niet meer. Ahmed en Linda hebben twee kinderen: Yasmin (14) en Elias (11). Yasmin zit in de derde klas van het VMBO. De schoolresultaten van Yasmin zijn goed, alleen met wiskunde heeft ze erg veel moeite. Yasmin wordt gepest en heeft weinig vriendinnen. Na schooltijd gaat ze dan ook gelijk naar huis en trekt zich terug op haar kamer. Haar jongere broertje Elias heeft PDD-NOS (een vorm van autisme). Elias heeft veel behoefte aan structuur en vindt het moeilijk om sociale contacten aan te gaan. In het gezin gaat daarom veel aandacht uit naar Elias, waardoor Yasmin zich, niet alleen op school maar ook thuis af en toe verloren en eenzaam voelt. Voor Ahmed en Linda zijn de zorgen af en toe te veel. Hun inkomen is niet stabiel, waardoor ze sommige maanden moeilijk rond kunnen komen. Ze weten zich niet altijd raad met de zorg voor de moeder van Linda en hun zoon Elias.
15
3. Ontwikkelen De gemeente vindt het belangrijk dat inwoners zich optimaal kunnen ontwikkelen. De gemeente heeft daarvoor het volgende maatschappelijk effect geformuleerd:
Alle inwoners ontwikkelen zich optimaal
In de eerste plaats geldt dat voor jeugdige inwoners. De gemeente vindt het belangrijk dat jeugdigen goed in staat worden gesteld om hun talenten te ontwikkelen zodat zij zich kunnen voorbereiden op hun toekomst. Voor sommigen geldt dat er risico’s zijn ten aanzien van de ontwikkelmogelijkheden. Hoe eerder gemeente en partners (het ontstaan van) die risico’s signaleren, hoe eerder (lichte) hulp en ondersteuning kan worden ingezet ten behoeve van het kind en/of de ouders. De gezondheid van een kind voor, tijdens en na de geboorte blijkt een belangrijke voorspeller te zijn van problemen – zowel fysiek als mentaal – op latere leeftijd. Hoe eerder we er als samenleving bij zijn, hoe groter de kans dat een situatie niet verergert of escaleert en het beroep op (zware) hulp wordt voorkomen. Ook vindt de gemeente het van belang om bij het opgroeien taal- en ontwikkelachterstanden terug te dringen. De gemeente wil de aansluiting tussen geboortezorg, jeugdgezondheidszorg, kinderopvang met voorschoolse educatie en het onderwijs verbeteren. Er is aandacht voor ‘kinderfactoren’ die van invloed kunnen zijn op (dreigende) achterstanden zoals spraaktaalontwikkeling, motorische ontwikkeling, sociale ontwikkeling, emotionele ontwikkeling.
Ook heeft de gemeente aandacht voor ‘ouderfactoren’ die de oorzaak kunnen zijn voor (dreigende) achterstanden zoals de aanwezigheid van een chronische ziekte, dreigende overbelasting of het ontbreken van sociale steun. Soms spelen ook ‘omgevingsfactoren’ een rol zoals huisvesting, speelruimte of sociaal isolement. Specifiek is ook aandacht voor kinderen met een vluchtelingenachtergrond. In combinatie met de eerder genoemde factoren kan ook het ‘gezinsinkomen’ een belemmering vormen (de minimagrens) of ook als de thuistaal een andere is dan de Nederlandse taal dan wel als beide ouders een laag opleidingsniveau hebben. Frequent of langdurig schoolverzuim kunnen eveneens een indicator zijn van onderliggende problemen. De samenwerking tussen onderwijs, leerplicht, de jeugdgezondheidszorg en de wijkteams is belangrijk om eventuele onderliggende problemen zo snel mogelijk te signaleren, bespreekbaar te maken en aan te pakken. Frequent of langdurig schoolverzuim vergroten ook de kans op voortijdig schoolverlaten. In het kader van talentontwikkeling is de kennismaking met cultuur, waaronder wetenschap & technologie, en sport een belangrijk onderdeel. Met het oog op een goede toekomst voor de jeugd wil de gemeente dat meer jongeren de school verlaten met een startkwalificatie.
De dagelijkse druk op jongeren moet daarbij evenredig zijn en blijven met ontwikkelmogelijkheden en -capaciteit. Voor de volwassen doelgroep vindt de gemeente het van belang dat wordt beschikt over voldoende beheersing van basisvaardigheden. “Linda heeft contact gezocht met de mentor van Yasmin, omdat ze zich zorgen maakt over Yasmin omdat ze op school gepest wordt. Op advies van de mentor is Yasmin een keertje gaan kijken bij de activiteiten die het jongerenwerk organiseert en via die weg is ze in gesprek gekomen met de jongerencoach. In de gesprekken met de jongerencoach kwam naar voren dat Yasmin graag op boksen wilde. Ze sport nu met veel plezier en toevallig was een ander meisje ook lid van de vereniging. Als ze boksles hebben dan fietsen ze samen naar de sportvereniging.”
16
“Linda en Ahmed hadden al vroeg in de gaten dat Elias anders was dan andere kinderen, maar ze wisten niet precies wat er met Elias aan de hand was. Vanaf groep 3 heeft Elias het moeilijk op school. Lezen en schrijven vindt hij lastig. Elias tekent graag. Als hij dat doet gaat hij er helemaal in op en heeft dan nergens anders meer aandacht voor.” “Omdat de juf van groep 5 zich zorgen maakte over de ontwikkeling van Elias heeft zij Linda en Ahmed gevraagd om aan te sluiten bij een SOT (schoolondersteuningsteam)-gesprek. Na het SOTgesprek heeft Elias extra begeleiding op school gekregen voor lezen. De wijkteamprofessional is met Linda en Ahmed in gesprek gegaan en heeft vervolgens een indicatie voor basis GGZ afgegeven. Linda en Ahmed weten nu dat Elias PDD NOS heeft en ze hebben geleerd hoe ze hiermee om moeten gaan. Ook zorgt dit voor meer rust thuis en kunnen ze Yasmin wat meer aandacht geven.” “Linda en Ahmed vinden het wel spannend dat Elias volgend jaar naar het voortgezet onderwijs gaat. Ze hebben zich aangemeld voor een meeloopdag bij de nieuwe school. Ook gaat Elias de brugklastraining volgen die wordt aangeboden door het BAR-trainingsbureau voor preventieve trainingen van de Stichting Centrum voor Jeugd en Gezin Rijnmond.”
3.1 Inspanningen Bij de inspanningen die gemeenten en partners leveren of gaan leveren bij dit speerpunt is aandacht voor bovenstaande ontwikkelingen. Speerpunt 1 – Ontwikkelen De gemeente maakt van ‘ontwikkelen’ een speerpunt omdat dit in de basis de beste vorm van preventie is. Hoe eerder (mogelijke) achterstanden worden gesignaleerd, hoe beter inwoners in de gelegenheid worden gesteld om zich optimaal te ontwikkelen. Dit leidt er uiteindelijk toe dat minder inwoners een beroep doen op hulp en ondersteuning en dat maatschappelijke kosten op termijn dalen. Visie en missie Samen met inwoners en maatschappelijke partners wil de gemeente werken aan een vitale en gelukkige samenleving waarin iedereen mee kan doen. Voor inwoners die (tijdelijk) hulp en ondersteuning nodig hebben is een vangnet aanwezig. Maatschappelijk effect: 1.
Alle inwoners ontwikkelen zich optimaal Doelen: Minder inwoners hebben taal of ontwikkelachterstanden Meer kinderen hebben een kansrijke start Meer kinderen groeien gezond en veilig op Maatschappelijke baten: Vermindering van achterstanden Minder thuiszitters Daling beroep op hulp en ondersteuning Daling kosten sociaal domein per hoofd van de bevolking Inwoners hebben meer grip op hun leven Het welbevinden van inwoners groeit Maatschappelijke partners Niet limitatief en ten tijde van opstelling van deze nota onder meer: Scholen, schoolbesturen, samenwerkingsverbanden Passend Onderwijs, RMC, wijkteam, kinderopvangorganisaties, SPA, kraamzorg, verloskundigen, Stichting CJG Rijnmond, Stichting Welzijn Albrandswaard (SWA), Maatschappelijke Adviesraad Albrandswaard, Regionaal Meld- en Coördinatiecentrum, culturele instellingen, sportverenigingen. 17
1.1 Inzet jeugdgezondheidszorg (JGZ)
Inspanningen Zorg voor de publieke gezondheid is vastgelegd in de Wet Publieke Gezondheid (WPG). Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de uitvoering hiervan. Het doel van deze wet is de gezondheid van burgers te bevorderen en te beschermen. Stichting CJG Rijnmond is verantwoordelijk voor de uitvoering van de jeugdgezondheidszorg tot 18 jaar in de regio Rijnmond. De jeugdgezondheidszorg volgt de ontwikkeling van kinderen en onderzoekt hoe het gaat met de gezondheid. Ook voeren ze het Rijksvaccinatieprogramma uit. Het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) is dé plek waar ouders, verzorgers, kinderen en jongeren terechtkunnen met vragen over gezondheid, opvoeden, opgroeien en verzorging. Preventie is de basis van de dienstverlening. Ze bevorderen dat kinderen gezond en veilig kunnen opgroeien. Ze sluiten daarbij zoveel mogelijk aan op de leefwereld van kinderen en hun ouders/verzorgers.
1.2 Kansrijke Start
1.3 Home-start
9
Vroegsignalering is daarbij een van de belangrijkste taken, welke een belangrijke bijdrage levert aan de beweging van ‘zware naar lichte zorg’. Ook wordt preventieve opvoedondersteuning geboden door de pedagoog. Planning Kosten Start Eind Incidenteel Structureel Doorlopen Doorlopend Zoveel mogelijk vanuit bestaande middelen (kan jaarlijks fluctueren als gevolg van kind aantal en indexatie) Ieder kind verdient de best mogelijke start van zijn of haar leven en een optimale kans op een goede toekomst. De eerste 1000 dagen van een kind zijn cruciaal voor een goede start. De gezondheid van een kind voor, tijdens en na de geboorte blijkt een belangrijke voorspeller te zijn van problemen -zowel fysiek als mentaal- op latere leeftijd. De gemeente Albrandswaard sluit voor de aanpak van de eerste 1000 dagen aan bij het Actieprogramma Kansrijke Start van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en werkt hierin onder andere nauw samen met de geboortezorg (verloskundigen, kraamzorg), het wijkteam en de jeugdgezondheidszorg (CJG). Waar nodig kunnen op termijn ook andere relevante partners aansluiten, zoals kinderopvang, huisartsen etc. We worden daarbij ondersteund door Pharos. Mogelijke activiteiten zijn: een structurele samenwerking tussen jeugdgezondheidszorg, wijkteam en verloskundigen; een warme overdracht tussen de jeugdgezondheidszorg en kraamzorg en meer voorlichting.
Planning Kosten Start Eind 2020 Doorlopend BBB9 Elke ouder heeft wel eens vragen over opvoeden. Over heel gewone dagelijkse dingen waar je zelf even niet meer uitkomt. Wanneer dit
BBB= binnen bestaand budget
18
1.4 Families First
1.5 Onderwijs Achterstanden Beleid en Voorschoolse Educatie
1.6 Passend Onderwijs
het geval is dan bieden ervaren en getrainde vrijwilligers, gedurende ongeveer een jaar, ouders vriendschappelijke en praktische ondersteuning bij het opvoeden van hun kinderen. Hierdoor kunnen kleine vragen klein gehouden worden, zodat ze en niet uitgroeien tot grote problemen. Home-Start is beschikbaar voor gezinnen met kinderen in de leeftijd van 0 t/m 6 jaar. Planning Kosten Start Eind Incidenteel Structureel Doorlopend Doorlopen BBB Families First richt zich op het herstel van relaties binnen het gezin en de directe omgeving en draagt bij aan het verbeteren van het gedrag van het kind. Wanneer de situatie thuis uit de hand is gelopen krijgen gezinnen intensieve ondersteuning thuis, zodat in gezamenlijkheid de dreigende crisis (bijvoorbeeld uithuisplaatsing van een jongere) opgepakt kan worden. Het gezin leert o.a. om met lastige situaties, zoals ruzies, om te gaan en deze op te lossen en met elkaar in contact te blijven. Planning Kosten Start Eind Incidenteel Structureel Doorlopend Doorlopen BBB Wij willen dat kinderen bij de start van het basisonderwijs zo min mogelijk achterstand hebben. We investeren dus fors in Voorschoolse Educatie. Dit houdt in dat wij inzetten op de toeleiding en het bereik. We maken afspraken met de VVE-partners over de resultaten, de doorgaande leerlijn en de kwaliteitsborging.
Ook partners zonder VVE betrekken wij bij ontwikkelingen op het gebied van de doorgaande leerlijn en kwaliteitsborging. Daarnaast investeren we in vroegschoolse educatie en ondersteunen wij het basisonderwijs zodat wij gezamenlijk met de scholen onderwijsachterstanden in het onderwijs kunnen bestrijden. We trekken gezamenlijk op met de partners zoals kinderopvang, onderwijs en de jeugdgezondheidszorg (CJG) en zorgen voor duidelijke afspraken. Planning Kosten Start Eind BBB Doorlopend 2024 Het recht op passend onderwijs is vastgelegd in de Wet op Passend Onderwijs (augustus 2014). Hieraan wordt uitvoering gegeven door scholen en samenwerkingsverbanden. Vanuit de principes van inclusieve samenleving vinden we het wenselijk dat onze kinderen en jeugdigen zoveel als mogelijk thuis nabij onderwijs kunnen volgen. Hierdoor zijn ze beter in staat lokaal een sociaal netwerk op te bouwen en gebruik te maken van andere lokale voorzieningen. We zetten in op het intensiveren van de samenwerking met de scholen, schoolbesturen, samenwerkingsverbanden en de jeugdgezondheidszorg (CJG). Dit doen we door ambities op elkaar af te stemmen, afspraken te maken over ieders taken, rollen en verantwoordelijkheden en gezamenlijk op te trekken t.a.v. innovatie. Vanuit de Lokale Educatieve Agenda en de Regionaal Educatieve Agenda worden jaarlijks thema’s vastgesteld die bijdragen aan het 19
1.7 Inzet wijkteamprofessionals op school (schoolcontactpersonen)
1.8 BAR Trainingsbureau voor preventieve trainingen voor jeugdigen en ouders
1.9 Halt-straf en Pak je Kans
versterken van de basis(zorg)infrastructuur. Een sterke basis(zorg)infrastructuur maakt het mogelijk om meer lokaal passend onderwijs te bieden en het aantal thuiszitters terug te dringen. Planning Kosten Start Eind BBB Doorlopend Doorlopend We vinden het belangrijk dat vragen van leerkrachten, kinderen en hun ouders vroegtijdig gesignaleerd worden en dat op basis van de vragen kortdurende psychosociale en pedagogische hulp en ondersteuning aan kinderen, ouders en leerkrachten gegeven worden. Dit doen we door de inzet van wijkteamprofessionals op de scholen. Daarbij vindt een nauwe samenwerking met de jeugdgezondheidszorg (CJG) plaats. Aan elke school is een jeugdverpleegkundige gekoppeld voor preventieve vragen op het gebied van gezond en veilig opvoeden en opgroeien. Planning Kosten Start Eind BBB 2019 doorlopend Het BAR-trainingsbureau voor preventieve trainingen wordt gecoördineerd door Stichting CJG Rijnmond en heeft als doel trainingen op het gebied van ontwikkeling en opvoeding te coördineren en te organiseren, zowel voor ouders als voor jeugdigen. Denk aan trainingen op het gebied van sociale vaardigheden, faalangst en kind in echtscheidingssituaties (KIES). Vanuit het trainingsbureau wordt gescreend of het aanbod passend is bij de vraag en of andere voorliggende dan wel maatwerk voorzieningen meer passend lijken.
Het trainingsbureau brengt in kaart welk lokaal aanbod beschikbaar is of gemist wordt, op het terrein van gezondheid en veilig opvoeden en opgroeien (o.a. vanuit particulier aanbod). Tevens wordt de samenwerking gezocht met het samenwerkingsverband van het primair onderwijs (RiBA) en met scholen zodat (school-gerelateerde) problematiek op de juiste plek aangepakt kan worden. Planning Kosten Start Eind Incidenteel Structureel Doorlopend Doorlopend BBB Jongeren zoeken soms de grens op. Experimenteren hoort bij hun leeftijd, maar soms gaan zij te ver en plegen ze een overtreding of een misdrijf. Door direct in te grijpen wordt voorkomen dat de situatie verergert. Dit kan door middel van het opleggen van de Haltstraf voor jongeren van 12 tot 18 jaar. De Halt-straf heeft tot doel grensoverschrijdend gedrag zo vroeg mogelijk te stoppen en het goed te maken met de slachtoffers en de maatschappij. Halt wil jongeren dus helpen fouten te voorkomen, hen laten leren van fouten en jongeren de kans geven hun gemaakte fouten te herstellen. Dit gebeurt onder verantwoordelijkheid van het ministerie van Veiligheid en Justitie. Jongeren komen bij Halt terecht
20
via de politie en een buitengewoon opsporingsambtenaar, bijvoorbeeld een leerplichtambtenaar. Soms is er sprake van achterliggende problematiek. Halt onderzoekt dit en als er extra hulp of ondersteuning nodig is kan worden doorverwezen naar Pak Je Kans. Tevens kan Pak je Kans ingeschakeld worden door de politie of een leerplichtambtenaar. Bijvoorbeeld wanneer er sprake is van zorgwekkend gedrag thuis, op straat of wanneer jongeren spijbelen van school. Maar ook bij daders of slachtoffers van bijvoorbeeld pesten of sexting. Pak Je Kans gaat verder waar Halt stopt en is daarom in een aantal situaties een gewenste aanvulling. Vanuit Pak je Kans worden (achterliggende) problemen opgelost door het bieden van laagdrempelige, kortdurende hulp en richt zicht op gedragsverandering van de kinderen / jongeren en het hele gezin. Planning Kosten Start Eind Incidenteel Structureel Doorlopend Doorlopend BBB
21
4. Meedoen De gemeente vindt het belangrijk dat inwoners zoveel mogelijk in staat zijn om naar vermogen mee te doen aan de samenleving. De gemeente heeft daarvoor het volgende maatschappelijk effect geformuleerd:
Alle inwoners hebben gelijke kansen om mee te doen
Inwoners doen op verschillende manieren mee aan de samenleving. Bijvoorbeeld in het gezin, de buurt, de school, het werk, de geloofsgemeenschap, de sportvereniging of de culturele vereniging. Er kunnen echter ook belemmeringen zijn waardoor iemand minder goed kan deelnemen. Die mogelijkheden en belemmeringen kunnen grofweg te maken hebben met fysieke gezondheid, mentale gezondheid/weerbaarheid, aanwezigheid van aandoeningen of beperkingen, financiële mogelijkheden of zelfs schulden, opleidingsniveau en de mate waarin men beschikt over een informeel netwerk. Voor nieuwkomers gelden ook belemmeringen om mee te doen maar deze hoeven niet te bestaan uit voornoemde voorbeelden. Dit is gelegen in het gegeven dat zij nieuw zijn in Nederland en een traject van ‘inburgering’ zullen moeten volgen om mee te kunnen doen in de Nederlandse samenleving. Soms kan er ook sprake zijn van een vorm van uitsluiting op basis van verschillen in normen en waarden, of zelfs op basis van vooroordelen. De gemeente streeft er in samenwerking met partners naar om de verschillen tussen inwoners die het ‘meedoen’ aan de samenleving in de weg kunnen staan zoveel mogelijk weg te nemen. Binnen het integraal beleid sociaal domein staan autonomie en eigen verantwoordelijkheid voorop.
De zelfredzame inwoner is goed geïnformeerd, heeft een gezonde leefstijl, kiest zelf voor een eventuele behandelaar en beslist actief mee over de inzet van ondersteuning en zorg. Maar helaas zijn lang niet alle inwoners onder alle omstandigheden hiertoe in staat. Er kan een behoorlijk verschil bestaan tussen wat van burgers wordt verwacht en wat zij daadwerkelijk aankunnen. De groep voor wie de eisen soms te hoog gegrepen zijn, is niet beperkt tot een kleine groep ‘kwetsbaren’ zoals mensen met een laag IQ. Ook mensen met een goede opleiding en een goede maatschappelijke positie kunnen in situaties verzeild raken waarin hun redzaamheid ontoereikend is, zeker op momenten dat het leven tegenzit zoals bij een echtscheiding, faillissement, of ontslag10. Daar waar een inwoner het niet redt zonder hulp of ondersteuning vanuit het eigen netwerk biedt de gemeente maatwerkgericht aanbod aan. De toegang naar deze ondersteuning is eenvoudig te vinden. De gemeente maakt daarbij volop gebruik van moderne (digitale) middelen. De ondersteuning stemt de gemeente af op behoefte en noodzaak: de gemeente biedt lichte eenvoudige ondersteuning waar mogelijk en zware zorg daar waar nodig. Ook in het ondersteuningsaanbod is aandacht voor de toepassing van moderne middelen en technologieën. Daar waar sprake is van meervoudige problematiek regisseert de gemeente integrale ondersteuning waar nodig.
De gemeente geeft een ‘stress-sensitieve’ aanpak vorm bijvoorbeeld door makkelijk leesbare brieven te gebruiken, een toegankelijk gemeentehuis te creëren (prettige sfeer, fijne spreekkamers), moeilijke gesprekken in de ochtend te voeren en een coachende aanpak vorm te geven. Bij de uitvoering van beleid zoekt de gemeente vroegtijdig en persoonlijk contact met inwoners wanneer er sprake is van onregelmatigheden om zo beter onderscheid te maken tussen burgers die niet willen en die niet kunnen, en bij te kunnen sturen op een moment dat mensen nog genoeg mentale ruimte hebben om helder na te denken en in actie te komen. De gemeente is zich ervan bewust dat lang niet alle belemmeringen van structurele aard zijn. Zo kunnen zich ook ‘life events’ voor doen die gedurende een bepaalde periode effect hebben op het functioneren van een inwoner. En daarbij is bijvoorbeeld het belangrijk te constateren dat dit iedereen kan overkomen. De hedendaagse samenleving stelt namelijk hoge eisen aan de zelfredzaamheid van 10
Weten is nog geen doen. Een realistisch perspectief op redzaamheid; WRR; 2017
22
burgers. Op cruciale onderdelen van het leven wordt van burgers veel alertheid gevraagd. Een langdurige loopbaan bij één werkgever is bijvoorbeeld steeds minder vanzelfsprekend. Van werknemers en zelfstandigen wordt verwacht dat zij hun inzetbaarheid op peil houden en gespitst zijn op nieuwe kansen en bedreigingen. Voor sommige inwoners geldt dat de afstand tot de arbeidsmarkt te groot is geworden. De gemeente streeft naar een duurzame uitstroom naar de arbeidsmarkt. De gemeente biedt daarvoor (waar nodig integraal) maatwerk aan en breidt het instrumentarium uit. Duurzame uitstroom en het verkorten van de afstand tot de arbeidsmarkt kan per klant een verschillende invulling krijgen of betekenis hebben gelet op diens mogelijkheden en vermogen. Er kunnen zich dus meerdere situaties voordoen waar een inwoner tijdelijk of blijvend (financiële) hulp of ondersteuning nodig heeft om in de kosten van levensonderhoud te kunnen voorzien en/of mee te kunnen (blijven) doen. Op misbruik en oneigenlijk gebruik van voorzieningen wordt door de gemeente actief gehandhaafd. “Het contract van Linda is weer niet verlengd. Zij neemt contact op met de gemeente voor hulp. De klantmanager werk denkt met Linda na over hoe zij duurzaam aan het werk kan blijven.
Linda denkt nu aan een overstap naar een ‘toekomstbestendige’ sector.” “Corrie deed vroeger alles samen met haar man, maar na het overlijden van haar man voelt ze zich erg alleen. Ze bespreekt dit niet graag met Linda, omdat zij haar niet tot last wil zijn en zelf haar eigen verdriet heeft van het verlies van haar vader. Ze besluit dat ze het heft in eigen handen moet nemen. Ze neemt contact op met Stichting Welzijn Albrandswaard. Ze vindt het best spannend.” “Het gesprek met de ouderenadviseur helpt haar heel erg. Ze voeren gesprekken waar het gemis van haar man centraal staat. Maar ze bespreken ook mogelijkheden die haar kunnen helpen, zodat ze haar dochter en schoonzoon minder vaak om hulp hoeft te vragen. Dit kunnen bijvoorbeeld (inloop)activiteiten als danslessen, het volgen van workshops, maar ook lotgenotencontact zijn. Ze wist niet dat er zoveel mogelijk was.” “Corrie gaat nu iedere dinsdag naar de een van de wijkcentra van Stichting Welzijn Albrandswaard, waarbij ze met leeftijdsgenoten in contact komt. De ene week gaat het om creatieve activiteiten zoals kaarten maken en de andere week doen ze bijvoorbeeld spelletjes. Daar beleeft ze veel plezier aan. Dit is ook heel fijn voor Linda en Ahmed. Zij weten nu dat hun (schoon)moeder meer contacten heeft en ze hoeven niet meer iedere dag langs te gaan.”
4.1 Inspanningen Bij de inspanningen die gemeenten en partners leveren of gaan leveren bij dit speerpunt is aandacht voor bovenstaande ontwikkelingen. Speerpunt 2 – Meedoen De gemeente vindt het belangrijk dat alle inwoners duurzaam naar vermogen mee kunnen doen in de lokale samenleving. Meedoen is een middel om een hogere kwaliteit van bestaan te realiseren. De elementen van kwaliteit van bestaan zijn dezelfde voor alle mensen, ongeacht de aard en ernst van eventuele beperkingen. Anderzijds heeft participatie in veel gevallen ook expliciete maatschappelijke relevantie en -baten. Participatie is betekenisvol als de vormen van actieve participatie bijdragen aan persoonlijke ontwikkeling, tot doel hebben anderen te helpen of die bijdragen aan de maatschappij als geheel zoals: betaalde arbeid; opleiding; (betekenisvolle) sociale contacten buiten werk, school of eigen huishouden; inzet voor de kwaliteit van de leefomgeving; 23
burenhulp; sociale steun aan een buurtgenoot in een zorgwekkende situatie; mantelzorg; vrijwilligerswerk en actieve deelname aan het verenigingsleven. Een vorm van participatie is duurzaam wanneer deze aansluit bij de ambities en mogelijkheden van de inwoner, en de behoefte van omgeving (gezin, buurt, arbeidsmarkt). Dat betekent niet dat iemand baanzekerheid heeft, maar wel een bepaalde mate van werkzekerheid en het vertrouwen dat als omstandigheden veranderen de inwoner ondersteuning kan krijgen in de vorm van inkomen en begeleiding.11 Als de situatie van een inwoner leidt tot een hulpvraag, vraagt de gemeente breed uit. Bij de inzet van hulp en ondersteuning wordt gezocht naar een duurzame oplossing. Daarvoor is het noodzakelijk om de situatie en context zo goed mogelijk in beeld te krijgen. Voor sommige inwoners geldt dat voor langere tijd of zelfs voor onbepaalde tijd hulp en ondersteuning nodig zal zijn. In die gevallen zoekt de gemeente naar een oplossing die het aantal eventuele overdracht – en indicatiemomenten terugbrengt tot het strikt noodzakelijke. Visie en missie
Maatschappelijk effect: Doelen:
Maatschappelijke baten:
Maatschappelijke partners
Samen met inwoners en maatschappelijke partners wil de gemeente werken aan een vitale en gelukkige samenleving waarin iedereen mee kan doen. Voor inwoners die (tijdelijk) hulp en ondersteuning nodig hebben is een vangnet aanwezig. 2. Alle inwoners hebben gelijke kansen om mee te doen Minder inwoners ervaren (financiële) belemmeringen om mee te doen Meer inwoners kunnen (naar vermogen) meedoen Hulp en ondersteuning hebben een duurzamer resultaat Afname (schulden) problematiek/ belemmeringen Beperking van het aantal uitkeringen De onderlinge solidariteit in wijken neemt toe Inwoners hebben grip op hun leven Daling beroep op hulp en ondersteuning Daling kosten sociaal domein per hoofd van de bevolking Het welbevinden van inwoners groeit Verkleinen gezondheidsachterstanden Afname gevoel van eenzaamheid Effectiever herstel of stabilisatie van problematiek Inwoners voelen zich beter gehoord Niet limitatief en ten tijde van opstelling van deze nota onder meer: Sportverenigingen, Vluchtelingenwerk, SWA, Voedselbank, kledingbank, werkgeversvereniging, werkgevers, werkgeversservicepunt (lokaal en Rijnmond, arbeidsmarktregio), Culturele verenigingen (Akkoord van
11
Dit raakt aan de definitie van Van der Klink en anderen uit 2010 in opdracht van ZonMW met betrekking tot duurzame inzetbaarheid voor werk: ”Duurzame inzetbaarheid betekent dat werknemers in hun arbeidsleven doorlopend over daadwerkelijk realiseerbare mogelijkheden alsmede over de voorwaarden beschikken om in huidig en toekomstig werk met behoud van gezondheid en welzijn te (blijven) functioneren. Dit impliceert een werkcontext die hen hiertoe in staat stelt, evenals de attitude en motivatie om deze mogelijkheden daadwerkelijk te benutten.". In het verleden werd ‘duurzame uitstroom’ in het algemeen geoperationaliseerd naar een arbeidsovereenkomst van 6 maanden. Gezien de huidige arbeidsmarkt (o.a. flexibilisering, ZZP-ers) en doelgroepen is dat niet meer actueel.
24
2.1 Voorkomen, opsporen en omgaan met schulden
2.2 Aanpak financiële belemmeringen
2.3 Aanpak ‘Werken en participeren naar vermogen’12
Albrandswaard), Maatschappelijke Adviesraad Albrandswaard, zorgaanbieders, wijkteams. Inspanningen De gemeente zet in op voorlichting, zoals voorlichting op scholen en het verspreiden van de NIBUD-geldkrant bij inwoners. De gemeente signaleert vroegtijdig financiële problemen door samenwerking met woningbouwverenigingen, nutsbedrijven en zorgverzekeringen. Als inwoners problematische schulden hebben kunnen zij daarbij advies krijgen, ondersteuning van een schuldhulpmaatje en/of kan een minnelijk of wettelijk schuldhulpverleningstraject worden ingezet. Planning Kosten Start Eind BBB Doorlopend Doorlopend Inwoners die (tijdelijk) niet in de kosten voor levensonderhoud kunnen voorzien kunnen een beroep doen bijstand voor levensonderhoud. Andere wettelijke inkomensregelingen zijn bijzondere bijstand voor bijzondere noodzakelijke kosten, de individuele studietoeslag, de inkomenstoeslag en de Zorgpolis voor minima. Daarnaast zijn er enkele Meedoen-regelingen, zoals de Albrandswaardpas en de zwemdiplomaregeling, om ervoor te zorgen dat financiële belemmeringen minder of geen belemmeringen vormen om mee te doen met sport-, school- en andere activiteiten. Vanuit het minimabeleid zetten we de komende jaren in op vroegsignalering en preventie. Speciale aandacht is er voor laaggeletterden en verstandelijk beperkten. Een andere doelgroep zijn de werkende armen en kleine zelfstandigen.
We creëren een toegang waarbij burgers zich gehoord voelen en actief gewezen worden op de voorzieningen van de gemeente en het Rijk, en daarbij ook geholpen wordt als de burger het zelf niet kan.” Planning Kosten Start Eind BBB 2019 2023 Doorlopend Doorlopend Om inwoners naar de arbeidsmarkt te begeleiden is een goed netwerk met ondernemers nodig. Om dit te bereiken: versterken we de samenwerking met de werkgeversdienstverlening van het lokale en regionale Werkgeversservicepunt. betrekken we plaatselijke werkgevers bij de ontwikkeling van leerlijnen met plaatselijke werkgevers die daardoor afgestemd zijn op de arbeidsmarkt en de mogelijkheden van de klant.
12
In 2021 worden enkele wetswijzigingen in de Participatiewet van kracht die duurzame uitstroom moeten bevorderen.
25
Inwoners onderscheiden we naar de afstand tot de arbeidsmarkt, de mate van jobreadiness, en de te verwachte duur om een inwoner naar de arbeidsmarkt te leiden. Iemand die op korte termijn kan uitstromen naar werk bieden we kortdurende trajecten aan die daarop zijn gericht, zoals HalloWerk, sollicitatietrainingen, korte beroepsgerichte trainingen (bijv. VCA) en dergelijke. Daar waar uitstroom langer dan een jaar duurt (groep jobready met perspectief) zetten we in op trajecten met het doel om de afstand tot de arbeidsmarkt te verkleinen, waaronder werkervaringstrajecten, langdurigere trainingen en cursussen. Als iemand geen startkwalificatie heeft is een traject dat leidt tot een Praktijkverklaring belangrijk voor duurzame uitstroom. Als iemand niet jobready is en geen perspectief heeft op uitstroom naar de arbeidsmarkt zetten we in op onbetaalde nuttige activiteiten. Vaak is er dan verbinding nodig met andere dienstverlening binnen het sociale domein. We hebben specifieke aandacht voor statushouders. Om mee te kunnen doen zetten we in op het verbeteren van taalbeheersing en participatie in de samenleving (zie 2.4). Voor het perspectief naar werk sluiten we op basis van maatwerk aan bij de verworven competenties in het land van herkomst.
Ook is het belangrijk om de dienstverlening af te stemmen op inwoners met een licht verstandelijke beperking die nog niet als zodanig bekend zijn. Herkenning en het bieden van specifiek benadering zorgt voor meer uitstroom. Inwoners die door een beperking niet het minimum loon kunnen verdienen kunnen mogelijk wel werken in een garantiebaan, een beschutte werkplek of kunnen via dagbesteding participeren. Deze doelgroep valt onder de wet banenafspraak en de doelgroep met een indicatie beschut werk. Per jaar geeft het ministerie aan hoeveel inwoners de gemeente op de beschutte werkplek moet plaatsen. Om inwoners dit te realiseren zorgen we voor: een beter bereik van de doelgroep mensen met een arbeidsbeperking en het uitbreiden van plaatsen voor hen bij werkgevers. de ontwikkeling van inwoners die dagbesteding doen naar beschut werk of een garantiebaan op basis van maatwerk. Planning Kosten Start Eind BBB Doorlopend Doorlopend
26
2.4 Implementatie VN verdrag voor rechten personen met handicap
2.5 Stimuleren buurtactiviteit ter bevordering/begeleiding vergunninghouders
2.6 Integrale handhaving
Het VN-verdrag inzake rechten van personen met een handicap verplicht iedere gemeente een Lokale Inclusie Agenda op te stellen. Het doel daarvan is het mogelijk te maken dat mensen met een beperking volledig kunnen deelnemen aan de samenleving. Daarom moet de toegankelijkheid van het openbaar vervoer, openbare gebouwen, en sport-/cultuurmogelijkheden voor mensen met een beperking verbeteren. Daartoe wordt een inventarisatie gemaakt. Planning Kosten Start Eind PM 2020 2022 Als gemeenschap mogen wij van de vergunninghouder verwachten dat hij zich inspant om zo snel mogelijk onderdeel te worden van zijn lokale omgeving. Daarbij mag de vergunninghouder van ons verwachten dat wij hem helpen bij het eigen maken van de lokale gebruiken, normen en waarden. Een goede integratie in de straat, wijk en stad is dan ook cruciaal maar gaat niet altijd vanzelf. Vandaar dat we samen met de vergunninghouders, Vluchtelingenwerk, de woningverhuurders, welzijnswerk en andere betrokken organisaties de huidige aanpak herijken en daar waar nodig de aanpak versterken. Planning Kosten Start Eind Incidenteel Structureel Om het stelsel van de sociale zekerheid in stand te kunnen houden, is draagvlak in de samenleving nodig. Sociale voorzieningen kosten geld en het geld dat er is moet wel terecht komen waar dat nodig is en bij mensen die er recht op hebben.