CConstaterende datAlbrandswaard
Koppel je AI →
Document · PDF

47. Raadsinformatiebrief 2025-016734 inzake handhavings- en vergunningenbeleidsplan Omgevingswet.pdf

Gemeenteraad AW 22 april 2025, gemeente AlbrandswaardBij agendapunt: 5: Ingekomen stukken28.077 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Concretisering van Acties: 

Het programma specificeert welke activiteiten en interventies worden uitgevoerd, wanneer deze plaatsvinden, wie verantwoordelijk is en welke middelen worden ingezet. Het omvat planningen, taakstellingen en een verdeling van taken en verantwoordelijkheden.

Monitoring en Evaluatie:  

Het jaarplan bevat mechanismen voor monitoring en evaluatie om de voortgang en effectiviteit van de acties te beoordelen. Het zorgt ervoor dat er bijgestuurd kan worden waar nodig, gebaseerd op resultaten en opgedane inzichten.

Relatie Tussen Beleid en Uitvoering: 

 

Afstemming: Het VTH-beleidsplan vormt de basis voor het jaarplan. Het beleid bepaalt de richting en prioriteiten, terwijl het jaarplan de praktische uitvoering daarvan vormgeeft. Continuïteit: Het jaarplan is een jaarlijks terugkerend document dat continue aansluiting zoekt bij de strategische kaders van het VTH-beleidsplan. Dynamiek: Terwijl het beleidsplan meer statisch is en meestal voor meerdere jaren geldt, is het jaarplan dynamisch en flexibel, aangepast aan veranderende omstandigheden en voortschrijdend inzicht.

Na vaststelling van dit beleidsplan zal het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Albrandswaard haar jaarplan vaststellen. Na vaststelling van het beleidsplan zal er eind 2025 wederom een jaarplan worden aangeboden. Per 2024 is de Omgevingswet (Ow) in werking getreden. Daarnaast is ook de Wet Kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) deels in werking getreden. Deze nieuwe wetten hebben gevolgen voor de taken en werkwijze van VTH. Het beleidsplan is daarom een dynamisch document dat kan worden aangepast indien de veranderende wet- en regelgeving

hierom vraagt. Op deze manier wordt flexibel ingespeeld op de ontwikkelingen in het omgevingsrecht.

Concrete Doelen 1. Bijdragen aan een veilige en leefbare omgeving: o Integraal toezicht op de fysieke leefomgeving. o Naleving van regelgeving om risico’s te beperken (bijv. brandveiligheid, constructieve veiligheid). 2. Verbeteren van VTH-processen: o Digitaliseren van vergunning- en handhavingsprocessen. o Gebruik van moderne systemen zoals Rx.Mission voor realtime monitoring en analyse. 3. Risicogericht Handhaven: o Prioritering van toezicht op basis van risicoanalyse, met focus op veiligheid en gezondheid. o Extra aandacht voor complexe dossiers zoals afwijkingen van het Omgevingsplan. 4. Samenwerking en transparantie: o Versterken van regionale samenwerking met partners zoals DCMR, de Veiligheidsregio en waterschappen. o Open communicatie en informatie-uitwisseling met burgers en bedrijven. 5. Kwaliteitsborging: o Voldoen aan de vernieuwde kwaliteitscriteria (Kwaliteitscriteria 3.0) per 1 januari 2025. o Permanent verbeteren van werkprocessen via evaluaties, audits en klanttevredenheidsonderzoeken.

Inhoud Samenvatting Handhavingsbeleidsplan Omgevingswet/BRIKS-taken................... 2 VTH Beleidsplan en Jaarplan ......................................................................................... 2 Jaarplan ............................................................................................................................ 3 Concrete Doelen .............................................................................................................. 4 Inleiding ................................................................................................................................. 9 Algemeen .............................................................................................................................. 9 1. Wijzigingen in wet- en regelgeving op hoofdlijnen .................................. 10 1.2. De Omgevingswet ....................................................................................................... 10 1.2.1. Wijzigingen relevant voor het handhavingsbeleid ........................................... 11 1.3. Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) ...................................................... 13 1.3.1. Gevolgklassen onder de Wkb.............................................................................. 14 1.3.2. Formatieve wijzigingen door privatisering gevolgklasse 1 Wkb .................. 14 1.3.3.

Verwachte doorwerking Wkb in de handhavingstaken .................................. 14 1.4. De Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht (LHSO) ........................... 15 1.4.1. Bestuursrechtelijk en strafrechtelijk handhaven............................................ 15 1.4.2. Toepassing voor basistaken en breder ............................................................ 15 1.4.3. Lokale borging van de LHSO .............................................................................. 15 2. Nalevingsstrategie ................................................................................................... 16 2.1. Structuur ...................................................................................................................... 16 2.2. Doel van handhaven ................................................................................................... 17 2.2.1. Wettelijke grondslag ............................................................................................ 17 2.3. Naleefgedrag ............................................................................................................... 17 2.3.1. De tafel van 11........................................................................................................ 18 2.4. De onderdelen van de nalevingsstrategie nader toegelicht ............................... 19 2.4.1.

Preventiestrategie ............................................................................................... 20 2.4.2. Handhavingsstrategie......................................................................................... 21 2.4.3. Toezichtstrategie ................................................................................................. 22 3. Handhavingsinstrumenten ................................................................................... 30 3.1. Bestuursrechtelijke instrumenten ........................................................................... 31 3.1.1. Uitoefenen van toezicht ....................................................................................... 31 3.1.2. Last onder bestuursdwang................................................................................. 32 3.1.2.1. Stilleggen bouw- en sloopwerkzaamheden .................................................. 32 3.1.3. Last onder dwangsom ......................................................................................... 33 3.1.3.1. Preventieve bestuursdwang of dwangsom ................................................... 33

3.1.4. Intrekken van de vergunning ............................................................................. 33 3.1.5. Bestuurlijke boete ................................................................................................ 34 3.1.5.1. Inzetten bestuurlijke boete .............................................................................. 34 3.2. Zakelijke werking ....................................................................................................... 35 3.3. Publieksrechtelijke beperking ................................................................................. 35 3.4. Strafrechtelijke instrumenten.................................................................................. 35 3.5. Privaatrechtelijke instrumenten .............................................................................. 35 3.6. Gedogen ....................................................................................................................... 36 3.6.1. Beginselplicht tot handhaving ............................................................................ 36 3.6.2. Passief gedogen .................................................................................................. 36 3.6.3. Actief gedogen ..................................................................................................... 36 3.6.4. Gedogen n.a.v.

werkzaamheden private borger Wkb) .................................. 37 3.7. Beleidsuitgangspunten handhavingsinstrumenten .............................................. 38 4. Methodiek risicoanalyse ....................................................................................... 39 4.1. Negatieve effecten ...................................................................................................... 39 4.1.1. Fysieke veiligheid ................................................................................................. 39 4.1.2. Sociale kwaliteit ................................................................................................... 39 4.1.3. Financiële/economische gevolgen .................................................................... 40 4.1.4. Natuur/Milieu ........................................................................................................ 40 4.1.5. Volksgezondheid .................................................................................................. 40 4.1.6. Bestuurlijk imago ................................................................................................. 40 4.2. Kans op spontane naleving....................................................................................... 41 4.3. Tabel kwantificering risico’s niet naleving voorschriften .................................... 41 5.

Risicoanalyse en prioriteiten .............................................................................. 42 5.1. Risicoanalyse en prioriteiten vakgebied bouwen .................................................. 42 5.1.1. Prioriteiten bouwen (zie ook tabel prioriteiten bouw in bijlage 4) ............... 43 5.1.1.1. Overtredingen met grote risico’s ..................................................................... 43 5.1.1.2. Overtredingen met gemiddelde of kleine risico’s maar toch prioriteit ..... 43 5.1.1.3. Overtredingen met gemiddelde of kleine risico’s en dus minder prioriteit .......................................................................................................................................... 43 5.1.2. Onrechtmatig handelen en toezichtstrategie bouwen ................................... 44 5.1.2.1. Bestaande ongewenste bouwwerken ............................................................ 44 5.1.2.2. Prioriteiten volgorde oppakken illegale situaties ........................................ 44 5.1.2.3. Stilleggen werkzaamheden ............................................................................. 45 5.1.2.4. Visuele kwaliteit openbare ruimte ................................................................. 45 5.1.2.5. Constructieve veiligheid en brandveiligheid ................................................. 45

5.1.2.6. Monumenten ...................................................................................................... 45 5.1.2.7. Sloopmeldingen ................................................................................................. 46 5.1.2.8. Klachten en meldingen van burgers .............................................................. 46 5.1.2.9. Incidentele handhaving .................................................................................... 46 5.1.2.10. Welstandsexces ............................................................................................... 46 5.1.2.11. Vermeend vergunningsvrij bouwen............................................................... 46 5.2. Risicoanalyse en prioriteitenstelling vakgebied milieu ....................................... 47 5.3. Risicoanalyse en prioriteiten vakgebied omgevingsvergunningsplicht APV.... 47 5.3.1. Prioriteiten Omgevingsvergunningplicht APV ................................................. 47 5.4. Risicoanalyse en prioriteitenstelling per doelgroep ............................................ 48 5.4.1. Doelgroep burgers............................................................................................... 48 5.4.2. Doelgroep bedrijven ........................................................................................... 48 5.4.2.1.

Bouwfase ............................................................................................................ 49 5.4.2.2. Gebruiksfase ..................................................................................................... 49 5.4.3. Doelgroep midden– en kleinbedrijf .................................................................. 50 5.4.4. Doelgroep horeca ............................................................................................... 50 5.5. Probleemanalyse per object .................................................................................... 50 6. Uitvoering en resultaat per beleidsveld ....................................................... 52 6.1. Verleende omgevingsvergunning voor de activiteit Bouwen (bouwtechnische vergunning) ........................................................................................................................ 52 6.2. Verleende omgevingsvergunning voor de activiteit Omgevingsplanactiviteit (OPA).................................................................................................................................... 53 6.3. Constructieve veiligheid en brandveiligheid gebruiksfase .................................. 54 6.4. Monumenten ............................................................................................................... 55 6.5.

Slopen .......................................................................................................................... 55 6.6. Vergunningsvrij bouwen (incidenteel toezicht) ..................................................... 56 6.7. Algemene Plaatselijke Verordening (activiteiten vallend onder de werking van de Omgevingswet) ............................................................................................................. 57 6.8. Ruimtelijke ordening en milieu ................................................................................ 57 6.9. Wanneer kiest een gemeente voor risicogestuurd toezicht? .............................. 58 6.10. Integratie toetsprotocollen in digitaal werkproces. ............................................ 58 7. Wijze van monitoring ............................................................................................... 61 7.1. Wettelijke verplichtingen ........................................................................................... 61 7.2. Invulling monitoring ................................................................................................... 61 7.3. Monitoren van toepassen preventiestrategie ........................................................ 62

7.4. Monitoren toepassing handhavingsstrategie (toezichtstrategie en sanctiestrategie) ................................................................................................................ 62 7.5. Monitoren van afspraken met handhavingspartners ........................................... 62 7.6. Monitoren aantal producten per categorie............................................................. 62 7.7. Monitoren realisatie van bezoekfrequenties ......................................................... 62 7.8. Geconstateerde overtredingen ................................................................................ 63 7.9. Effecten van geconstateerde overtredingen .......................................................... 63 7.10. Tijdigheid van (her)controle en versturen controleverslag ............................... 63 7.11. Geconstateerd naleefgedrag.................................................................................... 63 7.12. Urenindicatie en bijsturing ...................................................................................... 63 8. Bestuurlijke beslispunten: Indicatoren ......................................................... 64 8.1. Beslispunten ................................................................................................................ 64 8.2.

Behalen doelstellingen per beleidsveld ................................................................. 64 8.3. Protocollen en werkinstructies ............................................................................... 67 8.3.1. Integratie toezichtprotocollen in digitaal werkproces ................................... 67 Bijlage 1: Stappenschema Sanctiestrategie ................................................... 69 Bijlage 1A: Stappenbesbeschrijving sanctiestrategie ............................... 70 Bijlage 2: De sanctiematrix en Interventiematrix ........................................ 72 Bijlage 3: Stroomdiagram: last onder dwangsom en last onder bestuursdwang ................................................................................................................ 74 Bijlage 3A: Procesbeschrijving last onder dwangsom /last onder bestuursdwang ................................................................................................................ 75 Bijlage 4: Urenindicatie per bouwonderdeel per functionaris ............... 77 Bijlage 5: Risicotabel Bouwen................................................................................. 80 Bijlage 6: Risicotabel APV ......................................................................................... 85

Inleiding Algemeen Toezicht en handhaving vormen een essentiële verantwoordelijkheid van het college. Het belang hiervan neemt steeds verder toe, omdat een veilige, leefbare, gezonde en duurzame omgeving alleen kan worden gewaarborgd als de naleving van regels wordt gecontroleerd. Een goede communicatie met burgers en ondernemers is essentieel om deze regels bekend te maken en hen bewust te maken van hun verantwoordelijkheden. Door effectief handhaven wordt zowel de rechtszekerheid als de rechtsgelijkheid voor burgers en bedrijven versterkt. Burgers en bedrijven moeten erop kunnen vertrouwen dat het college toeziet op de naleving van regels en, indien nodig, optreedt. Dit draagt bij aan de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van het college. In 2019 heeft het college het eerste “Handhavingsbeleidsplan Wabo” vastgesteld. Dit beleidsplan biedt een strategisch kader voor de manier waarop de gemeente handhavend optreedt. Het geeft tevens inzicht in de prioriteiten die het college van burgemeester en wethouders stelt bij het uitvoeren van gemeentelijke toezichtstaken onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

Herziening en overgang van Wabo naar Omgevingswet De aanleiding voor het herzien van dit beleidsplan is de invoering van de Omgevingswet. Daarnaast wordt in dit beleidsplan rekening gehouden met diverse maatschappelijke ontwikkelingen van de afgelopen jaren. Zo is er een verschuiving zichtbaar van nieuwbouw aan de randen van gemeenten (uitbreiding) naar herontwikkeling van locaties binnen de bestaande bebouwde omgeving (inbreiding). Ook is er een groeiende aandacht en bewustwording op het gebied van duurzaamheid, zoals blijkt uit de BENG-regelgeving en de energielabelplicht. Verder is de relatie tussen burgers, bedrijven en de overheid aan verandering onderhevig, met een toenemende nadruk op samenwerking en wederzijds begrip. Het “Handhavingsbeleidsplan gemeente Albrandswaard 2023-2027” is daarom aangepast aan de nieuwe regelgeving die voortkomt uit de Omgevingswet en de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen. Daarnaast is het geactualiseerd op basis van voortschrijdend inzicht en jurisprudentie met betrekking tot handhaving. Dit beleidsplan geldt voor een periode van vier jaar, vanaf het moment dat de Omgevingswet in werking treedt.

1. Wijzigingen in wet- en regelgeving op hoofdlijnen 1.1. Wet VTH: Grondslag voor het VTH-beleid Sinds 14 april 2016 stelt de Wet Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving (Wet VTH) kwaliteitseisen aan de uitvoering van VTH-taken. De wet VTH is de werknaam voor een wijziging van de Wabo. De regelgeving vanuit de Wabo en onderliggende amvb’s zijn opgenomen in de Omgevingswet. Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet stelt het Omgevingsbesluit specifieke eisen aan de kwaliteit van vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH). Deze eisen omvatten onder andere handhavingsbeleid, uitvoering, beschikbaarheid van middelen, monitoring en rapportage. De Omgevingswet plaatst de regels voor handhavingstaken niet langer in hoofdstuk 7 van het Besluit omgevingsrecht (Bor) of hoofdstuk 10 van de Ministeriële regeling omgevingsrecht (Mor). In plaats daarvan zijn deze regels opgenomen in hoofdstuk 18 van de Omgevingswet, getiteld “Handhaving”. Dit hoofdstuk behandelt de basisprincipes van handhaving, zoals:  De verplichtingen van het bevoegd gezag.  De bevoegdheden van toezichthouders en bestuursorganen.  De sancties die bij overtredingen kunnen worden opgelegd. VTH-beleidscyclus De Omgevingswet vereist dat het bevoegd gezag een handhavingsbeleid vaststelt. Hierin worden de doelen en geplande activiteiten voor handhaving onderbouwd beschreven.

Het bestuursorgaan moet periodiek evalueren of het beleid nog voldoet en dit bijstellen indien nodig. De burgemeester en wethouders (het college) moeten dit beleid bekendmaken aan de gemeenteraad. Lokaal is deze verplichting geborgd in de ‘Verordening uitvoering en toezicht (omgevingsrecht) Albrandswaard 2022’, Deze is door de gemeenteraad op 19 december 2022 vastgesteld. Daarnaast schrijft de Omgevingswet voor dat er jaarlijks een jaarplan wordt opgesteld. Hierin staan de concrete handhavingsactiviteiten voor dat jaar vermeld. Ook dit uitvoeringsprogramma moet door het college worden bekend gemaakt aan de gemeenteraad. Ten slotte verplicht de wet tot periodieke rapportage over de behaalde doelen en uitgevoerde activiteiten uit het uitvoeringsprogramma. Deze rapportage, in de vorm van een jaarverslag, zal in 2026 worden aangeleverd en bevat de eerste resultaten van 2025. Dit verslag moet eveneens bekend worden gemaakt aan de gemeenteraad.

1.2. De Omgevingswet De invoering van de Omgevingswet en de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen brengt belangrijke veranderingen met zich mee voor gemeenten. De Omgevingswet integreert alle bestaande wet- en regelgeving rondom de fysieke leefomgeving in één wet. Hierdoor ontstaat een nieuwe werkwijze waarin meer ruimte is voor flexibiliteit en maatwerk. Gemeenten krijgen daarbij een grotere verantwoordelijkheid, bijvoorbeeld op het gebied van participatie en het opstellen van lokaal afgestemde regels.

De Wet kwaliteitsborging voor het bouwen richt zich op het verbeteren van de kwaliteit van bouwwerken. Deze wet verschuift de verantwoordelijkheid voor toezicht op bouwkwaliteit van de gemeente naar private partijen. Gemeenten zullen hierdoor minder rechtstreeks toezicht houden, terwijl bouwpartijen zelf meer verantwoordelijk worden gesteld voor het waarborgen van kwaliteit. Er worden strengere eisen gesteld aan bouwplannen en constructies, en private kwaliteitsborgers zullen een grotere rol spelen in de controle hiervan. Dit verandert de werkwijze van gemeenten op het gebied van vergunningverlening en toezicht ingrijpend. Daarnaast leidt de invoering van deze wetten tot een sterke nadruk op digitalisering. Gemeenten moeten verplicht digitaal communiceren met burgers en bedrijven. Vergunningen en besluiten moeten voortaan digitaal worden gepubliceerd. Dit vraagt om nieuwe systemen, processen en een aanzienlijke investering in ICT-infrastructuur. Bovendien zullen medewerkers hun digitale vaardigheden moeten versterken om optimaal te kunnen werken met deze nieuwe technologieën. Figuur 1 omgevingsrecht in beeld

1.2.1. Wijzigingen relevant voor het handhavingsbeleid Hieronder worden per onderwerp de belangrijkste wijzigingen benoemd op het gebied van toezicht en handhaving door gemeenten. Het gaat hier om de volgende onderwerpen:      

Integraal handhavingskader De knip (Technische bouwactiviteit en Omgevingsplanactiviteit) Wijzigingen in het Omgevingsplan Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) Verwachte doorwerking in de handhavingstaken De Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht (LHSO)

Integraal handhavingskader Wabo opgenomen in de Omgevingswet Sinds de invoering van de Wabo in 2010 is de noodzaak tot integraal (en programmatisch, dus niet alleen incident-gestuurd) handhaven een feit geworden. Vanaf inwerkingtreding staan deze regels in de Omgevingswet. Het bevoegd gezag moet zorgen voor de bestuursrechtelijke handhaving van de regels. Ook moet het college zorgen voor het verzamelen van gegevens en klachten behandelen. De handhavingstaak geldt ook voor onderdelen van de Omgevingswet die komen uit de Wet natuurbescherming, de Erfgoedwet, de Wet bodembescherming, de Wet geluidhinder, de Wet inzake de luchtverontreiniging, de Wet milieubeheer, de Wet ruimtelijke ordening en de Woningwet. Dit zorgt voor een gelijke en zo integraal mogelijke handhaving van regelgeving. Omgevingswet: De knip Met de Omgevingswet (via de wijziging van artikel 5.1 in de Invoeringswet) wordt bouwen in een technisch en ruimtelijk deel gescheiden. Dat levert twee activiteiten op: de technische bouwactiviteit en de omgevingsplanactiviteit voor een bouwwerk. Deze scheiding noemen we 'de knip'. Technische bouwactiviteit De technische bouwactiviteit gaat over de toets van een aanvraag aan de regels voor de technische bouwkwaliteit uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Bijvoorbeeld de constructieve veiligheid van een bouwwerk.

Door de knip zijn er meer vergunningsvrije technische bouwactiviteiten, omdat ruimtelijke randvoorwaarden niet langer een rol spelen. Omgevingsplanactiviteit voor een bouwwerk De ruimtelijke toets voor het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk aan het omgevingsplan noemen we een omgevingsplanactiviteit voor een bouwwerk. Voorbeelden zijn de bouwhoogte en het bebouwingspercentage. Maar ook regels over het uiterlijk van een bouwwerk (welstand) en de functietoedeling in het omgevingsplan. Wijzigingen in het Omgevingsplan Het omgevingsplan vervangt het bestemmingsplan en de beheersverordening uit de Wet ruimtelijke ordening. Nu hebben gemeenten meerdere bestemmingsplannen voor hun grondgebied. Onder de Omgevingswet moet iedere gemeente één omgevingsplan voor haar hele grondgebied vaststellen. Gemeenten krijgen ruimte om omgevingsplannen 'globaler en flexibeler' in te richten dan bestemmingsplannen. Dat is een van de doelen van de Omgevingswet. Daardoor kan het omgevingsplan ruimte bieden aan initiatieven binnen daarin opgestelde kaders. Bredere reikwijdte Het omgevingsplan heeft een brede reikwijdte. Dat is het meest opvallende verschil met het bestemmingsplan. Het omgevingsplan kent niet de begrenzing van ‘een goede ruimtelijke ordening’. Het kan namelijk regels bevatten die over heel de fysieke leefomgeving gaan.

Het omgevingsplan beperkt zich dus niet tot planologische aspecten. Het voorziet in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Daarnaast kan het ook andere regels bevatten over activiteiten. Het gaat dan om activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. De regels in het omgevingsplan zijn altijd regels over activiteiten met mogelijke gevolgen voor de fysieke leefomgeving. Veel gemeentelijke verordeningen naar het omgevingsplan

De regels in het omgevingsplan zullen vaak lijken op de regels die nu in gemeentelijke verordeningen staan. Het gaat dan om de vorm, inhoud en motivering van de regels over de fysieke leefomgeving. Denk aan de huidige regels voor kappen, ligplaatsen en monumenten. Omgevingsplan van rechtswege Als de Omgevingswet in werking treedt, heeft iedere gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege. Dit omgevingsplan van rechtswege bestaat uit:  

(Ruimtelijke) regels uit verschillende vervallen instrumenten, zoals bestemmingsplannen, APV en andere lokale verordeningen. Rijksregels over activiteiten (aangeduid als de bruidsschat).

Vanaf inwerkingtreding werkt de gemeente aan het nieuwe deel van het omgevingsplan. Het nieuwe deel van het omgevingsplan was eerst nog leeg, met uitzondering van eventuele voorbereidingsbesluiten op basis van het overgangsrecht. De regels in het nieuwe deel komen deels tot stand door bestaande regels uit het tijdelijk deel om te zetten naar het nieuwe deel. Daarnaast neemt de gemeente in het nieuwe deel nieuwe regels op voor ruimtelijke ontwikkelingen en beleid. Het wijzigingen/vaststellen van het nieuwe deel van het omgevingsplan kan ook thematisch gebeuren. Deze overgangsfase duurt tot eind 2029.

1.3. Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) Tegelijkertijd met de Omgevingswet treedt de nieuwe Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) in werking. De Wkb heeft als doel de bouwkwaliteit te verbeteren en introduceert de onafhankelijke kwaliteitsborger. Door de Wkb verandert de rol van gemeenten tijdens het bouwproces. Een deel van de bouwtechnische toets zal worden uitgevoerd door private kwaliteitsborgers. In eerste instantie alleen voor de laagste risicoklasse 1. Daarnaast vervalt voor de kleinste bouwwerken zoals schuttingen, schuurtjes en dakkapellen de bouwtechnische toets (gevolgklasse 0). Bij een bouwwerk gebouwd zonder melding bouwactiviteit (ook een onvolledige melding bouwactiviteit is geen melding) moet de illegale bouw gelegaliseerd worden. Dat is in de huidige wetgeving ook zo. Nu doet een aanvrager dat door alsnog een vergunning aan te (laten) vragen. Dat kan onder het Besluit kwaliteitsborging niet meer. De illegale bouwer zal alsnog een kwaliteitsborger in de arm moeten nemen. Die moet op basis van beschikbare informatie nagaan of hij een verklaring kan afgeven. Pas als blijkt dat dat niet kan, is het bevoegd gezag aan zet (zie ook tabel 1). Dat zal dan op basis van de informatie van de kwaliteitsborger bepalen in hoeverre handhaven wel of niet aan de orde is. In eerste instantie is dus de illegale bouwer aan zet.

Hij moet er met de kwaliteitsborger uit zien te komen. Dat zal geen eenvoudige klus worden en het zal de nodige kosten met zich meebrengen. Legalisatie van een overtreding is altijd het eerste uitgangspunt (zie beginselplicht tot handhaving). De gemeente kan indien nodig een last onder dwangsom opleggen om het alsnog doen van een gereedmelding af te dwingen. De gemeente kan er echter in verschillende gevallen voor kiezen om te gedogen als er geen sprake is van (zicht op) een volledige verklaring van een kwaliteitsborger. Als er bijvoorbeeld sprake is van onvermijdbare omstandigheden die de voortgang van de bouwwerkzaamheden in gevaar brengen en waarbij spoed geboden is, kan een gemeente gedogen. In dit geval kan de gemeente toestemming geven om de werkzaamheden voort te zetten onder voorwaarde dat de tekortkoming op een later moment alsnog wordt opgelost.

Daarnaast kan de gemeente een onvolledige verklaring van een kwaliteitsborger gedogen als het aantonen of oplossen van ontbrekende punten een onevenredige (financiële) belasting is ten opzichte van de zwaarte van de overtreding. Het gedogen moet altijd goed gemotiveerd en zorgvuldig worden afgewogen tegen de belangen van de omgeving en de veiligheid van het bouwwerk. 1.3.1. Gevolgklassen onder de Wkb De gevolgklassen bestaan uit type gebouwen met verschillende risicoprofielen. Op 1 januari 2024 worden gebouwen in gevolgklasse 0 vergunningvrij voor de bouwtechnische toets. De gebouwen in gevolgklasse 1 worden overgedragen aan de markt. Voor gevolgklasse 2 en 3 zijn straks twee vergunningen nodig (de ‘knip’). Onder gevolgklasse 1 vallen onder meer grondgebonden woningen, bijgebouwen en kleine bedrijfspanden. Gevolgklasse 1 wordt wellicht opgeknipt in twee fases wegens het gebrek aan kwaliteitsborgers. Alleen nieuwbouw gaat dan over naar de kwaliteitsborger. Verbouw in gevolgklasse 1 blijft in dat geval bij de gemeente tot 1 januari 2025. 1.3.2. Formatieve wijzigingen door privatisering gevolgklasse 1 Wkb Het invoeren van de privatisering van gevolgklasse 1 (nieuwbouw) van de Wkb zal resulteren in een lagere benodigde capaciteit voor bepaalde functie in de VTH-keten. De afname is geleidelijk.

In de overgangsjaren worden in de toezichtfase op de oude manier vergunningen gecontroleerd die voor inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn verleend. De privatisering van gevolgklasse 2 en 3 volgen pas 5 jaar na inwerkingtreding en zijn gedurende de doorlooptijd van dit beleidsplan niet van invloed op de structurele formatie. Tegenover deze afname staan een aantal indirecte gevolgen van de Wkb en de Omgevingswet. Deze gevolgen bestaan onder andere uit een toename van het aantal handhavingszaken en extra toezichtwerkzaamheden op het gebied van bouwveiligheid. 1.3.3. Verwachte doorwerking Wkb in de handhavingstaken Gebaseerd op het rapport van Berenschot ‘Wkb: analyse risico’s voor gemeenten/omgevingsdiensten’ zijn er een aantal kostenposten voor de VTH-taken te onderscheiden die na inwerkingtreding van zowel de Omgevingswet als Wkb ontstaan. Enkele kostenposten zijn direct, andere posten ontstaan geleidelijk na de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Tabel 1 kostenposten als gevolg van de Wkb

1: Controles/handhaving voortkomend uit risicobeoordeling/borgingsplan 2: Controles/handhaving na bericht kwaliteitsborger 3: Controles/handhaving en juridische processen (bij oplevering of afkeuring opleverdossier) 4. Intensivering toets en toezicht bouwveiligheidsplannen.

5: Toename: controles/handhaving bouwtechnische gebreken bij controle OPA (BBL vrije bouwwerken) 6: Input/terugkoppeling VTH-medewerkers voor wijzigingen omgevingsplan

1.4. De Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht (LHSO) De Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht (LHSO), de opvolger van de Landelijke Handhavingsstrategie (LHS) uit 2014, is vastgesteld naar aanleiding van de inwerkingtreding van de Omgevingswet. De LHSO heeft betrekking op deze wet en de daarop gebaseerde regels, en is daarmee breder dan de LHS. Het Omgevingsbesluit stelt eisen aan de kwaliteit van vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH). Ook zijn alle organisaties die betrokken zijn bij handhaving verplicht een uitvoerings- en handhavingsstrategie vast te stellen in een of meer documenten. Daarin wordt gemotiveerd aangegeven welke doelen worden gesteld voor de uitvoering en handhaving en welke werkzaamheden met het oog op die doelen zullen worden verricht. Voor het handhavingsdeel wordt door gemeenten bij voorkeur de LHSO gebruikt. Voor de omgevingsdiensten is dit verplicht. De gemeente Albrandswaard zal gebruik maken van de LHSO. 1.4.1. Bestuursrechtelijk en strafrechtelijk handhaven De LHSO is bedoeld als instrument voor de organisaties belast met de handhaving van de Omgevingswet en daarop gebaseerde regels. Om effectief te kunnen handhaven, moeten deze organisaties intensief en loyaal samenwerken. Dat geldt voor bestuurlijke overheden en instanties binnen de strafrechtsketen onderling en voor deze organisaties met elkaar.

Vrijwel alle omgevingsrechtelijke regels worden immers zowel bestuursrechtelijk als strafrechtelijk gehandhaafd. 1.4.2. Toepassing voor basistaken en breder Een deel van de taken, het basistakenpakket, moet worden uitgevoerd door de regionale omgevingsdiensten. Daarvoor moeten de bestuursorganen die in een omgevingsdienst deelnemen, gezamenlijk een uniforme handhavingsstrategie vaststellen. Toepassing van de LHSO leidt tot afgestemd en effectief bestuursrechtelijk en/of strafrechtelijk optreden. Decentrale bestuursorganen kunnen de LHSO ook vaststellen voor andere taken dan de verplichte basistaken. Het gaat dan bijvoorbeeld om taken die burgemeester en wethouders ‘in eigen huis’ verrichten. Daarnaast zou de LHSO kunnen worden toegepast door andere bestuursorganen. De uiteindelijke werkingssfeer hangt dus af van de mate waarin bestuursorganen de LHSO toepassen en in hun handhavingsbeleid overnemen. 1.4.3. Lokale borging van de LHSO De uitgangspunten en visie uit de LHSO sluit aan op ons eigen handhavingsbeleid. De sanctiematrix, interventiematrix zijn overgenomen en het stappenplan uit de LHSO is geïntegreerd met ons eigen handhavingsproces in dit plan. Het LHSO zelf is als bijlage

opgenomen en vastgesteld. We committeren ons aan de organisatorische randvoorwaarden zoals gesteld in het LHSO.

2. Nalevingsstrategie 2.1. Structuur Dit handhavingsbeleidsplan biedt een strategie voor het handhavend optreden van de gemeente. Daarnaast geeft het antwoord op de vraag welke prioriteiten het college stelt bij het uitvoeren van gemeentelijke toezichtstaken. Dit gebeurt door het maken van risicoanalyses. Hierbij gaat het om risicoanalyses op de volgende vakgebieden:  bouwen  constructieve veiligheid  ruimtelijke ordening  milieu en  ruimtelijke ordening Om invulling te geven aan de uitvoering van het handhavingsbeleidsplan wordt gewerkt met een jaarlijks vast te stellen uitvoeringsprogramma. In dit programma wordt aangeven welke doelen worden nagestreefd, welke aanpak wordt gekozen om die doelen te realiseren en welke menskracht en middelen hiervoor nodig zijn. De prioritaire onderwerpen die uit de risicoanalyse voortvloeien vormen hierbij een basis. De resultaten van de uitvoering worden jaarlijks belicht in een verslag. De handhaving wordt op deze wijze doorlopend gemonitord, geëvalueerd en bijgesteld. Dit wordt programmatische handhaving genoemd en is bekend als de BIG-8. Daarmee is programmatisch handhaven een cyclisch proces. Met deze werkwijze kunnen bestuurders sturen op prioriteiten en de in te zetten capaciteit. Figuur 2 de BIG-8

2.2. Doel van handhaven Voordat het doel van handhaven wordt beschreven is het goed om te benadrukken waarom er gehandhaafd moet worden: “Handhaving zorgt voor de geloofwaardigheid en legitimiteit van beleid en regels, rechtsverwezenlijking, het beschermen van kwetsbare belangen en het realiseren van de achterliggende doelen die met wet- en regelgeving beoogd worden.” Om te kunnen leven in een veilige, leefbare, gezonde en duurzame leef-, woon- en werkomgeving, dient iedereen zich aan de regels te houden. Doet men dat niet, dan moet het bevoegd gezag hiertegen optreden. Door het niet goed uitvoeren van de handhavingstaak ontstaan er risico’s. Het gaat om de volgende risico’s:  Bewust illegaal handelen van burgers en bedrijven wordt mogelijk gemaakt;  Er ontstaat een gedoogsituatie. Gedogen van overtredingen wordt door de maatschappij en de rechterlijke macht steeds minder geaccepteerd. Een gemeente heeft de plicht om te handhaven. Alleen in zeer bijzondere gevallen kan gekozen worden voor niet handhaven;  Ontstaan van rechtsongelijkheid. De inwoners/aanvragers zullen bij bezwaar en beroep kunnen verwijzen naar vergelijkbare situaties waar niet tegen is opgetreden;  Door de raad gewenste ruimtelijke ontwikkelingen kunnen worden aangetast. Deze risico’s geven de noodzaak en het nut van handhavingsbeleid aan.

Van consequent toezicht en structurele handhaving gaat een preventieve werking uit. Dat wil zeggen dat voorkomen wordt dat overtredingen gebeuren. Wat willen we bereiken? Met het handhaven van de wet- en regelgeving willen wij bereiken dat de regels worden nageleefd. Zo proberen we de risico’s die kunnen ontstaan door niet te handhaven te voorkomen. Daarnaast zorgen we voor een veilige, leefbare, gezonde en duurzame leef-, woon- en werkomgeving voor de burgers en de bedrijven. 2.2.1. Wettelijke grondslag Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) verplicht tot het opstellen van handhavingsbeleid. Dit beleid moet inzicht geven in de strategie die het college gebruikt voor handhaving. In onderstaande figuur wordt de samenhang van de verschillende beleidstukken die aan de orde komen verbeeld. De nalevingsstrategie is de beschrijving van alle instrumenten en beleidstukken die de gemeente gebruikt om naleving van wet- en regelgeving te realiseren. Op basis van de Gemeentewet en de Algemene wet bestuursrecht heeft het college wettelijke taken en bevoegdheden voor toezicht en handhaving. De Omgevingswet en de daaraan gekoppelde wetgeving geven aan welke regels gehandhaafd moeten worden.

2.3. Naleefgedrag Om ervoor te zorgen dat de wet- en regelgeving wordt nageleefd is het belangrijk om te weten:  In welke mate regels worden overtreden;  Wie de regels overtreedt;  Wat de redenen zijn voor het maken van de overtreding.

2.3.1. De tafel van 11 Om een antwoord te krijgen op bovenstaande vragen wordt gebruik gemaakt van het instrument de “Tafel van 11” (ministerie van Justitie; CCV). Met dit instrument kan gekeken worden welke keuzes mensen maken om bewust of onbewust de regels te overtreden. De “Tafel van 11” brengt de sterke en zwakke kanten van de naleving in kaart en is opgebouwd uit 11 dimensies. Deze 11 dimensies zijn onderverdeeld in ‘dimensies voor spontane naleving’ en ‘handhavingsdimensies’ Tabel 2 de dimensies voor spontane naleving T1

Kennis van regels

de bekendheid met en duidelijkheid van wet- en regelgeving bij de doelgroep.

T2

Kosten/baten van naleven en overtreden

de (im)materiële voor- en nadelen van overtreden of naleven van regels, uitgedrukt in tijd, geld en moeite.

T3

Mate van acceptatie

de mate waarin de doelgroep het beleid en de regelgeving acceptabel vindt.

T4

Normgetrouwheid doelgroep

de mate waarin de doelgroep bereid is om zich aan te passen aan het gezag van de overheid.

T5

Niet-overheidscontrole (maatschappelijke controle), zoals de doelgroep die inschat

de kans op positieve of negatieve bestraffing van gedrag door anderen dan de overheid.

Tabel 3 Handhavingsdimensies: T6

Meldingskans, zoals de doelgroep die inschat

de kans dat een overtreding die is geconstateerd door anderen dan de overheid, wordt gemeld aan een overheidsinstantie.

T7

Controlekans, zoals de doelgroep die inschat

de kans dat men door de overheid gecontroleerd wordt op het begaan van een overtreding.

T8

Detectiekans, zoals de doelgroep die inschat

de kans op dat de overheid een overtreding constateert wanneer zij controleert.

T9

Selectiviteit

de (verhoogde) kans op controle en opsporing bij een overtreding door selectie van te controleren bedrijven, personen, handelingen of gebieden.

T10

Sanctiekans, zoals de doelgroep die inschat

de kans op een sanctie (straf/ maatregel) als bij controle een overtreding wordt geconstateerd.

T11

Sanctie-ernst

de hoogte en soort van de sanctie (straf/ maatregel) die gekoppeld is aan de overtreding en bijkomende nadelen van de sanctieoplegging.

Uit de “Tafel van 11” kan een aantal redenen voor het niet naleven van regels worden afgeleid, zoals: 1. Onkunde: geen kennis hebben van regels, regels niet begrijpen, onvoldoende kwaliteitsborging; 2. Gemakzucht: niet de moeite willen nemen om te voldoen aan regelgeving; deze regels gelden niet voor mij; 3. Tijdsdruk: niet willen wachten op beschikking overheid, slechte planning; 4. Economisch gewin: kosten en baten van het wel of niet naleven van de regels worden afgewogen voordat de regels echt worden overtreden; concurrentieoverwegingen. De nalevingsstrategie richt zich op de handhaving in preventieve en repressieve zin. Dat wil zeggen dat met handhaving wordt geprobeerd om overtredingen te voorkomen (preventief) of te herstellen (repressief). Preventief toezicht richt zich met name op onbewuste overtreders die de wet en regelgeving niet kennen of niet begrijpen (onkunde)

2.4. De onderdelen van de nalevingsstrategie nader toegelicht De nalevingsstrategie bestaat uit een preventiestrategie en een handhavingsstrategie. De handhavingsstrategie bestaat weer uit een toezichtstrategie en een sanctiestrategie.

Figuur 3 Nalevingsstrategie en haar onderdelen

Naleving van regelgeving gebeurt helaas niet automatisch. De meeste mensen en bedrijven kennen de regels en houden zich ook aan deze regels. Een kleinere groep mensen zal toch bewust een keuze maken of overtreding van de regels voordelen heeft. Op deze groep hebben de “dimensies van spontane naleving” minder invloed. De “handhavingsdimensies” werken bij deze kleinere groep beter. 2.4.1. Preventiestrategie In de preventiefase hoeft er nog geen sprake te zijn van een overtreding of een vermoeden daarvan. De preventiefase bestaat uit voorlichting, advisering en de controle op regelnaleving. Het belangrijkste doel van de preventiestrategie is om de spontane naleving van wet- en regelgeving te vergroten. Preventieve en repressieve instrumenten kunnen zowel naast elkaar als na elkaar worden ingezet om naleefgedrag aan te moedigen. Figuur 4 de nalevingspiramide

Volgens bovenstaande nalevingspiramide hebben preventieve instrumenten meer invloed op proactief gedrag en repressieve instrumenten op calculerend en bewust overtredend gedrag. Dit verandert niets aan het feit dat preventieve instrumenten ook bij calculerend gedrag kunnen helpen om naleefgedrag te vergroten.

De keuze voor het juiste middel voor het oplossen van een probleem is daarom erg belangrijk. Om te komen tot een passende interventie moet duidelijk zijn wat:  de redenen zijn om de regels niet na te leven;  de noodzaak is om in te grijpen;  de aanpak is van het probleem;  de reactie is van de mensen die de regels moeten naleven op bepaalde interventies. De preventiestrategie richt zich vooral op communicatie en ondersteuning. Door de inzet van communicatiemiddelen (voorlichting) en ondersteunend optreden (vooroverleg) hoopt de gemeente het gedrag van de burgers op een positieve manier te beïnvloeden. Communicatie en ondersteuning kunnen ingezet worden:  Om de burgers voor te lichten en draagvlak te creëren;  Bij complexe en veranderende wetgeving;  Om bewustwording te bereiken;  Om de positieve voorbeelden te communiceren;  Om aan te geven waarop handhaving zich gaat richten (éénduidig en transparant);  Om actief om te gaan met informatie en het signaleren van trends met betrekking tot klachten en meldingen over (bijvoorbeeld) een bepaald bedrijf;  Om het naleefgedrag te stimuleren;  Om kennis te nemen van de problemen of vragen van een doelgroep;  Om hulp te bieden bij het invullen van een (digitaal) aanvraagformulier. Figuur 5 de preventiestrategie in beeld

2.4.2. Handhavingsstrategie De preventiestrategie is gericht op het voorkomen van overtredingen. Als dat niet lukt of mensen maken bewuste keuzes voor overtreding dan volgt handhaving. De handhavingsstrategie bestaat uit een toezichtstrategie en een sanctiestrategie (zie figuur 3 in paragraaf 2.4). De toezichtstrategie geeft een overzicht van de wijze waarop het college inspeelt op het naleefgedrag van de burgers. De sanctiestrategie laat de stappen zien die genomen worden bij de constatering van een overtreding en welke bestuurlijke maatregel mogelijk volgt om de overtreding te beëindigen en/of ongedaan te maken. Om handhaving mogelijk te maken is een handhavingsstrategie nodig. Zowel de handhaver als de ‘overtreder’ moet weten waar hij of zij aan toe is. Voor de overtreder is het van belang

dat zijn of haar rechten en plichten bekend zijn. Ook is het belangrijk dat duidelijk is wat van hem of haar wordt verwacht. Het handhavingsproces beschrijft de stappen die voor handhaving gehanteerd worden. 2.4.3. Toezichtstrategie Het college heeft op grond van de Omgevingswet een toezichthoudende taak op het gebied van de fysieke leefomgeving. Het college is hierdoor belast met het toezicht op de naleving en handhaving van de wet- en regelgeving van vergunningen, openbare ruimte en milieu. Onder toezicht wordt verstaan: “Het controleren in hoeverre wettelijke bepalingen van vergunningen of een beleidsgebied worden nageleefd.” Daarbij geldt dat toezicht alleen gaat over de controle op de naleving en niet op het inzetten van juridische instrumenten (sancties) tegen de overtreding. Sanctioneren wordt ingezet als toezicht niet het gewenste resultaat geeft. In deze toezichtstrategie worden de vormen van uitvoering beschreven die het college heeft en de werkwijze die daarbij wordt toegepast. Ook geeft het aan hoe de afstemming tussen de verschillende handhavingspartijen geregeld is. Van oudsher zijn er vier aanleidingen tot toezicht (figuur 6): 1. Toezicht na het verlenen van een vergunning; 2. Ad hoc (incidenteel) toezicht na meldingen, klachten en calamiteiten; 3. Toezicht na een specifiek verzoek tot handhaving; 4. Projectmatig toezicht. Figuur 6 aanleidingen van toezicht

Reguliere controles zullen het grootste gedeelte van de capaciteit innemen. Immers een vergunningen- en meldingen stelsel vereist ook controle op naleving van de voorschriften. Naast capaciteit voor reguliere controles wordt capaciteit ingezet voor het behandelen van meldingen, klachten en handhavingsverzoeken. Immers de gemeente Albrandswaard hecht waarde aan een snelle en oplossingsgerichte aanpak naar haar inwoners en bedrijven. Om rechtsongelijkheid te voorkomen is het van belang om capaciteit in te zetten op de opsporing van illegale situaties.

De vierde vorm van het inzetten van toezichtscapaciteit is projectmatig. Per project kunnen de doelstellingen en prioriteiten bepaald worden. Hierdoor kan er efficiënter gewerkt worden. De projecten worden opgenomen in het jaarplan. Afhankelijk van de aard en het risico van de betreffende activiteit, wordt jaarlijks een afweging gemaakt hoe de capaciteit ingezet wordt. Die keuzes worden uitgewerkt in een jaarlijks op te stellen uitvoeringsprogramma. Deze toezichtstrategie geeft handvaten voor dat jaarlijks op te stellen uitvoeringsprogramma als het gaat om: a. brede inzet van capaciteit, b. integraal toezicht, o afstemming handhavingspartners o onafhankelijkheid eigen organisatie o borging processen c. efficiënt en effectief toezicht en een d. adequate rapportage. A. Brede inzet van toezichtscapaciteit De toezichtcapaciteit is beperkt en dus moeten er keuzes worden gemaakt op de verschillende vormen van toezicht. Het gaat om toezicht gericht op:  Vergunningen tijdens bouw-, sloop- of aanlegwerkzaamheden  Gebouwen tijdens de gebruiksfase  De openbare ruimte (de fysieke leefomgeving) en  Op signalering van een overtreding door anderen. Door deze verschillende vormen van toezicht te benoemen zijn de toezichtstaken goed te coördineren. Een goede coördinatie van het toezicht kan de toezichtsdruk verminderen.

Het college onderscheidt voor de inzet van de toezichtscapaciteit de volgende controles - Fysieke controle op de naleving van omgevingsvergunningen; - Fysieke controle op locatie n.a.v. afwijkingen bij meldingen private kwaliteitsborging onder de Wkb; - Integrale controle op onderdelen bouw, milieu en brandveiligheid; - Fysieke controle op locaties bij bouw-, sloop- of aanlegwerkzaamheden zonder omgevingsvergunning; - Behandelen van meldingen, klachten en handhavingsverzoeken; - Proactieve opsporing van illegale situaties door buitentoezicht en meldingen; - Projectmatig handhaven als dat is gewenst vanuit efficiency en naar aanleiding van verzoeken van handhavingspartners (rijk, provincie, college gemeenten, waterschappen en politie en justitie) Het zal dan gaan over specifieke categorie van bedrijven, bouwwerken of onderdelen daarvan, wetgeving of regionale samenwerking (bijvoorbeeld energielabelplichten, opdrachten vanuit het ministerie en ondermijning). Deze toezichtaspecten worden ingezet op verschillende toezichtsgebieden. Verschillende toezichtsgebieden vragen om verschillende vormen van toezicht. Het controleren van een verleende vergunning voor een woning (bouwen) is bijvoorbeeld anders dan het toezicht houden op milieubelastende activiteiten. Aan de hand van de prioriteitenlijst (hoofdstuk 5) onderscheidt de gemeente Albrandswaard de volgende 8 toezichtsgebieden:

1. Toezicht op verleende omgevingsvergunningen voor de binnenplanse Omgevingsplanactivteit (OPA) of buitenplanse Omgevingsplanactiviteit (BOPA); 2. Toezicht op verleende omgevingsvergunningen voor de activiteit bouwen; 3. Controle n.a.v. afwijkingen bij meldingen private kwaliteitsborging onder de Wkb; 4. Toezicht op constructieve veiligheid en brandveiligheid in de gebruiksfase; 5. Toezicht op monumenten; 6. Toezicht op slopen, kappen en inritten en reclame; 7. Incidenteel toezicht (o.a. bij vergunningsvrij bouwen); 8. Toezicht op technische onderdelen voortkomend uit de APV, m.n. constructieve veiligheid bij evenementen; 9. Preventief toezicht op milieubelastende activiteiten. 1. Toezicht op verleende omgevingsvergunningen voor de binnenplanse Omgevingsplanactivteit (OPA) of buitenplanse Omgevingsplanactiviteit (BOPA) Een binnenplanse omgevingsplanactiviteit is een activiteit die voldoet aan de regels in het omgevingsplan, maar waar toch een vergunningplicht voor geldt. Denk hierbij aan de activiteit bouwen (ruimtelijk), het kappen van een boom of het aanpassen van een monument. Een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is een activiteit die niet voldoet aan de regels van het omgevingsplan en ook niet vergunningvrij is. Voor de leefbaarheid en noodzakelijke ontwikkelingen als woningbouw en bedrijvigheid is het van belang om binnen de kaders van het Omgevingsplan te blijven.

Toezicht en handhaving draagt daarbij aan mee. 2. Toezicht op verleende Omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen: Het gaat hier om toezicht op het naleven van de voorschriften van een verleende omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. Hierbij wordt onder andere gecontroleerd op voorschriften uit het besluit bouwwerken leefomgeving en voorschriften in de Omgevingsvergunning die daarop gebaseerd zijn. Het is van belang dat er voorafgaand aan en tijdens het bouwen gecontroleerd wordt of gebouwd wordt volgens de Omgevingsvergunning. Tijdens de uitvoeringsfase wordt op locatie gecontroleerd op de vereiste technische voorschriften. De controlefrequentie wordt bepaald door de aard van het bouwwerk, de beschikbare capaciteit en de prioriteit die aan de controle wordt gegeven. Daarnaast wordt gecontroleerd of er in afwijking van de vergunning wordt gebouwd. Er wordt ook gecontroleerd op het bouwen zonder vergunning. 3. Controle n.a.v. afwijkingen bij meldingen private kwaliteitsborging onder de Wkb De Wkb betekent een groot aantal veranderingen in het toezicht en de handhaving bij bouwactiviteiten. De gemeente blijft verantwoordelijk voor het toezicht op de bestaande bouw, bouw- en sloopveiligheid en blijft het bevoegd gezag voor het bouwdomein. Bouwtoezicht voor gevolgklasse 1 bouwwerken wordt echter primair belegd bij private kwaliteitsborgers.

De gemeente toetst niet meer inhoudelijk aan bouwtechnische voorschriften, maar controleert of de opdrachtgever werkt met een toegelaten, bij de bouwactiviteit passend instrument en een onafhankelijke kwaliteitsborger. Ook controleert de gemeente of alle specifieke risico’s voor dat bouwwerk in de risicobeoordeling in kaart zijn gebracht en in het borgingsplan zijn

vastgelegd. Mocht toezicht en handhaving noodzakelijk zijn, dan biedt de Wkb in aanvulling op de Algemene wet bestuursrecht verschillende handvatten om te kunnen beschikken over de noodzakelijke informatie. Bij een onvolledige bouwmelding is juridisch geen sprake van een melding. De gemeente geeft aan de melder aan dat hij geen melding heeft gedaan, dat er gegevens ontbreken en ook welke. Als de melding vervolgens compleet wordt ingediend, is de melding op dat moment gedaan en gaat de termijn van vier weken lopen. Datzelfde geldt bij een onvolledige gereedmelding. Als die onvolledig is, is hij niet gedaan. Als de gereedmelding vervolgens compleet wordt ingediend, is de melding alsnog op dat moment gedaan. Een mededeling dat een melding niet aan de eisen voldoet (en dus onvolledig is), moet uiteraard wel binnen 4, respectievelijk 2 weken worden gedaan. In hoofdstuk 4.6 worden de prioriteiten met betrekking tot toezicht en handhaving van de bouwtechnische melding en vergunning verder uitgewerkt. 4. Toezicht op brandveiligheid en constructieve veiligheid in de gebruiksfase: Het gaat hier om periodiek toezicht op algemene voorschriften van brandveiligheid van bestaande bouwwerken. Hier wordt samen met de VRR op de locatie gecontroleerd op de kwaliteit en veiligheid van de bouwwerken voor brandgevaar.

Onder toezicht op brandveiligheid valt ook controle op de constructieve veiligheid bij bijvoorbeeld interne verbouwingen bij bestaande bouw. Ook kan op projectmatige basis toezicht worden gehouden op de constructieve veiligheid van bijvoorbeeld panden op een bedrijventerrein (bestaande bouw). Het doel van dit toezicht is voorkomen dat schade wordt geleden door onveilige situaties. 5. Toezicht op gemeentelijke monumenten: Hier wordt gecontroleerd op het naleven van de voorschriften van een omgevingsvergunning voor het wijzigen van een monument. Daarnaast vindt preventief toezicht plaats om ervoor te zorgen dat vergunningvrij onderhoud op de juiste manier wordt uitgevoerd en er geen illegale verbouwingen plaatsvinden. Door hierop toezicht te houden wordt geprobeerd verloedering of verandering van monumentale waarden te voorkomen. 6. Toezicht op slopen: Het gaat hier om het naleven van de voorschriften voor sloopactiviteiten zonder asbestcomponent. Tijdens de sloopfase wordt op de locatie gecontroleerd of echt volgens de voorschriften wordt gesloopt. Daarnaast wordt gecontroleerd op het slopen zonder de benodigde melding vooraf. Na melding van sloopwerkzaamheden kunnen vanuit de gemeente voorwaarden worden verbonden aan de sloop, bijvoorbeeld met betrekking tot afvalscheiding, veiligheid en beperking van hinder. 7. Incidenteel toezicht (o.a.

bij vergunningsvrij bouwen): Het gaat hier om controles naar aanleiding van klachten (signalen) en meldingen door toezichtpartners of anderen. Het college neemt naar aanleiding van een klacht of melding actie om het voorval, de overlast of overtreding te onderzoeken en indien nodig op te lossen. De mate waarin actie wordt ondernomen hangt af van de aard en de gestelde prioriteit van de betreffende activiteit, klacht of melding. 8. Toezicht op de Algemene Plaatselijke Verordening (APV):

Voor een aantal regels in de APV geldt een omgevingsvergunningplicht. Bij toezicht op onderwerpen van de APV die raakvlakken hebben met ruimtelijke ordening en constructieve veiligheid ligt de nadruk bij controle bij de zaken waarbij risico’s aanwezig kunnen zijn voor de veiligheid van burgers en/of de leefbaarheid van de omgeving. Toezicht vindt plaats naar aanleiding van verleende omgevingsvergunningen of meldingen door anderen. 9. Toezicht op milieubelastende activiteiten: Het college heeft het toezicht op werkveld milieu uitbesteed aan DCMR Milieudienst Rijnmond (DCMR). DCMR heeft een eigen toezichtstrategie en de gemeente speelt een coördinerende en beslissende rol bij handhaving. B) Integraal toezicht Afstemming handhavingspartners Uitgangspunt van de Omgevingswet is integraal toezicht. De wet verplicht het college het toezicht af te stemmen met andere betrokken handhavingspartners. Bij het afstemmen van toezicht gaat het om wanneer, wat en waar gecontroleerd moet worden. Toezicht vindt hier plaats door de faseringsketen. De faseringsketen beschrijft de verschillende fasen van een activiteit. De keten kent de volgende fasen: de planfase, realisatiefase, gebruiksfase en sloopfase. De bedoeling is dat per fase toezicht wordt gehouden door een toezichthouder. De overgangen tussen de fasen vormen belangrijke momenten voor afstemming.

Deze afstemming kan belangrijk zijn voor zaken die in een andere fase aan de orde komen. Voor het toezicht kan hierbij aan de volgende vormen van controleren gedacht worden: Controle met elkaar: vanuit bouw, milieu, (brand)veiligheid en andere aandachtspunten gezamenlijk een integrale controle uitvoeren. Met name van toepassing in situaties die door een groter dan gemiddelde complexiteit of bestuurlijke prioriteit worden gekenmerkt; 2. Controle na elkaar: hierbij zijn controlemomenten leidend. Dat wil zeggen dat verschillende toezichthouders een inspectie uitvoeren, afhankelijk van de fase van handhaving. Deze inspecties worden programmatisch opgepakt. Omdat in verschillende fase wordt gecontroleerd, heeft deze aanpak een sterke preventieve uitwerking; 3. Controle voor elkaar: hierin wordt de integrale controle van alle aandachtsvelden, door één toezichthouder uitgevoerd. Deze vorm van toezicht kan in de praktijk alleen worden gebruikt in niet complexe situaties.; 4. Signalering voor elkaar: facetcontroles/inspecties door een toezichthouder. De toezichthouder neemt tijdens de inspectie punten van andere aandachtsvelden mee. Het voordeel van deze aanpak is dat overtredingen eerder kunnen worden geconstateerd. Voor deze aanpak is goede afstemming en uitleg binnen een organisatie noodzakelijk. 1.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.albrandswaard.nl/api/v1/meetings/3738/documents/33659