CConstaterende datAlbrandswaard
Koppel je AI →
Document · PDF

47. 2025-073819 Raadsvoorstel Een bindend advies voor BOPA-aanvraag met betrekking tot de transformatie van kantoorpand Spui 2-24 naar wonen.pdf

Gemeenteraad AW 11 mei 2026, gemeente AlbrandswaardBij agendapunt: 6: Ingekomen stukken31.782 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

De kern van het herijkte voorzorgbeleid voor magneetvelden is dat met de netbeheerders is afgesproken dat deze bronmaatregelen gaan treffen om de sterkte en grootte van magneetvelden zo veel mogelijk te beperken. Het beleidsadvies is erop gericht om zoveel als redelijkerwijs mogelijk te voorkomen dat mensen langdurig worden blootgesteld aan magneetvelden die afkomstig zijn van elektriciteitsinfrastructuur en

KTJ-25008537 / Proj.nr. / Concept / 03-02-2026

die gemiddeld over een jaar sterker zijn dan 0,4 microtesla5. De waarde van 0,4 microtesla geldt als gemiddelde voor een heel jaar. Tijdens dat jaar kan de veldsterkte regelmatig boven en onder de waarde van 0,4 microtesla komen. Het is een waarde uit voorzorg, die alleen van toepassing is bij bovengrondse hoogspanningslijnen. 4.14.2 Onderzoek In paragraaf 5.13 'Kabels en leidingen' staat vermeld dat uit een quickscan is gebleken dat het projectgebied zich niet binnen de 0,4 microtesla magneetveldzone van een of meerdere hoogspanningslijnen bevindt. Nabij het projectgebied bevinden zich geen hoogspanningslijnen. Hierdoor blijft de blootstelling aan magnetische velden ruim onder de vastgestelde referentieniveauwaarden van 100 microtesla of 0,4 microtesla. Derhalve kan worden gesteld dat er geen sprake is van een overschrijding van de referentieniveauwaarden, wat betekent dat er geen aanleiding is voor verdere, diepgaandere onderzoeken naar mogelijke gezondheidseffecten. 4.14.3 Conclusie Vanuit het milieuaspect elektromagnetische straling is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4.15 Gezondheid 4.15.1 Toetsingskader In artikel 1.3 van de Omgevingswet worden de maatschappelijke doelen van de wet uiteengezet, waaronder het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving.

Er bestaat landelijk de wens om gezondheid meer integraal en volwaardig te betrekken in het nationale en lokale beleid over de fysieke leefomgeving. De inrichting van de fysieke leefomgeving kan direct bijdragen

aan de gezondheid van inwoners. Een gezonde leefomgeving ervaren bewoners namelijk als prettig, nodigt uit tot gezond gedrag en biedt bescherming tegen negatieve omgevingsinvloeden. 4.15.2 Onderzoek De herontwikkeling van een bestaand kantoorpand naar acht appartementen vindt plaats binnen een bestaande stedelijke structuur, in een omgeving met een overwegend woonkarakter. De locatie is goed ontsloten, ligt nabij voorzieningen en kent geen directe milieubelastende functies in de omgeving. Bij het ontwerp van het plan is aandacht besteed aan leefkwaliteit en gezondheid. Zo wordt het dak van het bijgebouw ingericht als een gemeenschappelijk dakterras, waarmee ruimte wordt geboden voor ontmoeting, ontspanning en verblijfskwaliteit. Dit draagt bij aan het sociale en mentale welzijn van de toekomstige bewoners. Daarnaast wordt het terrein grotendeels heringericht binnen de bestaande verharding, zonder toename van verhard oppervlak. Door het toevoegen van groene elementen op het dak van de berging wordt bovendien bijgedragen aan klimaatadaptatie, hittestressreductie en waterberging. Er zijn geen bijzondere omstandigheden of milieubelastende factoren aanwezig die aanleiding geven tot gezondheidsrisico’s.

Ook uit de beoordeling van andere milieuaspecten, zoals luchtkwaliteit, geluid, bodem en geur, blijkt dat het planvoornemen geen nadelige effecten heeft op de gezondheid van omwonenden of toekomstige gebruikers. 4.15.3 Conclusie Vanuit het milieuaspect gezondheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

27

4.16 Spuitzones 4.16.1 Toetsingskader In verband met de risico’s voor de volksgezondheid bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, dient in beginsel een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid, waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, te worden gehanteerd (ECLI:NL:RVS:2009:BJ8308, 23 september 2009; ECLI:NL:RVS:2021:276, 10 februari 2021). Deze zone van 50 meter dient vrij te blijven van spuitnevel of drift en wordt aangeduid als een spuitzone, spuitvrije zone of teeltvrije zone. Van dit uitgangspunt kan, op basis van locatiespecifieke omstandigheden, gemotiveerd worden afgeweken. De genoemde afstand is gebaseerd op vaste jurisprudentie van de Afdeling en is bedoeld om gezondheidsrisico’s te beperken. Het voorzorgsbeginsel ligt aan dit uitgangspunt ten grondslag.

4.16.3 Conclusie Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ten aanzien van het aspect ‘spuitzones’.

4.16.2 Toetsing Met onderhavig initiatief wordt een gevoelige functie gerealiseerd. Ten zuidoosten van het plangebied bevinden zich agrarische gronden. Deze gronden hebben de bestemming ‘Hoogwaardige akkernatuur’, waarin uitsluitend natuur-inclusieve en extensieve landbouw is toegestaan. Binnen deze bestemming gelden strikte voorwaarden voor het agrarisch bouwplan, waaronder een beperking op het aandeel intensieve gewassen, een verbod op het gebruik van insecticiden en andere chemische gewasbeschermingsmiddelen, en een verplicht aandeel natuurmaatregelen. Minimaal 40% van de gronden moet worden ingericht als natuur, met ecologisch beheer. Gelet op deze bestemming en de bijbehorende gebruiksvoorwaarden is belemmering vanuit mogelijke spuitzones uitgesloten.

KTJ-25008537 / Proj.nr. / Concept / 03-02-2026

28

5

Financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid

•

de bouw van een gebouw dat geen hoofdgebouw als bedoeld onder b is, met ten minste 1.000 m2 brutovloeroppervlakte; de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen met andere gebruiksfuncties dan een woonfunctie tot gebouwen met een woonfunctie, mits het ten minste tien woonfuncties betreft; of de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen met andere gebruiksfuncties dan een kantoorfunctie, een winkelfunctie of een bijeenkomstfunctie voor het verstrekken van consumpties voor het gebruik ter plaatse tot gebouwen met een of meer van deze gebruiksfuncties, mits de cumulatieve brutovloeroppervlakte van de nieuwe gebruiksfuncties ten minste 1.500 m2 bedraagt.

verhaald. Zolang de kostenverhaalbijdrage niet is betaald, is het verboden om de bouwwerkzaamheden uit te voeren.

Wanneer van het bovenstaande sprake is, is de gemeente verplicht om kosten te verhalen. Bovenstaande bouwactiviteiten zijn kostenverhaalplichtig. Dit kan op twee manieren: • privaatrechtelijk kostenverhaal: in een anterieure of posterieure overeenkomst (afdeling 13.6.2 Omgevingswet); • publiekrechtelijk kostenverhaal: kostenverhaalregels in een omgevingsplan, kostenverhaalvoorschriften in een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (afdeling 13.6.3 Omgevingswet).

Onderhavig initiatief vindt plaats op gronden die in de huidige situatie al in eigendom zijn van de initiatiefnemer. Separate regels met de gemeente zijn dan ook niet aan de orde.

•

• 5.1 Financieel-economische haalbaarheid Kostenverhaal houdt de verplichting voor de gemeente in om er in dat geval voor te zorgen dat de kosten, die zij maakt om deze ruimtelijke ontwikkeling mogelijk te maken, verhaald worden op de initiatiefnemer. In artikel 13.13 van de Omgevingswet staat aangegeven dat bij de volgende planologische besluiten het kostenverhaal aan de orde kan zijn: • bij het wijzigen van het omgevingsplan; • bij een omgevingsvergunningaanvraag voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Wanneer er sprake is van een van de voorgenoemde besluiten, moet er worden beoordeeld of er sprake is van een bouwactiviteit in de zin van artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit. Dit artikel definieert een bouwactiviteit als volgt: • de bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie; • de bouw van een of meer hoofdgebouwen anders dan gebouwen met een woonfunctie; • de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte of met een of meer gebouwen met een woonfunctie;

KTJ-25008537 / Proj.nr. / Concept / 03-02-2026

Het afsluiten van een anterieure of posterieure overeenkomst tussen de initiatiefnemer van de bouwactiviteit en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur. Wanneer het niet mogelijk is om een overeenkomst te sluiten, is de publiekrechtelijke weg verplicht. Dat betekent dat het bevoegd gezag dan de kosten op basis van de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit

Slechts in een aantal specifieke gevallen kan (hoeft niet) de gemeente afwijken van het verplichte kostenverhaal (artikel 8.14 Omgevingsbesluit): a. het totaal van de verschuldigde geldsommen dat op grond van artikel 13.18 van de wet kan worden verhaald, bedraagt minder dan € 10.000,-; b. er zijn geen verhaalbare kosten als bedoeld in de onderdelen A5 tot en met A9 van bijlage IV1; c. de verhaalbare kosten alleen de aansluiting van een locatie op de openbare ruimte of de aansluiting op nutsvoorzieningen betreffen.

5.2 Maatschappelijke verantwoording 5.2.1 Participatie en omgevingsdialoog Ten behoeve van het voorliggend initiatief is participatie uitgevoerd. Het participatie verslag is opgenomen in bijlage 6 van voorliggende motivering. 5.2.2 Advies en instemming Volgens de Omgevingswet is het verplicht voor het bevoegd gezag om in specifieke situaties advies in te winnen voordat het een vergunning of maatwerkvoorschrift verleent. Soms is zelfs instemming van het adviesorgaan vereist alvorens een besluit kan worden genomen. In bijlage 1 van de regeling ‘Adviesrecht gemeenteraad, verplichte participatie en delegatie onder de Omgevingswet’ staat een lijst van aangewezen gevallen van een buitenplanse

29

omgevingsplanactiviteit waarbij de gemeenteraad adviesrecht heeft. Deze gevallen luiden als volgt: 1. het oprichten van een of meer windturbines hoger dan 10 meter; 2. het aanleggen van zonne-energie installaties groter dan 15 kilowatt; 3. het toevoegen en/of bouwen van meer dan 11 woningen; 4. gebruikswijzigingen en/of uitbreidingen die leiden tot een hogere milieucategorie; 5. een wijziging binnen het ‘beschermd stads- en dorpsgezicht’; 6. aanvragen die, naar mening van het college van burgemeester en wethouders, moeten worden aangemerkt als politiek en/of maatschappelijk gevoelig. Het advies van de gemeenteraad is in bovenstaande gevallen niet nodig, indien: 1. het college van burgemeester en wethouders van de gemeente van plan is de aanvraag om een omgevingsvergunning te weigeren; 2. de gemeenteraad in een eerder stadium akkoord is gegaan met de ontwikkeling en daarbij heeft besloten van haar adviesrecht af te zien.

de aanvraag is ontvangen. Als het bevoegd gezag de beslissing op de aanvraag aanhoudt, begint de termijn te lopen op de dag waarop de aanhouding eindigt. De formele procedure start met het indienen van de vergunningaanvraag met bijbehorende stukken (bouwplan, motivering met bijbehorende onderzoeken, participatiestukken e.d.) bij het college van de gemeente. De gemeente zal een kennisgeving over de aanvraag in het Gemeenteblad plaatsen. De aanvraag wordt beoordeeld op volledigheid en juistheid van gegevens. Ook wordt de aanvraag mogelijk doorgezonden naar de gemeenteraad. Het college moet binnen 8 weken een besluit nemen op de aanvraag; dit mag éénmaal met 6 weken worden verlengd (artikel 16.64 Omgevingswet). 5.2.4 Bezwaar en beroep Na de besluitvorming bestaat voor belanghebbenden de mogelijkheid om bezwaar aan te tekenen. Na het bezwaar is er nog de gelegenheid voor beroep en hoger beroep.

Met onderhavige ontwikkeling is geen sprake van de realisatie van een of meerdere aangewezen gevallen als bedoeld in bijlage 1 van de regeling ‘Adviesrecht gemeenteraad, verplichte participatie en delegatie onder de Omgevingswet’. Er geldt dus geen instemmingsrecht voor de gemeenteraad. 5.2.3 Vaststellingsprocedure Voor de omgevingsvergunningaanvraag voor onderhavige buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt de reguliere procedure gevolgd. De beslistermijn begint te lopen zodra

KTJ-25008537 / Proj.nr. / Concept / 03-02-2026

30

KTJ-25008537 / Proj.nr. / Concept / 03-02-2026

31

Renovatie kantoorpand tot verhuurbare appartementen

DATUM: 06/02/2025

Werknummer: 20-0145

Essendijk 2

ONDERWERP: Parkeerberekening

3161 EE Rhoon

Nota parkeernormen 2024 gemeente Albrandswaard is gehanteerd voor het opstellen van de parkeerberekeningen.

Auto normering Functie Locatie Norm Berekening

: 8 Koopappartementen, >100 m2 : Buiten bebouwde kom : 1,8 parkeerplaatsen + 0,2(bezoekersaandeel) = 2 parkeerplaatsen per woning. : 2 x 8 = 16 parkeerplaatsen vereist

Er zijn 16 parkeerplaatsen gerealiseerd op eigen terrein conform de maatvoering van NEN-2443.

Fietsen normering Functie Locatie Norm

: Appartement (met fietsenberging) : Buiten bebouwde kom : 2,5 fietsen per woning

Er is voor elk appartement een individuele berging gerealiseerd op eigen terrein van 5 m2 of groter. Het Bouwbesluit 2012 geeft als minimumnorm 1,75 m² per fiets, Berekening

: 1,75 m2 x 2,5 = 4,375 m2 vereiste ruimte.

Conclusie Met de 16 parkeerplaatsen die worden gerealiseerd op het eigen terrein wordt voldaan aan de gestelde parkeernormering voor auto voertuigen. Met de te realiseren individuele bergingen van 5 m2 voor het stallen fietsen wordt voldaan aan de gestelde normering voor het stallen van fietsen.

Burgemeester de Jonghkade 19 | 3143CB Maassluis | Tel. 010 - 765 00 20 | info@studiovanspelden.nl

Archeologisch bureauonderzoek Spui 4-24 in Rhoon, gemeente Albrandswaard (ZH)

Hollandia reeks 1271

HOLLANDIA archeologen

2

C OLOF O N Hollandia reeks nr. 1271 Titel: Archeologisch bureauonderzoek Albrandswaardseweg Spui 4-24 in Rhoon, gemeente Albrandswaard (ZH) Toponiem: Rhoon 4-24 Kadastrale gegevens: RHO00-C-1568 Gemeente: Albrandswaard Onderzoeksmeldingsnummer Archis: 5810643001 Hoekcoördinaten: 87231/429924 (N) 87256/429906 (NO) 87223/429857 (Z) 87195/4298712 (ZW) Auteur: K.T. Salomons In opdracht van: Studio van Spelden Illustraties: Auteur, tenzij anders wordt vermeld Versie: Niet vastgestelde versie, juli 2025 Oplage: 7 ISSN: 1572-3151

© Hollandia archeologen, Zaandijk/Rotterdam 2025 Tuinstraat 27a 1544 RS Zaandijk  075 - 622 49 57  info@archeologen.com Noordsingel 117 3035 EM Rotterdam  010 - 7370931  rotterdam@archeologen.com

I N H OU D S O P G AV E Samenvatting5 1. Inleiding7 2. Het plangebied 9 3. Beleid11 4. Doel en methode 13 5. Aardwetenschappelijke gegevens 15 6. Historische en archeologische gegevens 17 7. Archeologische verwachting 23 8. Conclusie en advies 25 Literatuurlijst27 Bijlagen29 Bijlage 1: Archeologische perioden Bijlage 2: Archeologisch stappenplan

3

4

SAM E N VAT TI N G In juni 2025 heeft Hollandia archeologen Rotterdam een archeologisch bureauonderzoek verricht naar de aanwezige archeologische waarden voor een bouwplan aan het Spui 4-24 in Rhoon, gemeente Albrandswaard. Hier wil men een bestaand kantoorgebouw transformeren naar woningen en een berging aanleggen. In het kader van de aanvraag omgevingsvergunning is dit archeologisch bureauonderzoek opgesteld. Op basis van de geraadpleegde aardwetenschappelijke, historische en archeologische gegevens van het gebied geldt een lage verwachting voor de aanwezigheid van vindplaatsen uit de prehistorie. Voor de periode ijzertijd tot en met Romeinse tijd wordt een middellage verwachting uitgesproken. Een hoge verwachting gaat uit naar het aantreffen van archeologische resten uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd die in relatie staan tot de inrichting van het terrein als spui voor de Rhoonse haven. Vanwege de lage verwachting voor het plangebied en de beperkte archeologische waarde van dit deel van het voormalige spui, wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd en hoeven aan de omgevingsvergunning geen archeologische voorwaarden te worden verbonden. Advies Op basis van de resultaten in dit bureauonderzoek en afgezet tegen de voorgelegde plannen wordt geconcludeerd dat de aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied in voldoende mate zijn vastgesteld.

Mochten deze plannen worden uitgevoerd, dan wordt geadviseerd om geen archeologische voorwaarden aan de omgevingsvergunning te verbinden. Mochten er echter tijdens de uitvoering van het werk onvoorziene archeologische resten tevoorschijn komen, dan dient conform art. 5.10 Erfgoedwet de rijksoverheid onverwijld dop de hoogte te worden gesteld. Hiervoor kan een vondstmeldingsformulier bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed worden ingevuld.

5

6

Afbeelding 1. Overzicht van het plangebied op de topografische kaart van Nederland en in het kader de ligging binnen Nederland.

1

I N LE I D I NG Voor een plangebied aan het Spui 4-24 in Rhoon, gemeente Albrandswaard, heeft Hollandia archeologen een archeologisch bureauonderzoek opgesteld. Hier is men van plan om een bestaand kantoorgebouw te transformeren naar een appartementencomplex en een berging te construeren. Hiervoor dient een buitenplanse omgevingsplanactiviteit aangevraagd te worden. Het vigerende tijdelijke omgevingsplan Hof van Spui, fase 1 bevat geen regels voor de bescherming van archeologische waarden. Bij het afwijken van een tijdelijk omgevingsplan moet echter worden gemotiveerd of de voorgenomen wijziging past binnen het geldende beleidskader. De gemeente Albrandswaard heeft haar beleid op het gebied van archeologie vastgelegd in de Beleidsnota Archeologische Monumentenzorg Albrandswaard. Daarnaast is de archeologische waardenkaart Albrandswaard vastgesteld. Deze kaart geeft inzicht in de aanwezige en verwachte archeologische waarden binnen het gemeentelijk grondgebied, evenals de bijbehorende omgangsnormen. Volgens deze kaart heeft het onderhavige plangebied een hoge archeologische verwachting op dieptes vanaf 100 cm onder maaiveld. Daarnaast is in casu de archeologieverordening van toepassing.

Het doel van bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde, archeologische verwachting, met behulp van informatie van bestaande bronnen over bekende of verwachte archeologische waarden binnen een omschreven gebied. Het resultaat is een standaardrapport bureauonderzoek met een gespecificeerde archeologische verwachting. Mocht hier aanleiding voor zijn, dan kan deze verwachting nog aangevuld worden met veldonderzoek. In ARCHIS3 heeft het bureauonderzoek zaaknummer 5810643001 toegekend gekregen. Naderhand zal het onderzoeksrapport digitaal in ARCHIS3 worden gedeponeerd.

7

+11500

+11500

+11500

+11500

+8000

+8000

+8000

+8000

+4290

+4290

+4290

+4290

+1515

+1515

+0

+1515

+0

-1100

+0

Voorgevel

Achtergevel

Rechtergevel 17680 3900

1

3900

3

6210

4

2

3

3670

4

17680

5

3900

5

3900

1

Toilet

16,0 m²

Woonkamer/keuken

2,4 m²

Tuin app 2 29 m2

Entree app 2

5,2 m²

6210

80,3 m²

Balkon app 8 39 m2

B

Badkamer

Slaapkamer 2

7,4 m²

Slaapkamer

1,4 m²

Hal 12,7 m²

Balkon app 6 29 m2

10,0 m²

Entree Entree app 3

Washok

D

12,8 m²

2,1 m²

D

Woonkamer/keuken

2,3 m²

Balkon app 7 38 m2

Hal

71,1 m²

D

8,4 m²

Slaapkamer

Slaapkamer 2

Slaapkamer 1

4340

11,9 m²

Washok

3,8 m²

Toilet

Badkamer 8,6 m²

3,8 m²

29,6 m²

4340

Entree

Washok

C

Entree app 7

3,9 m²

Toilet

13,7 m²

Entree app 8

17,9 m²

Entree

21700

Slaapkamer 1 13,9 m²

7,1 m²

C

Entree app 6

Entree app 4

7,4 m²

Toilet 1,5 m²

4340

Entree app 1

21700

Toilet 1,5 m²

Hal

Entree app 5

5,2 m²

Badkamer

7,4 m²

4340

2,8 m²

C

Badkamer 4340

5

3900

4340

Slaapkamer 1 15,6 m²

Badkamer

C

21700

4

17680

Woonkamer/keuken

21700

Badkamer

4340

5,7 m²

20,7 m²

B

4340

2,8 m²

12,2 m²

3

3900

Washok 4340

4340

Balkon app 5 29 m2

6,0 m²

15,3 m²

Slaapkamer 2

2

3670

Badkamer Slaapkamer

76,7 m²

Hal

B

Washok

D

1

6210 A

Slaapkamer 2

77,0 m²

Slaapkamer 1

5

3900

4340

Woonkamer/keuken

Hal 6,0 m²

13,5 m²

3900

4340

Toilet 2,4 m²

Slaapkamer 1

4

17680

1474

16,1 m²

4340

4340

Slaapkamer 2

Tuin app 2 11 m2

3

3670 A

Badkamer 5,5 m²

5,4 m²

B

2

6210

A

Badkamer

13,5 m²

Woonkamer/keuken

4340

2

1474

3670

A

Linkergevel

4340

1

+0

-1100

83,6 m²

Toilet 1,6 m² E

E

E

E

Washok Toilet 1,2 m²

64,0 m²

F

Slaapkamer 2 Slaapkamer

Badkamer

14,0 m²

4,8 m²

10,9 m²

14,5 m²

F

Badkamer

Slaapkamer

9,6 m²

23,0 m²

F

Balkon app 4 11 m2

Tuin app 1 79 m2

Badkamer

4340

53,6 m²

4340

Woonkamer/keuken

53,3 m²

4340

4340

1,8 m²

Woonkamer/keuken

Woonkamer/keuken

Tuin app 3 83 m2

F

Balkon app 6 11 m2

Eerste verdieping

Tweede verdieping

Dakaanzicht

Essendijk

+11500 +10910

Begane grond

+7765 Spui

+4290

+1515

Sluis

+0

N

-1100 -1500 1

2

3

4

5

UP

3D - View 1

3D view 2

Kleuren en materialen Hellend dak 1 Hellend dak 2 Gevel metselwerk Kozijnen tpv stucwerk Draaiende delen tpv stucwerk Kozijnen tpv gevelsteen Draaiende delen tpv gevelsteen Schoorsteen Beglazing Gevel plint Luiken Waterslagen Goot 1 Goot 2 Wangen dakkapellen Daken dakkapellen

Object informatie : Leien : Dakpannen : Paapsteen : Hardhout : Hardhout : Hardhout : Hardhout : Paapsteen : Glas : Belgisch hardsteen : Hardhout : Belgisch hardsteen : hout : Mastgoot zink : Zink : Zink

- Antraciet - Antraciet - Wit gekeimd - Zwart - Zwart - RAL 7024 - RAL 7024 - Wit gekeimd - Helder hr++ - Antraciet - Antraciet - Antraciet - RAL 9010 - Naturel - Naturel - Naturel

Doorsnede B

Situatie 1:500

Appartementen

Plaats Gemeente code Kadastrale gemeente Sectie Sectie nummer Huidige functie Beoogde functie

: Rhoon : RHO00 : Rhoon :C : 1568 : Kantoor : Wonen

Inhoud Footprint BVO Perceel

: 5200 m3 : 524 m2 : 1446 m2 : 1739 m2

Begane grond Appartement 1 Appartement 2 Appartement 3

: 107 m2 : 132 m2 : 107 m2

1e verdieping Appartement 4 Appartement 5 Appartement 6

: 115 m2 : 131 m2 : 114 m2

2e verdieping Appartement 7 Appartement 8

: 146 m2 : 170 m2

Revisie Nr. 01. 02. 03. 04. 05. 06. 07. 08. 09. 10.

datum 24-04-2024

Project

Transformatie Essendijk 2

Adres

Essendijk 2

Werknummer

0145

Opdrachtgever

Marco Streefkerk

Onderdeel

Nieuwe toestand

Fase

Schetsontwerp

Schaal

1:100

Datum

01-12-2021

Formaat

A0

Tekening

B-02

Tekenaar

MI / TO

Studio van spelden

Burg. de Jonghkade 19

3143CB Maassluis

info@studiovanspelden.nl

010-7650020

www.studiovanspelden.nl

8 Afbeelding 2. 1000

Tekening van het

2615

plan. Document is aangeleverd door 1

Vooraanzicht - Berging 1 : 100

2

Section 10

Rechteraanzicht - Berging

Achteraanzicht - Berging

3

1 : 100

1 : 100

4

Linkeraanzicht - Berging 1 : 100

Section 10 6300

1800

70

1800

70

2450

6300

110

110

2750

BR 5,0 m²

Berging 2 BR 5,0 m²

Berging 3

6900

1 Berging 1

2

BR 5,0 m²

500

110 1020 110

3

14

5500

13720

500

6

13720 70

15

6600

5500 2750 110

5

BR 5,0 m²

6900

2400

Berging 5

BR 5,0 m²

6900

4

Berging 4

16 1

2

3

8

1240

BR 5,0 m²

4

5570

Berging 7

110 1020 110

BR 5,0 m²

6900

3100

7 Berging 6

6

5

7

8

500

9

BR 5,0 m²

N

2810

8

11

9200

2700

3D Presentatie

1240

10

Berging 8

12

110

UP 13 1015

de opdrachtgever.

5

Berging 1 : 100

6

Uitkijkdek

7

1 : 100

Kleuren en materialen

Object informatie

Berging Geveldelen Daktrim Dakbedekking HWA

Plaats Gemeente code Kadastrale gemeente Sectie

: Hout Zweeds Rabbat : Aluminium : Bitumen : PVC

- Zwart - Geanodiseerd - Naturel - Grijs

Situatie 1:500 1 : 200

: Rhoon : RHO00 : Rhoon :C

Sectie nummer Huidige functie Beoogde functie

: 1568 : Kantoor : Wonen

Project

Transformatie Essendijk 2

Adres

Essendijk 2

Werknummer

0145

Opdrachtgever

Marco Streefkerk

Onderdeel

Bergingen

Fase

Schetsontwerp

Schaal

-

Datum

12-12-2024

Formaat

A2

Tekening

B-05

Tekenaar

MI / TO

Studio van spelden

Burg. de Jonghkade 19

3143CB Maassluis

info@studiovanspelden.nl

010-7650020

www.studiovanspelden.nl

2

H E T P L ANG E BIE D Algemeen De werkzaamheden worden uitgevoerd binnen een plangebied met een oppervlakte van ongeveer 1690 m2. Het plangebied is gesitueerd in het zuiden van de bebouwde kern van Rhoon, tegen de Essendijk aan. Op circa 150 meter ten westen van het plangebied bevindt zich de Rhoonse haven, die rechtstreeks in verbinding staat met de Oude Maas en voorheen via een (keer)sluis verbonden was met het Spui. Een spui is een waterstaatkundig werk dat wordt gebruikt om overtollig water uit een polder of ander laaggelegen gebied af te voeren naar een rivier, meer of zee. Het is vaak voorzien van een schuif of sluisdeur die bij hoogwater gesloten blijft en bij laagwater wordt geopend, zodat water uit het binnenland weg kan stromen. Op geraadpleegde luchtfoto’s zijn geen landschappelijke elementen zichtbaar die wijzen op het historisch landgebruik. Vanaf 2006 was het plangebied reeds bebouwd. Op topografische kaarten raakt het plangebied in de jaren 70 van de vorige eeuw bebouwd. Het gaat hier om een opslagloods die ergens aan het begin van deze eeuw is vervangen door een vierkant kantoorgebouw met een oppervlakte van ongeveer 400 m2. Daarnaast zijn parkeerplaatsen. Het plangebied bevindt zich aan de binnenzijde van een dijk dat het voormalige Spui begrensde. Het maaiveld bij de parkeerplaatsen ligt gemiddeld op 0,4 m +NAP.

Toekomstig gebruik en bekend verstoringen Het plan is om het huidige kantoorgebouw te transformeren naar een appartementencomplex. Daarvoor blijft het bestaande pand gehandhaafd en op enkele plaatsen worden gewijzigd. De ingang aan de voorzijde wordt naar het midden verplaatst en aan weerszijden hiervan komen uitbouwen. Ook aan de zuidoostelijke gevel zal een uitbouw worden gemaakt. Rond het appartementencomplex wordt een onderheide lage muur aangelegd als tuinafscheiding. De totale oppervlakte van de nieuwbouw, inclusief tuinmuur, bedraagt ongeveer 725 m2, een verschil van 325 m2 ten opzichte van het huidige kantoorgebouw. Voor de uitbouw zullen funderingen moeten komen die zijn onderheid. De funderingen komen op 1,1 m -peil, waarbij voor het peil het huidige vloerniveau wordt aangehouden. Dit vloerniveau ligt rond de 1,4 m +NAP. Dit betekent dat voor de funderingsbalken er in beperkte mate grond hoeft te worden afgegraven. Verder zal het huidige parkeerterrein opnieuw ingericht worden en wordt langs de weg een berging gebouwd met een oppervlakte van ongeveer 50 m2. Hiervoor worden eveneens funderingen aanbracht op ongeveer 1,0 m -peil, waarbij voor het peil 0,55 m +NAP aangehouden kan worden. In de ondergrond zijn diverse kabels en leidingen aanwezig (zie afbeelding 3).

Daarnaast is de bodem ter plaatse van de bestaande opslagloods en het huidige kantoorgebouw tot een onbekende diepte geroerd geraakt. Aangenomen mag worden dat in dit deel de bovenste meter onder maaiveld is verstoord. Voor het gedeelte waar de nieuwe berging is gepland, zal de bodemverstoring vermoedelijk beperkt blijven tot circa de bovenste halve meter.

9

8 meter

de Archeologische waardenkaart van de gemeente Albrandswaard. Het plangebied is met rood omkaderd en bevindt zich in een gebied met een hoge archeologische verwachting vanaf 100 cm -mv (geel).

1:421

Afbeelding 4. Uitsnede van

schaal:

perceel.

pagina: 1 van 1

linksonder: X: 88.538,0 Y: 429.387,0 rechtsboven: X: 88.613,0 Y: 429.450,0

kabels en leidingen op het

De digitale informatie moet verplicht aanwezig zijn als u graaft.

4

Afbeelding 3. Huidige

KLIC-nummer: 25O0092832 - 1 Overzichtskaart

0

10

buisl. gev. inhoud KL1053 datatransport KL1051 datatransport KL1220 gas lage druk KL1081 laagspanning KL1081 middenspanning KL1081 overig WS0655 riool vrijverval GM0613 water KL1104

3

B EL E I D Het huidige wettelijk kader voor de bescherming van archeologische waarden is het gevolg van het op Europees niveau gesloten Verdrag van Valetta in 1991. Bij de invoering van het verdrag op nationaal niveau werd de Monumentenwet uit 1988, waarin de bescherming van archeologische vindplaatsen was geregeld, in 2007 gewijzigd. Hiermee moest de bescherming van archeologische vindplaatsen beter in het ruimtelijk ordeningsproces worden geborgd. De regels hiervoor zijn sinds 1 januari 2024 overgegaan in de Omgevingswet. Voor het plangebied dient een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) aangevraagd te worden omdat de bestemming van het kantoor in het tijdelijke omgevingsplan ‘Hof van Spui, fase 1’ gewijzigd dient te worden. Bij ontwikkelingen die niet passen binnen het geldende omgevingsplan, moet door de bevoegde overheid worden beoordeeld of de activiteit verenigbaar is met de relevante beleidskaders, waaronder het beleid voor archeologische waarden. De gemeente baseert haar archeologiebeleid op de Beleidsnota Archeologische Monumentenzorg Albrandswaard en een bijbehorende archeologische waardenkaart. Volgens deze kaart kent het plangebied een hoge archeologische verwachting dieper dan 100 cm -mv. In het tijdelijk omgevingsplan ‘Hof van Spui, fase 1’ staan geen specifieke regels benoemd die betrekking hebben op archeologie.

Dit betekent echter niet dat archeologische belangen buiten beschouwing blijven. In de gemeente Albrandswaard biedt de archeologieverordening in dat geval een vangnet, waarmee alsnog bescherming van archeologisch erfgoed wordt gewaarborgd. Ingevolge artikel 4 van de Archeologieverordening geldt een meldingsplicht voor bodemverstorende werkzaamheden in gebieden die op de archeologische waardenkaart zijn aangeduid met een hoge archeologische verwachting, voor zover deze werkzaamheden een oppervlakte van meer dan 100 m² beslaan en dieper reiken dan de op de kaart aangegeven dieptes. Voor het onderhavige plan betreft dat 100 cm -mv. Bij deze melding moeten onder meer de aard, omvang en diepte van de werkzaamheden worden toegelicht, voorzien van situatietekeningen en doorsnedes. Indien het college dit nodig acht, kan aanvullend een archeologisch rapport worden verlangd waaruit de archeologische waarde van de locatie blijkt. Een archeologisch bureauonderzoek voldoet aan deze eis.

11

12

4

D OE L E N M E THODE Het doel van een bureauonderzoek is om aan de hand van bestaande bronnen informatie te verzamelen over bekende of te verwachten archeologische waarden binnen een bepaald gebied. Dit omvat de aan- of afwezigheid, het karakter en de omvang, de datering, gaafheid en conservering en de relatieve kwaliteit van de archeologische waarden. Afhankelijk van de omvang van de werkzaamheden, de aard van de geplande bodemroering en de vraagstelling dienen aanvullende gegevens verzameld te worden. Het bureauonderzoek resulteert in een rapport met een gespecificeerd verwachtingsmodel. Op basis van dit verwachtingsmodel wordt een (selectie)advies gegeven. Het bevoegd gezag, in dit geval de gemeente Albrandswaard, kan op basis hiervan kijken of eventueel vervolgonderzoek nodig is of dat er een besluit genomen kan worden. Tevens kan door middel van het bureauonderzoek in een vroeg stadium in de planvorming rekening gehouden worden met aanwezige archeologische waarden in de bodem. Bij een bureauonderzoek worden, indien voorhanden, bronnen geraadpleegd die informatie verschaffen over de geologie en archeologie van het betreffende gebied. Onder andere wordt gebruik gemaakt van: 1. Kaartmateriaal, zoals bodemkundige, geomorfologische, geologische en historische kaartgegevens evenals beleidskaarten zoals gemeentelijke en provinciale verwachtingskaarten. 2.

Gegevens omtrent eerder verricht onderzoek en vondstmeldingen in het gebied uit de database van het Archeologisch Informatiesysteem (ARCHIS3) van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE). 3. Relevante geologische, historische en archeologische literatuur.

13

Afbeelding 5. Het plangebied, in rood, op de paleogeografische kaart van omstreeks 2750 v. Chr. Naar: Vos et al. 2022.

14

Afbeelding 6. Het plangebied, in rood, op de paleogeografische kaart van omstreeks 100 n. Chr. Naar: Vos et al. 2022.

5

A AR DW E T E NSCHA PPE LIJ KE GE GEVEN S Type gegevens

Bron

Omschrijving

Geologie

Mulder et al. 2003 / Nieuwe

Laagpakket van Walcheren op Hollandveen

geologische kaart van het

laagpakket op Laagpakket van Wormer c.q. For-

Koninkrijk der Nederlanden

matie van Echteld.

2023. Geomorfologie Bodemkunde Grondwaterstand

Geomorfologische kaart

Niet gekarteerd. Mogelijk vlakte van getijafzet-

van Nederland (PDOK)

tingen (M72).

Bodemkaart van

Niet gekarteerd. Mogelijk kalkrijke poldervaag-

Nederland (PDOK)

gronden, zware zavel (Mn25A).

https://www.grondwatertools.

Rond de 1,0 m -mv

nl/gwsinbeeld/

Tabel 1. Samenvatting van de relevante aardwetenschappelijke gegevens over de regio van het plangebied.

Genese van het landschap Het plangebied bevindt zich in een gebied waar de ondergrond met name gevormd is gedurende het Holoceen (vanaf ca. 11.500 jaar geleden). Op het dieper gelegen pleistocene dekzand (Formatie van Boxtel) en de rivierafzettingen van de Maas en Rijn (Formatie van Krefteneheye) ontstond een getijdengebied (Laagpakket van Wormer, voormalige afzettingen van Calais). Dit werd veroorzaakt door de temperatuurstijging waardoor de ijskappen smolten en de zeespiegel steeg. Omstreeks 6500 jaar geleden steeg de zeespiegel relatief minder. Hierdoor verlandde het getijdengebied achter de gevormde strandwallen en vernatte het gebied. Als gevolg hiervan ontstond veenvorming en/of werd rivierklei afgezet. Door het veengebied stroomden de rivieren richting de zee. Het gebied heeft gedurende lange tijd onder fluviatiele en mariene invloeden gestaan, van enerzijds de rivierdelta van de Rijn en Maas en anderzijds de Maasmond. Het betrof een dynamisch landschap waarbij de ondergrond gevormd werd door met name regionale of lokale omstandigheden. De onderzoekslocatie is ongeveer een kilometer verwijderd van de Oude Maas. Deze rivier start omstreeks 500 v. Chr. als een betrekkelijk kleine getijdengeul met een geringe aanvoer van zoet water (Cohen et al., 2012).

Vanaf de Romeinse tijd en vroege middeleeuwen krijgt de rivier een substantieel karakter en nam ook de mariene invloed vanuit de Maasmond af. Op de Oude Maas waterden vanuit het (Holland)veengebied kleine stroompjes af. Het is met name aan de oevers van deze stroompjes waar de bewoning plaatsvond. Het gebied bleef in de middeleeuwen onder invloed staan van de Maasmond. In de 12e/13e eeuw werd door middel van dijkbouw geprobeerd het gebied te stabiliseren. Dat bleek niet altijd effectief. Zo brak de zee tussen 1373-1375 door en bedekte de Riederwaard, waar Rhoon zich in bevond, met een dik zand- of kleipakket. Deze afzettingen worden gerekend tot het laagpakket van Walcheren (voormalige afzettingen Duinkerke III). Ondergrondgegevens plangebied Geologisch wordt de ondergrond omschreven als mariene afzettingen op veen op mariene of fluviatiele afzettingen (laagpakket van Walcheren, voormalige afz. Duinkerke I-III) op het Hollandveen laagpakket op het laagpakket van Wormer/laagpakket van Echteld, voormalige afz Calais/Gorkum). Op ongeveer 150 m afstand van het plangebied zijn de restanten van een van oorsprong prehistorische getijdengeul aanwezig die vanuit de Maasmond het gebied was binnengedrongen en de basis vormde voor de latere Oude Maas. Het ondergrond wordt gekenmerkt door perioden waarin de zee inbrak (transgressies) en zich terugtrok (regressies).

Hierdoor ontstaat een gelaagde bodemopbouw met afwisselende klei-/zandlagen en veenlagen.

15

Op een afstand van ongeveer 100 m ten zuiden, weliswaar in het buitendijkse gebied in de Zegenpolder (1676), is een dwarsdoorsnede van de ondergrond beschikbaar (Jansen 2019, zie afbeelding 7 rechts). Het plangebied ligt vermoedelijk ter hoogte van mariene/fluviatiele komafzettingen die zijn ingesneden in het Hollandveen Laagpakket en afgedekt zijn door dekafzettingen als gevolg van de 14e-eeuwse overstroming van de Riederwaard. De siltige komafzettingen met plantenresten worden, afhankelijk van hun ligging ten opzichte van een gevormde veenlaag, gerekend tot het Laagpakket van Walcheren of Formatie van Echteld (boven het veen; voorheen Duinkerke I) of het Laagpakket van Wormer (onder het veen; voorheen Calais). De abrupte overgang van de dekafzettingen naar de komklei wijst op erosie, al is onduidelijk hoeveel oorspronkelijk sediment is verdwenen. In de komklei zijn geen laklagen aangetroffen. De grens bevindt zich rond de 1,5 m -NAP. In het plangebied was in 1968 een geologische boring tot 25 m -mv uitgevoerd (B37G0321, zie afbeelding 7 links). Het maaiveld lag destijds op 0,2 m -NAP, een verschil van 0,6 m waar niet doorheen te boren is (Lelivelt / Moree 2007, 31). Hier werd pas op een diepte van 6,7 m -NAP een 2,25 m dikke veenlaag aangetroffen. Zowel daarboven als daaronder bevond zich een metersdik kleipakket.

Vanaf 18,7 m -NAP gaat de klei over op zand, dat op 23,95 m -NAP was afgezet op (basis)veen. Op basis van deze gegevens blijkt dat het plangebied langdurig is beïnvloed door getijdewerking en/of rivierprocessen. Hoewel de ondergrond bij het plangebied niet is gekarteerd, betreft deze geomorfologisch waarschijnlijk een getij-afzettingsvlakte (M72) en bodemkundig zware zavel, profielverloop 5 (Mn25A), gekenmerkt als kalkrijke poldervaaggronden.

Lithologie

16

-0.20 1.00 [m]

5.50 [m]

ID:

B37G0321

RD locatie:

88590 (x), 429430 (y), RD

WGS84 locatie:

598039 (lon), 5745255 (lat)

Verticale positie:

-0.20 [m] (NAP)

Startdatum:

11-12-1968

Beschikbare informatie: Digitale opnamegegevens

-5.20

BeschrijfMethode(s):

2.25 [m]

ONB

Lithologie Veen

Hoogte in meters ten opzichte van NAP

Klei -10.20

1.75 [m]

Zand

8.00 [m] -15.20

1.50 [m] -20.20

3.00 [m]

0.75 [m] 1.25 [m] -25.20

Afbeelding 7. Links: Geologische boring B37G0321, dat in 1968 in het plangebied was gezet. Rechts: Doorsnede van de ondergrond op 100 m ten zuiden. Het plangebied bevindt zich in lijn met boringen 3-4. Naar: Jansen 2019, 22.

6

H ISTO R I S C H E E N A RCHE OLOG ISCH E GEGEVEN S Type gegevens

Bron

Omschrijving

Kaart van de limietschei-

NL-HaNA_4.

Mogelijk spui

ding tusschen Poortugaal

VTH_2117_0001-

en Albrandswaard (1500-

00013000775.

1875). Kadastrale kaart 1811-

RCE. MIN08169C01

Spui

1832. Gemeente Rhoon, Tabel 2. Overzicht van

Sectie C, Blad 01 Topografische kaarten

Topotijdreis.

Spui, vanaf jaren 70 bebouwing.

Luchtfototijdreis.

Bebouwd

kaarten en luchtfoto’s van

(1880-2019). Luchtfoto’s 2006

geraadpleegde historische het onderzoeksgebied.

Historische en cartografische gegevens Het plangebied ligt ten zuiden van de dorpskern van Rhoon en wordt begrensd door de Dorpsdijk in het noorden, de Havendam in het westen, het Spui in het zuiden en het westelijke deel van de Essendijk in het oosten. Het gebied wordt aangeduid als het voormalige spui van de Rhoonse haven, die is gelegen in een niet (geheel) verland deel van een middeleeuwse meander van de Waal (Oude Maas). Spuien was een eeuwenoude techniek binnen het waterbeheer, waarbij tijdens eb water uit het binnendijkse gebied via een sluisconstructie of spuiwerk werd afgevoerd naar een buitendijks waterlichaam, zoals een rivier of getijdengeul. Deze bevonden zich ten noorden van het plangebied. De precieze ouderdom van het spui is niet bekend. Waarschijnlijk is het spui betrekkelijk kort na 1580 is aangelegd nadat een dam (het huidige deel van de Essendijk bij het plangebied) een natuurlijke zijkreek afsloot die op de Rhoonse haven was georiënteerd. Door deze afsluiting was natuurlijke afwatering niet langer mogelijk en moest het water gereguleerd worden via sluizen (Lelivelt & Moree 2007, 15). In de jaren 70 van de vorige eeuw is het spui gedempt. Aan de noordzijde van het Spui lag het voormalige gehucht ’t Rhoonsche Veer.

De bebouwing concentreerde zich voornamelijk langs de dijken, waaronder de Dorpsdijk, die mogelijk al voor de 14e-eeuwse overstroming bestond (Lelivelt & Moree 2007, 31). In de tweede helft van de 20e eeuw is het gehucht met de dorpskern van Rhoon vergroeid.

17

Afbeelding 8. Kaart van de ‘limietscheiding tusschen Poortugaal en Albrandswaard’ (1500-1875). Het zuiden is boven. Te zien is de Rhoonse haven, met bebouwing langs de dijken.

Afbeelding 9. Het plangebied, rood omkaderd, op de kadastrale minuutkaart uit 1811-1832. Deze is deels gesitueerd in het spuiwater.

18

Afbeelding 10. Topografische kaart uit 1975 met daarop het plangebied in rood omkaderd. Dit is de eerste topografische kaart waarop bebouwing binnen het plangebied te zien is.

Archeologische gegevens De Indicatieve Kaart Archeologische Waarde geeft voor het plangebied een middelhoge kans op het aantreffen van archeologische resten. Binnen een straal van 2,0 km zijn er geen beschermde archeologische monumenten aanwezig, wel zijn er meerdere archeologische terreinen (AMK-terreinen). Op een afstand van ongeveer 850 m ten noordoosten bevindt zich Essendael, een archeologisch terrein met een hoge waarde (AMK-nr. 16102). Het betreft een terrein met sporen van bewoning uit het Neolithicum en/of de Bronstijd. In een stroomgordel is houtskool en verbrand bot aangetroffen. Op een afstand van 1,3 km ten noorden van het plangebied bevindt zich eveneens een terrein met hoge archeologische waarde (Kerklaan;Dorpsdijk, AMK-nr. 6475). Het betreft een terrein met sporen van bewoning uit de late middeleeuwen. Het ligt en noorden van de dorpskern Rhoon. Vanaf 0.7 m -mv worden hier sporen gevonden. Er zijn hier slechts enkele scherven gevonden. 200 m daar ten noorden van, eveneens aan de Dorpsdijk, bevindt zich een terrein met sporen van bewoning uit de late middeleeuwen en sporen van een boerderij uit de nieuwe tijd (AMK nr. 16205). Mogelijk heeft bewoning in de late middeleeuwen plaatsgevonden in de periode net na de overstroming van de Riederwaard (11de-13de eeuw). Onder het oppervlak zijn bakstenen funderingsresten aanwezig.

Het terrein is deels aangetast door nieuwbouw. Vermeldenswaardig is verder dat op ongeveer 700 m naar het noorden, ter hoogte van Viaductlaan 1 in Rhoon, scherven uit de Romeinse tijd zijn gevonden (Van de Meer / Dorst 2008). Voor dit bureauonderzoek zijn echter archeologische gegevens geraadpleegd die binnen een straal van ca. 500 m rondom het plangebied zijn uitgevoerd. Daarbij is uitsluitend gekeken naar vondstmeldingen en veldonderzoeken. Deze worden hieronder beschreven. Onderzoeken ten zuiden van het plangebied Op 100 m ten zuidwesten heeft bij de Havendam in 2016 een inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen plaatsgevonden in verband met de aanleg van een sloot (Nales 2016, zaaknr. 4021936100). Tijdens dit onderzoek zijn geul- en beddingafzettingen van het Maasestuarium aangetroffen, maar geen archeologisch relevante oeverafzettingen. Deze ontbreken vermoedelijk als gevolg van erosie. De gevolgen van deze erosie zijn aanzienlijk: oudere bodemlagen en mogelijke archeologische resten uit onder meer de Romeinse tijd en de middeleeuwen zijn waarschijnlijk weggespoeld. Hierdoor is de kans op het aantreffen van goed bewaarde archeologische resten in dit gebied zeer gering.

Op een afstand van ongeveer 100 m ten zuiden van het plangebied, in de Zegenpolder, heeft in 2019 een inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende/karterende boringen plaatsgevonden vanwege het verbreden van de sloten (Jansen 2019, zaaknr. 4660395100). De resultaten van het booronderzoek zijn reeds aangehaald bij de bespreking van de aardwetenschappelijke gegevens. De aanwezigheid van antropogene lagen tussen boringen 4 en 9 leidde tot de uitvoering van een proefsleuvenonderzoek (De Koning 2021, zaaknr. 4697956100). Op 100 m afstand is een lage dijk vastgesteld, bestaande uit meerdere ophogingslagen van klei, plaggen en houtresten. De dijk is vermoedelijk rond 1 meter hoog geweest en ligt op een veenlaag die lokaal is ingedrukt onder het gewicht van de dijk. Een datering ligt ergens in de late middeleeuwen, voorafgaand aan de grote overstromingen in de 14e eeuw. In het dijklichaam zijn verder geen constructie-elementen aangetroffen, maar wel enkele stukken wilgenhout. De dijk wordt op enkele plekken doorsneden door latere ingravingen (kuilen, sloten) waarin onder meer kogelpotaardewerk en huttenleem zijn gevonden. De top van de dijk en het onderliggende veen zijn deels geërodeerd door latere overstromingen, wat ook elders in de regio is vastgesteld.

19

20

Onderzoeken binnen en ten noorden van het plangebied In 2007 heeft in het kader van het bestemmingsplan Rhoon-Dorp een uitgebreid inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende/karterende boringen plaatsg vonden (Lelivelt / Moree 2007, zaaknr. 2152172100). Enkele conclusies zijn reeds bij de beschrijving van de historische gegevens aangehaald. Tijdens dit onderzoek zijn namelijk ook enkele boringen binnen het spui geplaatst. Op basis hiervan werd geconcludeerd dat dit deel van de Dorpsdijk mogelijk een voorganger heeft gekend en na de overstromingen is aangepast of versterkt. Mogelijk gaat het om een dijk of dam. Mogelijk is deze gevormd in de periode tussen 1368/69 en 1373. In de jaren daarna is het gebied mogelijk afgedekt met een overstromingsdek, in aanloop naar de definitieve inpoldering. Er zijn tijdens het onderzoek geen sedimenten aangetroffen die wijzen op afzettingen afkomstig uit een verlande meander van de Oude Maas of Waal. In het zuiden zijn dergelijke afzettingen echter wel aangetroffen (Nales 2016; Jansen 2019). Op een afstand van ongeveer 125 m ten noordwesten, ter hoogte van de Dorpsdijk 213, heeft in 2008 een inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende/karterende boringen plaatsgevonden (Van de Meer / Schiltmans 2008, zaaknr. 2202692100).

Uit het onderzoek blijkt dat binnen het gebied geen sprake is van een natuurlijke bodemopbouw tot 2,30 m -mv (circa 0,1 m -NAP); alleen op grotere diepte zijn natuurlijke oeverafzettingen van Duinkerke aangetroffen. Deze afzettingen zijn afgedekt met opgebrachte grond die mogelijk als havenvulling kan worden geïnterpreteerd. Daarnaast zijn er geen in situ archeologische sporen of aanwijzingen voor de aanwezigheid van een dijklichaam, fundering of afwateringsconstructie aangetroffen. Op basis hiervan zijn geen verdere archeologische stappen nodig. Ongeveer 350 m naar het noordwesten heeft bij de Dorpsdijk 204-206 in 2010 een inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen plaatsgevonden (Ras 2010, zaaknr. 2290286100). Hierbij werd een intact bodemprofiel aangetroffen met verschillende ophooglagen en natuurlijke afzettingen. Het ophoogpakket van maximaal 1 m dik (tot 1,1-1,25 m -NAP) bevond zich op laat middeleeuwse oever- of geulafzettingen (Laagpakket van Walcheren, voormalige afz. Duinkerke). In de top hiervan werd een laatmiddeleeuwse aardewerkschef gevonden. Plaatselijk is het Hollandveen intact, met daaronder fluviatiele afzettingen (Formatie van Echteld, voormalige afz. Gorkum).

Omdat het bodemprofiel niet sterk verstoord was en archeologische vindplaatsen niet konden worden uitgesloten, werd aanbevolen om aanvullend onderzoek in de vorm van proefsleuven uit te voeren om de aanwezigheid en aard van eventuele archeologische resten beter vast te stellen. Dit onderzoek was niet uitgevoerd. Op een afstand van 400 m ten noorden van het plangebied heeft in 2019 in het kader van nieuwbouw een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen plaatsgevonden (Satijn / Van Puijenbroek 2019, zaaknr. 4743777100). Uit het onderzoek bleek dat het bodemprofiel bestaat uit getijdeafzettingen van het Laagpakket van Walcheren (voormalige afz. Duinkerke), met daaronder Hollandveen en aan de basis enkele kleilagen, die echter niet overtuigend konden worden herkend als Wormerafzettingen (voormalige afz. Calais). Er was een geleidelijke overgang van veen naar Walcheren-afzettingen waargenomen, zonder aanwezigheid van een veraard niveau. De ondergrond was tot een diepte van circa 0,5 tot 1,2 m -mv verstoord door recente activiteiten. Tijdens het veldonderzoek werden geen archeologische indicatoren of niveaus met archeologische potentie aangetroffen. Er werden geen vervolgstappen geadviseerd.

Tot slot wordt nog een inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen aangehaald dat in 2021 op een afstand van 500 m naar het noordoosten in het kader van de aanleg van een waterpartij was uitgevoerd (Peeters 2021, zaaknr. 5104703100). Daarbij werd een gelaagde ondergrond vastgesteld, bestaande uit opgebrachte of verstoorde grond, komklei, veen en oeverafzettingen boven het Hollandveen. In het merendeel van de boringen werden tussen circa 1,2 en 1,4 m -mv (ongeveer 2,28 tot 2,63 m -NAP) ontkalkte en relatief goed gerijpte oeverafzettingen aangetroffen, die

zich direct onder een overstromingsdek en boven het Hollandveen bevinden. Deze afzettingen worden op basis van hun bodemkundige kenmerken gekwalificeerd als lagen met een middelhoge tot hoge archeologische verwachting voor de periode Romeinse tijd tot en met de late middeleeuwen (voor 1373). Vervolgonderzoek werd aanbevolen, maar is uiteindelijk niet uitgevoerd. Type gegevens

Zaakidentificatienummer

Ligging ten opzichte van plangebied

Omschrijving

Archeologisch booronderzoek

4021936100

100 m ten zuidwesten

Archeologisch booronderzoek gaf geen aanwijzingen voor een vindplaats.

Archeologisch booronderzoek

4660395100

100 m ten zuiden

Archeologisch booronderzoek gaf aanleiding voor vervolgonderzoek.

Archeologisch proefsleuvenonderzoek

4697956100

100 m ten zuiden

Dijk van voor de 14e-eeuwse overstromingen gedocumenteerd.

Archeologisch booronderzoek

2152172100

Binnen het plangebied Spui is gedempt. In noorden mogelijk dijk/dam aanwezig. Dit kan een voorloper van de Dorpsdijk zijn uit 1368/69 en 1373.

Archeologisch booronderzoek

2202692100

125 m ten noordwesten

Archeologisch booronderzoek gaf geen aanwijzingen voor een vindplaats.

Archeologisch booronderzoek

2290286100

350 m ten noordwesten

Archeologisch booronderzoek gaf aanleiding voor aanvullend onderzoek. Dit heeft niet plaatsgevonden.

Archeologisch booronderzoek

4743777100

400 m ten noorden

Archeologisch booronderzoek gaf geen aanwijzingen voor een vindplaats.

Archeologisch booronderzoek

5104703100

500 m ten noordoosten

Archeologisch booronderzoek gaf aanleiding voor aanvullend onderzoek. Dit heeft niet plaatsgevonden.

21 Tabel 3. Overzicht van de archeologische onderzoeken die in de directe omgeving van het plangebied hebben plaatsgevonden. De gegevens zijn overgenomen uit ARCHIS. Daarbij is specifiek gekeken naar relevante veldonderzoeken.

Afbeelding 11. Overzicht van de archeologische onderzoeken binnen een straal van 500 m van het plangebied. Bron: ARCHIS.

22

Datering

Archeologische Complextype verwachting

Vondsten

Neolithicum

Laag

Nederzettingsterreinen en sporen van inrichting en agrarisch gebruik.

Bronstijd

Laag

IJzertijd

Omvang

Diepteligging t.o.v. maaiveld (-0,2 m NAP)

An- en organische Op het laagpakvoorwerpen, zaden, ket van Wormer (Calais). pollen en noten.

< 200 m2

Vanaf 9,0 m

Nederzettingsterreinen en sporen van inrichting en agrarisch gebruik.

An- en organische Op het Hollandvoorwerpen, zaden, veen laagpakket. pollen en noten.

< 200 m2

Vanaf 7,0 m

Middellaag

Nederzettingsterreinen en sporen van inrichting en agrarisch gebruik en zoutwinning.

An- en organische Op Hollandvoorwerpen, zaden, veen, in het laagpakket pollen en noten. van Walcheren (Duinkerke I)

< 200 m2

Vanaf 1,5 m

Romeinse tijd

Middellaag

Nederzettingsterreinen, infrastructuur, en sporen van inrichting en agrarisch gebruik.

An- en organische Op het Hollandvoorwerpen, zaden, veen en/of in het laagpakket pollen en noten. van Walcheren (Duinkerke I-II)

divers

Vanaf 1,5 m

Laat Romeinse tijd -vroege middeleeuwen

Laag

Nederzettingsterreinen, infrastructuur, en sporen van inrichting en agrarisch gebruik.

An- en organische Op het Hollandvoorwerpen, zaden, veen en/of in het laagpakket pollen en noten. van Walcheren (Duinkerke II)

divers

Vanaf 1,5 m

Late Middeleeuwen-nieuwe tijd

Hoog

An- en organische Sporen van landinrichvoorwerpen, zaden, ting (dijken/dammen), ophogingen/dempingen, pollen en noten. en het gebruik als spui.

Op het laagpakket van Walcheren (Duinkerke III)

divers

Vanaf 0,6 m

Tabel 4. Samenvatting van de archeologische verwachtingen per periode met de mogelijke dieptes en aard van de te verwachten waarden.

Stratigrafische positie

7

ARC HE OLO G I SCHE V E RWACHT IN G De directe ondergrond van het plangebied bestaat uit mariene afzettingen die dateren uit de late middeleeuwen. Op circa 100 tot 150 meter ten westen van het plangebied bevindt zich een voormalige getijdengeul van prehistorische oorsprong, die zich in latere perioden ontwikkelde tot de Oude Maas. Vanuit deze geul werd het gebied tijdens transgressiefasen, met name in de late middeleeuwen, bedekt met marien sediment. De resultaten van de vele uitgevoerde booronderzoeken binnen het plangebied en in een straal van 500 meter daaromheen, tonen een diffuus beeld van de ondergrond, waarbij het onderscheid tussen mariene en fluviatiele afzettingen niet altijd scherp te maken is. Dit geldt vooral voor de afzettingen onder het overstromingsdek dat tussen 1373-1375 is afgezet. Vaanf 9 m onder het maaiveld kunnen oude mariene afzettingen voorkomen (laagpakket van Wormer, voormalige afzettingen van Calais). Hoewel er in de directe omgeving geen archeologische vindplaatsen op deze afzettingen zijn aangetroffen, kunnen bewoningsresten uit het neolithicum niet op voorhand worden uitgesloten. De kans op het aantreffen hierop wordt laag ingeschat. Indien bewoning aanwezig is op dit niveau, dan dient rekening gehouden te worden met nederzettingen die niet groter dan 200 m2 zijn.

De archeologische resten bestaan onder andere uit nederzettingssporen, ploegsporen, cultuurlagen, greppels, kuilen, haarden, begravingen, aardewerk, natuursteen, gewei, voorwerpen van been en hout, archeobotanisch/zoölogisch materiaal. Indicatoren die wijzen op de aanwezigheid van vindplaatsen kunnen losse vondsten zijn en lagen met een heterogene aard door ploegen of wanneer deze lagen plaatselijk dieper reiken (aanwezigheid greppels/kuilen). Het laagpakket van Wormer raakt mogelijk vanaf het neolithicum bedekt door een veenlaag. Eventueel bevindt het Hollandveen laagpakket op 7 m diepte, maar rondom het plangebied is deze veenlaag op meerdere plaatsen in de directe omgeving ook op een hoger niveau, vanaf 3,5 m -mv, vastgesteld. Het wel of niet voorkomen van Hollandveen heeft te maken met de ligging ten opzichte van de eerder besproken getijdengeul. Aanwijzingen voor archeologische resten uit de bronstijd zijn in de directe omgeving hier niet op aangetroffen. Waarschijnlijk was het gebied te nat voor bewoning. Mogelijk werd het gebied weer bewoonbaar vanwege de verbeterde afwatering gedurende de ijzertijd. Het ontbreken van aanwijzingen voor kreken in de directe omgeving van het plangebied en de latere overstromingen maken dat er een middellage verwachting wordt uitgesproken voor de aanwezigheid van vindplaatsen uit de ijzertijd.

De archeologische resten uit de ijzertijd bestaan uit vooral uit nederzettingen, waterstaatkundige werken, betredingssporen, afval van zoutwinning, haarden, aardewerk, natuursteen, vaartuigen, mits goed geconserveerd, tevens voorwerpen van been, metaal, hout en leer en archeobotanisch/ zoölogisch materiaal. Indicatoren die wijzen op bewoning of betreding kunnen cultuurlagen zijn of losse vondsten. Gemiddeld zijn deze nederzettingen niet groter dan 200 m2. De conservering zal vanwege latere afzettingen goed zijn, hoewel er dus rekening dient te worden gehouden met sterke erosie door latere overstromingen. Voor het aantreffen van archeologische resten uit de Romeinse tijd geldt eveneens een middellage verwachting. In de wijde omgeving zijn aanwijzingen van bewoning in de Romeinse tijd bekend. In de directe omgeving (500 m) van het onderhavige plangebied zijn er echter geen nederzettingen of aanwijzingen voor geschikte vestigingsplaatsen vastgesteld. De kans op het aantreffen van resten binnen het plangebied uit deze periode wordt dan ook niet hoog ingeschat. De archeologische resten zouden zich bevinden op het Hollandveen of daarover afgezette kleilagen.

Mochten er archeologische resten uit de Romeinse tijd aanwezig zijn dan bestaan deze uit resten van waterstaatkundige werken, opgebrachte grondlagen, nederzettingen, ploeg-/cultuurlagen, greppels, kuilen, haarden, begravingen, waterputten, aardewerk, natuursteen, voorwerpen van been,

23

24

metaal, hout en leer, archeobotanisch/zoölogisch materiaal in het bodemarchief bewaard gebleven zijn. Ook hiervoor geldt dat de conservering onder de grondwaterspiegel en in kleiige afzettingen beter zal zijn, maar er rekening gehouden dient te worden met erosie door latere overstromingen. Vanaf de Romeinse tijd neemt de fluviatiele en mariene invloed in het gebied weer toe. Binnen het onderzoeksgebied uit zich dit in de aanwezigheid van oever- en komafzettingen, waarin plaatselijk veenvorming heeft kunnen optreden. Waarschijnlijk was het gebied tot de ontginningen in de late middeleeuwen niet geschikt voor bewoning. In de directe omgeving zijn geen resten uit deze periode teruggevonden. Mochten er echter archeologische resten uit de laat Romeinse tijd en de vroege middeleeuwen aanwezig zijn, dan bestaan die uit nederzettingssporen, omheiningen, ontginningssloten, ploeg-/ cultuurlagen, greppels, veekralen, kuilen, haarden, waterputten, aardewerk, natuursteen, voorwerpen van been, metaal, hout en leer, archeobotanisch/zoölogisch materiaal. De conservering van de artefacten zal redelijk zijn vanwege de ligging ten opzichte van de grondwaterspiegel. Indicatoren die wijzen op bewoning of landgebruik zijn losse archeologische vondsten in verspoelde context en eventueel zeer diep ingegraven kuilen, greppels etc.

Voor de late middeleeuwen tot de 14e eeuw wordt een middelhoge verwachting uitgesproken voor het aantreffen van bewoningssporen in het plangebied. Er kunnen wel losse vondsten aanwezig zijn die aangeven dat het gebied in de late middeleeuwen was bewoond. De aangetroffen vondsten binnen het plangebied kunnen als off-site, buiten de nederzetting, fenomenen worden gezien die eerder te maken hebben met het in gebruik hebben van het land. Daarbij kan vooral gedacht worden aan bedijkingen en sloten. In de 14e eeuw raakte het gebied overstroomd. Hierdoor is een dik pakket afgezet en zijn daarbij oudere niveaus opgeruimd. Waarschijnlijk werd vanaf de late 16e eeuw het eeuw het plangebied ingericht als spui. Historische kaarten uit de periode ca. 1800 tot ca. 1970 tonen geen bebouwing binnen het plangebied. Het was nog steeds als spui in gebruik. De sluis bevond zich waarschijnlijk in het noordwesten, bij de Havendijk. Onder de Essendijk is mogelijk een duiker aanwezig. Ter hoogte van het plangebied was een braakliggend terrein en een brede watergang aanwezig. In de jaren 70 werd het spui geslecht en vervolgens met ten minste 0,6 m grond opgehoogd. Er verschijnt een loods die aan het begin van deze eeuw vervangen wordt door het huidige kantoorgebouw. In de ondergrond bevinden zich nog de overblijfselen van het spui, zoals de gedempte watergang.

Hierin, maar ook daar direct buiten van, kunnen losse voorwerpen aanwezig zijn. De kans op de aanwezigheid wordt hoog ingeschat. De kans op het aantreffen hiervan tijdens de graafwerkzaamheden wordt echter lager ingeschat. Er dient rekening gehouden te worden met een verstoorde ondergrond vanwege de bouw van de loods in de jaren 70 en de nieuwbouw van het huidige kantoorgebouw.

8

C ONC LU S I E E N A DV IE S In het kader van de geplande nieuwbouw op het adres Spui 4–24 te Rhoon, gemeente Albrandswaard, zal de ondergrond worden verstoord. Gezien het plangebied op de archeologische waardenkaart is aangeduid met een hoge archeologische verwachting onder 100 cm -mv, geldt op grond van artikel 4 van de Archeologieverordening Albrandswaard een meldingsplicht voor bodemverstorende werkzaamheden dieper dan 1 meter en met een oppervlak groter dan 100 m². Bij de aanvraag van de buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) moet daarom rekening worden gehouden met mogelijke archeologische waarden in de ondergrond. Om aan deze verplichting te voldoen en het archeologische belang zorgvuldig mee te wegen in het ruimtelijk besluitvormingsproces, is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek voldoet aan de eis uit de archeologieverordening om bij de melding informatie te verstrekken over aard, omvang en diepte van de werkzaamheden en de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Op basis van de geraadpleegde aardwetenschappelijke, historische en archeologische gegevens geldt voor het plangebied een lage verwachting op vindplaatsen uit het neolithicum en de bronstijd. Het gebied lag nabij een getijdengeul, maar op of nabij deze geul zijn geen archeologische vindplaatsen aangetroffen.

De geul was in latere perioden actief (Waal/Oude Maas), waardoor eventuele oudere sporen waarschijnlijk zijn geërodeerd. Voor de ijzertijd en Romeinse tijd wordt een middellage archeologische verwachting uitgesproken. In de wijdere omgeving zijn vindplaatsen uit de Romeinse tijd bekend, maar in de directe omgeving zijn geen aanwijzingen voor bewoning of voor geschikte vestigingsplaatsen langs kreken. In de laat Romeinse tijd en de vroege middeleeuwen vernat het gebied en was deze nagenoeg onbewoond. De eerder benoemde geul blijft daarbij een rol spelen. Pas in de late middeleeuwen, vanaf de 11/12e eeuw, werd het gebied ontgonnen en raakte dit kwetsbaar voor overstromingen. Nabij het plangebied zijn overblijfselen van dijken uit de late middeleeuwen periode bekend. In de late 14e eeuw sloeg het noodlot toe en drong de zee binnen. Daarbij werd een dik overstromingsdek afgezet en zijn oudere bewoningsresten mogelijk opgeruimd. Nadat het gebied met dijken was geconsolideerd, werd een niet (geheel) verland deel van een middeleeuwse meander van de Waal (Oude Maas) gebruikt als (Rhoonse) haven. Het plangebied deed daarna dienst als spui, waarbij tijdens eb water uit het binnendijkse gebied via een sluisconstructie of spuiwerk werd afgevoerd naar een buitendijks waterlichaam, zoals een rivier of getijdengeul.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.albrandswaard.nl/api/v1/meetings/3843/documents/35513