47. 2025-073819 Raadsvoorstel Een bindend advies voor BOPA-aanvraag met betrekking tot de transformatie van kantoorpand Spui 2-24 naar wonen.pdf
Tekst van het document
Vermoedelijk is het spui kort na 1580 aangelegd, nadat een dam een laatmiddeleeuwse zijkreek afsloot die richting de Rhoonse haven liep. De sluizen zelf lagen niet in het plangebied. Historische kaarten laten zien dat dit deel onbebouwd bleef en enkel een spuikanaal en braakliggend terrein omvatte. In de jaren 70 van de vorige eeuw is het spui gedempt en met ongeveer 0,6 m grond opgehoogd. Voor de aanwezigheid van archeologische resten die in verband gebracht kunnen worden met de waterstaatkundige werken uit de late middeleeuwen (dijken/dammen/opgehogingen) en het spui wordt een hoge verwachting uitgesproken. De archeologische waarde hiervan is echter beperkt. De graafwerkzaamheden voor de fundering van het appartementencomplex reiken niet tot archeologisch relevante niveaus. Hoewel er heipalen worden geslagen, doorboren deze slechts lagen met een geringe archeologische waarde. Bij de graafwerkzaamheden voor de berging kan de bovenzijde van het in de jaren ’70 gedempte spuikanaal worden aangesneden. Ook hier worden geen betekenisvolle archeologische niveaus verwacht, evenmin bij het heien onder deze constructie.
25
A ANVUL L ENDE INFO RM AT I E
OP W W W.HOLL AN DIA-A RCHEOLOG I E. NL
Advies Op basis van de resultaten in dit bureauonderzoek en afgezet tegen de voorgelegde plannen wordt geconcludeerd dat de aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied in voldoende mate zijn vastgesteld. Mochten deze plannen worden uitgevoerd, dan wordt geadviseerd om geen archeologische voorwaarden aan de omgevingsvergunning te verbinden. Mochten er echter tijdens de uitvoering van het werk onvoorziene archeologische resten tevoorschijn komen, dan dient conform art. 5.10 Erfgoedwet de rijksoverheid onverwijld dop de hoogte te worden gesteld. Hiervoor kan een vondstmeldingsformulier bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed worden ingevuld.
26
L I T E R AT U U RLIJ ST Berendsen, H.J.A., 2004: De vorming van het land. Inleiding in de geologie en de geomorfologie, Assen. Cohen, K.M./E. Stouthamer/H.J. Pierik/A.H. Geurts, 2012: Digitaal basisbestand paleogeografie van de Rijn-Maasdelta. Rhine-Meuse Delta Studies’ Digital Basemap for Delta Evolution and Palaeogeography, Faculteit Geowetenschappen. Universiteit Utrecht. Jansen, B., 2019: Plangebied Rhoonse stort te Rhoon, Gemeente Albrandswaard. Archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek), Weesp (RAAP-rapport 3792). Koning, M.W.A., 2021: Inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven Zegenpolder (Rhoonse stort), Rhoon, gemeente Albrandswaard. Standaardrapportage archeologisch onderzoek, Schijndel (Bodac rapport A9007). Lelivelt, R.A. / J.M. Moree, 2007: Albrandswaard Rhoon Bestemmingsplan Rhoon-Dorp. Een bureauonderzoek, een Plan van Aanpak van het veldonderzoek en de resultaten van het veldonderzoek, Rotterdam (BOORrapporten 362). Meer, A., van de Meer / M.C. Dorst, 2008: Gemeente Albrandswaard, Rhoon Viaductweg 1. Een waarderend inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven, Rotterdam (BOORrapporten 373). Meer, A., van de Meer / D.E.A. Schiltmans, 2008: Albrandswaard Rhoon Dorpsdijk 213.
Een bureauonderzoek en verkennend inventariserend veldonderzoek door middel van grondboringen, Rotterdam (BOORrapporten 435). Mulder, F.J./M.C. Geluk/ I.L. Ritsema/ W.E. Westerhoff,/ T.E. Wong, 2003: De ondergrond van Nederland, Groningen/Houten. Nales, T., 2016: Rhoon, Havendam (ong.), gemeente Albrandwaard (Zuid-Holland); Inventariserend Veldonderzoek (IVO; verkennende fase), Utrecht (Transect-rapport 1095). Peeters, D., 2021: Onderzoeksgebied Waterpartij Park Jan, Cornelis Polder te Rhoon Gemeente Albrandswaard. Archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (verkennend en karterend booronderzoek), Weesp (RAAP rapport 5363). Ras, J., 2010: Verkennend Inventariserend Veldonderzoek door middel van grondboringen Plangebied Dorpsdijk 204 – 206, Rhoon, Gemeente Albrandswaard, Heinenoord (Projectnummer 1768-1006). Satijn, O.P.N. / F.P.J. van Puijenbroek, 2019: Archeologisch vooronderzoek in het kader van de herontwikkeling van een zorgcomplex aan de Klepperwei in Rhoon, gemeente Albrandswaard.Ruimtelijk advies op basis van een bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van boringen (IVO-O), Amersfoort (Vestiga rapport V1864). Vos, P./M. van der Meulen/H. Weerts/J. Bazelmans 2022: Atlas van Nederland in het Holoceen. Landschap en bewoning vanaf de laatste ijstijd tot nu, Amsterdam.
27
Websites
www.AHN.nl ARCHIS www.cultureelerfgoed.nl www.dinoloket.nl www.grondwatertools.nl PDOK www.topotijdreis.nl www.luchtfototijdreis.nl
28
BIJL AGEN Inhoudsopgave Bijlage 1: Archeologische perioden Bijlage 2: Archeologisch stappenplan
29
B 1.250-1.500
Late-Middeleeuwen
A 1.050-1.250
Vroege-Middeleeuwen
D
900-1.050
C
725-900
B
525-725
A
450-525
Miden-Romeinse tijd
Vroeg-Romeinse tijd
B
350-450
A
270-350
B
150-270
A
70-150
B
25-70
A
12-25
Late-IJzertijd
12 na Chr.250 v. Chr.
Midden-IJzertijd
500-250
Vroege-IJzertijd
800-500
Late-Bronstijd
1.100-800
Midden-Bronstijd
B 1.500-1.100 A 1.800-1.500
Vroege-Bronstijd
2.000-1.800
Vroeg-Neolithicum
2.450-2.000
A
2.850-2.450
B
3.400-2.850
A
4.200-3.400
B
4.900-4.200
A
5.300-4.900
Laat-Mesolithicum
6.450-4.900
Midden-Mesolithicum
7.100-6.450
Vroeg-Mesolithicum
8.800-7.100
Laat-Paleolithicum
B 18.000-8.800
MESOLITHICUM NEOLITHICUM
Late-Middeleeuwen
Midden-Neolithicum
B
A 35.000-18.000
Midden-Paleolithicum
300.000-35.000
Vroeg-Paleolithicum
-300.000
PALEOLITHICUM
A 1.500-1.650
MIDDELEEUWEN
Nieuwe tijd
Laat-Neolithicum
ROMEINSE TIJD
B 1.650-1.850
IJZERTIJD
Nieuwe tijd
Laat-Romeinse tijd
30
C 1.850-heden
BRONSTIJD
Nieuwe tijd
NIEUWE TIJD
B IJL AG E 1 : ARCHE OLOG ISCHE PERIODEN
B IJL AG E 2 : ARCHE OLOG ISCH STAPPEN PL AN In het “stappenplan archeologie” wordt aangegeven welk traject bij planvorming bewandeld moet worden als het gaat om het inpassen van archeologische waarden en verwachtingen. Het is van groot belang om in een zo vroeg mogelijk stadium van de planvorming rekening te houden met de archeologische waarden en verwachtingen en wel voordat men aanvangt met de globale invulling van een plangebied. Het stappenplan gaat uit van een brede inventarisatie van wat er bekend is over de archeologische waarden. Op basis daarvan wordt zeer gericht ingezoomd op voor het plan(gebied) relevante archeologische informatie. Na iedere stap wordt beredeneerd gekozen voor meer diepgaand onderzoek op specifieke plekken, zodat uiteindelijk voldoende bekend is over aanwezige vindplaatsen om gemotiveerde afweging in het ruimtelijke-ordeningsproces te kunnen maken. I. Bureauonderzoek Het doel van bureauonderzoek is het verwerven van informatie - aan de hand van bestaande bronnen - over bekende of verwachte archeologische waarden binnen of relevant voor het plangebied. Daarnaast moet het bureauonderzoek inzicht bieden in eventueel benodigd inventariserend onderzoek (stap II, zie onder). Een bureauonderzoek bestaat uit een archief- en literatuuronderzoek van archeologische en bodemkundige gegevens die bij RCE, provincie, gemeente en/of andere instanties (b.v.
universiteiten, musea) bekend zijn over het betreffende gebied. Het Bureauonderzoek dient de volgende aspecten te behandelen: * Aangeven wat de aanleiding is voor het bureauonderzoek en om welk gebied het gaat in verband met het bepalen van het onderzoekskader. * Beschrijven van het huidige gebruik van de locatie op basis van beschikbare relevante gegevens. * Beschrijven van het historische grondgebruik of de historische ontwikkeling van het gebied op basis van geofysische, fysische en historisch geografische gegevens. * Een korte impressie over de onstaansgeschiedenis van het landschap. * Een impressie van de bewoningsgeschiedenis. * Beschrijven bekende archeologische waarden. * Archeologisch waardevolle terreinen zoals deze zijn opgenomen in het Centraal Monumenten Archief (CMA) van de RCE. Dezelfde terreinen zijn tevens opgenomen op de Archeologische Monumentenkaarten (AMK) van de provincies. Archeologisch waardevolle terreinen genieten wettelijke bescherming (ex artikel 3 en 6 van de Monumentenwet) of dienen een planologische bescherming te krijgen binnen het bestemmingsplan. * Archeologische vindplaatsen zoals deze in het Centraal Archeologisch Archief (CAA) van de RCE aanwezig zijn. Clustering van vindplaatsen kan wijzen op de aanwezigheid van bewoningssporen uit het verleden.
* Beschrijven van de archeologische verwachtingen en opstellen van een gespecificeerd en onderbouwd verwachtingsmodel van de verwachte archeologische waarden. * Aan de hand van de door de RCE ontwikkelde Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden. Gebieden met een hoge of middelhoge archeologische verwachtingswaarde of trefkans komen in ieder geval voor een nader archeologisch onderzoek in aanmerking. * Aan de hand van een meer gedetailleerde provinciale c.q. gemeentelijke verwachtingskaart. * Rapportage met daarin advisering ten behoeve van het vervolgtraject gerelateerd aan de verschillende stadia van het planvormingsproces.
31
II. Inventariserend veldonderzoek (IVO) Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het zeer gericht aanvullen en toetsen van de uitkomsten van het bureauonderzoek. Stapsgewijs wordt bekeken óf er archeologische waarden aanwezig zijn en zo ja, wat dan de aard, karakter, omvang, datering, gaafheid, conservering en relatieve kwaliteit is. Ten behoeve van een IVO dient een Programma van Eisen (PvE) opgesteld te worden. In principe wordt het IVO uitgevoerd op basis van een Plan van Aanpak (PvA). Het onderzoek kan bestaan uit de volgende methoden: * non-destructieve methoden: geofysische methoden ; * weinig destructieve methoden: oppervlaktekartering, booronderzoek, sondering (putjes van maximaal een vierkante meter); * destructieve methoden: proefsleuven. Welke methoden (kunnen) worden ingezet hangt af van de locatie en vraagstelling. De onderbouwing voor de in te zetten methoden is in het bureauonderzoek gegeven. Een inventariserend veldonderzoek moet leiden tot een waardering en een archeologisch inhoudelijk selectieadvies. Nadere toelichting onderzoeksmethoden: 1 en 2: Bij non-destructieve methoden moet men denken aan elektrische, magnetische en elektromagnetische methoden, eventueel in combinatie met remote sensing technieken.
32
Bij weinig destructieve methoden gaat het om oppervlaktekartering en booronderzoek. Dit houdt in dat het plangebied wordt gekarteerd door middel van het “belopen” van akkers en weilanden, waarbij gezocht wordt naar aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische waarden. Daarnaast wordt door middel van boringen onderzocht hoe het staat met de bodemopbouw, en of er archeologische lagen of indicatoren te onderscheiden zijn. De aangetroffen vindplaatsen kunnen vervolgens nader bekeken worden met een meer diepgaand booronderzoek . Dit levert nadere informatie over de omvang en waardering op. Soms is het nodig om in dit stadium proefputjes te graven. Een proefsleuvenonderzoek wordt uitgevoerd indien uit de minder destructieve onderzoeksmethoden is gebleken dat er in een plangebied waardevolle archeologische vindplaatsen aanwezig zijn. Door middel van het graven van een aantal proefsleuven kunnen de exacte begrenzing, de datering en de graad van conservering van een vindplaats worden onderzocht. Uit het proefsleuvenonderzoek moet blijken of een vindplaats behoudenswaardig of zelfs beschermenswaardig is. Is dit het geval, dan zal bekeken moeten worden of de vindplaats ingepast kan worden in het plan. Het rijks- en ook het provinciaal archeologiebeleid gaat in eerste instantie uit van behoud van het bodemarchief in situ (ter plekke in de bodem).
AKOESTISCH ONDERZOEK
SPUI 2-24 RHOON THREE TIMES B.V. 19 juni 2025
Akoestisch onderzoek wegverkeers- en industrielawaai 8 appartementen te Spui 4-24 te Rhoon
Three Times B.V. Spui 10 3161 ED Rhoon Vertegenwoordigd door: T. Oosterbaan Nieman Raadgevende Ingenieurs B.V. Vestiging Utrecht Postbus 40217 3504 AA Utrecht info@nieman.nl www.nieman.nl
Uitgevoerd door:
De heer ir. M.J. van den Berg
Wij gaan vertrouwelijk met uw gegevens om, geheel volgens de richtlijnen voor Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Lees onze privacyverklaring.
Referentie:
20250752 / 36316
Status:
Definitief
Datum:
19 juni 2025
Inhoudsopgave Hoofdstuk 1
Inleiding
3
1.1
Projectomschrijving
3
1.2
Aanleiding voor het onderzoek
3
Wettelijk kader
4
2.1
Besluit kwaliteit leefomgeving
4
2.1.1
Geluidaandachtsgebieden
4
2.1.2
Standaardwaarden en grenswaarden
5
2.1.3
Overschrijding standaardwaarde
6
2.1.4
Overschrijding grenswaarde
6
2.1.5
Aanvaardbaarheid van gecumuleerd geluid
6
2.1.6
Gezamenlijke geluidbelasting
6
2.2
Lokaal geluidbeleid
7
Hoofdstuk 3
Uitgangspunten
8
3.1
Situatie
8
3.2
Modelgegevens
8
3.2.1
Verkeersgegevens
8
3.2.2
Industrieterrein Waal/Eemhaven
8
3.2.3
Gebouwen
9
3.2.4
Hoogtelijnen
9
3.2.5
Bodemgebieden en bebouwingsgebieden
9
3.2.6
Kruispunten
10
3.3
Toetspunten
10
3.4
Rekenmethode
10
3.5
Nestgeluid
10
Hoofdstuk 4
Resultaten
11
4.1
Geluidbelasting op de gevel
11
4.1.1
Gemeentewegen
11
4.1.2
Waterschapswegen
12
4.1.3
Industrielawaai
13
4.1.4
Gecumuleerd geluid
15
Hoofdstuk 2
20250752 / 36316 | 19 juni 2025
Blad 1 / 18
4.1.5
Gezamenlijk geluid
16
4.2
Maatregelen om de geluidbelasting terug te dringen
17
4.3
Aanvaardbaarheid van de geluidbelasting
17
4.4
Geluidwering van gevels
17
Hoofdstuk 5
Conclusie
18
Bijlage 1 -
Overzichtskaarten
19
Bijlage 2 -
Verkeersgegevens
20
Bijlage 3 -
Kaarten met geluidcontouren
21
Bijlage 4 -
Tabel met rekenresultaten
22
Bijlage 5 -
Bouwtekeningen
23
20250752 / 36316 | 19 juni 2025
Blad 2 / 18
Hoofdstuk 1
Inleiding
In opdracht van Studio van Spelden is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting op de gevels van een nieuw geluidgevoelig gebouw in kader van een Buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). 1.1
Projectomschrijving
Het project omvat de transformatie van een kantoorgebouw naar een woongebouw met 8 appartementen aan de Spui 4-24 te Rhoon. In figuur 1 is een impressie van het woongebouw weergegeven. Het gebouw heeft drie bouwlagen.
Fig. 1.1: Impressie na transformatie 1.2
Bron: Studio van Spelden
Aanleiding voor het onderzoek
Het onderzoek is noodzakelijk omdat de ruimtelijke ontwikkeling nieuw (in ruimtelijke zin) geluidgevoelig gebouw mogelijk maakt binnen het geluidaandachtsgebieden van gemeentewegen, waterschapswegen en industrieterreinen.
20250752 / 36316 | 19 juni 2025
Blad 3 / 18
Hoofdstuk 2 2.1
Wettelijk kader
Besluit kwaliteit leefomgeving
Wanneer een omgevingsplan een geluidgevoelig gebouw toelaat in een geluidaandachtsgebied van een bronsoort, is het noodzakelijk akoestisch onderzoek te doen naar de geluidbelasting op de geprojecteerde bebouwing. In het beginsel is het de bedoeling te onderzoeken of de belasting kan voldoen aan de standaardwaarde. 2.1.1
Geluidaandachtsgebieden
Het geluidaandachtsgebied van een bronsoort is het gebied rond geluidbronnen waarbinnen de belasting hoger kan zijn dan de standaardwaarde. De gebieden worden op kaart aangegeven in het CVGG, geluidgegevens.nl. Rijkswegen Het geluidaandachtsgebied van rijkswegen is gepubliceerd op het CVGG. Het plan ligt niet binnen het geluidaandachtsgebied van rijkswegen. Provinciale wegen (overgangsrecht) De geluidproductieplafonds voor de provinciale wegen van Zuid-Holland zijn nog niet vastgesteld. Voor deze wegen is daarom overgangsrecht van toepassing, conform artikel 3.5 van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet. Het plan ligt niet binnen het geluidaandachtsgebied van provinciale wegen. Gemeentewegen (overgangsrecht) Voor gemeentewegen in Westland is nog geen BGE vastgesteld en gepubliceerd op het CVGG. Op grond van artikel 17.5 van de Omgevingsregeling wordt, tot het moment dat de BGE is vastgesteld, het aandachtsgebied bepaald op basis van vaste afstanden (grotendeels in lijn met systematiek Wet geluidhinder). Het project ligt binnen 200 meter van o.a. de Dorpsdijk en valt daarmee binnen het geluidaandachtsgebied van gemeentewegen. Waterschapswegen (overgangsrecht) Er zijn nog geen waterschapswegen waarvoor een BGE is vastgesteld. Voor al deze wegen geldt overgangsrecht op grond van artikel 17.5 van de Omgevingsregeling. Het project ligt binnen 200 meter van o.a.
de Essendijk en valt daarmee binnen het geluidaandachtsgebied van waterschapswegen.
20250752 / 36316 | 19 juni 2025
Blad 4 / 18
Hoofdspoorwegen De geluidaandachtsgebieden van hoofdspoorwegen zijn gepubliceerd op het CVGG. Het plan valt buiten het geluidaandachtsgebied van hoofdspoorwegen. Lokale spoorwegen (overgangsrecht) Er zijn nog geen lokale spoorwegen waarvoor een BGE of GPP is vastgesteld en gepubliceerd in het CVGG. Voor al deze wegen geldt overgangsrecht op grond van artikel 17.5 van de Omgevingsregeling. Het project ligt niet binnen het geluidaandachtsgebied van lokaal spoor. Industrieterreinen (overgangsrecht) Voor industrieterreinen waarvoor nog geen GPP is vastgesteld, is overgangsrecht van toepassing (Artikel. 3.6 van de Aanvullingswet geluid). De geluidzone is het tijdelijke geluidaandachtsgebied. Het project valt binnen g 2.1.2
Standaardwaarden en grenswaarden
Per bronsoort is er een standaardwaarde en grenswaarde gesteld. Een geluidbelasting die niet hoger is dan de standaardwaarde, is aanvaardbaar. Belasting boven de grenswaarde, is in principe niet aanvaardbaar. Voor een geluidbelasting tussen de standaardwaarde en grenswaarde weegt de gemeente af of sprake is van een aanvaardbare geluidbelasting en een evenwichtige toedeling aan locaties. Tabel 2.1: Standaardwaarden en grenswaarden bronsoort
Standaardwaarde
Grenswaarde**
Provinciale wegen*, Rijkswegen
50 dB Lden
60 dB Lden
Gemeentewegen, Waterschapswegen
53 dB Lden
70 dB Lden
Lokale spoorwegen, Hoofdspoorwegen
55 dB Lden
65 dB Lden
Industrieterreinen*
50 dB Lden
55 dB Lden
40 dB Lnight
45 dB Lnight
*) Voor industrieterreinen en provinciale wegen zonder GPP wordt nog getoetst aan de Wet geluidhinder op grond van artikel 3.6 van de aanvullingswet geluid. Bij overschrijding van de voorkeursgrenswaarde is het nodig een hogere waarden procedure te doorlopen. **) In principe kan een gemeente een strengere grenswaarde hanteren als dit is vastgelegd in de Omgevingsvisie/geluidbeleid.
In afwijking op de bovenstaande tabel geldt dat voor provinciale wegen en gezoneerde industrieterreinen zonder GPP de voorkeursgrenswaarde en maximale ontheffingswaarden gelden uit de Wet geluidhinder.
20250752 / 36316 | 19 juni 2025
Blad 5 / 18
2.1.3
Overschrijding standaardwaarde
Het bevoegd gezag kan besluiten een hogere waarde toe te staan dan de standaardwaarde, als het naar oordeel van de gemeente aanvaardbaar is en voldoet aan de volgende instructieregels: Er geen geluidbeperkende maatregelen getroffen kunnen worden om te voldoen aan de standaardwaarde (5.78u, a). De overschrijding zoveel als mogelijk wordt beperkt (5.78u, b). De belasting voldoet aan de grenswaarde (5.78u, c). Het belang van een geluidluwe gevel wordt beschouwd (5.78ab) Het gecumuleerde geluid aanvaardbaar is (5.78ac).
De gemeente kan in haar geluidbeleid, onderdeel van haar omgevingsvisie, vastleggen onder welke voorwaarden sprake is van een aanvaardbare geluidbelasting. Hierbij valt te denken aan een geluidluwe gevel, indeling van de woning en een geluidluwe buitenruimte. 2.1.4
Overschrijding grenswaarde
Als sprake is van een overschrijding van de grenswaarde, is het bij uitzondering mogelijk een hogere waarde dan de grenswaarde toe te staan. Het gaat om: Bij vervangende nieuwbouw, ten hoogste 5 dB (artikel 5.78v) Bij functiewijziging, ten hoogste 5 dB (artikel 5.78w) Bij belasting vanwege een industrieterrein met zeehavengebonden activiteiten, ten hoogste 5 dB (artikel 5.78x) De gevel(s) met overschrijding zijn uitgevoerd als niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen.
2.1.5
Aanvaardbaarheid van gecumuleerd geluid
Als de geluidbelasting op een nieuw geluidgevoelig gebouw de standaardwaarde overschrijdt, moet beoordeeld worden of het gecumuleerde geluid aanvaardbaar is. Bij het bepalen van het gecumuleerd geluid wordt elke bronsoort betrokken waarvan het gebouw in het geluidaandachtsgebied ligt. De deelbijdragen van de bronsoorten worden voor cumulatie hindergewogen. 2.1.6
Gezamenlijke geluidbelasting
Als de geluidbelasting op een nieuw geluidgevoelig gebouw de standaardwaarde overschrijdt, wordt het gezamenlijk geluidbepaald. Bij het bepalen van het gezamenlijk geluid wordt elke bronsoort betrokken waarvan het gebouw in het geluidaandachtsgebied ligt, zoals het geval is bij het bepalen van het gecumuleerd geluid. Het gezamenlijk geluid is de gecumuleerde geluidbelasting (in L den) van alle bronsoorten, zonder hinderweging.
20250752 / 36316 | 19 juni 2025
Blad 6 / 18
2.2
Lokaal geluidbeleid
Voor zover bekend heeft de gemeente Albrandswaard nog geen vastgesteld geluidbeleid voor onder de Omgevingswet. Derhalve is uitgegaan van een normneutrale vertaling van de beleidsregel vaststellen hogere waarde 1. In artikel 1 staan de criteria voor het toestaan van een hogere geluidbelasting dan de standaardwaarde: Het college kan gebruik maken van zijn bevoegdheid, als voldaan wordt aan één van de volgende criteria: de woningen buiten de bebouwde kom worden verspreid gesitueerd; de woningen zijn ter plaatse noodzakelijk om redenen van grond- of bedrijfsgebondenheid; de woningen vullen een open plaats tussen de aanwezige bebouwing op; de woningen worden gesitueerd ter vervanging van bestaande bebouwing; de woningen zijn in een dorps- of stadsvernieuwingsplan opgenomen; de woningen vervullen door de gekozen situering of bouwvorm een doelmatige akoestische afschermende functie voor andere woningen (in aantal ten minste de helft van het aantal woningen waaraan de afschermende functie wordt toegekend) of voor andere geluidsgevoelige gebouwen of geluidgevoelige terreinen (gedefinieerd in art.
1 van der herziene wet geluidhinder); er sprake is van een nog niet geprojecteerde weg of te reconstrueren (spoor)weg, die een noodzakelijke verkeers- en vervoersfunctie zal vervullen; er sprake is van een nog niet geprojecteerde weg of te reconstrueren weg, die een zodanige verkeersverzamelfunctie zal vervullen, dat de aanleg van die weg zal leiden tot aanmerkelijk lagere geluidbelastingen van woningen; het referentieniveau ter plaatse van de uitwendige scheidingsconstructie van de woningen waarvoor de hogere waarde is verzocht, hoger is dan of gelijk is aan het equivalente geluidsniveau vanwege het betrokken Industrieterrein; de ligging van de geluidsbronnen op het betrokken industrieterrein zodanig is dat de geluidsbelasting, vanwege dit industrieterrein en vanwege andere geluidsbronnen, van ten minste één uitwendige scheidingsconstructie van elk van de woningen lager is dan of gelijk is aan 50 dB(A); de woningen worden gesitueerd in de omgeving van een metrostation en/of metrohalte
1
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR676408?
20250752 / 36316 | 19 juni 2025
Blad 7 / 18
Hoofdstuk 3 3.1
Uitgangspunten
Situatie
In figuur 3.1 is de situatie weergegeven van het project t.o.v. de relevante bronsoorten.
Fig. 3.1: Overzicht gemeentewegen (rood) en waterschapswegen (paars) t.o.v. project (zwart).
3.2 3.2.1
Modelgegevens Verkeersgegevens
De verkeersgegevens van de relevante wegen zijn ontleend aan het RVMK. Het gaat om de verkeersintensiteiten voor het jaar 2034. De verkeersgegevens van rijkswegen zijn gedownload op 5 juni 2025. Er is uitgegaan van een autonome groei van 1,5%. Met dit percentage is de prognose voor 2035 bepaald. 3.2.2
Industrieterrein Waal/Eemhaven
Op 12 juni 2025 heeft DCMR de benodigde data voor het onderzoek naar industrielawaai verstrekt. Het gaat om, onder andere, de 1 dB geluidcontouren van het industrieterrein (ten behoeve van het vaststellen van hogere waarden).
20250752 / 36316 | 19 juni 2025
Blad 8 / 18
3.2.3
Gebouwen
De gebouwen, inclusief hoogte gegevens, zijn ontleend aan 3D-gebouwen van BAG. 3.2.4
Hoogtelijnen
Voor het wegverkeersonderzoek is het standaard maaiveld op 0,3m gesteld, dit is grofweg de hoogte van de projectlocatie en omliggende gemeentewegen. Het standaard maaiveld van het aangeleverde industrielawaaimodel is niet gewijzigd. 3.2.5
Bodemgebieden en bebouwingsgebieden
De standaard bodemfactor van zowel het wegverkeerslawaaimodel als het industrielawaaimodel bedraagt 0, akoestisch hard. Absorberende bodemgebieden rond de projectlocatie zijn gebaseerd op begroeide terreindelen in Basisregistratie Grootschalige Topografie. In het aangeleverde industrielawaai model is rond de projectlocatie de omgeving in meer detail gemodelleerd (overeenkomstig het model voor wegverkeer). In onderstaande figuur ligt binnen de stippellijn het gebied nabij de projectlocatie en buiten de stippellijn is alles conform het aangeleverde model.
Fig. 3.2: Overzicht rekenmodel industrielawaai (zie ook bijlage 1).
20250752 / 36316 | 19 juni 2025
Blad 9 / 18
3.2.6
Kruispunten
Er zijn geen geregelde kruispunten aanwezig binnen 150m van het project. 3.3
Toetspunten
Op maatgevende plaatsen op de gevels zijn toetspunten gelegd. De toetspunten zijn gemodelleerd op 2/3 van de hoogte van elke bouwlaag. 3.4
Rekenmethode
De berekeningen voor de gemeentewegen en waterschapswegen zijn uitgevoerd conform de Omgevingsregeling, bijlage IVe. De berekeningen voor industrielawaai zijn berekend conform de HMRI. De berekeningen zijn uitgevoerd met behulp van softwarepakket Geomilieu versie 2024.2. 3.5
Nestgeluid
Als er een nieuwe geluidgevoelige ontwikkeling plaatsvindt binnen de zone van een industrieterrein of binnen de invloedsfeer van nestgeluid, moet het stappenplan worden gevolgd uit
-werkwijze
. Uit bijlage 4 van de werkwijze volgt dat het plan buiten de 50 dB Lden contour ligt. De geluidbelasting van nestgeluid is insignificant en daarom verder niet betrokken in het onderzoek.
Fig. 3.3: Geluidcontouren nestgeluid Bron: Interim-
. Het
plan ligt net buiten de grenzen van de kaart, de positie grofweg aangegeven met een rode pijl.
20250752 / 36316 | 19 juni 2025
Blad 10 / 18