CConstaterende datAlbrandswaard
Koppel je AI →
Document · PDF

47. 2025-073819 Raadsvoorstel Een bindend advies voor BOPA-aanvraag met betrekking tot de transformatie van kantoorpand Spui 2-24 naar wonen.pdf

Gemeenteraad AW 11 mei 2026, gemeente AlbrandswaardBij agendapunt: 6: Ingekomen stukken31.782 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Daarnaast wordt ingezet op woonzorgconcepten, waarbij wonen wordt gecombineerd met zorg en ontmoeting. Multifunctionele accommodaties (MFA’s) bieden ruimte voor onderwijs, sport, cultuur en zorg, en versterken de sociale cohesie in de dorpen. Doorstroming wordt gestimuleerd door senioren te verleiden tot verhuizen naar comfortabele appartementen, waardoor gezinswoningen vrijkomen voor jongere generaties.

12

Doorwerking projectgebied Het planvoornemen, dat voorziet in het behoud en de beperkte uitbreiding van een bestaand gebouw ten behoeve van de realisatie van acht koopappartementen in de kern Rhoon, sluit goed aan bij de uitgangspunten van de Structuurvisie Albrandswaard 2025. De visie zet in op het versterken van de bestaande dorpen, met bijzondere aandacht voor de identiteit, leefkwaliteit en ruimtelijke samenhang van Rhoon, Poortugaal en Portland. Voor Rhoon wordt specifiek ingezet op een duurzame, dorpse uitstraling, met ruimte voor wonen, voorzieningen en verblijfskwaliteit. Het planvoornemen draagt hieraan bij door het bestaande gebouw te behouden, hierdoor wordt niet afgeweken van de bestaande structuur. De beperkte uitbreidingen tasten het dorps karakter niet aan en sluit aan bij het streven naar “meer kwaliteit in plaats van meer volume”. Daarnaast sluit het plan aan bij de woonvisie gesteld in de structuurvisie, waarin wordt ingezet op kleinschalige woningbouw voor specifieke doelgroepen, zoals senioren en kleine huishoudens. De appartementen van circa 100 m² zijn geschikt voor deze doelgroepen en dragen bij aan de gewenste doorstroming binnen de woningmarkt. Ook het toevoegen van bergingen en een gemeenschappelijk dakterras past binnen de visie op gedeeld gebruik en sociale cohesie.

De aanleg van parkeerplaatsen op eigen terrein voorkomt druk op de openbare ruimte en draagt bij aan een goed functionerende woonomgeving. Gelet op de schaal, locatie en opzet van het plan, is het planvoornemen in lijn met de ruimtelijke koers en het streefbeeld voor Rhoon zoals opgenomen in de Structuurvisie Albrandswaard 2025. 3.3.2 Woonvisie Albrandswaard 2024-2028 De gemeente Albrandswaard heeft met de Woonvisie 2024–2028 een duidelijke koers uitgezet voor de komende jaren. De visie speelt in op de veranderende woningmarkt,

KTJ-25008537 / Proj.nr. / Concept / 03-02-2026

nieuwe landelijke en regionale afspraken, en de lokale behoefte aan passende en betaalbare woningen. Centraal staat het streven naar een evenwichtige, toekomstbestendige woningvoorraad die aansluit bij de wensen van verschillende doelgroepen. Tot 2030 wil de gemeente 1.566 nieuwe woningen realiseren, waarvan 511 in de sociale huursector. Na aftrek van sloop komt de netto toevoeging op 370 sociale huurwoningen. Minimaal twee derde van de nieuwbouw moet vallen binnen het betaalbare segment: sociale huur, middenhuur en betaalbare koop. De helft van deze woningen wordt gerealiseerd door woningcorporaties. De gemeente richt zich nadrukkelijk op starters, senioren, kleine huishoudens en mensen met een zorgvraag. Door levensloopbestendig te bouwen en doorstroming te stimuleren, ontstaat ruimte voor jongere generaties. Daarbij wordt ook ingezet op het aanpassen van bestaande woningen, zodat ouderen langer zelfstandig kunnen blijven wonen. Duurzaamheid en leefbaarheid zijn belangrijke pijlers. Nieuwe woningen moeten energiezuinig zijn en bijdragen aan toekomstbestendige wijken. De woonvisie is tot stand gekomen in nauwe samenwerking met inwoners, woningcorporaties, huurdersverenigingen en maatschappelijke organisaties, en vormt een belangrijke bouwsteen voor het gemeentelijk beleid op het gebied van wonen, welzijn en zorg.

bestaande kern Rhoon. Het planvoornemen draagt hieraan bij door het toevoegen van ruime, gelijkvloerse appartementen (ca. 100 m²), die aantrekkelijk zijn voor zowel senioren als kleinere huishoudens. Daarmee wordt ook de gewenste doorstroming op de woningmarkt bevorderd. De locatiekeuze binnen de bestaande kern past bij het uitgangspunt van zorgvuldig ruimtegebruik en het versterken van de dorpsstructuur. Door het behoud van het bestaande gebouw en de beperkte uitbreiding wordt aangesloten bij de wens om inbreiding te realiseren in plaats van uitbreiding in het buitengebied. Tot slot draagt het plan bij aan de leefkwaliteit door het toevoegen van voorzieningen zoals bergingen, een gemeenschappelijk dakterras en voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein. Daarmee sluit het plan goed aan bij de ambities van de woonvisie op het gebied van kwaliteit, doelgroepenbeleid en leefomgeving.

Doorwerking projectgebied De visie zet in op een evenwichtige woningvoorraad die aansluit bij de behoeften van verschillende doelgroepen, met bijzondere aandacht voor starters, senioren en kleine huishoudens. De gemeente streeft ernaar om tot 2030 in totaal 1.566 woningen toe te voegen, waarvan minimaal twee derde in het betaalbare segment (sociale huur, middenhuur en betaalbare koop). Binnen deze opgave is er nadrukkelijk aandacht voor kwalitatieve toevoegingen in de

13

4

4.1

Milieuaspecten in de fysieke leefomgeving Verkeersgeneratie, -afwikkeling en parke-

ren Verkeer maakt onderdeel uit van de evenwichtige functietoedeling aan locaties. Naast parkeren voor zowel de auto als de fiets moet aandacht besteed worden aan de verkeersgeneratie en -veiligheid. In deze paragraaf wordt aangegeven hoe met het planvoornemen hier rekening mee wordt gehouden. 4.1.1 Toetsingskader Een toevoeging of wijziging van functies op locaties zorgt vaak voor een verandering van de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie van een gebied. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto’s en fietsen en wat het effect is op de bereikbaarheid en de verkeersafwikkeling. Er mag geen onaanvaardbaar effect op de omgeving optreden. Om te bepalen wat de effecten van de activiteit op de verkeersaantrekkende werking van het plangebied zijn, kan gebruik worden gemaakt van de kengetallen van het CROW (publicatie 744). Deze kengetallen zijn algemeen erkend en geven een indicatie van de ontwikkeling gepaard gaande extra verkeersgeneratie. Ook bieden ze richtlijnen voor het aantal te realiseren parkeerplaatsen. De CROW-

1

kengetallen zijn richtlijnen waarvan afgeweken kan worden. Gemeenten kunnen ervoor kiezen om zelf parkeerbeleid met parkeernormen vast te stellen waar nieuwe ontwikkelingen aan moeten voldoen. De activiteit dient in dit geval aan het gemeentelijk beleid te worden getoetst. Verder bevatten omgevingsvisies van gemeenten een visie op verkeer op gemeentelijk niveau. Daarin worden vaak mobiliteit, bereikbaarheid en verkeersveiligheid als belangrijk geacht. Planinitiatieven dienen daaraan te worden getoetst. 4.1.2 Onderzoek Verkeer De verkeersgeneratie voor het initiatief is berekend volgens de stedelijkheidsgraad ‘sterk stedelijk’ (conform het CBS1) in de zone ‘rest bebouwde kom’, behorende bij de woningtypologie ‘koop, appartement, >100 m² bvo’ conform de CROW-744 publicatie. Uit onderstaande tabel blijkt dat het planvoornemen zorgt voor een verkeersgeneratie van minimaal 54 en maximaal 58 motorvoertuigen per etmaal (mrt/etmaal). Op basis van een worst-case benadering (lage kencijfer situatie huidig – hoogste kencijfer situatie beoogd) is er sprake van een toevoeging van 12 mvt/etmaal ten opzichte van de huidige situatie (kantoorfunctie). Gelet op de geringe toename, de situatie ter plaatse en de algehele staat van aangrenzende wegen wordt verwacht dat dit niet voor belemmeringen zal zorgen. De berekening van de verkeersgeneratie is opgenomen in navolgende tabel 1.

planvoornemen is bepaald volgens de stedelijkheidsgraad ‘sterk stedelijk’ (conform het CBS) in de zone ‘overig binnen bebouwde kom’, behorende bij de woningtypologie ‘koopappartement, >100 m² bvo’. Uit onderstaande tabel blijkt dat het planvoornemen leidt tot een parkeerbehoefte van in totaal 15 autoparkeerplaatsen en 20 fietsparkeerplaatsen. In deze behoefte wordt voorzien door de aanleg van 16 parkeerplaatsen op eigen terrein. Daarnaast bieden de individuele bergingen van 5 m² per woning voldoende ruimte voor het stallen van fietsen. Mogelijk wordt op het maaiveld nog ruimte gerealiseerd voor het stallen van fietsen voor bezoekers. Daarmee wordt met het planvoornemen volledig voldaan aan de parkeernormen voor zowel auto’s als fietsen. De berekende parkeerbehoefte en benodigde fietsenstalling is opgenomen in navolgende tabel 1. 4.1.3 Conclusie Vanuit het (milieu)aspect verkeersgeneratie, - afwikkeling en parkeren is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Parkeren De gemeente Albrandswaard kent de ‘Nota Parkeernormen 2024’. Hierin zijn parkeernormen opgenomen welke zijn afgeleid van de CROW. De parkeerbehoefte van het

https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/84929NED/table?dl=54E96

KTJ-25008537 / Proj.nr. / Concept / 03-02-2026

14

Verkeersgeneratie berekening Huidige situatie Kencijfer Functie

Aantal

Stedelijkheidsgraad

Zone

Kantoor (zonder baliefunctie)

968 m2 BVO

Nvt.

Rest bebouwde kom

Functie

Aantal

Stedelijkheidsgraad

Zone

Koop, appartement, > 100 m² BVO

8 appartementen

Nvt.

Rest bebouwde kom

Min.

Max.

4,7 (per 100 m² bvo)

6,5 (per 100 m² bvo)

Totaal mvt per etmaal 46 – 63

Beoogde situatie Kencijfer Min.

Max.

6,7 per woning

7,2 per woning

Verschil worst-case benadering

Totaal mvt per etmaal 54 - 58

+ 12 mvt/etmaal

Parkeerbehoefte berekening Beoogde situatie auto parkeren Kencijfer

Totaal pp

Functie

Aantal

Stedelijkheidsgraad

Zone

Bewoners

Bezoekers

Koop, appartement, > 100 m² BVO

8 appartementen

Nvt.

Binnen bebouwede kom

1,7 per woning

0,15 per woning

Binnen bebouwede kom

2,5 per woning

Nvt.

15 (14,8)

Beoogde situatie fietsparkeren Appartement (met fietsenberging)

8 appartementen

Nvt.

20

Tabel 1: Berekening verkeersgeneratie, parkeerbehoefte auto en fiets

KTJ-25008537 / Proj.nr. / Concept / 03-02-2026

15

4.2 Mer-beoordeling 4.2.1 Toetsingskader De milieueffectrapportage is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Per project dient te worden besloten of er een mer-plicht geldt, of dat er aanvankelijk slechts een mer-beoordeling wordt gevraagd. In bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan de projecten en de daarvoor benodigde besluiten waarvoor een mer-beoordelingsplicht of een mer-plicht van kracht zijn. In kolom 1 zijn de categorieën van projecten aangewezen, waaronder een ‘stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en parkeerterreinen’ (J11). Voor deze categorie project is een mer-plicht, zoals genoemd in artikel 16.43, eerste lid, aanhef en onder a, niet van toepassing (kolom 2). Echter, bij de aanleg, wijziging of uitbreiding van een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ geldt een mer-beoordelingsplicht (kolom 3). Dit houdt in dat de initiatiefnemer van een project mededeling dient te doen bij het bevoegd gezag. De mededeling is ook wel een aanmeldnotitie en bevat een beschrijving van het project, de locatie en de mogelijke milieueffecten. Het bevoegd ge-

zag beslist op basis daarvan of een mer nodig is. Of daadwerkelijk een mer-beoordelingsplicht geldt, is afhankelijk van of het project onder de benaming ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ valt. Of een project als een stedelijk ontwikkelingsproject wordt beschouwd, hangt af van de specifieke omstandigheden van dat project. Aspecten zoals de aard, omvang, locatie, en omgeving van de ontwikkeling, de toename van bebouwd oppervlak, en het al dan niet plaatsvinden van een functiewijziging spelen hierbij een rol. Dit is niet uitsluitend gebaseerd op de vraag of er (netto) aanzienlijke negatieve milieueffecten kunnen optreden. Het kan variëren per regio of een beoogde ontwikkeling als een stedelijk ontwikkelingsproject wordt aangemerkt. Onder de Omgevingswet is er sprake van één mer-beoordelingsprocedure. Om te voldoen aan de voorwaarden in afdeling 16.4 Omgevingswet en hoofdstuk 11 en om de bijlage V van het Omgevingsbesluit moet een mer-aanmeldnotitie worden opgesteld bij een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’.

Onderdeel J11 van bijlage V van het Omgevingsbesluit

J11

Kolom 1

Kolom 2

Kolom 3

Kolom 4

Projecten

Gevallen waarin de mer-plicht geldt (artikel 16.43, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet)

Gevallen waarin de mer-beoordelingsplicht geldt (artikel 16.43, eerste lid, aanhef en onder b, van de wet)

Besluiten als bedoeld in artikel 11.6, derde lid, onder c, van dit besluit

Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen

Niet van toepassing

Aanleg, wijziging of uitbreiding

Het omgevingsplan

KTJ-25008537 / Proj.nr. / Concept / 03-02-2026

4.2.2 Onderzoek Gezien de aard, omvang en locatie van de voorgenomen ontwikkeling, kan de realisatie van acht appartementen niet als stedelijke ontwikkelingsproject worden beschouwd. Het opstellen van een mer-aanmeldnotitie is daarom niet noodzakelijk. 4.3 Omgevingsveiligheid 4.3.1 Toetsingskader Een van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Bij externe veiligheid gaat het om het binnen aanvaardbare grenzen houden van risico's voor de omgeving in relatie tot het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen bij bedrijven met risicovolle milieubelastende activiteiten, het transport van gevaarlijke stoffen via openbare wegen, water- en spoorwegen en buisleidingen, het gebruik van luchthavens en het gebruik van windmolens. In het omgevingsplan worden beperkingen gesteld met betrekking tot externe veiligheid. Zo wordt de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht genomen. Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat één persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof. De grenswaarden voor het plaatsgebonden risico zijn ruimtelijk vertaald naar afstanden tot gebouwen en locaties. Gebouwen en locaties die als (zeer) kwetsbaar worden beschouwd mogen niet binnen de plaatsgebonden risicocontour 10-6-contour van een activiteit vallen.

Ook kunnen in het omgevingsplan aandachtsgebieden en voorschriftengebieden zijn aangewezen in het verband met het groepsrisico. Het groepsrisico gaat over de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied.

16

Er zijn drie typen aandachtsgebieden: 1. brandaandachtsgebied; 2. explosieaandachtsgebied; 3. gifwolkaandachtsgebied. 4.3.2 Onderzoek Aan de hand van kaarten uit de ‘Atlas Leefomgeving’ is er een quickscan omgevingsveiligheid uitgevoerd om de impact van het planvoornemen op de fysieke leefomgeving te beoordelen en vice versa. Daaruit blijkt dat ten zuidoosten van het projectgebied een brandaandachtsgebied is gelegen, afkomstig van een buisleiding op circa 49 meter. Het plangebied is echter niet gelegen binnen een van de opgenomen aandachtsgebieden van deze buisleiding. Aangenomen wordt dat dit dan ook geen belemmering zal vormen. Het projectgebied is echter wel gelegen binnen een gifwolkaandachtsgebied, afkomstig van het bedrijf Huntsman Holland B.V. Dit betreft een gifwolkaandachtsgebied dat is gesitueerd over de gehele gemeente, dit zal geen directe belemmering vormen voor onderhavig initiatief. 4.3.3 Conclusie Vanuit het (milieu)aspect omgevingsveiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4.4 Activiteiten en milieuzonering 4.4.1 Toetsingskader Activiteiten met gebruiksruimte en bijbehorende regels Activiteiten met gebruiksruimte verwijzen naar activiteiten die aan specifieke locaties worden toegewezen. De regels voor activiteiten met gebruiksruimte (gebiedsgerichte

KTJ-25008537 / Proj.nr. / Concept / 03-02-2026

naar de impact op het milieu bij het bepalen van de ruimte die voor deze activiteit nodig is. Handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering 2024’ De handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering 2024’ van de VNG biedt onder de Omgevingswet een nieuwe systematiek van milieuzonering en vervangt daarmee de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ onder de oude wetgeving.

Figuur 5: Uitsnede kaart 'Externe veiligheid' met projectgebied globaal zwart omcirkeld (bron: Atlas Leefomgeving)

regels) beogen de gebruiksruimte van een activiteit specifiek te begrenzen, zodat een activiteit op een specifieke locatie kan worden verricht zonder onaanvaardbare gevolgen een ander toegestane activiteit in dat gebied. De regels zijn niet alleen gericht op milieuzaken, maar ook op stedenbouwkundige overwegingen. De term ‘activiteiten met gebruiksruimte’ kan dus ook worden gebruikt voor activiteiten die het milieu belasten, maar niet specifiek zijn aangewezen in het Bal. De term is dus ruimer dan de veelgebruikte term ‘milieubelastende activiteiten’. Het uitgangspunt is dat alle activiteiten met gebruiksruimte in meer of mindere mate milieu gerelateerde gebruiksruimte nodig hebben en dus belastend kunnen zijn. Overeenkomstig het Bkl is in de handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering 2023’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) alleen het wonen hiervan uitgezonderd. Dat betekent dat wanneer het om wonen gaat, het niet nodig is om specifiek te kijken

De nieuwe systematiek omvat geen koppeling meer van activiteiten aan milieucategorieën per Standaard Bedrijfsindeling code (SBI-code) en de daarbij behorende richtafstanden. In plaats daarvan wordt getoetst aan concrete, juridisch bindende milieuwaarden voor geluid en geur. De systematiek drijft op inwaartse zonering op basis van geluid en geur. Bij de meeste activiteiten is geluid het maatgevende aspect, slechts een enkele activiteit is geurrelevant. De specifieke regels voor geluid en geur in de handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering 2024’ gelden aanvullend op de standaard gebiedsgerichte regels in het omgevingsplan van gemeenten. 4.4.2 Onderzoek Uitwaartse zonering Het planvoornemen betreft de realisatie van appartementen en valt daarmee onder de activiteit ‘wonen’. In lijn met de handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering 2024’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is wonen uitgezonderd van de toets op milieubelastende gebruiksruimte. Dit betekent dat het bij deze activiteit niet noodzakelijk is om specifiek te kijken naar de impact op het milieu bij het bepalen van de benodigde gebruiksruimte.

17

Inwaartse zonering De activiteit wordt gerealiseerd op een locatie waar in de directe omgeving enkel sprake is van woon functies. Er zijn derhalve geen milieubelastende of gevoelige functies in de nabijheid die een belemmering kunnen vormen voor het planvoornemen. Dit betekent dat er vanuit de omgeving geen relevante milieubelastingen te verwachten zijn die de woonkwaliteit van de toekomstige appartementen nadelig beïnvloeden. Wel is het projectgebied gelegen binnen een gezoneerd industrieterrein voor wat betreft geluid (cf. het tijdelijke omgevingsplan). In dat kader is akoestisch onderzoek uitgevoerd, waarvan de resultaten zijn opgenomen in de paragraaf ‘Geluid’. 4.4.3 Conclusie Vanuit het (milieu)aspect activiteiten en milieuzonering is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4.5 Geluid 4.5.1 Toetsingskader Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen De aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet is vooral een decentrale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit vorm. Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen, en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken.

Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor

KTJ-25008537 / Proj.nr. / Concept / 03-02-2026

individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit geluidsregels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van spoorwegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron. De geluidinhoudelijke doelstellingen zijn: • het voorkomen van een onbeheerste groei van de geluidsbelasting op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties; • het reduceren van geluidbelastingen op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties die blootstaan aan zeer hoge geluidsbelastingen; • het bevorderen van bronmaatregelen; • het scheppen van een beter toegankelijk en minder complex geheel van regels; • het beperken van de lasten bij de uitvoering van de regels. Geluidproductieplafonds Een geluidsproductieplafond geeft de maximale toegestane productie weer op een vast fictief punt, het referentiepunt, op korte afstand van de geluidsbron. Bij de vaststelling van een geluidproductieplafond als omgevingswaarde is het geluid op een geluidgevoelig gebouw niet hoger dan de hoogste van de volgende waarden: a.

De standaardwaarde, bedoel in tabel onderstaande tabel; of b. Het geluid bij volledige benutting van het geluidproductieplafond dat gold direct voorafgaand aan de

vaststelling van het in de aanhef bedoelde geluidproductieplafond. Geluidbronsoorten Rijkswegen en provinciale wegen

Standaardwaarde 50 Lden

Gemeentewegen en waterschapswegen

53 Lden

Hoofdspoorwegen en lokale spoorwegen

55 Lden

Industrieterreinen

50 Lden 40 Lnight

Bij de vaststelling van een geluidproductieplafond als omgevingswaarde kan de hoogste van de twee waarden, bedoeld in artikel 3.32 lid 1 worden overschreden als: a. geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de hoogste van de twee waarden te voldoen; b. de overschrijding door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt; en c. het geluid op geluidgevoelige gebouwen niet hoger is dan de grenswaarde, bedoel in onderstaande tabel. Geluidbronsoorten Rijkswegen en provinciale wegen

Grenswaarde 60 Lden

Gemeentewegen en waterschapswegen

70 Lden

Hoofdspoorwegen en locale spoorwegen

65 Lden

Industrieterreinen

55 Lden 45 Lnight

Afdeling 3.5 (artikel 3.18 lid 1) van het Bkl voorziet in het Toetsingskader/instructieregels omtrent de beheersing van het geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen.

18

Geluidsgevoelige gebouwen De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 van het Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat bijvoorbeeld een woon-, onderwijs- of zorgfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel. Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid op grond van artikel 4.2 van de Omgevingswet. Dat doet de gemeente vanuit haar taak ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ (ETFAL). Dit kan de gemeente onder andere bereiken door: • de ordening van locaties van activiteiten ten opzichte van elkaar; hierbij kan worden gedacht aan de afstand tussen een woning en een bedrijf. • het stellen van regels aan activiteiten op een locatie; hierbij kan worden gedacht aan normen voor geluidimmissies of preventieve maatregelen. 4.5.2 Onderzoek Het planvoornemen betreft de realisatie van woningen. Er is daarmee sprake van een geluidsgevoelige functie.

Voor het bepalen van de gevelbelasting en het binnenklimaat, is door het onderzoeksbureau Nieman akoestisch onderzoek wegverkeer- en industrielawaai uitgevoerd. Navolgend worden de belangrijkste conclusies beschreven. De volledige rapportage is separaat als bijlage 1 opgenomen.

KTJ-25008537 / Proj.nr. / Concept / 03-02-2026

Wegverkeerslawaai Uit akoestisch onderzoek blijkt dat de geluidbelasting op de gevels van de beoogde woningen als gevolg van de omliggende gemeente- en waterschapswegen voldoet aan de daarvoor geldende standaardwaarden. Er is derhalve geen sprake van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarden voor wegverkeerslawaai. Industrielawaai Ten aanzien van industrielawaai is vastgesteld dat de geluidbelasting als gevolg van het industrieterrein Waal/Eemhaven de voorkeursgrenswaarde overschrijdt. De berekende geluidbelasting bedraagt maximaal 51 dB(A). Gezien deze waarde wordt geadviseerd om voor alle acht woningen een hogere waarde van 51 dB(A) vast te stellen. Er zijn geen bron- of overdrachtsmaatregelen mogelijk om de geluidbelasting te beperken tot de voorkeursgrenswaarde. Indien de geluidbelasting hoger is dan de standaardwaarde (of voorkeursgrenswaarde in het geval van overgangsrecht), moet worden beoordeeld of de belasting aanvaardbaar is. Voor de beoordelingswijze stelt de gemeente zelf geluidbeleid vast. Er is in de gemeente Albrandswaard nog geen vastgesteld geluidbeleid voor onder de Omgevingswet, derhalve is uitgegaan van een normneutrale vertaling van het hogere grenswaardenbeleid. Hieraan wordt voldaan, alle woningen beschikken over een geluidluwe gevel.

Daarnaast zal de geluidwering van de gevels worden afgestemd op de berekende geluidbelasting en voldoen aan de eisen zoals gesteld in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).

4.5.3 Conclusie Vanuit het (milieu)aspect geluid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4.6 Bodem 4.6.1 Toetsingskader Het meewegen van de (milieuhygiënische) bodemkwaliteit is onderdeel van een brede afweging over de kwaliteit van de leefomgeving in relatie tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Een omgevingsplan bevat daarom in ieder geval waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. Het gaat daarbij om een gebouw of een deel van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Ook de aangrenzende tuin of perceel maakt hier onderdeel van uit. Het Bkl bevat instructieregels voor het bouwen van bodemgevoelige gebouwen op bodemgevoelige locaties. Bij het bepalen van de waarden voor de toelaatbare kwaliteit houdt de gemeente rekening met de interventiewaarden voor de verschillende stoffen in de bodem en neemt de gemeente de grenswaarden in acht (artikel 5.89i en 5.89j Bkl). Bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit kan alleen gebouwd worden als de door de gemeente voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89k en 5.98ka Bkl).

Daarnaast is in het omgevingsplan de landbodem in verband met grondverzet in de bodemfunctieklassen landbouw/natuur, wonen en industrie ingedeeld, rekening houdend met de functie van de locatie (artikel 5.89p Bkl). Ook kunnen in het omgevingsplan bodembeheergebieden zijn aangewezen (artikel 5.89o Bkl).

19

4.6.2 Onderzoek Ten behoeve van het planvoornemen is door BMA Milieu een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Navolgend zijn de belangrijkste conclusies uit het verkennend bodemonderzoek samengevat. Het volledige rapport en eventuele aanvullende onderzoeken zijn separaat aan voorliggende ruimtelijke motivering toegevoegd als bijlage 2. Verkennend bodemonderzoek De aanleiding voor het onderzoek is dat sprake is van een bodemgevoelig gebruik (wonen) op een locatie die historisch als bodemgevoelig wordt aangemerkt. De locatie is in het verleden opgehoogd en ligt nabij een eerder gesaneerd terrein. Hoewel de onderzoekslocatie buiten de reikwijdte van die sanering valt, is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem opnieuw onderzocht om de geschiktheid voor het beoogde gebruik (wonen) vast te stellen. Tijdens het veldwerk zijn boringen uitgevoerd en zijn grond- en grondwatermonsters genomen. De bovengrond bleek licht metselpuinhoudend, maar bevatte geen asbest en voldeed aan de kwaliteitseisen voor de klasse landbouw/natuur. In de ondergrond werd lokaal kolengruis en een zwakke olie-waterreactie waargenomen, maar ook hier bleven de gemeten waarden ruim onder de interventiewaarden. De ondergrond voldoet daarmee aan de eisen voor de klasse industrie. Het grondwater is eveneens onderzocht en bevatte geen overschrijdingen van de signaleringsparameters voor sanering.

Er is dus geen sprake van een noodzaak tot aanvullende maatregelen of sanering. Ook met betrekking tot asbest zijn geen belemmeringen aangetroffen. In de bodem zijn geen asbesthoudende materialen waargenomen en de gewogen concentratie asbest

KTJ-25008537 / Proj.nr. / Concept / 03-02-2026

bleef ruim onder de detectielimiet. Daarmee wordt uitgesloten dat asbest een risico vormt voor het beoogde gebruik. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt geconcludeerd dat de milieuhygiënische bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor de voorgenomen functiewijziging naar wonen. De bodemkwaliteit is toereikend voor het beoogde gebruik en voldoet aan de geldende toetsingskaders. Er is geen sprake van een saneringsnoodzaak en ook het grondwater vormt geen risico. Asbest is niet aangetoond. Wel wordt geadviseerd om bij graafwerkzaamheden rekening te houden met lokaal aangetroffen bodemvreemde bijmengingen en verschillen in bodemkwaliteit. Voorafgaand aan grondverzet dient een melding te worden gedaan via het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). 4.6.3 Conclusie Vanuit het (milieu)aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4.7 Weging van het waterbelang 4.7.1 Toetsingskader Het milieuaspect water vormt een integraal onderdeel van het omgevingsbeleid. Onder de Omgevingswet is het wettelijk verplicht om, in het kader van het Besluit kwaliteit leefomgeving artikel 5.37, lid 1, een ‘weging van het waterbelang’ uit te voeren bij ruimtelijke plannen, zoals nieuwbouwprojecten.

De weging van het waterbelang is een instrument waarmee de waterhuishoudkundige belangen een doorlopende positie krijgen in het ruimtelijke beleid, niet alleen op basis van concrete ontwikkelingen. Middels de weging van waterbelangen dient inzicht te worden geboden in de effecten van het initiatief op afvalwater,

grondwater, oppervlaktewater, hemelwater/regenwater en drinkwater. De weging van het waterbelang zorgt ervoor dat per initiatief de klimaatbestendigheid van het watersysteem en een water robuuste inrichting van de omgeving vroegtijdig in de planvorming worden betrokken (artikel 5.37 lid 1 van het Bkl). Daarbij is het van belang dat waterbeheerders vroegtijdig worden betrokken bij de planvorming. Ook is het belangrijk dat er op een gestructureerde wijze afstemming tussen het waterschap en de gemeente plaatsvindt, waarbij een constructieve en doorlopende afstemming van belang is. Naast het vroegtijdig betrekken van de waterbeheerders bij de planvorming kunnen initiatiefnemers online middels de digitale watertoets nagaan of hun project voldoende rekening houdt met de waterbelangen. Uit de digitale watertoets volgt een advies welke wateraspecten relevant zijn voor het project en waarom. Aanvullend op dit advies dient in onderhavige ruimtelijke motivering verantwoording afgelegd te worden over de manier waarop is omgegaan met de inbreng van de waterbeheerders. Dit gebeurt meestal in de ‘weging van het waterbelang’ van het ruimtelijke project. Dit proces krijgt onder de naam ‘weging van waterbelangen’ (onder de oude wetgeving bekend als de watertoets) een plaats bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties.

4.7.2 Onderzoek Het planvoornemen betreft een functiewijziging van kantoor naar wonen binnen de bestaande gebouwstructuur. Het bestaande pand blijft grotendeels behouden; enkel aan de voor- en achterzijde worden beperkte uitbreidingen gerealiseerd om het gebouw geschikt te maken voor bewoning. Daarnaast wordt op het perceel een bijgebouw gerealiseerd ten behoeve van bergingen, waarvan het dak

20

wordt ingericht als een gemeenschappelijk dakterras met groene elementen. Van belang is dat het plan niet leidt tot een toename van het verhard oppervlak. De nieuwe bergingen worden geplaatst op een locatie die momenteel reeds verhard is en in gebruik is als verkeersruimte. Door de toevoeging van een (gedeeltelijk) groen dak op het bijgebouw neemt het aandeel verhard oppervlak feitelijk zelfs licht af. Daarmee is er geen sprake van extra afstroming van hemelwater of een toename van de belasting op het riool- of oppervlaktewatersysteem. Ook zijn er geen ingrepen voorzien die invloed hebben op de grondwaterstand of -stroming. De locatie ligt buiten een grondwaterbeschermingsgebied en er zijn geen kwetsbare waterwinningen in de directe nabijheid. De afvoer van hemelwater blijft ongewijzigd ten opzichte van de bestaande situatie en wordt binnen de bestaande voorzieningen opgevangen. Gelet op het feit dat het plan geen relevante effecten heeft op afvalwater, hemelwater, grondwater, oppervlaktewater of drinkwater, wordt een uitvoerige weging van het waterbelang in dit geval redelijkerwijs niet noodzakelijk geacht. De waterhuishoudkundige belangen zijn op zorgvuldige wijze meegewogen in de planvorming en vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

Een deel van het projectgebied ligt echter binnen de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’, zoals opgenomen in het geldende bestemmingsplan ‘Hof van Spui, fase 1’. Deze gronden zijn, naast de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de waterkering en voor het behoud, de versterking en/of het herstel van de landschappelijke en natuurwaarden van dijken, bermen en

KTJ-25008537 / Proj.nr. / Concept / 03-02-2026

bermbeplantingen. Binnen deze dubbelbestemming gelden specifieke bouwregels, waaronder de bepaling dat uitsluitend overige bouwwerken ten dienste van de waterkering zijn toegestaan, met een maximale bouwhoogte van 2,5 meter. De beoogde bergingen worden gerealiseerd binnen het bestaande verhardingsvlak, op een locatie die momenteel in gebruik is als verkeersruimte. De bouwhoogte van de bergingen blijft binnen de gestelde grens van 2,5 meter. Hoewel de bergingen niet primair ten dienste staan van de waterkering, wordt verwacht dat de realisatie hiervan geen belemmering vormt voor de functie van de waterkering. Dit mede gelet op de aard en schaal van het bouwwerk, de bestaande verharding en de reeds aanwezige bebouwing binnen deze dubbelbestemming. Hiervoor dient echter nog afstemming plaats te vinden met het waterschap. Vooralsnog worden geen belemmering verwacht. De uitkomst van het overleg met het waterschap zal op een later moment worden verwerkt in de planuitwerking. 4.7.3 Conclusie Vanuit het (milieu)aspect water is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4.8 Natuur en Landschap 4.8.1 Toetsingskader Bij ruimtelijke ontwikkelingen en projecten moet rekening worden gehouden met (beschermde) natuurwaarden in de omgeving.

Het toegelaten gebruik mag er namelijk niet toe leiden dat hierdoor te beschermen waarden van een bepaald gebied of bepaalde planten- en diersoorten worden aangetast.

Gebiedsbescherming Natura 2000 Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. Deze richtlijnen bestaan uit twee delen: soortenbescherming en gebiedsbescherming. De onder beide richtlijnen aangewezen beschermde gebieden vormen het Natura 2000-netwerk. Er zijn activiteiten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied. Onder ‘nadelig gevolg’ vallen verslechterende of verstorende gevolgen voor het Natura 2000-gebied. Voor elke ruimtelijke ontwikkeling of activiteit is het verplicht (significante) negatieve effecten op specifieke natuurwaarden van een Natura 2000-gebied in beeld te brengen of om ze al dan niet met zekerheid uit te sluiten. Natuurnetwerk Nederland Het NNN is een Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het doel van het NNN is de achteruitgang van het areaal aan natuur en van de biodiversiteit te stoppen door een samenhangend netwerk van natuurgebieden te creëren. Dit wordt gedaan door natuurgebieden te vergroten en met elkaar te verbinden door verwerving, inrichting en beheer van aangrenzende en tussenliggende landbouwgronden. De provincies zijn verantwoordelijk voor het realiseren van dit netwerk.

Het Besluit kwaliteit leefomgeving bepaalt dat in een omgevingsverordening regels gesteld dienen te worden die verzekeren dat de kwaliteit en het oppervlak van het NNN niet achteruitgaan (artikel 7.8 lid 2 Bkl). Net als bij Natura 2000-gebieden zorgt de aanwijzing van een gebied als NNN voor een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden in dat gebied. Beschermde soorten Soortenbescherming heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptie-

21

len en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten (afd. 11.2 Bal). De beschermde soorten zijn ingedeeld in drie categorieën: • vogels • Europees beschermde soorten • nationaal beschermde soorten Er geldt een vergunningsplicht voor een flora- en fauna-activiteit wanneer schadelijke handelingen worden uitgevoerd. Op basis van de Omgevingswet is een flora- en fauna-activiteit een ‘activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten’. Dit heeft betrekking op vrijwel alle ruimtelijke activiteiten. De provincie is het bevoegd gezag en kan bij onder meer ruimtelijke ontwikkelingen vrijstelling geven van de lijst met nationaal beschermde soorten in afstemming op de situatie in de provincie. 4.8.2 Onderzoek In het kader van de omgevingsvergunningaanvraag ten behoeve van onderhavig planvoornemen, is door middel van een verkennend ecologisch onderzoek (quickscan flora en fauna) door Gaia Ecologie een beoordeling gemaakt van de mogelijke effecten die het plan kan hebben op beschermde natuurwaarden. In deze paragraaf zijn de belangrijkste conclusies samengevat. De volledige onderzoeksrapportage is opgenomen als bijlage 3.

Quickscan flora en fauna Tijdens het veldbezoek aan het plangebied is vastgesteld dat er geen vaste rust- of voortplantingsplaatsen van beschermde diersoorten aanwezig zijn, noch dat deze op basis van de terreinomstandigheden worden verwacht. Ook zijn er geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Daarmee is uitgesloten dat het plan negatieve effecten heeft op strikt beschermde flora of fauna. Het uitvoeren

KTJ-25008537 / Proj.nr. / Concept / 03-02-2026

van nader ecologisch onderzoek of het aanvragen van ontheffingen op grond van de Wet natuurbescherming is dan ook niet noodzakelijk. De voorgenomen werkzaamheden kunnen zonder aanvullende ecologische maatregelen worden uitgevoerd. Uit aanvullend bureauonderzoek, op basis van gegevens uit de NDFF Flora & Fauna Verkenner (d.d. 6 juni 2025), blijkt dat in de afgelopen drie jaar in de omgeving van het plangebied diverse grondgebonden zoogdieren zijn waargenomen. Het betreft soorten waarvoor in de provincie Zuid-Holland een vrijstelling geldt, zoals de egel, vos, bunzing, haas, konijn en verschillende muizen- en spitsmuizensoorten. Voor deze soorten geldt dat het verbod op het opzettelijk verstoren of beschadigen van voortplantings- of rustplaatsen niet van toepassing is, mits de algemene zorgplicht wordt nageleefd. Dit betekent dat tijdens de uitvoering van de werkzaamheden voldoende maatregelen moeten worden genomen om aanwezige dieren de gelegenheid te geven het werkterrein veilig te verlaten. Ook voor amfibieën geldt dat binnen een straal van één kilometer van het plangebied uitsluitend soorten zijn waargenomen waarvoor een provinciale vrijstelling geldt, zoals de gewone pad, bruine kikker, bastaardkikker, meerkikker en kleine watersalamander. Ook hier geldt dat geen ontheffing of aanvullend onderzoek nodig is, zolang de zorgplicht wordt nageleefd.

Wel dient bij de uitvoering van werkzaamheden rekening te worden gehouden met het broedseizoen van vogels. Indien struiken of heesters worden verwijderd, dient dit bij voorkeur buiten de broedperiode (globaal van maart tot en met juli) te gebeuren. Indien werkzaamheden binnen deze periode plaatsvinden, is voorafgaand aan de uitvoering een inspectie noodzakelijk om vast te stellen of er sprake is van

actieve nesten. Indien dat het geval is, dienen passende maatregelen te worden genomen om verstoring te voorkomen. Tot slot wordt benadrukt dat de algemene zorgplicht uit de Wet natuurbescherming te allen tijde van kracht is. Dit houdt in dat bij alle werkzaamheden voldoende zorg moet worden gedragen voor in het wild levende dieren en planten, en hun leefomgeving. Schade aan soorten of hun habitat dient zoveel mogelijk te worden voorkomen, beperkt of gecompenseerd. Natura 2000-gebieden Het projectgebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied is ‘Oude Maas’ op circa 450 meter afstand ten westen van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling voorziet in sloop/nieuwbouw, kan een significante toename aan stikstofdepositie tijdens de aanlegfase en gebruiksfase op omliggende Natura 2000-gebieden vanwege het planvoornemen niet op voorhand worden uitgesloten. Derhalve is het uitvoeren van een stikstofdepositieberekening benodigd. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat bij zowel de aanlegfase als de gebruiksfase, in één belastend rekenjaar, geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/jaar.

Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. De volledige onderzoeksrapportage is opgenomen in bijlage 4.

22

Omdat significant negatieve gevolgen zijn uitgesloten, hoeft voor de ontwikkeling geen passende beoordeling opgesteld te worden. Omdat er van het project geen significant negatieve gevolgen te verwachten zijn, geldt ook geen vergunningplicht op grond van artikel 8.74b lid 1 Bkl.

voor NO2 en PM10 nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl volgt dat een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.

4.8.3 Conclusie Vanuit het (milieu)aspect natuur en landschap is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 van het Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool.

4.9 Luchtkwaliteit 4.9.1 Toetsingskader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen ter bescherming van de gezondheid staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl (paragraaf 5.1.4.1). Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Aandachtsgebieden De toetsing en monitoring van de luchtkwaliteit vindt plaats in de aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties NO2 en/of PM10. Aandachtsgebieden voor zowel NO2 als PM10 staan vermeld in artikel 5.51, lid 2 van het Bkl. Aandachtsgebieden voor alleen PM10 zijn aangewezen in artikel 5.51, lid 3 van het Bkl. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen (artikel 5.51 Bkl). Gemeente Nissewaard is gelegen binnen de agglomeratie Rotterdam/Dordrecht voor NO2 en PM10. Niet in betekenende mate De beoordeling van de luchtkwaliteit in een aandachtgebied vindt niet altijd plaats. Voor een activiteit die niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden

KTJ-25008537 / Proj.nr. / Concept / 03-02-2026

Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit Sinds 1 januari 2023 wordt de luchtkwaliteit berekend en gemonitord via het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO₂) en/of fijnstof (PM₁₀), die deel moeten nemen aan de jaarlijkse monitoring.

4.9.2 Onderzoek Voor het planvoornemen ‘Spui Residence’ is beoordeeld of het initiatief voldoet aan de instructieregels voor luchtkwaliteit zoals opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Deze regels zijn gericht op het beschermen van de gezondheid van mensen tegen de effecten van luchtverontreiniging, met name stikstofdioxide (NO₂) en fijnstof (PM₁₀).

Figuur 6: NIBM-tool berekening beoogd initiatief

Aandachtsgebieden Het plangebied ligt niet binnen een door het Rijk aangewezen aandachtsgebied voor luchtkwaliteit als bedoeld in artikel 5.51 van het Bkl. Ook in de directe omgeving zijn geen aandachtsgebieden gelegen. Er is dan ook geen aanleiding om aanvullende toetsing of monitoring uit te voeren op basis van verhoogde achtergrondconcentraties. Om aan te tonen dat beoogde ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op de luchtkwaliteit is er een berekening gedaan met de NIBM-tool en CIML.

23

NIBM Middels de NIBM-tool is in beeld gebracht wat de effecten van het project op de luchtkwaliteit zijn. Voor het toepassen van de NIBM-tool is het noodzakelijk om inzicht te hebben in de verkeersgeneratie die samenhangt met de binnen de projectgebieden beoogde functies. Deze verkeersgeneratie is berekend in paragraaf 4.1 ‘Verkeer en parkeren’. Door het toepassen van saldering van de huidig aanwezige functie is sprake van een verkeerstoename van enkel 12 mvt/etmaal.

4.10 Geur 4.10.1 Toetsingskader Om geurhinder en gezondheidsschade te voorkomen, zijn in paragraaf 5.1.4.6 van het Bkl instructieregels voor geur door het Rijk opgesteld. Het rekening houden met geur werkt twee kanten op: • bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen; • bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geurveroorzakende bedrijven.

Er is geen sprake van een substantiële toename van verkeersbewegingen of andere emissiebronnen die relevant zijn voor de luchtkwaliteit. De ontwikkeling leidt dan ook niet tot een feitelijke of dreigende overschrijding van de omgevingswaarden voor NO₂ of PM₁₀. De resultaten uit de berekening met de NIBM-tool zijn weergegeven in figuur 6.

In artikel 5.91 zijn geurgevoelige gebouwen aangewezen die beschermd moeten worden. Hieronder vallen gebouwen met een woonfunctie, onderwijsfunctie, gezondheidszorgfunctie en bijeenkomstfunctie voor kinderopvang. De gemeente moet daarmee in het omgevingsplan rekening houden (artikel 5.92, lid 1 Bkl). Voor deze gebouwen zijn specifieke beoordelingsregels aan geurbelasting gesteld. Specifieke beoordelingsregels voor geur voor milieubelastende activiteiten staan in artikel 8.20 van afdeling 8.5 van het Bkl. Het bevoegd gezag gebruikt in beide gevallen de beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. Voor overige gebouwen en/of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. Dat doet de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. Voor een aantal activiteiten moet de gemeente geurregels opnemen in het omgevingsplan. Dit geldt voor rioolwaterzuiveringsinstallaties, het houden van landbouwhuisdieren en andere agrarische activiteiten.

Bovendien valt het planvoornemen onder de zogenoemde ‘standaardgevallen NIBM’ (niet in betekenende mate), zoals bedoeld in artikel 5.54 van het Bkl. Voor woningbouwinitiatieven geldt een getalsmatige grens van 1.500 woningen buiten stedelijk gebied en 1.000 woningen binnen stedelijk gebied. Met slechts acht woningen blijft het planvoornemen ruim binnen deze grens. Daarmee is het aannemelijk dat de bijdrage aan de concentraties van luchtverontreinigende stoffen niet hoger is dan 1,2 µg/m³, oftewel minder dan 3% van de omgevingswaarde. Een toetsing aan de omgevingswaarden is in dat geval niet vereist. 4.9.3 Conclusie Vanuit het (milieu)aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

KTJ-25008537 / Proj.nr. / Concept / 03-02-2026

4.10.2 Onderzoek Het planvoornemen betreft de transformatie van een bestaand kantoorpand naar acht appartementen. Daarmee wordt een geurgevoelig gebouw gerealiseerd, aangezien het gaat om een woonfunctie zoals bedoeld in artikel 5.91

van het Bkl. In dat kader is beoordeeld of in de omgeving van het plangebied geurveroorzakende activiteiten aanwezig zijn die tot hinder of overschrijding van de geldende omgevingswaarden kunnen leiden. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen geurintensieve bedrijven of installaties aanwezig waarvoor specifieke geurregels gelden. Wel bevinden zich ten zuidoosten van het plangebied agrarische gronden. Deze gronden hebben echter de bestemming ‘Hoogwaardige akkernatuur’, waarin uitsluitend natuur-inclusieve en extensieve landbouw is toegestaan. Minimaal 40% van de gronden moet worden ingericht als natuur, met ecologisch beheer. Gelet op deze bestemming en de bijbehorende gebruiksvoorwaarden is uitgesloten dat op deze gronden geurintensieve activiteiten plaatsvinden, zoals veehouderij of intensieve akkerbouw. De kans op geurhinder vanuit deze richting is daarmee verwaarloosbaar. Omdat het planvoornemen zelf geen geurveroorzakende activiteit betreft, is er ook geen aanleiding om aanvullende geuronderzoeken uit te voeren of beperkende maatregelen op te leggen. Geconcludeerd wordt dat het planvoornemen past binnen het geldende toetsingskader voor geur. Er is geen sprake van een relevante geurbelasting op de toekomstige woningen en het aspect geur vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.10.3 Conclusie Vanuit het (milieu)aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

24

4.11 Archeologie en cultuurhistorie 4.11.1 Toetsingskader De Omgevingswet streeft naar een evenwichtige benadering van het benutten en beschermen van de fysieke leefomgeving, met specifieke aandacht voor diverse belangen, waaronder cultureel erfgoed. Sinds 2016 is de regelgeving met betrekking tot het behoud en beheer van cultureel erfgoed ondergebracht in de Erfgoedwet. Deze wet, in combinatie met de Omgevingswet, biedt een allesomvattende bescherming van het cultureel erfgoed. Provincies en gemeenten moeten in hun omgevingsplannen rekening houden met het belang en behoud van cultureel erfgoed, inclusief werelderfgoed. Dit vereist een grondige inventarisatie en analyse van het erfgoed binnen hun grenzen, gevolgd door het opnemen van een passend beschermingsregime in het omgevingsplan. Cultureel erfgoed bestaat uit vijf elementen: • Monumenten (gebouwd en aangelegd (groen) cultureel erfgoed) • Archeologische monumenten • Stads- en dorpsgezichten • Cultuurlandschappen • Roerend en immaterieel erfgoed Provincies en gemeenten hebben de verantwoordelijkheid om deze elementen te beschermen via hun omgevingsplannen. Een cruciale overweging hierbij is welke elementen van cultureel erfgoed zich binnen hun grenzen of direct daarbuiten bevinden, en welke specifieke elementen men wil (of moet) beschermen.

Hierbij dienen de instructieregels in de artikelen 5.130 en 5.131 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en de algemene regels uit hoofdstuk 13 en 14 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) (met betrekking tot rijksmonumenten en werelderfgoed) in acht te worden genomen.

KTJ-25008537 / Proj.nr. / Concept / 03-02-2026

Provincies en gemeenten krijgen hierbij ondersteuning van specialisten van zowel de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) als het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW). Deze ministeries dragen bij aan de ontwikkeling van de wet en de daarbij behorende regels, zijn betrokken bij het opstellen van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en leveren kennis en informatie voor andere overheidsinstanties. De wet- en regelgeving voor het behoud en beheer van cultureel erfgoed en archeologie in Nederland is vastgelegd in het Bkl, Bal, en de provinciale/gemeentelijke omgevingsplannen. Op basis hiervan is het verplicht om bij de afweging van belangen de vijf elementen van cultureel erfgoed in overweging te nemen. 4.11.2 Onderzoek Archeologie In het kader van het planvoornemen is door Hollandia een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Navolgend worden de belangrijkste conclusies beschreven. De volledige rapportage is separaat als bijlage 5 opgenomen. Het plangebied ligt binnen een zone met een hoge archeologische verwachting vanaf 100 cm onder maaiveld, met name vanwege de historische ligging nabij het voormalige spui van de Rhoonse haven.

Op basis van aardwetenschappelijke, historische en archeologische gegevens is de verwachting op archeologische resten uit de prehistorie (neolithicum en bronstijd) laag, mede vanwege erosie door latere rivier- en getijdeninvloeden. Voor de ijzertijd en Romeinse tijd geldt een middellange verwachting, hoewel in de directe omgeving geen concrete aanwijzingen voor bewoning zijn aangetroffen.

De hoogste verwachting geldt voor resten uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd, in relatie tot het gebruik van het gebied als spui. Historische kaarten tonen aan dat het terrein vanaf de 16e eeuw als spuikanaal in gebruik was, maar dat dit deel van het terrein zelf onbebouwd bleef. In de jaren 1970 is het spui gedempt en opgehoogd, waarna het huidige kantoorgebouw is gerealiseerd. Hoewel het plangebied archeologisch potentieel kent, met name voor resten die verband houden met het voormalige spui, is de archeologische waarde van deze resten beperkt. De geplande werkzaamheden, waaronder de transformatie van het bestaande gebouw en de aanleg van een berging, reiken bovendien niet tot archeologisch relevante dieptes. De bodem is op veel plaatsen reeds verstoord door eerdere bebouwing en ophoging. Op basis van het uitgevoerde bureauonderzoek wordt geconcludeerd dat de aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied in voldoende mate zijn vastgesteld. Er is geen aanleiding voor aanvullend archeologisch onderzoek en het is dan ook niet nodig om aan de omgevingsvergunning archeologische voorwaarden te verbinden. Wel geldt, conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet, dat bij het aantreffen van onverwachte archeologische resten tijdens de uitvoering van de werkzaamheden, hiervan direct melding moet worden gedaan bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

Cultuurhistorie Aan de hand van de ‘Cultuur historische Atlas’ (CHA) van de provincie Zuid-Holland is bepaald of in en rondom het projectgebied relevante cultuurhistorische waarden aanwezig zijn waarmee rekening gehouden dient te worden.

25

Gesteld kan worden dat de beoogde ontwikkeling op onderhavig projectgebied geen onevenredige aantasting van de cultuurhistorische waarden oplevert. 4.11.3 Conclusie Vanuit het (milieu)aspect archeologie en cultuurhistorie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4.12 Trilling 4.12.1 Toetsingskader Trilling kan nadelige gevolgen hebben voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Het kan effect hebben op het welzijn of schade aan gebouwen veroorzaken. De Omgevingswet beschermt daarom (delen van) gebouwen en de mensen die daarin verblijven tegen trillingen van activiteiten. De aanwijzing van trilling gevoelige gebouwen staat in artikel 5.80 Bkl. Hieronder vallen gebouwen met een woonfunctie, onderwijsfunctie, gezondheidszorgfunctie, bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en de bijbehorende nevengebruiksfuncties. Er zijn verschillende soorten trillingen met verschillende bronnen. De Omgevingswet maakt bij de instructieregels over trillinghinder door activiteiten onderscheid • Continue trillingen (trillingen die gedurende een lange tijd aanwezig zijn, door bijvoorbeeld machines of druk wegverkeer); • Herhaald voorkomende trillingen (kortdurende trillingen die periodiek voorkomen, door bijvoorbeeld treinverkeer).

spoor, machines in de industrie en bouw- en sloopactiviteiten. Deze bronnen veroorzaken een trilling die voelbaar is in gebouwen. Dit gebeurt bijvoorbeeld via de vloer en de wanden. Trillingen kunnen op grote afstand hinder of schade opleveren. In beginsel moet binnen een afstand van 100 meter van een treinspoor het risico op trillinghinder worden beoordeeld. In sommige gevallen is het nodig om het onderzoeksgebied uit te breiden tot 250 meter aan weerszijden van het spoor. Hiervan is bijvoorbeeld sprake wanneer er reeds klachten door trillinghinder van het spoor op een grotere afstand dan 100 meter bestaan. 4.12.2 Onderzoek Het planvoornemen maakt een trilling gevoelig gebouw mogelijk, namelijk woningen in de vorm van een appartementencomplex. Het is van belang dat de gebruikers geen hinder ervaren van trilling door de omgeving. Uit een gedegen analyse is gebleken dat er geen bedrijven zijn gelegen in de nabije omgeving met continue of herhaald voorkomende trillingen door een activiteit, waar het gebouw hinder van kan ervaren. Ook is er geen treinspoor in de directe omgeving van het projectgebied gelegen. Geconcludeerd kan worden dat het aspect ‘Trilling’ niet voor belemmeringen zal zorgen voor onderhavig initiatief. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. 4.12.3 Conclusie Vanuit het (milieu)aspect trilling is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.13 Kabels en leidingen 4.13.1 Toetsingskader Ondergrondse kabels en leidingen zijn belangrijk voor het transport van data, elektriciteit en stoffen zoals gas en water. Niettemin kunnen sommige ondergrondse leidingen en bovengrondse hoogspanningslijnen een potentieel risico vormen voor de omgeving. De Omgevingswet bevat daarom specifieke regels en instrumenten om dergelijke risico's te voorkomen en te beperken. Zo adviseert het Rijk aan het bevoegd gezag om bij het toelaten van gevoelige gebouwen, zoals woningen, bij bovengrondse hoogspanningsverbindingen rekening te houden met de magneetvelden2. De magneetvelden zijn mogelijk van invloed op de gezondheid van omwonenden. Voor de regeling omtrent buisleidingen wordt verwezen naar paragraaf 5.3 ‘Omgevingsveiligheid’. 4.13.2 Onderzoek Aan de hand van de ‘Netkaart’ van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) kan achterhaald worden of het projectgebied zich bevindt in een magneetveldzone van een of meerdere hoogspanningslijnen 3. Uit deze kaart volgt dat er in en nabij het projectgebied geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig zijn die bescherming behoeven. 4.13.3 Conclusie Vanuit het milieuaspect kabels en leidingen is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Bronnen van trillingen zijn verkeer over de weg of het

2

https://iplo.nl/thema/praktijksituaties/hoogspanningsverbinding/toelaten/toelaten-gevoelige-gebouwen/

3 https://www.rivm.nl/hoogspanningslijnen/netkaart

KTJ-25008537 / Proj.nr. / Concept / 03-02-2026

26

4.14 Elektromagnetische straling 4.14.1 Toetsingskader Magnetische velden ontstaan bij het transport en het gebruik van elektriciteit/ stroom. Voorbeelden van voorzieningen die zorgen voor elektromagnetische velden zijn antennes, hoogspanningslijnen, mobiele telefoons en elektrische apparaten. De kracht van het elektromagnetische veld kan per voorziening verschillen. In het kader van de fysieke leefomgeving zijn met name antennes en hoogspanningslijnen van belang, aangezien dit vaste objecten zijn. De Europese Unie heeft in 1999 blootstellingslimieten, bestaande uit basisrestricties en daarvan afgeleide referentieniveaus, aanbevolen (PbEG L 199/59, 1999). De basisrestricties mogen niet worden overschreden. Als de blootstelling lager is dan de referentieniveaus kan ervan worden uitgegaan dat de basisrestricties niet worden overschreden. Voor magnetische velden die met de elektriciteitsvoorziening samenhangen, bedraagt het referentieniveau 100 microtesla voor de gehele bevolking. Door de minister voor Klimaat en Energie is (samen met de toenmalig minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en in afstemming met de staatssecretaris voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport) op 21 april 2023 een herijkt voorzorg beleid aan gemeenten, provincies en netbeheerders gezonden inzake de gezondheidsrisico’s van magneetvelden bij hoogspanningslijnen4.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.albrandswaard.nl/api/v1/meetings/3843/documents/35513