CConstaterende datAlbrandswaard
Koppel je AI →
Document · PDF

40. 2026-012595 Raadsvoorstel Vaststelling TAM-omgevingsplan Sport De Omloop Bijlagen 2 van 4.pdf

Gemeenteraad AW 12 oktober 2026, gemeente AlbrandswaardBij agendapunt: 6: Ingekomen stukken30.894 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Uit de berekeningsresultaten blijkt dat tijdens de afwijkende bedrijfssituatie aan de standaardwaarden uit het Bkl en de richtwaarden in het kader van ETFAL wordt voldaan. Ten aanzien van de maximale geluidsniv eaus in de avond - en nachtperiode wordt voldaan aan de standaardwaarden uit het Bkl en de richtwaarden in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Conclusie De standaard- en grenswaarden uit het Bkl worden niet overschreden. De richtwaarden van de VNG Handreiking worden eveneens niet overschreden. Uit het geluidonderzoek blijkt dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Lichthinderzoek Eveneens is er door Alcedo een lichtonderzoek uitgevoerd als gevolg van het aanleg van de nieuwe sportvelden. Uit de berekeningen volgt dat woningen op een afstand van 50 meter van de lichtmasten moeten liggen om aan de richtlijnen uit het NSVV te voldoen. Voor de omliggende gronden van het buitengebied geldt dat bij de velden naast dit buitengebied geen verlichting mag komen en dat er geen armaturen mogen komen welke richting het natuurgebied schijnt of dat deze extra afgeschermd moeten worden. De werkelijke waardes voor de lichtsterkte en verlichtingssterkte kunnen pas bepaald worden zodra de werkelijke positie van de nieuwe woningen en positie alsmede ook het type van de verlichtingsarmaturen bekend zijn.

Zodra deze bekend zijn dient door de leveranciers of producent van de verlichtingsinstallatie een lichtplan opgesteld te wor den, waarbij rekening wordt gehouden met de omliggende woningen. In het onderzoek is geen rekening gehouden met de openbare verlichting van bijvoorbeeld de parkeerplaatsen naast de sportvelden. Deze dienen te zijner tijd ook meegenomen te worden in de definitieve berekening. Er wordt een lichtplan opgesteld zodra bekend is welke armaturen worden toegepast. Ter borging van dit nadere noodzakelijke onderzoek ten tijde van de concrete plannen, is in de regels een specifieke gebruiksregel hiervoor opgenomen. De uitgangspunten zullen in ieder geval zijn: • De verlichtingsinstallatie wordt uitgevoerd conform lichtontwerp en geldende normen voor sportveldverlichting, met aandacht voor gelijkmatigheid en beperking van lichthinder. • Lichtmasten worden geplaatst conform ontwerp, met hoogtes variërend van circa 6 m ( bij parkeerterrein) tot 18 m (langs de velden) afhankelijk van functie en veldtype. • Armaturen worden uitgevoerd in LED -techniek en vermogens afgestemd op het vereiste lichtniveau per veld • De verlichting voldoe t aan de geldende sportverlichtingsnormen voor het betreffende gebruiksniveau (training/wedstrijd). • Bekabeling wordt ondergronds aangelegd en aangesloten op verdeelkasten, conform ontwerp en geldende elektrotechnische normen.

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22a Sport De Omloop Rhoon Status: Vastgesteld BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 40 • De installatie wordt voorzien van een besturingssysteem waarmee verlichting per veld en per gebruikssituatie kan worden geschakeld en gedimd • De installatie is energie-efficiënt en minimaliseert lichtemissie naar de omgeving. • De verlichtingsinstallatie wordt veilig uitgevoerd en is toeg ankelijk voor inspectie en onderhoud Afbeelding 7.1 Lichtontwerp voor plangebied i.r.t. de uitgangspunten (bron: LI Sports Led Lighting) Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie binnen het plangebied hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving. Omgekeerd gaat het om de vraag of bestaande functies in de omgeving belemmerd worden in de bedrijfsvoering door de nieuwe milieugevoelige functies. Gekeken naar de verbeelding van het vigerende bestemmingsplan zijn er in de dire cte omgeving van het plangebied geen bedrijven aanwezig die een milieucontour hebben die over het plangebied valt. Verder geldt voor de te realiseren sportvelden en voor het clubhuis dat dit geen gevoelige functies zijn, het aspect interne werking vormt daarmee geen probleem. Ten oosten van de Omloopseweg, ten zuiden van het plangebied, worden hobbymatig paarden gehouden. Op grond van het geldende bestemmingsplan is het hobbymatig houden van maximaal vier paarden toegestaan.

Gelet op dit hobbymatige karakter is geen sprake van een paardenhouderij waarop de regels voor het houden van landbouwhuisdieren van toepassing zijn. Conclusie Gelet op het vorenstaande wordt gesteld dat ter plaatse van de beoogde sportpark sprake zal zijn van een aanvaardbaar leefklimaat. Daarnaast worden omliggende milieubelastende functies niet (verder) in de bedrijfsvoering belemmerd.

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22a Sport De Omloop Rhoon Status: Vastgesteld BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 41 7.1.3 Conclusie De voorgenomen activiteiten houden in voldoende mate rekening met het aspect geluid. 7.2 Bodemkwaliteit 7.2.1 Wettelijk kader Ter bescherming van de gezondheid en het milieu heeft het Rijk voor het aspect bodem instructieregels opgesteld. Paragraaf 5.1.4.5 van het Bkl geeft aan dat een omgevingsplan waarden bevat voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. Bij het vaststellen van die waarden wordt rekening gehouden met de interventiewaarden bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Een omgevingsplan kan per gebied of per gebruiksfunctie verschillende waarden voor de toelaatbare kwaliteit van bodemgevoelige locaties bevatten. Het omgevingsplan kan ook hogere waarden bevatten dan de waarden, bedoeld in bijlage IIA. Een omgevingsplan bepaalt tevens dat het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie bij overschrijding van een waarde alleen is toegelaten als de in het omgevingspl an voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen. 7.2.2 Situatie plangebied In het kader van voorgenomen ontwikkeling is door Dumea een bodemonderzoek uitgevoerd.

In bijlage 4 van deze motivering is het onderzoek te vinden. H ieronder wordt er een korte conclusie gegeven. In de grond zijn geen verhogingen aangetroffen boven de interventiewaarde. In de grondwatermonsters zijn lichte verhogingen zware metalen aangetoond. De bovengrond valt in de bodemkwaliteitsklasses Landbouw/natuur en Wonen. De ondergrond valt in de bodemkwaliteitsklasses Landbouw/natuur en Industrie. Op basis van onderhavig onderzoek wordt een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhyg iënisch oogpunt geschikt geacht voor het beoogde gebruik. 7.2.3 Conclusie Vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 7.3 Luchtkwaliteit 7.3.1 Wettelijk kader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl. Volgens deze instructieregels gelden rijksomgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM 10).

Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; • het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Vooral in en nabij de aandachtsgebieden moeten overheden toetsen aan de rijksomgevingswaarden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10) en zijn aangewezen in artikel 5.51 lid 2 Bkl. Voor activiteiten die niet in betekende mate (NIBM) bijdra gen aan de luchtverontreiniging is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor NO2 en PM10 nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project valt onder NIBM als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22a Sport De Omloop Rhoon Status: Vastgesteld BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 42 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de standaardgevallen niet in betekenende mate valt, zoals opgenomen in artikel 5.54 Bkl; 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt.

7.3.2 Situatie plangebied Conform artikel 5.54 sub b valt een activiteit onder een NIBM project, indien er sprake is van: • één ontsluitingsweg: ten hoogste 1.500 woningen; of • twee ontsluitingswegen: ten hoogste 3.000 woningen; • kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Gelet op de aard en omvang van deze gevallen, is er zonder meer sprake van een plan dat ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Daarbij is er tevens ‘slechts’ sprake van een verplaatsing van het bestaande sportpark met haar bestaande verkeersbewegingen, en niet van een toename. Nader onderzoek is derhalve niet noodzakelijk voor deze verplaatsing van het sportpark. Desondanks is in het kader van ‘worst -case’ een berekening uitgevoerd naar de bijdrage van de verkeersstromen als gevolg van de verplaatsing van het sportpark op het aspect ‘luchtkwaliteit’ in de omgeving. De uitkomsten van deze berekening zijn hierna weergegeven. Op basis hiervan is er geen nader onderzoek nodig op het gebied van luchtkwaliteit, als gevolg van de verplaatsing van het sportpark. 7.3.3 Conclusie Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

7.4 Geur 7.4.1 Wettelijk kader Paragraaf 5.1.4.6 van het Bkl geeft aan dat in een omgevingsp lan rekening gehouden dient te worden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen, zoals gebouwen met een woonfunctie. Een omgevingsplan voorziet erin dat geur door een activiteit op geurgevoelige

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22a Sport De Omloop Rhoon Status: Vastgesteld BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 43 gebouwen aanvaardbaar is. Aan die aanvaardbaarheid wordt voldaan door in het omgevingsplan toepassing te geven aan de in deze paragraaf opgenomen standaardwaarden op een geurgevoelig gebouw. Onder bepaalde omstandigheden kan een hogere of lagere grenswaarde aanvaardbaar zijn. Bij zwaarwegende economische of andere maatschappelijke belangen kan een hogere waarde worden toegestaan dan de grenswaarden. Activiteiten waarvoor deze regels gelden zijn onder andere het exploiteren van zuiver ingtechnische werken, het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (veehouderijen) en andere agrarische activiteiten. 7.4.2 Situatie plangebied Het beoogde sportpark en haar daaraan gelieerde functies worden niet aangemerkt als geurgevoelige gebouwen. Geconcludeerd wordt dat ter plaatse van de beoogde sportpark daarom, voor wat betreft het aspect geur, sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarnaast zijn er geen geurbelastende functies in de omgeving die (verder) in de bedrijfsvoering belemmerd zouden kunnen worden als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. 7.4.3 Conclusie Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

7.5 Trillinghinder 7.5.1 Wettelijk kader De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. Trillinghinder kan op twee manier optreden. Ten eerste kan er sprake zijn van de toevoeging van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie. In het omgevingsplan zijn maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen opgenomen. Ten tweede kan er sprake zijn van de toevoeging van een trillinggevoelig gebouw. De Omgevingswet beschermt trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels. Voor de activiteiten wonen, wegen, vaarwegen en spoorwegen zijn er geen instructieregels voor trillingen. De gemeente kan hier eigen regels voor opstellen. 7.5.2 Situatie plangebied Op basis van de SBR-richtlijn, de Beleidsregel Trillinghinder Spoor en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen bedraagt de gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillinghinder als gevolg van een spoorweg kan optreden 100 meter van het spoor. Gelet op het vorenstaande kan een onderzoek naar spoortrillingen achterwege blij ven, dit omdat bi nnen een afstand van 100 meter geen spoorlijn aanwezig is . Verder zijn in de nabije omgeving van het plangebied geen relevantie trilling veroorzakende activiteiten aanwezig.

7.5.3 Conclusie Het aspect ‘trillingen’ vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan. 7.6 Gezondheid 7.6.1 Wettelijk kader Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. Een veilige, gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Ook omwonenden en rondom het TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22a Sport De Omloop Rhoon Status: Vastgesteld BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 44 project gevestigde bedrijven zijn vaak geïnteresseerd in de gezondheidssituatie die ten gevolge van een activiteit optreedt. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspect en zijn in voorgaande paragrafen reeds behandeld gemotiveerd.

7.6.2 Situatie plangebied De verplaatsing van het sportpark draagt op verschillende manieren bij aan een gezonde fysieke leefomgeving: Stimuleren van sport en beweging Het nieuwe sportpark biedt moderne, goed toegankelijke voorzieningen voor diverse sporten. Dit stimuleert zowel georganiseerde sportbeoefening als informeel bewegen, wat een aantoonbaar positief effect heeft op de fysieke en mentale gezondheid van gebruikers. Ruimtelijke inpassing met aandacht voor leefkwaliteit Het sportpark wordt landschappelijk ingepast met groenstructuren die bijdragen aan biodiversiteit, visuele kwaliteit en een prettige verblijfservaring. Het ontwerp houdt rekening met zachte overgangen naar de omgeving, waardoor hinder voor omwonenden wordt geminimaliseerd. Verbeterde bereikbaarheid en verkeersveiligheid Door de nieuwe ontsluitingsstructuur en ruime parkeervoorzieningen wordt de verkeersafwikkeling veiliger en overzichtelijker, wat indirect bijdraagt aan de gezondheid en veiligheid van bezoekers en omwonenden. Geen toename milieubelasting Omdat het gaat om een verplaatsing van het bestaande sportpark zonder uitbreiding van sportvelden of bezoekersaantallen, is er geen sprake van een toename in verkeersbewe gingen, geluidbelasting of andere milieudruk. Hiermee wordt de bestaande gezondheidssituatie behouden.

Zendmasten In voorliggende TAM -omgevingsplan is een landschappelijk inpassingsplan opgenomen waarin maatregelen zijn opgenomen voor de inrichting van het gebied en de versterking van landschappelijke waarden. Daarbij is rekening gehouden met de schaal van het landschap en de zichtlijnen. In de regels van dit plan is de hoogte van een telecominstallatie begrensd, en is er één zendmast beoogd. Wettelijk en beleidsmatig kader Op grond van artikel 2.1, vierde lid, van de Omgevingswet dient bij de toedeling van functies aan locaties (ETFAL) de kwaliteit van de fysieke leefomgeving te worden gewaarborgd. Gezondheid maakt hiervan onderdeel uit. Bij de planologis che beoordeling van een zendmast is het aspect elektromagnetische velden (EMV) dan ook relevant. De blootstellingslimieten voor radiofrequente elektromagnetische velden zijn vastgelegd in de aanbevelingen van de International Commission on Non -Ionizing Rad iation Protection (ICNIRP). Nederland hanteert deze ICNIRP-limieten als norm. Voor frequenties tussen 400 en 2.000 MHz, die kenmerkend zijn voor mobiele telecommunicatie, lopen de limieten op tot 61 V/m. De Rijksinspectie Digitale Infrastructuur (RDI) ziet toe op de naleving van deze normen.

Gezondheidseffecten Uit wetenschappelijk onderzoek, waaronder de beoordelingen van de Gezondheidsraad en de richtlijn van de GGD voor medische milieukunde, blijkt dat er geen consistent bewijs is voor gezondheidseffecten door radiofrequente elektromagnetische velden afkomstig van antenne - installaties voor mobiele communicatie, zolang de blootstellingslimieten niet worden overschreden. Wanneer aan de ICNIRP-limieten wordt voldaan, is het niet waarschijnlijk dat gezondheid seffecten optreden. Het voorzorgsbeginsel wordt door de Nederlandse overheid bij radiofrequente velden van TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22a Sport De Omloop Rhoon Status: Vastgesteld BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 45 zendmasten niet gehanteerd; wel geldt het ALARA -principe (as low as reasonably achievable), inhoudende dat onnodige blootstelling boven het functioneel noodzakelijke niveau wordt voorkomen. Antenne-installaties voor mobiele telecommunicatie werken doorgaans met een elektrisch vermogen ruim onder de 4 kW. Dergelijke installaties vallen daarmee buiten de milieubelastende activiteit "zendmast" als bedoeld in paragraaf 3.2.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). De algemene rijksregels voor die milieubelastende activiteit zijn in dat geval niet van toepassing.

Planologische borging Voorliggende planologische regime voorziet in een sportpark, en dit betreft een functie waarbij geen sprake is van langdurig verblijf, en dit houdt concreet in dat de blootstellingsduur aan een zendmast beperkt is, ten opzichte van gevoelige functies zoals wonen. In de planregels van het omgevingsplan zijn regels opgenomen voor het maximale aantal antenne -installaties dat binnen het plangebied is toegestaan. Daarmee wordt geborgd dat de plaatsing ruimtelijk aanvaardbaar is en dat bij de verdere uitwerking een zorgvuldige afweging plaatsvindt ten aanzien van de omgeving. Bij de realisatie van een antenne-installatie dient de aanvrager aan te tonen dat de installatie voldoet aan de geldende ICNIRP-blootstellingslimieten. Zolang aan deze limieten wordt voldaan, vormt het aspect gezondheid in verband met elektromagnetische v elden geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. Conclusie Het aspect gezondheid in relatie tot elektromagnetische velden van een antenne -installatie vormt geen belemmering voor de vaststelling van het TAM-omgevingsplan. Met de opgenomen planregels wordt een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in de zin van de Omgevingswet geborgd.

Conclusie Het plan voldoet aan de gezondheidsdoelstellingen van de Omgevingswet en draagt actief bij aan de bevordering van sport, bewegen en sociale int eractie, terwijl de milieubelasting op het omringende gebied niet toeneemt. Daarmee sluit het initiatief aan bij het streven naar een veilige, gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. De gezondheidseffecten verslechteren daarom niet onevenredig, maar verbeteren per saldo door de evenwichtige toedeling van functies op deze locatie. 7.6.3 Conclusie Vanuit het aspect gezondheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies op locaties. 7.7 Duurzaamheid en klimaatadaptatie 7.7.1 Wettelijk kader Doelen van de Omgevingswet zijn onder meer het tegengaan van klimaatverandering, het beheer van geobiologische en geothermische systemen en ecosystemen en het beheer van natuurlijke hulpbronnen (artikel 2.1, lid 3, onder i, o en p Ow). Met het oog op deze doelen wordt het plan aan de omgevingsaspecten ‘duurzaamheid’ en ‘klimaatadaptatie’ getoetst. 7.7.2 Situatie plangebied De gemeente Albrandswaard heeft in de Uitvoeringsagenda Duurzaamheid 2021 -2025 vastgelegd dat zij in 2030 de CO₂-uitstoot met 49% wil reduceren ten opzichte van 1990, met het uiteindelijke doel om in 2050 een reductie van 95% te behalen en volledig over te gaan op 100% duurzaam opgewekte energie.

Het raadsakkoord 2022-2026 benadrukt dat Albrandswaard zo spoedig mogelijk klimaatneutraal wil worden, waarbij duurzaamheid, circulariteit en leefbaarheid centraal staan. Ook wordt ingezet op een ‘waterrobuuste’ en klimaatbestendige inrichting van de fysieke leefomgeving, zodat de gevolgen v an klimaatverandering opgevangen kunnen worden en vitale functies zo min mogelijk hinder ondervinden. Duurzaamheidsmaatregelen sportpark De ontwikkeling van het nieuwe sportpark draagt bij aan deze gemeentelijke doelstellingen. Bij het TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22a Sport De Omloop Rhoon Status: Vastgesteld BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 46 ontwerp en de inrichting is nadrukkelijk rekening gehouden met zowel gebiedsgerichte als gebouwgebonden duurzaamheidseisen: • Energie en warmte Het sportpark wordt zo ontworpen dat het energiezuinig functioneert, met een gezond binnenklimaat en waar mogelijk ‘low-tech’ oplossingen die de milieubelasting beperken. Voorzieningen zoals zonnepanelen worden bij voorkeur geïntegreerd in de architectuur van de daken in een eenduidige, symmetrische opstelling. • Mobiliteit en laadinfrastructuur In lijn met de gemeentelijke Laadvisie Albrandswaard wordt de buitenruimte voorbereid op de komst van laadpalen voor elektrische voertuigen.

Hiermee wordt de transitie naar zero- emissie vervoer ondersteund en wordt bijgedragen aan de reductie van CO₂-uitstoot door mobiliteit. • Klimaatadaptatie Hoewel de gemeente het Convenant Klimaatadaptief Bouwen niet formeel heeft vastgesteld, worden de daarin geformuleerde doelen onderschreven en toegepast. Dit betekent onder meer dat het ontwerp van het sportpark rekening houdt met: o het voorkomen van wateroverlast bij hevige neerslag, door infiltratievoorzieningen en voldoende waterbergingscapaciteit; o het beperken van hittestress door het toevoegen van schaduwrijke groenstructuren; o het bevorderen van biodiversiteit via inheemse beplanting en het versterken van de groenblauwe structuur; o het beperken van verdroging en bodemdaling door passende bodem- en waterhuishoudkundige maatregelen. • Circulaire grondstoffen Waar mogelijk wordt gebruikgemaakt van circulaire materialen en hergebruik van grondstoffen, zowel bij de bouw van voorzieningen als bij de inrichting van het terrein. Dit sluit aan bij het gemeentelijke streven om zuinig om te gaan met grondstoffen en de belasting op het milieu te verminderen. 7.7.3 Conclusie Het nieuwe sportpark wordt toekomstbestendig ontwikkeld, met aandacht voor energie -efficiëntie, klimaatadaptieve inrichting, duurzame mobiliteit en circulair materiaalgebruik.

Daarmee sluit het plan naadloos aan bij de ambities uit de Uitvoeringsagenda Duu rzaamheid 2021 -2025 en de gemeentelijke doelstelling om uiterlijk in 2050 klimaatneutraal te zijn. Het project houdt in voldoende mate rekening met duurzaamheid en klimaatadaptatie. TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22a Sport De Omloop Rhoon Status: Vastgesteld BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 47 Hoofdstuk 8 Bescherming van de natuur In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur. Het gaat hierbij in de eerste plaats om de bescherming van aangewezen Natura 2000- gebieden, beschermde flora en fauna en regels ter bescherming van houtopstanden. 8.1 Gebiedsbescherming 8.1.1 Natura 2000-gebieden De Europese Vogel - en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000 -gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Eur opese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000 -gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit.

Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, d ienen deze in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000 -gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000 -gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aan tasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen kan het plan worden vastgesteld indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: • Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; • Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbe grip van redenen van sociale of economische aard; en • De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. 8.1.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Ne derland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt.

In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij' - principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegesta an als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. 8.1.3 Houtopstanden Houtopstanden die voldoen aan één van onderstaande criteria vallen onder het beschermingsregime van de Omgevingswet als bepaald in artikel 11.111 van het Bal. Dit g eldt voor bossen, houtwallen, heester- en struikhagen, struwelen en beplanting van bosplantsoen. Op basis van dit artikel kan tevens een herplantplicht gelden. • De houtopstand ligt buiten de ‘bebouwde kom houtopstanden’ en vormt een zelfstandige eenheid groter dan 10 are (1.000 m²); • De houtopstand ligt buiten de ‘bebouwde kom houtopstanden’ en vormt een rijbeplanting van meer dan 20 bomen. TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22a Sport De Omloop Rhoon Status: Vastgesteld BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 48 8.1.4 Situatie plangebied 8.1.4.1 Natura 2000-gebieden Het plangebied bevindt zich op circa 760 meter van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Oude Maas’. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000 -gebied ‘Krammer-Volkerak’ ligt op circa 17,2 kilometer afstand van het plangebied. Gelet op de ruime afstand is directe hinder, bijvoorbeeld in de vorm van geluid of lichthinder, uitgesloten. Naast directe hinder kan er ook sprake zijn van indirecte hinder in de vorm van stikstofdepositie.

Om dit te beoordelen, is een onderzoek stikstofdepositie uitgevoerd. Het stikstofonderzoek is opgenomen in bijlage 6. Hierna wordt op de belangrijkste conclusies ingegaan. Geconcludeerd wordt dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. De voortoets voor het plan voldoet, ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000 -gebieden aan artikel 10.24, lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. 8.1.4.2 GNN-gebieden Het dichtstbijzijnde gebied dat tot het Natuurnetwerk Nederland (GNN) hoort, bevindt zich op circa 180 meter van het plangebied. Gelet op deze afstand en de aard en omvang van de ontwikkeling is er geen sprake van enige aantasting van de wezenlijke waarden en kenmerken van het GNN. 8.1.4.3 Houtopstanden In het plangebied worden geen houtopstanden, die voldoen aan de criteria uit artikel 11.111 Bal, negatief beïnvloed. 8.2 Soortenbescherming 8.2.1 Wettelijk kader Onder de Omgevingswet zijn veel dier - en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel - en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland.

Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora - en fauna-activiteit moe t bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: • er soorten aanwezig zijn; en • welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. 8.2.2 Situatie plangebied In het kader van voorgenomen ontwikkeling is door Ecofect een quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. Hieronder zijn de belangrijkste resultaten opgenomen. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar bijlage 7. TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22a Sport De Omloop Rhoon Status: Vastgesteld BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 49 Uit dit natuurwaardenonderzoek is gebleken dat bij het uitvoeren van de geplande werkzaamheden er mogelijk schadelijke handelingen flora & fauna activiteit (soorten) Omgevingswet zullen plaatsvinden.

Gebiedsbescherming Nationaal landschap Beoogde ontwikke lingen vinden plaats buiten de grenzen van het Nationaal landschap. Omdat kernkwaliteiten gewaarborgd blijven zijn wettelijke consequenties met betrekking op het Nationaal landschap niet aan de orde. Soortbescherming Flora Geen schadelijke handelingen flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet. Vogels Mogelijk schadelijke handelingen flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet. Een nader onderzoek huismus, steen-, kerkuil, en broedvogels wordt noodzakelijk geacht. Vleermuizen Mogelijk schadelijke handelingen flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet. Een nader onderzoek gebouwbewonende vleermuizen wordt noodzakelijk geacht. Zoogdieren Geen schadelijke handelingen flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet. Overige soorten Mogelijk schadelijke handelingen flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet. Een nader onderzoek rugstreeppad wordt noodzakelijk geacht. Houtopstanden Er worden geen bomen gekapt zoals bedoeld in de omgevingswet d ie vallen onder het onderdeel houtopstanden. Geen herplant- of meldingsplicht. Specifieke zorgplicht Ten alle tijden geldt bij het uitvoeren van flora - en fauna-activiteiten dient de initiatiefnemer / uitvoerder van de activiteit te kunnen aantonen hoe teg emoetgekomen wordt aan de specifieke zorgplicht (art.

11.27, Bal). Zie bijlagen. 8.2.3 Nadere onderzoeken in het plangebied Gezien de resultaten van het natuuronderzoek is door Ecofect vervolgens enkele nadere onderzoeken uitgevoerd, welke uitkomsten hierna puntsgewijs worden weergegeven. Vogels Steenuil- en kerkuil De resultaten van verdiepend nader onderzoek (opgenomen als geheel onderzoek in bijlage 8 bij deze motivering) naar het voorkomen van de steenuil en/of kerkuil in het plangebied geven aanleiding om aan te nemen dat deze soorten gebruik maken van de planlocatie. Het plangebied wordt mogelijk gebruikt als foerageergebied. Het kan niet aangemerkt worden als essentieel foerageergebied aangezien de omgeving van de planlocatie hetzelfde agrarische kar akter heeft. Daardoor zijn er voldoende uitwijkmogelijkheden. Er gaan ook geen vaste rust en/of voortplantingsplaatsen verloren door of tijdens de geplande ingreep en er worden geen steenuilen/kerkuilen gedood of verstoord door de geplande ingreep. Een ver gunning schadelijke handelingen flora en fauna activiteit wordt niet noodzakelijk geacht. Wel dient ten alle tijden gehouden te worden aan de specifieke zorgplicht (zie bijlage). Tevens zijn in de bijlage bij het verdiepende onderzoek (opgenomen in bijlage 8 bij deze motivering) vrijblijvende adviezen opgenomen om het plangebied in te richten op een wijze ten gunste van de onderzochte soorten.

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22a Sport De Omloop Rhoon Status: Vastgesteld BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 50 Huismus Uit het nader onderzoek huismus (opgenomen als bijlage 9 bij deze motivering) is gebleken dat bij het uitv oeren van de geplande werkzaamheden er geen schadelijke handelingen flora en fauna activiteit Omgevingswet zijn. Bij het uitvoeren van de veldbezoeken is er geen nestindicatief gedrag vastgesteld. Er zijn geen waarnemingen gedaan van nest- en verblijfplaatsen. Kortom, de huismus is niet aanwezig . Het p langebied is functioneel niet in gebruik als foerageergebied, er zijn g een schadelijke effecten qua functionaliteit van het leefgebied. Gelet op de uitkomsten van het nader onderzoek huismus is geen vergunnin g schadelijke handelingen flora en fauna activiteit Omgevingswet noodzakelijk. Broedvogels Op basis van de inspecties (het onderzoek is opgenomen in bijlage 10 bij deze motivering) in april en juni zijn er broedende vogels of actieve nesten aanwezig op of direct rondom het perceel aan de Omloopseweg 6-F te Rhoon. De planlocatie kan niet aangemerkt worden als essentieel leefgebied, aangezien er voldoende alternatief in de omgeving is in de vorm van soortgelijke bomen langs de Essendijk en meerdere graslanden in de nabije omgeving. Er is op dit moment sprake van een belemmering op grond van de specifieke zorgplicht in het kader van de Omgevingswet.

Vleermuizen Ten behoeve van dit TAM -Omgevingsplan is ecologisch onderzoek uitgevoerd naar beschermde soorten. De resultaten van dit onderzoek zijn in bijlage 13 bij deze motivering opgenomen. In het voorjaar, zomer en najaar van 2025 is de planlocatie door middel van zeven inventarisaties onderzocht op de aanwezigheid van een vaste rust - en/of voortplantingsplaats van gebouwbewonende vleermuissoorten conform het geactualiseerde vleermuisprotocol (NGB, 2025) onder gunstige weersomstandigheden. Er zijn geen vast rust - en/of voortplantingsplaatsen waargenomen op de planlocatie. De mogelijkheid dat gebouwbewonende vleermuizen zullen worden verwond of gedood tijdens de werkzaamheden is daarmee uitgesloten. Verdere actie in de vorm van maatregelen of een vergunningsaanvraag wordt niet noodzakelijk geacht. Overige soorten Ten behoeve van dit TAM -Omgevingsplan is ecologisch onderzoek uitgevoerd naar de beschermde rugstreeppad. De resultaten van dit onderzoek zijn in bijlage 14 bij deze motivering opgenomen. In het voorjaar en de zomer van 2025 is de planlocatie door middel van 6 inventarisaties onderzocht op de aanwezigheid van rugstreeppad conform het soorteninventarisatieprotocol NGB (NGB, 2021) en kennisdocument rugstreeppad (BIJ12, 2017) onder gunstige weersomstandigheden. Op de planlocatie zijn geen rugstreeppadden aangetroffen.

Het leefgebied wordt als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden niet aangetast. Bij de ontwikkelingen wordt verbodsbepaling art. 11.46 Bal van Omgevingswet ten aanzien van de rugstreeppad niet overtreden. Vervolgstappen in de vorm van een vergunningaanvraag en het nemen van mitigerende en compenserende maatregelen voor de rugstreeppad zijn niet aan de orde. Ecologische voortoets Uit deze voortoets blijkt dat er geen Passende beoordeling en/of ADC-toets noodzakelijk is omdat er geen (significante) negatieve effecten zijn op de beschermde habitattypen en doelsoorten. Ook heeft de planontwikkeling geen effect op de beheerdoelstellingen die zijn toegewezen aan dit gebied. In deze toetsing zijn effecten van verzuring en vermesting door stikstofdepositie niet meegenomen, maar worden getoetst aan de hand van de reeds hiervoor beschreven stikstofberekening. Het plan kan voor wat betreft gebiedsbescherming (externe effecten Natura 2000) worden vastgesteld zonder dat er een vergunning nodig is. 8.3 Conclusie Wat betreft het verplaatsen van het sportpark leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van soorten- en gebiedsbescherming. Het voornemen houdt in voldoende mate rekening met de bescherming van de natuur.

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22a Sport De Omloop Rhoon Status: Vastgesteld BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 51 Hoofdstuk 9 Archeologie en cultuurhistorie 9.1 Wettelijk kader Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te ve rwachten archeologische monumenten. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen deze ontwikkeling rekening is gehouden met cultureel erfgoed en archeologische waarden. Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begri ppen) van de Omgevingswet. De Erfgoedwet bevat de wet - en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee t e nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. 9.2 Archeologie Lid 3 van artikel 5.130 Bkl bepaalt dat in het belang van de archeologische monumentenzorg in een omgevingsplan regels kunnen worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie. Ook kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden.

Situatie plangebied Hiervoor is door de gemeente de regioarcheoloog geraadpleegd, middels het inwinnen van advies bij de ‘Archeologie Rotterdam (BOOR)’ Deze geeft aan dat voor dit TAM -Omgevingsplan het voldoende is om op te nemen dat een archeologisch onderzoek mogelijk nodig is als de bodem over een oppervlak van meer dan 200 m² én tot een diepte van meer dan 1 m onder het maaiveld wordt verstoord. Is dit niet het geval (aan te tonen in de aanvraag omgevingsvergunning voor bouwen), dan kan men zonder a rcheologisch onderzoek aan de slag. Mocht dit wel het geval zijn, dan kijkt de BOOR voor de gemeente of de ingreep dusdanig bedreigend is voor eventuele archeologische waarden dat zij een advies aan de gemeente afgeven voor het uitvoeren van archeologisch onderzoek. Met het opnemen van de archeologische dubbelbestemming in de regels van voorliggende TAM - omgevingsplan, wordt voldaan aan dit aspect. 9.3 Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten.

Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover relevant in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. Situatie plangebied In het plangebied zelf liggen geen monumenten of andere cultuurhistorische waarden. Het plan heeft daarmee geen invloed op de cultuurhistorie. De ‘oudere’ polders ten noorden van de Essendijk worden wel gekenmerkt door een onregelmatige blokverkaveling en zijn afwisselend open en besloten. Dit landschap is fijnkorreliger dan het landschap ten zuiden van de Essendijk en daarmee onderscheidend en recreatief zeer aantrekkelijk. Om het nieuwe sportpark echter goed in de omgeving op te laten gaan worden onderstaande aandachtspunten bij de nadere uitwerking meegenomen: TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22a Sport De Omloop Rhoon Status: Vastgesteld BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 52 Er wordt een grotere mate van beslotenheid nagestreefd, ten opzichte van de huidige situatie, zodat het afwisselend open en besloten landschap versterkt wordt en daarmee het contrast met de zuidelijke polders en de recreatieve beleving.

Landschappelijke ontwikkelingen bieden de kans om het zicht op de randen (A15, Portland) met groen te onderbreken; dit versterkt de landschapsbeleving in het Buijtenland van Rhoon. Bij het landschapsontwerp wordt voldoende openheid behouden; cruciale zichtrelaties met bijv. landschap en monumentale boerderijen worden behouden en/of gerealiseerd. 9.4 Conclusie Geconcludeerd wordt dat het voornemen in voldoende mate rekening houdt met de bescherming van archeologische en cultuurhistorische waarden. TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22a Sport De Omloop Rhoon Status: Vastgesteld BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 53 Hoofdstuk 10 Infrastructuur en openbare ruimte 10.1 Wettelijk kader Op basis van de instructieregels zoals opge nomen in paragraaf 5.1.7 en 5.1.8 houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het behoeden van de staat en werking van infrastructuur en het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voo r personen . In deze paragraaf wordt ingegaan op de verkeerssituatie en parkeerbehoefte van het plangebied. 10.2 Verkeer en parkeren 10.2.1 Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie die daardoor ontstaat. Het CROW ontwikkelt en publiceert kennis onder andere op het gebied van verkeer en parkeren.

Specifiek voor verkeersgeneratie en parkeren heeft het CROW de publicatie ‘ Parkeerkencijfers 2024 – Basis voor parkeernormering’ opgesteld. De ze kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeersgeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen. Qua functie, verstedelijkingsgraad, stedelijke zon e, parkeernorm en verkeersgeneratie worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: • Verstedelijkingsgraad: Matig stedelijk • Stedelijke zone: Rest bebouwde kom In de publicatie van de CROW is de verkeersgeneratie per functie uiteengezet. Daarnaast wordt hierin een minimaal en maximaal aantal verkeersbe wegingen voor de functies aangegeven. In voorliggend geval wordt van het gemiddelde uitgegaan. Het nieuwe sportpark wordt ontwikkeld met aandacht voor duurzame mobiliteit, verkeersveiligheid en goede bereik baarheid voor alle modaliteiten. Uitgangspunt is het terugdringen van het autogebruik door het stimuleren van alternatieve vervoerswijzen, zoals wandelen, fietsen en het gebruik van het openbaar vervoer. Waar autoverkeer onvermijdelijk is, wordt dit zodani g gefaciliteerd dat doorstroming en verkeersveiligheid gewaarborgd blijven.

10.2.2 Verkeersgeneratie + ontsluiting en parkeerbehoefte Verkeersgeneratie De verplaatsing van het bestaande sportpark naar de overzijde van de Omloopseweg heeft in zoverre weinig tot géén gevolgen voor de afwikkeling van de verkeersstructuur in de directe omgeving. Immers er géén sprake is van een uitbreiding van het sportprogramma, maar wordt het sportpark alleen ‘omgeklapt’ naar de overzijde van de weg en wordt het plangebied volledig nieuw en zo optimaal mogelijk ingericht. Daarbij mag het nieuwe sportpark pas in gebruik worden genomen, wanneer het gebruik op het bestaande sportpark definitief is beëindigd. Wel verandert de ligging van de verkeersontsluiting en de locatie van de parkeervoorzieningen, ten opzichte van de bestaande situatie. Omdat de aard en omvang van het gebruik gelijk blijven, wordt echter geen significante toename van verkeersgeneratie of parkeerbehoefte verwacht ten opzichte van de huidige situatie. Om de belangen van de omwonenden goed in de gaten te houden, en om overlast te voorkomen, is er door Goudappel een verkeersonderzoek uitgevoerd, deze is opgenomen in bijlage 11 bij deze motivering. De ontsluiting van het sportpark wordt overzichtelijk en doelmatig ingericht. Uitgangspunt is dat er één duidelijke hoofdontsluiting wordt gerealiseerd, waarlangs het sportpark bereikbaar is voor alle modaliteiten.

Aan deze hoofdontsluiting worden twee logisch ingepaste parkeerhoven gekoppeld, die gezamenlijk voorzien in de parkeerbehoefte. De inrichting is zodanig opgezet dat verkeersstromen worden gebundeld en eventuele hinder voor de omgeving wordt beperkt. TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22a Sport De Omloop Rhoon Status: Vastgesteld BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 54 Parkeerbehoefte De parkeercapaciteit wordt ruim opgezet om overlast voor omwonenden te voorkomen, waarbij wordt uitgegaan van de CROW-norm van 20 autoparkeerplaatsen per netto hectare terrein (exclusief kantine, kleedruimte, oefenveld en toiletten). In de huidige situatie omvat het sportpark zes voetbalvelden; in het nieuwe plan is sprake van vijf voetbalvelden, zie de afbeeldingen in hoofdstuk 1 tot en met 3 van deze motivering. Bij de verplaatsing van het sportpark wordt de auto-ontsluiting niet aangepast: deze vindt nog steeds plaats via de Omloopseweg. Het nieuwe sportpark wordt echter uitgerust met minimaal 50 parkeerplaatsen meer dan in de bestaande situatie (met meer sportvelden en dus potentieel grotere parkeerbehoefte) het geval is. Het betreft minimaal 200 parkeerplaatsen tegen circa 150 in de huidige situatie. Hierdoor hoeft er niet meer op de Omloopseweg en de Essendijk geparkeerd te worden, zoals in de huidige situatie soms wel het geval is. Het plan voorziet daarmee ruimschoots in de parkeerbehoefte.

Met 200 parkeerplaatsen wordt de normatieve behoefte het maatgevende moment (zaterdag middag) ruimschoots voldaan. De overige parkeervoorzieningen, alsmede de forse ruimte voor parkeerplaatsen op eigen terrein, biedt een buffer voor piekmomenten, zoals sportevenementen. Daarbij wordt dus in de planvorming bewust ingezet op een toename van het aantal parkeerplaatsen ten opzichte van de bestaande situatie. Hiermee wordt geanticipeerd op toekomstige piekmomenten, bezoekersdruk bij sportevenementen en het voorkomen van parkeeroverlast in de omliggende bestaande (en nieuwe) woonomgeving. Het plan voorziet in circa 200 parkeerplaatsen voor auto's en eveneens circa 200 tot 250 fietsenstallingsplaatsen. De parkeervoorzieningen worden geconcentreerd in een aantal parkeerhoven die direct verbonden zijn met de hoofdontsluiting . Dit bevordert een duidelijke verkeersstructuur en voorkomt zoekverkeer in de omgeving. Ontsluiting Met deze aanpak wordt het sportpark op een toekomstbestendige wijze ontsloten, waarbij de balans wordt gevonden tussen bereikbaarheid, verkeersveiligheid en duurzaamheid. 10.3 Conclusie Het voornemen houdt in voldoende mate rekening met de staat en werking van de infrastructuur en de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte. Het voornemen voldoet vanuit deze aspecten aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22a Sport De Omloop Rhoon Status: Vastgesteld BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 55 Hoofdstuk 11 M.e.r.- Beoordeling 11.1 Wettelijk kader Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Uit bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of mer -beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen: • In kolom 1 staan de projecten opgesomd; • In kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is; • In kolom 3 staan de gevallen genoemd waarin de project-mer-beoordelingsplicht geldt; • Tot slot bevat kolom 4 de besluiten waarvoor dan de mer -verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. Indien een wijziging van het omgevingsplan wordt opgesteld dat een kader vormt voor een project- mer-(beoordelings)plichtige projecten dan is een plan-mer aan de orde (artikel 16.36 lid 1 Ow). Ook is een plan-mer aan de orde als voor een plan een passende beoordeling voor natuur moet worden opgesteld zoals bedoeld in artikel 16.53c Ow (artikel 16.36 lid 2 Ow).

Als een plan wordt gemaakt voor een klein gebied op lokaal niveau of het plan maakt een kleine wijziging mogelijk, kan worden volstaan met een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36 lid 3 Ow) als uit de beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft. 11.2 Situatie plangebied In dit geval is sprake van een wijzig ing van het omgevingsplan voor het verplaatsen van een sportpark (met daarbij behorende functies). De wijziging van het omgevingsplan is kaderstellend voor een project-mer-(beoordelings)plichtige activiteit, namelijk het stedelijk ontwikkelingsproject. Aangezien sprake is van een klein gebied op lokaal niveau, kan worden volstaan met een plan-mer- beoordeling. Het plangebied bevindt zich op circa 760 meter van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Oude Maas’. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied ‘Krammer-Volkerak’ ligt op circa 17,2 kilometer afstand van het plangebied. Gelet op de ruime afstand is directe hinder, bijvoorbeeld in de vorm van geluid of lichthinder, uitgesloten. Naast directe hinder kan er ook sprake zijn van indirecte h inder in de vorm van stikstofdepositie. Om dit te beoordelen, is een onderzoek stikstofdepositie uitgevoerd. Geconcludeerd wordt dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr.

Er is daarmee gee n sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. De voortoets voor het plan voldoet, ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000 -gebieden aan artikel 10.24, lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Gezien de aard en omvang van de in dit TAM-Omgevingsplan besloten ontwikkeling, waarbij tevens inrichtings- en bouwwerkzaamheden plaatsvinden en er sprake is van feitelijk het verplaatsen van een bestaande stroom van verkeersbewegingen, in relatie tot de afstand tot het Natura 2000-gebied én de uitkomsten van het stikstof-onderzoek, wordt geconcludeerd dat geen sprake zal zijn van een aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied. Drempelwaarden Besluit m.e.r. In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en daarmee geen sprake van een directe m.e.r.-plicht. In onderdeel D 11.2 van het besluit wordt de “aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen” genoemd. Indien geoordeeld wordt dat sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' is mogelijk een vormvrije m.e.r.-beoordeling noodzakelijk.

Uit jurisprudentie volgt dat het antwoord op de vraag of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aan de hand van aspecten als aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22a Sport De Omloop Rhoon Status: Vastgesteld BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 56 beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. De in het voorliggende TAM-omgevingsplan besloten ontwikkeling gaat uit van het verplaatsen van een sportpark (met daarbij behorende functies). Verder is er geen sprake is van een toename van verkeersgeneratie, en leidt de afwikkeling hiervan dit niet tot belangrijke nadelige gevolgen. Verder is, voor zover in dit kader relevant, sprake van een functie die niet leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen of een beperking voor andere functies in de directe omgeving. Gelet op het vorenstaande en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r..

Tevens blijkt uit dit hoofdstuk dat dit ontwikkelplan geen belangrijk nadelige milieugevolgen heeft, die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. 11.3 Conclusie Gelet op de beoordeling van de bovengenoemde kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn er geen belangrijke negatieve milieugevolgen te verwachten. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22a Sport De Omloop Rhoon Status: Vastgesteld BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 57 Hoofdstuk 12 Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid 12.1 Economische uitvoerbaarheid Overheden zijn verplicht om de kosten te verhalen . Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemer van de bouwactiviteit en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur. Als het niet mogelijk is een overeenkomst af te sluiten, is de publiekrechtelijke weg verplicht. Dan verhaalt het bevoegd gezag de kosten op basis van de regels in een omgevingsplan, een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of een projectbesluit. Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten.

Het Omgevingsbesluit bevat relevante regels over (verplicht) kostenverhaal (zie artikel 8.13 Ob voor aangewezen activiteiten waarvoor kostenverhaal verplicht is, artikel 8.14 Ob voor de mogelijkheden om af te zien van kostenverhaal en artikel 8.15 Ob voor de kostensoortenlijst). Pas nadat is betaald, is het toegestaan de activiteiten uit te voeren (zie artikel 13.12 Ow). Eén van de bouwactiviteiten waarvoor kosten verhaald worden is de bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie (zie artikel 8.13 aanhef en sub a Ob). Er zijn bij de inwerkin gtreding van de Omgevingswet nog geen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen aangewezen. In voorliggend geval is de gemeente Albrandswaard zelf de initiatiefnemer voor deze planologische procedure teneinde de verplaatsing mogelijk te maken. Bij de vastst elling van het plan dient de gemeenteraad te beoordelen of de ontwikkeling economisch uitvoerbaar is. De raad heeft hiervoor de benodigde financiële kaders vastgesteld. In december 2023 heeft de gemeenteraad een investeringskrediet beschikbaar gesteld van € 16,3 mln. voor de verplaatsing en realisatie van het nieuwe sportpark aan de Omloopseweg. Daaruit worden alle kosten gedekt. Hierbinnen is de verantwoording van de kosten en opbrengsten opgenomen. De exploitatie is sluitend. Het plan is dan ook economisc h uitvoerbaar.

Hiermee is het kostenverhaal anderszins verzekerd en is er geen exploitatieplan nodig. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven. Voor de bouwfase straks (aanleg sportvelden en bouw clubgebouw) wordt door de gemeente met de sportverenigingen een overeenkomst gesloten. Hierin is dan verzekerd dat het risico op nadeelcompensatie voor rekening van de sportverenigingen komt. De gemeentelijke (leges)kosten zijn hier ook in opgenomen. Het kostenverhaal voor de gemeente is daarmee in die fase dan ook volledig verzekerd. Daarmee is de financiële uitvoerbaarheid van het plan voldoende aannemelijk gemaakt. 12.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 12.2.1 Participatie Participatie is onder de Omgevingswet een b elangrijk aspect in de procedure van een ruimtelijke ontwikkeling. Een ontwikkeling heeft namelijk niet alleen invloed op de fysieke leefomgeving, maar ook op de mensen die daar wonen, werken en recreëren. Voorgeschiedenis In de eerste maanden van 2025 werden belangrijke stappen gezet in de ontwikkeling van De Omloop. In februari 2025 sloegen de gemeente Albrandswaard, BPD Bouwfonds Gebiedsontwikkeling en VORM Ontwikkeling de handen ineen met de ondertekening van de intentieovereenkomst.

Samen met bewoners en geïnteresseerden werken de samenwerkende partijen de kaders uit voor zowel een nieuw sportpark, als ook daarna voor een woonwijk met ongeveer 400 energie-neutrale woningen in een klimaat-adaptieve omgeving. Ook de voetb alverenigingen r.k.s.v. WCR en V.V. Rhoon bundel den de krachten samen met de gemeente Albrandswaard met het ondertekenen van de intentieovereenkomst. Het voornemen is om de huidige voetbalverenigingen WCR en Rhoon samen te laten fuseren en daarmee samen te brengen onder één dak. Om dit mogelijk te maken, hebben de verenigingen een gezamenlijke stichting opgericht die het nieuwe sportgebouw gaan ontwikkelen, beheren en onderhouden. TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22a Sport De Omloop Rhoon Status: Vastgesteld BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 58 Tevens is er in het voorjaar van 2025 in samenwerking met BPD Ontwikkeling en VORM een informatieavond over De Omloop georganiseerd, en dit zal in het najaar van 2025 wederom geschieden. Tijdens deze avond werd een presentatie gegeven van de plannen en was er ruimte voor vragen. Uitkomsten Voor de ontwikkeling is dus een uitgebreid participatietraject doorlopen, passend binnen de uitgangspunten van de participatievisie van de gemeente Albrandswaard.

Daarbij is ingezet op een laagdrempelig en transparant proces, waarbij direct omwonenden, belanghebbenden, overheidsinstanties en overi ge geïnteresseerden actief zijn betrokken door middel van individuele gesprekken, overleg met betrokken overheden en twee openbare informatie - en participatiebijeenkomsten. Daarnaast is via uitnodigingsbrieven, de projectwebsite, sociale media en lokale media gecommuniceerd over de planvorming. Tijdens het participatietraject zijn onder meer aandachtspunten naar voren gebracht over verkeer en ontsluiting, parkeren, geluid- en lichthinder, de landschappelijke inpassing van het sportpark, de ruimtelijke kwaliteit, de mogelijke C2000-zendmast en de verkeersveiligheid van de Omloopseweg. Daarnaast zijn ook wensen en zorgen geuit over de woningbouwontwikkeling (dit beslaat niet de scope van voorliggend TAM -Omgevingsplan) , zoals het woningprogramma, betaalbaarhei d, bouwhoogten, privacy, voorzieningen en de leefbaarheid van de omgeving. De resultaten van de participatie zijn (waar mogelijk) betrokken bij de verdere uitwerking van het plan voor het sportpark. Dit heeft onder meer geleid tot aanpassingen en nadere uitwerking van de verkeersstructuur, de parkeeroplossingen, de landschappelijke inpassing van het sportpark, de situering van functies en de stedenbouwkundige opzet.

Tijdens de tweede participatiebij eenkomst is teruggekoppeld op welke wijze de eerder ingebrachte reacties in de planvorming zijn verwerkt. De initiatiefnemers hebben aangegeven ook gedurende de verdere planprocedure met de omgeving in gesprek te blijven. Voor een volledig overzicht van het participatieproces, de ingebrachte reacties en de wijze waarop deze zijn betrokken bij de planvorming wordt verwezen naar Bijlage: Participatieverslag De Omloop. Deze tekst sluit aan bij de drie punten die je noemt: 1. Uitvoering participatievisie: laagdrempelig, transparant, verschillende doelgroepen en communicatiekanalen. 2. Opbrengsten participatie: samenvatting van de belangrijkste thema's. 3. Verwerking in het plan: beschrijving dat de opbrengsten zijn gebruikt voor de verdere uitwerking en verwijzing naar het volledige participatieverslag (Bijlage PM). 12.2.2 Afstemming overlegpartners Het plan is voorgelegd aan de relevante overlegpartners. In dit geval betreffen dit de provincie, het waterschap en de veiligheidsregio. Zij kunnen instemmen met de plannen. 12.2.3 Zienswijzen Het ontwerp-TAM-omgevingsplan heeft van 21 november 2025 tot en met 1 januari 2026 ter inzage gelegen. In deze periode stond voor een ieder de mogelijkheid open om hun zienswijze over het ontwerpplan de gemeenteraad kenbaar te maken.

Hi erop zijn 10 zienswijzen binnengekomen , 1 zienswijze is te laat binnengekomen (dus 9 zijn binnengekomen binnen de daarvoor gestelde termijn), maar die is alsnog in behandeling genomen (dit betreft de zienswijze van indiener 6) . Daartoe is een nota zienswij zen opgesteld, welke onderdeel uitmaakt als bijlage bij het raadsvoorstel. Als gevolg van de zienswijzen is het ontwerp- TAM-omgevingsplan op enkele onderdelen gewijzigd. Het omgevingsplan zal dan ook gewijzigd worden vastgesteld. In de nota zienswijzen is een overzicht gegeven van de wijzigingen. TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22a Sport De Omloop Rhoon Status: Vastgesteld BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 59 Hoofdstuk 13 Juridische verantwoording 13.1 Inleiding In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu - en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van voorliggend TAM -omgevingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.albrandswaard.nl/api/v1/meetings/3858/documents/36265