CConstaterende datAlbrandswaard
Koppel je AI →
Document · PDF

40. 2026-012595 Raadsvoorstel Vaststelling TAM-omgevingsplan Sport De Omloop Bijlagen 3 van 4.pdf

Gemeenteraad AW 12 oktober 2026, gemeente AlbrandswaardBij agendapunt: 6: Ingekomen stukken191.729 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 18 van 19

6 NADER ONDERZOEK STEENUIL– DE OMLOOP RHOON LOCATIE SPORTPARK Dit onderzoek is gericht om vast te stellen, dan wel uit te sluiten dat steenuil en/of kerkuil gebruik maakt van de planlocatie. 7 NADER ONDERZOEK STEENUIL– DE OMLOOP RHOON LOCATIE SPORTPARK 2. Wettelijk kader Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet van kracht. Deze wetgeving vervangt o.a. de Wet natuurbescherming. In deze wet is o.a. de bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden geregeld. Dit onderzoek beperkt zich tot soortbescherming steenuil & kerkuil. Opdrachtgever heeft voornemens een flora - en fauna-activiteit uit te voeren, daarom dient er rekening te worden gehouden met de regels in art. 11.27 Bal (specifieke zorgplicht), art. 11.28 Bal (voorkomen onnodig lijden dieren) en de paragrafen 11.2.2 t/m 1 1.2.5 Bal (vergunningplicht bij schadelijke handelingen, regels vergunningsvrije gevallen). Om aan de voorgenoemde regels te voldoen is een Natuurwaarde -onderzoek uitgevoerd, waaruit bleek dat een nader onderzoek noodzakelijk werd geacht. Zowel de steenuil als de kerkuil worden landelijk beschermd onder het beschermingsregime van ‘Europees beschermde soorten’ (art. 11. 37 Bal). Het is o.a. verboden deze soorten te doden , te verwonden, te verstoren en hun vaste rust- of voortplantingsplaatsen opzettelijk te beschadigen of vernielen.

De wettelijke bepalingen over vernielen of beschadigen hebben tot doel om de ecologische functionaliteit van nesten, voortplantingsplaatsen en rustplaatsen te verzekeren. Het gaat niet uitsluitend om de bescherming van de verblijfplaats zelf. Met ecologische functionaliteit wordt bedoeld dat deze plaatsen een diersoort alle elementen moeten blijven bieden die nodig zijn om succesvol te kunnen voortplanten en/of rusten. Op grond van jurisprudentie en het ‘Guidance document 5’ worden foerageergebieden en vaste vliegroutes niet tot vaste rust- en verblijfplaatsen gerekend, tenzij deze als zodanig samenvallen met een vaste rust - en verblijfplaats. Dit wordt verder uitgewerkt in jurisprudentie, namelijk dat het verbod wor dt overtreden, indien de vaste rust- en verblijfplaatsen niet samenvallen met het foerageergebied, maar door de aantasting van het foerageergebied de ecologische functionaliteit van de buiten het plangebied gelegen vaste rust - en verblijfplaatsen zodanig verstoord worden, dat de betreffende soort deze plaatsen om die reden zal verlaten of aannemelijk is dat die zal worden verlaten. De ecologische functionaliteit van broed -, voortplantings- en rustplaatsen moet gewaarborgd zijn. Dit betekent dat deze plaatsen een diersoort alle elementen moet blijven bieden die nodig zijn om succesvol te kunnen broeden en/of rusten.

De ecologische functionaliteit mag op geen enkel moment, ook niet tijdelijk, in het geding komen. De steenuil en kerkuil staan op de Rode Lijst van Nederlandse broedvogels. Rode Lijsten bevatten soorten die bedreigd worden of kwetsbaar zijn. Rode Lijsten hebben geen officiële juridische status, maar hebben in de praktijk wel een belangrijke signaleringfunctie. Voor deze soorten geld t een hogere prioriteit bij het nemen van actieve beschermingsmaatregelen, bijvoorbeeld door hun leefgebieden te verbeteren. Voor een verdiepende uitwerking van het wettelijk kader wordt verwezen naar de bijlage. 8 NADER ONDERZOEK STEENUIL– DE OMLOOP RHOON LOCATIE SPORTPARK 3. Methode 3.1 Soortbeschrijving steenuil De steenuil is de kleinste in ons land broedende uil. De uil heeft een lichaamsgrootte van 21 tot 23 centimeter en een vleugelspanwijdte van 54 tot 58 centimeter. Hij heeft een gele iris en een gevlekt verenkleed met een bruine ondergrond. De poten zijn be vederd. Vrouwtjes zijn gemiddeld iets groter dan de mannetjes, maar in grootte overlappen beide geslachten elkaar grotendeels. Mannetjes en vrouwtjes hebben een vergelijkbaar verenkleed. Het mannetje en vrouwtje zijn in het veld niet op hun uiterlijk van elkaar te onderscheiden.

3.2 Soortbeschrijving kerkuil De kerkuil is een soort van open en halfopen (cultuur) landschappen met kleinschalige elementen en heeft een voorkeur voor complete duisternis (De Jong, 2013). Het is een standvogel die meestal een leven lang in hetzelfde gebied blijft als hij daar eenmaal gevestigd is. Binnen een territorium heeft de soort een aantal vaste plekken in gebruik als nestplaatsen of vaste rust- of verblijfplaats (RVO, 2015). Deze plekken kunnen enkele honderden meters uit elkaar liggen en deze worden afwisselend gebruikt. De soort is net als de steenuil van oorsprong een holenbroeder en bouwt zelf geen nest. Natuurlijke nestgelegenhe id voor de soort zijn boomholten en rotsspleten en door de mens gecreëerde nestgelegenheden zijn gaten in de nok van schuren (uilenbord) en kerktorens (De Jong, 2013). Beide soorten nestgelegenheid zijn in Nederland schaars geworden waardoor de soort voora l broedt in nestkasten voor kerkuilen. Schuren en andere gebouwen worden wel door de kerkuil gebruikt, maar zijn minder geschikt als broedlocatie, omdat ze gevaarlijker zijn voor jonge kerkuilen.

Figuur 3: Verspreiding steenuil (SOVON, 2021) Figuur 4: verspreiding kerkuil (SOVON, 2018) 9 NADER ONDERZOEK STEENUIL– DE OMLOOP RHOON LOCATIE SPORTPARK 3.3 Methodiek Voor beide soorten is een kennisdocument opgesteld door BIJ12 , waarin de randvoorwaarden voor nader ecologisch onderzoek zijn opgenomen. Voor de steenuil heeft Netwerk Groene Bureaus een inventarisatieprotocol opgesteld. Het kennisdocument geeft aan dat dit protocol gehanteerd kan worden. Het onderzoek is uitgevoerd conform het kennisdocument steenuil & kerkuil, zoals gepubliceerd op de website van BIJ12 en conform het inventarisatieprotocol NGB . De toegepaste methodiek is een beproefde methode om de aanwezigheid en functies van de deze soorten in het plangebied vast te stellen of uit te sluiten. De methodiek die is toegepast is gericht op het vaststellen of uitsluiten van een vaste voortplantingsplaat s en/of vaste rustplaats, tevens is gelet of deze soorten op een andere wijze gebruik maken van de planlocatie. Er zijn een drietal gerichte veldbezoeken vanaf avondschemering tot middernacht uitgevoerd onder droge omstandigheden met gematigde wind (<5 Bft.) in de periode 1 februari tot en met 30 april, waarbij er minimaal 1 maand zit tussen het eerste en laatste bezoek zit. Voorafgaand aan de veldbezoeken heeft sporenonderzoek plaatsgevonden.

Gedurende de veldbezoeken is gebruik gemaakt van een nachtkijker en geluidsapparatuur, waarmee de baltsroep van steenuil is afgespeeld. NADER ONDERZOEK STEENUIL– DE OMLOOP RHOON LOCATIE SPORTPARK 4. Resultaten In | 2025 | is | onderzoek | uitgevoerd | naar | de | aanwezigheid | van | steen- | /kerkuil. | In | tabel | 1 | zijn | de onderzoeksresultaten schematisch weergegeven. Tabel 1: Overzicht veldbezoeken Ronde | Datum & tijd | Regen | Temp. (Celsius) | Bft. | Resultaat Veldbezoek 1 | 14-03-2025 18:44- | Geen | 3 | 1 | Overvliegende 21:00 | steenuil Veldbezoek 2 | 03-04-2025 | Geen | 12 | 2 | - 20:20-22:30 Veldbezoek 3 | 15-04-2025 | Lichte miezer | 10 | 1 | - 20:40-23:00 Voorafgaand | aan | de | onderzoeken | is | bij | daglicht | gezocht | naar | sporen | (braakballen, | schijtstrepen | en prooiresten). Er zijn geen verse sporen aangetroffen. Aan de paardenstal in het plangebied is een | uilenkast bevestigd. Deze is gecontroleerd op aanwezigheid en verse sporten. Die zijn niet aangetroffen. Ook zijn er op de dijk aan de zuidzijde van het plangebied enkele nesten waargenomen waar eventueel gebruik van gemaakt zou kunnen worden. Ook deze nesten waren niet in gebruik. Gedurende het nader onderzoek is zowel visueel als op gehoor | slechts 1 overvliegende steenuil | waargenomen | op de planlocatie. | Deze zal de planlocatie waarschijnlijk gebruiken als foera | geergebied.

Het foerageergebied kan niet worden aangemerkt als essentieel aangezien de omgeving van het plangebied hetzelfde agrarische karakter heeft | en daarmee dus dezelfde functie kan vervullen. 10 11 NADER ONDERZOEK STEENUIL– DE OMLOOP RHOON LOCATIE SPORTPARK 5. Conclusie De resultaten van verdiepend nader onderzoek naar het voorkomen van de steenuil en/of kerkuil in het plangebied geven aanleiding om aan te nemen dat deze soorten gebruik maken van de planlocatie. Het plangebied wordt mogelijk gebruikt als foerageergebied. Het kan niet aangemerkt worden als essentieel foerageergebied aangezien de omgeving van de planlocatie hetzelfde agrarische karakter heeft. Daardoor zijn er voldoende uitwijkmogelijkheden. Er gaan ook geen vaste rust en/of voortplantingsplaatsen verloren door of tijdens de geplande ingreep en er worden geen steenuilen/kerkuilen gedood of verstoord door de geplande ingreep. Een vergunning schadelijke handelingen flora en fauna activiteit wordt niet noodz akelijk geacht. Wel dient ten alle tijden gehouden te worden aan de specifieke zorgplicht (zie bijlage). Tevens zijn in de bijlage vrijblijvende adviezen opgenomen om het plangebied in te richten op een wijze ten gunste van de onderzochte soorten. 12 NADER ONDERZOEK STEENUIL– DE OMLOOP RHOON LOCATIE SPORTPARK 6.

Verantwoording Literatuur / bronnen • Omgevingswet • Omgevingsverordening • Fauna inventarisatie, Rik Schoon • Handreiking Materiaal • Verrekijker • Warmtebeeldcamera • JBL audioplayer Internet • www.sovon.nl • www.vogelbescherming.nl • www.verspreidingsatlas.nl • www.BIJ12.nl • www.netwerkgroenebureaus.nl 13 NADER ONDERZOEK STEENUIL– DE OMLOOP RHOON LOCATIE SPORTPARK 7. Bijlage Wettelijk kader Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet van kracht. Deze wetgeving vervangt o.a. de Wet natuurbescherming. In deze wet is o.a. de bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden geregeld. Dit onderzoek beperkt zich tot soortbescherming steenuil. Een ‘flora- en fauna-activiteit’ is volgens de definitie van het begrip zoals uitgewerkt in de bijlage bij art. 1.1 Omgevingswet een: ‘activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten’ Anders dan bij een ‘Natura 2000 -activiteit’, waarvan pas sprake is als een activiteit leidt tot een kans op significante gevolgen op beschermde Natura 2000-gebieden, is er al sprake van een ‘flora- en fauna-activiteit’ als het een mogelijk gevolg heeft voor één van nature in het wild levend dier of plant, ongeacht of deze soort beschermd is volgens de Omgevingswet. Doordat in de definitie wordt verwezen naar ‘van nature’ in het wild levende soorten, gaat de definitie niet op voor niet-van nature voorkomende soorten.

Met andere woorden, de regels voor flora - en fauna-activiteiten gelden niet voor soorten die buiten he t natuurlijk verspreidingsgebied voorkomen of exoten, tenzij specifiek vermeld. Als er sprake is van een flora - en fauna-activiteit, dient er rekening te worden gehouden met de regels in art. 11.27 Bal (specifieke zorgplicht), art. 11.28 Bal (voorkomen onnodig lijden dieren) en de paragrafen 11.2.2 t/m 11.2.5 Bal (vergunningplicht bij schadelijke handelingen, regels vergunningsvrije gevallen). Hoewel de paragrafen 11.2.2 t/m 11.2.5 Bal alleen betrekking hebben op de bij wet beschermde soorten, gelden de artikelen 11.27 en 11.28 ook met betrekking tot de niet-beschermde soorten. Specifieke zorgplicht flora en fauna In het Bal is een specifieke zorgplicht opgenomen voor onder meer alle ‘flora- en fauna-activiteiten’ die, zoals hiervoor aangegeven, vrijwel alle ruimtelijke activiteiten betreft (art. 11.27 Bal). 8 Deze specifieke zorgplicht komt in de plaats van de algemene zorgplicht die in de Omgevingswet staat (zie hiervoor).9 Iedereen die een flora - en fauna-activiteit uitvoert, moet nadelige gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken (art. 11.27, 1e lid Bal). In het tweede lid staat de nadere uitwerking van de specifieke zorgplicht.

In het tweede lid onder a is er met betrekking tot de reikwijdte van de zorgplicht voor flora- en fauna-activiteiten aangegeven dat deze plicht in ieder geval inhoudt dat moet worden nagegaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid van een aantal type soorten die kwetsbaar of bedreigd zijn. Deze soorten betreffen in Nederland van nature voorkomende: • Vogelrichtlijn-soorten zoals genoemd in bijlage I Vrl en niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4, 2e lid Vrl; • Habitatrichtlijn-soorten als opgenomen in bijlage II, IV en V Hrl; • nationaal beschermde soorten (bijlage IX Bal); • dieren of planten die staan opgenomen op de Rode Lijsten; • voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats. Als deze aanwijzingen er zijn, moet worden vastgesteld of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor dieren van die soorten, hun nesten, hun 14 NADER ONDERZOEK STEENUIL– DE OMLOOP RHOON LOCATIE SPORTPARK foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten. Zijn nadelige gevolgen niet uit te sluiten, dan wordt gevraagd om na te gaan welke nadelige gevolgen kunnen optreden en passende preventieve maatregelen te nemen, de activiteit te staken, of, als dat niet kan, passende herstelmaatregelen te nemen.

Verder wordt er ook gevraagd om tijdens en na het verrichten van de activiteit na te gaan of de getroffen passende preventieve maatregelen de beoogde effecten hebben. De zorgplicht geldt altijd voor alle in het wild levende soorten, ongeacht een eventueel van toep assing zijnde vrijstelling, gedragscode of vergunning. De zorgplicht voor soorten is bovendien niet beperkt tot de dieren en planten zelf, maar ook tot de directe leefomgeving van de soorten. Dat betreft voor dieren de foerageergebieden, rust en vaste verblijfplaatsen en plaatsen voor het grootbrengen van de jongen. Mochten de zorgplichtbepalingen niet helder genoeg zijn, dan staat het bevoegd gezag vrij om middels maatwerkregels (artikel 11.29 Bal) of maatwerkvoorschriften (artikel 11.31 Bal) deze te verduidelijken. Bijvoorbeeld door het opnemen van regels in een provinciale Omgevingsverordening of het stellen van een maatwerkvoorschrift of vergunningsvoorschrift. Zoals ook aangegeven hiervoor met betrekking tot de specifieke zorgplicht voor Natura 2000 -gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden, is de kern van de zorgplichtbepaling voor flora- en fauna-activiteiten dat als er sprake is van nadelige gevolgen op in het wild voorkomende soorten, deze, indien redelijkerwijs kan worden gevergd, moeten worden voorkomen, beperkt of ongedaan worden gemaakt. Ook in art.

11.27, tweede lid wordt verwezen naar passende preventieve maatregelen of passende herstelmaatregelen. In art. 11.27, tweede lid onder b Bal wordt aangegeven dat er moet worden ‘vastgesteld’ of o p voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten. Daarnaast zijn de overige voorwaarden in het tweede lid onder c t/m f zodanig concreet dat in deze bewoording kan worden gelezen dat er aantoonbaar aan deze voorwaarden moet worden voldaan, zeker ook met in het achterhoofd dat de specifieke zorgplichten in de Omgevingswet zowel bestuurlijk als strafrechtelijk kunnen worden gehandhaafd. Om aantoonbaar aan de voorwaarden van de specifieke zorgplicht te kunnen voldoen, is het noodzakelijk dat de toetsing aan de zorgplichtbepalingen in een Natuurwaardenonderzoek of nader onderzoek wordt vastgelegd. Hiertoe kan door ecologische adviesbureaus – naast een bureaustudie door raadpleging van verspreidingsgegevens in tools zoals de NDFF – een ‘Habitatcheck’ worden uitgevoerd naar het voorkomen van de genoemde soorten, op basis van de geschiktheid van het aanwezige habitat als leefgebied van deze soorten. Afhankelijk van het aan te treffen habitat, kan daardoor goed inzicht worden verkregen in het mogelijk voorkomen van soorten of soortgroepen.

Of een nader onderzoek ook naar redelijkheid kan worden gevergd om de aanwezigheid te kunnen uitsluiten, zal afhangen van de opdrachtgever. Vervolgens moet worden beschreven in de Natuurwaardenonderzoek of nader onderzoek of nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten of dat deze kunnen worden voorkomen, beperkt of ongedaan kunnen worden gemaakt door maatregelen zoals hiervoor aangegeven. 15 NADER ONDERZOEK STEENUIL– DE OMLOOP RHOON LOCATIE SPORTPARK De soortenbeschermingsregimes In de paragrafen 11.2.2 t/m 11.2.4 Bal zijn de verschillende soortenbeschermingsregimes opgenomen: • § 11.2.2 Bal: omgevingsvergunning soorten Vogelrichtlijn • § 11.2.3 Bal: omgevingsvergunning soorten Habitatrichtlijn • § 11.2.4 Bal: omgevingsvergunning andere soorten Onder iedere paragraaf zijn de vergunning plichtige gevallen en de vergunningsvrije gevallen aangegeven. In de Omgevingswet wordt niet meer gesproken over verbodsbepalingen waarvoor een vergunning of vrijstelling kan worden verleend, maar over schadelijke handelingen die leiden tot een vergunning plichtig geval. De inhoud van de schadelijke handelingen komen overeen met de verbodsbepalingen van de soortenbeschermingsregimes uit de OW (zie tabel 1), aangezien deze rechtstreeks voortkomen uit de Europese Voge lrichtlijn en Habitatrichtlijn en internationale Verdragen en betreffen de volgende: Tabel 1 – Schadelijke handelingen in Ow.

De Omgevingswet onderscheidt drie verschillende beschermingsregimes, met elk hun eigen schadelijke handelingen. De eerste twee categorieën zijn gebaseerd op de door de Europese Unie opgestelde Schadelijke handelingen Vogelrichtlijn (art. 11.37 Bal): Schadelijke handelingen Habitatrichtlijn (art. 11.46 Bal): Schadelijke handelingen andere soorten (art. 11.54 Bal) Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen van van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in art. 1 Vrl Het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren Hrl bijlage IV, onder a, Bern bijlage II, Bonn bijlage I (ex. vogels art.

1 Vrl); Het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A Het opzettelijk vernielen of opzettelijk beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels, of het opzettelijk wegnemen van nesten van die vogels Het opzettelijk verstoren van dieren Het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren Het rapen en onder zich hebben van eieren van vogels Het in de natuur opzettelijk vernielen of rapen van eieren van dieren Het opzettelijk storen van vogels* Het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren Het opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van vaatplanten van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder B Het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b Hrl of bijlage I verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied 16 NADER ONDERZOEK STEENUIL– DE OMLOOP RHOON LOCATIE SPORTPARK Vogelrichtlijn (1979) en de Habitatrichtlijn (1992). Het 3e beschermingsregime, andere soorten, betreft soorten die niet op Europees niveau beschermd zijn, maar wel op landelijk niveau (nationaal beschermde soorten).

Daarnaast geldt dat voor alle soorten d e algemene zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat men bij werkzaamheden met mogelijk negatief effect op planten en dieren, maatregelen dient te nemen (binnen wat redelijkerwijs verwacht van men kan worden) om onnodige schade aan planten of dieren te voorkomen. Als door het tijdig nemen van (effectief bewezen) maatregelen een vaste rust - en verblijfplaats in stand blijft, en daardoor geen schadelijke handelingen uit de OW worden overtreden, is een vergunningsaanvraag niet noodzakelijk. Wel is het dan van belang om een en ander onderbouwd vast te leggen in een mitigatieplan / projectplan, voor het geval er een handhavingsverzoek of toezicht aan de orde is kan ondanks het nemen van maatregelen niet worden voorkomen dat schadelijke handelingen plaatsvinden, dan is een vergunningsaanvraag noodzakelijk. De steenuil wordt in de Omgevingswet beschermd onder het beschermingsregime van de Vogelrichtlijn als een soort met een vaste rust- en verblijfplaats. Het nest van de steenuil is jaarrond beschermd.

Voor soorten beschermd onder de Vogelrichtlijn (waartoe steenuil wordt gerekend) kan een vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: • In het belang van volksgezondheid of openbare veiligheid; • In het belang van veiligheid in het belang van veiligheid van luchtverkeer; • Ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; • Ter bescherming van flora en fauna; • Voor onderzoek of onderwijs, uitzetten of herinvoeren van soorten; • Selectief vangen, onder zich hebben of verstandig gebruik van vogels. 17 NADER ONDERZOEK STEENUIL– DE OMLOOP RHOON LOCATIE SPORTPARK Jaarrond beschermde nesten Alle van nature voorkomende vogelsoorten en hun bezette nestplaatsen in Nederland zijn beschermd. Daarnaast geldt voor nestplaatsen van diverse vogelsoorten , onderverdeeld in 5 categorieën, dat deze door de wetgever in provincie Overijssel jaarrond beschermd zijn (zie tabel 2). Categorie 1: Jaarrond gebruikte nesten. (Hoewel de steenuil in de Beleidsregels Natuur versie 2024 staat aangegeven als categorie 2, staat in de toelichting op de beleidsregels de soort aangegeven als categorie 1. Vanwege de toelichting in de beleidsregels is categorie 1 aangehouden.) Categorie 2. Zeer plaats trouwe koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden of afhankelijk van bebouwing of biotoop Categorie 3.

Zeer plaats trouwe broedvogel die ieder jaar terugkeert naar specifiek nest of afhankelijk is van bebouwing Categorie 4. Vogels die jaarlijks terugkeert naar specifiek nest en die niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen. Categorie 5. Nesten van vogels die over voldoende flexibiliteit beschikken om zich elders te vestigen. Echter, dusdanig kwetsbaar dat aangetoond moet worden dat er voldoende alternatieve leefomgeving in de omgeving aanwezig is om zich te kunnen vestigen. Tabel 2 – Jaarrond beschermde nesten Overijssel Nederlandse naam Bescherming Nederlandse naam Bescherming Nederlandse naam Bescherming Steenuil Categorie 1 Blauwe reiger Categorie 5 Kleine bonte specht Categorie 5 Gierzwaluw Categorie 2 Boerenzwaluw Categorie 5 Kleine vliegenvanger Categorie 5 Huismus Categorie 2 Bonte vliegenvanger Categorie 5 Koolmees Categorie 5 Roek Categorie 2 Boomklever Categorie 5 Kortsnavelboomkruiper Categorie 5 Grote gele kwikstaart Categorie 3 Boomkruiper Categorie 5 Oeverzwaluw Categorie 5 Kerkuil Categorie 3 Bosuil Categorie 5 Pimpelmees Categorie 5 Oehoe Categorie 3 Brilduiker Categorie 5 Raaf Categorie 5 Ooievaar Categorie 3 Draaihals Categorie 5 Ruigpootuil Categorie 5 Slechtvalk Categorie 3 Eidereend Categorie 5 Spreeuw Categorie 5 Boomvalk Categorie 4 Ekster Categorie 5 Tapuit Categorie 5 Buizerd Categorie 4 Gekraagde roodstaart Categorie 5 Torenvalk Categorie 5

Havik Categorie 4 Glanskop Categorie 5 Zeearend Categorie 5 Ransuil Categorie 4 Grauwe vliegenvanger Categorie 5 Zwarte kraai Categorie 5 Sperwer Categorie 4 Groene specht Categorie 5 Zwarte mees Categorie 5 Wespendief Categorie 4 Grote bonte specht Categorie 5 Zwarte roodstaart Categorie 5 Zwarte wouw Categorie 4 Huiszwaluw Categorie 5 Zwarte specht Categorie 5 IJsvogel Categorie 5 18 NADER ONDERZOEK STEENUIL– DE OMLOOP RHOON LOCATIE SPORTPARK Inventarisatieprotocol NGB steenuil

19 NADER ONDERZOEK STEENUIL– DE OMLOOP RHOON LOCATIE SPORTPARK Specifieke zorgplicht en toetsing Specifieke zorgplicht Specifieke zorgplicht flora en fauna In het Bal is een specifieke zorgplicht opgenomen voor onder meer alle ‘flora- en fauna-activiteiten’ die, zoals hiervoor aangegeven, vrijwel alle ruimtelijke activiteiten betreft (art. 11.27 Bal). 8 Deze specifieke zorgplicht komt in de plaats van de algemene zorgplicht die in de Omgevingswet staat (zie hiervoor).9 Iedereen die een flora - en fauna-activiteit uitvoert, moet nadelige gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken (art. 11.27, 1e lid Bal). In het tweede lid staat de nadere uitwerking van de specifieke zorgplicht. In het tweede lid onder a is er met betrekking tot de reikwijdte van de zorgplicht voor flora- en fauna-activiteiten aangegeven dat deze plicht in ieder geval inhoudt dat moet worden nagegaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid van een aantal type soorten die kwetsbaar of bedreigd zijn.

Deze soorten betreffen in Nederland van nature voorkomende: • Vogelrichtlijn-soorten zoals genoemd in bijlage I Vrl en niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4, 2e lid Vrl; • Habitatrichtlijn-soorten als opgenomen in bijlage II, IV en V Hrl; • nationaal beschermde soorten (bijlage IX Bal); dieren of planten die staan opgenomen op de Rode Lijsten; • voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats. Als deze aanwijzingen er zijn, moet worden vastgesteld of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten. Zijn nadelige gevolgen niet uit te sluiten, dan wordt gevraagd om na te gaan welke nadelige gevolgen kunnen optreden en passende preventieve maatregelen te nemen, de activiteit te staken, of, als dat niet kan , passende herstelmaatregelen te nemen. Verder wordt er ook gevraagd om tijdens en na het verrichten van de activiteit na te gaan of de getroffen passende preventieve maatregelen de beoogde effecten hebben. De zorgplicht geldt altijd voor alle in het wild levende soorten, ongeacht een eventueel van toepassing zijnde vrijstelling, gedragscode of vergunning.

De zorgplicht voor soorten is bovendien niet beperkt tot de dieren en planten zelf, maar ook tot de directe leefomgeving van de soorten. Dat betreft voor dieren de foerageergebieden, rust en vaste verblijfplaatsen en plaatsen voor het grootbrengen van de jongen. Mochten de zorgplichtbepalingen niet helder genoeg zijn, dan staat het bevoegd gezag vrij om middels maatwerkregels (artikel 11.29 Bal) of maatwer kvoorschriften (artikel 11.31 Bal) deze te verduidelijken. Bijvoorbeeld door het opnemen van regels in een provinciale Omgevingsverordening of het stellen van een maatwerkvoorschrift of vergunningsvoorschrift. Zoals ook aangegeven hiervoor met betrekking t ot de specifieke zorgplicht voor Natura 2000 -gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden, is de kern van de zorgplichtbepaling voor flora- en fauna-activiteiten dat als er sprake is van nadelige gevolgen op in het wild voorkomende soorten, deze, indien redelijkerwijs kan worden gevergd, moeten worden voorkomen, beperkt of ongedaan worden gemaakt. Ook in art. 11.27, tweede lid wordt verwezen naar passende preventieve maatregelen of passende herstelmaatregelen. In art. 11.27, tweede lid onder b Bal wordt aangegeven dat er moet worden ‘vastgesteld’ of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten.

Daarnaast zijn de overige voorwaarden in het tweede lid onder c t/m f zodanig concreet 20 NADER ONDERZOEK STEENUIL– DE OMLOOP RHOON LOCATIE SPORTPARK dat in deze bewoording kan worden gelezen dat er aantoonbaar aan deze voorwaarden moet worden voldaan, zeker ook met in het achterhoofd dat de specifieke zorgplichten in de Omgevingswet zowel bestuurlijk als strafrechtelijk kunnen worden gehandhaafd. Om aantoonbaar aan de voorwaarden van de specifieke zorgplicht te kunnen voldoen, is het noodzakelijk dat de toetsing aan de zorgplichtbepalingen in een Natuurwaardenonderzoek of nader onderzoek wordt vastgelegd. Hiertoe kan door ecologische adviesbureaus – naast een bureaustudie door raadpleging van verspreidingsgegevens in tools zoals de NDFF – een ‘Habitatcheck’ worden uitgevoerd naar het voorkomen van de genoemde soorten, op basis van de geschiktheid van het aanwezige habitat als leefgebied van deze soorten. Afhankelijk van het aan te treffen habitat, kan daardoor goed inzicht worden verkregen in het mogelijk voorkomen van soorten of soortgroepen. Of een nader onderzoek ook naar redelijkheid kan worden gevergd om de aanwezigheid te kunnen uitsluiten, zal afhangen van de opdrachtgever.

Vervolgens moet worden beschreven in de Natuurwaardenonderzoek of nader onderzoek of nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten of dat deze kunnen worden voorkomen, beperkt of ongedaan kunnen worden gemaakt door maatregelen zoals hiervoor aangegeven. Ten alle tijden geldt bij het uitvoeren van flora - en fauna-activiteiten dient de initiatiefnemer / uitvoerder van de activiteit te kunnen aantonen hoe tegemoetgekomen wordt aan de specifieke zorgplicht (art. 11.27, Bal). Toetsing algemene en specifieke zorgplichtbepalingen Het benoemen hoe aan de zorgplichtbepalingen in de Omgevingswet getoetst is in een rapportage, is voldoende om aan de algemene en specifieke zorgplichtbepalingen te voldoen. De zorgplichten zijn niet vergunning plichtig, dus het is niet noodzakelijk om het voor te leggen aan bevoegd gezag. De zorgplichten kunnen elkaar aanvullen en versterken, omdat zij toezien op bepaald onderdelen van de natuur in de fysieke leefomgeving die soms kunnen samenvallen. Zo kan een habitat van een bedreigde soort bijvoorbeeld in een boom bevinden, waarmee zowel in het kader van de specifieke zorgplicht voor een flora - en fauna-activiteit als de specifieke zorgplicht voor het vellen van een houtopstand gevraagd kan worden om de boom en het habitat intact te laten.

Om deze reden kan de toets aan de zorgplichtbepalingen het beste in één paragraaf worden behandeld, na de toets aan de verschillende beschermingsregimes voor gebieden, soorten en houtopstanden. Een belangrijke noot is dat in de zorgplichten staat aangegeven dat de gevra agde zorg naar redelijkheid moet kunnen worden gevergd. Een initiatiefnemer moet er redelijkerwijs alles aan doen om overtreding van de zorgplichtbepalingen te voorkomen. Er worden volgens de toelichting op het Aanvullingsbesluit Natuur ‘geen extreme eisen gesteld. Wel wordt vereist dat de zorgvuldigheid aan de dag wordt gelegd die in redelijkheid vanuit een oogpunt van natuurbescherming mag worden geëist. Onder «zoveel mogelijk» […] moet niet alleen worden verstaan hetgeen fysisch, qua resultaat mogelijk i s, maar ook hetgeen redelijkerwijs van degene die de schade veroorzaakt kan worden gevergd.’ Bij de toetsing van de redelijkheid kan bijvoorbeeld gedacht worden aan financiële aspecten, ruimtelijke aspecten en/of planning technische aspecten. Afhankelijk van de situatie zal deze beoordeling volgens het Aanvullingsbesluit Natuur worden gemaakt door de initiatiefnemer (en/of diens adviseur). Wat redelijkerwijs gevergd kan worden, verschilt per initiatiefnemer. Er kan minder worden verwacht van een particulier dan van een ondernemer of bedrijf.

Wat in ieder geval mag worden gevraagd is het in beeld brengen van de gebieden en soorten die worden genoemd en het voorkomen van effecten door bijv. kwetsbare perioden te ontzien. In hoeverre nader onderzoek naar het vo orkomen van de genoemde soorten en het treffen van passende preventieve of 21 NADER ONDERZOEK STEENUIL– DE OMLOOP RHOON LOCATIE SPORTPARK passende herstelmaatregelen kunnen worden gevergd, zal in de praktijk afhangen van de ruimte en het vermogen van een initiatiefnemer. Welke maatregelen nodig zijn om nadelige gevolgen te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken, hangt van de definitie v an een ‘nadelig gevolg’. De regels in de Wnb zijn in principe beleidsneutraal opgenomen in de Ow (volgens de toelichting op het Aanvullingsbesluit Natuur). Zoals ook toegelicht in het Aanvullingsbesluit Natuur, geldt dat, waar sprake is van een beleid neut rale omzetting, op de parlementaire geschiedenis van de Wnb kan worden teruggevallen voor de uitleg van bepalingen. Afgezien van de concretere uitwerking van de specifieke zorgplichten in lid 2 van de betreffende artikelen, is de belangrijkste vraag wat pr ecies wordt bedoeld met een nadelig gevolg. Pas als deze (dreigen) zich voordoen met betrekking tot de genoemde gebieden of soorten, zijn er namelijk maatregelen vereist (passende preventieve maatregelen of passende herstelmaatregelen).

Daarnaast is de def initie relevant met betrekking tot soorten die in beeld moeten worden gebracht waar de activiteit een nadelig gevolg op kan hebben, gezien de verwijzing naar verschillende uitgebreide lijsten met kwetsbare tot bedreigde soorten en de hiermee gepaard gaande potentieel intensieve onderzoeksinspanning. In de parlementaire geschiedenis van de Wnb wordt aangegeven dat de zorgplicht met name bedoeld is als instrument om de in het wild levende planten en dieren (en overigens ook habitats) in een gunstige staat van instandhouding te houden. Dit vergt vooral een focus op mogelijke nadelige gevolgen op de staat van instandhouding en niet zozeer op nadelige gevolgen voor ieder exemplaar afzonderlijk (of ieder oppervlak van een habitattype). 22 NADER ONDERZOEK STEENUIL– DE OMLOOP RHOON LOCATIE SPORTPARK Vrijblijvend advies Op basis van de conclusies doen wij de volgende aanbevelingen ten gunste van de steenuil /kerkuil (niet verplicht binnen Omgevingswet): • Plant bomen aan in en rondom het plangebied. Dit verhoogt de natuurkwaliteit binnen het plangebied. Ze kunnen als corridor dienen voor vogels, vleermuizen en grondgebonden zoogdieren. Ecologisch waardevolle bomen kunnen door de deskundig ecoloog worden aangewezen. • Maak gebruik van inheems gebiedseigen plantmateriaal. • Creëer verblijfplaatsen voor steenuilen/kerkuilen in uilenkasten.

Streef naar inpassing van planten en dieren die in en rond het plangebied hun habitat (kunnen) vinden. In de omgeving dient ook voldoende dekkingsmogelijkheden aanwezig te zijn door bijvoorbeeld: • Aanplant van doornige struiken als vuurdoorn en meidoorn, groenblijvende heesters, klimplanten als klimop of wingerd, robuuste beukenhagen, en dergelijke. Bladverliezende soorten zijn in de winterperiode minder effectief. • Aanplant van inheemse soorten bomen en ander opgaand groen Voor al deze maatregelen geldt dat ze een hoogte van minimaal 3 meter moeten hebben willen ze effectief zijn en zo mogelijk binnen 100 meter van de (te realiseren) nestplaats aanwezig moeten zijn. Behoud of ontwikkeling van voldoende plekken waar gefoerageerd kan worden, door bijvoorbeeld: • In stand houden of ontwikkelen van hoekjes of stroken ruigte met onkruiden als bron voor zaden en kleine zachte insecten. Straatgras, herderstasje en weegbree zijn favoriete onkruiden; • Extensief beheer van gazons (maaifrequentie 1 maal per jaar). Het maaien vindt niet in het najaar plaats. Voor al deze maatregelen geldt dat voedsel jaarrond beschikbaar moet zijn en zo mogelijk binnen 100 meter van de nestplaats beschikbaar zijn en dat er binnen 5 à 10 meter (bij voorkeur binnen 2,5 meter) dekking moet zijn. Behoud van voldoende drinkwater door bijvoorbeeld aanleg van (open) water.

23 NADER ONDERZOEK STEENUIL– DE OMLOOP RHOON LOCATIE SPORTPARK Disclaimer Deze rapportage is vervaardigd op verzoek van de opdrachtgever zoals hierboven aangegeven. Niets uit deze rapportage mag, met uitzondering van de opdrachtgever, worden vermenigvuldigd of openbaar gemaakt worden door middel van scanning, druk, internet, kopie of andere wijze zonder schriftelijke toestemming van Ecofect B.V., noch mag het zonder deze toestemming voor een ander doel gebruikt worden dan waarvoor het vervaardigd is. Ecofect B.V. is niet aansprakelijk voor vervolgschade, alsmede schade die voortv loeit uit toepassingen van de resultaten van de werkzaamheden of andere gegevens verkregen. De opdrachtgever vrijwaart Ecofect B.V. voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Omdat ecologisch onderzoek een momentopname is, kan de aanwezighe id van beschermde soorten soms niet worden uitgesloten of bevestigd. Daarnaast is de natuurwetgeving aan verandering en jurisprudentie onderhevig. Wij zijn echter niet aansprakelijk voor de gevolgen van onverwacht verschijnende of verdwijnende flora of fau na, noch voor de gevolgen van veranderende wetgeving of jurisprudentie.

© 2025 Ecofect B.V.; Nunspeet Nader onderzoek soorten NADER ONDERZOEK HUISMUS Conform het kennisdocument huismus Locatie onderzoek : De Omloop Sportlocatie Rhoon Datum: 9 mei 2025; Update 11 november 2025 Project: NOHM 53224.1 NADER ONDERZOEK SOORTEN – DE OMLOOP SPORTLOCATIE RHOON Colofon Onderzoek | Nader onderzoek huismus Document | NOH53224.1 Datum | 7 mei 2025; Update 10 november 2025 Locatie | De Omloop Sportlocatie, Rhoon Opdrachtgever | BJZ.nu B.V. Opdrachtnemer | Ecofect B.V. Ecoloog | Mw. A. van der Voort Adres | Laan 21, 8071 JG Nunspeet Telefoon | 06-41737676 Email | info@ecofect.nl Internet | www.ecofect.nl KvK-nummer | 87036487 Btw-identificatienr. | NL864184311B01 Rekeningnummer | NL39 RABO 0198 8908 69 2 3 NADER ONDERZOEK SOORTEN – DE OMLOOP SPORTLOCATIE RHOON INHOUD Samenvatting 4 1. Inleiding 5 2. Wettelijk kader 7 3. De huismus 10 4. Werkwijze 14 5. Resultaten 17 6. Te nemen maatregelen 19 7. Conclusie 21 Verantwoording 22 Bijlagen 23 Disclaimer 26 4 NADER ONDERZOEK SOORTEN – DE OMLOOP SPORTLOCATIE RHOON Samenvatting Uit het nader onderzoek huismus is gebleken dat bij het uitvoeren van de geplande werkzaamheden er geen schadelijke handelingen flora en fauna activiteit Omgevingswet zijn. Bij het uitvoeren van de veldbezoeken is vastgesteld dat er geen nestindicatief is vastgesteld. Er zijn geen waarnemingen gedaan van nest - en verblijfplaatsen.

Samenvatting: • Huismus is niet aanwezig • Plangebied is functioneel niet in gebruik als foerageergebied • Geen schadelijke effecten functionaliteit leefgebied • Geen effect gunstige staat van instandhouding • Maatregelen niet noodzakelijk Conclusie Gelet op de uitkomsten van het nader onderzoek huismus is geen vergunning schadelijke handelingen flora en fauna activiteit Omgevingswet noodzakelijk. Er is geen sprake van schadelijke handelingen flora en fauna activiteit Omgevingswet. 5 NADER ONDERZOEK SOORTEN – DE OMLOOP SPORTLOCATIE RHOON 1. Inleiding 1.1 Aanleiding Met de voorgenomen ontwikkelingen betreffende het plangebied gelegen aan de Omloop Sportlocatie te Rhoon heeft BJZ.nu B.V. aan Ecofect B.V. opdracht gegeven een huismusonderzoek Omgevingswet uit te voeren t.b.v. het vergunning traject en inzicht te verschaffen of de geplande uit te voeren werkzaamheden conflicteren met de Omgevingswet. Het natuurwaardenonderzoek ‘53053. NWO De Omloop Sportlocatie Rhoon’ ligt ten grondslag. Voorliggend rapport geeft inzicht in het wettelijk kader, de gebruikte methodiek en de resultaten van het uitgevoerde onderzoek. 1.2 Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Omloopseweg/ Essendijk te Rhoon. Het betref fen meerdere agrarische percelen die functioneren als gras- en akkerbou wland. De percelen zijn omringd door intensief beheerde sloten met enkele rietkragen aan de zuidzijde .

Aan de noordwestzijde van de planlocatie is een verouderde kas aanwezig. De verouderde kas bestaat uit glazen wanden met betonnen afwerking en een zadeldak. Aan de zuid zijde van de planlocatie grenst een verhard erf met een paardenstal, paardenbak, en enkele weides. Gezien de mogelijke verstoring die de voorgenomen ontwikkeling op kan leveren, is de paar denstal ook betrokken in het onderzoek. De stal heeft stenen muren, houten (kierende) gevelbekleding en is voorzien van een dak bedekt met golfplaten en dakbeschot. Deze opstal bevat eveneens een uilenkast. De sloot nabij het erf betreft een extensief beheerde sloot met begroeide oevers. De omgeving heeft een landelijk karakter. Rhoon is een dorp in de gemeente Albrandswaard, in de provincie Zuid-Holland. Figuur 1 - Onderzoeks- en planlocatie

6 NADER ONDERZOEK SOORTEN – DE OMLOOP SPORTLOCATIE RHOON 1.3 Ontwikkelingen en effecten Initiatiefnemer is voornemens om het plangebied (gele kader) te herontwikkelen. De opstal (kas) zal gesloopt worden, om vervolgens diverse sportvelden, een opstal, en bijbehorende infrastructuur aan te leggen. De watergangen blijven deels behouden, en word en deels aangepast/verbreed. De functie van de planlocatie zal veranderen naar recreatie (figuur 2). Voor inhoudelijke vragen over het ontwerp of de inrichting wordt verwezen naar de opdrachtgever. Figuur 2 – Inrichting planlocatie. Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn blijvend van karakter. De functie en ecologie van het plangebied zal veranderen. De mogelijk negatieve effecten van de ingreep in relatie tot beschermde natuurwaarden zijn: • Sloop- en Bouwwerkzaamheden • Afvoer sloopmateriaal en verwijderen van vegetatie, verleggen/verbreden watergangen • Grondwerkzaamheden • Aanleg infrastructuur • Herinrichting perceel bij hetwelk functie recreatie verwacht kan worden

7 NADER ONDERZOEK SOORTEN – DE OMLOOP SPORTLOCATIE RHOON 2. Wettelijk kader In dit hoofdstuk is het wettelijk kader beschreven met betrekking tot de huismus. 2.1 Kader en methode Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet van kracht. Deze wetgeving vervangt o.a. de Wet natuurbescherming. In deze wet is o.a. de bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden geregeld. Dit onderzoek beperkt zich tot soortbescherming huismus. 2.2 Soortbescherming Een ‘flora- en fauna-activiteit’ is volgens de definitie van het begrip zoals uitgewerkt in de bijlage bij art. 1.1 Omgevingswet een: ‘activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten’ Anders dan bij een ‘Natura 2000 -activiteit’, waarvan pas sprake is als een activiteit leidt tot een kans op significante gevolgen op beschermde Natura 2000-gebieden, is er al sprake van een ‘flora- en fauna-activiteit’ als het een mogelijk gevolg heeft voor één van nature in het wild levend dier of plant, ongeacht of deze soort beschermd is volgens de Omgevingswet. Doordat in de definitie wordt verwezen naar ‘van nature’ in het wild levende soorten, gaat de definitie niet op voor niet-van nature voorkomende soorten. Met andere woorden, de regels voor flora - en fauna-activiteiten gelden niet voor soorten die buiten he t natuurlijk verspreidingsgebied voorkomen of exoten, tenzij specifiek vermeld.

Als er sprake is van een flora - en fauna-activiteit, dient er rekening te worden gehouden met de regels in art. 11.27 Bal (specifieke zorgplicht), art. 11.28 Bal (voorkomen onnodig lijden dieren) en de paragrafen 11.2.2 t/m 11.2.5 Bal (vergunningplicht bij schadelijke handelingen, regels vergunningsvrije gevallen). Hoewel de paragrafen 11.2.2 t/m 11.2.5 Bal alleen betrekking hebben op de bij wet beschermde soorten, gelden de artikelen 11.27 en 11.28 ook met betrekking tot de niet-beschermde soorten. Voor nadere informatie en invulling van de specifieke zorgplicht wordt verwezen naar de bijlage. Om aantoonbaar aan de voorwaarden van de specifieke zorgplicht te kunnen voldoen, is het noodzakelijk dat de toetsing aan de zorgplichtbepalingen in een Natuurwaardenonderzoek of nader onderzoek wordt vastgelegd. Hiertoe kan door ecologische adviesbureaus – naast een bureaustudie door raadpleging van verspreidingsgegevens in tools zoals de NDFF – een ‘Habitatcheck’ worden uitgevoerd naar het voorkomen van de genoemde soorten, o p basis van de geschiktheid van het aanwezige habitat als leefgebied van deze soorten. Afhankelijk van het aan te treffen habitat, kan daardoor goed inzicht worden verkregen in het mogelijk voorkomen van soorten of soortgroepen.

Of een nader onderzoek ook naar redelijkheid kan worden gevergd om de aanwezigheid te kunnen uitsluiten, zal afhangen van de opdrachtgever. Vervolgens moet worden beschreven in de Natuurwaardenonderzoek of nader onderzoek of nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten of dat deze kunnen worden voorkomen, beperkt of ongedaan kunnen worden gemaakt door maatregelen zoals hiervoor aangegeven. De soortenbeschermingsregimes In de paragrafen 11.2.2 t/m 11.2.4 Bal zijn de verschillende soortenbeschermingsregimes opgenomen: • § 11.2.2 Bal: omgevingsvergunning soorten Vogelrichtlijn • § 11.2.3 Bal: omgevingsvergunning soorten Habitatrichtlijn 8 NADER ONDERZOEK SOORTEN – DE OMLOOP SPORTLOCATIE RHOON • § 11.2.4 Bal: omgevingsvergunning andere soorten Onder iedere paragraaf zijn de vergunning plichtige gevallen en de vergunningsvrije gevallen aangegeven. In de Omgevingswet wordt niet meer gesproken over verbodsbepalingen waarvoor een ontheffing of vrijstelling kan worden verleend, maar over schadelijke handelingen die leiden tot een vergunning plichtig geval.

De inhoud van de schadelijke handelingen komen overeen met de verbodsbepalingen van de soortenbeschermingsregimes uit de Wnb, aangezien deze rechtstreeks voortkomen uit de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn en internationale Verdragen en betreffen de volgende schadelijke gevallen: Tabel 1- Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn Schadelijke handelingen Vogelrichtlijn (art. 11.37 Bal): Schadelijke handelingen Habitatrichtlijn (art. 11.46 Bal): Schadelijke handelingen andere soorten (art. 11.54 Bal) Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in art. 1 Vrl Het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren Hrl bijlage IV, onder a, Bern bijlage II, Bonn bijlage I (ex. vogels art.

1 Vrl); Het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A Het opzettelijk vernielen of opzettelijk beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels, of het opzettelijk wegnemen van nesten van die vogels Het opzettelijk verstoren van dieren Het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren Het rapen en onder zich hebben van eieren van vogels Het in de natuur opzettelijk vernielen of rapen van eieren van dieren Het opzettelijk storen van vogels* Het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren Het opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van vaatplanten van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder B 9 NADER ONDERZOEK SOORTEN – DE OMLOOP SPORTLOCATIE RHOON Het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b Hrl of bijlage I verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied Vrijstelling schadelijke handelingen vogelrichtlijn Het verbod op het opzettelijk storen van vogels, geldt niet, • Als het storen niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de vogelsoort: • Het verbod

geldt niet als de activiteit uitvoering geeft aan een instandhoudingsmaatregel of passende maatregel Het verbod geldt niet als de activiteit uitvoering geeft aan een instandhoudingsmaatregel of passende maatregel. De huismus wordt in de Omgevingswet beschermd onder het beschermingsregime van de Vogelrichtlijn als een soort met een vaste rust - en verblijfplaats. Vaste rust- en verblijfplaatsen en voortplantingsplaatsen van de huismus zijn jaarrond beschermd. evenals het functioneel leefgebied dat essentieel is voor het functioneren van de nestlocaties. NADER ONDERZOEK SOORTEN – DE OMLOOP SPORTLOCATIE RHOON 3. De huismus In dit hoofdstuk zijn de kenmerken, levenswijze, leefomgeving, verspreiding, en aantallen van de huismus beschreven. Voor meer informatie m.b.t. de huismus wordt verwezen naar het kennisdocument huismus (v 2.1. 2023). 3.1 Kenmerken De huismus is 14 tot 16 centimeter lang en weegt gemiddeld 30,2 gram: man 24 | – 37 gram, vrouw 25 – 35 gram). Het mannetje en vrouwtje verschillen van uiterlijk. Het mannetje heeft een grijze kruin, een zwarte oogstreep, een witte stip achter het oog, een zwarte bef tot op de bovenborst, roodbruine, zwart gestreepte bovendelen en vleugels en een opvallende witte vleugelstreep.

Het vrouwtje heeft licht bruine bovendelen met een | grijs waas en donkerbruine strepen, een effen lichte borst en eenkleurig grijze on | derdelen met een beige teint. Meer dan de helft van de juveniele huismussen overleeft het eerste halfjaar niet. Huismussen worden meestal 3 à 4 jaar oud; vogels van 5 of 6 jaar oud zijn een uitzondering. Er zijn enkele exemplaren tot 10 jaar oud bekend. 3.2 Leefwijze Huismussen zijn sterk geassocieerd met mensen. De nestplaats is in de regel gebonden aan bebouwing. Voor zijn voedsel is de huismus sterk afhankelijk van wat de mens hem al dan niet bewust biedt. Deze voedselbron moet continu aanwezig zijn. Huismussen zijn | uitgesproken standvogels. Dit betekent dat ze zich | - het hele jaar door - niet meer dan enkele honderden meters van de broedplaats verwijderen. In het broedseizoen blijven ze dichter bij de broedplaats. Huismussen zijn sociale dieren: broeden, foerageren, baltsen, stofbaden nemen, slapen en uitzwermen na de broedperiode zijn allemaal activiteiten die in groepsverband plaatsvinden. Huismussen zijn in tegenstelling tot veel andere vogels ’s ochtends rond zonsopkomst nog niet erg actief met zingen. De activiteit neemt toe, één tot twee uur na zonsopkomst. Aan het eind van de ochtend neemt de zangactiviteit weer af.

Op de gezamenlijke slaapplaatsen, schuilplaatsen en foerageerplaatsen wordt gedurende de dag va | ak volop gekwetterd en getjilpt. De broedtijd is meestal van begin april tot en met augustus, maar in maart kan er ook al gebroed worden (afhankelijk van het weer). Meestal worden per paar per jaar twee tot drie legsels grootgebracht. De nestbouw begint al in maart. Ook buiten de broedper | iode wordt aan het nest gebouwd en wordt het nest gebruikt als slaapplaats. Eén succesvol broedsel per seizoen is niet voldoende om de populatie voldoende in stand te houden, daarvoor zijn jaarlijks ook succesvolle vervolglegsels noodzakelijk. De broedduur | bedraagt 12 tot 14 dagen en vervolgens vliegen de jongen na 14 | tot 16 dagen uit en worden daarna nog 10 tot 14 dagen door hun ouders gevoed. 3.3 Voedsel Het voedsel van volwassen huismussen bestaat voornamelijk uit zaden van grassen en onkruiden en wordt aangevuld met insecten en hun larven, bessen en bloemknoppen. In stedelijke omgeving zijn naast het voedselaanbod uit voerdersilo’s, broodkruimels en andere voedselresten van mensen en hun huisdieren de belangrijkste voedselbron. Ook wordt er wel grit (kalk) en kleine hoeveelheden kleine steentjes (deze bevorderen vertering harde granen) gegeten. In het broedseizoen hebben vrouwtjes voldoende eiwitrijk voedsel nodig om eieren te kunnen leggen.

Jonge huismussen eten in de eerste twee weken van hun leven voornamelijk | zacht | eiwitrijk | voedsel | bestaande | uit | insecten | zoals | bladluizen, | (dans)muggen, | vliegen, 10 11 NADER ONDERZOEK SOORTEN – DE OMLOOP SPORTLOCATIE RHOON vliegmieren, gaasvliegen, rupsen en spinnen. Naarmate de jongen in die periode groeien, wordt dit dieet geleidelijk aangevuld met plantaardig voedsel. De jongen worden gevoerd tot een week of twee na het uitvliegen en dan is het voedsel hetzelfde als die van een volwassen huismus. Het voedsel wordt gezocht op plaatsen zonder of met korte vegetatie, zoals wegbermen, erven en tuinen. Essentieel is dat er continu betrouwbare, voedselbronnen beschikbaar zijn en dat bij die voedselbronnen voldoende dekking is in de vorm van struwelen en hagen. In het stedelijk gebied is dit vaak in de omgeving van kinderboerderijen en terrasjes. In het landelijk gebied is dit vaak bij boerderijen en graan verwerkende bedrijven. Ook in bomen, zoals wilg, eik en berk, kunnen huismussen insecten vinden. 3.4 Nesten, rustplaatsen en functionele leefomgeving In onderstaande tekst worden de vereisten van de habitat van de huismus uiteengezet. Habitat De huismus heeft een sterke binding met mensen en komt tot broeden in of tegen gebouwen in dorpen en steden, in en bij boerderijen, maneges, kinderboerderijen en andere vormen van bebouwing in het landelijk gebied.

Op plekken waar menselijke bebouwing word t afgewisseld met groenvoorzieningen zijn meer huismussen dan op plekken waar geen groen aanwezig is. Hierbij valt te denken aan ruim opgezette wijken met parkjes en tuinen en in dorpen met veel groen en met landbouwgronden in de nabijheid. Ongeveer 70% van de huismussen broedt in stedelijk gebied en de overige 30% in agrarisch gebied. De habitat van de huismus moet voldoen aan een combinatie van een aantal belangrijke elementen, die ook nog eens binnen een straal van enkele meters (dekking bij voedselbronn en) tot enkele honderden meters (nestplek en voedselbronnen) van elkaar moeten liggen. De habitat moet bestaan uit een combinatie van plekken voor nestgelegenheid, voedsel (voor volwassen en juveniele huismussen), dekking (stekelige struiken, groenblijvend e struiken en klimplanten, coniferen, klimop), plekken voor stofbaden en drinkwater. Ontbreekt één van de onderdelen of liggen ze te ver van elkaar verwijderd, dan is de habitat niet meer geschikt. Verblijfsplaatsen Nesten van huismussen zijn veelal te vinden in of tegen menselijke bebouwing. Over het algemeen geven ze de voorkeur aan holtes, kieren en gaten. Enkele voorbeelden van potentieel geschikte verblijfsplaatsen zijn: - Onder dakpannen - Nestkasten/stenen - Op of tussen balkenconstructies Huismussen zijn zeer honkvast, en verblijven doorgaans jaarrond bij het nest.

In de periode maart/begin april tot en met augustus worden er twee à drie legsels per seizoen gelegd in het nest . Zo dient het nest als broeiplaats, maar ook als rust-/schuilplaats. Winterverblijfplaatsen De huismus gebruikt ’s winters vooral groenblijvende struiken, dichte begroeiing zoals meidoornhagen, ligusterhagen en haagbeukhagen met een hoogte van doorgaans 2 á 3 meter of gevelbegroeiing als plekken om (gezamenlijk) de nacht door te brengen. Soms zijn ze ook onder dakpannen of in gebouwen te vinden. Functionele-leefomgeving De functionele leefomgeving van een nest en rustplaats is de omgeving van die plaatsen die nodig is om ze als zodanig te laten functioneren. Een nest kan alleen succesvol functioneren als er voldoende habitat van 12 NADER ONDERZOEK SOORTEN – DE OMLOOP SPORTLOCATIE RHOON voldoende kwaliteit aanwezig is om te kunnen voortplanten. Het hele proces van eieren leggen tot en met het opgroeien van de jongen, schuilen en slapen moet er plaats kunnen vinden. De functionele leefomgeving van een nest en een rustplaats moet idealiter het volgende leveren: - Er moet continu voedsel te vinden zijn. Bij de plekken waar voedsel gezocht wordt moet in de directe omgeving (binnen 5 à 10 meter) dekking aanwezig zijn. - voldoende inheems groen en enkele grote bomen als leverancier van eiwitrijk voedsel (kleine zachte insecten, larven, rupsen) voor de jongen.

Deze elementen liggen circa binnen 50 meter van de nestplaats - altijd groenblijvende planten in hagen, gevelbegroeiing of plekken onder daken te gebruiken als collectieve slaapplek (en tevens voor dekking) voor mannetjes, ongepaarde vrouwtjes en juvenielen - droge, zandige plekken voor het nemen van een zandbad; • water om te drinken en water om in te baden. Er moet binnen 1 à 2 meter dekking aanwezig zijn om op te drogen - plekken waar kleine steentjes of grit gevonden kan worden. Dit alles moet bij voorkeur zo dicht mogelijk bij elkaar liggen, maar altijd binnen een straal van 100 à 200 meter rond de plek waar gebroed wordt (figuur 1). Alle voor de huismus belangrijke elementen moeten op meerdere plekken aanwezig zijn binnen deze range. 3.5 Verspreiding en populatie Huismussen zijn vrijwel in heel Nederland te vinden (Figuur 2), maar ontbreekt in gebieden waar weinig tot geen bebouwing aanwezig is. De hoogste dichtheden komen voor in min of meer kleinschalig cultuurlandschap met verspreide bebouwing, vooral op de hoge zandgronden. Er is daarbij een duidelijke relatie tussen bewoning van mensen, het aanwezige voedselaanbod (vaak door het houden van ki ppen en ander vee), voldoende schuilmogelijkheden en het voorkomen van de huismus. Figuur 2 - Verspreidingsgegevens Huismus in Nederland @NDFF 2023

13 NADER ONDERZOEK SOORTEN – DE OMLOOP SPORTLOCATIE RHOON Aantalsontwikkeling Ooit was de huismus de meest algemene broedvogel van Nederland. De soort is de laatste decennia om onbekende redenen in aantal vrij hard achteruitgegaan. Begin jaren tachtig van de twintigste eeuw begon de afname, die in de begin jaren negentig versnelde. Dit heeft geresulteerd in een landelijke afname van meer dan 50% van het aantal broedparen. Vermoedelijk is één van de oorzaken de afname van broedgelegenheid, onder andere door renovatie en isolatie van oude woningen. Dit in combinatie met een afname in voedselaanbod, dekkingsmogelijkheden en andere functionele eisen van de leefomgeving van de huismus. Er is bijvoorbeeld sprake van een afname van groen in tuinen en de inrichting van zowel de openbare als privéruimten is veranderd. Ook is tegenwoordig bij gangbare daken de ruimte bij de onderste rij dakpannen ontoegankelijk gemaakt voor huismussen door vogelschroot. Hierdoor hebben huismussen minder mogelijkheden om onder daken tot broeden te komen. De aanwezigheid van vogelschroot kan daarmee een bijdrage leveren aan de achteruitgang van de huismus. Sinds de eeuwwisseling lijkt de Nederlandse broedpopulatie zich te herstellen. Het is nog onduidelijk of dit een structureel herstel is of dat het een tijdelijke opleving betreft.

De laatste 12 jaar is er geen sprake van een significante aantalsverandering (Figuur 3). Figuur 3 - Populatie- en aantalsontwikkelingen trend huismus

14 NADER ONDERZOEK SOORTEN – DE OMLOOP SPORTLOCATIE RHOON 4. Werkwijze Het onderzoek is uitgevoerd conform het kennisdocument huismus (V 2.1. 2023) zoals gepubliceerd op de website van BIJ12. Het nader onderzoek naar de huismus bestaat uit verkennend onderzoek, en een verdiepend onderzoek. 4.1 Verkennend onderzoek Het verkennende onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek en een veldbezoek. Het veldbezoek heeft doorgaans al plaats gevonden ter voorbereiding op het Natuurwaardenonderzoek. Bureauonderzoek Om te bepalen of de huismus mogelijk voorkomt in het plangebied, kunnen de verspreidingsgegevens van de soort geraadpleegd worden. Er kan gebruik gemaakt worden van al beschikbare verspreidingsgegevens van huismussen geregistreerd op NDFF of bekend bij verspreidingsatlassen. De bestaande verspreidingsgegevens moeten: - niet ouder zijn dan drie jaar - het gehele gebied waar de activiteiten plaats gaan vinden, samen met de relevante omgeving dekken - De bestaande gegevens kunnen alleen gebruikt kunnen worden wanneer het plangebied weinig veranderd is sinds de inventarisatie heeft plaatsgevonden waarvan de data gebruikt wordt. Met het raadplegen van alleen de NDFF kan daarom vaak geen afwezigheid van de huismus worden vastgesteld.

Verkennend-veldonderzoek Bij een verkennend veldonderzoek kan in beeld gebracht worden of in of nabij (binnen circa één kilometer) het plangebied nest- of rustplaatsen inclusief de functionele leefomgeving van de huismussen aanwezig zijn. Hierbij kunnen ook omwonenden benaderd worden om een beeld te krijgen van eventueel aanwezige huismusnesten. 15 NADER ONDERZOEK SOORTEN – DE OMLOOP SPORTLOCATIE RHOON 4.2 Verdiepend onderzoek Om aan te tonen of uit te sluiten dat de huismus gebruikt maakt van de planlocatie als leefgebied, dient de planlocatie fysiek bezocht te worden in de juiste onderzoeksperiode (Figuur 4). Er zijn twee inventarisatiemethoden in twee verschillende periodes om de afwezigheid aan te tonen , namelijk: Enkele zichtwaarneming aanwezigheid huismus tijdens de broedperiode (10 mrt – 20 jun), of door de dakpannen te lichten om de nesten waar te nemen. (15 sep-1 mrt). Naast het aantonen of uitsluiten van aanwezigheid is het van belang dat de omvang van de populatie bepaald wordt door het aantal nestende paartjes te tellen, of door het aantal nesten onder de pannen te tellen. Figuur 4 - Geschiktheid onderzoeksperiode @Bij12 De inventarisatie blijft echter een steekproef. Het is dan ook mogelijk dat soorten en functies niet waargenomen zijn, terwijl dat ze op een ander tijdstip wel aanwezig zijn.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.albrandswaard.nl/api/v1/meetings/3858/documents/36266