40. 2026-012595 Raadsvoorstel Vaststelling TAM-omgevingsplan Sport De Omloop Bijlagen 3 van 4.pdf
Tekst van het document
NATUURWAARDENONDERZOEK 53053.1 – DE OMLOOP (SPORTPARK) RHOON 20 Als uw activiteit een negatief effect heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000 -gebied is een vergunning nodig, voor meer info zie: vergunning Natura 2000-gebieden. Gezien de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling in relatie tot de afstand tot het Natura 2000- gebied is het aannemelijk dat er van externe werking sprake is. De planlocatie is immers aan de rand van bebouwd gebied waardoor verstoring door mogelijke effecten zoals licht, geluid en trillin g aan de orde zijn. Het plangebied is gelegen nabij het Natura 2000 -gebied Oude Maas en het Natura 2000 -gebied Biesbosch. Deze zijn ter plaatse begrensd als Habitat - en Vogelrichtlijngebied. Voor de Natura 2000 -gebieden zijn instandhoudingsdoelen opgesteld voor habitattypen, habitatsoorten, broedvogelsoorten en niet-broedvogels. Omdat de werkzaamheden van het plangebied buiten het Natura 2000 -gebied plaatsvinden heeft dit geen invloed op de oppervlakte van het Natura 2000-gebied. Stikstofdepositie Met betrekking tot de bepaling van mogelijke nadelige gevolgen als gevolg van de depositie van stikstof, is er met betrekking tot de toetsing van Natura 2000 -activiteiten in de wet een verplichting opgenomen tot het gebruik van Aerius Calculator (artikel 4.15 Or). Voor toelichting m.b.t.
het juridische kader wordt verwezen naar de bijlagen. De planlocatie is gelegen op +/ - 21.293 meter van het depositiegevoelige Natura 2000 -gebied Biesbosch (figuur 4) . Gezien de afstand tot het depositiegevoelige Natura 2000-gebied in relatie tot de geplande ontwikkelingen wordt er mogelijk stikstofdepositie verwacht in de aanleg- en nieuwe gebruiksfase. Conclusie Natura 2000 Gezien de (effect) afstand tot het Natura 2000 -gebied, in relatie tot de geplande ontwikkelingen, worden er significante invloeden op de beschermde natuurwaarden of aangewezen (beheer)doelstellingen door effecten zoals licht, trilling geluid enz. verwacht. Een voortoets Natura 2000 wordt noodzakelijk geacht. In relatie tot de geplande ontwikkelingen wordt er mogelijk stikstofdepositie verwacht in de aanleg- en nieuwe gebruiksfase. Een Aeriusberekening wordt noodzakelijk geacht. NATUURWAARDENONDERZOEK 53053.1 – DE OMLOOP (SPORTPARK) RHOON 21 4.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. In de wet heet dit de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied.
In het Natuurnetwerk Nederland liggen: • Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; • Nationale landschappen; • Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt (Groene ontwikkelingszone); • Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; • Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee; • Alle Natura 2000-gebieden. Figuur 5 - Gelegen buiten Natuurnetwerk Zuid-Holland. Conclusie Natuurnetwerk Nederland Aangezien het plangebied is gelegen buiten het NNN van Zuid-Holland (figuur 5), is nadere toetsing niet aan de orde. Een Ja, mits toetsing wordt niet noodzakelijk geacht.
NATUURWAARDENONDERZOEK 53053.1 – DE OMLOOP (SPORTPARK) RHOON 22 4.3 Nationaal landschap De Nationale Landschappen zijn gebieden met specifieke kenmerken zoals flora en fauna, beekdalen, terpen, landbouw en waterbeheersing. In diverse regelingen is vastgelegd dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in deze gebieden alleen mogelijk zijn als deze kernkwaliteiten van het landschap behouden blijven of doorontwikkeld worden. De provincies zijn verantwoordelijk voor het aanhouden van grenzen en de kernkwaliteiten. Figuur 6 - Gelegen buiten Nationaal landschap Conclusie Nationaal landschap Beoogde ontwikkelingen vinden plaats buiten de grenzen van het Nationaal landschap. Omdat kernkwaliteiten gewaarborgd blijven zijn wettelijke consequenties met betrekking op het Nationaal landschap niet aan de orde.
NATUURWAARDENONDERZOEK 53053.1 – DE OMLOOP (SPORTPARK) RHOON 23 5. Soortbescherming 5.1 Habitatcheck Toetsing aan gebiedsbescherming vindt uitsluitend plaats indien beschermde gebieden in het geding zijn, terwijl toetsing aan de soortbescherming altijd vereist is, zowel binnen als buiten beschermde gebieden. Er is een habitatcheck uitgevoerd met als richtpunt de natuur activiteit. Bij het raadplegen van de soortenindicator via het programma Besi, zijn de volgende resultaten (Figuur 7) naar voren gekomen. Dit geeft de mogelijk nadelige effecten van de werkzaamheden op beschermde plant - en diersoorten weer in het plangebied. Figuur 7- Rapport beschermde Soorten Indicator (BeSI) @ BIJ12 .
NATUURWAARDENONDERZOEK 53053.1 – DE OMLOOP (SPORTPARK) RHOON 24 5.2 Flora en fauna Op de planlocatie is bebouwing aanwezig in de vorm een plantenkas (zie paragraaf 1.2). Naast het gebruik van de Besi is bureauonderzoek uitgevoerd door onder andere het raadplegen van het NDFF en andere databases om een volledig beeld te kunnen krijgen van mogelijke beschermde flora en fauna in (de omgeving van) het plangebied. Eerst worden (mogelijk beschermde) flora toegelicht. Vervolgens worden fauna uitgewerkt. Het onderdeel fauna is gesplitst in enkele subgroepen, namelijk: vogelsoorten, vleermuizen, grondgebonden zoogdieren, en overige soorten. Binnen deze subgroepen zijn enkele soorten door de provincie vrijgesteld. Deze vrijgestelde soorten vallen onder de specifieke zorgplicht, en dienen op diervriendelijke en zorgvuldige wijze te worden behandeld (zie bijlage). Daarnaast worden ‘rode lijst’ soorten ook beschreven wanneer deze hinder ondervinden van de voorgenomen ontwikkeling. De instandhouding van deze soorten staat namelijk al onder druk. Binnen dit hoofdstuk worden meerdere ecologische vaktermen gebruikt . Voor de betekenis van deze begrippen wordt verwezen naar de verklarende woordenlijst in de bijlage. 5.2.1 Flora Het perceel is nauwkeurig onderzocht op inheemse en uitheemse beschermde vegetatie.
Er zijn geen (groeiplaatsen van) beschermde soorten , zoals korstmossen, orchissen en vaatplanten aangetroffen. Bovendien bestaat de planlocatie uit intensief beheerde gras- en akkerbouwpercelen dewelke over het algemeen over een voed selrijk milieu beschikken. Ook de geraadpleegde databanken geven geen aanwijzingen naar beschermde soorten op de projectlocatie. Advies / conclusie Ten aanzien van flora worden geen schadelijke handelingen flora en fauna activiteit zoals bedoeld in de Omgevingswet verwacht. NATUURWAARDENONDERZOEK 53053.1 – DE OMLOOP (SPORTPARK) RHOON 25 5.2.2 Vogelsoorten Alle van nature voorkomende vogelsoorten en hun bezette nestplaatsen in Nederland zijn beschermd. Daarnaast geldt voor nestplaatsen van diverse vogelsoorten dat deze door de wetgever in provincie Zuid- Holland jaarrond beschermd zijn (zie tabel 2) . Deze jaarrond beschermde broedvogels zijn in een vijftal categorieën opgedeeld, waarvoor de verbodsbepalingen van de omgevingswet het gehele seizoen gelden: Categorie 1. Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats (voorbeeld: steenuil). Categorie 2. Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop.
De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: roek, gierzwaluw en huismus). Categorie 3. Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: ooievaar, kerkuil en slechtvalk). Categorie 4. Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (voorbeeld: boomvalk, buizerd en ransuil). Categorie 5. Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestig en. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd. Categorie 5 -soorten zijn wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. Indien dit het geval is, is een omgevingscheck benodigd.
Tabel 2 – Jaarrond beschermde nesten Nederland Nederlandse naam Bescherming Nederlandse naam Bescherming Nederlandse naam Bescherming Steenuil Categorie 1 Blauwe reiger Categorie 5 Kleine bonte specht Categorie 5 Gierzwaluw Categorie 2 Boerenzwaluw Categorie 5 Kleine vliegenvanger Categorie 5 Huismus Categorie 2 Bonte vliegenvanger Categorie 5 Koolmees Categorie 5 Roek Categorie 2 Boomklever Categorie 5 Kortsnavelboomkruiper Categorie 5 Grote gele kwikstaart Categorie 3 Boomkruiper Categorie 5 Oeverzwaluw Categorie 5 Kerkuil Categorie 3 Bosuil Categorie 5 Pimpelmees Categorie 5 Oehoe Categorie 3 Brilduiker Categorie 5 Raaf Categorie 5 Ooievaar Categorie 3 Draaihals Categorie 5 Ruigpootuil Categorie 5 Slechtvalk Categorie 3 Eidereend Categorie 5 Spreeuw Categorie 5 Boomvalk Categorie 4 Ekster Categorie 5 Tapuit Categorie 5 Buizerd Categorie 4 Gekraagde roodstaart Categorie 5 Torenvalk Categorie 5 Havik Categorie 4 Glanskop Categorie 5 Zeearend Categorie 5 Ransuil Categorie 4 Grauwe vliegenvanger Categorie 5 Zwarte kraai Categorie 5 Sperwer Categorie 4 Groene specht Categorie 5 Zwarte mees Categorie 5 Wespendief Categorie 4 Grote bonte specht Categorie 5 Zwarte roodstaart Categorie 5 Zwarte wouw Categorie 4 Huiszwaluw Categorie 5 Zwarte specht Categorie 5 IJsvogel Categorie 5 NATUURWAARDENONDERZOEK 53053.1 – DE OMLOOP (SPORTPARK) RHOON 26 Huismus Deze soort nestelt in bebouwing
en is daarmee sterk gebonden aan de mens . Het plangebied beschikt niet over in potentie geschikte bebouwing. De kas is niet toegankelijk voor de huismus vanwege het ontbreken van toegankelijke openingen. Echter, de paardenstal gren st aan de zuidzijde van de planlocatie, en is in potentie geschikt voor de huismus. De v oorgenomen ontwik keling kan mogelijk leiden tot verstoring en /of nestverlating. Het golfplaten dak van de paardenstal heeft openingen bij de dakranden en dakbeschot. Het habitat op de planlocatie en in de omgeving (tuinen en bestrating) is ook geschikt voor de huismus door de aanwezigheid van (groenblijvende) struiken, straatgras, zandbaden en water. Het habitat zal met de werkzaamheden niet verloren gaan . Het plangebied kan niet aangemerkt worden als essentieel aangezien er voldoende alternatieven in de omgeving aanwezig zijn. In de omgeving zijn waarnemingen gedaan van de huismus. Een nader onderzoek naar de huismus wordt noodzakelijk geacht aangezien potentiële verblijfsplaatsen verstoord worden, en mogelijk verlaten worden. Gier-, boerenzwaluw De gierzwaluw maakt ook gebruik van menselijke bebouwing als nestplaats. Deze 90 - dagenvogel broedt veelal onder dakpannen. Een aantal voorwaarden stelt de gierzwaluw aan zijn nestplaats (kolonie).
Een potentiële nestplaats is vrijwel nooit onder de 3 mete r te vinden in verband met het aan - en afvliegen en doorgaans ook niet in de onmiddellijke omgeving van bomen. Gierzwaluwen hebben invliegopeningen nodig van ca 55 x 20 mm. Bovendien nestelt de gierzwaluw bij voorkeur in bebouwde gebieden. De planlocatie is gelegen buiten het bebouwde gebied van Rhoon. De kas is ongeschikt voor de gierzwaluw en biedt geen potentie gezien invliegopeningen en ruimte voor nestelgelegenheid ontbreekt. De paardenstal buiten de grenzen van het plangebied bevat geen in potentie geschikte invliegopeningen en bevatten geen potentiële geschikt ruimtes voor de gierzwaluw door de aanwezigheid van golfplatendaken. Bovendien is de planlocatie gelegen in agrarisch gebied, en blijft de paardenstal intact. Bij het raadplegen van NDFF kwam naar voren dat de gierzwaluw niet is waargenomen nabij de planlocatie. De boerenzwaluw is wel enkele keren waargenomen nabij de planlocatie. Echter, nesten van de boerenzwaluw zijn niet aangetroffen. Daarnaast betreft het plangebied niet-essentieel foerageergebied. Een nader onderzoek gier-, en de boerenzwaluw wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Roek De roek is een kolonievogel die met name voorkomt bij vochtige gras- en bouwlanden, of parklandschappen met vochtige bouwlanden in de buurt.
De nesten en verblijfplaatsen bevinden zich meestal in clusters van hogere bomen van 15-25 meter hoogte. De minimale nesthoogte bevindt zich op 7 meter boven het maaiveld, maar het overgrote deel van de nesten bevindt zich hoger dan 14 meter. De diversiteit aan boomsoorten waarin zich roekenkolonies bevinden is zeer groot. De aanwezigheid van stevige takvorken op een minimale hoogte van enkele meters boven het maaiveld is leidend bij de keuze voor de boomsoort. Zulke bomen met nest- en verblijfplaatsen zijn niet aangetroffen. Daarom wordt nader onderzoek niet noodzakelijk geacht. Categorie 3 De grote gele kwikstaart maakt gebruik van de oeverzones van grote rivieren . Grotere waterlichamen naast sloten zijn niet aangetroffen. Daarnaast zijn geen waarnemingen van deze soort bekend. De ooievaar is te vinden in agrarische cultuurlandschappen waar ze vaak nesten op grote hoogte maken in de wei - of NATUURWAARDENONDERZOEK 53053.1 – DE OMLOOP (SPORTPARK) RHOON 27 graslanden. Rust- nest-, of verblijfplaatsen van deze soorten zijn niet op de planlocatie aangetroffen. Daarom wordt nader onderzoek niet noodzakelijk geacht. Uilen en Roofvogels De steenuil maakt gebruik van kleinschalige agrarische cultuurlandschappen. Deze soort is dan ook vaak te vinden op boerenerven of in holtes van bomen in landelijke omgeving.
De kerkuil is een bewoner van (half)open landschappen met name agrarische cultuurlandschappen. Deze soort vestigt zich graag in boerenschuren of kerktorens. Het plangebied heeft een landelijk karakter. De kas heeft een invliegopening waar de steenuil gebruik van kan maken. De paardenstal beschikt over een kerkuilenkast, en recentelijk zijn er kerkuilen gesignaleerd nabij de paardenstal blijkt uit ondervraging van mensen ter plekke. Daarnaast betreft de directe omgeving geschikt habitat. Bij de werkzaamheden kunnen potentiële verblijfplaatsen vernietigd of verstoord worden. Nader onderzoek naar de steen- en de kerkuil wordt daarom noodzakelijk geacht. Tijdens het veldbezoek is een horst of kraaiennest waargenomen in de bomen langs de Essendijk. Een oud kraaiennest kan eveneens in gebruik zijn door een roofvogel . Echter, gezien de locatie van de voorgenomen ontwikkeling is het onwaarschijnlijk dat er sprake is dermate toenemende verstoring oplevert dat de verblijfsplaatsen ongeschikt worden. Nader onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Spechten en Holtebroeders De bomen in de directe nabijheid van en op de planlocatie zijn in goede conditie. De bomen bevatten kieren, holten of (scheur)spleten. Gezien de afstand tot de voorgenomen ontwikkeling is het niet aannemelijk dat spechten of holtebroeders zullen verstoord worden.
Nader onderzoek holtebroeders wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Categorie 5 Van de vogels uit categorie 5 (zie tabel 2) kunnen in de omgeving meerdere soorten worden verwacht. Het plangebied biedt potentie als habitat voor meerdere vogelsoorten uit categorie 5 , waaronder meerdere weidevogels. Vogels uit deze categorie kunnen gemakkelijk uitwijken van leefgebied en zullen dan ook geen hinder ondervinden van de geplande werkzaamheden mits deze uitgevoerd worden buiten het broedseizoen. Rust- nest-, of verblijfplaatsen van deze soorten zijn niet aangetroffen . Nader onderzoek naar uitwijkmogelijkheden en alternatieve verblijfplaatsen is daarom niet aan de orde. Bonn en Bern Het voorkomen van vogels zoals genoemd in de verdragen van Bonn en Bern kan niet worden uitgesloten. Deze soorten vallen zowel onder het beschermingsregime Vogelrichtlijn als het beschermingsregime Habitatrichtlijn. Voor deze soorten geldt dat ze niet opze ttelijk mogen worden verstoord, ongeacht hun staat van instandhouding. Voor alle inheemse vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die soorten, nesten, eieren of vaste rust - of verblijfplaatsen beschadigen of verstoren. Voor werkzaamheden met schadelij ke effecten op broedvogels wordt veelal geen ontheffing verleend, omdat het uitvoeren van de werkzaamheden buiten het broedseizoen over het algemeen een goed alternatief vormt.
In het kader van de Omgevingswet wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd, omdat deze per soort en vaak per jaar kan verschillen. Van belang is dat een broedgeval niet wordt verstoord, ongeacht de datum. Bij het raadplegen van NDFF (2020 - 2025) kwamen waarnemingen naar voren van bedreigde soorten, waaronder de kwartelkoning, watersnip, fazant en meerdere welke zijn weergegeven in de bijlagen. Door de NATUURWAARDENONDERZOEK 53053.1 – DE OMLOOP (SPORTPARK) RHOON 28 gestage waarnemingen de afgelopen 5 jaar in relatie tot de omvang van de ontwikkeling wordt het noodzakelijk geacht om een nader onderzoek broedvogels uit te voeren. Advies / conclusie Ten aanzien van vogels worden mogelijk schadelijke handelingen flora en fauna activiteit zoals bedoeld in de Omgevingswet verwacht. Een nader onderzoek huismus, kerk- en steenuil, en nader onderzoek broedvogels wordt noodzakelijk geacht. NATUURWAARDENONDERZOEK 53053.1 – DE OMLOOP (SPORTPARK) RHOON 29 5.2.3 Vleermuizen Het leefgebied van beschermde vleermuizen (artikel 3.5 Habitatrichtlijn bijlage IV) bestaat uit verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebieden. In de verklarende woordenlijst (zie bijlage) worden deze onderdelen nader toegelicht.
Bij alle typen verblijfplaatsen zijn onder andere de volgende aspecten relevant: • Microklimaat: temperatuur, verschillende temperaturen binnen één object (gradiënten), snelheid van opwarmen of afkoelen (bufferwaarde) en vochtigheid. Essentieel is dat de verblijfplaats tochtvrij is in verband met de temperatuurregulatie en het voorkomen van uitdroging in de winter. Winterverblijven moeten daarnaast grotendeels vorstvrij zijn. • Licht: er mag geen lichtbron vlakbij zijn. • Locatie en eigenschappen van de in- en uitvliegopeningen: de aanvliegroute moet vrij van obstakels als takken of bomen zijn. Ook mag de verblijfplaats niet via bijvoorbeeld een afdakje bereikbaar zijn voor katten en dergelijke. Geen obstakels, zoals steige rs, steigerdoek of hoge begroeiing, voor de ingang. • Materiaal: de binnenkant moet ruw zijn (geen glad beton of hout), niet geverfd en niet op den duur gaan rafelen. • Ruimtegebruik en veiligheid (tegen predatoren). • Ligging ten opzichte van de andere functies in het leefgebied. Gebouwbewonende soorten Tijdens het veldbezoek is vastgesteld dat de paardenstal toegankelijk is voor vleermuizen door de aanwezigheid van kierende gevelbekleding aan de achterzijde van het pand. Het is mogelijk dat er bij de sloop- of bouwwerkzaamheden verblijfplaatsen verlaten zullen worden aangezien de werkzaamheden in de directe omgeving plaats zullen vinden .
Daarom wordt een nader onderzoek gebouwbewonende vleermuizen noodzakelijk geacht. Boombewonende soorten Op de planlocatie zijn geen bomen aanwezig met vleermuispotentie. Hierbij kan gedacht worden aan holten en loshangende schors hetgeen niet aanwezig is op de planlocatie. Eventueel aanwezige soorten zullen geen hinder ondervinden van de geplande ontwikkeling en er zullen geen verblijfplaatsen verloren gaan. Een nader onderzoek boombewonende vleermuizen wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Onmisbare vliegroutes of essentieel foerageergebied Schade op onmisbare vliegroutes en foerageergebieden, verblijfplaatsen van vleermuizen kan mogelijk ontstaan wanneer de lijnelementen verdwijnen uit het landschap. Nabij de planlocatie zijn deze lijnelementen aanwezig dewelke behouden blijven. Het foerageergebied blijft intact. Een nader onderzoek foerageergebied is dan ook niet noodzakelijk. NATUURWAARDENONDERZOEK 53053.1 – DE OMLOOP (SPORTPARK) RHOON 30 Advies / conclusie Ten aanzien van vleermuizen worden mogelijk schadelijke handelingen flora en fauna activiteit zoals bedoeld in de Omgevingswet verwacht. Nader onderzoek gebouwbewonende vleermuizen wordt noodzakelijk geacht.
NATUURWAARDENONDERZOEK 53053.1 – DE OMLOOP (SPORTPARK) RHOON 31 5.2.4 Grondgebonden zoogdieren Soorten van Habitatrichtlijn en de Verdragen van Bern en Bonn Tijdens het veldbezoek zijn geen vaste verblijfplaatsen van overige zoogdieren die zijn opgenomen op Habitatrichtlijn en de Verdragen van Bern en Bonn aangetroffen. Bever en otter In het plangebied zijn geen sporen van de otter (Lutra lutra) of bever (Castor fiber) aangetroffen. Het voorkomen van beide soorten kan hiermee redelijkerwijs worden uitgesloten. In de diverse databases zijn geen verspreidingsgegevens bekend nabij het plangebied. Vanwege het karakter van het plangebied is het habitat voor deze soort ongeschikt. Hamster, hazelmuis en noordse woelmuis Het verspreidingsgebied van de hamster (Cricetus cricetus) en hazelmuis (Muscardinus avellanarius) is beperkt tot Zuid -Limburg. Voor de noordse woelmuis ( Microtus oeconomus ) geldt dat deze soort een zeer natte, kruidenrijke vegetatie behoeft en dat de verspreiding zich beperkt tot de lage, natte delen van Nederland. Het gras- en weideland wordt intensief beheerd en heeft dus weinig potentie voor de noordse woelmuis welke een voorkeur heeft voor extensief beheerde gebieden . In de diverse database s zijn geen verspreidingsgegevens bekend nabij het plangebied. Nader onderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.
Slaapmuizen Het verspreidingsgebied van de eikelmuis ( Eliomys quercinus) beperkt zich tot specifieke gebieden in Zuid - Limburg. De soort kan voor het plangebied worden uitgesloten. In de diverse databas es zijn geen verspreidingsgegevens bekend nabij het plangebied. Nader onderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Ware muizen Het verspreidingsgebied van de grote bosmuis ( Apodemus flavicollis ) beperkt zich tot de oostgrens van Nederland en ligt ver buiten het plangebied. In de diverse databases zijn geen verspreidingsgegevens bekend nabij het plangebied. Voor de overige ware muizen geldt dat zij door de provincie voor ruimtelijke ingrepen zijn vrijgesteld van de Omgevingswet. De specifieke zorgplicht dient in acht te worden genomen. Spitsmuizen Het verspreidingsgebied van de veldspitsmuis ( Crocidura leucodon) betreft Twente en Zeeuws -Vlaanderen. De veldspitsmuis is gebonden aan kleinschalig agrarisch cultuurlandschap dat niet te intensief beheerd wordt. Hij komt voor in overgangsvegetaties, lintvormige landschapselementen, opgaande kruidenvegetaties en overhoekjes. En ook in aanliggende, braakliggende of niet begraasde kruidenvegetaties, zoals boomgaarden, kan de soort worden aangetroffen. In gebouwen komt hij zelden voor. Het is dan ook niet aannemelijk dat de veldspitsmuis aanwezig is op de planlocatie.
Bij het raadplegen van NDFF en dergelijke databases kwamen geen waarnemingen op en nabij de planlocatie naar voren. De waterspitsmuis (Neomys fodiens) is gebonden aan schone wateren met een rijke oevervegetatie. Derhalve kan worden gesteld dat beide soorten niet in het plangebied voorkomen. Voor de overige spitsmuizen geldt dat zij door de provincie voor ruimtelijke ingrepen NATUURWAARDENONDERZOEK 53053.1 – DE OMLOOP (SPORTPARK) RHOON 32 zijn vrijgesteld van de Omgevingswet. In de diverse databases zijn geen verspreidingsgegevens bekend nabij het plangebied. Nader onderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Eekhoorn Tijdens het veldbezoek werden geen nesten van de eekhoorn (Sciurus vulgaris) of knaagsporen aangetroffen. Het plangebied vertoont geen essentiële functie voor de eekhoorn. In de diverse databases zijn er geen verspreidingsgegevens bekend nabij het plangebied. Nader onderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Haasachtigen, egel en vos Sporen zijn van deze soort en zijn niet aangetroffen. In de diverse databases zijn er verspreidingsgegevens bekend van de haas, konijn en egel, nabij het plangebied. Deze soorten zijn door de provincie voor ruimtelijke ingrepen vrijgesteld van de Omgevingswet. Daarnaast zijn er voor de haasachtigen voldoende alternatieven beschikbaar in de directe omgeving. De specifieke zorgplicht dient in acht te worden genomen.
Nader onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Marterachtigen Op het perceel zijn geen sporen van marterachtigen aangetroffen in de vorm van prooiresten of verblijfplaatsen. Potentiële holen waar de kleine marters gebruik van zou kunnen maken zijn niet waargenomen. De planlocatie kent enkele rommelhoekjes / schuilhoeken. Er kan gesteld worden dat ecologische verbindingszones voor marterachtigen op en naar de planlocatie nauwelijks aanwezig zijn. Gesteld kan worden dat marterachtigen op de planlocatie naar alle waarschijnlijkheid niet voorkomen. De drie V’s (verblijfplaats, veiligheid/dekking en voedsel) en met name dekking, is afwezig. Het plangebied kan deels als foerageergebied dienen echter in de omgeving zijn meerdere uitwijkmogelijkheden. Een nader onderzoek marterachtigen wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Overige zoogdieren De in Nederland voorkomende zoogdieren betreffen of zeezoogdieren of slechts zelden in Noord -Brabantse bossen waargenomen soorten (de wilde kat (Felis silvestris) en lynx (Lynx lynx) en de in Nederland gevestigde wolf (Canis lupus)) ofwel in het bos of open veld levende grote hoefdieren. Derhalve kan worden gesteld dat binnen het plangebied mogelijk overige zoogdieren voorkomen. In de diverse databases zijn verspreidingsgegevens bekend nabij het plangebied: het ree (Capreolus capreolus).
Deze soort is door provincie voor ruimtelijke ingrepen vrijgesteld van de Omgevingswet. Advies / Conclusie Ten aanzien van zoogdieren worden geen schadelijke handelingen flora en fauna activiteit zoals bedoeld in de Omgevingswet verwacht. NATUURWAARDENONDERZOEK 53053.1 – DE OMLOOP (SPORTPARK) RHOON 33 5.2.5 Overige soorten Amfibieën In Nederland komen een aantal algemeen voorkomende amfibieënsoorten voor . Dit zijn de kleine watersalamander (Lissotriton vulgaris), gewone pad (Bufo bufo), bruine kikker (Rana temporaria), bastaardkikker (Pelophylax kl. esculentus) en meerkikker (Pelophylax ridibundus). Deze eerdergenoemde soorten zijn door de provincies voor ruimtelijke ingrepen vrijgesteld van de Omgevingswet. De specifieke zorgplicht blijft echter van kracht. Naast deze algemene vrijgestelde soorten komen ook een aantal zeldzame beschermde amfibieënsoorten verspreid door Nederland voor, namelijk de poelkikker ( Pelophylax lessonae ), heikikker (Rana arvalis ), boomkikker (Hyla arborea ), rugstreeppad ( Epidalea calamita), knoflookpad ( Pelobatus fuscus) , vroedmeesterpad (Alytes obstetricans) , geelbuikvuurpad ( Bombina variegata) , kamsalamander (Triturus cristatus), alpenwatersalamander (Ichthyosaura alpestris ), vinpootsalamander (Lissotriton helveticus ) en vuursalamander (Salamandra salamandra).
Enkel de soorten welke mogelijk voor kunnen komen nabij de grenzen van het plangebied worden beschreven. Zowel de poelkikker als de heikikker komen verspreid over de noordelijke, oostelijke en zuidelijke provincies voor en bevolken dezelfde habitats, namelijk heide, hoog- en laagveen en half natuurlijk grasland. Echter, de poelkikker komt tevens voor op ruderale terreinen, akkerland en intensiever beheerde gebieden. De sloten rondom de planlocatie hebben weinig tot geen begroeiing en bevatten steile oevers en worden op intensieve wijze beheert. Het sloot nabij de paardenstal bevat voedselrijk water, gezien de aanwezigheid van dichte begroeiing. Daarnaast zijn in en rondom de planlocatie geen waarnemingen bekend van deze soort. Wegens het ontbreken van geschikte voorplantingswateren en waarnemingen kunnen deze soorten worden uitgesloten van de planlocatie. De soort waarvan het zwaartepunt van haar verspreiding in het westen van het land ligt is de rugstreeppad. Het is een pionierssoort die afhankelijk is van, al dan niet door de mens veroorzaakte, hoog dynamische plaatsen en laat zich het best omschrijven al s laagbegroeide zonbeschenen terreinen met losgrondige zandige bodems. Daarnaast komt het dier voor in stabielere habitats, zoals heidegebieden en nabij sloten in akker- en graslandgebieden.
Als voortplantingswater wordt met name tijdelijk water, bijvoorbe eld regenplassen gebruikt. Wegens het geschikte habitat en de aanwezigheid van geschikte voortplantingswater is het mogelijk dat deze soort voorkomt binnen de grenzen van het plangebied. Nader onderzoek naar de rugstreeppad wordt noodzakelijk geacht. Reptielen Van nature voorkomende reptielen in Nederland zijn de adder ( Vipera berus ), gladde slang (Coronella austriaca), ringslang (Natrix helvetica), hazelworm (Anguis fragilis), levendbarende hagedis ( Zootoca vivpara), muurhagedis (Podarcis muralis) en zandhagedis (Lacerta agilis). Met name de adder en gladde slang komen enkel in (vochtige) heide, veen- en open bos gebieden binnen natuurgebieden voor. De zandhagedis is gebonden aan zandige, droge open terreinen in heiden en duinen. Het natuurlijk verspreidingsgebied van de muurhagedis beperkt zich enkel tot Maastricht. Het is dan ook uitgesloten dat deze soorten zich bevinden op de planlocatie. Met name de ringslang, levendbarende hagedis en hazelworm worden regelmatig aangetroffen buiten natuurgebieden. De levendbarende hagedis komt voor in open bossen en ruige graslanden . Tevens wordt deze soorten aangetroffen in bermen en in een beperkt deel van de duinen.
Het is een vochtminnende soort NATUURWAARDENONDERZOEK 53053.1 – DE OMLOOP (SPORTPARK) RHOON 34 en zoekt in het terrein dan ook de vochtige gebieden op, bijvoorbeeld de oevers van plassen in vochtig heidegebied. De hazelworm leeft in enigszins vochtige bosachtige gebieden met een dichte vegetatie en rijke strooisel laag. Voorbeelden van geschikt habitat is open bos, bosranden, heide, ruderale terreinen en tuinen. De ringslang is gebonden aan waterrijke habitats. Deze liggen veelal op zandgronden en op de overgangen van zandgrond naar veen- en kleigronden. Binnen de grenzen van het plangebied en in de nabije omgeving ontbreekt het aan geschikt habitat voor de bovengenoemde soorten . Daarnaast zijn er geen waarnemingen op of nabij de planlocatie van reptielen geregistreerd op de database van NDFF. Het is daarom zeer onwaarschijnlijk dat de bovengenoemde soorten aanwezig zijn binnen de grenzen van het plangebied. Vissen De beschermde vissen zijn rivieroptrekkende zoutwater soorten die niet of nauwelijks in Nederland worden aangetroffen. De beekdonderpad (Cottus rhenanus), beekprik (Lampetra planeri), elrits (Phoxinus phoxinus) en gestippelde alver (Alburnoides bipunctatus) zijn soorten van schone heldere continu stromende beken en zijn (grotendeels) beperkt tot de provincie Noord-Brabant.
De beekprik komt ook elders op de hogere zandgronden voor en van de elrits bevindt zich een geïsoleerde populatie op de Veluwe. De kwaba al (Lota lota) is een soort van grote wateren en riviertjes. De grote modderkruiper is een soort van verlandende wateren en heeft een voorkeur voor ondiepe wateren met een dikke modderlaag en rijke waterplantenvegetatie. Dergelijke leefgebieden komen in het plangebied niet voor. Het leefgebied wordt mogelijk versterkt omdat watergangen aangepast en uitgebreid. Vlinders en libellen Beschermde dag- en nachtvlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Voor de beschermde soorten in Nederland geldt dat deze veelal gebonden zijn aan zeer specifieke habitats en/of zeldzame waardplanten die vaak alleen in natuurterreinen zijn te vinden. Beschermde libellen en waterjuffers zijn gebonden aan zeer specifieke wateren waar de larven ontwikkelen tot imago. Deze wateren zijn b ijvoorbeeld voedselarme vennen in heide of hoogveen. Doorgaans bevinden deze soorten zich in beschermde natuurgebieden. Tijdens het veldbezoek zijn geen waardplanten van beschermde vlindersoorten of aanwijzingen dat deze waardplanten aanwezig zijn op de planlocatie aangetroffen.
De agrarische percelen worden intensief beheerd en beschikken over een voedselrijk milieu waardoor de (kans op) aanwezigheid van vaatplanten gering is. Daarnaast zijn geen wateren aangetroffen die kunnen dienen als voortplantingswater voor beschermde libellen en waterjuffers . Het is daarom uitgesloten dat er binnen de planlocatie geschikt habitat aanwezig is voor een (deel)populatie van een beschermde vlinder- of libellensoort. Overige ongewervelden Het oeveraas (Palingenia longicauda), de juchtleerkever (Osmoderma eremita) en Bataafse stroommossel (Unio crassus) zijn uit Nederland verdwenen. Van de vermiljoenkever (Cucujus cinnaberinus) is slechts een populatie nabij Maarheeze (Noord-Brabant) bekend. Omdat veensloten en vennen met schoon water ontbreken in het plangebied kan het voorkomen van andere overige ongewervelden redelijkerwijs worden uitgesloten. Het plangebied bevindt zich buiten het bekende verspreidingsgebied van de Europese rivierkreeft ( Astacus astacus) en het vliegend hert ( Lucanus cervus ). In de diverse databases zijn geen verspreidingsgegevens bekend nabij het plangebied. Nader onderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. NATUURWAARDENONDERZOEK 53053.1 – DE OMLOOP (SPORTPARK) RHOON 35 Conclusie / Advies Ten aanzien van overige soorten worden mogelijk schadelijke handelingen flora en fauna activiteit zoals bedoeld in de Omgevingswet verwacht.
Een nader onderzoek rugstreeppad wordt noodzakelijk geacht. NATUURWAARDENONDERZOEK 53053.1 – DE OMLOOP (SPORTPARK) RHOON 36 5.3 Houtopstanden Op de planlocatie worden geen bomen gekapt zoals bedoeld in het onderdeel houtopstanden van de Omgevingswet (zie paragraaf 2.4). Overtreding op dit onderdeel Omgevingswet is niet aan de orde. NATUURWAARDENONDERZOEK 53053.1 – DE OMLOOP (SPORTPARK) RHOON 37 6. Conclusie Tabel 3 geeft de conclusies weer van de betreffende gebieden welke mogelijk beïnvloed worden door de voorgenomen ontwikkeling. In tabel 4 zijn de conclusies van hoofdstuk 5 (soortenbescherming) weergegeven. Gebiedsbescherming Tabel 3. Conclusies gebiedsbescherming Gebied / beleid Effecten Conclusie Natura 2000-gebied Mogelijk Aeriusberekening (stikstofdepositie) en voortoets Natura 2000 NNN Zuid-Holland Geen N.v.t. Nationaal landschap Geen N.v.t Houtopstanden Geen N.v.t. Soortenbescherming Tabel 4. Conclusies soortenbescherming Flora en fauna Effecten Conclusie Flora Geen N.v.t. Vogels Mogelijk Nader onderzoek huismus, steen-, kerkuil, broedvogels Vleermuizen Mogelijk Nader onderzoek gebouwbewonende vleermuis Grondgebonden zoogdieren Geen N.v.t. Amfibieën / reptielen Mogelijk Nader onderzoek rugstreeppad Vissen Geen N.v.t. Ongewervelden Geen N.v.t.
Specifieke zorgplicht Ten alle tijden geldt bij het uitvoeren van flora - en fauna-activiteiten dient de initiatiefnemer / uitvoerder van de activiteit te kunnen aantonen hoe tegemoetgekomen wordt aan de specifieke zorgplicht (art. 11.27, Bal). Zie bijlagen. Enkele maatregelen die van toepassing kunnen zijn: • Eén kant op werken zodat aanwezige soorten tijdig kunnen vluchten. • Rooien van beplanting uitvoeren buiten het broedseizoen van vogelsoorten • Graafwerkzaamheden uitvoeren buiten de winterperiode (rustplaats amfibieën) NATUURWAARDENONDERZOEK 53053.1 – DE OMLOOP (SPORTPARK) RHOON 38 Verantwoording Literatuur / bronnen • Omgevingswet • Omgevingsverordening • Fauna inventarisatie, Rik Schoon • 150416_Rapport_Effectafstanden_Natura_2000.pdf Internet • www.rvo.nl • www.bij12.nl • wwww.verspreidingsatlas.nl • www.zoogdiervereniging.nl • www.ravon.nl • www.vlinderstichting.nl • www.sovon.nl • www.ndff.nl • www.synbiosys.alterra.nl/natura2000 • https://atlasnatuurlijkkapitaal.nl/kaarten • www.natura2000.nl • www.planviewer.nl NATUURWAARDENONDERZOEK 53053.1 – DE OMLOOP (SPORTPARK) RHOON 39 Verklarende woordenlijst Verblijfplaats Een object (gebouw, b oom, bunker, grot, kast en dergelijke) waarin een of meerdere vleermuizen verblijven (overdag of ’s winters, met enige regelmaat).
Zomerverblijfplaats Een verblijfplaats die gebruikt wordt door dieren die niet in winterslaap zijn, waarvan niet aangetoond is dat het een kraamverblijfplaats dan wel een paarverblijfplaats is. Kraamverblijfplaats Een verblijfplaats van een kraamgroep vrouwelijke dieren (bijv. vleermuizen) met jongen. Paar(verblijf)plaats Een verblijfplaats of de omgeving daarvan, waar ten minste een baltsend mannetje of meerdere vleermuizen overdag verblijven en paren of komen zwermen. Welk gedrag is waar te nemen, is afhankelijk van de soort. Te herkennen aan zwermgedrag en/of baltsroepen . (Zwermen bij het invliegen komt bij meer verblijfsfuncties voor.) Winterverblijfplaats Een verblijfplaats waar in de winter een of meerdere dieren in winterslaap (hybernation) gaan. Het betreft bij vleermuissoorten die jaarrond in hun leefgebied blijven nogal eens een voormalige paarplaats of een andere verblijfplaats. Er zijn bij soorten al s gewone dwergvleermuis massawinterverblijfplaatsen en winterverblijfplaatsen voor kleinere groepen te onderscheiden. Vliegroute Een vaste route van een vleermuis of een groep van vleermuizen vanaf een verblijfplaats naar een foerageergebied of tussen verblijfplaatsen visa versa. Migratieroute Een vaste route van zomerleefgebied naar winterverblijfplaats of winterleefgebied en visa versa. Foerageergebied Een gebied waar een dier of een groep dieren foerageert.
NATUURWAARDENONDERZOEK 53053.1 – DE OMLOOP (SPORTPARK) RHOON 40 Bijlagen
NATUURWAARDENONDERZOEK 53053.1 – DE OMLOOP (SPORTPARK) RHOON 41
NATUURWAARDENONDERZOEK 53053.1 – DE OMLOOP (SPORTPARK) RHOON 42
NATUURWAARDENONDERZOEK 53053.1 – DE OMLOOP (SPORTPARK) RHOON 43
NATUURWAARDENONDERZOEK 53053.1 – DE OMLOOP (SPORTPARK) RHOON 44
NATUURWAARDENONDERZOEK 53053.1 – DE OMLOOP (SPORTPARK) RHOON 45
NATUURWAARDENONDERZOEK 53053.1 – DE OMLOOP (SPORTPARK) RHOON 46
NATUURWAARDENONDERZOEK 53053.1 – DE OMLOOP (SPORTPARK) RHOON 47
NATUURWAARDENONDERZOEK 53053.1 – DE OMLOOP (SPORTPARK) RHOON 48 Vrijgestelde soorten per provincie Nederlandse naam Wetenschappelijke naam Drenthe Flevoland Friesland Gelderland Groningen Limburg Noord- Brabant Noord- Holland Overijssel Utrecht Zeeland Zuid- Holland Ministerie LVVN (art. 4.31. Or) Zoogdieren Aardmuis Microtus agrestis √ √ √ √ √ √ √ √ √ √ √ √ √ Bosmuis Apodemus sylvaticus √ √ √ √ √ √ √ √ √ √ √ √ √ Bunzing Mustela putorius √ √ Dwergmuis Micromys minutus √ √ √ √ √ √ √ √ √ √ √ √ √ Dwergspitsmuis Sorex minutus √ √ √ √ √ √ √ √ √ √ √ √ √ Egel Erinaceus europaeus √ √ √ √ √ √ √ √ √ √ √ √ Eekhoorn Sciurus vulgaris √1 Gewone bosspitsmuis Sorex araneus √ √ √ √ √ √ √ √ √ √ √ √ √ Haas Lepus europeus √ √ √ √ √ √ √ √ √ √ Hermelijn Mustela erminea √ √ √ Huisspitsmuis* Crocidura russula √ √ √ √ √ √ √ √ √ √ √ √ √ Konijn Oryctolagus cuniculus √ √ √ √ √ √ √ √ √ √ √ Molmuis Arvicola scherman √ Ondergrondse woelmuis Pitymys subterraneus √ √ √ √ √ √ √ √ √ √ Ree Capreolus capreolus √ √ √ √ √ √ √ √ √ √ √ √ √ Rosse woelmuis Clethrionomys glareolus √ √ √ √ √ √ √ √ √ √ √ √ √ Steenmarter Martes foina √ √2 Tweekleurige bosspitsmuis Sorex coronatus √ √ √ √ √ √ √ √ √ √ √ √ Veldmuis* Microtus arvalis √ √ √ √ √ √ √ √ √ √ √ √ √ Vos Vulpes vulpes √ √ √ √ √ √ √ √ √ √ √ √ √ Wezel Mustela nivalis √ √ √ √ Wild zwijn Sus scrofa √ Woelrat Arvicola terrestris √ √ √ √ √ √ √ √ √ √ √ √ √ Amfibieën en
reptielen Bruine kikker Rana temporaria √ √ √ √ √ √ √ √ √ √ √ √ √ Gewone pad Bufo bufo √ √ √ √ √ √ √ √ √ √ √ √ √ Hazelworm Anguis fragilis √3 Kleine watersalamander Lissotriton vulgaris √ √ √ √ √ √ √ √ √ √ √ √ √ Levendbarende hagedis Zootoca vivipara √4 Meerkikker Pelophylax ridibundus √ √ √ √ √ √ √ √ √ √ √ √ √ Middelste groene kikker / bastaardkikker Pelophylax klepton esculentus √ √ √ √ √ √ √ √ √ √ √ √ √ * voor deze soorten daarnaast algemene vrijstelling in/op gebouwen en bijbehorende erven Wnb 3.10 3e lid x1 = vrijstelling geldt in de periode maart- april en juli tot en met november x2 = vrijstelling geldt in de periode 15 augustus tot en met februari x3 = vrijstelling geldt in de periode juli, augustus en september x4 = vrijstelling geldt in de periode 15 augustus tot en met 15 oktober x5 = de vrijstelling voor deze soorten wordt ingetrokken met de inwerkingtreding van de Omgevingsverordening 2022 Bron: Natuurinclusief.nl NATUURWAARDENONDERZOEK 53053.1 – DE OMLOOP (SPORTPARK) RHOON 49 Optimale periode voor werkzaamheden
NATUURWAARDENONDERZOEK 53053.1 – DE OMLOOP (SPORTPARK) RHOON 50 Gebiedsbescherming ADC-toets Wanneer uit een individuele passende beoordeling niet de vereiste zekerheid kan worden verkregen dat er geen sprake is van aantasting van de natuurlijke kenmerken van het betrokken Natura 2000-gebied, zal alleen toestemming kunnen worden verleend aan de ha nd van de ADC -toets. Een toestemming op basis van de ADC-toets kan alleen worden verleend indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: er zijn geen alternatieve oplossingen (A), het project is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang (met inbegrip van redenen van sociale of economische aard) (D), en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura -2000 bewaard blijft (C). Het resultaat van de compensatie moet in beginsel bereikt zijn op het moment waarop het betrokken gebied schade van het project ondervindt. De term ‘Natura 2000-activiteit’ geldt alléén voor projecten! Voor plannen is er een ander afwegingskader dat, hoewel vergelijkbaar met een Natura 2000-activiteit, elders in het stelsel Omgevingswet is verankerd dan met betrekking tot projecten.
Een plan m ag worden vastgesteld als uit een Passende Beoordeling, bedoeld in artikel 16.53c, eerste lid Ow, de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten (art. 10.24 Bkl). Beschermingsregime NNN Het grote verschil met de huidige Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is dat er onder de Ow geen strikt ‘nee, tenzij’-principe meer geldt. Er is geen noodzaak meer om een groot openbaar belang aan te tonen of reële alternatieven af te wegen om de NNN te mogen aantasten. Daarentegen dient er in plaats van bij een significante aantasting, nu bij nadelige gevolgen te worden gecompenseerd dat er in de praktijk vaker zal leiden tot een compensatieplicht. Doordat er echter onder de Ow sprake is v an een ‘ja, mits’-principe, kan een afzwakking van de bescherming van de NNN worden gelezen. De daadwerkelijke afzwakking van de bescherming van de NNN hangt erg af van de uitwerking van de regels in de provinciale Omgevingsverordeningen. Een deel van de nieuwe Omgevingsverordeningen van provincies zijn (vooralsnog) beleidsneutraal en komen overee n met het beschermingsregime conform het Barro (‘nee, tenzij’-principe aan de hand van zogenaamde ADC -criteria), een ander deel heeft echter de regels geconformeerd aan de regels in de Ow.
Of nieuwe of gewijzigde Omgevingsverordeningen na het loslaten van een beleid neutrale overgang een ander beschermingsregime zullen bevatten, zal de toekomst uitwijzen. Meer informatie over de ligging van het NNN en het geldende natuurbeheerplan met de huidige staat en het ambitieniveau van het NNN, is te vinden op de Informatiekaart Natuur. https://www.bij12.nl/onderwerp/natuurinformatie/applicaties-en-databanken/informatiekaart-natuur-ikn/ Specifieke zorgplicht en toetsing Specifieke zorgplicht Specifieke zorgplicht flora en fauna In het Bal is een specifieke zorgplicht opgenomen voor onder meer alle ‘flora- en fauna-activiteiten’ die, zoals hiervoor aangegeven, vrijwel alle ruimtelijke activiteiten betreft (art. 11.27 Bal). 8 Deze specifieke zorgplicht komt in de plaats van de algemene zorgplicht die in de Omgevingswet staat (zie hiervoor).9 Iedereen die een flora - en fauna-activiteit uitvoert, moet nadelige gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken (art. 11.27, 1e lid Bal). In het tweede lid staat de nadere uitwerking NATUURWAARDENONDERZOEK 53053.1 – DE OMLOOP (SPORTPARK) RHOON 51 van de specifieke zorgplicht.
In het tweede lid onder a is er met betrekking tot de reikwijdte van de zorgplicht voor flora- en fauna-activiteiten aangegeven dat deze plicht in ieder geval inhoudt dat moet worden nagegaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid van een aantal type soorten die kwetsbaar of bedreigd zijn. Deze soorten betreffen in Nederland van nature voorkomende: • Vogelrichtlijn-soorten zoals genoemd in bijlage I Vrl en niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4, 2e lid Vrl; • Habitatrichtlijn-soorten als opgenomen in bijlage II, IV en V Hrl; • nationaal beschermde soorten (bijlage IX Bal); dieren of planten die staan opgenomen op de Rode Lijsten; • voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats. Als deze aanwijzingen er zijn, moet worden vastgesteld of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten. Zijn nadelige gevolgen niet uit te sluiten, dan wordt gevraagd om na te gaan welke nadelige gevolgen kunnen optreden en passende preventieve maatregelen te nemen, de activiteit te staken, of, als dat niet kan , passende herstelmaatregelen te nemen.
Verder wordt er ook gevraagd om tijdens en na het verrichten van de activiteit na te gaan of de getroffen passende preventieve maatregelen de beoogde effecten hebben. De zorgplicht geldt altijd voor alle in het wild levende soorten, ongeacht een eventueel van toepassing zijnde vrijstelling, gedragscode of vergunning. De zorgplicht voor soorten is bovendien niet beperkt tot de dieren en planten zelf, maar ook tot de directe leefomgeving van de soorten. Dat betreft voor dieren de foerageergebieden, rust en vaste verblijfplaatsen en plaatsen voor het grootbrengen van de jongen. Mochten de zorgplichtbepalingen niet helder genoeg zijn, dan staat het bevoegd gezag vrij om middels maatwerkregels (artikel 11.29 Bal) of maatwer kvoorschriften (artikel 11.31 Bal) deze te verduidelijken. Bijvoorbeeld door het opnemen van regels in een provinciale Omgevingsverordening of het stellen van een maatwerkvoorschrift of vergunningsvoorschrift. Zoals ook aangegeven hiervoor met betrekking t ot de specifieke zorgplicht voor Natura 2000 -gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden, is de kern van de zorgplichtbepaling voor flora- en fauna-activiteiten dat als er sprake is van nadelige gevolgen op in het wild voorkomende soorten, deze, indien redelijkerwijs kan worden gevergd, moeten worden voorkomen, beperkt of ongedaan worden gemaakt. Ook in art.
11.27, tweede lid wordt verwezen naar passende preventieve maatregelen of passende herstelmaatregelen. In art. 11.27, tweede lid onder b Bal wordt aangegeven dat er moet worden ‘vastgesteld’ of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten. Daarnaast zijn de overige voorwaarden in het tweede lid onder c t/m f zodanig concreet dat in deze bewoording kan worden gelezen dat er aantoonbaar aan deze voorwaarden moet worden voldaan, zeker ook met in het achterhoofd dat de specifieke zorgplichten in de Omgevingswet zowel bestuurlijk als strafrechtelijk kunnen worden gehandhaafd. Om aantoonbaar aan de voorwaarden van de specifieke zorgplicht te kunnen voldoen, is het noodzakelijk dat de toetsing aan de zorgplichtbepalingen in een Natuurwaardenonderzoek of nader onderzoek wordt vastgelegd. Hiertoe kan door ecologische adviesbureaus – naast een bureaustudie door raadpleging van verspreidingsgegevens in tools zoals de NDFF – een ‘Habitatcheck’ worden uitgevoerd naar het voorkomen van de genoemde soorten, op basis van de geschiktheid van het aanwezige habitat als leefgebied van deze soorten. Afhankelijk van het aan te treffen habitat, kan daardoor goed inzicht worden verkregen in het mogelijk voorkomen van soorten of soortgroepen.
Of een nader onderzoek ook naar redelijkheid kan worden gevergd om de aanwezigheid te kunnen uitsluiten, zal afhangen van de opdrachtgever. Vervolgens moet worden beschreven in de Natuurwaardenonderzoek of nader onderzoek of nadelige gevolgen kunnen worden NATUURWAARDENONDERZOEK 53053.1 – DE OMLOOP (SPORTPARK) RHOON 52 uitgesloten of dat deze kunnen worden voorkomen, beperkt of ongedaan kunnen worden gemaakt door maatregelen zoals hiervoor aangegeven. Ten alle tijden geldt bij het uitvoeren van flora - en fauna-activiteiten dient de initiatiefnemer / uitvoerder van de activiteit te kunnen aantonen hoe tegemoetgekomen wordt aan de specifieke zorgplicht (art. 11.27, Bal). Toetsing algemene en specifieke zorgplichtbepalingen Het benoemen hoe aan de zorgplichtbepalingen in de Omgevingswet getoetst is in een rapportage, is voldoende om aan de algemene en specifieke zorgplichtbepalingen te voldoen. De zorgplichten zijn niet vergunning plichtig, dus het is niet noodzakelijk om het voor te leggen aan bevoegd gezag. De zorgplichten kunnen elkaar aanvullen en versterken, omdat zij toezien op bepaald onderdelen van de natuur in de fysieke leefomgeving die soms kunnen samenvallen.
Zo kan een habitat van een bedreigde soort bijvoorbeeld in een boom bevinden, waarmee zowel in het kader van de specifieke zorgplicht voor een flora - en fauna-activiteit als de specifieke zorgplicht voor het vellen van een houtopstand gevraagd kan worden om de boom en het habitat intact te laten. Om deze reden kan de toets aan de zorgplichtbepalingen het beste in één paragraaf worden behandeld, na de toets aan de verschillende beschermingsregimes voor gebieden, soorten en houtopstanden. Een belangrijke noot is dat in de zorgplichten staat aangegeven dat de gevra agde zorg naar redelijkheid moet kunnen worden gevergd. Een initiatiefnemer moet er redelijkerwijs alles aan doen om overtreding van de zorgplichtbepalingen te voorkomen. Er worden volgens de toelichting op het Aanvullingsbesluit Natuur ‘geen extreme eisen gesteld. Wel wordt vereist dat de zorgvuldigheid aan de dag wordt gelegd die in redelijkheid vanuit een oogpunt van natuurbescherming mag worden geëist. Onder «zoveel mogelijk» […] moet niet alleen worden verstaan hetgeen fysisch, qua resultaat mogelijk i s, maar ook hetgeen redelijkerwijs van degene die de schade veroorzaakt kan worden gevergd.’ Bij de toetsing van de redelijkheid kan bijvoorbeeld gedacht worden aan financiële aspecten, ruimtelijke aspecten en/of planning technische aspecten.
Afhankelijk van de situatie zal deze beoordeling volgens het Aanvullingsbesluit Natuur worden gemaakt door de initiatiefnemer (en/of diens adviseur). Wat redelijkerwijs gevergd kan worden, verschilt per initiatiefnemer. Er kan minder worden verwacht van een particulier dan van een ondernemer of bedrijf. Wat in ieder geval mag worden gevraagd is het in beeld brengen van de gebieden en soorten die worden genoemd en het voorkomen van effecten door bijv. kwetsbare perioden te ontzien. In hoeverre nader onderzoek naar het vo orkomen van de genoemde soorten en het treffen van passende preventieve of passende herstelmaatregelen kunnen worden gevergd, zal in de praktijk afhangen van de ruimte en het vermogen van een initiatiefnemer. Welke maatregelen nodig zijn om nadelige gevolg en te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken, hangt van de definitie van een ‘nadelig gevolg’. De regels in de Wnb zijn in principe beleidsneutraal opgenomen in de Ow (volgens de toelichting op het Aanvullingsbesluit Natuur). Zoals ook toegelicht in het Aanvullingsbesluit Natuur, geldt dat, waar sprake is van een beleid neutrale omzetting, op de parlementaire geschiedenis van de Wnb kan worden teruggevallen voor de uitleg van bepalingen.
Afgezien van de concretere uitwerking van de specifieke zorgplichten in lid 2 van de betreffende artikelen, is de belangrijkste vraag wat precies wordt bedoeld met een nadelig gevolg. Pas als deze (dreigen) zich voordoen met betrekking tot de genoemde gebieden of soorten, zijn er namelijk maatregelen vereist (passende preventieve maatregelen of passende herstelmaatregelen). Daarnaast is de definitie relevant met betrekking tot soorten die in beeld moeten worden gebracht waar de activiteit een nadelig gevolg op kan hebben, gezien de verwijzing naar verschillende uitgebrei de lijsten met kwetsbare tot bedreigde soorten en de hiermee gepaard gaande potentieel intensieve onderzoeksinspanning. In de parlementaire geschiedenis van de Wnb wordt aangegeven dat de zorgplicht met name bedoeld is als instrument om de in het wild levende planten en dieren (en overigens ook habitats) in een gunstige staat van instandhouding te houden. Dit vergt vooral een focus op mogelijke nadelige gevolgen op de staat van instandhouding en niet zozeer op nadelige gevolgen voor ieder exemplaar afzonderlijk (of ieder oppervlak van een habitattype). NATUURWAARDENONDERZOEK 53053.1 – DE OMLOOP (SPORTPARK) RHOON 53 Juridisch kader stikstofdepositie Vooralsnog blijft de inhoudelijke beoordeling met betrekking tot stikstofdepositie op Natura 2000 -gebieden grotendeels hetzelfde als onder de Wnb.
Onder de Ow wordt het Programma stikstofreductie en natuurverbetering voortgezet. Ook de beleidsregels met be trekking tot intern en extern salderen blijft voorlopig onveranderd, al is er wel een internetconsultatie afgerond voor het vergunning plichtig stellen van intern salderen. In de Ow is de mogelijkheid opgenomen voor vergunningverlening voor Natura 2000 - activiteiten met een stikstofdepositie op basis van stikstofdepositieruimte volgens een register (huidig stikstofregistratiesysteem (SSRS)). Vanwege de noodzaak, zijn de regels voor het vrijgeven van stikstofdepositieruimte tijdelijk opgenomen in de Or in pla ats van het Bkl totdat Bkl is gewijzigd. De beoordelingsregel voor Natura 2000 -activiteiten met stikstofdepositie betreft vergunningverlening aan de hand van stikstofdepositieruimte in AERIUS Register (art. 17a.2 Or, tijdelijk i.p.v. art. 8.74e Bkl). AERIU S Register registreert per stikstofgevoelig N2000-gebied wat de stikstofreductie is door stikstofmaatregelen en aan het register zijn gekoppeld. Hierbij is te denken aan onder andere sluitingen varkenshouderijen (art. 17a.3, lid 1 Or). De stikstofdepositie ruimte wordt alleen toebedeeld aan bouw van aardgasvrije woningen, bepaalde snelwegen of gemelde PAS-activiteiten (art. 17a.2, leden 4 en 5 Or).
Let op! voor vergunningverlening moet er wel eerst stikstofdepositieruimte zijn! Voor de bouwsector is het van belang dat door inwerkingtreding van de Ow ook het tweede deel van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) en het bijbehorende Besluit in werking treedt, dat onder meer toeziet op een emissiereductieplicht. Deze pli cht is uitgewerkt in artikel 7.19a van het Bbl en houdt in dat bij het verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden, adequate maatregelen worden getroffen om de emissie van stikstofverbindingen naar de lucht te beperken. Volgens de toelichting van het hiervo or aangegeven besluit moeten initiatiefnemers informatie aanleveren over de maatregelen die bij een concreet project getroffen worden bij het indienen van een sloopmelding aan het bevoegd gezag. Indien er voor de bouwactiviteit een omgevingsvergunning moet worden aangevraagd, moet deze informatie bij deze aanvraag gevoegd worden. Voor de invulling van de emissiereductieplicht en het treffen van adequate maatregelen is er een programma Schoon en Emissie loos Bouwen (SEB) opgesteld. Op de website www.opwegnaarseb.nl staat meer informatie. NATUURWAARDENONDERZOEK 53053.1 – DE OMLOOP (SPORTPARK) RHOON 54 Disclaimer Deze rapportage is vervaardigd op verzoek van de opdrachtgever zoals hierboven aangegeven.
Niets uit deze rapportage mag, met uitzondering van de opdrachtgever, worden vermenigvuldigd of openbaar gemaakt worden door middel van scanning, druk, internet, kopie of andere wijze zonder schriftelijke toestemming van Ecofect B.V., noch mag het zonder deze toestemming voor een ander doel gebruikt worden dan waarvoor het vervaardigd is. Ecofect B.V. is niet aansprakelijk voor vervolgschade, alsmede schade die voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van de werkzaamheden of andere gegevens verkregen. De opdrachtgever vrijwaart Ecofect B.V. voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Omdat ecologisch onderzoek een momentopname is, kan de aanwezigheid van bescherm de soorten soms niet worden uitgesloten of bevestigd. Daarnaast is de natuurwetgeving aan verandering en jurisprudentie onderhevig. Wij zijn echter niet aansprakelijk voor de gevolgen van onverwacht verschijnende of verdwijnende flora of fauna, noch voor de gevolgen van veranderende wetgeving of jurisprudentie.
© 2025 Ecofect B.V.; Nunspeet Nader onderzoek soorten NADER ONDERZOEK STEENUIL /KERKUIL Conform inventarisatieprotocol NGB & kennisdocument BIJ12 Locatie onderzoek : De O mloop Rhoon locatie Sportpark Datum: 23 juni 2025 Project: NOU53226 NADER ONDERZOEK STEENUIL– DE OMLOOP RHOON LOCATIE SPORTPARK Colofon Onderzoek | Nader onderzoek steen- & kerkuil Document | NOU53226 Datum | 23 juni 2025 Locatie | De Overloop Rhoon locatie | sportpark Opdrachtgever | BJZ.nu B.V. Opdrachtnemer | Ecofect B.V. Ecoloog | Mw. M. van Hoorn Adres | Laan 21, 8075 JG Nunspeet Telefoon | 06-12918775 Email | info@ecofect.nl Internet | www.ecofect.nl KvK-nummer | 87036487 Btw-identificatienr. | NL864184311B01 Rekeningnummer | NL39 RABO 0198 8908 69 2 3 NADER ONDERZOEK STEENUIL– DE OMLOOP RHOON LOCATIE SPORTPARK INHOUD 1. Inleiding 4 1.1 Aanleiding 4 1.2 Planlocatie 4 1.3 Ontwikkelingen 5 2. Wettelijk kader 7 3. Methode 8 3.1 Soortbeschrijving steenuil 8 3.2 Soortbeschrijving kerkuil 8 3.3 Methodiek 9 4. Resultaten 10 5. Conclusie 11 6. Verantwoording 12 7. Bijlage 13 4 NADER ONDERZOEK STEENUIL– DE OMLOOP RHOON LOCATIE SPORTPARK 1. Inleiding 1.1 Aanleiding Met de voorgenomen ontwikkelingen aan De Omloop te Rhoon heeft BJZ.nu B.V. aan Ecofect B.V. gevraagd een nader onderzoek steenuil (Athene noctua) & kerkuil (Tyto alba) uit te voeren t.b.v.
het vergunning traject en inzicht te verschaffen of de geplande uit te voeren werkzaamheden conflicteren met de Omgevingswet. Voorliggend rapport geeft inzicht in het wettelijk kader, de gebruikte methodiek en de resultaten van het uitgevoerde onderzoek. 1.2 Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Omloopseweg/ Essendijk te Rhoon. Het betreft meerdere agrarische percelen die dienen als wei - en graslanden. De percelen zijn omringd door intensief beheerde sloten. Op de planlocatie zijn opstallen aanwezig, namelijk een kas en een paardenstal. De stal heeft stenen muren, houten gevelbekleding en is voorzien van een dak bedekt met golfplaten en dakbeschot. De kas bestaat uit glazen wanden met betonnen afwerking en een zadeldak. De paardenstal is omgeven door erfverharding i n combinatie met enkele struiken en bomen. De sloot nabij het erf betreft een extensief beheerde sloot met begroeide oevers. De omgeving heeft een landelijk karakter. Figuur 1-planlocatie en onderzoeksgebied
5 NADER ONDERZOEK STEENUIL– DE OMLOOP RHOON LOCATIE SPORTPARK 1.3 Ontwikkelingen Initiatiefnemer is voornemens om het plangebied te herontwikkelen. Het naastgelegen gebied (blauw omkaderd) wordt in een ander onderzoek benaderd. De opstallen binnen de grenzen van het plangebied zullen worden gesloopt. De bomenrijen blijven voornamelijk intact en waar mogelijk versterkt. Aan de oostzijde zal een deel van de begroeiing verwijderd worden. De watergang blijft bestaan. De functie van de planlocatie zal veranderen naar wonen (figuur 2). Voor inhoudelijke vragen over het ontwerp of de inrichtin g wordt verwezen naar de opdrachtgever. Figuur 2: conceptinrichting planlocatie Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn blijvend van karakter. De functie en ecologie van het plangebied zal veranderen. De mogelijk negatieve effecten van de ingreep in relatie tot beschermde natuurwaarden zijn: • Sloop- en Bouwwerkzaamheden • Afvoer sloopmateriaal en verwijderen van vegetatie, verleggen watergangen • Perceel bouwrijp maken • Herinrichting perceel bij hetwelk functie recreatie verwacht kan worden