3. 426212 Raadsvoorstel bestemmingsplan Buijtenland van Rhoon 2021.pdf
Tekst van het document
In Bijlage 2 Toelichting gebruik mogelijkheden Chw is aangegeven op welke manier gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheden van de pilot‐status onder de Crisis‐ en herstelwet. Rolverdeling Drie partijen vervullen een sturende rol bij de realisatie van het Streefbeeld; de gebiedscoöperatie, de gemeente en de provincie. Deze rolverdeling ziet op twee verschillende taken. 1. de realisatie van het Streefbeeld; 2. het opstellen (en uiteindelijk vaststellen) van een bestemmingsplan. Voor de realisatie van het Streefbeeld zijn de gebiedscoöperatie en provincie aan zet, waarbij de rol‐ en taakverdeling is vastgelegd in een samenwerkingsovereenkomst. De gebiedscoöperatie is de uitvoeringsorganisatie die verantwoordelijk is voor de planvorming, realisatie en beheer van het gebied. Zij verpachten de ter beschikking gestelde gronden en zijn eerste aanspreekpunt voor nieuwe ontwikkelingen. Ook zijn zij verantwoordelijk voor de monitoring en doet daarvan verslag in jaarplannen. De provincie is eindverantwoordelijk voor de realisatie van het project, waarbij de gebiedscoöperatie de ruimte wordt geboden om binnen de overeengekomen kaders tot zelfrealisatie over te gaan. Daartoe stelt de provincie middelen (grond en geld) ter beschikking aan de gebiedscoöperatie en ziet de provincie toe op de voortgang en de uitvoering van het project.
Als dat nodig is om tot realisatie te komen, zal de provincie ook tot grondverwerving en onteigening over gaan. Voor het opstellen van het bestemmingsplan is de gebiedscoöperatie initiatiefnemer en de gemeente het bevoegd gezag om het bestemmingsplan uiteindelijk vast te stellen. Ook de provincie heeft hierin een rol en toetst het provinciaal belang. Het bestemmingsplan moet de realisatie van het Streefbeeld mogelijk maken. Dit kan door enerzijds de gewenste situatie te bestemmen, anderzijds door vergunningen voor nieuwe ontwikkelingen te verlenen. De gebiedscoöperatie voorziet de gemeente bij de vergunningverlening van advies.
12/188
Uiteraard bestaat er grote samenhang tussen de realisatie van het Streefbeeld en het bestemmingsplan. Zoals gezegd worden de gronden zodanig bestemd dat wordt bijgedragen aan de doelen van het Streefbeeld. Zo is het grootste deel van het gebied bestemd als Hoogwaardige akkernatuur. Tegelijkertijd zullen zich nieuwe ontwikkelingen in het gebied voordoen, die eveneens bijdragen aan de doelen van het Streefbeeld. Het bestemmingsplan maakt dergelijke ontwikkelingen mogelijk door het opnemen van flexibiliteitsbepalingen. Door de verwevenheid tussen de realisatie van het Streefbeeld en het opstellen van het bestemmingsplan, werken gebiedscoöperatie, gemeente en provincie samen bij het opstellen van het bestemmingsplan. Samenwerking in de praktijk De samenwerking tussen gemeente en gebiedscoöperatie op basis van dit bestemmingsplan, vindt plaats op het gebied van beleidsvorming als vergunningverlening. De gebiedscoöperatie is eerste aanspreekpunt voor initiatiefnemers die ontwikkelingen in het Buijtenland van Rhoon willen realiseren. Bij concrete aanvragen voor vergunningen op basis van het bestemmingsplan, adviseren zij de gemeente hierover. De gemeente neemt als bevoegd gezag uiteindelijk een besluit over de aanvraag. In dit bestemmingsplan wordt gewerkt met beleidsregels. Deze kunnen al naar gelang de behoefte worden uitgebreid of aangepast.
Ook hierin heeft de gebiedscoöperatie een adviserende rol richting gemeente. De gemeente stelt nieuwe of aangepaste beleidsregels vast. Hierin is het college het bevoegd gezag.
1.2
Ligging plangebied
Het plangebied Buijtenland van Rhoon is aan weerszijden ingesloten door de dorpen Rhoon en de VINEX locaties Portland en Carnisselande (Barendrecht). De zuidoostzijde van het plangebied loopt gelijk aan de gemeentegrens met de gemeente Barendrecht. In de zuidzijde van het plangebied ligt een golfbaan die grenst aan de Oude Maas. Net ten noorden van het plangebied ligt de snelweg A15. Het plangebied wordt van noord naar zuid doorkruist door een leidingstrook. Het gebied zelf is één van de dichtstbij gelegen open landschappen voor de bewoners van het stedelijk gebied van Rotterdam en omstreken. Bovendien is dit gebied het grootste resterende open groengebied van het eiland IJsselmonde. De Rand van Rhoon en het Binnenland van Rhoon zijn niet meegenomen in het plangebied, ondanks dat in het vigerende bestemmingsplan 'Buytenland van Rhoon' deze gebieden wel waren meegenomen. Voor het gebied dat bekend staat als 'Rand van Rhoon' bestaat geen duidelijkheid over de gewenste invulling van het gebied. Voor het Binnenland van Rhoon is een bestuursovereenkomst gesloten tussen gemeente en provincie waarin de gewenste ontwikkelingen staan omschreven, maar over de verdere gewenste invulling van dit gebied bestaat nog onvoldoende duidelijkheid.
Wel heeft dit gebied (ten noorden van het plangebied) een belangrijke toekomstige functie voor het Buijtenland van Rhoon, in de vorm van een entreepoort. In deze entreepoort moet ruimte geboden worden aan bijvoorbeeld intensievere vormen van recreatie, een bezoekerscentrum, bijbehorende horeca en een recreatief transferium. Er is één gebied dat niet in het Streefbeeld is omschreven, maar wel wordt meegenomen in het plangebied. Dat is de golfbaan aan de Oude Maas en de directe omgeving ervan. Er zijn in dit gebied geen ontwikkelingen bekend die vragen om een nadere afweging. De mogelijkheden van de Crisis‐ en herstelwet zijn daarom niet nodig voor het gebied van de golfbaan en omgeving.
13/188
Figuur 1.1 ‐ Plangebied Buijtenland van Rhoon
1.3
Vigerend bestemmingsplan
Ter plaatse van het plangebied vigeert momenteel het 'Bestemmingsplan Buytenland'. Dit bestemmingsplan is op 19 juni 2013 vastgesteld door de gemeente Albrandswaard. In paragraaf 1.2.is beschreven waarom de omvang van het plangebied afwijkt van het plangebied uit het vigerende bestemmingsplan.
1.4
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 wordt het vigerende beleid weergegeven, waarna in hoofdstuk 3 de huidige en toekomstige (planologische) situatie beschreven worden. In hoofdstuk 4 worden de relevante omgevingsaspecten toegelicht en in hoofdstuk 5 komt de artikelsgewijze toelichting aan de orde. Hierin staat welke keuzes zijn gemaakt bij het opstellen van de regels. Tot slot wordt in hoofdstuk 6 ingegaan op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.
14/188
Hoofdstuk 2 2.1
Ruimtelijk beleidskader
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt een overzicht geboden van de ruimtelijk relevante beleidskaders voor het plangebied. Achtereenvolgens wordt ingezoomd op het geldende rijksbeleid, provinciaal beleid en gemeentelijk beleid. Samen vormen deze de beleidskaders waarbinnen de beoogde ontwikkeling plaats dient te vinden.
2.2
Rijksbeleid
2.2.1
Nationale Omgevingsvisie (2020) en Barro (2020)
In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) formuleert het Rijk een nieuwe integrale aanpak waarin samen met andere overheden en organisaties optimaal kan worden gewerkt aan behoud van een gezond, leefbaar en economische sterk Nederland. Met steeds een zorgvuldige afweging van belangen spelen de volgende vier prioriteiten de komende een grote rol in de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving van Nederland: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio’s; en een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Nationale belangen Het Rijk laat de ruimtelijke ordening meer over aan gemeenten en provincies en kiest voor een selectieve inzet van rijksbeleid op 21 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk voor de resultaten. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. De belangen zijn momenteel nog vertaald in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Na ingang van de Omgevingswet wordt dit vertaald in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). In het Barro gaat het om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, het Natuurnetwerk Nederland, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee.
Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. In het plangebied Buijtenland van Rhoon zijn meerdere nationale belangen uit de NOVI verankerd. Het gaat daarbij om de volgende belangen: 1. Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving. 2. Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit. 3. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. 4. Beperken van klimaatverandering. 5. Waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen. 6. Waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk‐economisch vestigingsklimaat. 7. Ontwikkelen van een duurzame voedsel‐ en agroproductie. 8. Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang. 9. Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit.
15/188
Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en in 2020 voor het laatst geactualiseerd. Het Barro stelt niet alleen regels omtrent de aangewezen nationale belangen zoals genoemd in de Nationale Omgevingsvisie, maar stelt ook regels die in bestemmingsplannen moeten worden opgenomen, om deze belangen te borgen. In figuur 2.1 is onder andere te zien dat het plangebied specifiek is aangewezen als natuur‐ en recreatiegebied vanuit het Barro.
Figuur 2.1 ‐ het groene vlak is natuur‐ en recreatiegebied Midden‐IJsselmonde. Blauw is rivierbed. (bron: Ruimtelijke plannen) Toetsing en conclusie ‐ NOVI In de NOVI komen een viertal beleidskeuzes voorbij die relevant zijn voor het gebruik van het gebied Buijtenland van Rhoon. De vier beleidskeuzes worden hieronder behandeld. De beleidskeuzes komen voort uit prioriteit 4) 'een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied'. Beleidskeuze 4.1 ‐ In het landelijk gebied verbeteren we de balans tussen het landgebruik en de kwaliteit van landschap, bodem, water en lucht. Het Rijk stelt dat herstel en verbetering van de Nederlandse natuur als geheel noodzakelijk is. Dat wil het Rijk behalen door natuurversterking en natuurinclusieve inrichting van de ruimte. Daarbij is het enerzijds het beschermen van de natuur tegen schadelijke middelen en anderzijds een prettig ruimtelijk leefklimaat heerst. Dat prettige leefklimaat is onder andere te behalen door het voeren van natuurinclusieve landbouw. Het Rijk stelt hier momenteel een nationaal programma Landelijk Gebied voor op. In dit programma wordt aandacht besteed aan herstel van natuur, maar ook van bodem‐ en watersystemen en klimaatadaptatie.
16/188
Het Buijtenland van Rhoon is een van de eerste natuurinclusieve landbouwprojecten in Nederland en loopt vooruit op de beleidskeuze vanuit het Rijk. Met de beoogde doelen wordt invulling gegeven aan zaken als natuur‐ en bodemherstel. Met de uitvoering van dit bestemmingsplan wordt invulling gegeven aan het verbeteren van de balans van landgebruik in het landelijk gebied. Dit verbetert de kwaliteit van landschap, bodem, water en lucht. Beleidskeuze 4.2 ‐ De biodiversiteit wordt beschermd en versterkt en het natuurlijk kapitaal duurzaam benut. Door de intensivering van de landbouw is de Nederlandse land‐ en waternatuur jarenlang achteruit gehold. Het Rijk wil dat de komende jaren dat de biodiversiteit herstelt. Het Buijtenland van Rhoon dat is gelegen in het Natuurnetwerk Nederland vormt een ideale uitgangspositie om het gebied om te vormen naar extensief landbouwgebied. Dit geeft de biodiversiteit een impuls. In het Streefbeeld zijn diverse (met name landbouw‐ en natuur‐) doelen gesteld om de biodiversiteit te versterken in het gebied. Er wordt ingezet op het versterken van de akkerflora in het gebied en het aantrekken van o.a. meer akkervogels. Beleidskeuze 4.3 ‐ Er wordt een duurzaam en vitaal landbouw‐ en voedselsysteem mogelijk gemaakt, gebaseerd op kringlopen en natuurinclusiviteit.
Het Rijk stelt dat de relatie tussen landbouw, landschap en natuur sterker en organischer moet worden dan het nu is. Om hier invulling aan te geven wil de overheid inzetten op kringlooplandbouw en natuurinclusieve landbouw. Precies de richting waar het gebied Buijtenland van Rhoon zich ook naar toe beweegt. Het doel is om een gezond ecosysteem te ontwikkelen waar de natuur niet leidt onder de landbouw, maar de natuur en de landbouw elkaar versterken en waar de boer gewoon zijn boterham mee kan blijven verdienen. Om dat laatste doel ook te bereiken worden er voor de boeren ook recreationele nevenactiviteiten mogelijk gemaakt. Beleidskeuze 4.4 ‐ Unieke landschappelijke kwaliteiten worden versterkt en beschermd. Nieuwe ontwikkelingen in het landelijk gebied voegen landschapskwaliteit toe. Omgevingsbeleid wordt landschapsinclusief. Het Buijtenland van Rhoon is een van de eerste grote weidse gebieden buiten Rotterdam. Met dit bestemmingsplan wordt de bescherming en het behoudt van dat gebied voortgezet. Bovendien wordt het gebied zo ingericht dat er de ecologische en cultuurhistorische waarde versterkt wordt. Dit maakt het landelijk gebied vitaal. Vitaal platteland is een gebied waar het prettig wonen, werken en recreëren is. Voor de agrariërs in het gebied liggen er onder andere kansen om nieuwe (tevens ondergeschikte recreationele) verdienmodellen op te zetten.
Met het voorliggende bestemmingsplan wordt invulling gegeven aan een van de vier hoofdprioriteiten uit de NOVI: het toekomstigbestendig maken van het landelijk gebied. Het project is een van de voorlopers in Nederland en is zo ingericht dat er veel gemonitord, bijgestuurd en geleerd kan worden.
17/188
Toetsing en conclusie ‐ Barro Om de haven van Rotterdam uit te breiden en zo zijn concurrentiepositie te behouden heeft de Nederlandse overheid besloten de mainport Rotterdam te versterken, met respect voor de natuur, milieu en kwaliteit van de leefomgeving in Rijnmond. Daartoe is de Project Mainportonwikkeling Rotterdam (PMR) gestart. Het PMR kent drie deelprojecten 1) uitbreiding op de Maasvlakte 2 inclusief natuurcompensatie, 2) aanleg van 750 ha nieuwe natuur en recreatiegebieden op Midden‐IJsselmonde en ten noorden van Rotterdam en 3) versterking van het bestaande Rotterdamse havengebied om de kwaliteit van leefomgeving in de regio te verbeteren. In 2006 is het gebied Buijtenland van Rhoon reeds opgenomen in de Planologisch Kernbeslissing Project Mainportontwikkeling Rotterdam (PMR) als locatie voor hoogwaardige natuur en recreatie met agrarisch medegebruik en in 2011 is dit in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) benoemd als openbaar toegankelijk natuur‐ en recreatiegebied Midden‐IJsselmonde (zie figuur 2.1.). Om via dit bestemmingsplan de realisatie van het Streefbeeld mogelijk te maken is ontheffing van het Barro noodzakelijk.
De gemeente Albrandswaard vraagt de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) voor het ter visie leggen van het ontwerpplan ontheffing te verlenen van artikel 2.2.8, waarin wordt ingezet op openluchtrecreatie met natuurwaarden (ten noorden van de Essendijk) en op hoogwaardige natuur met recreatief medegebruik (ten zuiden van de Essendijk). De minister van BZK heeft op (pm) ontheffing verleend. Dit betekent dat het ontwerpbestemmingsplan geen strijdigheden bevat met het Barro. Ook ligt het plangebied deels in het stroomgebied van De Maas en doorkruist de buisleidingenstraat Nederland het gebied. Voor dit deel van het plangebied geldt een conserverend karakter voor de aldaar liggende bestemmingen. 2.2.2 Structuurvisie Buisleidingen 2012‐2035 (geconsolideerd, 2019) Het doel van de Structuurvisie is om ruimte vrij te houden voor de aanleg van toekomstige buisleidingen van nationaal en internationaal belang voor het transport van gevaarlijke stoffen. Met de Structuurvisie Buisleidingen wil het Rijk duidelijkheid verschaffen aan zowel het bedrijfsleven dat daarmee kan rekenen op goede verbindingen voor buisleidingtransport, als aan provincies en gemeenten die hierop hun ruimtelijke plannen kunnen afstemmen.
Gezien de ruimtelijke ontwikkelingen die in de laatste decennia hebben plaatsgevonden (grotere ruimtedruk) en die in de toekomst zullen voortgaan, zal in deze Structuurvisie met name de borging van het beleid in de plannen van andere overheden en in het leidingenbeheer bij leidingexploitanten een zwaarder accent hebben. Het Rijk ziet het bieden van ruimte voor leidingen van nationaal belang als vorm van goede nationale ruimtelijke ordening. Daarom wil het zelf zorg dragen voor het vrijhouden van ruimte op de hoofdverbindingen van buisleidingtransport van gevaarlijke stoffen en het bieden van ruimte voor toekomstige ontwikkelingen. Deze vrij te houden ruimte is vastgelegd in de voorliggende Structuurvisie Buisleidingen en de ruimtelijke doorwerking zal via het Barro in de bestemmingsplannen worden geregeld.
18/188
Figuur 2.2 ‐ ligging buisleidingtracé zoals opgenomen in de structuurvisie buisleidingen Toetsing en conclusie Vanaf het noorden van het plangebied naar het zuiden loopt de buisleidingenstraat Nederland. Dit is een tracé van 100 meter breed gereserveerd voor buisleidingen en deze loopt van de Rotterdamse haven naar Zeeland/Antwerpen. Deze leidingstrook wordt in het voorliggende bestemmingsplan geborgd middels een dubbelbestemming. 2.2.3
Ladder voor duurzame stedelijke ontwikkeling (art. 3.6.1 Bro, juli 2017)
In het Besluit ruimtelijke ordening is in artikel 3.1.6 vastgelegd dat voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen de ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen moet worden. Voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied moet de behoefte worden beschreven en worden gemotiveerd waarom niet binnenstedelijk in de behoefte kan worden voorzien. Toetsing en conclusie Er is één nieuwe stedelijke ontwikkeling in het plangebied Buijtenland van Rhoon. Het gaat om de horecavoorziening Graaf van Portland, in het oosten van het plangebied. In de ruimtelijke onderbouwing (Bijlage 4) is de ladder onderbouwd voor deze ontwikkeling. Verder zijn er geen ladderplichtige ontwikkelingen mogelijk in het gebied.
19/188
2.3
Provinciaal beleid
Het vigerende provinciaal beleid voor het plangebied is vervat in de Omgevingsvisie Zuid‐Holland (2020‐08‐01) en de Omgevingsverordening Zuid‐Holland (2020‐08‐01). Relevante zaken uit dit beleid worden getoetst aan de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. 2.3.1
Omgevingsvisie Zuid‐Holland (2020, geconsolideerd)
Agrarische bebouwing en bedrijfsvoering De provincie biedt ruimte voor een vitale landbouw die waar mogelijk bijdraagt aan behoud en versterking van de landschappelijke kernkwaliteiten en de biodiversiteit. Het oprichten van agrarische bebouwing is mogelijk, mits de openheid bewaard blijft. Er geldt daarom een maximum van 2 hectare per bouwperceel. Indien nodig is er extra ruimte van 0,5 hectare voor de verbreding van activiteiten, zoals recreatie. Ook is het voor akkerbouwbedrijven mogelijk een nabijgelegen perceel over te nemen in het kader van een duurzame en efficiënte bedrijfsvoering. Er mag dan één bouwperceel van meer dan 2 hectare in gebruik worden genomen. Voorwaarde is dat het bouwperceel met de opstallen van het achtergelaten bedrijf worden gesaneerd. Voor de bedrijfswoning kan eventueel een uitzondering worden gemaakt als omzetting naar een burgerwoning ter plaatse past in het provinciale beleid voor ruimtelijke kwaliteit. Toetsing Nieuw op te richten en bestaande agrarische bouwpercelen mogen maximaal 2 hectare in oppervlakte zijn. In dit plan worden natuur, landbouw en recreatie meer verweven met elkaar. Deze combinatie is nodig voor een duurzame en efficiënte bedrijfsvoering.
Indien akkerbouwers zich naast (natuurinclusieve) landbouw ook gaan verbreden, bijvoorbeeld met recreatie‐activiteiten, mogen zij maximaal 0,5 hectare extra bouwperceel oprichten tot een maximum van 2,5 hectare aaneengesloten bouwperceel. De bestaande agrarische bedrijven zullen een keuze moeten maken tussen voortzetting van het agrarische bedrijf onder de voorwaarden uit dit bestemmingsplan of omzetting naar een woonbestemming conform het vigerende bestemmingsplan. Stedelijke ontwikkelingen buiten bestaand stads‐ en dorpsgebied De provincie zet in op het beter benutten van het bestaand stads‐ en dorpsgebied. Beter benutten van de bebouwde ruimte krijgt ruimtelijk invulling door verdichting, herstructurering en binnenstedelijke transformatie. Indien een gemeente een nieuwe stedelijke ontwikkeling wil realiseren, wordt de Ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen. Behoud en versterking biodiversiteit Het provinciale beleid is gericht op het behouden, herstellen en op langere termijn vergroten van de biodiversiteit in Zuid‐Holland, inclusief de biodiversiteit van de bodem. Om dit doel te bereiken zet de provincie in op duurzaam beheer, bescherming en voltooiing van de het Natuurnetwerk Nederland, meer natuurwaarden op boerenland en in recreatiegebieden.
Toetsing Met dit plan wordt de balans tussen natuur, recreatie en landbouw gezocht om tot behoud en vooral een vergroting van de biodiversiteit te komen. Het bestemmingsplan geeft de kaders aan waarbinnen de gebiedscoöperatie Buijtenland van Rhoon met haar leden actief zullen monitoren op het behouden en vergroten van de biodiversiteit.
20/188
Behoud en versterking ruimtelijke kwaliteit De provincie geeft richting en ruimte aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en gebiedskwaliteit. In de gehele provincie, zowel in het stedelijk gebied als in het landelijk gebied, beoogt het kwaliteitsbeleid een 'ja, mits‐beleid': ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit (waarborg ruimtelijke kwaliteit). In de visie wordt hiervoor verwezen naar de kwaliteitskaart. Het plangebied ligt geheel binnen beschermingscategorie 1 (exclusief wegen, woonkavels en erven). Het gebied kent de volgende kwaliteit: hoge en specifieke natuurwaarden binnen Zuid‐Holland, gebundeld in het NNN en Natura 2000, die met elkaar een substantiële bijdrage leveren aan de Europese biodiversiteit. Provincie en rijk hebben hier een gedeelde verantwoordelijkheid voor instandhouding en versterking van deze waarden. Ruimtelijke ontwikkelingen in gebieden met beschermingscategorie 1 zijn in beginsel alleen mogelijk voor zover ze bijdragen aan het behoud of de ontwikkeling van de specifieke waarden. De provincie onderscheidt vier lagen: de ondergrond, cultuur‐ en natuurlandschappen, stedelijke occupatie en beleving. Deze zijn allen van toepassing op het projectgebied. Ieder ondergrond kent zijn eigen richtpunten (specifieke waarden) om de ruimtelijke kwaliteit te versterken.
Het plangebied ligt in het gebiedsprofiel van IJsselmonde. Laag van de ondergrond In figuur 2.3 is te zien dat het gebied drie verschillende typen ondergrond kent; jonge zeeklei, oude en jonge stroomgordels en geulafzettingen. De relevante richtpunten van de provincie betreffende deze typen ondergrond zijn: Jonge zeeklei: Ontwikkelingen dragen bij aan het behoud van ruimte voor dynamische natuurlijke processen en zoet‐zoutovergangen in de Deltawateren en natuurlijke buitendijkse gebieden. Oude en jonge stroomgordels: Ontwikkelingen houden de onregelmatige patronen en het reliëf in het landschap herkenbaar en in stand. Waar mogelijk worden de archeologische waarden van deze structuren meer herkenbaar gemaakt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.
21/188
Figuur 2.3 ‐ Laag van de ondergrond (bron: Kwaliteitskaart Provincie Zuid‐Holland) Laag van de cultuur‐ en natuurlandschappen In het gebied komen verschillende cultuur‐ en natuurlandschappen voor, zie hiervoor figuur 2.4. De provinciale richtpunten per landschap zijn: Linten: Linten blijven linten als onderscheidende bebouwingsvorm in het gebied. Linten behouden hun lineaire karakter, waarbij de achterzijde van de bebouwing een direct contact met het landschap heeft en de voorzijde aan de openbare weg of waterloop grenst. Bij nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van een lint richtinggevend. Bij grootschalige ontwikkelingen blijft het lint herkenbaar als bebouwingsvorm. Dit betekent dat op gepaste afstand van het lint gebouwd wordt, waarbij het landschap, het lint en de nieuwe ontwikkeling bepalend zijn voor deze afstand. Het lint behoudt zijn eigen gezicht.
22/188
Rivierdijk Behoud van maat en weidsheid van de poldereenheden. Behouden van de doorzichten vanaf de dijk op het achterliggende landschap. Ontwikkelingen dragen bij aan behoud of herstel van de openbaarheid van oevers. Zeekleipolder Ontwikkelingen dragen bij aan het versterken van de karakteristieke kenmerken van de eilanden en de verschillen daartussen. Ontwikkelingen aan de rand van de eilanden passen bij de maat en schaal van de dijk en de deltawateren. Herkenbaar houden van het patroon van (ronde) opwas‐ en (langgerekte) aanwaspolders door behouden en versterken van de (beplante) dijk als herkenbare landschappelijke structuurdrager in contrast met de grootschalig, open polder. Bebouwing concentreert zich in of bij compacte kernen, niet in het open middengebied van de polders. Behoud van het contrast tussen de binnendijkse akkerbouwpolders en buitendijkse natuur. Buitendijks natuurlandschap Behoud of vergroten van ruimte voor dynamische natuurlijke processen, waterstanden en zoet‐zoutovergangen. Ontwikkelingen dragen bij aan het behouden of versterken van het contrast in natuurlijkheid tussen binnen‐ en buitendijks gebied.
Figuur 2.4 ‐ Laag van de cultuur‐ en natuurlandschappen (bron: Kwaliteitskaart Provincie Zuid‐Holland)
23/188
Laag van de stedelijke occupatie In het westen van het gebied ligt een strook dorpsrand ten zuiden van de Essendijk binnen het plangebied, zie figuur 2.5. De provincie heeft voor deze strook het volgende richtpunt opgesteld: Ontwikkelingen aan de stads‐ of dorpsrand dragen bij aan het realiseren van een rand met passende overgangskwaliteit (contact). Het contactlandschap betekent een geleidelijke overgang tussen bebouwd gebied en landschap. Stedelijke en landelijke programma’s vloeien in elkaar over. Het zijn gebieden met een hybride uitstraling en betekenis: recreatiegebieden, sportvelden, volkstuincomplexen, golfbanen, enzovoorts. Er wordt een geïntegreerde ontwikkeling ontworpen van woon‐, werk‐, productie‐ en vrijetijdslandschappen die zoveel mogelijk aansluiten bij de ruimtelijke kwaliteiten van het omringende landschap en met een goede dooradering van recreatieve routes. De dorpsrand is daarmee een zinvol gebied om bepaalde recreatieve ontwikkelingen in het Buijtenland van Rhoon te starten.
Figuur 2.5 ‐ Laag van de stedelijke occupatie (bron: Kwaliteitskaart Provincie Zuid‐Holland) Laag van de beleving In figuur 2.6 is te zien dat het plangebied ook diverse beleeflagen kent. Hieronder wordt per laag genoemd waar deze zich bevindt in het plangebied en met welke provinciale richtpunten rekening moet worden gehouden. Recreatie betreft alleen de golfbaan. De bestemming van de locatie van de golfbaan is conserverend van aard en daarom zijn de richtpunten voor recreatie niet relevant voor dit plan.
24/188
Natuur (komt voor in gehele plangebied, behalve op de golfbaan): Ontwikkelingen behouden of herstellen de wezenlijke natuurkenmerken en waarden van een gebied. Toegankelijkheid en gebruik zijn in evenwicht met de ecologische draagkracht ter plaatse. Stiltegebied (komt voor in plangebied ten zuiden van de Essendijk): In de stiltegebieden is alleen ruimte voor “gebiedseigen” geluid. Fiets‐ en wandelroutes: Voorkomen van (nieuwe) obstakels en omwegen in het recreatief netwerk. Recreatieve voorzieningen worden zoveel mogelijk gekoppeld aan recreatieknooppunten in het recreatieve netwerk. Waar mogelijk wordt gebruik gemaakt van het cultuurhistorisch erfgoed of andere recreatief interessante locaties.
Figuur 2.6 ‐ Laag van de beleving (bron: Kwaliteitskaart Provincie Zuid‐Holland).
25/188
Toetsing Het Buijtenland van Rhoon maakt onderdeel uit van het gebiedsprofiel IJsselmonde. In het plangebied worden natuur, recreatie en landbouw stevig vermengd. Het uitvoeren van de natuurinclusieve manier van landbouwen genereert naar verwachting niet voldoende inkomsten om volledig zelfvoorzienend te zijn. Boeren zullen daarom een vergoeding voor hun natuurprestatie moeten krijgen en ook neveninkomsten uit recreatie kunnen gaan halen. Op deze manier worden natuur, recreatie en landbouw direct verbonden en van elkaar afhankelijk. De ontwikkelingen die dit bestemmingsplan mogelijk maakt dragen bij aan het behalen van deze drie doelen. Behouden en versterken landschappen De provincie zet in op een betere, gebiedsgerichte verweving van de verschillende ‘klassieke’ functies in de groene ruimte (landbouw, natuur, recreatie, water, cultuurhistorie) en een betere relatie tussen stad en land. Daarmee wil de provincie gebruikswaarde, toekomstwaarde en belevingswaarde van de verschillende Zuid‐Hollandse landschappen behouden en versterken. De klimaat‐ en energie‐efficiënte samenleving stelt nieuwe eisen aan de groene ruimte. Deze worden zo veel mogelijk ingepast met behoud of zelfs verbetering van bestaande functies.
De provincie wil samen met haar partners een kwaliteitsslag maken in de groene ruimte binnen en buiten de stad, zodanig dat de intrinsieke waarden worden beschermd en versterkt, en dat de groene ruimte aansluit bij de vraag van de gebruikers en bewoners, toekomstbestendig is en bijdraagt aan de identiteit en ruimtelijke kwaliteit van Zuid‐Holland. Toetsing De gewenste ontwikkeling dient te worden voltrokken binnen de hierboven genoemde kaders zoals gesteld in de Omgevingsvisie vanuit de provincie Zuid‐Holland. In dit bestemmingsplan wordt een hogere verweving tussen natuur, recreatie en landbouw nagestreefd. Completering Natuurnetwerk Nederland inclusief ecologische verbindingen Het provinciale natuurbeleid is gericht op het behouden en waar mogelijk versterken van de biodiversiteit in de provincie. De realisatie (verwerving, inrichting en beheren) van de restantopgave aan ‘nieuwe natuur’ ten behoeve van het Natuurnetwerk Nederland draagt daaraan bij. Toetsing De provincie heeft diverse boerderijen/percelen in het plangebied aangekocht op basis van een volledige schadeloosstelling, ter voorkoming van onteigening, om te werken aan de realisatie van het provinciale natuurbeleid.
Hiermee geeft de provincie invulling aan het Bestuursakkoord inzake uitvoering van het 'Project Mainport Rotterdam (PMR)' waarin is afgesproken dat de provincie in opdracht van het Rijk uitvoering geeft aan de realisatie van 750 ha natuur‐ en recreatiegebied. Onderdeel van deze opgave is de realisatie van 600 ha bruto natuur en recreatie in het 'Buijtenland van Rhoon'. Op de aangekochte locaties worden mogelijkheden geboden aan ondernemers om landbouw, recreatie en natuur te verbinden. Onroerende zaken worden door de provincie ter beschikking gesteld aan de Gebiedscoöperatie Buijtenland van Rhoon.
26/188
Groene buffers Het contrast tussen de dynamiek en dichtheid van de stad en de luwte van de aangrenzende groene ruimte is een belangrijke kwaliteit. De provincie wil in alle overgangsgebieden van stedelijk gebied naar open landschap deze contrastkwaliteit behouden. Het accent in de groene ruimte rond het stedelijk gebied ligt op een betere verweving van recreatie, natuur, water en landbouw. Toetsing Nagenoeg het gehele plangebied is aangewezen als groene buffer, beschermingscategorie 1 (exclusief wegen, woonkavels en erven). Alleen de golfbaan en een strookje langs de Maas vallen hier buiten. Ook is dit één van de eerste groene gebieden buiten de stedelijke omgeving van de stadsregio Rotterdam. In dit bestemmingsplan wordt gewerkt aan het verweven van recreatie, natuur en landbouw. Hierbij is natuurinclusieve landbouw de methode om natuur, recreatie en landbouw te vermengen. Een sterke verweving in het Buijtenland van Rhoon resulteert in een beter leef‐ en vestigingsklimaat in de regio Rotterdam. Versterking groenblauwe structuur De provincie Zuid‐Holland zet in op de versterking van de groenblauwe gebieden zowel in als buiten de stad. De provincie wil meer differentiatie aanbrengen in bestaande recreatieve gebieden door oog voor biodiversiteit en aansluiting bij identiteit en cultuurhistorische waarde van de omgeving.
Binnen bestaande recreatiegebieden is ruimte voor nieuwe recreatieve voorzieningen, passend bij de ruimtelijke kwaliteit van het gebied. Locaties waar recreatieve routes samenkomen en die een toegang vormen naar belangrijke recreatieve landschappen, worden beschouwd als ‘recreatieve poorten’. Hier wil de provincie ruimte bieden aan passende voorzieningen. Toetsing Middels dit plan wordt in elk geval beoogd de biodiversiteit te herstellen en versterken waardoor de recreatieve waarde van het gebied ook zal toenemen. In het gebied wordt het immers prettiger vertoeven. In het plangebied wordt verder ruimte geboden aan nieuwe recreatieve voorzieningen die bijdragen aan de versterking van het Buijtenland van Rhoon als recreatief gebied en tevens ondersteunend zijn aan het behalen van de natuur‐ en landbouwdoelstellingen binnen het gebied. De recreatieve activiteiten moeten dan wel passend zijn binnen het gebied en bijdragen aan het behalen van de in het gebied gestelde doelstellingen op gebied van natuur, recreatie en landbouw. Om de recreatieve activiteiten op de juiste plek te laten landen is in de recreatievisie (Bijlage 5) het plangebied onderverdeeld in vier zones waarbij rekening is gehouden met het verschil in recreatieve draagkracht binnen het plangebied.
Er wordt aansluiting gevonden met de identiteit en cultuurhistorische waarde in het gebied door het volgen van een beeldkwaliteitsplan voor de bebouwing en inrichting van erven. Ook wordt een beschermingszone opgenomen voor een nog te realiseren molen die vroeger ook in dit gebied voorkwam. Het gaat dan om de traditionele waterwipmolen. Als de molen gerealiseerd wordt, maakt dit het gebied aantrekkelijker om te bezoeken. Het aantrekken van voldoende bezoekers naar het gebied draagt bij aan het behalen van de doelstellingen uit het Streefbeeld.
27/188
2.3.2
Omgevingsverordening Zuid‐Holland (2020, geconsolideerd)
Artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit Lid 1. Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); b. als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: 1. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid; c. als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: 1. een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en 2.
het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid. Lid 2. Uitzonderingen vanwege beschermingscategorieën is een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 1, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 14 in bijlage II, kan niet voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in het eerste lid, onder b en c, tenzij het gaat om de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur of om een in het Programma ruimte uitgezonderde ruimtelijke ontwikkeling of een zwaarwegend algemeen belang en voorts wordt voldaan aan de onder b en c gestelde voorwaarden; Lid 3. Aanvullende ruimtelijke maatregelen zijn: a. de aanvullende ruimtelijke maatregelen kunnen bestaan uit (een combinatie van): 1. duurzame sanering van leegstaande bebouwing, kassen en/of boom‐ en sierteelt; 2. wegnemen van verharding; 3. toevoegen of herstellen van kenmerkende landschapselementen; 4. andere maatregelen waardoor de ruimtelijke kwaliteit verbetert. b. de onder a genoemde maatregelen worden in beginsel getroffen binnen hetzelfde plangebied als de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling, tenzij kan worden gemotiveerd dat het niet mogelijk is. In dat geval kunnen ook ruimtelijke maatregelen elders in de motivering inzake ruimtelijke kwaliteit worden betrokken; c.
in afwijking van onder b kan het bevoegd gezag in plaats van het treffen van ruimtelijke maatregelen een (gedeeltelijke) financiële compensatie verlangen door middel van een storting in een kwaliteitsfonds, dat is ingesteld op basis van de door provinciale staten vastgestelde regeling voor kwaliteitsfondsen, mits de daadwerkelijke uitvoering van de compenserende ruimtelijke kwaliteitsmaatregelen afdoende is verzekerd.
28/188
Lid 4. Een bestemmingsplan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt als bedoeld in het eerste lid bevat een beeldkwaliteitsparagraaf, waarin het effect van deze ontwikkeling op de bestaande kenmerken en waarden wordt beschreven en waaruit blijkt dat de ruimtelijke kwaliteit ten minste gelijk blijft, voor zover het gaat om een ruimtelijke ontwikkeling: a. waarbij de richtpunten van de kwaliteitskaart in het geding zijn; of b. die is gelegen op gronden binnen een beschermingscategorie als bedoeld in het tweede lid, onder a en b.
Figuur 2.7 ‐ het hele plangebied (behalve de golfbaan en het stukje langs de Maas alsmede wegen, woonkavels en erven) is Natuurnetwerk Nederland, met beschermingscategorie 1. (bron: Omgevingsverordening provincie Zuid‐Holland, 1 augustus 2020) Artikel 6.24 Natuurnetwerk Nederland en strategische reservering natuur Lid 1. Een bestemmingsplan voor gronden binnen het Natuurnetwerk Nederland, onderverdeeld in bestaande en nieuwe natuur, waternatuurgebied en ecologische verbinding, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 7 in bijlage II, wijst geen bestemmingen aan die de instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden significant beperken, of leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van die gebieden. Lid 6. Een bestemmingsplan voor het Buijtenland van Rhoon, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 7 in bijlage II, maakt hoogwaardige akkernatuur en (openlucht)recreatie mogelijk met ruimte voor extensieve agrarische bedrijvigheid, voor zover deze bijdraagt aan hoogwaardige akkernatuur en (open)luchtrecreatie en met behoud van landschappelijke elementen en cultureel erfgoed, alsmede leidingen voor telecommunicatie of het transport van gassen, vloeistoffen of elektriciteit.
29/188
Aanduiding Buijtenland van Rhoon De provincie heeft in de verordening de aanduiding 'Buijtenland van Rhoon' opgenomen. Dit gebied is aangewezen als Natuurnetwerk Nederland, beschermingscategorie 1 (figuur 2.7). Het hele gebied wordt in de provinciale verordening aangewezen als 'hoogwaardige akkernatuur' met recreatie: hoogwaardige akkernatuur met recreatief medegebruik (385 ha), alsmede (openlucht)recreatie met natuurwaarde met ruimte voor agrarische bedrijvigheid en met behoud van landschappelijke en cultuurhistorische elementen (215 ha). Om aan te geven dat niet de gehele bestemming wordt benut voor natuur is in artikel 6.24 het volgende opgenomen: Een bestemmingsplan voor het Buijtenland van Rhoon maakt hoogwaardige akkernatuur en (openlucht)recreatie mogelijk met ruimte voor extensieve agrarische bedrijvigheid, voor zover deze bijdraagt aan hoogwaardige akkernatuur en (openlucht)recreatie en met behoud van landschappelijke elementen en cultureel erfgoed, alsmede leidingen voor telecommunicatie of het transport van gassen, vloeistoffen of elektriciteit. Het gehele plangebied is bedoeld als mengfunctie hoogwaardige akkernatuur en recreatie met ruimte voor extensieve agrarische bedrijvigheid. Het hele gebied (exclusief wegen, woonkavels en erven) is binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland is gebracht.
Hierbinnen wordt hoogwaardige akkernatuur en recreatie ontwikkeld met ruimte voor extensieve agrarische bedrijvigheid. Het bestemmingsplan wordt getoetst op het borgen van natuur‐ en recreatiebelangen. Toetsing Het gehele plangebied (exclusief wegen, woonkavels, erven, de golfbaan en het stukje langs de Oude Maas) valt onder beschermingscategorie één. Dat betekent dat een ruimtelijke ontwikkeling altijd moet passen binnen de bestaande gebiedsidentiteit en niet voorziet in wijzigingen op structuurniveau, past binnen de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de richtpunten zoals beschreven in de kwaliteitskaart. Artikel 6.18 Agrarische bedrijven 1. Een bestemmingsplan voor agrarische gronden voldoet aan de volgende voor dit bestemmingsplan relevante voorwaarden: a. nieuwe agrarische bebouwing, uitgezonderd kassen en schuilgelegenheden voor vee, wordt geconcentreerd binnen een bouwperceel van maximaal 2 hectare; b. in afwijking van onderdeel a, kan bij samenvoeging van twee akkerbouwbedrijven de omvang van het agrarisch bouwperceel worden vergroot tot de op het moment van samenvoeging bestaande maximaal mogelijke planologische omvang van beide bouwpercelen gezamenlijk, mits het achter te laten bouwperceel wordt gesaneerd; c. nieuwe agrarische bebouwing is alleen mogelijk als deze noodzakelijk en doelmatig is voor de bedrijfsvoering van volwaardige agrarische bedrijven; d.
bij een volwaardig agrarisch bedrijf wordt ten hoogste één agrarische bedrijfswoning toegelaten; e. nieuwe kassen, anders dan bedoeld in de artikelen 6.15, 6.16 en 6.17, worden alleen toegelaten bij bestaande volwaardige glastuinbouwbedrijven tot een oppervlak van 2 hectare per bedrijf en bij bestaande volwaardige boom‐ en sierteeltbedrijven tot een oppervlak van 300 m2 per bedrijf; f. nieuwe boom‐ en sierteelt, anders dan bedoeld in artikel 6.16, wordt uitgesloten; g. nieuwe intensieve veehouderij als hoofdtak of als neventak wordt uitgesloten; h. verplaatsing van een op 1 januari 2017 in de provincie Zuid‐Holland bestaande intensieve veehouderij, kan worden toegelaten;
30/188
i.
uitbreiding of ingebruikname van bebouwing ten behoeve van een op 1 januari 2017 in de provincie Zuid‐Holland bestaande hoofdtak intensieve veehouderij, kan worden toegelaten binnen het bouwperceel van maximaal 2 hectare; j. uitbreiding of ingebruikname van bebouwing ten behoeve van een op 1 januari 2017 in de provincie Zuid‐Holland bestaande neventak intensieve veehouderij, kan worden toegelaten binnen het bouwperceel van maximaal 2 hectare, voor zover de neventak meer dan 20% bedraagt van de economische bedrijfsomvang; k. nieuwe geitenhouderij wordt uitgesloten als hoofdtak en als neventak, evenals uitbreiding of ingebruikname van bebouwing ten behoeve van een bestaande geitenhouderij, tenzij het aantal geiten niet toeneemt.
Een bestemmingsplan voor agrarische gronden kan onder de volgende voorwaarden voorzien in verbredingsactiviteiten bij agrarische bedrijven, waaronder zorg, recreatie, energieopwekking en de verkoop van producten uit eigen teelt: a. het oprichten van bebouwing of het aanbrengen van verharding voor de verbredingsactiviteit is in beperkte mate mogelijk binnen het agrarisch bouwperceel, dat hiervoor in afwijking van het eerste lid, onder a en b, zo nodig vergroot kan worden met ten hoogste 0,5 hectare; b. de agrarische functie blijft de hoofdfunctie van het bedrijf; en c. de bedrijfsvoering van de omliggende agrarische bedrijven wordt niet belemmerd. Toetsing Het plangebied kent een historie van akkerbouw. Met dit bestemmingsplan wordt de biodiversere en bodemkwalitatief gezien gezondere manier van het 'oude' boeren geherintroduceerd. De agrarische bedrijven zullen zich richten op natuurinclusieve landbouw. Voor (intensieve) veeteelt is op basis van het voorliggende plan alleen op basis van een omgevingsvergunning plaats, mits ten behoeve van de natuurinclusieve landbouw en de natuur‐, recreatie‐ en landbouwdoelstellingen. De bestaande agrarische bedrijven zijn in het vigerende bestemmingsplan allemaal bestemd als 'Wonen'. In dit bestemmingsplan wordt de bestaande situatie deels herbestemd om realisatie van het Streefbeeld mogelijk te maken.
De bestaande situatie valt onder het overgangsrecht. Aanwezige bouwvlakken van agrarische ondernemers worden omgezet naar een bouwvlak ten behoeve van de realisatie van hoogwaardige akkernatuur. Bestaande agrarische bedrijven krijgen dus een bouwvlak binnen de bestemming Hoogwaardige Akkernatuur, tenzij er met een partij schriftelijke afspraken zijn gemaakt over de bedrijfsbeëindiging en landschappelijk inpassing, danwel dat een bouwvlak ter plaatse vanuit ruimtelijke ordening niet aanvaardbaar is. In de gevallen dat het agrarische bedrijf beëindigt is, is een woonbestemming opgenomen. Zowel de nieuw te ontwikkelen als de her op te richten agrarisch bouwpercelen ten behoeve van hoogwaardige akkernatuur mogen maximaal 2 hectare groot zijn. In het geval er twee bedrijven worden samengevoegd kan een groter perceel ontstaan. Voor nieuw op te richten agrarische bebouwing geldt dat deze vergroting alleen kan indien dit noodzakelijk en doelmatig is voor de bedrijfsvoering van volwaardige agrarische bedrijven. Hier is in dit bestemmingsplan geen gebruik van gemaakt. Het gaat in het plangebied om volwaardige agrarische bedrijven met een extensieve agrarische bedrijfsvoering, die in de vorm van natuurinclusieve landbouw de realisatie van hoogwaardige akkernatuur mogelijk maken.
De agrariërs zullen hoofdzakelijk gefocust zijn op het voeren van extensieve agrarische akkerbouw in het plangebied ten behoeve van de doelstellingen uit het Streefbeeld.
31/188
Per agrarisch bedrijf/bouwperceel is één bedrijfswoning toegestaan tenzij er in de huidige situatie sprake is van meer dan één bedrijfswoning. Agrarische bedrijven voor geitenhouderij, kassen en bomen‐/sierteelt kunnen niet worden gerealiseerd in het gebied. Binnen het gebied zal geen intensieve veehouderij plaats gaan vinden. Het houden van enkele dieren voor begrazing kan wel onderdeel zijn van de bedrijfsvoering, hiervoor dient een omgevingsvergunning te worden aangevraagd op basis van artikel 32.1. Extensieve agrarische bedrijven ten behoeve van hoogwaardige akkernatuur kunnen zich binnen het plangebied ook richten op verbredingsactiviteiten als recreatie, zorg en verkoop van producten, mits de hoofdfunctie agrarisch blijft. Een aantal verbredingsactiviteiten zijn direct mogelijk gemaakt, zoals een bed & breakfast. Andere nevenactiviteiten zoals kamperen bij de boer zijn mogelijk via het bestemmingsplanactiviteit. Energieopwekking (zon‐ en windenergie) wordt geen verbredingsactiviteit. Het mogelijk maken van de verbredingsactiviteiten is essentieel voor de financiële haalbaarheid van het natuurinclusieve landbouwen. Het bouwperceel mag met maximaal 0,5 ha worden uitgebreid voor het aanbrengen van extra bebouwing of verharding voor de verbredingsactiviteit. De bedrijfsvoering van omliggende bedrijven mag hierbij niet worden belemmerd.
Stiltegebieden In figuur 2.8 staat aangegeven waar in het plangebied de stiltegebieden voorkomen. De provincie treft hier een verbod op toestellen, het rijden van motorrijtuigen (buiten de openbare weg), het houden van toertochten met motorrijtuigen en op waterscooters en snelle motorboten. Ook mag door handelen of nalaten een stiltegebied niet significant verstoord worden. Indien daar redelijkerwijs niet aan kan worden voldaan dienen maatregelen genomen te worden om de overlast te voorkomen of te beperken.
Figuur 2.8 ‐ stiltegebied
32/188
Toelichting De provincie heeft een verbod gesteld op bepaalde (recreatieve) activiteiten. Het bestemmingsplan voorziet niet in functies die deze activiteiten mogelijk maken binnen het stiltegebied. Wel geldt de zorgplicht voor stiltegebieden. Motorrijtuigen die in het stiltegebied buiten de openbare weg of buiten andere voor bestemmingsverkeer openstaande wegen of terreinen willen rijden dienen hier een ontheffing voor aan te vragen. Binnen het stiltegebied wordt wel ruimte geboden aan gebiedseigen geluid. Binnen dit bestemmingsplan wordt een horecavoorziening mogelijk gemaakt in het stiltegebied op basis van de uitgangspunten zoals opgenomen in het Streefbeeld. Om de stilte in het gebied te bewaken zijn aanvullende eisen gesteld en opgenomen in de regeling van de horecavoorziening. Meer hierover is te lezen in Bijlage 4 Ruimtelijke Onderbouwing Graaf van Portland.
2.4
Gemeentelijk beleid
2.4.1 Structuurvisie Albrandswaard (2013) De structuurvisie Albrandswaard richt zich op de kwalitatieve ontwikkeling van de dorpen en het landschap, het versterken en uitbreiden van recreatiemogelijkheden en ontmoetingsplekken, het ruimte bieden aan ondernemerschap en het stimuleren van een ‘lerende bevolking’. Voor het Buijtenland van Rhoon gelden vier relevante pijlers: 1. Van meer naar beter ‐ een versterking van de ruimtelijke kwaliteit. 2. Identiteit dorpen versterken ‐ versterk Rhoon vanuit de eigen uitstraling en identiteit. Betrek de polders hierbij (waaronder Buijtenland van Rhoon). 3. Recreatie verbeteren ‐ versterk de potentie van strategisch gelegen gebieden door buiten de dorpen in te zetten op recreatieve economie. 4. Uitstraling en beleving verbeteren ‐ etaleer Albrandswaard en ondersteun ondernemerschap. Ontspannen Boeren, natuurorganisaties en andere partijen beheren het landschap en de natuur. De agrarische sector is gemengd, duurzaam, biologisch en gericht op streekproducten – iets wat vanuit de regio bezoekers trekt. De horeca biedt arrangementen op het gebied van landschap en smaakbeleving en kleinschalige verblijfsmogelijkheden, zoals bed‐and‐breakfast. De focus op kwaliteit leidt tot groei van de werkgelegenheid in de recreatieve sector en zorgt voor nieuwe economische dragers die helpen het polderlandschap in stand te houden.
Voor het Buijtenland van Rhoon is een indeling gemaakt waarbij in het gehele gebied aandacht is voor recreatie en contact met de boer. In het noorden ligt de nadruk op recreatie met een prominente plek voor aanwezige landschapswaarden, in het midden ligt de nadruk meer op natuurakkers, educatie en landschapskwaliteit en in het zuiden ligt de nadruk op natuur en stilte. Het gebied wordt daar waterrijker.
33/188
Figuur 2.9 ‐ structuurvisie Albrandswaard Toelichting Het bestemmingsplan voldoet aan de pijlers uit de structuurvisie waarbij de kwaliteit van het landschap voorop staat. Alle vier de pijlers worden hierbij betrokken. De ruimtelijke kwaliteit in het Buijtenland van Rhoon krijgt een stevige impuls met de omschakeling naar natuurinclusieve landbouw. Hierdoor wordt het een aantrekkelijker gebied om te bezoeken. Dit unieke stukje Nederland versterkt hiermee ook de identiteit van het dorp Rhoon. Het aantrekken van meer en nieuwe bezoekers in het gebied geeft ook ruimte voor de ontwikkeling van een recreatieve economie, want er is immers meer omzet te behalen. Aan de andere kant zorgt de keuze voor natuurinclusieve landbouw er ook voor dat het beter is om meerdere inkomstenbronnen te genereren. Albrandswaard krijgt met de ontwikkelingen in het Buijtenland en de natuurinclusieve landbouw een prachtig uithangbord voor de gemeente. Ook wordt op diverse manieren ruimte geboden aan ondernemerschap middels dit bestemmingsplan. Zowel op het gebied van landbouw als op het gebied van recreatie wordt de ruimte geboden om een nieuwe balans te vinden. De relatie tussen natuur, landbouw en recreatie is dan ook belangrijk in dit plan en deze relatie zal dan ook verstevigd en benadrukt worden.
34/188
2.4.2
Beleidsnotitie Bed‐and‐Breakfast (2013)
In februari 2013 is de beleidsnotitie Bed‐and‐Breakfast vastgesteld door de gemeente Albrandswaard. In deze beleidsnotitie wordt uitleg gegeven hoe te handelen wanneer iemand een bed‐and‐breakfast wil starten binnen de gemeente en welke regels er in het bestemmingsplan dienen te worden opgenomen betreffende bed‐and‐breakfasts. Allereerst worden vier randvoorwaarden gegeven waaraan voldaan moet worden om medewerking te krijgen vanuit de gemeente voor de start van een bed‐and‐breakfast: 1. De bed‐and‐breakfast mag geen slaapvertrekken hebben groter dan 30 m². 2. De bed‐and‐breakfast bestaat uit niet meer dan 7 slaapvertrekken. Anders is er sprake van een commerciële bed‐and‐breakfast. 3. U ligt in een locatie waar het is toegestaan een bed‐and‐breakfast te beginnen. Het hele plangebied is aangemerkt als geschikte locatie. 4. De gemeente vindt het niet wenselijk om overal in de gemeente een bed‐and‐breakfast mogelijk te maken in een bijgebouw. Daarom dient een bed‐and‐breakfast in een hoofdgebouw te zitten. Indien er niet aan bovenstaande voorwaarden wordt voldaan kan niet zonder meer een bed‐and‐breakfast worden gestart. De initiatiefnemer gaat in dat geval in gesprek met de gemeente over zijn mogelijkheden. Daarnaast geeft de gemeente aan dat er een aantal aspecten zijn waarop altijd getoetst wordt.
Dat zijn de volgende aspecten: Ruimtelijke uitstraling ‐ wat zijn de effecten op de kwaliteit van de leefomgeving? Mobiliteit ‐ wat is de mate van verkeersaantrekkende werking/hoe is parkeren geregeld? Hinder voor de omgeving ‐ zorgt de B&B voor overlast? Cultuurhistorie ‐ hoe kan een B&B bijdragen aan het behoud van cultuurhistorie? Effecten op bestaande voorzieningenniveau ‐ belemmert de b&b het bestaande voorzieningenniveau? In nieuw op te stellen bestemmingsplannen dienen tevens een aantal zaken standaard te worden opgenomen omtrent bed‐and‐breakfasts. Dat zijn: een definitie van bed‐and‐breakfast; een aanvulling op de bestemminsregels voor wonen; een afwijkingsregel voor de bestemming wonen. Toetsing De gemeente heeft het plangebied aangewezen als geschikt gebied voor het starten van een bed‐and‐breakfast. Wel dient een initiatiefnemer aan de randvoorwaarden van de gemeente te voldoen en door de toetsing te komen. In dit bestemmingsplan worden de door de gemeente voorgeschreven standaardisatie van regels rondom bed‐and‐breakfasts overgenomen. Hiermee wordt invulling gegeven aan het gemeentelijk beleid.
35/188
2.4.3
Verkenning zonneparken BAR‐gemeenten
In 2015 is er een verkenning gedaan naar het ruimtelijk inpassen van zonneparken in het buitengebied van de BAR‐gemeenten. Op dit moment is er nog geen (algemeen) beleid opgesteld voor de ontwikkeling van zonneparken in het buitengebied. Zowel vanuit het rijk als vanuit de RES is een voorkeursvolgorde uitgesproken ten aanzien van de locatiekeuze van zonneparken. Deze zijn vrij algemeen. Er is nog geen uitspraak gedaan over de opwekking van energie binnen het open landschap. Dit wordt overgelaten aan de lokale overheid. Met de ruimtelijke verkenning heeft de BAR‐organisatie invulling gegeven aan deze lokale afweging. Hiermee geven ze aan welke gebieden wel of niet in aanmerking komen voor de aanleg van zonneparken. De inpassing van zonnevelden wordt in de verkenning alleen ruimtelijk getoetst. Dit is per gebied gedaan. Het Buijtenland van Rhoon valt daarbij onder het gebied 'Polder‐ en dijkenlandschap'. Het plangebied van dit bestemmingsplan wordt daarbij genoemd als één van de meest gave polders. De impact van een zonneweide op deze locatie is veel te groot. De landschappelijke belevingswaarde is namelijk essentieel voor het Buijtenland van Rhoon. Gezien de huidige functie, is het evenmin mogelijk zonnevelden te realiseren op de golfbaan.
Toetsing Het Buijtenland van Rhoon is geen geschikte locatie om een zonneweide te starten vanwege de grote impact die een zonnepark heeft op deze locatie. Een zonnepark doet afbreuk aan de belevingswaarde van de polder. Ook bij de golfbaan is door het huidig gebruik geen kans voor zonnepanelen. 2.4.4
Horecanota Albrandswaard
Op 22 november 2013 is de horeca nota Albrandswaard Centraal vastgesteld. In de nota staat het stimuleren van goede initiatieven, het bij elkaar brengen van vraag en aanbod, het vooraf bieden van duidelijke richtlijnen, het beperkt sturen door vergunningverlening, een gebiedsgerichte aanpak en het normeren door toezicht en handhaving. Relevante doelen uit dit beleid in het kader van de voorgenomen ontwikkeling zijn: De horeca economische ontwikkelkansen bieden. Balans vinden tussen levendigheid, leefbaarheid van de woonomgeving en ondernemerschap. Inzetten op kwaliteit, waarbij de horeca past bij de gewenste ontwikkeling van een gebied. De ontwikkeling van de horeca innovatief, creatief en dynamisch benaderen. De grootte van de sector en het aanbod van horeca afstemmen op zowel grootte van de gemeente en de wensen van de inwoners en ambities van horecapartners. De visie op de horeca luidt 'Levendige, aantrekkelijke gemeente met ruimte voor initiatieven van ondernemers'. Hierin wordt ingezet op kwaliteit, initiatieven ondersteunen en de leefbaarheid in balans houden. Middels gebiedsbeschrijvingen kan een visie worden gegeven over hoe horeca gewenst is in een bepaald gebied. Buiten deze beschrijvingen om is het verboden horeca activiteiten te ontplooien buiten de daarvoor bestemde panden en locaties.
36/188
Toetsing In het Streefbeeld 'Buijtenland van Rhoon' staat de horecalocatie voor de Graaf van Portland reeds aangegeven. Ook wordt in dat plan de noodzaak en wens van bepaalde recreatieve activiteiten geduid. Daarbij is aangegeven dat recreatieve functies gewenst zijn indien deze ondersteunend zijn aan de doelen uit het Streefbeeld. De Graaf van Portland is ondersteunend aan deze natuur‐, landbouw‐ en recreatiedoelen. De voorgenomen ontwikkeling is op de gekozen locatie dan ook gewenst en belangrijk voor de uitvoering van het Streefbeeld en de daarbij behorende doelen.
2.5
Overig beleid
2.5.1
Beeldkwaliteitsplan
In juli 2018 is het beeldkwaliteitsplan voor het Buijtenland van Rhoon opgesteld. Het beeld‐ kwaliteitsplan vormt de schakel tussen enerzijds de bestaande cultuurhistorisch, landschappelijke en bouwkundige karakteristieken en anderzijds nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Er worden randvoorwaarden meegegeven waarbinnen ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden op het gebied van landschap, architectuur en de wisselwerking tussen beiden. Het beeldkwaliteitsplan zorgt voor een bepaalde mate van zekerheid omdat men weet binnen welke bandbreedte plannen worden gerealiseerd. In 2021 is het beeldkwaliteitsplan geactualiseerd, waarbij de insteek is verschoven van formele toetsing naar inspiratie en het gesprek aangaan met de initiatiefnemer. Daarbij wordt aangesloten bij de werkwijze van Mooi IJsselmonde. Het beeldkwaliteitsplan is toegevoegd in Bijlage 6. Deze actualisatie, de beeldkwaliteitparagraaf Buijtenland van Rhoon, gaat in op bebouwing en (erf)beplantingen en geeft een overzicht van de kernkwaliteiten van het gebied. Voor twee landschapstypen (open polder en dijken) en enkele relevante functies voor het Buijtenland van Rhoon ((verbrede)landbouw, recreatie en paarden) zijn specifieke folders opgesteld om initiatiefnemers te inspireren en te stimuleren een bijdrage te leveren aan de ruimtelijke kwaliteit.
Toetsing De beeldkwaliteitparagraaf kan gezien worden als een verlengstuk van het Streefbeeld. Beide documenten streven een goede ruimtelijke kwaliteit na, die past bij de identiteit van het Buijtenland van Rhoon. Het inspirerende karakter past goed bij de opzet van het Streefbeeld, waarbij het onderlinge gesprek en gezamenlijkheid belangrijke drijfveren zijn. Op de 'Graaf van Portland' na zijn er nog geen concrete initiatieven. De beeldkwaliteitparagraaf vormt met betrekking tot ruimtelijke kwaliteit een goede inspiratiebron voor nieuwe ontwikkelingen die nog komen gaan. Het initiatief Graaf van Portland is getoetst in de bijgevoegde ruimtelijke onderbouwing Bijlage 4.