CConstaterende datAlbrandswaard
Koppel je AI →
Document · PDF

3. 426212 Raadsvoorstel bestemmingsplan Buijtenland van Rhoon 2021.pdf

Gemeenteraad AW 6 februari 2023, gemeente AlbrandswaardBij agendapunt: 5: Ingekomen stukken31.014 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

37/188

2.5.2

Duurzaamheid

Binnen de gemeente Albrandswaard is geen vastgesteld duurzaamheidsbeleid op dit moment. Uiteraard is de gemeente wel bezig invulling te geven aan Deltaplan Klimaatadaptie van het Rijk. Deze paragraaf richt dan ook voornamelijk op de relatie tussen natuur, biodiversiteit en met name klimaatadaptatie. Daar waar het Streefbeeld zich met name richt op natuur en biodiversiteit en daar in diverse paragrafen van dit plan al veel aandacht aan is besteed richt deze paragraaf zich meer op klimaatadaptatie. De adaptatie op het gebied van klimaat heeft directe gevolgen voor de natuur en biodiversiteit en realisatie van het Streefbeeld. Het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie is een gezamenlijk plan van gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk om Nederland klimaatbestendig en waterrobuust in te richten. Het Deltaplan versnelt en intensiveert de aanpak van wateroverlast, hittestress, droogte en de gevolgen van overstromingen. De gemeente heeft op dit vlak stresstesten uitgevoerd en voert momenteel risicodialogen. In deze dialogen wil de gemeente het bewustzijn over de kwetsbaarheden in een gebied vergroten. Daarnaast wil de gemeente aandacht wekken hoe deze kwetsbaarheden met concrete maatregelen kunnen worden geminimaliseerd. In de afgelopen jaren is er bijvoorbeeld geïnvesteerd in de 'blauwe verbinding' (figuur 2.10 een recreatief watertracé tussen Rotterdam en het plangebied.

Dit gebied functioneert ook als waterberging én legt ecologische verbinding tussen de verschillende groengebieden. In de toekomst zal in het plangebied waterberging (water vasthouden) een grotere rol gaan spelen om tijden van droogte tegen te gaan. Daarnaast zullen bezoekers in de zomer ook koelte willen ervaren. Ook hiervoor is water vasthouden een mogelijke oplossing. Meer water zorgt voor een gemiddeld lagere temperatuur. Aan de andere kant kan het vasthouden van water ook voorkomen dat de bodem verzakt met eventuele gevolgen voor huizen en boerderijen ten gevolge.

Figuur 2.10 ‐ de blauwe verbinding (bron: gemeente Rotterdam)

38/188

Toetsing Vanuit het Streefbeeld (en daarmee gebiedscoöperatie) is er nog weinig aandacht aan het fenomeen klimaatadaptatie. Voor de andere duurzaamheidsaspecten natuur en biodiversiteit is wel veel aandacht. Gezien de doelstellingen die in het Streefbeeld staan op het gebied van natuur en biodiversiteit is de koppeling met klimaatadaptatie goed te maken. Een veranderende waterhuishouding als gevolg van klimaatverandering kan in het gebied bijvoorbeeld zorgen dat de landbouw zoals beoogd in de jaarplannen van de gebiedscoöperatie minder efficiënt blijken dan van te voren ingeschat. Dit heeft een indirecte doorwerking in de natuur‐ en biodiversiteitsdoelstellingen. Het is daarom aan te raden om dat in de jaarplannen te borgen. Op dit moment is er vanuit zowel het Streefbeeld als de gebiedscoöperatie nog (te) weinig aandacht voor klimaatadaptatie. In het onderhavige plan worden geen waterpartijen gecreëerd, terwijl hier in het kader van klimaatadaptatie mogelijk wel behoefte aan is. Het is daarom aan te bevelen dat gemeente, waterschap en gebiedscoöperatie op dit punt met elkaar de dialoog voeren in het kader van het Deltaplan klimaatadaptatie.

39/188

40/188

Hoofdstuk 3 3.1

Planbeschrijving

Historische beschrijving

Het stijgen en dalen van de zeespiegel tijdens het Holoceen heeft grote invloed gehad op het ontstaan van IJsselmonde, met daarin het plangebied. Ongeveer 5000 jaar geleden ontstond onder invloed van het stijgen van de zeespiegel een rij strandwallen, ongeveer ter plaatse van de huidige kustlijn. Achter deze strandwallen lag een grote lagune waarin een dik veenpakket werd gevormd; het Hollandveen. Grote stormen volgden, stukken veen braken af. Het gebied kreeg langzamerhand zijn huidige vorm. Het deltalandschap begon te ontstaan. Het gebied stond onder invloed van rivieren en getijdenwerking in de zeearmen. Omstreeks 1300 was het gebied rondom het eiland Rhoon omdijkt. In latere stormen braken hier weer dijken door en kwam het gebied weer onder water. De gebieden zijn hierna herbedijkt. Zo is rondom 1580 de Koedood als oude stroomgordel afgedamd. In het zuidelijke gedeelte van IJsselmonde, de latere aanwassen, bevond de bewoning zich langs de dijken met alleen Barendrecht als een kleine kern. Het grondgebruik bestond uit akkers en weiden. Omstreeks 1850 werden de meeste dijken extra gemarkeerd door hun beplanting met bomen en sommige door bebouwing aan de dijk. In het zuiden wordt de ruimte begrensd door de dijk langs de Oude Maas. In de 20e eeuw zijn grote delen van IJsselmonde verstedelijkt.

Door met name de aanleg van de Nieuwe Waterweg in 1870 waardoor Rotterdam voor grotere zeeschepen bereikbaar werd, ontwikkelden de havens zich tot zeer omvangrijk havengebied. Het gevolg hiervan was een enorme toename van de industrie en havenbedrijvigheid waardoor de werkgelegenheid profiteerde. Het overgebleven gebied, waaronder het Buijtenland van Rhoon, bleef ingeklemd achter, tussen de bevolkings‐ en industrie concentraties. In 1977 werd in het gebied een Rijksbufferzone ingevoerd om tussen Ridderkerk, Zwijndrecht, Hendrik‐Ido‐Ambacht en Barendrecht het gebied open te houden; een groene zone, waar de landbouw domineert en de stad even onzichtbaar is (zie figuur 3.1.). Deze bufferzone heeft maar deels gewerkt. Genoemde kernen groeiden tegen de grenzen van de bufferzone aan en het landschap raakte verder versnipperd. In het huidige beeld van de regio IJsselmonde zijn alleen nog de polders tussen Rhoon, de wijk Portland en de Oude Maas overwegend in gebruik als open akkerbouwgebied met openheid en herkenbare dijken.

41/188

Figuur 3.1 ‐ de bufferzone tussen Ridderkerk, Zwijndrecht, Hendrik‐Ido‐Ambacht en Barendrecht (bron: provincie Zuid‐Holland) De regio bleef echter groeien. De haven van Rotterdam breidde verder uit en de Tweede Maasvlakte werd aangelegd. In de PKB Project Mainportontwikkeling Rotterdam was de ambitie vastgelegd de leefbaarheid en de economie te versterken. Onderdeel daarvan was het 600 ha grote Buijtenland van Rhoon. Het plangebied van voorliggende bestemmingsplan. Het Buijtenland van Rhoon moest een open, aantrekkelijk en voor iedereen toegankelijk natuur‐ en recreatiegebied worden in het hart van IJsselmonde, waarbij de polderstructuur van dijken, lanen en wegen het raamwerk vormde. Het landschap van IJsselmonde zou in potentie een grote rol kunnen spelen voor de bewoners van het omliggende stedelijke gebied. Daarvoor moesten bereikbaarheid, belevingswaarde en gebruiksmogelijkheden een grote impuls krijgen.

42/188

3.2

Huidige situatie

Het Buijtenland van Rhoon kent een planologisch regime in de vorm van een bestemmingsplan dat sterk afwijkt van de huidige situatie. Dit bestemmingsplan Buytenland 2013 is het gebiedonderverdeeld in een gebied met bestemmingen natuur, recreatie en agrarisch. In werkelijkheid wordt nagenoeg het gehele gebied nog gebruikt als agrarische grond. Het huidige agrarisch gebruik valt onder het overgangsrecht. In 2006 is het gebied Buijtenland van Rhoon opgenomen in de Planologisch Kernbeslissing Project Mainportontwikkeling Rotterdam (PMR) als locatie voor hoogwaardige natuur en recreatie met agrarisch medegebruik en in 2011 is dit in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) benoemd als openbaar toegankelijk natuur‐ en recreatiegebied Midden‐IJsselmonde. Vervolgens is in 2013 het Bestemmingsplan Buytenland vastgesteld waarin het gebied voornamelijk is bestemd voor natuur en recreatie. Dit zou een gebied worden met voornamelijk zoetklei‐oermoerasnatuur. Dit plan had echter weinig draagvlak. Uit onvrede met de voorgestelde ontwikkeling is een nieuw plan ontstaan, wat is vertaald in het Streefbeeld voor het Buijtenland van Rhoon. In paragraaf 1.1 is de voorgeschiedenis en het Streefbeeld uitgebreid beschreven.

Figuur 3.2 ‐ planologische situatie Buijtenland van Rhoon (Bestemmingsplan Buytenland 2013)

43/188

3.3

Toekomstige situatie

In het Streefbeeld is een toekomstvisie geschetst van het Buijtenland van Rhoon en zijn de maatregelen omschreven die voor eind 2026 moeten zijn genomen en die bijdragen aan de doelen van het Streefbeeld. De basis van deze toekomstvisie wordt gevormd door natuur‐inclusieve landbouw waarbij natuur‐ en landbouwmaatregelen in verwevenheid met elkaar worden ontwikkeld met een verhoging van de biodiversiteit en natuurwaarde enerzijds en het ontstaan van een meer robuuste landbouwproductie anderzijds als doel. Tegelijkertijd wordt in dit gebied passende recreatie in brede zin mogelijk gemaakt. Recreatie die in harmonie staat met de natuur en landbouwmogelijkheden. Kortom, dit is een voor Nederland uniek project. Binnen het gebied is de gebiedscoöperatie Buijtenland van Rhoon verantwoordelijk voor het behalen van de doelen uit het Streefbeeld. Hoogwaardige akkernatuur In het Streefbeeld ligt de nadruk op twee zichtbare delen van de akkernatuur: akkerflora en akkervogels. Beide zijn indicatief voor een breder herstel aan biodiversiteit in het gebied. Door te meten hoeveel doelsoorten flora en doelsoorten akkervogels zich weer vestigen in het gebied kan gepeild worden hoe het staat met het herstel van de biodiversiteit. Diverse landbouw‐ en natuurmaatregelen moeten bij gaan dragen aan het herstel van deze doelsoorten.

Om tot hoogwaardige akkernatuur te komen is synergie nodig tussen natuurmaatregelen en de natuurinclusieve landbouw. De natuurinclusieve landbouw helpt mee de natuurdoelen te halen en de natuurmaatregelen helpen weer mee de natuurinclusieve landbouw duurzamer en robuuster te maken. Binnen dit plan zijn vier pijlers waarop de integratie van natuur en landbouw kunnen worden nagestreefd: 1. Functionele agrobiodiversiteit: goed bodembeheer en een gezonde vruchtwisseling zorgen voor een goede productie en zorgen voor het overige leven (insecten, planten en vogels). 2. Landschappelijke diversiteit: in de ondersteuning van de agrarische productie kan het ruimtelijk juist indelen van gewassen en landschapselementen zorgen voor meer plaagbeheersende insecten, zodat er een natuurlijke plaagonderdrukking ontstaat. Dit leidt uiteindelijk weer tot verminderd/geen gebruik van (chemische) gewasbeschermingsmiddelen. 3. Specifieke soorten: voorgaande en aanvullende maatregelen moeten zorgen voor het behalen van de beoogde natuurdoelen. 4. Brongebieden verbindingszones: maatregelen moeten zijn afgestemd op het hele plangebied, ook maatregelen die door individuele bedrijven worden genomen. De gebiedscoöperatie borgt dit. Ook bestaat de wens dat er op kleine schaal gebruik wordt gemaakt van vee voor het beheer van gronden.

Ook kan de beschikbaarheid van dierlijke mest bijdragen aan het verbeteren van de bodemkwaliteit. Daarnaast zijn er concrete natuurmaatregelen te treffen, zoals de aanleg van bijvoorbeeld hoogstamboomgaarden, vochtige hooilanden en florarijke akkers.

44/188

Vertaling naar het bestemmingsplan Wat we precies onder Hoogwaardige akkernatuur verstaan is in het bestemmingsplan beschreven in de bestemmingsomschrijving. De hoofdcomponent van de bestemmingsomschrijving wordt gevormd door het begrip natuurinclusieve landbouw. In de bestemmingsomschrijving is vervolgens uitvoerig beschreven, hoe een verdeling is gemaakt tussen natuurelementen en landbouwgewassen die hierbinnen passen. Deze natuurelementen en landbouwgewassen zijn verder omschreven en gespecificeerd. Ondergeschikt worden diverse functies mogelijk gemaakt die gericht zijn op de recreatieve invulling waarvoor gekozen kan worden, voor zover die past bij de doelen van het Streefbeeld. Recreatievisie 2030 Buijtenland van Rhoon De ambitie met betrekking tot recreatie is om jaarlijks in het Buijtenland van Rhoon zo'n 200.000 tot 220.000 unieke bezoekers te ontvangen. Dit sluit aan bij de behoefte om vraag en aanbod op het gebied van fietsen en wandelen in de stadsregio Rotterdam beter op elkaar af te stemmen, maar ook bij de trend waarin recreanten het open agrarisch landschap opzoeken ten opzichte van de beslotenheid van de bossen. Om het gebied niet te veel te belasten zal er een tweedeling (noord/zuid) worden gemaakt om de balans tussen natuur en recreatie in evenwicht te houden. Ook wordt er gebruik gemaakt van entreepunten aan de randen van het gebied.

Deze entreepunten zijn goed per auto en openbaar vervoer bereikbaar. Bezoekers parkeren hier hun auto om vervolgens het gebied te voet of te fiets verder te ontdekken. Een verdere uitwerking van de ambitie op het vlak van recreatie is beschreven in de Recreatievisie 2030 Buijtenland van Rhoon. Om het idee rondom recreatie in het Buijtenland van Rhoon verder vorm te geven, is in augustus 2020 op aanvraag van de gebiedscoöperatie de recreatievisie 2030 voor het Buijtenland van Rhoon opgesteld. De visie is bijgevoegd in Bijlage 5. Het hoofddoel van deze visie is om te komen tot een recreatieve invulling van het gebied die hand in hand kan gaan met de natuur‐ en landbouwambities en waarbij de invullingen passend zijn bij de identiteit en doelgroep van het gebied. De recreatievisie kan hiermee richting geven aan komende nieuwe initiatieven. De gewenste identiteit van het Buijtenland van Rhoon kan een impuls krijgen door recreatie zo in te vullen dat die past bij aspecten als cultuurhistorie, educatie, streekproducten, lef en passie. De doelgroepen die het beste passen bij die identiteit en die ook goed vertegenwoordigd zijn in de kernen rondom het gebied zijn de Inzicht‐ en Verbindingszoekers. De randen van en om het Buijtenland, met intensievere activiteiten, zijn meer geschikt voor de Stijl‐ en Harmoniezoekers.

Passende recreatieve invulling zal kunnen leiden tot een bezoekersaantal van zo'n 200.000 tot 220.000 unieke bezoekers. Met een bezoekfrequentie van 5,5 levert dit ruim 1 miljoen bezoeken op. Verwacht wordt dat door juist in te spelen op maatschappelijke trends het aantal bezoeken tot 1,25 miljoen kan oplopen. Bezoekers wonen voor 85% in een straal van 10‐15km rondom het gebied. Beide doelgroepen wonen ook relatief vaak in de omliggende kernen. Om de recreatieve invulling verder vorm te geven en meer bezoekers aan te trekken, is het belangrijk het huidige concept, zoals verwoord in het Streefbeeld, volledig te benutten. Het past bij de huidige trend en kan een groot publiek trekken gezien de ligging van het gebied. Het is daarbij belangrijk dat er een ruim en onderscheidend aanbod is voor de juiste doelgroepen. Ondernemers in en om het gebied moeten samenwerken om dit te bewerkstelligen. Ook de infrastructuur moet geschikt worden voor de toekomstige situatie van meer aanbod en meer bezoekers. De gebiedscoöperatie vervult hierin een belangrijke regierol. Duidelijke richtlijnen voor het ontwikkelen van initiatieven zijn daarbij een must.

45/188

De kansrijkheid voor ondernemers wordt gezien in de volgende richtlijnen:  kansrijke trends op het gebied van gezondheid als gezond eten, meer bewegen, behoefte aan rust en ruimte etc;  primair inzetten op de stedelijke bevolking die op 10 tot 15 km van het plangebied wonen;  inspelen in het gebied op Inzicht‐ en Verbindingszoekers en aan de randen van het gebied op Stijl‐, Plezier‐ en Harmoniezoekers. Op de volgende vier punten zijn in de visie suggesties gedaan voor een passend recreatief aanbod: 1. Dagrecreatie: denk hierbij aan kleinschalig en grootschaliger activiteiten. Bijvoorbeeld een natuurspeeltuin of kleine zoo met Nederlandse dieren, spaboerderij of een bijzondere horeca met producten uit het Buijtenland. 2. Logiesaanbod: het zal met name gaan om kleinschalig aanbod met een beperkt aantal eenheden, bij voorkeur gekoppeld aan een dagrecreatieve activiteit. Voorbeelden hiervan zijn B&B's of bijzondere logieseenheden in een boomgaard of herberg. 3. Omgeving: het versterken van de fysieke en belevingskwaliteiten van het gebied. Bijv. middels natuurontwikkeling, het terugbrengen van hoogstamboomgaarden en ontwikkeling van aantrekkelijke routes. 4. Organisatie: de gebiedscoöperatie kan vanuit de gebiedsidentiteit het concept bewaken en geschikte partijen selecteren voor het gebied.

Ook kunnen passende activiteiten en evenementen in het gebied georganiseerd worden, zoals plukdagen, wandeltochten en hardloopwedstrijden. In figuur 3.3 is weergegeven welke gebieden in het Buijtenland van Rhoon passend zijn voor welke activiteiten.

Figuur 3.3 ‐ zonering recreatievisie 2030 Buijtenland van Rhoon (bron: recreatievisie 2030 Buijtenland van Rhoon) De recreatievisie is vastgesteld door de Algemene Leden Vergadering (ALV) van de gebiedscoöperatie. Realisatie van het Buijtenland van Rhoon De inrichting en ontwikkeling van het Buijtenland van Rhoon vindt plaats conform het Streefbeeld en volgens het concept van 'Lerend inrichten en beheren' . Deze vorm van integratie van landbouw, natuur en recreatie is nieuw voor Nederland waardoor de uitwerking hiervan nog veel aanpassingen van plannen en werkwijzen zal gaan vragen. Deze methode vraagt het bestemmingsplan dan ook om ondersteunend en flexibel te zijn om de geschetste doelen uit het Streefbeeld te behalen.

46/188

Om tot realisatie te komen, werken gebiedscoöperatie en provincie samen op basis van een samenwerkingsovereenkomst (zie ook paragraaf 1.1. onder het kopje 'rolverdeling'). Daarin is onder meer afgesproken dat verwerving van gronden in inrichting van het gebied eind 2026 zijn uitgevoerd. Het realiseren van de doelen komt tot stand door een langjarig beheer van gronden en vraagt meer tijd. We zetten zowel privaatrechtelijke als bestuursrechtelijke middelen in om het Buijtenland van Rhoon te realiseren. Privaatrechtelijk Belangrijk privaatrechtelijke instrumenten zijn aankoop van onroerende zaken op basis van volledige schadeloosstelling ter voorkoming van onteigening en de vestiging van kwalitatieve verplichtingen. Daarnaast zijn vergoedingen nodig voor de te leveren natuurprestatie. Aankoop Om zeker te stellen dat de hoogwaardige akkernatuur uit het Streefbeeld wordt gerealiseerd, heeft de provincie ingezet op het verwerven van onroerende zaken op basis van een volledige schadeloosstelling ter voorkoming van onteigening. Deze gronden worden vervolgens ter beschikking gesteld van de gebiedscoöperatie en uitgegeven in (erf)pacht. Via de privaatrechtelijke weg van het pachtcontract, kan natuurinclusieve landbouw zeker worden gesteld. Het uitgeven van gronden gebeurd op basis van openbare inschrijving. De gebiedscoöperatie verleent voorrang aan om agrariërs uit het gebied.

Als met hen niet tot een overeenkomst wordt gekomen, kan openbaar worden aanbesteed. Daarnaast verwerft de provincie ook gebouwen, zoals bestaande agrarische bedrijven die in de toekomst die functie mogelijk niet meer gaan vervullen, maar ook van opstallen die de landschappelijke kwaliteit van het gebied negatief beïnvloeden. Een aantal van deze opstallen is inmiddels gesloopt (ruim 8.000 m²). Inkomen De ondernemer die de bestemming Hoogwaardige akkernatuur gaat realiseren haalt primair inkomen uit:  Verkoop van geteelde producten;  Een vergoeding voor de te leveren natuurprestatie Daarnaast zijn er mogelijkheden het inkomen aan te vullen met:  de meerwaarde van een verkorte keten;  mogelijke neveninkomsten uit recreatieve activiteiten op het bedrijf Door het extensieve agrarisch beheer zal het inkomen voor geteelde producten lager zijn dan bij gangbare landbouw gebruikelijk is. Dat betekent dat er een vergoeding voor de natuurprestatie onderdeel van het primaire inkomen moet uitmaken (de Hoogwaardige akkernatuur). De gebiedscoöperatie spant zich maximaal in om deze vergoeding te bewerkstelligen. Bestuursrechtelijk De belangrijkste bestuursrechtelijke instrumenten zijn het bestemmingsplan en omgevingsvergunningen die onder meer aan beleidsregels worden getoetst.

47/188

Het bestemmingsplan Het bestemmingsplan speelt een belangrijke rol bij realisatie van het Streefbeeld. In het bestemmingsplan wordt met betrekking tot de bouwkavels enerzijds de bestaande situatie vastgelegd met de daaraan gekoppelde bouw‐ en gebruiksmogelijkheden. Anderzijds biedt het bestemmingsplan flexibiliteitsbepalingen om toekomstige ontwikkelingen, onder voorwaarden, mogelijk te maken. Om het Streefbeeld te realiseren is de hoofdbestemming voor het grootste deel van het plangebied Hoogwaardige akkernatuur, waarbij ook extensieve recreatie mogelijk is. De provincie en gebiedscoöperatie willen deze bestemming realiseren door gronden aan te kopen en vervolgens in pacht uit te geven. Indien niet tot overeenstemming kan worden gekomen de gronden op minnelijke wijze te verwerven, biedt de bestemming Hoogwaardige akkernatuur een onteigeningstitel, waar in voorkomende gevallen gebruik gemaakt kan worden. Bestaande situatie Gezien de omvang van het gebied en het verkrijgen van een goed rendement vanuit de agrarische bedrijfsvoering zijn drie volwaardige agrarische bedrijven nodig voor het beheer van de polders ten zuiden van de Essendijk. Van de bestaande bedrijven is nu nog niet bekend hoeveel bedrijven door zullen gaan om het Streefbeeld te realiseren. Om die reden zijn de bestaande agrarische bedrijven als zodanig bestemd.

Als zij worden verworven door de provincie, wordt een overeenkomst aangegaan, waarin het bedrijf volledig schadeloos wordt gesteld. In de overeenkomst wordt de inrichting van de nieuwe (woon)bestemming eveneens vastgelegd. Als ondernemers na volledige schadeloosstelling door willen met de realisatie van Hoogwaardige akkernatuur, zullen zij zich opnieuw moeten melden bij de gebiedscoöperatie. Gezien de oorspronkelijke aanpak en doelen van het door alle overheden onderschreven Streefbeeld, hebben bestaande ondernemers die de doelen uit het Streefbeeld willen onderschrijven en realiseren, voorrang bij het sluiten van pachtovereenkomsten. Als dat niet tot overeenstemming leidt, zal openbaar worden aanbesteed. Als ondernemers zelf de bestemming Hoogwaardige akkernatuur willen realiseren, dus zonder volledige schadeloosstelling, kan planschade worden geclaimd die wordt ondervonden van de bestemmingswijziging van het huidige bestemmingsplan naar het nieuwe bestemmingsplan. In de loop van het planproces zal blijken hoe deze ontwikkelingen verder verlopen. Het zou daarom kunnen dat op de verbeelding van het ontwerpbestemmingsplan een ander aantal agrarische bedrijven is opgenomen dan in het vast te stellen bestemmingsplan. Binnen het plangebied komen enkele oude voormalige boerenhoeven voor; de Zegenhoeve, de Vlakkenburg en de Portlandhoeve.

Het zou goed bij het Streefbeeld passen als deze cultuurhistorisch waardevolle boerderijen weer een functie zouden krijgen bij het realiseren van Hoogwaardige akkernatuur. De Zegenhoeve en de Portlandhoeve hebben een bouwvlak binnen de bestemming Hoogwaardige akkernatuur. De Vlakkenburg is niet als agrarisch bedrijf in gebruik en is in het vigerende bestemmingsplan bestemd tot wonen. Deze functie doet geen recht aan de potentie van deze boerenhoeve voor de toekomst. Voor de Vlakkenburg is gekozen voor een bestemming 'Gemengd‐Educatief centrum'. De bestemmingsomschrijving is voornamelijk gericht op de functies educatieve voorzieningen, kantoor en natuurlijke erfinrichting.

48/188

Binnen de bestemming Hoogwaardige akkernatuur is ook extensieve recreatie mogelijk. Dit geldt zowel voor recreatieve voorzieningen op het erf als daarbuiten. Zo zijn binnen de bestemming Hoogwaardige akkernatuur op het erf ondergeschikte kleinschalige horeca, detailhandel (streekproducten), extensieve recreatie en kleinschalige verblijfsrecreatie mogelijk. Buiten het erf kunnen bijvoorbeeld wandel‐ en ruiterpaden worden aangelegd, uiteraard met toestemming van de eigenaar. Ook recreatie‐activiteiten die voort komen uit de bedrijfsvoering, zijn toegestaan. Denk aan pluktuinen, meeoogsten, paardrijden en dergelijke. In het huidige bestemmingsplan zijn een vijftal woonbestemmingen opgenomen, waar op dit moment nog geen woningen staan. Het betreft in feite een vijftal bouwtitels. Deze bouwtitels zijn destijds opgenomen als compensatie voor vanwege landschappelijke redenen gesloopte bebouwing. Ook is in het huidige plan een drietal wijzigingsbevoegdheden opgenomen, waarmee 9 woningen kunnen worden gerealiseerd. In het nieuwe bestemmingsplan worden de vijf woonbestemmingen* overgenomen. Het betreft bestaande rechten, waarvan het wegbestemmen tot planschade kan leiden. Bovendien dragen de locaties bij aan de bussinesscase van het Buijtenland van Rhoon. Onderzocht wordt nog of de huidige locaties van de vijf woonbestemmingen gehandhaafd moeten blijven.

Als ze op andere locaties beter landschappelijk in te passen zijn, kan daarvoor worden gekozen voordat het plan uiteindelijk wordt vastgesteld. De wijzigingsbevoegdheden waarmee nogmaals 9 woningen kunnen worden gerealiseerd, worden in het nieuwe plan niet overgenomen. De impact van de bebouwing op het open landschap is te groot en het ontbreekt aan voldoende draagvlak hiervoor. Bovendien dragen de woningen op zichzelf niet bij aan de doelen van het Streefbeeld. *In het raadsbesluit van 7 februari 2021 is dit aantal gewijzigd naar twee woonbestemmingen. Toekomstige ontwikkelingen Als het plan eenmaal is vastgesteld, kunnen zich nog steeds ontwikkelingen voordoen die nodig zijn om het Streefbeeld te realiseren. Die ontwikkelingen kunnen mogelijk worden gemaakt door het hanteren van de zogenaamde bestemmingsplanactiviteit. Met dit instrument kan het college van burgemeester en wethouders een vergunning verlenen voor een activiteit die een ander gebruik voor staat binnen de bestemming. Voorwaarde is dat het afwijkende gebruik bijdraagt aan één of meerdere doelen uit het Streefbeeld. Ook ontwikkelingen binnen bestemmingen die om een nadere afweging vragen voordat ze kunnen worden toegestaan, kunnen via de bestemmingsplanactiviteit worden toegelaten. Dat is bijvoorbeeld het geval bij kamperen bij de boer.

In het plan wordt voor twee specifieke situaties gebruik gemaakt van deze bestemmingsplanactiviteit; voor afwijkend agrarisch beheer en voor kamperen bij de boer, zoals hierboven al genoemd werd. Zoals in deze paragraaf al is benoemd, is natuurinclusieve landbouw en de bestemming Hoogwaardige akkernatuur uitgebreid beschreven, onder meer welke gewaskeuze hierbij past. Omdat mogelijk ook andere gewaskeuzes of andere vormen van beheer (bijvoorbeeld met de inzet van vee) tot de gewenste doelen van het Streefbeeld kunnen leiden, kunnen dergelijke mogelijkheden worden toegestaan via het verkrijgen van een vergunning voor een bestemmingsplanactiviteit.

49/188

Naast de specifieke mogelijkheden van het toelaten van andere vormen van agrarisch beheer en kamperen bij de boer, is ook nog een algemene bestemmingsplanactiviteit opgenomen. Hiermee kan via een omgevingsvergunning ander gebruik binnen een bepaalde bestemming worden toegelaten. Denk bijvoorbeeld aan recreatieve nevenfuncties bij diverse bestemmingen. Nieuwe ontwikkelingen willen we alleen toestaan als ze bijdragen aan het Streefbeeld. Het is echter niet altijd duidelijk wanneer dat het geval is. Bovendien kan dat leiden tot subjectiviteit en rechtsongelijkheid. Om nieuwe ontwikkelingen beter toetsbaar te maken, wordt het Streefbeeld uitgewerkt in een beleidsregel. Hiermee wordt meer en duidelijker richting gegeven aan de afweging die moet worden gemaakt. Daarnaast wordt het beeldkwaliteitsplan als kwalitatief toetsingskader gebruikt voor nieuwe ontwikkelingen. Ook het beeldkwaliteitsplan wordt vormgegeven in de vorm van een beleidsregel. Bij het maken van een afweging met een bestemmingsplanactiviteit aan de hand van beleidsregels, treedt de gebiedscoöperatie als adviseur op. Een aantal ontwikkelingen zijn dermate concreet, dat we ze in het bestemmingsplan hebben opgenomen, zoals de Graaf van Portland, een horecagelegenheid die al benoemd was in het Streefbeeld. Hiervoor is een ruimtelijke onderbouwing opgesteld, die in de bijlage van dit plan integraal is opgenomen.

De bestemming 'Horeca' is in de regels en verbeelding opgenomen. Een andere ontwikkeling die in de planning zit is het herbouwen van de waterwipmolen op haar oorspronkelijke plek in de Zegenpolder. Deze ontwikkeling is nog onvoldoende concreet om als bestemming opgenomen te worden in het bestemmingsplan. Wel wordt een aanduiding opgenomen in de regels en op de verbeelding voor de plek waar de herbouw te zijner tijd zal plaats vinden. Beleidsregels Voor bestaande bestemmingen geldt dat de ontwikkelingsmogelijkheden blijken uit de bestemmings‐ omschrijving, de bouwregels en regels over werken en werkzaamheden (het aanlegvergunningen‐ stelsel). Wil men ontwikkelingen doorvoeren waar de huidige bestemming niet in voorziet, dan kan in een aantal gevallen gebruik gemaakt worden van de bestemmingsplanactiviteit en wordt getoetst aan beleidsregels. Een beleidsregels is een uitwerking van beleid (zoals het Streefbeeld), waardoor dit beter als toetsingskader voor onder meer de flexibiliteitsbepalingen in het bestemmingsplan kan dienen. De beleidsregels zijn geen onderdeel van het bestemmingsplan en kunnen gewijzigd worden door het bevoegd gezag (het college van burgemeester en wethouders), zonder daarvoor ook het bestemmingsplan te wijzigen.

Monitoring Om te bepalen of we met de nieuwe ontwikkelingen ook daadwerkelijk de doelen uit het Streefbeeld bereiken, vindt monitoring plaats door de gebiedscoöperatie. Zo nodig wordt door hen bijgestuurd als uit de monitoring blijkt dat dit noodzakelijk is.

50/188

Synergie Er zit een grote mate van synergie tussen het publiek‐ en privaatrecht in dit project. Nadat het bestemmingsplan de geldende regels voor alle bewoners en gebruikers van het gebied heeft vastgesteld, wordt nadere uitwerking gezocht in privaat recht. In afzonderlijke privaatrechtelijke overeenkomsten, zoals bijvoorbeeld het lidmaatschap van de gebiedscoöperatie, die de basis vormen voor de gronduitgifte, worden de uitgangspunten van het Streefbeeld vertaald naar het niveau van natuurinclusieve agrarische teeltplannen en andere relevante vormen van grondgebruik.

51/188

52/188

Hoofdstuk 4 4.1

Omgevingsaspecten

Inleiding

Om de milieugevolgen van het beoogde plan in beeld te brengen is een m.e.r.‐beoordeling uitgevoerd. Hierop wordt nader ingegaan in paragraaf 4.2. Ten behoeve van de m.e.r.‐beoordeling en het bestemmingsplan zijn diverse onderzoeken en analyses uitgevoerd. In dit hoofdstuk komen alle relevante omgevingsaspecten aan de orde waarbij per aspect achtereenvolgens wordt ingegaan op het geldende toetsingskader, een samenvattend overzicht van de onderzoeksresultaten en de conclusies. Voor een uitgebreider en meer gedetailleerd overzicht van de uitgevoerde onderzoeken wordt verwezen naar de bijlagen bij de toelichting.

4.2

M.e.r.‐beoordeling

Toetsingskader In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planm.e.r.‐plichtig, projectm.e.r.‐plichtig of m.e.r.‐beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG‐richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:  de kenmerken van de projecten;  de plaats van de projecten;  de kenmerken van de potentiële effecten. In een m.e.r.‐ beoordeling wordt getoetst of een m.e.r. procedure doorlopen moet worden. De wettelijke regeling voor de m.e.r.‐beoordeling gaat uit van het principe 'nee, tenzij'. Dat wil zeggen, een volwaardige m.e.r.‐procedure is alleen noodzakelijk als sprake is van 'belangrijke nadelige gevolgen' die het betreffende project voor het milieu kan hebben. Daarbij moet het bevoegd gezag rekening houden met de omstandigheden zoals aangegeven in bijlage III van de EEG‐richtlijn milieueffectbeoordeling zoals hierboven beschreven.

Het bevoegd gezag dient voorafgaand aan het besluit op het verlenen van het ontwerpbestemmingsplan een m.e.r‐beoordelingsbesluit te nemen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de omvang van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen.

53/188

Onderzoek M.e.r.‐beoordelingsplicht Het plangebied kent op basis van het vigerende bestemmingsplan Buytenland de enkelbestemming 'Natuur' en 'Recreatie'. Het plangebied is echter feitelijk in gebruik als intensief agrarisch gebied zoals dat is toegestaan op basis van het overgangsrecht. In het Besluit milieueffectrapportage is in onderdeel D9 van de bijlage opgenomen dat de wijziging of uitbreiding van een landinrichtingsproject m.e.r.‐beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 125 hectare of meer van water, natuur, recreatie of landbouw of vestiging van een glastuinbouwgebied of bloembollenteeltgebied van 50 hectare of meer. Het onderhavige bestemmingsplan maakt de wijziging van intensief agrarisch gebruik naar 600 hectare Hoogwaardige akkernatuur mogelijk. Gezien het huidige feitelijke gebruik en de beoogde wijziging naar Hoogwaardige akkernatuur is daarmee sprake van overschrijding van de drempelwaarden waarmee een formele m.e.r.‐beoordeling verplicht is. In de m.e.r.‐beoordeling, die is toegevoegd in bijlage 1, zijn de milieugevolgen van het Chw bestemmingsplan Buijtenland van Rhoon 2021 onderzocht in de vorm van een m.e.r.‐beoordeling.

Conclusie Uit de m.e.r.‐beoordeling blijkt dat de voorwaarden in het Chw bestemmingsplan Buijtenland van Rhoon 2021, waaronder toetsing aan het streefbeeld, landschap, natuur en verkeer, negatieve milieueffecten voorkomen. Het doorlopen van een volledige m.e.r.‐procedure is niet noodzakelijk.

4.3

Bedrijven en milieuhinder

Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:  ter plaatse van de woningen een goed woon‐ en leefmilieu kan worden gegarandeerd;  rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG‐publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie‐indeling heeft plaatsgevonden.

54/188

Onderzoek en conclusie Het voorliggende bestemmingsplan omvat circa 600 hectare hoogwaardige akkernatuur en het buitendijks gebied ten zuiden van de 600 hectare waarin een golfbaan en een bestaand recreatiegebied ligt. Dit deel wordt consoliderend bestemd. Ter plaatse van het overgrote deel van het overige plangebied vinden daarnaast feitelijk geen ontwikkelingen plaats. Bestaande bedrijven krijgen de bestemming hoogwaardige akkernatuur of gemengd. Het betreffen bestaande bedrijven die op maat worden bestemd en waar verder geen nieuwe ontwikkelingen plaatsvinden. Voor deze locaties is niet opnieuw getoetst aan het aspect bedrijven en milieuzonering. Binnen het plangebied vindt feitelijk één ontwikkeling plaats. Dit betreft de realisatie van een horecavoorziening genaamd "Graaf van Portland". De horecavoorziening bestaat uit een restaurant met daarnaast activiteiten als ruimteverhuur/evenementen, een bed & breakfast, kleinschalige detailhandel voor streekproducten en een infopunt voor het achterliggende Buijtenland van Rhoon. Deze ontwikkeling is separaat uitgewerkt in een ruimtelijke onderbouwing die is toegevoegd in bijlage 4. Uit de ruimtelijke onderbouwing blijkt dat voor deze ontwikkelingen geen belemmeringen worden verwacht met betrekking tot dit aspect. Het bestemmingsplan biedt via flexibiliteitsbepalingen de mogelijkheid nieuwe ontwikkelingen te accommoderen.

Op dat moment wordt uiteraard opnieuw getoetst aan het aspect bedrijven en milieuzonering. Omdat ter plaatse van het plangebied geen overige ontwikkelingen plaatsvinden, wordt geconcludeerd dat het aspect bedrijven en milieuhinder de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg staat.

4.4

Water

Waterbeheer en watertoets Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Hollandse Delta, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits‐ en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van dit bestemmingsplan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over de voorgestane ontwikkelingen. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap nader wordt behandeld. Europa:  Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal:  Nationaal Waterplan (NW)  Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW)  Waterwet Provinciaal:  Provinciaal Waterplan  Provinciale Structuurvisie  Verordening Ruimte

55/188

Waterschapsbeleid In het Waterbeheerprogramma 2016‐2021 (WBP) staan de doelen van het waterschap Hollandse Delta voor de taken waterveiligheid (dijken en duinen), voldoende water, schoon water en de waterketen (transport en zuivering van afvalwater). Ook wordt aangegeven welk beleid gevoerd wordt en wat het waterschap in de planperiode wil doen om de doelen te bereiken. De maatregelen voor de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) zijn onderdeel van het plan. Uit het oogpunt van waterkwaliteit moet schoon hemelwater worden afgekoppeld en direct worden geloosd op oppervlaktewater. Dit vermindert de vuiluitworp uit het gemengde rioolstelsel en verlaagt de belasting van de afvalwaterzuivering. Bij een toename van aaneengesloten verhard oppervlak, binnen de bebouwde kom, van 500 m² of meer, moet voor de versnelde afstroom van hemelwater een vergunning worden aangevraagd in het kader van de Keur. Buiten de bebouwde kom is een vergunning noodzakelijk vanaf 1.500 m². Voor een toename aan verhard oppervlak moet 10% van deze toename worden gecompenseerd in de vorm van open water binnen het peilgebied waarin de verharding toeneemt. Onderzoek Huidige situatie Algemeen De grondwaterstand in de bovenste bodemlaag (de deklaag) wordt sterk gereguleerd door de mens. Het plangebied is opgedeeld in peilgebieden waarbinnen vastgesteld oppervlaktewaterpeil wordt gehandhaafd.

Het grondwaterpeil ligt in de winter wat hoger en in de zomer wat lager dan dit polderpeil. Hoe groot die afwijking is, is sterk afhankelijk van de plaatselijke situatie. Vooral de samenstelling van de bodem (doorlatendheid) en de slootafstand spelen hierbij een belangrijke rol. Het plangebied heeft conform het daarvoor vastgestelde peilbesluit twee peilvakken met zomer‐ en winterpeilen variërend van NAP ‐1.70 m tot 1.90 m (zie figuur 4.1). In verband met de historische bebouwing en verkaveling wordt langs de zuidzijde van de Essendijk een hoger peil van NAP ‐1.30 m gehanteerd. De grondwaterstand in de lagen hieronder, de watervoerende pakketten, wordt aangeduid met de term stijghoogte. Ter hoogte van Midden‐IJsselmonde staat de stijghoogte in het diepere grondwater sterk onder invloed van de omliggende rivieren en ligt rond de NAP ‐1 m.

Figuur 4.1 Watersysteem plangebied

56/188

Waterkwantiteit De polders in het plangebied wateren via een stelsel van watergangen af in (zuid)oostelijke richting. Bij de Koedood zorgt het gemaal Breeman voor afwatering op de Oude Maas. Ook de polders ten noorden van de Essendijk worden ontwaterd via de Koedood. Incidenteel kan in de polders water worden ingelaten. Het waterschap beheert daartoe enkele inlaatpunten. De betrokken polders in het plangebied zijn voor wat betreft de waterhuishouding niet aan elkaar gekoppeld, met uitzondering van de polders ten zuiden van de Essendijk. Voor de instandhouding van watergangen is aan beide zijde een beschermingszone van toepassing. De hoofdwatergangen en de daarbij behorende beschermingszones worden op de plankaart aangegeven.

Figuur 4.2 Stelsel van watergangen (waterschap Hollandse Delta) Veiligheid en waterkeringen Waterschap Hollandse Delta is belast met de zorg voor de veiligheid tegen overstromingen van het beheersgebied en beheert daartoe de waterkeringen. Het algemene uitgangspunt hierbij is dat een waterkering veilig dient te zijn en veilig dient te blijven. Ruimtelijke ontwikkelingen dienen dan ook zodanig plaats te vinden en gestuurd te worden dat aan dit uitgangspunt wordt voldaan.

57/188

Het plangebied valt gedeeltelijk binnen dijkringgebied 17 en wordt tegen hoog buitenwater beschermd door een primaire waterkering (Zegenpolderse Dijk en Portlandse Zeedijk) en een regionale (secundaire) waterkering (Essendijk). Volgens het beleidsplan moet de primaire waterkering een waterstand met een voorkomingskans van éénmaal per 10.000 jaar kunnen weerstaan. De waterkeringen voldoen momenteel aan de toets voor hoogwaterbescherming. De polders in het plangebied wateren via een stelsel van watergangen af in (zuid)oostelijke richting. Bij de Koedood zorgt het gemaal Breeman voor afwatering op de Oude Maas. Ook de polders ten noorden van de Essendijk worden ontwaterd via de Koedood. Incidenteel kan in de polders water worden ingelaten. Het waterschap beheert daartoe enkele inlaatpunten. De betrokken polders in het plangebied zijn voor wat betreft de waterhuishouding niet aan elkaar gekoppeld, met uitzondering van de polders ten zuiden van de Essendijk. Voor de instandhouding van watergangen is aan beide zijde een beschermingszone van toepassing. De hoofdwatergangen en de daarbij behorende beschermingszones (figuur 4.3) worden op de plankaart aangegeven.

Figuur 4.3 Stelsel van waterkeringen (waterschap Hollandse Delta) Een deel van het plangebied is gelegen in buitendijks gebied. Het buitendijkse gebied bestaat uit de bestaande golfbaan, de recreatiezone aan de Oude Maas en het aansluitende deel van de Oude Maas. Rijkswaterstaat is de waterbeheerder van het buitendijkse deel van het plangebied.

58/188

Oppervlakte‐ en grondwaterkwaliteit In Midden – IJsselmonde blijven de parameters als stikstof, fosfaat en de milieuvreemde stoffen in het grondwater en de meeste oppervlaktewateren onder de grenswaarde. In het plangebied ligt het stikstof‐ en fosfaatgehalte in de zomer rond de MTR‐norm. Voor zware metalen ontbreken gegevens. Het oppervlaktewater is over het algemeen zoet (chloridegehalte <300 mg/l). Alleen incidenteel en lokaal (Zegenpolder) is er sprake van een zwak brakke tot brakke conditie. Dit onder invloed van de Oude Maas. Er wordt ruimschoots voldaan aan de eis van maximaal 300 mg/l chloride gesteld aan de gebruiksfunctie vollegrondstuinbouw binnen het plangebied. Toekomstige situatie Algemeen Uitgangspunt dat het huidige watersysteem en waterpeil gehandhaafd blijven. Waterkwantiteit Binnen het plangebied is geen sprake van concrete ontwikkelingen waarbij het verhard oppervlak toeneemt (uitgezonderd Graaf van Portland). Voor dit initiatief is de watercompensatie afzonderlijk geregeld (zie ruimtelijke onderbouwing Graaf van Portland, Bijlage 4). Bij toepassing van de flexibiliteitsbepalingen in het bestemmingsplan, worden voorwaarden gesteld aan de toename van verhard oppervlak.

Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:  hemelwater vasthouden voor benutting,  (in‐) filtratie van afstromend hemelwater,  afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater,  afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI. Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet‐uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw‐ als de gebruiksfase. Veiligheid en waterkeringen Er vinden geen nieuwe ontwikkelingen plaats binnen de beschermingszone van een primaire of regionale waterkering (uitgezonderd Graaf van Portland). Ten behoeve van die ontwikkeling is een omgevingsvergunning nodig voor de werkzaamheden gelegen in de beschermingszone van een waterkering.

59/188

Waterbeheer Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de 'Keur'. Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het waterschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan‐ of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de 'Keur'. Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Conclusie Het bestemmingsplan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.

4.5

Wegverkeerslawaai

In het plan worden geen objecten opgericht die volgens de Wet geluidhinder geluidsgevoelig zijn. Hierdoor is geen nader geluidsonderzoek noodzakelijk. Conclusie Het aspect wegverkeerslawaai staat de ontwikkeling niet in de weg.

4.6

Ecologie

4.6.1

Beoordelingskader Wet‐ en regelgeving / beleid Wet natuurbescherming Gebiedsbescherming In Nederland hebben diverse natuurgebieden een beschermde status onder de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) . Daarbij zijn twee soorten beschermingen te onderscheiden:  Natura 2000‐gebieden;  Bijzondere nationale natuurgebieden.

Natura 2000‐gebieden Natura 2000 richt zich op het behoud en de ontwikkeling van natuurgebieden in heel Europa. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel‐ en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Voor Nederland gaat het om ruim 160 gebieden. Alle Natura 2000‐gebieden liggen binnen het Natuurnetwerk Nederland. Een groot deel van de Natura 2000‐gebieden is inmiddels definitief aangewezen. Dat gebeurt in de vorm van een aanwijzingsbesluit. In het aanwijzingsbesluit staat welke doelen Nederland nastreeft voor een bepaald gebied, bijvoorbeeld welke planten en dieren bescherming verdienen. Vervolgens komt er in nauw overleg met betrokken partijen een beheerplan, waarin onder andere staat beschreven welke maatregelen nodig zijn om de doelen te behalen..

60/188

Bijzondere nationale natuurgebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) kan buiten de gebieden die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden Natura 2000, ook bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen wanneer deze zijn opgenomen op een lijst als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Habitatrichtlijn of onderwerp zijn van een procedure als bedoeld in artikel 5 van de Habitatrichtlijn. De beschermende werking die geldt voor gebieden die behoren tot Natura 2000, geldt in dat geval ook voor het bijzondere nationaal natuurgebied. Passende beoordeling Een passende beoordeling is verplicht als een plan, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, significante gevolgen kan hebben voor de betrokken Natura 2000‐gebieden. Voor de inschatting van de effecten die een plan kan hebben, moet de significantie worden beoordeeld in het licht van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000‐gebied, die voor kwalificerende soorten en habitats zijn geformuleerd. Als niet op grond van objectieve gegevens op voorhand significante gevolgen op een Natura 2000‐gebied zijn uitgesloten, moet een passende beoordeling worden gemaakt. In de passende beoordeling worden de effecten op Natura 2000‐gebieden nader onderzocht.

Vervolgens kan een bestemmingsplan slechts worden vastgesteld indien is verzekerd dat ook bij een maximale invulling van het plan de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000‐gebied niet worden aangetast. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:  soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn;  soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn;  overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod.

De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn.

61/188

Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid‐Holland In de provincie Zuid‐Holland wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee en voor het op of in de bodem brengen van meststoffen. In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 6 bij de verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat. Provinciale Ruimtelijke Verordening: Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het rijksbeleid ten aanzien van de bescherming van soorten (flora en fauna) en de bescherming van de leefgebieden van soorten (habitats) is opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). De uitwerking van dit nationale belang ligt bij de provincies.

De bescherming van gebieden is geregeld via de provinciale Ruimtelijke Verordening. Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen ecologische hoofdstructuur) is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Planten en dieren kunnen zich zo van het ene naar het andere gebied verplaatsen. Op plekken waar gaten in het netwerk zitten, legt de provincie nieuwe natuur aan. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. Robuuste leefgebieden voor planten en dieren zijn nodig om soorten van uitsterven te behoeden. Maar het netwerk is er ook voor mensen die willen genieten van de schoonheid van de natuur, om te recreëren en tot rust komen. Bestemmingsplannen moeten voldoen aan de regels die in de Provinciale Ruimtelijke Verordening zijn opgenomen. Dat gaat met behulp van de “nee, tenzij”‐toets. Een nieuw project, dat de natuur significant aantast, mag niet worden toegestaan in het bestemmingsplan (“nee”), tenzij het een groot openbaar belang dient én er geen alternatieven zijn buiten de natuur. Als het toegestaan is, is natuurcompensatie verplicht. 4.6.2

Beschermde gebieden

Ten aanzien van de beschermde natuurgebieden wordt onderscheid gemaakt tussen Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Natura 2000‐gebieden Het plangebied grenst aan de zuidzijde aan het Natura 2000‐gebied Oude Maas (zie figuur 4.4).

62/188

Figuur 4.4 Ligging Natura 2000‐gebieden (bron: AERIUS Calculator) De instandhoudingsdoelen van dit Natura 2000‐gebied zijn als volgt: Tabel 4.1 Instandhoudingsdoelen Oude Maas (bron: https://www.natura2000.nl/gebieden/zuid‐holland/oude‐maas/oude‐maas‐doelstelling) Doelstellingen areaal

Doelstellingen kwal.

Doelstellingen pop.

Habitats H3270 ‐ Slikkige rivieroevers =

=

H6430B ‐ Ruigten en zomen > harig wilgenroosje

=

H91E0A ‐ Vochtige alluviale = bossen zachthoutooibossen

=

Habitatsoorten H1337 ‐ Bever

=

=

=

H1340 ‐ Noordse woelmuis >

>

>

Legenda =

Behouddoelstelling

>

Verbeter‐ of uitbreidingsdoelstelling

63/188

Natuurnetwerk Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de opvolger van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het gehele plangebied (behalve de golfbaan en het stukje langs de Maas alsmede wegen, woonkavels en erven) is onderdeel van het NNN (zie figuur 4.5).

Figuur 4.5 ‐ Ligging Natuurnetwerk Nederland (bron: Ruimtelijke plannen) 4.6.3

Beschermde soorten

De huidige aanwezige beschermde soorten zijn vastgesteld aan de hand van algemene ecologische kennis en verspreidingsatlassen/gegevens (o.a. www.waarneming.nl). Daarnaast is in 2019 ecologisch veldonderzoek verricht naar de aanwezig akkerflora en akkervogels (Van der Goes en Groot, 2019). Deze onderzoeken zijn als Bijlage 10 en Bijlage 11 bijgevoegd. Flora In 2019 heeft onderzoek plaats gevonden naar typische akkerkruiden in de akkerlanden in het plangebied. In de aangelegde flora‐akkers in het plangebied komen diverse zeldzame tot zeer zeldzame soorten voor. Buiten de flora‐akkers gaat het om zeer algemeen voorkomende soorten. De onderstaande beschermde soorten zijn aangetroffen tijdens het onderzoek:  Dreps  Getande veldsla  Groot spiegelklokje  Grote leeuwenklauw  Naaldenkervel  Wilde ridderspoor  Wilde weit Strikt genomen zijn de soorten niet als wild te beschouwen omdat er sprake is van een ingezaaid mengsel (Van der Goes en Groot, 2019).

64/188

Vogels In de periode 2019‐2020 heeft onderzoek plaats gevonden naar broedvogels en wintervogels in het plangebied (van der Goes en Groot 2020). In het voorjaar (april – juni 2019) zijn broedvogeltellingen uitgevoerd, aangevuld met wintertellingen (oktober 2019 – maart 2020). In het onderzoek zijn 21 soorten met 311 territoria vastgesteld. Het gebied is vooral van belang voor weidevogels, vogels van erven en bebouwing en vogels van opgaande bossen en bosranden. Van deze soorten staan er 8 op de rode lijst namelijk; boerenzwaluw, gele kwikstaart, graspieper, kneu, ransuil, ringmus, spotvogel en veldleeuwerik. Op basis van gegevens van www.waarneming.nl sinds 2015 zijn ook broedgevallen van sperwer, havik, buizerd, steenuil en huismus in het plangebied aannemelijk. Naast de kerkuil en ransuil zijn dit allen soorten met jaarrond beschermd nesten. Alle broedende vogels en in gebruik zijnde nesten van broedende vogels zijn beschermd. Ook is de functionele leefomgeving rond in gebruik zijnde nesten beschermd. De functionele leefomgeving is het leefgebied dat vogels nodig hebben om een broedsel succesvol groot te brengen. Amfibieën en reptielen Uit het plangebied zijn sinds 2015 waarnemingen bekend van gewone pad, groene en bruine kikker en kleine watersalamander. Genoemde amfibieën komen verspreid voor in het agrarisch gebied.

Hierbij worden sloten, poelen en oeverhoeken als leefgebied gebruikt. Zoogdieren In het plangebied zijn waarnemingen bekend van 15 soorten wettelijk beschermde zoogdieren. Zwaarbeschermde soorten (bijlage IV Habitatrichtlijn) betreffen de bever (langs de zuidrand van het plangebied) en vier soorten vleermuizen. Verspreid in het gebied komen ook steenmarter, ree, wezel, bunzing, vos, haas, konijn en egel voor. Aannemelijk is ook de aanwezigheid van hermelijn en verschillende soorten muizen. Overige soorten Het plangebied kent herbergt verschillende soorten vissen, dagvlinders en libellen. Geen van deze soorten is wettelijk beschermd. In tabel 4.2 staat aangegeven welke beschermde soorten er binnen het plangebied (naar verwachting) voorkomen en onder welk beschermingsregime van de Wet natuurbescherming deze vallen.

65/188

Tabel 4.2 Naar verwachting voorkomende beschermde soorten en het beschermingsregime Beschermingsregime

Nader onderzoek nodig bij ontwikkelingen

Vrijstellingsregeling

Provinciale verordening

egel, gewone bosspitsmuis, Nee huisspitsmuis, veldmuis, bosmuis, rosse woelmuis, vos, wezel, hermelijn, bunzing, ree, haas en konijn bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander

Ontheffingsregeling

Bijlage IV Habitatrichtlijn

alle vleermuizen, bever

Vogelrichtlijn

Alle inheemse vogelsoorten Ja

Overige soorten 4.6.4

beschermde steenmarter

Ja Ja

Toetsing

4.6.4.1 Natura 2000 Het plangebied grenst aan de zuidzijde aan het Natura 2000‐gebied Oude Maas. De aangewezen habitats en soorten zijn niet stikstofgevoelig en weinig tot niet verstoringsgevoelig. Het bestemmingsplan zal ook niet leiden tot veranderingen in de waterhuishouding binnen het Natura 2000‐gebied. Significante aantasting van de Natura 2000‐doelen van het gebied Oude Maas als gevolg van het bestemmingsplan kunnen daarom op voorhand worden uitgesloten. Op veel grotere afstand (ca 16 km) ligt het Natura 2000‐gebied Biesbosch dat deels wel stikstofgevoelig is. Omdat de uitvoering van het bestemmingsplan zal leiden tot een toename van de verkeersbewegingen in het gebied is bepaald of deze toename kan leiden tot extra stikstofdepositie op de Biesbosch. In opdracht van de Gebiedscoöperatie Buijtenland van Rhoon UA heeft Goudappel Coffeng een verkeersstudie uitgevoerd (26 september 2020). Daarin is onderzocht wat het effect van de ontwikkeling Buijtenland van Rhoon tot recreatiegebied is op de aspecten verkeer en parkeren (zie ook paragraaf 4.7 Verkeer). Op basis van dit onderzoek is voor de verschillende wegvakken in het plangebied de verkeerstoename op een gemiddelde weekdag op jaarbasis berekend. Deze verkeerstoename is ingevoerd in AERIUS Calculator 2020 met als rekenjaar 2021. De berekening heeft geen depositieresultaten opgeleverd boven 0,00 mol/ha/jr.

De AERIUS‐berekening is als Bijlage 8 bij de toelichting van dit bestemmingsplan opgenomen. Conclusie; uitvoering van het bestemmingsplan leidt niet tot significante effecten op Natura 2000.

66/188

4.6.4.2 Natuurnetwerk Nederland Het provinciale beleid is gericht op het behouden, herstellen en op langere termijn vergroten van de biodiversiteit in Zuid‐Holland, inclusief de biodiversiteit van de bodem. Om dit doel te bereiken zet de provincie in op duurzaam beheer, bescherming en voltooiing van de het Natuurnetwerk Nederland, meer natuurwaarden op boerenland en in recreatiegebieden. Een groot deel van het plangebied is met dit doel aangewezen als onderdeel van het NNN. Middels dit bestemmingsplan wordt op experimentele wijze de balans tussen natuur, recreatie en landbouw gezocht om tot behoud en vooral een vergroting van de biodiversiteit te komen. Het bestemmingsplan geeft daarmee invulling aan het provinciale beleid ten aanzien van het NNN in het plangebied. 4.6.4.3 Beschermde soorten Aannemelijk is dat uitvoering van het bestemmingsplan zal leiden tot een toename van hoogwaardige akkernatuur, waarvan vele beschermde en/of rode lijstsoorten zullen profiteren. Echter; het bestemmingsplan is het besluit dat ingrepen mogelijk maakt, hetgeen incidenteel ook een aantasting van beschermde dier‐ of plantensoorten kan betekenen.

Uiterlijk bij het nemen van een besluit dat ruimtelijke veranderingen mogelijk maakt, zal daarom zekerheid moeten zijn verkregen of verlening van ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming nodig zal zijn en of het reëel is te verwachten dat deze zal worden verleend. 

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.albrandswaard.nl/api/v1/meetings/3513/documents/28710