29. 480992 Raadsvoorstel Bestemmingsplan Kruisdijk Poortugaal.pdf
Tekst van het document
Op dit moment wordt nog onderzocht of er alternatieven zijn om de ontsluiting vorm te geven, zoals het verbreden van de Kruisdijk ter hoogte van huisnummer 1 en 8. In overleg met de gemeente wordt dit aspect in de nadere planuitwerking verder onderzocht. Parkeren In de gemeente Albrandswaard wordt momenteel aan een mobiliteitsplan gewerkt waarin ook een nieuwe parkeernota wordt opgenomen. In het oude verkeer en vervoerplan was dit ook een onderdeel,
Bestemmingsplan ‘Kruisdijkpark’ Toelichting – Vaststelling
8
maar omdat deze dateert uit 2012 anticipeert dit beleidsstuk niet meer voldoende op de verkeerskundige gevolgen van ontwikkelingen. De provincie Zuid-Holland heeft in haar omgevingsverordening beleidsregels opgenomen die maatgevend zijn voor ruimtelijke ontwikkelingen (sociale woningbouw en stationsomgevingen), tenzij op gemeentelijk niveau eigen beleidsregels voor wat betreft parkeren zijn vastgesteld. Van het provinciale beleid kan worden afgeweken als er ‘data-gedreven’ parkeernormen worden gebruikt. Daarbij moet aanvullend worden onderbouwd waarom deze normen toepasbaar zijn voor de ontwikkeling in kwestie. De ontwikkeling ‘Kruisdijkpark’ ligt in een stationsgebied (binnen 800 meter loopafstand van metrohalte Poortugaal). Dat betekent dat er volgens de omgevingsverordening een norm geldt van 0,7 per woning. We willen als gemeente het autogebruik verminderen, maar zijn hierbij wel opzoek naar een kader dat past bij Albrandswaard. Zodoende kijken we naar bestaande situaties binnen (of net buiten) de gemeente die qua aard en schaal vergelijkbaar zijn. Daarvoor gebruiken we de volgende uitgangspunten: 1. De ontwikkeling ligt op vergelijkbare (loop-/fiets)afstand van een hoogwaardige ov-voorziening (metrohalte, HOV-bushalte); 2. De ontwikkeling ligt op vergelijkbare (loop-/fiets)afstand van voorzieningen (supermarkt, sportvereniging, horeca); 3.
Het gebied waarin de ontwikkeling ligt heeft een representatief aantal vergelijkbare (woning)typologieën. Vergelijkbare situatie Voor data-gedreven parkeernormen gebruiken we tool van de provincie Zuid-Holland (www.passendeparkeernorm.nl), die gebaseerd is op daadwerkelijk autobezit. De ontwikkeling ‘Kruisdijkpark’ ligt volgens de passendeparkeernorm-tool binnen de wijk ‘Zwaardijk-Kruisdijk’ (eerste kolom in de tabel). Voor deze specifieke wijk is weinig data bekend. In onderstaand schema zetten we daarom de gegevens naast elkaar van enkele wijken die vergelijkbaar zijn qua afstand tot hoogwaardige ov-voorzieningen, overige voorzieningen en onderverdeling in woningtypologieën. Gebleken is dat het binnen de gemeente lastig is om een wijk te vinden die op alle aspecten vergelijkbaar is. Per typologie is daarom de wijk die het dichtstbij de wijk ‘Zwaardijk-Kruisdijk’ (en dus de ontwikkeling) komt als uitgangspunt genomen. Deze parkeernormen zijn dikgedrukt in onderstaande tabel.
(loop-/fiets)afstand tot hoogwaardige ovvoorziening (loop-/fiets)afstand tot voorzieningen Parkeernorm voor functie: appartement (sociale huur) Parkeernorm voor functie: appartement (koopwoning) Parkeernorm voor functie: Twee-onder-één-kap (koopwoning)
ZwaardijkKruisdijk 200 meter
Rhooncentrum 350 meter
Rhoon-noord
Valckesteyn
500 meter
475 meter
730 meter
50 meter
1.500 meter
1.200 meter
N.v.t. (0%, 37%)
N.v.t. (22%, 4%)
0,6 (14%, 24%)
0,4 (18%, 14%)
N.v.t. (0%, 63%)
0,9 (22%, 88%)
1,0 (14%, 56%)
1,1 (18%, 86%)
1,4 (57%, 63%)
1,5 (17%, 88%)
1,7 (10%, 56%)
1,8 (3%, 86%)
Bestemmingsplan ‘Kruisdijkpark’ Toelichting – Vaststelling
9
-
Normen uit tabel zijn exclusief bezoekersparkeren (0,3 per woning, op basis van ASVV 2021)
-
Het eerste percentage achter de norm is het aandeel van het type woningen (appartement, rijwoning, twee-onder-één-kap) binnen het genoemde gebied, het tweede percentage toont de eigendomssituatie (sociale huur, particuliere huur, koop)
Conclusie
Appartement (sociale huur) o.b.v. Valckesteyn Appartement (koopwoning) o.b.v. Rhooncentrum Twee-onder-éénkap (koopwoning) o.b.v. ZwaardijkKruisdijk Totaal
Parkeernorm 0,4
Bezoekersaandeel 0,3
Totaal 0,7
Hoeveelheid 32
Aantal pp’s 22,4
0,9
0,3
1,2
71
85,2
1,4
0,3
1,7
2
3,4
-
-
-
105
111
Op basis van de genoemde uitgangspunten kunnen de parkeerkengetallen uit bovenstaande tabel worden gehanteerd. Deze zijn op basis van de locatie en de type woningen het best te vergelijken. In totaal zullen ten behoeve van de ontwikkeling ‘Kruisdijkpark’ afgerond 108 parkeerplaatsen worden gerealiseerd voor de 103 appartementen, conform bovenstaande berekening. De twee-onder-een-kap woningen krijgen beide 2 parkeerplaatsen op eigen terrein. Deze zijn niet uitwisselbaar en staan dus los van de berekening. Zodoende wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen. In het ontwerp van het plangebied zijn deze parkeerplaatsen zodanig ingepast dat deze een groene, klimaatadaptieve omgeving niet in de weg zitten. Er wordt voorzien in ruim voldoende capaciteit voor waterberging en het plangebied krijgt een groene uitstraling, zoals beschreven in paragraaf 2.2 en zichtbaar in afbeelding 2.3.
Bestemmingsplan ‘Kruisdijkpark’ Toelichting – Vaststelling
10
3.
Ruimtelijke Ordening
3.1
Rijksbeleid
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Ook in de toekomst moet Nederland een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving bieden en economisch kunnen floreren. Daarom is het van belang om inzicht te hebben in de opgaven waar Nederland voor staat. De druk op de ruimte, de leefomgeving, vraagt voortdurend om afweging van verschillende belangen. Ook internationale ontwikkelingen, de invloed van technologie en de groeiende verschillen tussen regio's vragen om snellere, creatieve en integrale afwegingen. Het klimaat verandert en er moet zorgvuldiger worden omgaan met energiebronnen en grondstoffen. Ook daaruit vloeien nieuwe opgaven. In aanloop naar de Omgevingswet is er één Rijksvisie op de leefomgeving opgesteld: de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. De eerste Nationale Omgevingsvisie is in september 2020 vastgesteld. De NOVI vervangt op nationaal niveau de Structuurvisie infrastructuur en ruimte (SVIR) en de strategische ruimtelijke delen van het verkeers- en vervoerplan, het nationale waterplan, de natuurvisie en het milieubeleidsplan. Bij inwerkingtreding van de Omgevingswet geldt de NOVI als nationale visie onder de Omgevingswet Voorliggend projectgebied wordt niet specifiek benoemd in de NOVI.
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Rijk legt met het besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), de nationale ruimtelijke belangen juridisch vast. Enerzijds betreft het de belangen die reeds in de (ontwerp-) AMvB Ruimte uit 2009 waren opgenomen en anderzijds is het Barro aangevuld met onderwerpen uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Het besluit is op 30 december 2011 in werking getreden. Het SVIR (beleid) is opgegaan in de NOVI. De uitwerking ervan in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het Bkl wordt van kracht zodra de Omgevingswet in werking treedt. Het Bkl wordt dus uitgewerkt in regelgeving op basis van het beleid dat in de NOVI staat. Binnen het plangebied komen geen nationale ruimtelijke belangen voor. Het Barro vormt gezien het voorgaande geen belemmering voor de haalbaarheid van dit bestemmingsplan. 3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking Op 1 juli 2017 is de Nieuwe Ladder voor Duurzame Verstedelijking in werking getreden (artikel 3.1.6 lid twee Bro). De nieuwe Ladder is ten opzichte van de voorgaande Ladder vereenvoudigd. De drie treden zijn komen te vervallen en er is een nieuwe bepaling toegevoegd.
De Laddertoets geldt alleen voor plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken. Onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan: ‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Toetsing aan de nieuwe Ladder houdt in dat een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt een beschrijving bevat van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
Bestemmingsplan ‘Kruisdijkpark’ Toelichting – Vaststelling
11
Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling, in relatie tot de omgeving. Voor woningbouwlocaties geldt dat vanaf 12 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling die ladderplichtig is. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de realisatie van maximaal 105 woningen. De ontwikkeling moet daarom worden aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling, waarvoor dus een ladderonderbouwing moet worden gegeven. Behoefte In de periode tot 2030 neemt de bevolking en het aantal huishoudens in de gemeente Albrandswaard en Rotterdam toe. Eenzelfde trend is te zien in de regio Rotterdam als geheel. Dit vraagt ook om een groei van de woningvoorraad. Deze ontwikkeling past binnen de woningbehoefte die geldt voor de woonregio Albrandswaard volgens de woningbehoefteraming 2023 van de Provincie Zuid-Holland. Voor de woonregio Alblasserwaard is door de provincie de gewenste woningvoorraadtoename voor de periode 2023 tot en met 2032 vastgesteld op 4.350. De voorliggende ontwikkeling lijkt op basis van deze prognoses, passend binnen de woningbouwbehoefte zoals bepaald door de Provincie Zuid-Holland. De provincie stuurt via het omgevingsbeleid op voldoende passende woningen. Hieronder worden ook betaalbare en sociale huur- en koopwoningen geschaard.
Voorliggende ontwikkeling voorziet in een gevarieerd aanbod aan woningen, waarvan ongeveer 30% zal worden gerealiseerd als sociale huurwoning. Het is niet de verwachting dat er als gevolg van het realiseren van ‘Kruisdijkpark’ onaanvaardbare leegstandseffecten zullen optreden. De woningbehoefte is immers dusdanig groot dat ook na het realiseren van het planinitiatief behoefte blijft bestaan voor het realiseren van nieuwe woningen. Bestaand stedelijk gebied De voorgenomen ontwikkeling vindt plaats binnen het bestaand stedelijk gebied van Albrandswaard. In de directe omgeving zijn stedelijke functies gelegen. De locatiekeuze behoeft dan ook geen verdere onderbouwing in het kader van de Ladder voor duurzame verstedelijking. 3.2
Provinciaal beleid
3.2.1 Omgevingsbeleid Zuid-Holland Op 1 april 2019 is de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland in werking getreden. Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. Daarnaast zijn in het Omgevingsbeleid operationele doelstellingen opgenomen, zodat zichtbaar is hoe de provincie zelf invulling geeft aan de realisatie van haar beleid. Deze operationele doelstellingen maken onderdeel uit van verschillende uitvoeringsprogramma’s en -plannen, zoals het programma Ruimte en het programma Mobiliteit. Met het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Uit de provinciale opgaven worden samenhangende beleidskeuzes gemaakt, die doorwerken naar uitvoeringsprogramma’s en naar regels in de verordening. De ruimtelijke hoofdstructuur maakt met een integraal kaartbeeld inzichtelijk hoe de strategische beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie ruimtelijk samenkomen.
Bestemmingsplan ‘Kruisdijkpark’ Toelichting – Vaststelling
12
Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Zuid-Holland Door het samenvoegen van verschillende beleidsplannen voor de fysieke leefomgeving sorteert de provincie voor op de Omgevingswet. De Omgevingswet verplicht het Rijk, de provincies en gemeenten een omgevingsvisie te maken. De provinciale Omgevingsvisie bestaat uit de volgende onderdelen: 1. Een beschrijving en kaartbeelden van de ruimtelijke hoofdstructuur; 2. De ontwikkelrichting van het omgevingsbeleid: ambities en sturing; 3. Een beschrijving van de omgevingskwaliteit van Zuid-Holland, waaronder de provinciale inzet voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit; 4. De samenhangende beleidskeuzes voor de fysieke leefomgeving. De ambitie van de provincie is een slim, schoon en sterk Zuid-Holland. De provincie gaat uit van zes richtinggevende ambities, waarbinnen een aantal opgaven zijn geformuleerd: 1. Naar een klimaatbestendige delta 2. Naar een nieuwe economie: the next level 3. Naar een levendige meerkernige metropool 4. Energievernieuwing 5. Best bereikbare provincie 6. Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving Centraal doel van het integrale omgevingsbeleid is het verbeteren van de omgevingskwaliteit. Onder ‘omgevingskwaliteit’ wordt verstaan: het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen.
Ofwel een samenvoeging van ruimtelijke kwaliteit (belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde) en milieukwaliteit (gezondheid en veiligheid). De omgevingskwaliteit bestaat uit de unieke kwaliteiten van Zuid-Holland, het toepassen van de leefomgevingstoets (beleidscyclus en monitoring) en een nadere uitwerking van het provinciale beleid. Dit laatste gebeurt door middel van een ‘kwaliteitskaart’ en bijbehorende ‘richtpunten ruimtelijke kwaliteit’. Kwaliteitskaart, richtpunten en gebiedsprofielen De provincie geeft richting en ruimte aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en omgevingskwaliteit. In de gehele provincie, zowel in het stedelijk gebied als in het landelijk gebied, beoogt het kwaliteitsbeleid een ‘ja, mits-beleid’: ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten (de laag van de ondergrond, de laag van de cultuur- en natuurlandschappen, de laag van de stedelijke occupatie en de laag van de beleving), samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening. Ontwikkelingen moeten rekening houden met deze richtpunten. De kwaliteiten zijn uitgewerkt in de gebiedsprofielen. Het plangebied is opgenomen in drie kwaliteitskaarten.
In de laag van de ondergrond is het plangebied aangeduid als ‘Rivierdeltacomplex – jonge zeeklei’. Richtpunt is dat ontwikkelingen bijdragen aan het behoud van ruimte voor dynamische natuurlijke processen en zoet-zoutovergangen in de Deltawateren en natuurlijke buitendijkse gebieden. Voorgenomen ontwikkeling heeft hier geen invloed op. Daarnaast is het gebied aangeduid als ‘Bijzonder reliëf – jonge stroomgordels en geulafzettingen’. Ontwikkelingen in deze gebieden houden de onregelmatige patronen en het reliëf in het landschap herkenbaar en in stand. Waar mogelijk worden de archeologische waarden van deze structuren meer herkenbaar gemaakt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. In de laag van de cultuur- en natuurlandschappen is het plangebied aangeduid als ‘Zeekleipolder’ en ‘Rivierdeltalandschap’. Richtpunten in veenlandschappen zijn: Bestemmingsplan ‘Kruisdijkpark’ Toelichting – Vaststelling
13
• • •
• • •
Ontwikkelingen dragen bij aan het versterken van de karakteristieke kenmerken van de eilanden en de verschillen daartussen. Ontwikkelingen aan de rand van de eilanden passen bij de maat en schaal van de dijk en de deltawateren. Herkenbaar houden van het patroon van (ronde) opwas- en (langgerekte) aanwaspolders door behouden en versterken van de (beplante) dijk als herkenbare landschappelijke structuurdrager in contrast met de grootschalig, open polder. Versterken van de kreek als herkenbare landschappelijke structuurdrager van het zeekleilandschap. Bebouwing concentreert zich in of bij compacte kernen, niet in het open middengebied van de polders. Behoud van het contrast tussen de binnendijkse akkerbouwpolders en buitendijkse natuur.
Richtpunten in rivierdeltalandschappen zijn: • Ontwikkelingen aan de rand van de eilanden dienen bij te dragen aan het versterken van het stoere deltakarakter en passen bij de maat en schaal van dijk en open wateren. • Ontwikkelingen worden benaderd in het licht van het eiland als geheel, waarbij bijvoorbeeld in Voorne-Putten en Hoeksche Waard een duidelijk verschil zit tussen de ‘dynamische’ noordrand en het ‘luwe’ zuiden. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de realisatie van 105 woningen, geconcentreerd nabij de kern Poortugaal. De ontwikkeling respecteert het open middengebied en het herkenbaar houden van de polders. Qua maat en schaal passen de woningen in de omgeving. In de laag van de stedelijk occupatie is het plangebied aangeduid als ‘Steden en dorpen’. Relevante richtpunten voor voorgenomen ontwikkeling zijn: • Ontwikkelingen dragen bij aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van stad, kern of dorp. • Hoogteaccenten (waaronder hoogbouw) vallen zoveel mogelijk samen met centra (zwaartepunten) en interactiemilieus in de stedelijke structuur. • Daar waar hoogbouw niet samenvalt met “zwaartepunten” in de stedelijke structuur geeft een beeldkwaliteitsparagraaf inzicht in de effecten, invloed en aanvaardbaarheid van hoogbouw op de (wijde) omgeving. • Ontwikkelingen dragen bij aan versterking van de stedelijke groen- en waterstructuur.
Voorgenomen ontwikkeling bouwt voort op het bestaande dorpsgebied en sluit aan bij de karakteristieke kenmerken uit de omgeving. Er wordt geen hoogbouw mogelijk gemaakt, de bouwhoogtes sluiten aan bij de mogelijkheden in de omgeving. De ontwikkeling wordt dus ingepast in de bestaande structuren. Ad. 4 Beleidskeuzes De provincie heeft 12 provinciale opgaven gedefinieerd, die elk bestaan uit samenhangende beleidskeuzes. Deze beleidskeuzes werken door naar uitvoeringsprogramma’s en regels in de verordening. Hieronder zijn de voor het plangebied relevante opgaven uiteengezet. Gezondheid en veiligheid Zorgen voor een gezonde en veilige leefomgeving en het beperken van hinder. Ruimte en verstedelijking Zorgen voor een zorgvuldig ruimtegebruik en een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied.
Bestemmingsplan ‘Kruisdijkpark’ Toelichting – Vaststelling
14
Bodem en ondergrond Zorgen voor een duurzaam, veilig en efficiënt gebruik van bodem en ondergrond. Energievoorziening Bevorderen van een betrouwbare, duurzame en efficiënte energievoorziening met een minimale uitstoot van broeikasgassen. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de ontwikkeling van een gezonde en veilige leefomgeving en zorgvuldig ruimtegebruik. De diverse relevante milieuaspecten worden in hoofdstuk 7 verder uiteengezet en afgewogen. Programma Ruimte Het Programma ruimte is parallel aan de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening opgesteld. Het Programma ruimte bevat een nadere invulling en operationalisering van ruimtelijk relevante onderdelen van de Omgevingsvisie. Het is enerzijds een beleidsdocument, namelijk uitwerking van de beleidsbeslissingen, en anderzijds gericht op uitvoering. Het document is toegespitst op de thema’s Bebouwde ruimte en mobiliteit, Landschap, groen en erfgoed en Water, bodem en energie. Ten aanzien van het voorliggende plangebied worden geen specifieke uitspraken gedaan in het Programma Ruimte. 3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1 Structuurvisie Albrandswaard De Structuurvisie Albrandswaard is op 15 april 2013 vastgesteld. Deze structuurvisie is een uitwerking van de Toekomstvisie Albrandswaard 2025. De structuurvisie kent een kernkoers. Deze kernkoers is gericht op vijf pijlers, te weten: 1. Van meer naar beter: In plaats van uitbreiden wordt de aandacht verplaatst naar het verbeteren van de gebieden die er al zijn. 2. Identiteit dorpen versterken: Ieder dorp vanuit zijn eigen uitstraling en identiteit versterken. De omliggende polders worden hierbij betrokken. 3. Clusteren: Elke dorpskern gaat een aantrekkelijke bestemming vormen met een eigen maatschappelijk en commercieel voorzieningenpakket. Slimme clusters zorgen ervoor dat verschillende functies van elkaars aanwezigheid kunnen profiteren. 4. Recreatie verbeteren: Verzilver de potentie van de strategisch gelegen plekken. In wordt gezet op de recreatieve economie. 5. Uitstraling en beleving verbeteren: etaleer Albrandswaard en ondersteun ondernemerschap. Voorgenomen ontwikkeling gaat uit van de realisatie van maximaal 105 woningen en past binnen het streven van Albrandswaard om haar dorpen vitaal en aantrekkelijk te houden voor wonen en werken. Binnen de structuurvisie wordt de ambitie uitgesproken om de drie kernen individueel te versterken. In de structuurvisie wordt een streefbeeld voor 2025 geformuleerd: ‘van meer naar beter’.
Bij nieuwe ontwikkelingen dient aandacht te worden geschonken aan de bestaande ruimtelijke kwaliteiten, als waardevolle structuren en natuurgebieden. Het plan voorziet in de transformatie van een braakliggend terrein naar een woonomgeving die past bij de omgeving, waardoor de identiteit van Poortugaal wordt gewaarborgd en versterkt. De ontwikkeling draagt daarmee bij aan de uitvoering van de structuurvisie. 3.3.3 Woonvisie Albrandswaard 2016-2025 In de woonvisie Albrandswaard 2016 – 2025 wordt gestreefd naar een kwaliteitsniveau dat gelijk of hoger is dan het huidige niveau. Daarbij wordt (voornamelijk) ingezet op verschillende doelgroepen. Significatie doelgroepen in het huisvestingsbeleid zijn: a. inwoners die met een zorgvraag langer zelfstandig moeten blijven wonen; Bestemmingsplan ‘Kruisdijkpark’ Toelichting – Vaststelling
15
b. c. d. e. f. g.
startende en terugkerende jonge gezinnen; doorstromers vanuit sociale huurwoningen; oudere (senior) doorstromer naar passende woonvorm; inwoners met de laagste inkomensgroepen; nog niet settelende bewoners tussen 18 en 30 jaar; particuliere initiatiefnemers.
Voorliggend plan voorziet in de behoefte van woningen in de vrije én sociale sector. Met dit initiatief wordt hierdoor bijgedragen aan de doelstellingen van de woonvisie, door doorstroming naar de vrije sector te bevorderen maar ook ruimte te bieden voor voldoende betaalbare woningen. 3.4
Conclusie Gezien het voorgaande vormen het rijks-, provinciaal, en gemeentelijk beleid geen belemmering voor de haalbaarheid van dit bestemmingsplan.
Bestemmingsplan ‘Kruisdijkpark’ Toelichting – Vaststelling
16
4
Natuur
4.1
Kader Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden, met wetgeving ten aanzien van planten- en diersoorten en Natura 2000-gebieden. Deze wet vervangt drie oude wetten: de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming: Natura 2000), de Flora- en faunawet (soortenbescherming) en de Boswet (kapvergunningen). Daarnaast hebben provincies eigen beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland (NNN; de voormalige Ecologische Hoofdstructuur of EHS) en overige natuurwaarden buiten het NNN.
4.1.1 Soorten Voor ruimtelijke ingrepen die resulteren in overtreding van één of meer artikelen van de Wnb moet ontheffing worden aangevraagd. Voor een aantal soorten geldt daarenboven het beschermingsregime van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor werkzaamheden die uit een bestemmingsplan voortvloeien dient voor de start van die werkzaamheden ontheffing te worden aangevraagd indien beschermde soorten voorkomen. Bij de vaststelling van het plan dient duidelijk te zijn of en in hoeverre een ontheffing kan worden verkregen. Voor alle in de wet genoemde diersoorten (inclusief vogels) geldt dat het verboden is individuen van deze soorten (opzettelijk) te doden of te vangen. Bovendien is het verboden nesten (en eieren) en (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen dan wel weg te nemen. Voor de in de wet genoemde plantensoorten geldt dat het verboden is exemplaren in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. In de Wnb worden drie beschermingsregimes onderscheiden voor beschermde soorten. Voor de eerste twee regimes gelden aanvullende verbodsbepalingen. 1. Het beschermingsregime Vogelrichtlijn (Vrl), dat van toepassing is op van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vrl.
Met betrekking tot deze vogelsoorten geldt dat het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen - verboden is vogels opzettelijk te storen, behalve als de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en dwingende redenen van groot openbaar belang zijn geen reden om ontheffing te verlenen. Ontheffing is uitsluitend toegestaan op basis van de ontheffingsgronden die in de Vrl zijn genoemd. Overigens is het, indien geen ontheffing nodig is, volgens de huidige interpretatie van de wet wel verplicht rekening te houden met het broedseizoen van vogels. Voor sommige vogelsoorten met vaste verblijfplaatsen geldt dat deze vaste verblijfplaatsen en het essentiële leefgebied jaarrond beschermd zijn. 2. Het beschermingsregime Habitatrichtlijn (Hrl), dat van toepassing is op soorten van bijlage IV bij de Hrl, bijlage I en II bij het Verdrag van Bern en bijlage I bij het Verdrag van Bonn. Met betrekking tot deze soorten is het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen - verboden dieren opzettelijk te verstoren.
Ontheffing wordt voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling alleen verleend indien: - er geen andere bevredigende oplossing is, en - geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort, en - sprake is van één van de volgende (bij ruimtelijke ontwikkeling relevante) belangen: • de bescherming van wilde flora en fauna of natuurlijke habitats, of • de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. 3. Het beschermingsregime Andere Soorten, dat van toepassing is op soorten van de bijlage behorende bij artikel 3.10 van de Wnb. Ontheffing is alleen mogelijk indien: ✓ er geen andere bevredigende oplossing is, en Bestemmingsplan ‘Kruisdijkpark’ Toelichting – Vaststelling
17
✓ indien geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort. Er is echter geen ontheffing nodig indien gewerkt wordt volgens een geldige gedragscode die van toepassing is op de betreffende soort(en). Vaak is daarnaast ecologische begeleiding en een ecologisch werkprotocol nodig bij de uitvoering van werkzaamheden. De provincies kunnen voor het beschermingsregime Andere Soorten een algemene vrijstelling verlenen voor onder meer ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. In de gemeente Albrandswaard is de provincie Zuid-Holland het bevoegd gezag voor de Wnb. Indien nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van soorten niet (kunnen) worden ontzien, is ontheffing noodzakelijk. Ontheffing is niet benodigd indien de functionaliteit van de nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen gegarandeerd wordt (het beschadigen en vernielen wordt voorkomen door maatregelen of er zijn voldoende alternatieven). Ten slotte is altijd de algemene zorgplicht van toepassing, die inhoudt dat een ieder voldoende zorg in acht neemt voor alle inheemse dieren en planten en hun directe leefomgeving (artikel 1.11 van de Wnb). Concreet betekent dit dat bij ruimtelijke ontwikkeling gezorgd moet worden dat dieren niet gedood worden en dat planten verplant worden.
Ook dient gelet te worden op bijvoorbeeld de voortplantingsperiode van amfibieën en de zoogperiode van zoogdieren. 4.1.2 Natura 2000 De Wnb ziet op de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vrl- en Hrl-gebieden). Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor één of meerdere soorten en/of habitats. Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Natura 2000-gebieden en tevens voor ontwikkelingen daarbuiten die van invloed kunnen zijn (door ‘externe werking’) op die beschermde natuurgebieden, gelden (strenge) restricties. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Middels een ‘habitattoets’ dient te worden onderzocht of een activiteit (significante) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden veroorzaakt. De uitkomsten van de habitattoets dienen te worden beoordeeld door het bevoegd gezag. 4.1.3 Natuurnetwerk Nederland en overige bos- en natuurgebieden Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het doel van het NNN is de instandhouding en ontwikkeling van natuurgebieden om daarmee een groot aantal soorten en ecosystemen te laten voortbestaan.
Sinds 2014 zijn de provincies het eerste verantwoordelijke bevoegde gezag voor het NNN (daarvoor was dat de rijksoverheid). 4.2
Onderzoek
4.2.1 Soortenbescherming Door onderzoeksbureau ATKB is een quickscan uitgevoerd naar de mogelijke effecten op beschermde natuurwaarden. De volledige quickscan is als bijlage 3 opgenomen bij deze toelichting. Uit deze quickscan blijkt dat het plangebied potentieel geschikt is voor de ransuil, kerkuil, algemene broedvogels, vleermuizen, steenmarter en grote vos. Hierom is aanvullend onderzoek uitgevoerd naar deze soorten. De rapportage van dit aanvullende onderzoek is opgenomen als bijlage 8 bij deze toelichting. Hieruit blijkt dat er geen grote vos, steenmarters en uilen zijn aangetroffen in of nabij het gebied. Wel heeft de Gewone dwergvleermuis een zomerverblijf in het plangebied. Voor gewone dwergvleermuis moeten mitigerende en compenserende maatregelen genomen worden. Mitigerende maatregelen voorzien in Bestemmingsplan ‘Kruisdijkpark’ Toelichting – Vaststelling
18
het ophangen van vier vleermuiskasten in een straal van 200m van het plangebied. Compenserende maatregelen voorzien in het inbouwen van vier vleermuisstenen in de nieuwbouw. Voor de gewone dwergvleermuis is een ontheffing van de Wet natuurbescherming aangevraagd. Woning Kruisdijk 5 In een later stadium is de te slopen woning op Kruisdijk 5 nog onderzocht door middel van een quick scan. Deze is uitgevoerd door ABO-Milieuconsult en opgenomen als bijlage 14 bij deze toelichting. Voor deze locatie geldt dat het onwaarschijnlijk is dat met de plannen vaste rust- en verblijfplaatsen worden aangetast van in de Wet natuurbescherming beschermde soorten. Nadelige effecten op beschermde flora en fauna kunnen daarom worden uitgesloten. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Een ontheffing van de Wet natuurbescherming eveneens niet. De zorgplicht van de Wet natuurbescherming is wel altijd van toepassing. 4.2.2 Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet op gronden die zijn aangewezen als Natuurnetwerk Nederland (NNN). Er gaat dan ook geen oppervlakte aan NNN-gebied verloren. Ook ligt het plangebied niet binnen of nabij een Natura 2000-gebied. Er is dan ook geen sprake van directe effecten op deze beschermde gebieden. Wel zijn rondom het plangebied diverse Natura 2000gebieden gelegen.
Ondanks de geruime afstand tot stikstofgevoelige gebieden dient met een Aeriusberekening te worden aangetoond dat daadwerkelijk geen belemmeringen optreden, om uit te sluiten dat negatieve effecten als gevolg van onder andere stikstofdepositie optreden. Voor zowel de aanlegfase als voor de gebruiksfase moeten de emissies worden berekend. Door KuiperCompagnons is in dit kader een stikstofdepositie-onderzoek uitgevoerd in oktober 2023. In dit onderzoek is beoordeeld of de aanleg- en gebruiksfase van de 105 nieuwe woningen in dit bestemmingsplan leiden tot een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden. De notitie inclusief berekeningen is opgenomen in bijlage 4; de conclusies worden hieronder samengevat. Uit het onderzoek wordt geconcludeerd dat met zekerheid kan worden gesteld dat geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden door de aanleg en het gebruik van de woningen in het voorliggende bestemmingsplan. Dit betekent dat significant negatieve effecten op de instandhouding van die gebieden kunnen worden uitgesloten en dat de Wet natuurbescherming niet leidt tot belemmeringen voor de ontwikkelingen in dit project. 4.3
Conclusie Voor de uitvoering van de beoogde ingreep is ontheffing nodig van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Deze ontheffing kan worden verleend indien er voldoende mitigerende en compenserende worden genomen, welke in het plan zijn voorzien. Het ligt dus in de lijn der verwachting dat de ontheffing wordt verleend. Met de voorgenomen ontwikkeling gaat geen NNN-gebied of Natura 2000-gebied verloren. Uit een stikstofdepositieberekening blijkt dat geen sprake is van een toename van stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, en significant negatieve effecten op de instandhouding van die gebieden kunnen worden uitgesloten. Het aspect ecologie staat de uitvoerbaarheid van het plan daarmee niet in de weg.
Bestemmingsplan ‘Kruisdijkpark’ Toelichting – Vaststelling
19
5
Water
5.1
Kader Er is een groot aantal beleidsstukken dat betrekking heeft op de waterhuishouding. Hieronder wordt één en ander uiteengezet.
5.1.1 Europees en rijksbeleid Nationaal Waterplan Het 2e Nationaal Waterplan (NWP2) beschrijft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de periode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het Rijk streeft naar een duurzaam en klimaatbestendig waterbeheer en heeft de ambitie om de komende decennia te investeren in bescherming tegen overstromingen en in de zoetwatervoorziening. Het Nationaal Waterplan 20162021 is op 10 december 2015 door de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken vastgesteld. Waterwet De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen. Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21 e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen.
In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en het waterschap samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen (bijvoorbeeld wateroverlast of verdroging) in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is sinds 2003 verankerd in de wetgeving en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. Kaderrichtlijn water De Kaderrichtlijn Water is opgesteld om de waterkwaliteit im Europa te verbeteren. De richtlijn is sinds 2000 van kracht. In de richtlijn staan afspraken die ervoor moeten zorgen dat uiterlijk in 2027 het water in alle Europese landen voldoende schoon en gezond is. Waterbeheer 21e eeuw (WB21) In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatsvinden. Berging moet binnen het stroomgebied plaatsvinden.
Dit betekent onder andere het aanwijzen en in stand houden van waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd.
Bestemmingsplan ‘Kruisdijkpark’ Toelichting – Vaststelling
20
5.1.2 Provinciaal beleid Regionaal waterplan Zuid-Holland 2016 – 2021 In het Regionaal Waterplan wordt verwezen naar de Visie Ruimte en Mobiliteit, vastgesteld op 7 juli 2014. Provinciale staten van Zuid-Holland hebben echter op 20 februari 2019 nieuw beleid vastgesteld, namelijk het Omgevingsbeleid. In het Omgevingsbeleid is al het bestaande provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving samengevoegd in een Omgevingsvisie en een Omgevingsverordening. Verder wordt in het Regionaal Waterplan Zuid-Holland 2016-2021 verwezen naar de Voortgangsnota KRW en het Provinciaal Waterplan 2010 2015. Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Het waterbeleid komt op diverse plekken voor in de Omgevingsvisie Zuid-Holland en Omgevingsverordening Zuid-Holland. In de Omgevingsverordening zijn voor bestemmingsplannen in hoofdstuk 6 instructieregels opgenomen. Hier komen onder andere de Keur, legger en peilbesluit aan bod. Voortgangsnota KRW In de Voortgangsnota Europese Kaderrichtlijn Water 2016-2021, vastgesteld op 14 oktober 2015, zijn de doelen en maatregelen voor waterkwaliteit van grond- en oppervlaktewater vastgelegd. Deze nota fungeert als een regionaal waterplan conform de Waterwet, voor het thema waterkwaliteit. Provinciaal Waterplan 2010 – 2015 Een aantal onderdelen van het Provinciaal Waterplan 2010 – 2015 blijft ongewijzigd van kracht.
Dit heeft betrekking op een onderdeel van waterveiligheid, water en natuur en vismigratie. 5.1.3 Beleid waterbeheerder Waterbeheerplan 2016-2021, Waterschap Hollandse Delta In het Waterbeheerplan 2016-2021 (2015) staat hoe het Waterschap Hollandse Delta het waterbeheer in het werkgebied in de komende jaren wil uitvoeren. Het nieuwe Waterbeheerprogramma van waterschap Hollandse Delta bestaat uit een statisch en een dynamisch deel. Het statisch deel bevat de doelen die het waterschap wil bereiken, zowel op de lange termijn als voor de planperiode 2016-2021. Het dynamisch deel bevat de maatregelen die nodig zijn om de doelen uit het statisch deel te realiseren en gaat op hoofdlijnen in op de financiële consequenties daarvan. In het statisch deel komen de belangrijkste externe en interne (beleids-)kaders waarbinnen het Waterbeheerprogramma is opgesteld aan bod. Deze kaders zijn overigens continu in beweging; zo zijn vanuit het Deltaprogramma onlangs de deltabeslissingen uitgebracht. In het Deltaprogramma 2021 is veel aandacht voor de verbinding tussen ruimte en water. De wateropgaven moeten meer sturend worden en randvoorwaarden gaan aangeven voor de keuzes in de ruimtelijke inrichting van Nederland. Dit betekent bijvoorbeeld dat grote water vragende activiteiten, zoals het telen van bepaalde gewassen, bij voorkeur niet meer in droogtegevoelige gebieden moeten plaatvinden.
Ook moet er bij de locatiekeuze en de gebiedsinrichting van nieuwe woonwijken rekening gehouden worden met de klimaatverandering. Bij plannen en maatregelen voor bijvoorbeeld nieuwe en bestaande infrastructuur, natuur, landbouw en energie moet water onderdeel uitmaken van de ruimtelijke afwegingen en planuitwerking. Water stuurt in plaats van water volgt. Naar verwachting treedt de Omgevingswet in januari 2024 in werking. De regelgeving voor water wordt bijna geheel opgenomen in het stelsel van deze nieuwe wet. Water zal daardoor meer integreren met andere aspecten van de fysieke leefomgeving.
Bestemmingsplan ‘Kruisdijkpark’ Toelichting – Vaststelling
21
In het dynamisch deel van het Waterbeheerprogramma zijn per thema maatregeltabellen uitgewerkt. Deze maatregelen zijn nodig om de doelen die in het statisch deel zijn geformuleerd te kunnen bereiken. De maatregeltabellen hebben het karakter van een ‘groslijst’ die jaarlijks uitwerking behoeft. Bij deze jaarlijkse uitwerking kunnen, mits het bereiken van de doelen niet in gevaar komt, maatregelen worden geschrapt of worden vervangen door andere maatregelen. Desgewenst kunnen ook nieuwe maatregelen worden toegevoegd. De (jaarlijkse) uitwerking van het maatregelenprogramma verloopt via de Kadernota, de Programmabegroting en de jaarplannen/afdelingsplannen. Op die wijze worden ook de financiële consequenties van het Waterbeheerprogramma geborgd. 5.2
Onderzoek Ontwikkelingen dienen rekening te houden met de in deze waterparagraaf genoemde eisen en uitgangspunten. In deze waterparagraaf wordt naast de beschrijving van de waterstaatkundige situatie en kenmerken bepaald wat de invloed is van de uitvoering van de ontwikkeling op de waterhuishouding. Huidige situatie plangebied Het plangebied heeft een oppervlakte van 13.442m2. In de bestaande situatie bestaat het plangebied uit twee loodsen (1.225 m2) met omliggende verharding. In totaal bestaat het plangebied in de bestaande situatie uit 4.120 m2 verhard oppervlak. Aan de noord- en westzijde grenst het gebied aan een bestaande watergang en binnen het plangebied is 166 m2 water aanwezig.
Afbeelding 5.1: Uitsnede Legger wateren en kunstwerken (bron: Waterschap Hollandse Delta).
Veiligheid en waterkeringen Het plangebied is niet gelegen in een beschermingszone van een regionale waterkering. De waterveiligheid in het plangebied neemt met de boogde ontwikkeling niet af.
Bestemmingsplan ‘Kruisdijkpark’ Toelichting – Vaststelling
22
Waterkwantiteit In onderstaande tabel is de toekomstige verharding berekend. De toename van het verhard oppervlak bedraagt 1.847,5 m2. Bij een toename van meer dan 500 m2 is compenserende waterberging door middel van oppervlaktewater benodigd. Het gaat dan om een compensatie van 10% van de toename aan verhard oppervlak. Deze 184,75 m2 extra wateroppervlak wordt gerealiseerd door het verbreden van een bestaande watergang.
daken rijbanen Voetpaden (50%) Parkeerplaatsen (50%) Terrasssen Totaal
3025 m² 1285 m² 825 m² 722,5 m² 110 m² 5967,5 m²
Bestaand verhard oppervlak
4120 m²
Toename verhard oppervlak 10% als wateroppervlak
1847,5 m² 184,75 m²
0,3025 ha 0,1285 ha 0,0825 ha 0,07225 ha 0,011 ha 0,59675 ha
151,3 m³ 64,3 m³ 41,3 m³ 36,1 m³ 5,5 m³ 298,4 m³
Tabel 5.1 toename verharding en benodigde watercompensatie
Afvalwaterketen en riolering Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het uitgangspunt dat de waterhuishoudkundige situatie niet mag verslechteren. Dit betekent bijvoorbeeld dat de waterhuishouding kan worden verbeterd door het afkoppelen van schoon verhard oppervlak. Hiermee wordt voorkomen dat schoon hemelwater wordt afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie. Dit betekent ook dat toename van het verharde oppervlak en/of dempingen binnen het gebied moeten worden gecompenseerd. Ook combinaties met andere functies zoals groen en recreatie liggen voor de hand. Daarnaast is het van belang om bij eventuele ontwikkelingen diffuse verontreinigingen te voorkomen door het gebruik van duurzame, nietuitloogbare materialen (geen zink, lood, koper en PAK-houdende materialen) zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Afvalwater wordt afgevoerd via het gemeentelijk riool (droogweerafvoer – DWA). Hemelwater dat op daken, parkeerverharding en opritten valt, moet als dat mogelijk is worden afgekoppeld van het DWA en afgevoerd naar het oppervlaktewater. Hemelwater dat op wegen valt, dient via bodempassages te worden afgevoerd naar het oppervlaktewater. Er wordt een nieuw hoofdriool aangelegd ten behoeve van de ontwikkeling, waarop ook een aantal van de bestaande woningen aan de Kruisdijk wordt aangesloten.
Tevens is voorzien in een nieuw aan te leggen rioolgemaal, met een grotere capaciteit dan het bestaande gemaal. De technische uitwerking van het nieuwe rioolstelsel vindt plaats in een volgende fase van het planproces. De rioolbeheerder van de gemeente is hierbij nauw betrokken. Waterkwaliteit Het toepassen van niet-uitloogbare bouwmaterialen voorkomt dat het hemelwater, dat wordt afgekoppeld naar het oppervlaktewater, wordt vervuild. In verband hiermee worden eisen gesteld aan de bij de daken, goten en leidingen te gebruiken materialen. Er mogen geen (sterk) uitloogbare materialen zoals koper, lood, zink, teerhoudende dakbedekking of geïmpregneerde beschoeiingen gebruikt worden op delen die met hemelwater in contact komen, zoals de dakbedekking, goten en pijpen of er moet voorkomen worden dat deze materialen kunnen uitlogen (bijvoorbeeld door het coaten van Bestemmingsplan ‘Kruisdijkpark’ Toelichting – Vaststelling
23
loodslabben). Afkoppeling van hemelwater zorgt ervoor dat het aantal riooloverstorten laag is. Ook dit komt de waterkwaliteit (in de omgeving) ten goede. Volksgezondheid Door het afkoppelen van hemelwater van de DWA worden vuilwateroverstorten (in de omgeving) tegengegaan. De risico’s van watergerelateerde ziekten en plagen worden hierdoor geminimaliseerd. Indien nieuwe wateren worden gerealiseerd en/of oevers van bestaande wateren worden vergraven, verdient het aanbeveling flauwe, natuurvriendelijke oevers te creëren. Beheer en onderhoud Het beheer en onderhoud van het gemeentelijke inzamelings- en transportstelsel ligt bij de gemeente, tot aan het eindgemaal, dat in beheer is van het waterschap Hollandse Delta. Het waterschap is verantwoordelijk voor het transport vanuit het eindgemaal tot en met de afvalwaterzuiveringsinstallatie en voor de zuivering. De gemeentelijke riolering moet bereikbaar zijn voor beheer en onderhoud. 5.3
Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor het uitvoeren van het plan.
Bestemmingsplan ‘Kruisdijkpark’ Toelichting – Vaststelling
24
6
Archeologie en cultuurhistorie
6.1
Kader Erfgoedwet De Erfgoedwet (2016) bundelt de voorgaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals deze in de oude wetten en regelingen gold, blijft gehandhaafd. Het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed was geregeld in zes verschillende wetten en een regeling. Waarin roerend, onroerend en archeologisch erfgoed allemaal hun eigen specifieke definities, procedures en beschermingsmaatregelen hadden. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Overbodige regels zijn geschrapt en de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het cultureel erfgoed ligt waar mogelijk bij het erfgoedveld zelf. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, worden overgeheveld naar de Omgevingswet die in januari 2024 van kracht wordt. Op grond van de Erfgoedwet is het verplicht om in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland De provincie Zuid-Holland hanteert het beleidsinstrument “Cultuurhistorische Hoofdstructuur ZuidHolland (CHS)”.
In de CHS heeft de provincie bestaande en mogelijk te verwachten archeologische waarden in beeld gebracht. In het bijbehorende “Beleidskader Cultuurhistorische Hoofdstructuur ZuidHolland” zijn per waarderingscategorie algemene beleidsuitgangspunten geformuleerd. De waardering zoals vastgelegd in de cultuurhistorische hoofdstructuur geldt als uitgangspunt van beleid.
6.2
Onderzoek
6.2.1 Archeologie Het plangebied kent in het vigerende bestemmingsplan ‘Groene Kruisweg / Metrobaan’ voor een gedeelte de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’. Deze dubbelbestemming geldt alleen in de zuidelijke strook en in een noordwestelijke punt. Archeologisch onderzoek is hier noodzakelijk bij bodemingrepen met een verstoringsdiepte van meer dan 50 cm en een verstoringsoppervlakte van meer dan 100 m². Archeologie Rotterdam (BOOR) heeft op 23 augustus 2023 beoordeeld of er sprake is van eventuele noodzaak voor het uitvoeren van een archeologisch (voor)onderzoek. Dit advies is als bijlage 12 bijgevoegd bij dit bestemmingsplan. Op basis van de archeologische verwachtingswaarde van het gebied en de aard en omvang van de voorgenomen werkzaamheden wordt het uitvoeren van een archeologisch vooronderzoek op de planlocatie noodzakelijk geacht. Dit onderzoek is uitgevoerd door Vestigia en opgenomen als bijlage 16 bij deze toelichting. Tijdens het veldonderzoek zijn geen aanwijzingen aangetroffen voor een intacte archeologische vindplaats; op basis van de bodemopbouw en het ontbreken van archeologische indicatoren/lagen kan de archeologische verwachting worden bijgesteld naar ‘laag’. Vestigia adviseert dan ook geen vervolgstappen in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ).
BOOR heeft dit onderzoek positief beoordeeld, er is voor voorliggend plan geen vervolgonderzoek nodig. Ter bescherming van eventuele archeologie die dieper gelegen is dan de onderzochte dieping is in dit bestemmingsplan een archeologische dubbelbestemming opgenomen. Bestemmingsplan ‘Kruisdijkpark’ Toelichting – Vaststelling
25
6.2.2 Cultuurhistorie Uit de Cultuurhistorische Hoofdstructuur van de provincie Zuid-Holland blijkt dat er binnen het plangebied geen waardevolle cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Zoals eerder besproken in paragraaf 3.2.1, maakt het plangebied ook geen deel uit van een van de gebiedsprofielen van de provinciale kwaliteitskaart. 6.3
Conclusie De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor het uitvoeren van dit bestemmingsplan.
Bestemmingsplan ‘Kruisdijkpark’ Toelichting – Vaststelling
26
7
Milieu
7.1
Milieueffectrapportage
7.1.1 Kader Het inwerkingtredingsbesluit wijziging Besluit m.e.r. is op 7 juli 2017 in werking getreden. In dit gewijzigde Besluit m.e.r. is de nieuwe procedure omtrent de vormvrije m.e.r.-beoordeling opgenomen. Het besluit is aangepast omdat de Europese rechter heeft geoordeeld dat de drempelwaarden voor m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten onvoldoende recht deden aan de vraag of er sprake is van "aanzienlijke gevolgen voor het milieu". Het besluit is aangepast en de drempelwaarden zijn nu indicatief. Dat betekent dat als een project (ruim) onder de drempelwaarden blijft er wel een toetsing moet worden gedaan. Het bevoegd gezag moet zich er van vergewissen dat er daadwerkelijk geen aanzienlijke gevolgen voor het milieu zijn. Bij de aanleg, wijziging of uitbreiding van woningbouw kan sprake zijn van een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals aangegeven in D 11.2, kolom 1, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1°. een oppervlakte van 100 hectare of meer; 2°. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat; of 3°. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De drempelwaarden in het Besluit m.e.r. (kolom 2-'gevallen' in de D-lijst) zijn gebaseerd op algemene kenmerken van een activiteit en een globale aanname dat bij gevallen onder de drempelwaarde geen belangrijke nadelige milieugevolgen zullen optreden.
Dat hoeft echter niet altijd het geval te zijn: in bepaalde gevallen kan een activiteit met een kleinere omvang wel degelijk belangrijke nadelige milieugevolgen hebben. De consequentie van de nieuwe regeling is dat in elk besluit of plan, dat betrekking heeft op activiteiten, die voorkomen op de D-lijst aandacht moet worden besteed aan m.e.r. Er zal een toets moeten worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets, die dus een nieuw element is in de m.e.r.-regelgeving, wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: • belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; • belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is dus altijd nodig als een besluit of plan wordt voorbereid over activiteiten die voorkomen op de D-lijst. Voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling bestaan geen vereisten voor de vorm, maar wel voor de inhoud. 7.1.2 Beoordeling en conclusie De beoogde ontwikkeling kan aangemerkt worden als een stedelijk ontwikkelingsproject en komt voor in de eerste kolom van de D-lijst horende bij het besluit mer (categorie 11.2).
Hoewel de drempelwaarde (kolom 2) (bij lange na) niet wordt overschreden, dient evenwel een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaats te vinden. In het kader van de voorliggende ontwikkeling is een aanmeldnotitie opgesteld waarin de verschillende milieuaspecten afgewogen zijn. Deze is opgenomen als bijlage 7. In deze aanmeldnotitie wordt aan de hand van de drie criteria uit bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn(2011/92/EU), inzicht gegeven in de mogelijke milieueffecten van dit plan. Uit de aanmeldnotitie blijkt dat er geen belangrijk negatieve gevolgen voor het milieu zijn te verwachten. Burgemeester en wethouders hebben op basis van deze aanmeldnotitie besloten dat voor het bestemmingsplan geen m.e.r.-procedure doorlopen hoeft te worden.
Bestemmingsplan ‘Kruisdijkpark’ Toelichting – Vaststelling
27
7.2
Bodemkwaliteit
7.2.1 Kader Wet bodembescherming De Wet bodembescherming (Wbb) voorziet in maatregelen indien sprake is van ernstige bodemverontreiniging. Het doel van de Wbb is in de eerste plaats het beschermen van de (land- of water-) bodem zodat deze kan worden benut door mens, dier en plant, nu en in de toekomst. Via de Wbb heeft de Rijksoverheid de mogelijkheid algemene regels te stellen voor de uitvoering van werken, het transport van stoffen en het toevoegen van stoffen aan de bodem. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop deze ontwikkelingen gaan plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij nieuwbouwactiviteiten dient de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te zijn gebracht. In het algemeen geldt dat nieuwe bestemmingen bij voorkeur op een schone bodem dienen te worden gerealiseerd. Besluit bodemkwaliteit Het doel van het Besluit bodemkwaliteit (2008) is de bodem beter te beschermen en meer ruimte te bieden voor nieuwe bouwprojecten. Ook geeft het besluit gemeenten en provincies meer verantwoordelijkheid om de bodem te beheren. Het Bouwstoffenbesluit (Bsb) is opgenomen in het Besluit bodemkwaliteit.
Relatie Wabo, Wbb en Woningwet (Wonw) De inwerkingtreding van de Wabo (1 oktober 2010) heeft ook effect op de Wbb en de Woningwet (Ww): in de Wabo is aangegeven dat in de plaats van de aanhoudingsgrond (uit de Ww) een afstemmingsregeling wordt opgesteld waarbij de inwerkingtreding van de omgevingsvergunning wordt afgestemd op de acties ten aanzien van de bodemverontreiniging. Voorts geldt ten aanzien van de bodem dat de Woningwet gemeenten verplicht in hun bouwverordening voorschriften omtrent het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem op te nemen. Die voorschriften moeten in elk geval betrekking te hebben op het verrichten van onderzoek naar aard en mate van verontreiniging van de bodem, op de aard en omvang van dat onderzoek en op inrichting van het op te stellen onderzoeksrapport. 7.2.2 Onderzoek Door onderzoeksbureau Tritium is een verkennend bodem- en asbestonderzoek en een nader bodemonderzoek uitgevoerd. De rapportages van deze onderzoeken zijn opgenomen als bijlage 5 en 6 bij deze toelichting. In deze paragraaf zijn de belangrijkste resultaten opgenomen. In de grond zijn sporen tot zwakke bijmengingen waargenomen met puin. Er bestaat geen eenduidige samenhang tussen de waargenomen bijmengingen en de aangetroffen gehaltes.
Bij het op de locatie uitgevoerde verkennend bodemonderzoek is ter plaatse van boring A26 een sterke verontreiniging met PCB in de grond aangetoond. Uit de analyseresultaten kan worden geconcludeerd dat de aard en omvang van de verontreiniging met PCB afdoende zijn vastgesteld. De verontreiniging is ingekaderd tot het niveau van de achtergrondwaarde. De oorzaak van de verontreiniging is niet bekend. Aangenomen wordt dat de verontreiniging is ontstaan voor 1987.
Bestemmingsplan ‘Kruisdijkpark’ Toelichting – Vaststelling
28
De totale omvang van de verontreiniging (> interventiewaarde) wordt geraamd op 7 m 3. Gezien de mate en omvang van de verontreiniging in de grond kan worden afgeleid dat er geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Bij de voorgenomen herontwikkeling van de locatie dient rekening te worden gehouden met de sterke (spot) verontreiniging met PCB. Omdat geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging bestaat geen saneringsverplichting vanuit de Wet Bodembescherming. Door ATKB is in 2023 een aanvullend verkennend onderzoek uitgevoerd. Hierbij is voortgebouwd op de conclusies van de onderzoeken van Tritium en zijn verschillende deellocaties binnen het plangebied verder onderzocht. Dit onderzoek is bijgevoegd als bijlage 11. Hieronder worden de resultaten kort uiteengezet. Deellocatie 1: gedempte Sloot Verder bodemonderzoek naar de gedempte sloot is niet noodzakelijk. De sterke verontreiniging met minerale olie heeft een beperkte omvang (<10m3). Deellocatie 2: actualisatie geval van ernstige bodemverontreiniging Geconcludeerd kan worden dat ter plaatse van de onderzoekslocatie de contouren van het geval van ernstige bodemverontreiniging in de grond en het grondwater zoals in 2013 zijn bepaald, niet overeenkomen met de werkelijke verontreinigingssituatie. Ter plaatse van de onderzoekslocatie is daarom (aanvullend) nader bodemonderzoek noodzakelijk.
Dit onderzoek wordt momenteel uitgevoerd. Deellocatie 3: toekomstige riolering De zwak asfalthoudende grondlaag ter plaatse van boring 307 is matig verontreinigd met PAK. Op basis van de plaatselijke bijmenging is de verwachting dat sprake is van een plaatselijke matige verontreiniging. Afperkend onderzoek is daarom niet uitgevoerd. Deellocatie 4: te graven watergang In de kleiige grondlaag tot 1,0 m-mv is licht verontreinigd met de parameters uit het standaard NEN5740pakket en bestrijdingsmiddelen. In het grondwatermonster afkomstig uit peilbuis 403 is voor barium een concentratie boven de streefwaarde vastgesteld. Aangenomen kan worden dat het een natuurlijke achtergrondconcentratie betreft. Nader onderzoek wordt in het kader van de doelstelling van het onderzoek voor deellocatie 4 niet noodzakelijk geacht. Deellocatie 5: te dempen watergang In het onderzoeksgebied is circa 32 m3 slib aanwezig, dat geclassificeerd kan worden als klasse A. De vaste waterbodem onder de sliblaag is altijd toepasbaar. In het projectgebied is de aanwezigheid van PFAS niet vastgesteld in gehalten boven de bepalingsgrens. Aanvullend (waterbodem)onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Op grond van de afwezigheid van PFAS is er geen sprake van een beperking ten aanzien van afvoer/hergebruik. Deellocatie 6: repacverharding kavelpad In de repac is geen asbest aangetoond.
Op basis van de resultaten van de indicatieve partijkeuring is de repac ter plaatse van deellocatie toepasbaar zowel als niet vormgegeven bouwstof als IBC-bouwstof. Zintuiglijk zijn lokaal vuurwerk- en verbrandingsresten op het maaiveld aangetroffen. Geadviseerd wordt om dit te verwijderen c.q. als afval af te voeren. Deellocatie 7: indicatieve partijkeuringen Het samengestelde mengmonster uit depot 1 (kleine depot) is licht verontreinigd met zink en PCB. In
Bestemmingsplan ‘Kruisdijkpark’ Toelichting – Vaststelling
29
depot 1 is geen gehalte PFAS boven de rapportagegrens vastgesteld. Depot 1 (kleine depot) voldoet indicatief aan de maximale waarden voor klasse Industrie voor toepassing op landbodem. Voor toepassing in oppervlaktewater is de grond geschikt voor waterbodems met kwaliteit klasse A of slechter. Het samengestelde mengmonster uit depot 2 (grote depot) is niet verontreinigd met de parameters uit het standaard NEN5740-pakket. In depot 2 is het gehalte PFOS boven de achtergrondwaarde vastgesteld. In depot 2 (grote depot) voor toepassing op landbodem indicatief voldoet aan de maximale waarden voor klasse Wonen. De grond in depot 2 is indicatief niet toepasbaar in oppervlaktewater. Memo Lood Daarnaast is door Stepforward B.V. een memo lood geschreven. Deze memo is bijgevoegd als bijlage 13. In dit memo is onderzocht of de gehalten ten aanzien van lood in de bodem op de planlocatie voldoen aan de toekomstige strengere eisen die de Gemeente Albrandswaard hanteert. Uit de toetsing blijkt dat alle analyses van de bovengrond voldoen aan de strengst mogelijke doelstelling uit het ambitiedocument van de Provincie. Aangezien de gehalten aan lood in de bovengrond in de huidige situatie al onder die strengste norm liggen, zijn geen aanvullende maatregelen benodigd.