29. 480992 Raadsvoorstel Bestemmingsplan Kruisdijk Poortugaal.pdf
Tekst van het document
7.2.3 Conclusie Uit bovenstaande blijkt dat het aspect bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor de vaststelling van het bestemmingsplan. Voor de aanvraag van de omgevingsvergunning zijn nog een aantal aanvullende stappen benodigd. Deze zullen te zijner tijd worden uitgevoerd. 7.3
Akoestische aspecten
7.3.1 Kader Wet geluidhinder De Wet geluidhinder verlangt inzicht in de akoestische effecten bij de realisatie van nieuwe geluidsgevoelige objecten, zoals de realisatie van woningen. Onderzoekszone wegverkeerslawaai Op grond van artikel 74 Wgh bevindt zich aan weerszijden van een weg een zone waarbinnen akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Voordat nieuwe woningen binnen deze zone kun-nen worden geprojecteerd dient te worden onderzocht of aan de normen van de Wgh wordt vol-daan. De zonebreedte is afhankelijk van het aantal rijstroken en van de aard van de omgeving (stedelijk of buitenstedelijk gebied). De definities van stedelijk en buitenstedelijk gebied zijn opgenomen in artikel 1 Wgh. Deze definities luiden: - stedelijk gebied: het gebied binnen de bebouwde kom (bepaald door komgrensborden) met uitzondering van het gebied binnen de zone van een autoweg of autosnelweg; - buitenstedelijk gebied: het gebied buiten de bebouwde kom en het gebied binnen de bebouwde kom dat is gelegen binnen de zone van een autoweg of autosnelweg. Op grond van het bovenstaande heeft de Groene Kruisweg een zone van 350 m (2*2 rijstroken buitenstedelijk gebied). De Hofhoek en de route Zwaardijk/J. van Almondestraat/Hoogvlietsekerk-weg hebben een zone van 200 m (2x1 rijstroken, stedelijk gebied). Deze zone wordt gemeten vanaf de buitenste begrenzing van de buitenste rijstrook.
Ten zuiden van de planlocatie is de Kruisdijk (30 km weg) gelegen. In het plangebied zelf wordt een nieuwe 30 km/uur weg aangelegd. Alhoewel deze weg
Bestemmingsplan ‘Kruisdijkpark’ Toelichting – Vaststelling
30
vanuit de Wgh geen onderzoeksverplichting kent, is deze weg onderzocht in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Onderzoekszone railverkeerslawaai Voor de metrolijn Rotterdam - Spijkenisse zijn de aantallen bakken per uur in de dag-, avond- en nachtperiode gebaseerd op informatie uit mei 2017 op de website van de RET (www.RET.nl). Voor de overige gegevens (snelheid, bovenbouwconstructie en stopfractie) is gebruik gemaakt van de gegevens uit het onderzoek geluidbelastingkaarten Tweede tranche van de gemeente Albrandswaard. Onderzoekszone industrielawaai Het plangebied is gelegen in de zone van het industrieterrein ‘Waal-/Eemhaven’. Voor dit industrieterrein geldt de zogenoemde ‘T+-contour’ het zogenaamde planologisch aandachtsgebied rondom het industrieterrein. Deze zone is bij Koninklijk Besluit van 23 juni 1993 vastgesteld aan de hand van een inventarisatie van de geluidsbepalende bedrijven, de zogenaamde zonerelevante bedrijven. Nestgeluid binnenvaart- en zeeschepen Op deze locatie is op grond van informatie van de DCMR sprake van zogenaamd ‘nestgeluid’ van afgemeerde binnenvaart- en zeeschepen. Het ‘nestgeluid’, afkomstig van installaties op deze schepen, is niet als geluidsbron opgenomen in het zonebewakingsmodel van het gezoneerde industrieterrein en is om deze reden niet meegenomen in de beoordeling van het geluid afkomstig van het industrieterrein.
In juridische zin dient het ‘nestgeluid’ te worden ingepast binnen de bestaande geluidszone en vastgestelde hogere waarden voor het industrieterrein, danwel dient (waar nodig) de geluidszone te worden uitgebreid en hogere waarden te worden verhoogd, voordat hiermee voor het industrieterrein rekening kan worden gehouden. Normstelling De voorkeursgrenswaarde voor nieuwe woningen is vastgelegd in de Wgh. Indien de geluidbelasting hoger is dan de voorkeursgrenswaarde moeten er maatregelen worden getroffen om hieraan alsnog te kunnen voldoen. Blijkt dat niet mogelijk te zijn of op zwaarwegende bezwaren te stuiten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard dan is het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Albrandswaard bevoegd tot het vaststellen van hogere waarden.
Gemeentelijk geluidbeleid Het college van Albrandswaard werkt mee aan het verlenen van hogere waarden als aan één van de volgende criteria wordt voldaan: - de woningen buiten de bebouwde kom verspreid worden gesitueerd; - de woningen noodzakelijk zijn om redenen van grond- of bedrijfsgebondenheid; - de woningen een open plaats opvullen tussen aanwezige bebouwing; - de woningen worden gesitueerd ter vervanging van bestaande bebouwing; - de woningen door de gekozen situering of bouwvorm een doelmatige akoestische afschermende functie vervullen voor geluidgevoelige objecten; - er sprake is van een nog niet geprojecteerde of te reconstrueren (spoor)weg, die noodzakelijke verkeers- en vervoersfunctie vervullen; - het referentieniveau ter plaatse van de uitwendige scheidingsconstructie van de woningen waarvoor de hogere waarde is verzocht, hoger is dan of gelijk is aan het equivalente geluidniveau vanwege het betrokken industrieterrein;
Bestemmingsplan ‘Kruisdijkpark’ Toelichting – Vaststelling
31
-
de ligging van de geluidbronnen op het betrokken industrieterrein zodanig is dat de geluidbelasting, vanwege dat industrieterrein en vanwege andere geluidbronnen, van ten minste één uitwendige scheidingsconstructie van elk van de woningen lager is of gelijk is aan 50 dB(A); - de woningen worden gesitueerd in de omgeving van een metrostation en/of metrohalte. Deze criteria zijn vastgelegd in de ‘Beleidsregel vaststellen hogere waarde gemeente Albrandswaard’. Deze beleidsregel is op 1 mei 2007 door het college van Albrandswaard vastgesteld. 7.3.2 Onderzoek Door KuiperCompagnons is een akoestisch onderzoek uitgevoerd, dat als bijlage 1 bij deze toelichting is opgenomen. In deze paragraaf zijn de belangrijkste resultaten opgenomen. De locatie is gelegen in de onderzoekszone van de Groene Kruisweg, de Hofhoek, de route Zwaardijk/J. van Almondestraat/Hoogvlietsekerkweg, de metrolijn Rotterdam- Spijkenisse en het industrieterrein ‘Waal-/Eemhaven’, zodat akoestisch onderzoek noodzakelijk is. Vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening is ook het verkeer op de Kruisdijk (30 km-weg) beschouwd. Uit de berekeningen blijkt dat de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden door de Groene Kruisweg tot een maximale waarde van 54 dB. De maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. De overige wegen leiden niet tot een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde.
De metrolijn Rotterdam-Spijkenisse leidt tot een geluidbelasting van maximaal 62 dB, waardoor de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden. De maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. De activiteiten op het industrieterrein Waal-/Eemhaven leidt ter plaatse van de nieuwe woningen tot een geluidsbelasting van maximaal 55 dB(A), zodat de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) wordt overschreden. De maximale ontheffingswaarde van 55 dB(A) wordt niet overschreden. Verder blijkt uit het onderzoek dat het nestgeluid een geluidsbelasting veroorzaakt ter plaatse van de woningen. Inclusief het nestgeluid is de geluidsbelasting maximaal 57 dB(A). Deze geluidsbelasting moet als uitgangspunt worden aangehouden bij het beoordelen van de karakteristieke geluidwering van de gevels. Het verkeer op de nieuw aan te leggen weg veroorzaakt bij de nieuwe en de bestaande woningen langs deze weg geen geluidsbelasting die hoger is dan de voorkeursgrenswaarde. Het verkeer op deze weg leidt vanuit akoestisch oogpunt daarom niet tot belemmeringen. Zonder geluidsreducerende maatregelen, is het noodzakelijk om hogere waarden vast te stellen.
Voor de nieuwe woningen zijn de volgende ontheffingscriteria van toepassing waardoor de hogere waarde past binnen het gemeentelijke geluidbeleid: - de woningen vullen een open plaats op tussen de bestaande bebouwing langs de Kruisdijk; - de woningen worden gesitueerd ter vervanging van bestaande bebouwing; - de woningen vervullen door de gekozen situering of bouwvorm een doelmatige akoestische afschermende functie voor geluidgevoelige objecten; - de woningen worden gesitueerd in de omgeving van een metrostation en/of metrohalte Een deel van de woningen beschikt niet over een geluidluwe gevel en buitenruimte. Indien buitenruimten aan de noordzijde van de bouwblokken gerealiseerd worden zouden maatregelen kunnen worden overwogen om de geluidsbelasting te reduceren. Deze maatregelen dienen te worden vastgelegd in de regels van het bestemmingsplan.
Bestemmingsplan ‘Kruisdijkpark’ Toelichting – Vaststelling
32
Omdat hogere waarden noodzakelijk zijn, is de wens van de gemeente naast het geluidbeleid aandacht te besteden aan het woon- en leefklimaat van deze appartementen door een gesloten borstwering toe te passen ter plaatse van de balkons van de woningen. Door KuiperCompagnons is hier onderzoek naar verricht (zie bijlage 10). Hieronder worden de bevindingen op een rij gezet. Een gesloten borstwering van 1,2 m rond het balkon voldoet op de noord-, oost- en westgevels van alle 5 de blokken. Vanwege wegverkeer is op zuidgevel van de derde verdieping van blok 3 en de tweede verdieping van blok 4 eveneens een gesloten borstwering nodig van 1,2 m. Een uitzondering is de noordgevel van blok 5 waar op de eerste verdieping een gesloten borstwering nodig is van 1,5 m en op de tweede verdieping 1,4 m. In het geval hier ook een gesloten borstwering van 1,2 m wordt gerealiseerd, is sprake van cumulatieve geluidsbelasting van respectievelijk 57 en 56 dB. Met het toepassen van deze borstweringen kan voldaan worden aan de norm van 55 dB cumulatief voor wat betreft een geluidsluwe geveldeel achter deze borstwering ter hoogte van de aldaar aanwezige buitenruimte. Dit is geborgd in de regels van dit bestemmingsplan.
De twee twee-onder-één kapwoningen hebben beide een geluidsluwe noordgevel waaraan de tuin is gelegen zodat deze woning voldoen aan de aanvullende wensen van de gemeente zonder bouwkundige maatregelen. Omdat de geluidsbelasting op de begane grond lager is en de noordgevel van de gebouwen 1, 3 en 5 worden benut voor bergingen voldoen ook alle appartementen op de begane grond aan de aanvullende wensen van de gemeente. 7.3.3 Conclusie Ten behoeve van de ontwikkeling moet een hogere waarde procedure worden doorlopen. Het ontwerpbesluit tot vaststelling hogere waarden is opgenomen als bijlage 15 bij deze toelichting en wordt gelijktijdig met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd. 7.4
Luchtkwaliteit
7.4.1 Kader Het onderzoek naar luchtkwaliteit wordt uitgevoerd op grond van hoofdstuk 5, titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' van de Wet milieubeheer. De titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' is beter bekend als de Wet luchtkwaliteit. Een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en internationaal niveau die de luchtkwaliteit verbeteren. Daarnaast zijn daarin alle ruimtelijke ontwikkelingen opgenomen die de luchtkwaliteit verslechteren. Het doel van de NSL is om overal in Nederland te voldoen aan de Europese normen voor de luchtverontreinigende stoffen. Voor wegverkeer zijn stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en ultra fijnstof (PM2,5) de belangrijkste stoffen. De in de Wet luchtkwaliteit gestelde norm voor NO2 en PM10 jaargemiddelde grenswaarde is voor beide stoffen 40 µg/m 3, terwijl voor PM2,5 de jaargemiddelde grenswaarde 25 µg/m3 bedraagt. Daarnaast mag de PM10 24 uurgemiddelde grenswaarde van 50 µg/m3 maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. Naast de introductie van het NSL is het begrip 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit. Een project draagt NIBM bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 µg/m 3.
In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen.
Bestemmingsplan ‘Kruisdijkpark’ Toelichting – Vaststelling
33
In de 'Regeling niet in betekenende mate bijdrage (luchtkwaliteitseisen)' (Regeling NIBM) zijn voor verschillende functiecategorieën cijfermatige kwantificaties opgenomen, waarbij een ontwikkeling als een NIBM-project kan worden beschouwd. In de Regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een ruimtelijke ontwikkeling kan volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang vinden als ten minste aan één van de volgende voorwaarden is voldaan: • de ontwikkeling is opgenomen in het NSL; • de ontwikkeling aangemerkt wordt als een NIBM-ontwikkeling; • de gestelde grenswaarden in bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit niet worden overschreden; • projectsaldering wordt toegepast. Voor zover de ruimtelijke ontwikkeling is opgenomen in het NSL of de ontwikkeling kan worden aangemerkt als NIBM-project is toetsing aan de normen van de Wet luchtkwaliteit niet nodig. 7.4.2 Onderzoek In de regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.
De voorgenomen ontwikkeling met maximaal 105 woningen valt ruim binnen de NIBM-regeling, en is daarom aan te merken als een ontwikkeling die ‘NIBM’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Onderzoek op grond van de Wet luchtkwaliteit is hierdoor niet benodigd. Goede ruimtelijke ordening In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 in de omgeving van het plangebied inzichtelijk gemaakt. In afbeelding 7.1 zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 langs de omliggende wegen weergegeven, voor de rekenpunten die het dichtst bij het plangebied liggen. Deze concentraties zijn afkomstig uit de CIMLK-, en bepaald voor het peiljaar 2023. Uit de CIMLK-monitoringstool blijkt dat in de omgeving van het plangebied de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 respectievelijk maximaal 21,1 µg/m3, 16,4 µg/m3 en 8,8 µg/m3 bedraagt. De jaargemiddelde grenswaarden voor NO2, PM10 (beide 40 µg/m3) en PM2,5 (25 µg/m3) worden niet overschreden. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24 uurgemiddelde concentratie PM10 is maximaal 6, waardoor het maximum van 35 dagen niet wordt overschreden. In de tabel bij afbeelding 7.1 zijn de 15 meetpunten met de hoogste waarden weergegeven.
De trend is dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor ook geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten.
Bestemmingsplan ‘Kruisdijkpark’ Toelichting – Vaststelling
34
Afbeelding 7.1: Overzicht concentraties NO2, PM10 en PM2,5, peiljaar 2020 (NSL-monitoringstool 202
7.4.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt gezien het bovenstaande geen belemmering voor het uitvoeren van het plan.
Bestemmingsplan ‘Kruisdijkpark’ Toelichting – Vaststelling
35
7.5
Milieuzonering
7.5.1 Kader Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de verschillende voorkomende functies en wonen noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen. Van deze richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken. In de VNG-publicatie wordt onderscheid gemaakt tussen de omgevingstypen ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’. Gezien de ligging van het plangebied en de aanwezigheid van verschillende functies in de omgeving kan het plangebied worden aangemerkt als ‘gemengd gebied’. 7.5.2 Onderzoek Ten zuiden van het plangebied bevindt zich een garagebedrijf. Vanuit het garagebedrijf moet een richtafstand van 10 meter worden aangehouden. De dichtstbijzijnde twee-onder-een-kapwoning bevindt zich net buiten deze richtafstand, waardoor onderzoek niet benodigd is. Voor de overige functies in de omgeving (restaurant, politiebureau en kantoren) wordt ook voldaan aan de richtafstand. Daarnaast bevinden zich direct aangrenzend aan het plangebied al bestaande woningen.
Deze woningen zijn maatgevend voor een goed woon- en leefklimaat. 7.5.3 Conclusie Gezien het voorgaande vormt het aspect milieuzonering geen belemmering voor dit bestemmingsplan. 7.6
Externe veiligheid
7.6.1 Kader Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren, zoals milieurisico’s, transportrisico’s en risico’s die kunnen optreden bij de productie, het vervoer en de opslag van gevaarlijke stoffen in inrichtingen. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden. In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, beoordeeld te worden. Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. De normstelling heeft de status van een grenswaarde die niet overschreden mag worden. Voor kwetsbare objecten wordt in zowel bestaande als nieuwe situaties het niveau van 10-6 per jaar als grenswaarde gehanteerd. Nieuwe beperkt kwetsbare objecten zijn alleen toegestaan onder een gewichtige motivering.
Bestaande beperkt kwetsbare objecten zijn toegestaan binnen de PR 10-6 contour. Het GR kan worden beschouwd als de maat van maatschappelijke ontwrichting in geval van een calamiteit (en drukt dus de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal 10 personen overlijdt Bestemmingsplan ‘Kruisdijkpark’ Toelichting – Vaststelling
36
als rechtstreeks gevolg van een calamiteit). De normstelling heeft de status van een oriënterende waarde. Deze waarde is geen vastgestelde wettelijke norm. Desondanks hebben overheden en betrokken private instellingen een inspanningsverplichting om te voldoen aan deze oriënterende waarde en dient een toename van het GR bestuurlijk te worden verantwoord. 7.6.2 Onderzoek Met de voorgenomen ontwikkeling wordt de realisatie van nieuwe kwetsbare objecten mogelijk gemaakt. Op basis van de risicokaart zijn de volgende risicobronnen in de omgeving aanwezig: • Hogedruk aardgastransportleiding W-504-01; • DPO leiding; • Rail Service Center Rotterdam B.V; • Vervoer gevaarlijke stoffen over de spoorlijn Barendrecht – Maasvlakte; • Vervoer gevaarlijke stoffen over de Rijksweg A4 en de Groene Kruisweg. Leidingen Ten zuiden het plangebied bevinden zich twee leidingen waardoor gevaarlijke stoffen vervoerd worden. Het plangebied is buiten het invloedsgebied van de DPO leiding gelegen. De aardgastransportleiding heeft een druk van 12 bar waardoor deze niet nader onderzocht dient te worden. De belemmeringenstroken van beide leidingen bevinden zich buiten het plangebied. Rail Service Center Rotterdam B.V. Het plangebied is gelegen aan de rand van de PR 10-8 contour van het Rail Service Center Rotterdam B.V. Deze inrichting bevindt zich circa 2 km ten noorden van het plangebied.
Het invloedsgebied van de inrichting ligt volgens de EV signaleringskaart niet over het plangebied waardoor dit bedrijf geen belemmering vormt. Transportroutes gevaarlijke stoffen Langs vervoersassen van gevaarlijke stoffen is een verantwoordingsgebied aanwezig van 200 meter. Het invloedsgebied van LPG is 355 meter voor wegen en het invloedsgebied van toxische stoffen is meer dan 4.000 meter voor (spoor)wegen. De transportroute Groene Kruisweg ligt op circa 40 meter ten zuiden van het plangebied. De locatie is daarom gelegen binnen het verantwoordingsgebied en binnen het invloedsgebied voor GF3 van deze provinciale weg. Voor de Groene Kruisweg dient daarom m.b.v. de HART-methode te worden aangetoond dat de ontwikkeling geen belemmering vormt. Het plangebied bevindt zich tevens binnen het invloedsgebied voor toxische stoffen de rijkswegen en de spoorlijn. Er dient een beschrijving te worden gegeven van de aspecten 'zelfredzaamheid' en 'bestrijdbaarheid'. Ten zuiden van de Groene Kruisweg is een woonwijk gelegen met een dichtheid van circa 55 personen per hectare (CBS). De zone ten noorden van de Groene Kruisweg, waar ook het plangebied is gelegen, bestaat uit een gemengd gebied. De dichtheid zal hier niet hoger zijn dan in de woonwijk ten zuiden van de Groene Kruisweg.
De Groene Kruisweg is niet opgenomen in het Basisnet weg en de gemeente Albrandswaard heeft geen route gevaarlijke stoffen aangewezen. Dit heeft tot gevolg dat de Groene Kruisweg als provinciale weg ‘vrij’ is voor het transport met gevaarlijke stoffen. Om de transportaantallen per stofcategorie te bepalen moet in dit geval uitgegaan worden van de meest recente tellingen van het transport van gevaarlijke stoffen. De meest recente telling van de Groene Kruisweg is echter uit 2007. De gemeente Albrandswaard verwacht niet dat de huidige cijfers erg afwijken van de telling uit 2007, daarom is in dit onderzoek uitgegaan van deze cijfers. In de onderstaande tabel is een overzicht gegeven van de gevaarlijke stoffen die over de Groene Kruisweg vervoerd worden. Bestemmingsplan ‘Kruisdijkpark’ Toelichting – Vaststelling
37
Stofcategorie LF1 LF2 GF2 GF3
Invloedsgebied 45 45 880 355
Transporten Groene Kruisweg 427 328 33 263
Tabel 7.1: Transporthoeveelheden en invloedsgebieden gevaarlijke stoffen Groene Kruisweg.
PR contour en PAG De Groene Kruisweg heeft geen PR 10-6 contour en ook geen PAG. Berekeningsmethode groepsrisico De hoogte van het groepsrisico is inzichtelijk gemaakt op basis van de vuistregels uit de HART, routetype weg buiten de bebouwde kom (80 km/uur). Aangezien de Groene Kruisweg deels 80 km/uur en deels 50 km/uur als wettelijke maximumsnelheid heeft is in dit geval gekozen om te toetsen aan de 80 km/uur waarden aangezien dit worst-case is. Groepsrisico: - Vuistregel 1: Wanneer de vervoersstroom gevaarlijke stoffen in tankwagens (bulkvervoer) stoffen bevat uit de categorieën LT3, GT4 of GT5 (ongeacht de aantallen) pas dan RBM II toe. - Vuistregel 2: Wanneer GF3 minder is dan 10 maal de drempelwaarde in Tabel 1-8 (eenzijdige bebouwing) of 10 maal de drempelwaarde in Tabel 1-9 (2-zijdige bebouwing) wordt de oriëntatiewaarde van het groepsrisico niet overschreden. Vuistregel 1 Er worden geen stoffen vervoerd uit de stofcategorieën LT3, GT4 of GT5, waardoor vuistregel 2 kan worden toegepast voor het bepalen van het groepsrisico. Vuistregel 2 In tabel 1-7 (2-zijdige bebouwing) is af te lezen dat bij een dichtheid van 60 aanwezigen per hectare en een afstand van 50 meter tussen het plangebied en de as van de weg de drempelwaarde GF3-vervoer wordt overschreden bij 2580 vervoerseenheden per jaar.
Aangezien het werkelijke aantal transporten aanzienlijk lager is betekent dit de Groene Kruisweg geen belemmering oplevert voor het groepsrisico. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting. Het zelfredzame vermogen van personen in de buurt van een risicovolle bron is een belangrijke voorwaarde om grote effecten bij een incident te voorkomen. In het plangebied worden geen functies mogelijk gemaakt die specifiek bedoeld zijn voor personen met een beperkte zelfredzaamheid, zoals ouderen of gehandicapten. Evenwel is het natuurlijk niet uit te sluiten dat kinderen, ouderen en/of gehandicapten in de woningen gaan wonen/aanwezig zijn. Vanuit maatschappelijk oogpunt is het juist gewenst dat dergelijke specifieke doelgroepen zich gelijkmatig ‘verspreiden’ tussen de reguliere doelgroepen. Maatgevende scenario BLEVE Het maatgevende scenario voor de Groene Kruisweg is een BLEVE (Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion). Er wordt onderscheid gemaakt tussen een warme BLEVE en een koude BLEVE. Bij een warme BLEVE kan door een incident op de weg een brand ontstaan waarbij een tankwagen met LPG is betrokken. Vanwege oplopende temperaturen neemt dan de druk in de tank met LPG toe.
Binnen circa 20 minuten leidt het vrijkomen en het ontsteken van de inhoud tot overdrukeffecten en een grote Bestemmingsplan ‘Kruisdijkpark’ Toelichting – Vaststelling
38
vuurbal, een BLEVE. Een koude BLEVE treedt op zonder of voordat de LPG-tankwagen (maximaal) is opgewarmd door een externe brand. Het scheuren van de tank wordt veroorzaakt door een plaatselijke verzwakking van de tankwand. De maximale druk en temperatuur worden in dit scenario niet bereikt. De hittestraling van een BLEVE is kort en hevig en kan secundaire branden in de omgeving veroorzaken. Ontvluchting in het geval van een BLEVE is mogelijk, mits er geen bijzondere beperkingen zijn ten aanzien van zelfredzaamheid van aanwezigen. Scenario toxische gassen (vervoer gevaarlijke stoffen over de rijksweg en spoorlijn) Door een incident kan de tankwand scheuren waardoor een groot deel van de toxische vloeistof in korte tijd uitstroomt. De toxische stof verdampt deels direct en wordt gedurende korte tijd meegevoerd door de wind. De resterende vloeistof vormt een plas. Het gevaar kan door de aanwezigen in het benedenwindse effectgebied opgemerkt worden door de herkenbare geur van ammoniak. Aanwezigen kunnen het beste binnen in gebouwen schuilen tegen de toxische effecten van het scenario. Vluchtmogelijkheden In het geval van een incident met een tankwagen op de Groene Kruisweg kan men vluchten via de nieuw aan te leggen weg door het plangebied richting het oosten. Vandaaruit kan men verder vluchten.
Ook kan men via de voetpaden in het plangebied langs de noordkant van het noordwestelijke bouwblok het plangebied verlaten om vervolgens via de weg Hofhoek richting het noorden te vluchten. Mogelijkheden tot voorbereiden van bestrijding van rampen Bij het stedenbouwkundig ontwerp en de indeling van de openbare ruimte dient rekening te worden gehouden met de bereikbaarheid en keermogelijkheden van hulpverleningsdiensten en opstelplaatsen in relatie tot ingangen van gebouwen. De wegenstructuur in het plangebied dient te voldoen aan de door de brandweer gestelde minimumeisen betreffende uitvoering en inrichting. De regionaal vastgestelde ‘Handleiding advies bluswater en bereikbaarheid VRR’ biedt mogelijkheden om daar invulling aan te geven. De aanwezigheid van effectieve bluswatervoorziening is tevens een belangrijk aandachtspunt. Brandkranen dienen nabij de entrees van gebouwen en de opstelplaatsen gerealiseerd te worden. Ten behoeve van de zelfredzaamheid is het van belang dat E-Alert wordt ingezet. In het kader van een effectieve zelfredzaamheid bij het vrijkomen van toxische stoffen wordt geadviseerd bij ontwikkelingen afsluitbare ventilatiesystemen in gebouwen toe te passen waarmee kan worden voorkomen dat toxische stoffen binnentreden. Aanwezigen zijn in gebouwen enkele uren beschermd tegen de effecten van toxische dampen.
Het opleggen van het aanbrengen van afsluitbare mechanische ventilatiesystemen is alleen mogelijk indien dit in de planregels van het bestemmingsplan is vastgelegd. Risicocommunicatie naar de bewoners is zeer belangrijk. Bij het sluiten van een huur-/koopcontract dient op de externe veiligheidsrisico’s gewezen te worden. Er kan informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen ter voorkoming en bestrijding van incidenten en over de daarbij te volgen gedragslijn. De gemeente heeft in dit kader een informatieplicht. Voor de voorlichting kan gebruik gemaakt worden van de campagne “Goed voorbereid zijn heb je zelf in de hand” en de website www.rijnmondveilig.nl.
Bestemmingsplan ‘Kruisdijkpark’ Toelichting – Vaststelling
39
7.6.3 Conclusie Het aspect ‘externe veiligheid’ staat de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg. Bij de uiteindelijke vergunningverlening dient formeel advies te worden gevraagd aan de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond. 7.7
Overige belemmeringen Naast de hiervoor beschreven milieuaspecten kunnen er nog andere belemmeringen in of nabij het plangebied aanwezig zijn die van invloed kunnen zijn op de planvorming. Het gaat bijvoorbeeld om de aanwezigheid van straalpaden, planologisch relevante kabels en leidingen (zoals waterleidingen of rioleringsleidingen), beschermingszones en dergelijke. Binnen het plangebied lopen geen planologisch relevante kabels of (hoogspannings)leidingen. Dit onderdeel zorgt dan ook niet voor belemmeringen. Ook van andere belemmeringen in of rondom het plangebied is geen sprake.
7.8
Duurzaamheid
7.8.1 Kader Nationaal klimaatbeleid In 2013 zijn er in het ‘Energieakkoord voor duurzame groei’ reeds afspraken gemaakt over energiebesparing, stimuleren van duurzame energie en werkgelegenheid tussen de overheid, vakbonden, werkgevers en milieuorganisaties. Tijdens de klimaattop in Parijs in 2016 hebben 197 landen, waaronder Nederland, zich gecommitteerd aan het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen en de opwarming van de aarde te beperken tot maximaal 2 graden met 1,5 graad als streefwaarde. In de Klimaatwet (2019) is vastgelegd dat broeikasgasuitstoot (ten opzicht van 1990) met respectievelijk 49 procent in 2030 en 95 procent in 2050 verminderd moeten worden. Daarnaast moeten er in 2050 een volledig CO2-neutrale elektriciteitsproductie zijn. In het Klimaatakkoord dat op 26 juni 2019 door het kabinet is gepresenteerd staan afspraken met verschillende sectoren om de uitstoot van broeikasgassen tegen te gaan en de doelen uit de Klimaatwet te kunnen halen. Deze afspraken zijn ingedeeld per sector: elektriciteit, gebouwde omgeving, industrie, landbouw en landgebruik, en mobiliteit. Zo is voor de gebouwde omgeving afgesproken dat in 2030 1,5 miljoen bestaande woningen verduurzaamd zijn, en in 2050 7 miljoen woningen en 1 miljoen gebouwen van het aardgas af zijn. Hierbij is een centrale rol weggelegd voor gemeentes, en wordt een wijkgerichte aanpak gehanteerd.
Wet Voortgang Energie Transitie Op 1 juli 2018 is de Wet Voortgang Energie Transitie (VET) in werking getreden. Deze Wijzigingswet heeft een aantal aanpassingen doorgevoerd in de Gaswet en de Elektriciteitswet. Door de wijziging van de Gaswet mag een netbeheerder geen aardgasaansluiting meer verzorgen voor nieuwbouw. De aansluitplicht is dus vervallen, waarmee nieuwbouw niet meer aangesloten kan worden op het aardgasnet. Een belangrijk aandachtspunt is dat dit alleen geldt voor kleinverbruikers. Kleinverbruikers hebben een gasmeter tot en met G25 (een doorlaatwaarde tot en met 40 m³ per uur). Veel grotere kantoorpanden en bedrijven hebben een grotere aansluiting en hebben dus nog steeds recht op een aardgasaansluiting. Daarnaast biedt de Wet VET het college de ruimte om gebieden aan te wijzen waar netbeheerders geen nieuwe aardgasaansluitingen meer mogen verzorgen. Van deze bevoegdheid mag alleen gebruik worden gemaakt als er is voorzien in alternatieve voorzieningen. Dit heeft echter alleen invloed op kleingebruikers. Voor grootverbruikers vervalt het recht op een gasaansluiting hiermee dus niet. De wetgeving biedt ook ruimte aan het college van B&W om bij zwaarwegende redenen van algemeen belang uitzonderingen te maken en toch in een gasaansluiting te voorzien.
Bestemmingsplan ‘Kruisdijkpark’ Toelichting – Vaststelling
40
BENG Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat vergunningaanvragen vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). Die eisen vloeien voort uit het Energieakkoord voor duurzame groei en uit de Europese Energy Performance of Buildings Directive (EPBD). De energieprestatie bij BENG wordt bepaald aan de hand van 3 individueel te behalen eisen: 1. de maximale energiebehoefte in kWh per m2 gebruiksoppervlak per jaar (kWh/m2.jr); 2. het maximale primair fossiel energiegebruik, eveneens in kWh per m2 gebruiksoppervlak per jaar (kWh/m2.jr); 3. het minimale aandeel hernieuwbare energie in procenten (%). 7.8.2 Onderzoek en conclusie Bij de voorgenomen ontwikkelingen wordt zo duurzaam mogelijk gebouwd. Dit houdt in dat gebruik wordt gemaakt van duurzame materialen. Op het gebied van duurzaamheid wordt in ieder geval voldaan aan de huidige wettelijke eisen. Daarnaast wordt er gedacht aan een wko-installatie. Er wordt een verder inrichtingsplan voor de openbare ruimte opgesteld waarin biodiversiteit nadrukkelijk de aandacht krijgt. Het parkje draagt bovendien ook bij aan sociale duurzaamheid. Hier kunnen toekomstige bewoners en omwonenden elkaar ontmoeten in een groene omgeving.
Bestemmingsplan ‘Kruisdijkpark’ Toelichting – Vaststelling
41
8
Juridische planbeschrijving
8.1
Planvorm
8.1.1 Algemeen Overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) worden door middel van de op de verbeelding aangegeven bestemmingen en de regels die daarop betrekking hebben, de in het bestemmingsplan begrepen gronden voor bepaalde doeleinden aangewezen. Daarbij worden regels gegeven voor het bouwen van bouwwerken en voor het gebruik van bouwwerken en onbebouwde gronden. De juridische regeling is opgebouwd conform de SVPB 2012, de landelijke standaard voor het vervaardigen van bestemmingsplannen, die bij de invoering van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) als verplichte opbouw is opgenomen. Het bestemmingsplan bestaat formeel uit twee juridische onderdelen: - een verbeelding: een digitaal GML-bestand met een specifiek nummer, in dit geval NL.IMRO.0613.BPKruisdijkpark-ONT1 - regels: deze regels zijn in de SVBP 2012 zoveel mogelijk gestandaardiseerd (onder andere de volgorde, indeling, benaming, begripsbepalingen, overgangsbepalingen en de slotbepaling). Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangegeven, met bijbehorende verklaringen. De verklaringen leggen een verbinding tussen de op de verbeelding aangegeven bestemmingen en de regels. In de planopzet is aansluiting gezocht bij de uitgave Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen, kortweg SVBP. Ook is er een toelichting opgesteld.
Dat betreft onderhavig document. Hier in wordt het plan toegelicht en vindt de inhoudelijke beoordeling plaats voor de relevante beleids- en milieuaspecten. In dit hoofdstuk wordt aangegeven op welke wijze de voorkomende functies in het bestemmingsplan worden geregeld 8.1.2 De verbeelding De verbeelding heeft een belangrijke rol bij het bepalen van de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden op de planlocatie. Voor het verbeelden van de geometrisch bepaalde bestemmingen is een BGTondergrond gebruikt. Dit bestand is opgebouwd in coördinaten in het stelsel van de Rijksdriehoeksmeting, of kortweg Rijksdriehoekscoördinaten (ook wel: RD-coördinaten). Dit zijn de coördinaten die in Nederland worden gebruikt als grondslag voor ondermeer geografische aanduidingen, waarbij de exacte locatie van een gebied wordt vastgelegd. In het plan is met behulp van lijnen, coderingen en arceringen aan gronden (en in dit geval ook wateren) een bepaalde bestemming toegekend. Binnen een bestemmingsvlak zijn met aanduidingen nadere regels aangegeven. Op een afdruk van de geometrische plaatsbepaling, de verbeelding, zijn alle bestemmingen en aanduidingen naast elkaar zichtbaar. 8.1.3 De planregels De planregels geven inhoud aan de op de verbeelding gegeven bestemmingen. Ze geven aan waarvoor de gronden en opstallen al dan niet mogen worden gebruikt en wat en hoe er gebouwd mag worden.
Bij de opzet van de planregels is het aantal regels zo beperkt mogelijk gehouden. Alleen datgene is geregeld, wat werkelijk noodzakelijk is. Toch kan het in een concrete situatie voorkomen dat een afwijking van de planregels gewenst is. Daarom zijn er in het bestemmingsplan afwijkingsmogelijkheden opgenomen. De bevoegdheid om door een omgevingsvergunning een afwijking van bepaalde regels te verlenen, is gebaseerd op artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). De uitvoering berust bij
Bestemmingsplan ‘Kruisdijkpark’ Toelichting – Vaststelling
42
burgemeester en wethouders. Deze bevoegdheid maakt kleine afwijkingen mogelijk binnen de aan de grond toegekende bestemming. De opbouw van de regels is gelijk aan Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012. De bij dit plan behorende planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken, te weten: 1. Inleidende regels 2. Bestemmingsregels 3. Algemene regels 4. Overgangs- en slotregels In hoofdstuk 1 worden de in de planregels gehanteerde begrippen nader verklaard, zodat interpretatieproblemen zoveel mogelijk worden voorkomen. Daarnaast wordt aangegeven op welke wijze gemeten moet worden. In hoofdstuk 2 zijn specifieke regels opgenomen voor de op de verbeelding gegeven bestemmingen. De artikelen bestaan uit een bestemmingsomschrijving en bouwregels, en zo nodig uit afwijkingsregels en specifieke gebruiksregels. De bestemmingsomschrijving is bepalend voor het gebruik van de grond. De hoofdstukken 3 en 4 bevatten regels die van toepassing zijn op meerdere bestemmingen. 8.2
Artikelsgewijze toelichting
8.2.1 Inleidende regels Begripsbepaling In het eerste artikel zijn omschrijvingen opgenomen van de belangrijkste begrippen die in de planregels voorkomen. Door het opnemen van begrippen wordt de interpretatievrijheid ten aanzien van de planregels verkleind, waardoor de rechtszekerheid wordt vergroot. Wijze van meten Dit artikel geeft aan hoe de in het plan voorgeschreven maten dienen te worden gemeten of berekend. Door het opnemen van aanwijzingen voor het meten wordt de interpretatievrijheid ten aanzien van de planregels verkleind, waardoor de rechtszekerheid wordt vergroot. 8.2.2 Bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn de in het plan voorkomende bestemmingen geregeld. In ieder artikel is per bestemming bepaald welk gebruik van de gronden is toegestaan en welke bouwregels er gelden. Groen De bestemming ‘Groen’ is opgenomen voor de groenzone die rondom de gebouwen wordt gerealiseerd. De hiervoor aangewezen gronden zijn onder meer bestemd voor groen, water, speelvoorzieningen, voet- en fietspaden en enkele andere bij deze bestemming horende voorzieningen. Er mogen op deze gronden uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd. Tuin De voor ‘Tuin’ aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen en parkeren.
Bestemmingsplan ‘Kruisdijkpark’ Toelichting – Vaststelling
43
Verkeer – Verblijfsgebied De voor ‘Verkeer – Verblijfsgebied’ aangewezen gronden zijn bestemd voor verblijfsgebied met een functie voor verblijf, verplaatsing en gebruik ten dienste van de aangrenzende bestemmingen, en bij deze bestemming horende voorzieningen zoals parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen, kunst- en reclame-uitingen, water en groen. Op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, waarvan (anders dan ten behoeve van de verkeersregeling, de verkeers- of wegaanduiding of de verlichting) de bouwhoogte ten hoogste 4 m bedraagt. Water De voor ‘Water’ aangewezen gronden zijn bestemd voor water, waterberging en waterhuishouding, extensief recreatief medegebruik, duikers, groenvoorzieningen en bruggen Wonen De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor het wonen, met bijbehorende voorzieningen zoals groen, water, nuts-, speel- en parkeervoorzieningen. Binnen de bestemming zijn bouwvlakken opgenomen, waarbinnen de gebouwen mogen worden gebouwd. De maximale bouwhoogte is per bouwvlak bepaald. Waarde – Archeologie – 1 De voor ‘Waarde – Archeologie - 1’ aangewezen gronden zijn, behalve voor andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor behoud van de aan de grond eigen zijnde archeologische waarden. De belangen van de dubbelbestemming zijn primair ten opzichte van de belangen van de ander daar voorkomende bestemmingen.
8.2.3 Algemene regels Dit hoofdstuk bevat regels welke op de bestemmingen van hoofdstuk 2 van toepassing zijn. Het gaat om de volgende artikelen. Anti-dubbeltelregel In deze bepaling is vastgelegd dat grond die in aanmerking moest worden genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning, waarvan de uitvoering heeft plaatsgevonden of alsnog kan plaatsvinden, bij de beoordeling van een andere aanvraag om omgevingsvergunning niet opnieuw in beschouwing mag worden genomen. Algemene bouwregels In dit artikel zijn enkele aanvullende bouwregels opgenomen die voor alle bestemmingen kunnen gelden, zoals regels omtrent erfbebouwing en ondergronds bouwen. Algemene gebruiksregels In de algemene gebruiksregels zijn enkele vormen van gebruik opgenomen die strijdig zijn met alle bestemmingen, waaronder een gebruik van gronden als stort-, stallings- en/of opslagplaats. Algemene afwijkingsregels Dit artikel is een aanvulling op de afwijkingsregels uit de bestemmingen waarin nog een aantal algemene afwijkingen is opgenomen. Het betreft hier een standaardregeling die het mogelijk maakt om bij de uitvoering van bouwplannen beperkte afwijkingen van het plan mogelijk te maken.
Bestemmingsplan ‘Kruisdijkpark’ Toelichting – Vaststelling
44
Algemene wijzigingsregels In dit artikel is een aantal algemene wijzigingsregels opgenomen. Het betreft een standaardregeling die het mogelijk maakt om bij de uitvoering van bouwplannen beperkte afwijkingen van het plan mogelijk te maken die niet met een omgevingsvergunning voor afwijken geregeld kunnen worden. Het betreft bijvoorbeeld een geringe wijziging van de bestemmingsgrens. Algemene procedureregels Dit artikel regelt de procedure die burgemeester en wethouders dienen te volgen indien toepassing wordt gegeven aan een in dit plan opgenomen afwijkingsregels of wijzigingsbevoegdheid. 8.2.4 Overgangs- en slotregels In het overgangsrecht is een regeling opgenomen voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij het opstellen van het plan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd. In de slotregel is de officiële naam van het plan bepaald. Onder deze naam kan het bestemmingsplan worden aangehaald.
Bestemmingsplan ‘Kruisdijkpark’ Toelichting – Vaststelling
45
9.
Uitvoerbaarheid
9.1
Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Een en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten met iedere grondeigenaar. Als er met een grondeigenaar geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, dient een exploitatieplan te worden opgesteld welke tegelijkertijd met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld. Tussen de initiatiefnemer en de gemeente wordt een anterieure overeenkomst gesloten. Het kostenverhaal is hiermee anderszins verzekerd en het opstellen van een exploitatieplan is niet noodzakelijk. De initiatiefnemer zal geheel voor eigen rekening en risico overgaan tot de ontwikkeling en realisatie van het plan.
9.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
9.2.1 Voorbereidingsfase bestemmingsplan Vooraankondiging Op grond van artikel 1.3.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet voorafgaand aan een bestemmingsplanprocedure, een vooraankondiging worden gepubliceerd waarin de gemeente aangeeft een bestemmingsplan voor te bereiden. Overleg Conform artikel 3.1.1 van het Bro moeten burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeentes en waterschappen en met de Rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In dit kader is een concept van het bestemmingsplan voor advies toegezonden aan de betrokken overlegpartners. De aanpassingen die volgen uit de overlegreacties zijn verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan. Participatie Samen met verschillende omwonenden heeft een participatietraject plaatsgevonden. Onder leiding van een onafhankelijk procesbegeleider (Newman in town) is in 2019 het participatietraject van start gegaan. Hiervoor is een Plangroep opgericht, waarvoor omwonenden zijn uitgenodigd. Ook de corporatie is uitgenodigd. Zij hebben een aantal woningen naast het plangebied liggen in portefeuille. Daarnaast waren de projectleider en de stedenbouwkundige van de gemeente vertegenwoordigd in de Plangroep.
Tot slot was de architect van het plan ook betrokken. De bijeenkomsten werden waar mogelijk fysiek gehouden op locatie. De eerste fase van de participatie bestond uit kennismaken met elkaar en met de locatie. In een latere fase kon de Plangroep reageren op voorstellen vanuit de architect, waarna de architect steeds als Bestemmingsplan ‘Kruisdijkpark’ Toelichting – Vaststelling
46
huiswerk meekreeg om de aandachtspunten van de Plangroep te verwerken in het plan. In een iteratief proces, waarbij de Plangroep steeds geïnformeerd werd wat met de input was gedaan, is op die manier in goed overleg een plan ontstaan wat op draagvlak kon rekenen en met akkoord van de Plangroep naar de gemeenteraad gebracht kon worden. In de commissievergadering van de gemeenteraad is waardering uitgesproken over het plan en het proces dat met de belanghebbenden is doorlopen. Wel is er vanuit de vergadering een oproep gedaan richting de wethouder om een vergroting van het aandeel betaalbare woningen te onderzoeken. Dat hebben wij vervolgens ook gedaan, opnieuw in nauw overleg met de Plangroep. Specifieke maatregelen die vanuit de Plangroep genoemd werden, bijvoorbeeld over privacy en voldoende parkeergelegenheid, zijn daarbij verwerkt in het plan. De Plangroep wordt blijvend betrokken bij de voortgang van het proces. 9.2.2 Ontwerpfase bestemmingsplan Op de voorbereiding van een bestemmingsplan is artikel 3.8 Wro (gelezen in samenhang met afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht) van toepassing. De kennisgeving van het ontwerpbesluit tot vaststelling van het bestemmingsplan moet in de Staatscourant worden geplaatst en dient via elektronische weg te geschieden.
Tevens dient de kennisgeving te worden toegezonden aan die diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn, aan het waterschap en aan belanghebbende gemeenten. Het ontwerpbestemmingsplan heeft van vrijdag 15 december 2023 tot en met donderdag 25 januari 2024 ter inzage gelegen. Binnen deze termijn is een ieder in de gelegenheid gesteld schriftelijk en/of mondeling een zienswijze op het plan in te dienen. Gedurende de termijn van terinzagelegging zijn in totaal 3 zienswijzen ingediend. Deze zienswijzen zijn samengevat en van een reactie voorzien in de ‘Nota van beantwoording zienswijzen’, die als bijlage 17 bij deze toelichting is opgenomen. 9.2.3 Vaststellingsfase bestemmingsplan Binnen twaalf weken na de termijn van terinzagelegging heeft de gemeenteraad een besluit genomen omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan. Tegen het besluit tot vaststelling staat, voor belanghebbenden, direct beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Direct na de beroepstermijn treedt, indien tijdens de beroepstermijn geen verzoek om voorlopige voorziening is ingediend, het plan in werking waarna tot planrealisatie kan worden overgegaan. 9.3
Handhavingsaspecten Het bestemmingsplan is bindend voor zowel de overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor controle en handhaving ligt bij de gemeente. Handhaving kan worden omschreven als elke handeling die erop gericht is de naleving van regelgeving te bevorderen of een overtreding te beëindigen. Het doel van handhaving is om de duurzame bescherming van mens en omgeving te waarborgen. Binnen het kader van het bestemmingsplan heeft regelgeving met name betrekking op de Wet ruimtelijke ordening en de Woningwet. Bij overtreding van deze regelgeving moet gedacht worden aan bouwen zonder omgevingsvergunning voor het bouwen, bouwen in afwijking van een verleende vergunning, het handelen zonder of in afwijking van een noodzakelijke vergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en voor werkzaamheden (de vroegere aanlegvergunning) en het gebruik van gronden en opstallen in strijd met de gebruiksregels van het bestemmingsplan of een afwijking. Bestemmingsplan ‘Kruisdijkpark’ Toelichting – Vaststelling
47
Er zijn twee vormen handhaving te onderscheiden: preventieve en repressieve handhaving. Preventieve handhaving bestaat uit actief toezicht door of namens de gemeente door bijvoorbeeld regelmatige controles op de uitvoering van vergunningen en regelmatige gebiedscontroles. Vervolgens worden in het kader van preventieve handhaving duidelijke en maatschappelijk geaccepteerde regels opgesteld en aandacht besteed aan communicatie en voorlichting. Repressieve handhaving bestaat uit de aanwending van publiekrechtelijke middelen bij geconstateerde overtredingen, zoals het opleggen van een dwangsom of het uitoefenen van bestuursdwang. Daarnaast is het mogelijk strafrechtelijke middelen toe te passen en privaatrechtelijk actie te ondernemen bij inbreuk op het eigendomsrecht van de gemeente. Repressieve handhaving heeft als primaire doel een einde te maken aan een specifieke overtreding van de Wro of de Woningwet. De handhaafbaarheid van een bestemmingsplan is met name afhankelijk van het draagvlak van de regels onder de burgers en van de duidelijkheid van de regels. Vertaling naar bestemmingsregeling De regels die voor het plangebied opgesteld worden zijn flexibel en ruim waar mogelijk en zijn star en strak gesteld waar nodig.
Bij de opzet van deze beheersregels is een ruimtelijke motivering opgenomen in de toelichting (zie hoofdstuk 2) die in de dagelijkse praktijk goed is uit te leggen. In deze motivering wordt ook ingegaan op de mogelijkheden om alsnog af te wijken van dit plan na een ruimtelijk-juridisch afwegingsproces. Zo wordt recht gedaan aan de praktijk dat een bestemmingsplan een momentopname is. De mogelijkheden voor een goede handhaafbaarheid van dit bestemmingsplan zijn daarmee gewaarborgd.
Bestemmingsplan ‘Kruisdijkpark’ Toelichting – Vaststelling
REGELS
Inhoudsopgave
Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2
INLEIDENDE REGELS Begrippen Wijze van meten
2 2 7
Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8
BESTEMMINGSREGELS Groen Tuin Verkeer - Verblijfsgebied Water Wonen - 1 Wonen - 2
8 8 9 10 11 12 13
Hoofdstuk 3 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12 Artikel 13 Artikel 14
ALGEMENE REGELS Anti-dubbeltelregel Parkeren Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels Algemene procedureregels
15 15 16 17 18 20 21
Hoofdstuk 4 Artikel 15 Artikel 16
OVERGANGS- EN SLOTREGELS Overgangsrecht Slotregel
22 22 23
Bijlage 1
Staat van bedrijfsactiviteiten
24
2
Hoofdstuk 1 INLEIDENDE REGELS Artikel 1
Begrippen
In deze regels wordt verstaan onder: 1.1
plan:
het bestemmingsplan 'Kruisdijkpark' van de gemeente Albrandswaard; 1.2
bestemmingsplan:
de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0613.BPKruisdijkparkVST1 met de bijbehorende regels (en eventuele bijlagen); 1.3
aanbouw
een direct met het hoofdgebouw verbonden gebouw dat ten dienste staat van het hoofdgebouw en door zijn ligging, constructie en afmetingen ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; 1.4
aangebouwd bijgebouw
een indirect met het hoofdgebouw verbonden gebouw dat ten dienste staat van het hoofdgebouw dan wel in functioneel opzicht deel uitmaakt van het hoofdgebouw en door zijn ligging, constructie en afmetingen ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; 1.5
aanduidingsgrens:
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.6
ander bouwwerk
een bouwwerk, geen gebouw zijnde; 1.7
archeologische waarde
de aan een gebied toegerekende waarde in verband met de kennis en de studie van de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteit uit oude tijden; 1.8
bebouwing:
één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde; 1.9
bed-and-breakfast
een voorziening gericht op het bieden van de mogelijkheid tot overnachting en het serveren van ontbijt, als toeristisch-recreatieve activiteit, ondergeschikt aan de betreffende bestemming, met een maximum verblijfsduur van 6 weken. Onder een bed & breakfast-voorziening wordt niet verstaan overnachting, noodzakelijk in verband met het verrichten van tijdelijke of seizoensgebonden werkzaamheden en/of arbeid, zonder kookgelegenheid; 1.10
bedrijfsmatige activiteiten
het bedrijfsmatig verlenen van diensten - geen zakelijke dienstverlening of een seksinrichting zijnde en ambachtelijke bedrijvigheden, geheel of overwegend door middel van handwerk, waarbij de aard (qua milieuplanologische hinder) en omvang van de bedrijfsactiviteiten in een woning kunnen worden uitgeoefend en de activiteiten geen onevenredige afbreuk doen aan het woon- en leefmilieu in de directe omgeving;
Bestemmingsplan ‘Kruisdijkpark’ Regels – Vaststelling
3
1.11
begane grond
de eerste bouwlaag van een gebouw; 1.12
beroepsmatige activiteiten
een beroep, of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied, dat door zijn beperkte omvang in een woning en daarbij behorende gebouwen, met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend; 1.13
bestaand:
a. bij bouwwerken: een bouwwerk dat bestaat op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan danwel gebouwd is of kan worden krachtens een verleende vergunning voor het bouwen; b. gebruik: het gebruik van de gronden en bouwwerken zoals krachtens een vergunning voor het gebruik is toegestaan op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan; daaronder valt niet het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan; 1.14
bestemmingsgrens:
de grens van een bestemmingsvlak; 1.15
bestemmingsvlak:
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.16
bijgebouw
een vrijstaand gebouw dat in functioneel opzicht en qua afmeting ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw; 1.17
bouwen:
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats. 1.18
bouwgrens:
de grens van een bouwvlak; 1.19
bouwlaag
een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw, een ondergrondse of halfverdiepte parkeerlaag of een zolder; 1.20
bouwperceel:
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.21
bouwperceelsgrens:
een grens van een bouwperceel;
Bestemmingsplan ‘Kruisdijkpark’ Regels –Vaststelling
4
1.22
bouwvlak:
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten; 1.23
bouwwerk:
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; 1.24
detailhandel
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen het uitstallen ten verkoop, verkopen en/of leveren van goederen aan diegenen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; 1.25
dienstverlening
met detailhandel vergelijkbare activiteiten die gericht zijn op het verlenen van diensten aan of ten gerieve van particulieren, zoals kapsalons, reisbureaus en bankfilialen en daarmee naar de aard vergelijkbare vestigingen; 1.26
erfbebouwing
uitbreiding woonruimte en of bijgebouwen al dan niet aangebouwd; 1.27
gebouw:
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.28
geluidsgevoelig object
woningen, alsmede gebouwen en terreinen als bedoeld in artikel 4, lid 2 en artikel 7, lid 3 van het "Besluit grenswaarden binnen zones langs wegen" zoals die gold ten tijde van het ter inzage leggen van het ontwerp plan; 1.29
gevellijn
De op de verbeelding aangegeven lijn die niet door gebouwen mag worden overschreden, behoudens krachtens de regels toegelaten afwijkingen. 1.30
gevoelig object
object waar kinderen langdurig verblijven, zoals woningen, scholen, crèches en kinderdagverblijven; 1.31
hoofdgebouw
een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen als het belangrijkste gebouw valt aan te merken; 1.32
horeca-activiteiten
een bedrijf dat in zijn algemeenheid gericht is op het verstrekken van nachtverblijf, op het verstrekken en/of ter plaatse nuttigen van voedsel en/of dranken en/of het exploiteren van zaalaccommodatie. De volgende specifieke vormen worden onder horeca begrepen. Bij de begrippen is een klassenindeling aangegeven welke in hoofdschriften wordt gebezigd;
Bestemmingsplan ‘Kruisdijkpark’ Regels – Vaststelling
5
1. hotel: een bedrijf, dat in hoofdzaak bestaat uit het verstrekken van nachtverblijf en waarbij het verstrekken van voedsel en dranken (daaraan) ondergeschikt is; 2. restaurant: een bedrijf, dat in hoofdzaak bestaat uit het verstrekken van maaltijden voor gebruikt ter plaatse en waar het verstrekken van dranken (daaraan) ondergeschikt is; 3. dagzaak: een horecabedrijf, dat qua openingstijden vergelijkbaar is met detailhandelvestigingen, althans geen latere sluitingstijd dan 21.00 uur heeft, zoals een dagcafé, lunchroom, koffieshop en ijssalon; 4. cafetaria: een bedrijf dat in hoofdzaak bestaat uit het verstrekken van kleine eetwaren, niet zijnde maaltijden waarvan het sluitingsuur later dan 21.00 uur ligt; 5. cafés, bars, avond- en nachtgelegenheid: een horecabedrijf dat in hoofdzaak bestaat uit het verstrekken van dranken voor gebruik ter plaatse en het gelegenheid bieden voor dansen en waarvan het sluitingsuur later dan 21.00 uur ligt; 1.33
kantoor
een gebouw of een gedeelte daarvan dat door zijn indeling en inrichting geschikt is om uitsluitend te worden gebruikt voor administratieve en daarmee gelijk te stellen werkzaamheden, al dan niet met een baliefunctie; praktijkruimten worden hieronder mede begrepen; 1.34
peil
a. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; b. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw; 1.35
praktijkruimte
een beroeps- of bedrijfsmatige werkruimte voor beoefenaren van vrije (aan huis gebonden) beroepen, zoals medische, para-medische, administratieve en daarmee vergelijkbare beroepen, zulks met uitzondering van seksinrichtingen; 1.36
productiegebonden detailhandel
detailhandel in goederen die ter plaatse worden vervaardigd, gerepareerd en/of toegepast in het productieproces, waarbij de detailhandelsfunctie ondergeschikt is aan de productiefunctie; 1.37
sociale huurwoning
een huurwoning als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, onder d. van het Besluit ruimtelijke ordening en waarvoor de doelgroep, de maximale aanvangshuurprijs, de instandhoudingstermijn en de rapportageverplichting in geval van verhuur zijn bepaald in de "Verordening sociale huur en middeldure huur gemeente Albrandswaard" of de opvolger daarvan; 1.38