CConstaterende datAlblasserdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Voorstel Vaststelling wijziging Omgevingsplan Polderstraat 9 (Manege) Alblasserdam - Voorstel.pdf

Commissie Grondgebied Alblasserdam 3 december 2024, gemeente AlblasserdamBij agendapunt: 4: Vaststelling wijziging Omgevingsplan Polderstraat 9 (Manege) Alblasserdam - Voorstel30.016 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

de prioriteiten uit de structuurvisie Alblasserdam 2040 (bijv. het waar mogelijk terugdringen van verkeersdruk en het stimuleren van andere vervoersvormen (vervoer over water) en fietsverkeer (nieuw fietspad)). In het plan wordt aangegeven welke normen of aspecten voor een bepaald onderdeel van belang zijn, wat de stand van zaken ervan is in gemeente Alblasserdam en welke aanbevelingen tot verbetering van verkeerssituaties worden voorgesteld. Belangrijk is om hierbij te beseffen dat een GVVP veelal een afgeleide is van stedenbouwkundig beleid en de structuurvisie. Het doel is om in het GVVP alle aspecten met betrekking tot verkeer en vervoer eenduidig en in samenhang bij elkaar te brengen om vervolgens daarmee een maatschappelijk en bestuurlijk breed gedragen beleid voor de korte en lange termijn vast te leggen. Het GVVP heeft betrekking op de periode tot en met 2030. Het GVVP fungeert als onderlegger voor een omgevingsvisie die wordt opgesteld in het kader van de nieuwe Omgevingswet (2021). Tevens dient dit plan als uitgangspunt voor te maken afwegingen bij ontwikkelingen op het gebied van verkeer en vervoer.

Het GVVP Alblasserdam bevat een visie en waar mogelijk een leidraad of aanpak op het gebied van verkeer en vervoer (als afgeleide van het economisch, ruimtelijk en maatschappelijk beleid en plannen) waaraan allerlei ontwikkelingen in en rondom Alblasserdam kunnen worden getoetst. Toetsing Het onderhavige bestemmingsplan heeft enige impact op de lokale (hoofd)wegenstructuur. Er worden immers nieuwe woningen toegevoegd. Wel vervalt het bezoekersverkeer aan het watersportbedrijf en de manege. Uit het GVVP blijkt de noodzaak om de parkeerbehoefte en parkeerfaciliteiten beter op

Adromi B.V.

R202174/2101

Pagina 20 van 69

TAM-omgevingsplan Polderstraat Alblasserdam

elkaar af te stemmen. In het voorliggende bestemmingsplan is daarom opgenomen, dat in geval van functiewijziging en nieuwbouw moet worden voldaan aan de gemeentelijke parkeernormen. In beginsel moet op eigen terrein in voldoende parkeergelegenheid worden voorzien. Bij ontwikkelingen in het plangebied dient derhalve rekening te worden gehouden met dit beleid. Het plan is in overeenstemming met de doelstellingen van het GVVP. 3.5.4. Welstandsnota Alblasserdam 2014 De Welstandsnota Alblasserdam 2014 heeft als uitgangspunt voor het beleid: vrijlaten waar het kan, beschermen waar het moet. De gemeente wil ondernemers en burgers ruimte bieden bij het vormgeven van hun bouwwerken. (Maatschappelijke) ondernemers moeten zich kunnen huisvesten om hun bedrijf optimaal te laten functioneren en een gezicht te geven in de openbare ruimte. Bewoners moeten comfortabel kunnen wonen in hun (uitbreidbare) woningen. De burger draagt verantwoordelijkheid voor zijn eigen openbare ruimte, daar waar het zijn eigen gebouw betreft. De welstandsnota dient daarbij tot ondersteuning. De nota is weliswaar primair een toetsingskader, maar is zo opgesteld dat zij mensen gidsen bij het maken van hun ontwerp. De regels zijn daarom begrijpelijk en makkelijk te vinden. Sommige gebieden van Alblasserdam worden beschermd. Dit zijn de gebieden waar cultuurhistorie en collectief wonen een belangrijke rol spelen.

Deze thema’s hebben een directe relatie met de identiteit van het dorp. De regels zijn zo licht mogelijk gehouden. Toetsing Het plangebied maakt deels deel uit van het gebied dat als beschermd dorpsgezicht geldt. Het gaat hier om het dijklint langs de Alblas. De Polderstraat maakt deel uit van dat dijklint. Er gelden speciale regels voor het dijklint: − De kappen staan nagenoeg allemaal parallel aan de weg, de enkele uitzondering hierop zijn enkele woningen (één onder één kap). − Korte rijtjes (2 à 3 woningen) zijn mogelijk, de opbouw hiervan is één laag met een kap. Deze korte rijtjes hebben de kap altijd in de richting parallel aan de weg. − Woningen zijn een laag met een kap. − De woning is georiënteerd op de straatzijde (entree, voorgevel). − De woningen staan in dezelfde rooilijn als hun buren (rooilijn verschilt tussen eerste en tweede deel Polderstraat). − Waar doorzichten tussen woningen zijn, blijven deze bestaan. − Aan de noordzijde dient het hoogteverschil (dijk) in de plattegrond te worden opgenomen, er wordt niet aangedijkt. − Materiaalgebruik zoals beschreven bij dijklint langs de Noord Conclusie Het plan voldoet aan de gemeentelijke beleidsuitgangspunten als neergelegd in de structuurvisie, de nota Wonen, het GVVP en de welstandsnota. 3.5.5. Omgevingsvisie Alblasserdam De gemeente werkt aan een nieuwe omgevingsvisie.

Met het oog hierop zijn diverse participatieronden opgestart. Naar verwachting zal de raad in 2024 een beslissing kunnen nemen over deze nieuwe Omgevingsvisie. Adromi B.V.

R202174/2101

Pagina 21 van 69

TAM-omgevingsplan Polderstraat Alblasserdam

Onder de noemer het 'fitte en groene dorp in de polder' kiest de gemeente voor milieu en duurzaamheid, bijvoorbeeld in de vorm van zonnepanelen, warmtepompen, vergroening, hergebruik en het omgaan met extreem weer. De gemeente zal zich daarbij inzetten om de buitenruimte groener te maken door tegels en asfalt zoveel mogelijk te vervangen door waterdoorlatende alternatieven. Daarnaast worden er door vergroening goede leefomstandigheden gecreëerd voor wilde dieren door ook zoveel mogelijk te kiezen voor aanplant van inheemse bomen en struiken. Op het gebied van ruimtelijke ontwikkeling streeft de gemeente naar verdere ontwikkeling binnen de bestaande dorpsgrenzen. Dit betekent immers dat nog onbebouwde ruimte beschikbaar gehouden wordt voor extensieve recreatie. In lijn met de eisen en randvoorwaarden qua zuinig ruimtegebruik dienen ruimtelijke ontwikkelingen daarbij compact te worden vormgegeven. De gemeente zet ook in op gebruik van fiets, openbaar vervoer en deelauto's. Middels verdichting van het bestaande bebouwde gebied beoogt de gemeente verder bij te dragen aan een optimaal gebruik van voorzieningen die voor zo veel mogelijk bewoners te voet en op te fiets bereikbaar zijn. Toetsing De openbare ruimte in het plangebied zal direct al bij aanleg kunnen worden vormgegeven volgens het nieuwe concept dat de gemeente hanteert voor de inrichting van openbare ruimte.

Het plangebied is gelegen in bestaand bebouwd gebied en is zo compact mogelijk vormgegeven. Hiermee wordt voldaan aan het verwachte gemeentelijke beleid. In het plangebied zullen overeenkomstig het gemeentelijke beleid laadvoorzieningen worden gecreëerd voor elektrische voertuigen. 3.5.6. Duurzaamheidsplan 2012 en Duurzaamheidsagenda’s Voor energie sluit Alblasserdam aan bij de doelstelling van de Drechtsteden. Dat wil zeggen 2% energiebesparing per jaar, 20% duurzame energie in 2020 en 30% minder broeikasgassen ten opzichte van 1990. De gemeente heeft in 2012 een duurzaamheidsactieplan vastgesteld. Het streven van de gemeente is hierbij om initiatieven te ondersteunen van burgers, bedrijven en organisaties die gericht zijn op ecologische duurzaamheid. Daarbij heeft de gemeente de rol van stimuleren, faciliteren en ondersteunen. Ook wil de gemeente de bestaande (woning)voorraad verduurzamen; waarbij speciale aandacht is voor isolatie. In de gemeentelijke Duurzaamheidsagenda 2016-2020 is het uitgangspunt dat de gemeente een toekomstbestendig dorp wil, dat ook voor de komende generaties gezond, leefbaar en aantrekkelijk is.

Deze ambitie is vertaald in 5 sporen: - duurzame energie (energie besparen, duurzame opwekking, samen komen tot een energieneutrale regio); - schone lucht en leefomgeving (terugdringen van fijnstof en stikstof tot de advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie in 2030); - circulair en afvalvrij (verlagen van restafval, streven naar een afvalvrij dorp waar alles opnieuw bruikbaar is); - duurzaam ruimtegebruik (ruimtegebruik voor de lange termijn, toekomstbestendig inrichting, klimaatadaptatie); Adromi B.V.

R202174/2101

Pagina 22 van 69

TAM-omgevingsplan Polderstraat Alblasserdam

-

gemeente en inwoners samen (aantrekkelijke ontmoetingsplaatsen creëren in de buitenruimte, betrouwbaar dorpsnetwerk.

Het duurzaamheidsactieplan 2012 en de duurzaamheidsagenda 2016-2020 zijn voorlopers van de duurzaamheidsagenda 2023-2026 van de gemeente Alblasserdam. De drie agenda's hanteren in essentie hetzelfde doel: een energie- en klimaatneutraal Alblasserdam in 2050. Veel lijnen die in de agenda's van 2012 en 2016-2020 zijn benoemd, vinden ook een plek in de nieuwere agenda. In veel gevallen zijn deze lijnen wel verder ontwikkeld in de nieuwe agenda, zijn beleidsdocumenten die eraan ten grondslag liggen aangescherpt (RES en TVW) en is de focus iets verschoven. Concreet is de doelstelling van de actuele duurzaamheidsagenda het aanpassen van de manier van wonen, werken en leven door: - Zo min mogelijke belasting op het klimaat en milieu door het terugdringen van het gebruik van fossiele brandstoffen (de energietransitie); - Omgaan met en het voorkomen van overlast die de klimaatverandering met zich meebrengt (klimaatadaptatie); - Voorkomen van onnodige uitputting van grondstoffen door anders om te gaan met grondstoffen (circulariteit); - Verkleinen van de ecologische voetafdruk en ons dorp fit en groen te houden voor toekomstige generaties (rentmeesterschap).

Toetsing Duurzame energie De woningen zijn volledig gasloos en worden waar de bezonning dit toelaat middels zonnepanelen voorzien van energie. De betrokken zonnepanelen kunnen vergunningvrij op de daken worden geïnstalleerd, zodat deze niet aan de orde zullen komen in de wabo-bouwvergunning. Schone lucht Ter plaatse van de nieuwe woningen wordt aan de gangbare luchtkwaliteitsnormering voldaan. Verwezen wordt naar paragraaf 4.2. Circulair en afvalvrij Er zal worden gebouwd volgens geldende normering. Waar mogelijk worden gerecyclede bouwmaterialen toegepast en wordt gebruik gemaakt van bouwmaterialen die aan het einde van de levensduur ook eenvoudig her te gebruiken en/of de scheiden zijn met het oog op recycling. Duurzaam ruimtegebruik Onderhavige ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied maakt optimaal gebruik van reeds aanwezige voorzieningen en infrastructuur, waardoor elders geen nieuwe infrastructuur en dergelijke behoeft te worden gerealiseerd. Dit draagt bij aan zuinig ruimtegebruik.

Adromi B.V.

R202174/2101

Pagina 23 van 69

TAM-omgevingsplan Polderstraat Alblasserdam

Klimaatadaptatie De ontwikkeling vindt plaats in een verstedelijkte omgeving. De stresstest die voor de gemeente is uitgevoerd laat zien dat dit zorgt voor een grotere kans op overlast bij overmatige regenval, droogte en hitte. Overmatige regenval De kans op hevige neerslag is toegenomen en zal de komende jaren verder toenemen door stijging van de temperatuur. Voor wateroverlast in bebouwd gebied zijn de korte hevige buien (lokaal) van 1 uur veelal maatgevend. Dit zijn vaak onweersbuien in de lente of de zomer die de capaciteit van het rioolstelsel te boven gaan. De kan leiden tot water-op-straat, overlast en schade. De eisen voor het voorkomen van wateroverlast hebben tot doel om hevige neerslag lokaal vast te houden en bebouwing en voorzieningen te beschermen. Op dit vlak is relevant dat in het plangebied wordt voorzien in het nodige oppervlaktewater en groen, waarbij het verharden (afwaterend maken) van tuinen ook aan beperkingen is onderworpen. Hierdoor is de inzijging van het plangebied zo groot mogelijk gehouden. Droogte Klimaatverandering zorgt voor langere periodes van droogte en daarmee verminderde toevoer van water naar het oppervlakte- en grondwater. Het doel is het voorkomen of beperken van schade aan houten fundering, schade aan begroeiing, extra bodemdaling en een slechte waterkwaliteit.

De eisen richten zich op het rekening houden met droogte en aanvulling van het grondwater. De inrichting van het plangebied is, evenals in de huidige situatie reeds het geval, afgestemd op de verwachte grondwaterstanden en de zoetwaterbeschikbaarheid tijdens droogte. Hierin vindt geen negatieve verandering plaats. Met de komst van meer groen en water wordt ook een grotere bufferopvang in het grond- en oppervlaktewater gecreëerd. Hitte Extreme, langdurige hitte vermindert het functioneren van mensen en kan schadelijk zijn voor de gezondheid. De stedelijke omgeving warmt al meer op dan het buitengebied en in de openbare ruimte zijn plekken nodig om af te koelen. De geformuleerde eisen hebben tot doel om koelere plekken buiten te creëren en het opwarmen van de stedelijke omgeving tegen te gaan. Eisen voor temperatuurregulatie in gebouwen zelf zijn hier niet opgenomen. Door te voorzien in zonneschermen en terugliggende balkons wordt de opwarming van de nieuw te bouwen gebouwen zoveel mogelijk tegengegaan. Bodemdaling Bodemdaling wordt veroorzaakt door ontwatering en kan komen door droogte. Bodemdaling kan consequenties hebben voor het waterbeheer. Vooral veengebieden zijn gevoelig voor bodemdaling door oxidatie bij lagere grondwaterstanden. Op dit vlak is van belang dat sprake is van een bodemopbouw van klei met daarin een veenlaag.

Verder is sprake van een locatie in stedelijk gebied die al sinds jaar en dag in gebruik is geweest. Er is hierbij geen sprake van noemenswaardige

Adromi B.V.

R202174/2101

Pagina 24 van 69

TAM-omgevingsplan Polderstraat Alblasserdam

bodemdaling. Dit wordt ook onderschreven door de provinciale klimaatonderlegger, welke ter plaatse geen risico op bodemdaling identificeert. Verwezen wordt naar figuur 8.

Figuur 8: Uitsnede klimaatonderlegger bodemdaling provincie Zuid-Holland, locatie rood omcirkeld

Zoals beschreven in paragraaf 3.5.2 is er vraag naar woningen in de regio. Het bouwen binnen stedelijk gebied heeft hierbij de voorkeur, maar de mogelijkheden hiervoor zijn doorgaans schaars. Onderhavige locatie biedt deze mogelijkheid wel. Gelet op het feit dat sprake is van bestaand stedelijk gebied, is het risico op verdere bodemdaling gering.

Adromi B.V.

R202174/2101

Pagina 25 van 69

TAM-omgevingsplan Polderstraat Alblasserdam

4.

Milieu- en omgevingsaspecten

Bedrijven en milieuzonering Normstelling In het kader van een evenwichtige toekenning van functies aan locaties is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: − ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; − rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en gevoelige functies met betrekking tot milieu in voldoende mate mee te nemen is in onderhavige situatie nog gebruik gemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (2009). De VNG-publicatie geeft richtafstanden (tussen milieubelastende en milieugevoelige functies), gebaseerd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk. Van die afstanden mag in een voorkomend geval gemotiveerd worden afgeweken; het zijn immers 'richtafstanden'. Zo kunnen, indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, gemotiveerd kleinere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype 'gemengd gebied', dat gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij drukke wegen een hogere milieubelasting kent.

De VNG-publicatie onderscheidt twee omgevingstypen: − Het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied − Het omgevingstype gemengd gebied Situatie ter plaatse/toetsing De beoordeling van de milieuzonering is neergelegd in het als bijlage bijgevoegd rapport. De beoordeling en conclusie van het rapport zijn hierna weergegeven.

Conclusie Er wordt voldaan aan de richtafstanden, behalve ten aanzien van bedrijven A, H en J. Daar vindt een overschrijding plaats van de richtafstanden. Op basis van akoestisch onderzoek moet de haalbaarheid (inpasbaarheid) van het woningbouwplan ten opzichte van het geluidgezoneerd industrieterrein

Adromi B.V.

R202174/2101

Pagina 26 van 69

TAM-omgevingsplan Polderstraat Alblasserdam

worden aangetoond. Aanbevolen wordt deze Omgevingsvergunningen milieu op te vragen en te analyseren, met specifieke aandacht voor de opgenomen functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – 11’. Daarnaast wordt aanbevolen bij de gemeente en Omgevingsdienst na te vragen in hoeverre deze aanduiding van invloed is op het plan. Vanuit andere functies, zoals horeca binnen de bestemming gemengd en de brandweerkazerne binnen de bestemming maatschappelijk (Broerestraat), wordt voldaan aan de richtafstanden. Voor beide functies is nu al sprake van menging met wonen en de richtafstand voor horeca is in feite in gemengd gebied niet van toepassing (0 meter). De brandweerkazerne ligt op ca. 90 meter afstand. Voor genoemde bedrijven A, H en J zijn nader onderzocht op milieuzonering en effect op het plangebied. Bedrijf A. Scheepswerf − Milieucategorie: 5.1 − Afstand tot plangebied : ca. 85 meter2 Aspect

Richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied

Conclusie

Geur Stof Geluid

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied 100 meter 100 meter 500 meter

50 meter 50 meter 300 meter

Gevaar

50 meter

30 meter

Voldoet Voldoet Voldoet niet, is beschouwd in akoestisch onderzoek Voldoet

Bedrijf H. Staalbedrijf − Milieucategorie: 5.1 − Afstand tot plangebied : ca. 140 meter3 Aspect

Richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied

Conclusie

Geur Stof Geluid

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied 50 meter 50 meter 500 meter

30 meter 30 meter 300 meter

Gevaar

50 meter

30 meter

Voldoet Voldoet Voldoet niet, is beschouwd in akoestisch onderzoek Voldoet

Bedrijf J. Transportbedrijf − Milieucategorie: 5.1 − Afstand tot plangebied : ca. 280 meter4 2

Gemeten van bestemmingsgrens tot projectgrens (minimale nabijheid).

3

Gemeten van bestemmingsgrens tot projectgrens (minimale nabijheid).

4

Gemeten van bestemmingsgrens tot projectgrens (minimale nabijheid).

Adromi B.V.

R202174/2101

Pagina 27 van 69

TAM-omgevingsplan Polderstraat Alblasserdam Aspect

Richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied

Conclusie

Geur Stof Geluid

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied 50 meter 50 meter 500 meter

30 meter 30 meter 300 meter

Gevaar

50 meter

30 meter

Voldoet Voldoet Voldoet niet, is beschouwd in akoestisch onderzoek Voldoet

Uit voormelde analyse blijkt dat het aspect milieuzonering ten aanzien van een drietal bedrijven voor het aspect ‘geluid’ een aandachtpunt oplevert. Dit wordt in paragraaf 4.4 nader uitgewerkt. Luchtkwaliteit Normstelling Indien mensen met regelmaat luchtverontreinigende stoffen inademen kan dit leiden tot effecten op de lichamelijke gezondheid. Daarom moet bij ruimtelijke planvorming rekening worden gehouden met de effecten van de plannen op de luchtkwaliteit en de luchtkwaliteit ter plaatse. Op basis van artikel 2.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) gelden (rijks)omgevingswaarden voor luchtkwaliteit. De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. De vergunningverlener beoordeelt een aanvraag op het effect op de luchtkwaliteit in de leefomgeving. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied.

Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Er moet worden getoetst aan de omgevingswaarden, tenzij de activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de stikstofdioxide- (NO2) of fijnstof- (PM10) concentraties. De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De grens ligt bij 3% van de grenswaarde (= 1,2 μg/m3) voor stikstofdioxide en fijn stof. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijn stof nl. PM2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 μg/m3. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. De achtergrondconcentraties langs de omliggende wegen ligt onder de 25 μg/m3.

Adromi B.V.

R202174/2101

Pagina 28 van 69

TAM-omgevingsplan Polderstraat Alblasserdam

Situatie ter plaatse/toetsing Het aspect Luchtkwaliteit is onderzocht door Antea en in een afzonderlijk rapport bijgevoegd als bijlage 3 (1 september 2023). De conclusie van dat rapport luidt als volgt (citaat): Conclusie Ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit zijn er geen belemmeringen voor het initiatief. Het plan is niet in betekende mate voor de luchtkwaliteit. Daarnaast voldoet de luchtkwaliteit ter plaatse aan de maatgevende waarden. Tot slot heeft Alblasserdam samen met 35 andere gemeenten en negen provincies op 13 januari 2020 het Schone Lucht Akkoord met minister Van Veldhoven getekend. Voor Alblasserdam is dit akkoord een extra motivatie om door te werken aaneen betere luchtkwaliteit. Sinds 2017 voert de gemeente met steun van de provincie Zuid-Holland het actieprogramma luchtkwaliteit uit. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling draagt niet bij aan een substantiële verslechtering van de (goede) luchtkwaliteit. Het Bkl staat de uitvoering van het plan niet in de weg. Omgevingsveiligheid Normstelling/beleidskader Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).

De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van ‘aandachtsgebieden’. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk.

Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken Adromi B.V.

R202174/2101

Pagina 29 van 69

TAM-omgevingsplan Polderstraat Alblasserdam

leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Situatie ter plaatse/toetsing Het aspect externe veiligheid is onderzocht en neergelegd in een afzonderlijk rapport dat als bijlage 4 bij deze Toelichting is gevoegd (d.d. 30 augustus 2023). Met het rapport is invulling gegeven aan de volledige verantwoording van het groepsrisico, door middel van de uitgevoerde risicoberekening (QRA). De conclusie van het rapport luidt als volgt (citaat): Conclusies Ter plaatse van Polderstraat te Alblasserdam bestaat het voornemen woningbouw mogelijk te maken. Het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van verschillende risicobronnen. De externe veiligheidssituatie is inzichtelijk gemaakt voor de ruimtelijke procedure. Omleidingsroute Noordtunnel van A15 Plaatsgebonden risico De maximale 10-6 plaatsgebonden risicocontour van de omleidingsroute bedraagt ter hoogte van het plangebied 93 meter.

Deze contour reikt niet tot het plangebied, er wordt daarmee voldaan aan de grens- en richtwaarde ten aanzien van het plaatsgebonden risico. Plasbrandaandachtsgebied Voor de A15 geldt conform de Regeling basisnet een plasbrandaandachtsgebied (PAG) ter hoogte van het plangebied. Het plangebied ligt echter buiten het PAG. Groepsrisico Het groepsrisico van de omleidingsroute Noordtunnel van A15 bevindt zich zowel in de huidige als de toekomstige situatie onder de oriëntatiewaarde. Het groepsrisico bevindt zich tussen 0,1 en 1 keer de oriëntatiewaarde en neemt toe ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling. Ten aanzien van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de omleidingsroute Noordtunnel van A15 is verantwoording van het groepsrisico conform het Besluit externe veiligheid transportroutes verplicht in het kader van de ruimtelijke procedure. In hoofdstuk zes zijn elementen aangedragen ter verantwoording van het groepsrisico. Vaarweg de Noord (Corridor Rotterdam – Duitsland) Plaatsgebonden risico De maximale 10-6 plaatsgebonden risicocontour van de omleidingsroute bedraagt ter hoogte van het plangebied 0 meter. Deze contour reikt niet tot het plangebied, er wordt daarmee voldaan aan de grens- en richtwaarde ten aanzien van het plaatsgebonden risico.

Adromi B.V.

R202174/2101

Pagina 30 van 69

TAM-omgevingsplan Polderstraat Alblasserdam

Groepsrisico Vanwege de afstand van het plangebied tot de vaarweg (meer dan 200 meter) is een nadere beschouwing van het groepsrisico niet nodig. Ten aanzien van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de vaarweg is verantwoording van het groepsrisico conform het Besluit externe veiligheid transportroutes verplicht in het kader van de ruimtelijke procedure. In hoofdstuk zes zijn elementen aangedragen ter verantwoording van het groepsrisico. Hogedruk aardgastransportleidingen Plaatsgebonden risico De maximale 10-6 plaatsgebonden risicocontour van de omleidingsroute bedraagt ter hoogte van het plangebied 0 meter. Deze contour reikt niet tot het plangebied, er wordt daarmee voldaan aan de grens- en richtwaarde ten aanzien van het plaatsgebonden risico. Groepsrisico Gezien de omvang van het plan, de geringe persoonsaantallen en de ligging op de rand van de 1% letaliteitsgrens is op basis van expertkennis vastgesteld dat de ontwikkeling geen significant effect heeft op het groepsrisico van de leiding. Beperkte verantwoording van het groepsrisico is conform artikel 12 van het Besluit externe veiligheid buisleidingen van toepassing. Conclusie Het groepsrisico van de omleidingsroute Noordtunnel van de A15 neemt ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling toe, maar zowel in de huidige- als toekomstige situatie ligt deze onder de oriëntatiewaarde.

Omdat het plangebied binnen het explosieaandachtsgebied van de omleidingsroute Noortunnel A15 (afrit 21 tot afrit 22, met uitzondering van wegvak Z77a), binnen het brandaandachtsgebied van aardgasleiding (W-530-01) en binnen het invloedsgebied van de vaarweg de Noord ligt, worden onderstaande adviezen van de VRZHZ overgenomen: •

•

•

•

Vanwege de ligging binnen het explosieaandachtsgebied van de omleidingsroute Noordtunnel A15 moet er voldaan worden aan artikel 4.96 van het Bbl (scherfwerking). Gezien de afstand van de woningen en de positionering zal worden volstaan met geluidswerend en warmte isolerend glas. De woningen behoren te worden voorzien van uitschakelbare mechanische ventilatie conform artikel 4.124 lid 4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving: Een mechanisch ventilatiesysteem heeft een voorziening waarmee het systeem handmatig kan worden uitgeschakeld bij een externe calamiteit die kan leiden tot een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht; Binnen het explosieaandachtsgebied dient geen gebruik te worden gemaakt van losliggend dakbedekkingsmateriaal zoals bijvoorbeeld grind als afdeklaag. Dit kan door de drukgolf van een explosie schade in de omgeving veroorzaken. (Tenzij door de initiatiefnemer aan burgemeester en wethouders voldoende is aangetoond dat de grindlaag op het dak voldoende is afgeschermd tegen de drukgolf); Er zullen duidelijke vluchtroutes van de bron af worden gecreëerd;

Adromi B.V.

R202174/2101

Pagina 31 van 69

TAM-omgevingsplan Polderstraat Alblasserdam

• •

Bewoners worden geïnformeerd over de risico's en worden daarbij handelingsperspectief geboden; Met betrekking tot de bereikbaarheid en de bluswatervoorzieningen binnen het plangebied moet er voldaan worden aan de Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid 2019 (Brandweer Nederland, 2020).

In een aanvullende memo van 1 september 2023 (bijlage 4a) is door Antea nagegaan of een wijziging van het bouwplan relevant is voor de omgevingsveiligheid. Dit blijkt niet het geval. Er is onderzoek gedaan naar onontplofte munitie en door de betreffende instanties is aangegeven dat dit gebied hier niet (meer) onder valt. Vanuit oogpunt van externe veiligheid bestaan na overname van de adviezen dus geen belemmeringen voor het vaststellen van het plan. Geluid Normstelling Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen, luchtvaartterreinen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. Ook kunnen direct werkende regels in het omgevingsplan worden opgenomen. Dit zijn de regels voor het bepalen en beoordelen van geluid door een toegelaten activiteit. De instructieregels uit afdeling 3.5 (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving.

Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Voor geluidgezoneerd industrieterrein geldt daarbij specifiek overgangsrecht op grond van de artikelen 12.1 en 12.13ia, lid 2 Besluit kwaliteit leefomgeving. Kort gezegd dient te worden getoetst aan de grenswaarden Wet geluidhinder totdat geluidproductieplafonds zijn vastgesteld voor het betrokken industrieterrein. Situatie ter plaatse/toetsing De gevolgen van het plan voor de omgeving, evenals naar die van de omgeving op het plan, zijn onderzocht en neergelegd in het als bijlage toegevoegde rapport. De conclusie en samenvatting van het rapport luiden als volgt (citaat):

Adromi B.V.

R202174/2101

Pagina 32 van 69

TAM-omgevingsplan Polderstraat Alblasserdam

Conclusie en samenvatting ….. Het doel van het akoestisch onderzoek is het bepalen van de geluidbelasting op de nieuw te bouwen woningen als gevolg van de omliggende wegen, niet gezoneerde bedrijven en industrieterrein Aan de Noord. De berekeningsresultaten van wegverkeerslawaai en industrielawaai als gevolg van industrieterrein Aan de Noord zijn getoetst aan de volgens de Wet geluidhinder (Wgh) geldende grenswaarden. Naast deze beoordeling is in onderhavig onderzoek voor de niet gezoneerde bedrijven beoordeeld of het plan verantwoord is in te passen in haar fysieke omgeving. Deze beoordeling zal worden gedaan op basis van de systematiek van de VNGuitgave 'Bedrijven en milieuzonering'. Wegverkeer A15 De hoogst berekende geluidbelasting, ten gevolge van de A15, ligt in het zuidelijk deel van de ontwikkellocatie en bedraagt 58 dB op een beoordelingshoogte van 4,5 meter. De voorkeursgrenswaarde (48 dB) wordt bijna overal overschreden. Daarnaast wordt ter plaatse van het bouwplan C, D en E op enkele punten de maximale ontheffingswaarde (53 dB) overschreden. N915 Gekeken naar de rekenresultaten ligt de hoogst berekende geluidbelasting, ten gevolge van de N915, in het zuidelijk deel van de ontwikkellocatie en bedraagt 58 dB op een beoordelingshoogte van 4,5 meter. De voorkeursgrenswaarde (48 dB) wordt op een deel van de woningen overschreden.

De Helling Gekeken naar de rekenresultaten ligt de hoogst berekende geluidbelasting, ten gevolge van De Helling, in het zuidelijk deel van de ontwikkellocatie en bedraagt 54 dB op een beoordelingshoogte van 4,5 meter. De voorkeursgrenswaarde (48 dB) wordt alleen ter plaatse van het bouwplan A1 en E overschreden. Niet gezoneerde weg Polderstraat In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ook de relevante omliggende 30 km/uur weg Polderstraat beschouwd. Uit de berekeningsresultaten (zie bijlagen) blijkt dat geluidbelasting binnen het plangebied ≤ 48 dB inclusief aftrek ex artikel 110g Wgh is. In analogie met de Wet geluidhinder wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet overschreden. Geconcludeerd kan worden dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening met betrekking tot de Polderstraat. Industrie Beschouwing invloed bedrijven op geluidgevoelige bestemmingen Op basis van de systematiek van VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' is beoordeeld of het nieuwbouwplan verantwoord is in te passen in haar fysieke omgeving met onder andere

Adromi B.V.

R202174/2101

Pagina 33 van 69

TAM-omgevingsplan Polderstraat Alblasserdam

bedrijven. Vanuit deze systematiek wordt ten aanzien van de bedrijven die niet op het gezoneerde industrieterrein zijn gelegen een voldoende woon- en leefklimaat gegarandeerd. Het blijkt dat drie bedrijven niet aan de VNG-afstanden voldoen. Aangezien deze bedrijven op het gezoneerde industrieterrein Aan de Noord zijn gelegen, is de beoordeling van het geluid als gevolg van het gehele industrieterrein separaat uitgevoerd en getoetst aan de kader van de Wet geluidhinder. Gezoneerd industrieterrein Aan de Noord De hoogst berekende geluidbelasting, ten gevolge van het gezoneerde industrieterrein ‘Aan de Noord’, ligt in het zuidelijk deel van de ontwikkellocatie en bedraagt 56 dB(A) op een beoordelingshoogte van 4,5 en 7,5 meter. De voorkeursgrenswaarde (50 dB(A)) wordt bijna overal overschreden. Daarnaast wordt ter plaatse van het bouwplan C, D en E op enkele punten de maximale ontheffingswaarde (55 dB(A)) overschreden. Cumulatie Het plangebied is gelegen binnen de zone van meerdere geluidbronnen (wegverkeer en industrielawaai). Aangezien er sprake is van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde, is de cumulatieve geluidbelasting inzichtelijk gemaakt. De cumulatieve geluidbelasting op de woonblokken bedraagt ten hoogste 65 dB Lden (excl. aftrek).

Geluidreducerende maatregelen Gelet op de overschrijding van de voorkeursgrenswaarde is onderzocht of er maatregelen ter beperking van het geluid mogelijk zijn. Uit analyse naar de doeltreffendheid van maatregelen aan de bron, in het overdrachtsgebied en bij de ontvanger en toetsing aan de stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke en financiële aspecten, blijkt dat maatregelen stuit op bezwaren van diverse aard. Toetsing aan het gemeentelijk geluidbeleid Voor de toetsing aan het geluidbeleid van gemeente Alblasserdam wordt er gekeken of ieder woning een geluidluwe gevel en buitenruimte heeft. Uit de rekenresultaten blijkt dat bij diverse woningen in alle woonblokken (A t/m E) geen geluidluwe gevel aanwezig is. In het geluidbeleid is aangegeven dat de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is acceptabel als er een geluidluwe gevel én een geluidluwe buitenruimte aanwezig is. Indien een geluidluwe gevel niet mogelijk is dient dit te worden gemotiveerd. Om een goede woon- en leefomgeving te creëren zijn er de volgende overwegingen: 1. De geluidbelastingen op de minst belaste zijde zijn acceptabel en om een goed leefklimaat in de slaapkamers te realiseren worden de woningen voorzien van (nacht)koeling en mechanische ventilatie met een capaciteit van 150% t.o.v. Bouwbesluiteis. 2.

Tenminste worden de slaapkamers van woningen die niet kunnen voldoen aan de geluidluwe zijde eis uit beleid worden voorzien van een transparant gevelscherm voor het raam. Op deze wijze kunnen ramen tijdens de nachtrust openstaan voor voldoende ventilatie en koeling, maar zorgt het scherm voor een reductie van de geluidbelasting.

Adromi B.V.

R202174/2101

Pagina 34 van 69

TAM-omgevingsplan Polderstraat Alblasserdam

Uit de rekenresultaten blijkt dat bij woningen C3, C5, D5 en D7 geen geluidluwe buitenruimte hebben. Om een goede woon- en leefomgeving te creëren zijn er de volgende overwegingen: 1. De geluidbelastingen op de buitenruimte zijn acceptabel. 2. Er kan afscherming worden gerealiseerd om te kunnen voldoen aan het gemeentelijk geluidbeleid. Voorstel hogere grenswaarde ingevolge de Wet geluidhinder Maatregelen om de geluidbelasting ter plaatse van de gebouwen terug te brengen zijn niet mogelijk of lijken niet doelmatig. Het college van burgemeester en wethouders van Alblasserdam kan daarom overwegen de volgende hogere waarden vast te stellen: <…> Conclusie Ten aanzien van het aspect geluid zijn er, met inachtneming van de geadviseerde en noodzakelijke maatregelen en hogere waarden, geen belemmeringen die het vaststellen van het plan in de weg staan. Bodem 4.5.1. Milieuhygienische aspecten Normstelling Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art.

5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Situatie ter plaatse/toetsing Met het oog op de bestemmingswijziging is de milieuhygiënische kwaliteit van bodem van het plangebied onderzocht. De resultaten daarvan zijn neergelegd in het als bijlage toegevoegde rapport. De conclusies en aanbevelingen van het rapport luiden als volgt (citaat): Conclusies en aanbevelingen In opdracht van Polderstraat Alblasserdam B.V. is door Antea Group in februari en maart 2021 een nader bodemonderzoek uitgevoerd op het terrein aan de Polderstraat 9 in Alblasserdam. Het nader onderzoek volgt op verkennend onderzoek van Antea Group (d.d. 21 november 2018, kenmerk 418178-02). Aanleiding en doel Aanleiding tot onderzoek vormt de voorgenomen herontwikkeling van de locatie tot woongebied. Doel van dit onderzoek is het in kaart brengen van de omvang van de

Adromi B.V.

R202174/2101

Pagina 35 van 69

TAM-omgevingsplan Polderstraat Alblasserdam

verschillende verontreinigingen en inzicht krijgen in enkele specifieke potentiële verontreinigingen.

Halfverhardingen en funderings-/stabilisatielagen Verspreid over het terrein komt een halfverharding c.q. funderings-/stabilisatielaag voor. Deze laag is zeer divers van samenstelling en komt op basis van de milieuhygiënische kwaliteit indicatief in aanmerking voor hergebruik. Vanwege de diverse samenstelling kan het echter wel lastig zijn om een hergebruikslocatie te vinden. Verontreiniging met zware metalen Op basis van historisch onderzoek en nader bodemonderzoek is op vier delen een sterke bodemverontreiniging met zware metalen aangetoond. Deze wordt doorgaans aangetroffen onder de verhardingsconstructie. In hoeverre deze sterke verontreiniging verwijderd moet worden, hangt met name af van het bouwpeil en de voorgenomen ontgravingen (bijv. bouwkuipen) en de inrichting van het terrein (bijv. duurzame verhardingen en leeflagen; standaard dikte 1 m). Verontreiniging met asbest Op de locatie is tijdens voorgaande onderzoek een bodemverontreiniging met asbest aangetoond. Hier dient nog nader onderzoek naar plaats te vinden. Verontreiniging met PFAS Vanwege een brand in de werkplaats van de vml. garage en ten behoeve van de afvoer van vrijkomende grond is ook onderzoek verricht naar PFAS. In de grond is geen PFAS aangetoond. Manege In de zandige bovengrond met polyestervlokken worden geen verhoogde gehalten aan onderzochte stoffen (standaard pakket) aangetoond.

Voor de verwerking van deze grond kan de aanwezigheid van polyester wel beperkend werken. In de zandige of kleiige ondergrond bevat ten hoogste licht verhoogde gehalten. In de gravellaag is een zeer laag gehalte aan dioxine gemeten die ter indicatie ruim onder de norm voor nader grondonderzoek ligt. Aanbeveling Aanbevolen wordt om op het zuidelijke deel van het terrein (rondom boring 113) na te gaan wat de omvang van de verontreinigde zwak puin- en baksteenhoudende bovengrond is. Daarna wordt aanbevolen om tezamen met de resultaten van het asbestonderzoek een deelsaneringsplan dan wel BUS-melding op te stellen. Belangrijk uitgangspunt hierbij is het bouwpeil in relatie tot de hoogte van het huidige maaiveld en de definitieve inrichting van het gebied. Deze ingrediënten tezamen bepalen grotendeels de saneringsinspanning. Voornoemde conclusies zijn gebaseerd op het vooronderzoek, de zintuiglijke waarnemingen en analyseresultaten van dit onderzoek.

Adromi B.V.

R202174/2101

Pagina 36 van 69

TAM-omgevingsplan Polderstraat Alblasserdam

Conclusie Uit het voormeld (nader) onderzoek volgt dat op verschillende aspecten nog nader onderzoek moet plaatsvinden. Algemeen beeld is wel dat de bodemsituatie niet dermate negatief is dat onderhavig plan niet kan worden vastgesteld. Omdat nog niet geheel duidelijk wat de exacte bodemsituatie is, is in de planregels een voorwaardelijke verplichting tot onderzoek en aantonen geschiktheid opgenomen. 4.5.2. Bodemkwaliteit Verwezen wordt ook naar paragraaf 4.7. De bodem ter plaatse bestaat uit een deklaag van circa 12 meter klei, met daarin een dikke veenlaag van circa 6 meter. De ondergrond heeft geen belevingswaarde, gelet op omliggende bebouwing en wegen. De toekomstwaarde van de ondergrond wordt in principe niet aangetast door onderhavige ontwikkeling. De gebruikswaarde van de ondergrond is niet in beeld gebracht (om bijvoorbeeld te dienen als grondstof voor de baksteenindustrie, potgrond of dekaardeproductie). Mede gelet op de ligging omringd door wegen, de aanwezige (beschermingszone voor de) waterkering en op de omliggende bebouwing ligt grondstoffenwinning niet voor de hand. De kwaliteit van de ondergrond zal evenwel niet worden aangetast door onderhavige ontwikkeling, nu deze maar beperkt zal worden verstoord door funderingswerken. Kortom zal de kwaliteit van de ondergrond door onderhavige ontwikkeling niet worden aangetast.

Voor het overige kan worden verwezen naar paragraaf 4.11 voor wat betreft de archeologische waarden en verwachtingswaarden. Mer-beoordeling Normstelling De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG, Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn. Voor de beoogde ontwikkeling dient te worden beoordeeld of sprake kan zijn van aanzienlijke nadelige gevolgen voor het milieu. De ontwikkeling wordt beschouwd als een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van J11 van Bijlage V Omgevingsbesluit, waarvoor een mer-beoordelingsplicht geldt. Situatie ter plaatse/toetsing De milieueffectbeoordeling heeft plaatsgevonden in een afzonderlijk onderzoek waarvan het rapport als bijlage bij deze Toelichting is gevoegd10. De conclusie van het rapport zijn hierna weergegeven (citaat):

10

Antea, M.e.r.-beoordeling Herontwikkeling Polderstraat 9 Alblasserdam, 0468389.100, 8 oktober 2024, bijlage 6.

Adromi B.V.

R202174/2101

Pagina 37 van 69

TAM-omgevingsplan Polderstraat Alblasserdam

Uit voorliggende vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat er op dit moment enkele nadelige milieueffecten plaatsvinden door de het bouwplan die aandacht vragen. • Bodem • Milieuzonering • Geluid • Natuur • Externe veiligheid Toetsing Gelet op de uitkomst van de milieueffectbeoordeling heeft nader onderzoek plaatsgevonden naar de hierin aangegeven milieuaspecten. Voor deze nadere onderzoeken wordt verwezen naar de bijlagen bij deze toelichting alsook de naar hetgeen hierover in deze toelichting is opgenomen. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat geen sprake is van aanzienlijke nadelige gevolgen voor het milieu, zodat geen milieueffectrapportage noodzakelijk is. Waterhuishouding 4.7.1. Normstelling Water en planologie hebben met elkaar te maken. Enerzijds is water één van de sturende principes in planologische besluitvorming en kan daarmee beperkingen opleggen aan de toedeling van functies aan locaties. Anderzijds kan toedeling van functies aan locaties ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een goede afstemming tussen beiden is daarom noodzakelijk om problemen, zoals bijvoorbeeld wateroverlast, slechte waterkwaliteit, verdroging, etc. te voorkomen. Op grond van paragraaf 5.1.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is een weging van het waterbelang vereist.

In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze in het plangebied met water en watergerelateerde aspecten wordt omgegaan. Het plangebied ligt in het beheergebied van het waterschap Rivierenland. Het doel van de watertoets is in een vroeg stadium waterhuishoudkundige doelstellingen zichtbaar te maken en evenwichtig mee te nemen bij ruimtelijke plannen. Aspecten waaraan plannen worden getoetst zijn: − inzameling en afvoer van afvalwater; − verwerking en/of afvoer van overtollige neerslag; − relatie met grondwater en bodemeigenschappen; − relatie met de waterhuishouding; −

risico’s en gevolgen voor de chemische en ecologische kwaliteit van oppervlaktewater en

−

grondwater; beschrijving van de maatregelen die worden getroffen.

Plannen worden getoetst aan het beleid van het waterschap Rivierenland. In verband met de ontwikkeling van onderhavig bouwplan is een watertoets uitgevoerd. Hierna wordt op verschillende aspecten in verband met deze watertoets ingegaan. Waterbeheerprogramma 2022-2027 ‘Versterken, verbinden, vergroenen’ Het waterbeheerprogramma beschrijft wat Waterschap Rivierenland in de planperiode 2022-2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheerprogramma zijn voor

Adromi B.V.

R202174/2101

Pagina 38 van 69

TAM-omgevingsplan Polderstraat Alblasserdam

het waterbeheer de kaders gegeven ende opgaven gedefinieerd. De visie van Waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema’s: beschermen tegen overstromingen; water eerlijk verdelen; voorbereiden op extreem weer; streven naar schoon water van een goede biologische kwaliteit; bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur; kwaliteitsverbetering zwemwater; toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit; toewerken naar circulariteit. 4.7.2. Situatie ter plaatse/toetsing/waterparagraaf Het aspect ‘waterhuishouding’ is afzonderlijk onderzocht en vastgesteld in het als bijlage bijgevoegde rapport. Bij het opstellen van het rapport heeft overleg plaatsgevonden met de waterbeheerders, dit is tevens vermeld in het rapport. In het definitieve rapport is de reactie van de waterbeheerders verwerkt. Het rapport wijdt een afzonderlijk hoofdstuk aan de waterparagraaf voor onderhavig plan. Die waterparagraaf is hierna weergegeven.

Locatie Het plangebied is gelegen in het stedelijk gebied van Alblasserdam en is grofweg gelegen tussen het water De Alblas en de A15. Het plangebied wordt aan de oost, zuid- en westzijde begrensd door oppervlaktewater. Huidige situatie De huidige inrichting van het plangebied bestaat voornamelijk uit losse bebouwing langs de Polderstaat met daarachter stallen en een managestal en rijhal. Het zuidelijk deel van het plangebied bestaat uit een paardenbak en een longeerbak. Vanaf de rij- en longeerbak richting het zuiden is het plangebied onverhard. De noordzijde van het plangebied rondom de bebouwing is volledig verhard. Maaiveldhoogte Om de maaiveldhoogtes in het plangebied te analyseren is de AHN-viewer geraadpleegd. In het plangebied ligt het maaiveld op circa NAP -1,1 á -0,8 m. Het plangebied ligt daarmee meer dan 2 meter lager dan de omliggende wegen. Zo heeft de polderstraat een hoogte van circa NAP +1,5 m, Dam/Ruigenhil ligt op circa NAP +4,7 m en Helling op circa NAP+1,7 m. Bodemopbouw Om de bodemopbouw ter plaatse van de planlocatie te analyseren zijn de grondboringen van het DINOloket geraadpleegd. Uit de boorprofielen blijkt dat de bodem voornamelijk bestaat uit een deklaag van circa 12 meter dik van klei met daarin een dikke veenlaag van ca. 6 meter dik. Grondwaterstanden In de omgeving van het plangebied zijn geen peilbuisgegevens bekend.

De grondwaterstanden in het plangebied zullen naar verwachting sterk worden beïnvloed door het aanwezige oppervlaktewater dat rondom de projectlocatie ligt.

Adromi B.V.

R202174/2101

Pagina 39 van 69

TAM-omgevingsplan Polderstraat Alblasserdam

Grondwaterstroming In de omgeving van de projectlocatie zijn te weinig peilbuisgegevens beschikbaar in Grondwatertools.nl om isohypsen te genereren. De grondwaterstromingsrichting in de eerste zandlaag is daarom ook onbekend. Grondwaterbeschermingsgebied Het plangebied is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied. Watersysteem Op de leggerkaart van waterschap Rivierenland, zie figuur 2-5 (in het rapport), wordt het watersysteem rondom het plangebied weergegeven. Langs de oost-, zuid- en westzijde van het plangebied loopt een secundaire watergang die aan de noordzijde met elkaar verbonden zijn met een duiker onder het plangebied door.

Waterpeil In het plangebied is door het waterschap een vast peil vastgesteld van NAP -1,97 m [bron: bosatlas- watersysteem-Alblasserwaard]. Vuil- en hemelwater In het plangebied is beperkt bebouwing aanwezig. Het rioolstelsel betreft een drukriool aangelegd tussen 1980-1989 (bron: GRP Alblasserdam 2015-2018, rev3. Het rioolstelsel voert af richting het rioolgemaal C2599. Waterveiligheid Uit de legger van waterschap Rivierenland blijkt dat het plangebied zich in de kern- of beschermingszones van zowel primaire- als regionale waterkeringen bevindt. De regionale waterkering ligt over de Polderstraat, de primaire waterkering ligt over de Dam/Ruigenhil en de Helling. Deze wegen liggen ook allemaal hoger in het maaiveld. Tevens moet rekening worden gehouden met het profiel van vrije ruimte van de waterkeringen. Toekomstige situatie Voorgenomen ontwikkeling In de toekomstige situatie wordt herontwikkeling van de locatie Polderstraat 9 te Alblasserdam. In hoofdstuk 2 is het ontwerp van het voorgenomen plangebied weergegeven. Verharding Oppervlakteverdeling Rekening houdend met een verhardingspercentage van 50% voor halfverharding en 86,4% voor de tuinen bedraagt de toename aan verharding 1.774 m². Grondwater Adromi B.V.

R202174/2101

Pagina 40 van 69

TAM-omgevingsplan Polderstraat Alblasserdam

De grondwaterstand in het plangebied is onbekend. Naar verwachting wordt deze sterk beïnvloed door het omliggende oppervlaktewaterpeil. Bij de nieuwe bouwpeilen moet rekening worden gehouden met zowel voldoende ontwateringsdiepte (maaiveld ten opzichte van de grondwaterstand) als met voldoende drooglegging (verschil oppervlaktewaterpeil en maaiveld. Het waterschap adviseert hierbij voor het maaiveld een droogleging van 0,70 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. Hierbij mogen de waterhuiskundige gevolgen van uitbreidingen (niet stedelijk gebied) niet worden afgewenteld op naastgelegen of stroomafwaarts gelegen gebieden. Vanuit het oogpunt duurzaam en toekomstbestendig waterbeheer is het niet wenselijk om zonder meer grond- en oppervlaktewaterpeilen (lokaal) te verlagen. Het waterschap werkt hier dan ook niet (beleidsmatig) aan mee. Op deze locatie zeker niet, omdat er mede sprake is van veen, dat als gevolg van peildaling versneld zal verdwijnen. Alternatieven zijn het ophogen van de grond ter plaatse van de woningen of het aanpassen van het technisch ontwerp van de woningen. Watersysteem Waterstructuur De waterstructuur wijzigt als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling niet. Onderhoud watergangen De watergangen rondom het plangebied worden door het waterschap als secundaire watergangen beschouwd.

Het waterschap onderhoudt deze watergangen niet. Omdat het niet wenselijk is dat de watergangen door de naastgelegen perceeleigenaren worden onderhouden heeft het de voorkeur dat de watergangen door de gemeente worden onderhouden. Hierover dienen echter nog wel afspraken gemaakt te worden met het waterschap/gemeente. Waterbergingsopgave Rekening houdend met de compensatie-eis van 436 m³ per ha verhard oppervlak wordt in het plan voorzien in voldoende berging om een toename aan verhard oppervlak van 1.835 m2 m2 te compenseren, terwijl er binnen onderhavig plan een toename van 1.755 m2 aan verhard oppervlak zal worden gerealiseerd. Dit betekent dat er 61 m2 meer wateroppervlak gerealiseerd gaat worden dan er geëist is. In totaal zal er 400 m2 aan oppervlaktewater worden gerealiseerd. Bij een maximale peilstijging van 20 cm voor dit gebied betekent dit een toename aan waterberging van ca. 80 m3. Vuil- en hemelwater In het plangebied is een gescheiden riool voorzien. Het vuilwater wordt afgevoerd naar de waterzuivering. Het hemelwater wordt afgevoerd naar het omliggende oppervlaktewater. Er mag bij nieuwbouw geen gebruik worden gemaakt van uitlogende materialen. Op het moment dat deze wel worden gebruikt, dan mag het dakwater niet rechtstreeks op de sloten worden geloosd. Waterkwaliteit

Adromi B.V.

R202174/2101

Pagina 41 van 69

TAM-omgevingsplan Polderstraat Alblasserdam

In de toekomstige situatie zorgt het afstromend hemelwater niet voor een verslechtering van het oppervlaktewater. Er zal gebruik worden gemaakt van niet uitlogende bouwmaterialen, waardoor afvloeiend hemelwater niet zal verontreinigen. Zuiveringsstappen voor het waarborgen van de waterkwaliteit zijn niet noodzakelijk. Waterveiligheid Uit de legger van waterschap Rivierenland blijkt dat het plangebied zich in de kern- of beschermingszones van waterkeringen bevindt. Bij de nadere uitwerkingen van de woningen moet rekening worden gehouden met de randvoorwaarden die het waterschap heeft meegegeven ten aanzien van bouwpeilen en holle ruimten etc. De zoneringen van de waterkeringen worden op de plankaart opgenomen. Conclusie In het ontwerp zit voldoende compensatie om te voldoen aan de waterbergingsopgave. Er zal 80 m2 extra wateroppervlak worden gerealiseerd dan er geëist wordt voor de realisatie van het voorliggende plan. Verwezen wordt naar figuur 9 voor een overzicht van dit oppervlaktewater.

Adromi B.V.

R202174/2101

Pagina 42 van 69

TAM-omgevingsplan Polderstraat Alblasserdam

Figuur 9: situering nieuw oppervlaktewater door verbreding watergang aan de aan oostzijde (bron: RoosRos)

Adromi B.V.

R202174/2101

Pagina 43 van 69

TAM-omgevingsplan Polderstraat Alblasserdam

Natuurwaarden/ecologie/stikstof Normstelling De Wet natuurbescherming (Wnb) is opgegaan in de Omgevingswet; namelijk in de Aanvullingswet natuur, het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijft ongewijzigd. Onderdeel van de wetgeving is dat er beschermde gebieden worden aangewezen (netwerk van de zogenaamde Natura 2000-gebieden en de Beschermde natuurmonumenten) gericht op de bescherming van ongeveer 500 soorten in het wild voorkomende planten en dieren. Op provinciaal niveau hebben bepaalde natuurgebieden eveneens een beschermingsniveau toegewezen gekregen, in de vorm van Natuurnetwerk Nederland (NNN). 4.8.1. Soortenbescherming Met name met het oog op de te slopen opstallen en het verwijderen van de opgaande vegetatie kunnen er effecten op beschermde planten- en diersoorten en tevens op natuurgebieden. Om die reden is een verkennend natuurwaardenonderzoek (quick scan) uitgevoerd. Het rapport van het onderzoek is als bijlage bij deze toelichting gevoegd11. Het rapport dat als bijlage bij deze toelichting is gevoegd geeft als samenvattende conclusie het volgende weer (citaat). Conclusie Het plangebied ligt aan de Polderstraat 9 in Alblasserdam, provincie Zuid-Holland.

In het plangebied staat een woonhuis, verschillende bedrijfspanden, een aantal paardenstallen en lage schuren, een hooischuur, een manege, een rijbak en een weiland. De geplande werkzaamheden bestaan uit het slopen van de huidige bebouwing en de herinrichting van het plangebied met nieuwe woningen. Voor deze werkzaamheden plaatsvinden, moeten de gevolgen voor beschermde natuur en de consequenties met betrekking tot de natuur wet- en regelgeving in beeld zijn gebracht. Natuurnetwerk Nederland Het plangebied is geen onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) of weidevogelgebied. Door de voorgenomen ontwikkeling gaat geen oppervlakte van NNNgebied of weidevogelgebied verloren en is er geen sprake van een wezenlijke aantasting van de waarden en kenmerken van het NNN en weidevogelgebied. Effecten op het NNN worden daarom uitgesloten. Overige beleidskaders Er zijn geen andere provinciale natuurbeleidskaders van toepassing op het plangebied. Wet natuurbescherming – onderdeel gebiedsbescherming 11

Laneco, Quick scan flora en fauna Polderstraat 9 te Alblasserdam, 148.20.03, 11 september 2020, bijlage 11

Adromi B.V.

R202174/2101

Pagina 44 van 69

TAM-omgevingsplan Polderstraat Alblasserdam

Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000- gebied de ‘Boezems Kinderdijk’ ligt op circa 1,4 kilometer afstand. Door de geplande werkzaamheden gaat geen Natura 2000-gebied verloren. In dit stadium is nog niet bekend hoe de gebruiksfase en aanlegfase uitgevoerd wordt. Een stikstofberekening kan uitsluitsel geven over van de stikstofemissie als gevolg van de aanleg- en gebruiksfase. Bij een toename in stikstofdepositie zal een toets uitgevoerd moeten worden om de effecten te bepalen op beschermde habitattypen en leefgebieden van beschermde soorten. Als er geen sprake is van een toename in stikstofdepositie kan het bestemmingsplanning worden vastgesteld en de vergunning worden verleend. Wet natuurbescherming – Onderdeel houtopstanden Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom Boswet van de gemeente Alblasserdam. Het onderdeel houtopstanden van de Wet natuurbescherming is hier dan ook niet van toepassing. Wet natuurbescherming – Onderdeel soortenbescherming Voor een aantal mogelijk in (de omgeving van) het plangebied voorkomende nationaal beschermde soorten zoals egel, konijn, vos, spitsmuizen en muizen geldt een provinciale vrijstelling voor het aantasten van vaste rust- en verblijfplaatsen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.alblasserdam.nl/api/v1/meetings/664/documents/14474