Voorstel Vaststelling wijziging Omgevingsplan Polderstraat 9 (Manege) Alblasserdam - Voorstel.pdf
Tekst van het document
Binnen het plangebied kunnen een aantal nationaal en Europees beschermde soorten voorkomen, waarvoor aantasting van rust- en verblijfplaatsen een ontheffingsplicht in het kader van de Wet natuurbescherming geldt. Op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezige habitats en de biotoopeisen van de individuele diersoorten zijn de volgende soorten niet uit te sluiten binnen het plangebied: Vleermuizen: Met het verdwijnen van de bebouwing en de bomen aan de zuidzijde van het plangebied verdwijnen mogelijk verblijfplaatsen van verschillende gebouwbewonende en boombewonende vleermuissoorten. Daarnaast kan foerageergebied van vleermuizen verdwijnen. Huismus: Met het verdwijnen van de woning en de aangrenzende bedrijfspanden, worden mogelijk verblijfplaatsen van huismus aangetast. Gierzwaluw: Wanneer de woning en de aangrenzende bedrijfspanden verdwijnen, verdwijnen mogelijk nestplaatsen van gierzwaluwen. Steenmarter: Met het verdwijnen van de lage schuren in het plangebied, verdwijnen mogelijk verblijfplaatsen van steenmarter binnen het plangebied. Consequenties Nader onderzoek In het kader van de Wet natuurbescherming dient te worden nagegaan of vaste rusten verblijfsplaatsen of belangrijke onderdelen van leefgebied van soorten door de ingreep worden aangetast.
Dit kan niet worden uitgesloten zonder nader veldonderzoek voor de volgende soorten: o Vleermuizen (Wet natuurbescherming en bijlage IV Habitatrichtlijn), gebouwbewonende en boombewonende soorten en foerageergebied. Onderzoek conform het Vleermuisprotocol 2020 bestaat uit onderzoeksrondes in de periode juni tot half juli en onderzoeksrondes in de periode half augustus tot eind september. Beide
Adromi B.V.
R202174/2101
Pagina 45 van 69
TAM-omgevingsplan Polderstraat Alblasserdam
o
o
o
onderzoeken dienen plaats te vinden om een volledig beeld te krijgen van de functie van de gebouwen en omgeving voor vleermuizen. Huismus, nestplaatsen (Vogelrichtlijn). Onderzoek vindt plaats door in de periode april – half mei tweemaal onderzoek te doen conform het Kennisdocument van de huismus (BIJ12, juli 2017). Gierzwaluw, nestplaatsen (Vogelrichtlijn). Onderzoek conform het onderzoeksprotocol van het Netwerk Groene Bureaus bestaat uit drie onderzoeksrondes in de periode 15 mei tot en met 15 juli. Steenmarter. Onderzoek vindt plaats door 2 camera’s te plaatsen langs lijnelementen in de periode 15 mei tot 15 juli gedurende een periode van 6 weken.
Algemene voorwaarden Twee algemene voorwaarden vanuit de Wet natuurbescherming zijn altijd van toepassing: o de start van werkzaamheden buiten het broedseizoen van vogels (het broedseizoen loop globaal van half maart tot half juli) uit te voeren om verstoring van broedvogels en het broedsucces te voorkomen. Als er nesten van algemene vogels aanwezig zijn in het broedseizoen, dan is het noodzaak om een ecoloog in te schakelen. De ecoloog beoordeelt hoe de werkzaamheden voortgang kunnen vinden. o Op basis van de zorgplicht dient bij de uitvoering van de werkzaamheden voldoende zorg in acht te worden genomen voor de in het wild levende planten en dieren en hun leefomgeving. Verstoring moet worden beperkt en dieren moeten de gelegenheid hebben om uit te wijken en mogen niet opzettelijk worden gedood. Dit kan door: het beperken van verlichting tijdens de avonduren ten behoeve van foeragerende en overvliegende vleermuizen en andere nachtdieren. Aanbevelingen Er zijn vanuit ecologisch oogpunt aanbevelingen te doen ten aanzien van de inrichting: o Nieuwbouw kan geschikt worden gemaakt voor vleermuizen door het gebruik van inbouw vleermuiskasten of door op een hoogte van 2,5 meter en hoger op verschillende windrichtingen (voorkeur voor zuidgerichte zijden) open stootvoegen van 2 cm bij 5 cm breed aan te brengen.
Een andere optie is het creëren van 2 cm ruimte achter houten gevelbetimmering of het aanbrengen van kierende planken. o Ook kunnen de nieuw te bouwen bedrijfspanden geschikt worden gemaakt voor huismus en gierzwaluw door het één dakpan hoger plaatsen dan de vogelschroot of het plaatsen van gevelkasten. o Bij het aanbrengen van beplanting wordt aanbevolen om gebruik te maken van inheems bes- en bloemdragende struiken en planten. o Mocht er sprake zijn van een tijdelijke stikstofoverschrijding (meer dan 0,0 Mol/hectare/jaar) op Natura 2000-gebieden als gewerkt wordt met conventioneel materieel, dan bestaat de mogelijkheid om met onconventioneel materieel te werken zoals elektrische voertuigen of toepassing van onder andere stikstoffilters.
Adromi B.V.
R202174/2101
Pagina 46 van 69
TAM-omgevingsplan Polderstraat Alblasserdam
Gelet op het voorgaande is nader ecologisch onderzoek uitgevoerd12. Het rapport dat als bijlage bij deze toelichting is gevoegd geeft als samenvattende conclusie het volgende weer (citaat). Huismus Bij het gerichte onderzoek naar huismus zijn geen nest-, foerageer- of rustlocaties aangetroffen van deze soort. Voor de geplande ingreep zijn er geen consequenties in het kader van de Wet natuurbescherming voor huismus. Gierzwaluw Bij het gerichte onderzoek naar gierzwaluw zijn twee nestlocaties in de woning aan de noordzijde van het plangebied vastgesteld. Met de voorgenomen werkzaamheden worden deze nestlocaties aangetast. Voor deze aantasting dient een ontheffing van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd en dienen er mitigerende maatregelen te worden getroffen. Deze maatregelen worden uitgewerkt in een projectplan die bij de ontheffingsaanvraag wordt gevoegd. Steenmarter Bij het gerichte onderzoek naar steenmarter zijn geen verblijfplaatsen aangetroffen van steenmarter. Voor de geplande ingreep zijn er geen consequenties in het kader van de Wet natuurbescherming voor deze soort. Vleermuizen In het plangebied is één paarverblijfplaats van gewone dwergvleermuis aanwezig. Door de voorgenomen werkzaamheden gaat deze verblijfplaats verloren.
Voor deze aantasting dient een ontheffing van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd en er dienen mitigerende maatregelen genomen te worden. De maatregelen dienen te worden uitgewerkt in een projectplan die bij de ontheffingsaanvraag gevoegd wordt. De paarverblijfplaats van de ruige dwergvleermuis, die is aangetroffen in de bomen net buiten het plangebied, gaat verloren wanneer men ook deze bomen tijdens de geplande werkzaamheden verwijderd. In dat geval is eveneens een ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig. Indien de bomen behouden blijven kunnen de werkzaamheden en toekomstig gebruik mogelijk leiden tot indirecte verstoring van de paarverblijfplaats. Men kan tijdens de werkzaamheden en bij toekomstig gebruik verstoring voorkomen door geen (bouw)licht op de bomen te richten. In het plangebied zijn daarnaast voornamelijk foeragerende gewone dwergvleermuizen waargenomen, en een enkele overvliegende rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis. Er zijn geen zomer- en/of kraamverblijfplaatsen waargenomen. Het plangebied vormt wel foerageergebied voor gewone dwergvleermuis. Ze foerageren om de bebouwing en de begroeiing. In de directe omgeving is voldoende alternatief foerageergebied aanwezig. Daarnaast zal in de nieuwe situatie nieuwbouw gerealiseerd worden, waar gewone dwergvleermuis ook kan foerageren.
Het wordt wel geadviseerd om in de nieuwe situatie opgaande (inheemse) begroeiing en naar beneden 12
Laneco, Ecologisch veldonderzoek Polderstraat 9 te Alblasserdam, 148.20.03, 6 augustus 2021, bijlage 12
Adromi B.V.
R202174/2101
Pagina 47 van 69
TAM-omgevingsplan Polderstraat Alblasserdam
gerichte verlichting aan te brengen. Zo zal het (niet-essentiële) foerageergebied ook in de nieuwe situatie aanwezig zijn. Overige soorten Gedurende het onderzoek is tijdens de onderzoeksronde naar gierzwaluw een andere beschermde soort waargenomen. Een boomvalk is langsvliegend waargenomen over de oostelijke grens van het plangebied. Het betrof een enkel individu en een enkele waarneming, waarbij het dier alleen over het gebied heen vloog en geen binding met het plangebied vertoonde. Het plangebied vormt dan ook geen essentieel onderdeel van het leefgebied van boomvalk. In dit kader is dan ook geen ontheffing op de Wet natuurbescherming noodzakelijk voor boomvalk. Gelet op het voorgaande is een ontheffing aangevraagd voor de aanwezige gierzwaluwen. Omdat het hier een broedseizoen periode betreft zijn er al tijdelijke voorzieningen getroffen aan de gevels van de woningen van Woonkracht. De aangetroffen paarplek voor de vleermuizen blijft in stand en zal niet worden verstoord. Immers de bomen waar de vleermuizen in verblijven worden behouden. De geconstateerde natuurwaarden staan uitvoering van het plan dus verder niet in de weg. De overige in de rapportage beschreven maatregelen waaronder toepassing van het voorzorgbeginsel zullen in acht worden genomen conform artikel 1.7 Omgevingswet. Gelet hierop zijn er geen belemmeringen tot vaststelling van het plan. 4.8.2.
Kappen Ingevolge artikel 4.12 van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) Alblasserdam is een vergunning vereist voor het kappen van bomen welke zijn vermeld op de Lijst van beschermde bomen in particulier eigendom. Onderhavige ontwikkeling kan worden gerealiseerd zonder de kap van bedoelde bomen, met uitzondering van een witte paardenkastanje. Op dit vlak is nader onderzoek uitgevoerd13. Uit het onderzoek blijkt dat de boom is aangetast door de kastanje bloederziekte en dat de kans groot is dat de boom een verplanting niet zal overleven, gelet op deze aantasting en gelet op het wortelstelsel dat is aangetroffen. Om die reden zal kapvergunning kunnen worden verkregen voor deze boom. Voor het overige kan het plan worden uitgevoerd met behoud van aanwezige beschermde bomen. Er wordt verwezen naar onderstaande kaartuitsnede uit de gemeentelijke bomenlijst (figuur 10).
13
idverde Bomendienst, BVC en VPO Polderstraat 9 Alblasserdam, 728210283, 12 augustus 2021, bijlage 13
Adromi B.V.
R202174/2101
Pagina 48 van 69
TAM-omgevingsplan Polderstraat Alblasserdam
Figuur 10: Uitsnede bomenlijst (bron: gemeente Alblasserdam)
4.8.3. Gebiedsbescherming Blijkens de Omgevingswet dient de stikstofdepositie vanwege de activiteiten van de bouw- en gebruiksfase van deze ontwikkeling op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden inzichtelijk te worden gemaakt. Er is derhalve onderzoek gedaan naar de stikstofdepositie op natuurgebieden, afkomstig van het plan. Hierbij is zowel de bouwfase als de gebruiksfase beschouwd. Gelet op de omvang van het plan is rekening gehouden met een bouw- en aanlegfase gedurende 2 jaren, vooralsnog 2024 en 2025. Het onderzoeksrapport is als bijlage 8 bij deze Toelichting gevoegd. De rekenresultaten en conclusie van het onderzoek luiden (citaat): Rekenresultaten en conclusie Uit de berekening met AERIUS Calculator blijkt dat er geen toename wordt berekend groter dan 0,00 mol N per hectare per jaar voor zowel de gebruiksfase als de bouwfase. Significante gevolgen op enig Natura 2000-gebied kunnen voor wat betreft stikstofdepositie worden uitgesloten. Stikstofdepositie vormt geen belemmering voor verdere besluitvorming.
Adromi B.V.
R202174/2101
Pagina 49 van 69
TAM-omgevingsplan Polderstraat Alblasserdam
4.8.4. Natuurinclusief bouwen De bouw van nieuwe woningen is een kans om meer ruimte voor de natuur te creëren en de biodiversiteit te vergroten. In het kader van de uitdetaillering van het ontwerp zal hierbij waar mogelijk invulling aan worden gegeven door: a. Verblijfplaatsen voor vogels en vleermuizen in de nieuwbouw door gebruik van inbouwstenen, het toegankelijk maken van de ruimte onder de dakpannen of in de spouwmuur. Verder zullen waar nodig maatregelen worden genomen om te voorkomen dat vleermuizen zich vestigen in/aan het gebouw op locaties waarbij sprake zal zijn van een verhoogd contactrisico met uitwerpselen en/of dode vleermuizen. Dit is overeenkomstig de richtlijnen van de WHO14. a. Aanplant van inheemse bomen en struiken zoals wilg, els, es, meidoorn, vlier, sleedoorn, liguster, lijsterbes, hazelaar. Inheemse beplanting is van een veel grotere waarde voor inheemse soorten. b. Behoud van enkele volwassen/oudere bomen en groenstructuren waardoor de ecologisch waarde van het gebied enigszins behouden kan blijven en het makkelijker is voor dieren om zich hier weer te vestigen. c. Natuurlijke sloten, poelen, wadi’s, en andere wateropvang. 4.8.5.
Conclusie natuur en ecologie Op grond van het vorenstaande kan worden geconcludeerd dat ten aanzien van het behoud en de bescherming van natuurwaarden en met in achtneming van de in het rapport vermelde aanbevelingen geen aanleiding is te veronderstellen dat het plan niet kan worden vastgesteld. Omdat de resultaten van het nader onderzoek nog niet bekend zijn zal in de regels een voorwaardelijke verplichting tot aantonen voldoen aan ecologische voorwaarden worden opgenomen. Ook ten aanzien van stikstofdepositie zijn er geen belemmeringen tot vaststelling van het plan. Verkeer, parkeren en ontsluiting Ten aanzien van de aspecten verkeer, parkeren en ontsluiting heeft een afzonderlijk onderzoek plaatsgehad. Het rapport/memo van dat onderzoek is als bijlage bij de Toelichting gevoegd. De algehele conclusie van het rapport luidt als volgt (citaat). Conclusie Op basis van de gemeentelijke parkeernormen bedraagt de totale verwachte parkeerbehoefte 84,4 parkeerplaatsen, waarvan 15 parkeerplaatsen voor bezoekers. In het stedenbouwkundige plan worden er 81 parkeerplekken gerealiseerd welke overeenkomen met 85 parkeerplaatsen. Dit is voldoende om in de parkeerbehoefte voorzien. Dit betekent dat er, op basis van de parkeernormen die zijn opgenomen in het GVVP, op de piekmomenten een volledige bezetting bestaat.
De ontwikkeling Polderstraat genereert maximaal 355,9 voertuigbewegingen per werkdag. De huidige verkeersgeneratie bedraagt 466 motorvoertuigbewegingen per werkdag. Dit is een daling van 109,6 voertuigbeweging per werkdag ten opzichte van de huidige verkeersgeneratie, wat een positief effect betekent t.o.v. de huidige situatie.
14
PREDICT, Living safely with bats, juli 2018, Africa version
Adromi B.V.
R202174/2101
Pagina 50 van 69
TAM-omgevingsplan Polderstraat Alblasserdam
De ruime capaciteit van de omliggende wegen, de verkeersafname door de ontwikkeling en een beperkte spitsintensiteit (32 voertuigbewegingen in één uur) leiden ertoe dat er geen knelpunten te verwachten zijn op het gebied van verkeersdoorstroming. Het advies is om de aansluiting van de ontwikkellocatie op de Polderstraat uit te voeren als een gelijkwaardig kruispunt, met voorrang voor verkeer van rechts. Daarbij moet het zicht op en van het verkeer komende vanaf de locatie voldoende zijn. Dit houdt in dat de weg niet mag wegvallen achter (hoge) bebouwing. Om het kruispunt te accenturen kan gekozen worden voor afwijkende bestrating op de Polderstraat ter hoogte van de nieuwe zijstraat, gelijk aan kruispunt Polderstraat – Oranjestraat. Met het oog op de veiligheid binnen de wijk is er gekozen om de fietsverbinding aan de zuidkant van de ontwikkeling in te richten als doorgang voor hulpdiensten in geval van een calamiteit Van de huidige functies zijn in principe lagere verkeersintensiteiten te verwachten, zij het dat er gedurende de dag meer sprake zal zijn van vrachtwagens / trailers (aanvoer van voer, stro, vervoer paarden en schepen e.d.) en dat het reguliere autoverkeer van gebruikers zich juist vooral zal concentreren op avonden en in weekenden. Conclusie De aspecten Verkeer, Parkeren en Ontsluiting leveren geen belemmeringen op voor het plan.
Kabels en leidingen Ten aanzien van de aspecten kabels en leidingen heeft een afzonderlijk onderzoek plaatsgehad. Het rapport/memo van dat onderzoek is als bijlage bij de Toelichting gevoegd. De algehele conclusie van het rapport luidt als volgt (citaat): Er liggen nog enkele leidingen die moeten worden omgelegd. Hiervoor vinden de gesprekken inmiddels al plaats. Het gaat om de volgende kabels en leidingen: - Gemeente Alblasserdam drukriool - Gemeente Alblasserdam vrijverval riool - Waterschap Rivierenland drukriool Er lopen diverse nutsvoorzieningen langs de noordrand van het plangebied die waarschijnlijk allemaal gehandhaafd kunnen blijven. Dit zal in meer detail bekeken moeten worden in combinatie met de beoogde werkzaamheden. De exacte locatie van de kabels en leidingen zal in een vervolgstadium moeten worden vastgesteld en bekeken moeten worden of de leidingen gehandhaafd kunnen blijven i.v.m. o.a. trillingen die veroorzaakt worden door de beoogde werkzaamheden.
Adromi B.V.
R202174/2101
Pagina 51 van 69
TAM-omgevingsplan Polderstraat Alblasserdam
Conclusie De aspecten kabels en leidingen zijn voor het bestemmingsplan voldoende onderzocht en vormen geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan. Archeologie en cultuurhistorie Normstelling De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is, indien aanwezig, opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan.
Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst. Toetsing Het plangebied maakt deel uit van een groter gebied dat een archeologische verwachtingswaarde heeft. Voor het plangebied gelden om die reden verschillende dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie’. Om na te gaan of als gevolg van het plan bestaande archeologische waarden negatief worden beïnvloed is onderzoek verricht. Het rapport van dat onderzoek is als bijlage bij de Toelichting gevoegd. Conclusies en advies Conclusies Op basis van de resultaten van het verkennende booronderzoek kunnen de onderzoeksvragen uit het PvA (en paragraaf 3.1 van het rapport) als volgt worden beantwoord: 8. Wat is de bodemopbouw en zijn er aanwijzingen voor bodemverstoringen? Binnen het plangebied is sprake van een 0,15 à 1,0 m dik (sub)recent ophogingspakket op een pakket verstoorde kom- dan wel crevasse- of oeverafzettingen (mogelijk betreft het hier ook een (sub)recente) ophogingslaag). Hieronder is meestal een pakket komafzettingen (afgezet door de Alblas?) aanwezig (met een dikte tussen de 0,50 en 0,95 m). Dit kleipakket ligt veelal erosief op een pakket Hollandveen (beginnend op 1,45 à 1,95 m – mv of -2,14 à -2,93 m t.o.v. NAP). 2.
Is er binnen het plangebied een vindplaats aanwezig en/of zijn er archeologische indicatoren aangetroffen die hierop kunnen wijzen? Zo ja, wat is de aard, conserveringstoestand en datering van deze indicatoren/vindplaats?
Adromi B.V.
R202174/2101
Pagina 52 van 69
TAM-omgevingsplan Polderstraat Alblasserdam
Nee, er zijn geen aanwijzingen gevonden om de aanwezigheid van een vindplaats te veronderstellen. Gezien de aanwezigheid van een dikke (sub)recente ophogingslaag op verstoorde kom- dan wel crevasse-/oeverafzettingen op Hollandveen, de afwezigheid van een veraarde Hollandveen-top, de afwezigheid van archeologische lagen, de afwezigheid van (intacte) oude bodemhorizonten/oppervlakken, wordt de kans op de aanwezigheid van intacte archeologische waarden binnen de 4,0 m – mv laag ingeschat. 3. Indien archeologische lagen aanwezig zijn; op welke diepte bevinden deze zich en wat is de maximale diepte? Niet van toepassing (er zijn geen archeologische lagen aangetroffen). 8. Waaruit bestaat of bestaan deze archeologische laag of lagen? Niet van toepassing (er zijn een archeologische lagen aangetroffen). 8. In welke mate wordt een eventueel aanwezige vindplaats verstoord door realisatie van geplande bodemingrepen? Niet van toepassing (er is geen vindplaats aangetroffen en deze wordt ook niet binnen de 4,0 m
– mv (meer) verwacht, en de voorgenomen graafwerkzaamheden zullen naar verwachting ook niet zo diep reiken). 8. Hoe kan deze verstoring door planaanpassing tot een minimum worden beperkt? Niet van toepassing (zie het antwoord op vraag 5). 7. In welke mate stemmen de resultaten van het veldwerk overeen met de verwachtingen van de bureaustudie? Op basis van het bureauonderzoek werd enerzijds rekening gehouden met de aanwezigheid van een 1,0 à 1,5m dikke (sub)recente ophogingslaag en anderzijds met de mogelijke aanwezigheid van crevasse- of oeverafzettingen van de Alblas. Ook werd rekening gehouden met de aanwezigheid van een pakket Hollandveen én de aanwezigheid van archeologische resten vanaf de ijzertijd en met name de middeleeuwen en de nieuwe tijd. Het veldwerk heeft de aanwezigheid van een dikke, (sub)recente ophogingslaag bevestigd. Dit geroerde pakket, waarin mogelijk ook verstoorde crevasse- en/of oeverafzettingen zijn opgenomen, ligt (erosief) op een pakket Hollandveen. Maar in tegenstelling tot de verwachtingen zijn er geen archeologische resten of archeologische lagen aangetroffen en de top van het Hollandveen is geërodeerd (niet veraard). In tegenstelling tot de verwachtingen wordt de kans op de aanwezigheid van intacte archeologische resten dan ook laag ingeschat. 8.
Wat zijn de aanbevelingen? Is nader onderzoek noodzakelijk? En zo ja, waaruit kan deze bestaan? Zie hiervoor de onderstaande paragraaf 4.2.
Adromi B.V.
R202174/2101
Pagina 53 van 69
TAM-omgevingsplan Polderstraat Alblasserdam
(Selectie)advies Op basis van de resultaten en conclusies van het veldonderzoek wordt aanbevolen om het plangebied voor wat betreft archeologie en ten gunste van de voorgenomen herontwikkeling, vrij te geven tot in ieder geval 4,0 m – mv. De implementatie van de bovenstaande aanbeveling is afhankelijk van het oordeel van de bevoegde overheid (de gemeente Alblasserdam), deze dient een selectiebesluit te nemen. Op 03-03-2021 heeft mevr. C. Corbeau alsmede dhr. M. Hoenderdaal van de gemeente Alblasserdam laten weten in te kunnen stemmen met de bovenstaande conclusies en aanbeveling (dit na beoordeling door mevr. J. Hoevenberg van de gemeente Dordrecht). Ook voor vrijgegeven (delen van) plangebieden bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Het betreft dan vaak kleine sporen of resten die niet door middel van een booronderzoek kunnen worden opgespoord. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de Minister (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed: telefoon 033-4217456). Een vondstmelding bij de gemeentelijk of provinciaal archeoloog kan ook. Wat betreft het aspect Cultuurhistorie heeft het plangebied geen bestaande bijzondere gebouwen.
Wel dient de bebouwing langs de Polderstraat te passen binnen de uitgangspunten die gelden voor beschermd stads- en dorpsgezicht. De planregels zijn daarop ingericht. Door middel van een sloopvergunning wordt het behoud van omgevingskwaliteit, waaronder het aspect behoud van erfgoed, getoetst. Conclusie Uit oogpunt van archeologie en cultuurhistorie zijn er geen belemmeringen voor het beoogde nieuwbouwplan. Duurzaamheid Duurzaam bouwen is gericht op het beperken van de negatieve milieuaspecten in alle fasen van het bouwproces en het vergroten van de ecologische kwaliteiten van het leefgebied. Concreet betekent dit het terugdringen van verspilling van grondstoffen, het verlengen van de levensduur, een flexibeler gebruik van gebouwen en het bevorderen van hergebruik van bouwmaterialen. Bij duurzaam bouwen wordt o.a. aandacht besteed aan waterhuishoudingsaspecten (bijvoorbeeld afkoppeling hemelwaterafvoer), stedenbouwkundige structuur (bijv. oriëntatie van gebouwen op de zon) en bouwkundige maatregelen (isolatie, zonnecollectoren, materiaalgebruik). Ook het gebruik van niet logende bouwmaterialen valt onder de noemer duurzaam bouwen. Dit is van belang voor de waterkwaliteit. Gezondheid De gemeente Alblasserdam heeft de ambitie om een toekomstbestendig dorp te realiseren. Dat is een dorp dat ook voor de volgende generaties gezond, leefbaar en aantrekkelijk zal zijn.
Hierbij formuleert de gemeente vijf deelaspecten op het vlak van duurzaamheid.
Adromi B.V.
R202174/2101
Pagina 54 van 69
TAM-omgevingsplan Polderstraat Alblasserdam
Duurzame energie De woningen zijn volledig gasloos en worden middels zonnepanelen voorzien van energie. De betrokken zonnepanelen kunnen vergunningvrij op de daken worden geïnstalleerd, zodat deze niet aan de orde zullen komen in de wabo-bouwvergunning. Duurzaam bouwen Er zal worden gebouwd volgens geldende normering. Waar mogelijk worden gerecyclede bouwmaterialen toegepast en wordt gebruik gemaakt van bouwmaterialen die aan het einde van de levensduur ook eenvoudig her te gebruiken en/of de scheiden zijn met het oog op recycling. Groen en waterveiligheid De doelgroep zal met name bestaan uit gezinnen met kinderen en in de directe omgeving zijn al enkele (groene) speelplaatsen in de directe omgeving, waardoor in het projectgebied (natuurlijk) spelen niet leidt tot aanvullende maatregelen. De realisatie van groen draagt bij aan het voorkomen van hittestress en biedt natuurlijke infiltratiemogelijkheden in het kader van het waterkwantiteitsbeheer. Voor het aspect waterveiligheid wordt terugverwezen naar paragraaf 4.7. Klimaatadaptatie De ontwikkeling vindt plaats in een verstedelijkte omgeving. De stresstest die voor de gemeente is uitgevoerd laat zien dat dit zorgt voor een grotere kans op overlast bij overmatige regenval, droogte en hitte. Overmatige regenval De kans op hevige neerslag is toegenomen en zal de komende jaren verder toenemen door stijging van de temperatuur.
Voor wateroverlast in bebouwd gebied zijn de korte hevige buien (lokaal) van 1 uur veelal maatgevend. Dit zijn vaak onweersbuien in de lente of de zomer die de capaciteit van het rioolstelsel te boven gaan. De kan leiden tot water-op-straat, overlast en schade. De eisen voor het voorkomen van wateroverlast hebben tot doel om hevige neerslag lokaal vast te houden en bebouwing en voorzieningen te beschermen. In paragraaf 4.7.2. wordt aangegeven dat het verhard oppervlak als gevolg van het plan toeneemt met 1.334 m². Verder neemt ook het oppervlak aan oppervlaktewater toe met 255 m². In genoemde paragraaf is aangegeven dat de watercompensatie in het plan voldoende is. Daarnaast wordt het plangebied groen ingevuld met o.a. gras, struiken en bomen. Dit als geheel resulteert in voldoende capaciteit van het plangebied om hevige neerslag lokaal vast te houden en wateroverlast te voorkomen. Droogte Klimaatverandering zorgt voor langere periodes van droogte en daarmee verminderde toevoer van water naar het oppervlakte- en grondwater. Het doel is het voorkomen of beperken van schade aan houten fundering, schade aan begroeiing, extra bodemdaling en een slechte waterkwaliteit. De eisen richten zich op het rekening houden met droogte en aanvulling van het grondwater.
Adromi B.V.
R202174/2101
Pagina 55 van 69
TAM-omgevingsplan Polderstraat Alblasserdam
De inrichting van het plangebied is, evenals in de huidige situatie reeds het geval, afgestemd op de verwachte grondwaterstanden en de zoetwaterbeschikbaarheid tijdens droogte. Hierin vindt geen negatieve verandering plaats. Met de komst van meer oppervlaktewater wordt een grotere buffer gecreëerd. Hitte Extreme, langdurige hitte vermindert het functioneren van mensen en kan schadelijk zijn voor de gezondheid. De stedelijke omgeving warmt al meer op dan het buitengebied en in de openbare ruimte zijn plekken nodig om af te koelen. De geformuleerde eisen hebben tot doel om koelere plekken buiten te creëren en het opwarmen van de stedelijke omgeving tegen te gaan. Eisen voor temperatuurregulatie in gebouwen zelf zijn hier niet opgenomen. Bij de inrichting van het plangebied is rekening gehouden met aanwezigheid van zowel groene- alsook blauwe structuren. Door de mate van schaduw en de aanwezigheid van water en vegetatie wordt invulling gegeven aan de eis om koelere plekken te creëren binnen de stedelijke omgeving. Bodemdaling Bodemdaling wordt veroorzaakt door ontwatering en kan komen door droogte. Bodemdaling kan consequenties hebben voor het waterbeheer. Vooral veengebieden zijn gevoelig voor bodemdaling door oxidatie bij lagere grondwaterstanden. Uit de klimaatatlas komt naar voren dat het plangebied bodemdalingsgevoelig, maar niet sterk bodemdalingsgevoelig is.
De bodem bestaat ter plaatse uit een deklaag van ca. 12 meter klei, met daarin een veenlaag van ca. 6 meter. De bodemladder De provincie streeft naar een hernieuwbaar gebruik van de bodem, dat maatschappelijk aanvaardbaar is én economische kansen op toekomst vaste wijze benut. De bodemladder is ontwikkeld om deze afweging inzichtelijk te maken. Het is een hulpmiddel om het politieke en maatschappelijke debat over duurzaam, veilig en efficiënt gebruik van de bodem in relatie tot de intrinsieke waarden van de bodem en in samenhang met bovengronds ruimtegebruik vorm te geven. De treden van de ladder 1. Hernieuwbaarheid: de mate waarin het natuurlijke herstelvermogen van de bodem in staat is om een ingreep of verandering in bodem of ondergrond door natuurlijke processen binnen een redelijke termijn terug te brengen in de oorspronkelijke toestand. 2. Omkeerbaarheid: indien herstel van hel bodemsysteem niet van nature mogelijk is zullen de consequenties van het gebruik op het bodemsysteem omkeerbaar moeten zijn. 3. Beheersbaarheid: betreft de mate waarin risico’s rondom initiatieven en projecten (technisch en/of financieel) beheerst kunnen worden. De staanders van de ladder De vraag of een functie wel of niet kan worden toegestaan volgt uit een aanvaardbaarheidsbeoordeling. Bepalende factoren daarin zijn nut, noodzaak en impact.
Adromi B.V.
R202174/2101
Pagina 56 van 69