Toelichting.pdf
Tekst van het document
Adromi B.V.
R202174/2101
Pagina 28 van 69
TAM-omgevingsplan Polderstraat Alblasserdam
Situatie ter plaatse/toetsing Het aspect Luchtkwaliteit is onderzocht door Antea en in een afzonderlijk rapport bijgevoegd als bijlage 3 (1 september 2023). De conclusie van dat rapport luidt als volgt (citaat): Conclusie Ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit zijn er geen belemmeringen voor het initiatief. Het plan is niet in betekende mate voor de luchtkwaliteit. Daarnaast voldoet de luchtkwaliteit ter plaatse aan de maatgevende waarden. Tot slot heeft Alblasserdam samen met 35 andere gemeenten en negen provincies op 13 januari 2020 het Schone Lucht Akkoord met minister Van Veldhoven getekend. Voor Alblasserdam is dit akkoord een extra motivatie om door te werken aaneen betere luchtkwaliteit. Sinds 2017 voert de gemeente met steun van de provincie Zuid-Holland het actieprogramma luchtkwaliteit uit. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling draagt niet bij aan een substantiële verslechtering van de (goede) luchtkwaliteit. Het Bkl staat de uitvoering van het plan niet in de weg. Omgevingsveiligheid Normstelling/beleidskader Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van ‘aandachtsgebieden’. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk.
Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken Adromi B.V.
R202174/2101
Pagina 29 van 69
TAM-omgevingsplan Polderstraat Alblasserdam
leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Situatie ter plaatse/toetsing Het aspect externe veiligheid is onderzocht en neergelegd in een afzonderlijk rapport dat als bijlage 4 bij deze Toelichting is gevoegd (d.d. 30 augustus 2023). Met het rapport is invulling gegeven aan de volledige verantwoording van het groepsrisico, door middel van de uitgevoerde risicoberekening (QRA). De conclusie van het rapport luidt als volgt (citaat): Conclusies Ter plaatse van Polderstraat te Alblasserdam bestaat het voornemen woningbouw mogelijk te maken. Het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van verschillende risicobronnen. De externe veiligheidssituatie is inzichtelijk gemaakt voor de ruimtelijke procedure. Omleidingsroute Noordtunnel van A15 Plaatsgebonden risico De maximale 10-6 plaatsgebonden risicocontour van de omleidingsroute bedraagt ter hoogte van het plangebied 93 meter.
Deze contour reikt niet tot het plangebied, er wordt daarmee voldaan aan de grens- en richtwaarde ten aanzien van het plaatsgebonden risico. Plasbrandaandachtsgebied Voor de A15 geldt conform de Regeling basisnet een plasbrandaandachtsgebied (PAG) ter hoogte van het plangebied. Het plangebied ligt echter buiten het PAG. Groepsrisico Het groepsrisico van de omleidingsroute Noordtunnel van A15 bevindt zich zowel in de huidige als de toekomstige situatie onder de oriëntatiewaarde. Het groepsrisico bevindt zich tussen 0,1 en 1 keer de oriëntatiewaarde en neemt toe ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling. Ten aanzien van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de omleidingsroute Noordtunnel van A15 is verantwoording van het groepsrisico conform het Besluit externe veiligheid transportroutes verplicht in het kader van de ruimtelijke procedure. In hoofdstuk zes zijn elementen aangedragen ter verantwoording van het groepsrisico. Vaarweg de Noord (Corridor Rotterdam – Duitsland) Plaatsgebonden risico De maximale 10-6 plaatsgebonden risicocontour van de omleidingsroute bedraagt ter hoogte van het plangebied 0 meter. Deze contour reikt niet tot het plangebied, er wordt daarmee voldaan aan de grens- en richtwaarde ten aanzien van het plaatsgebonden risico.
Adromi B.V.
R202174/2101
Pagina 30 van 69
TAM-omgevingsplan Polderstraat Alblasserdam
Groepsrisico Vanwege de afstand van het plangebied tot de vaarweg (meer dan 200 meter) is een nadere beschouwing van het groepsrisico niet nodig. Ten aanzien van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de vaarweg is verantwoording van het groepsrisico conform het Besluit externe veiligheid transportroutes verplicht in het kader van de ruimtelijke procedure. In hoofdstuk zes zijn elementen aangedragen ter verantwoording van het groepsrisico. Hogedruk aardgastransportleidingen Plaatsgebonden risico De maximale 10-6 plaatsgebonden risicocontour van de omleidingsroute bedraagt ter hoogte van het plangebied 0 meter. Deze contour reikt niet tot het plangebied, er wordt daarmee voldaan aan de grens- en richtwaarde ten aanzien van het plaatsgebonden risico. Groepsrisico Gezien de omvang van het plan, de geringe persoonsaantallen en de ligging op de rand van de 1% letaliteitsgrens is op basis van expertkennis vastgesteld dat de ontwikkeling geen significant effect heeft op het groepsrisico van de leiding. Beperkte verantwoording van het groepsrisico is conform artikel 12 van het Besluit externe veiligheid buisleidingen van toepassing. Conclusie Het groepsrisico van de omleidingsroute Noordtunnel van de A15 neemt ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling toe, maar zowel in de huidige- als toekomstige situatie ligt deze onder de oriëntatiewaarde.
Omdat het plangebied binnen het explosieaandachtsgebied van de omleidingsroute Noortunnel A15 (afrit 21 tot afrit 22, met uitzondering van wegvak Z77a), binnen het brandaandachtsgebied van aardgasleiding (W-530-01) en binnen het invloedsgebied van de vaarweg de Noord ligt, worden onderstaande adviezen van de VRZHZ overgenomen: •
•
•
•
Vanwege de ligging binnen het explosieaandachtsgebied van de omleidingsroute Noordtunnel A15 moet er voldaan worden aan artikel 4.96 van het Bbl (scherfwerking). Gezien de afstand van de woningen en de positionering zal worden volstaan met geluidswerend en warmte isolerend glas. De woningen behoren te worden voorzien van uitschakelbare mechanische ventilatie conform artikel 4.124 lid 4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving: Een mechanisch ventilatiesysteem heeft een voorziening waarmee het systeem handmatig kan worden uitgeschakeld bij een externe calamiteit die kan leiden tot een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht; Binnen het explosieaandachtsgebied dient geen gebruik te worden gemaakt van losliggend dakbedekkingsmateriaal zoals bijvoorbeeld grind als afdeklaag. Dit kan door de drukgolf van een explosie schade in de omgeving veroorzaken. (Tenzij door de initiatiefnemer aan burgemeester en wethouders voldoende is aangetoond dat de grindlaag op het dak voldoende is afgeschermd tegen de drukgolf); Er zullen duidelijke vluchtroutes van de bron af worden gecreëerd;
Adromi B.V.
R202174/2101
Pagina 31 van 69
TAM-omgevingsplan Polderstraat Alblasserdam
• •
Bewoners worden geïnformeerd over de risico's en worden daarbij handelingsperspectief geboden; Met betrekking tot de bereikbaarheid en de bluswatervoorzieningen binnen het plangebied moet er voldaan worden aan de Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid 2019 (Brandweer Nederland, 2020).
In een aanvullende memo van 1 september 2023 (bijlage 4a) is door Antea nagegaan of een wijziging van het bouwplan relevant is voor de omgevingsveiligheid. Dit blijkt niet het geval. Er is onderzoek gedaan naar onontplofte munitie en door de betreffende instanties is aangegeven dat dit gebied hier niet (meer) onder valt. Vanuit oogpunt van externe veiligheid bestaan na overname van de adviezen dus geen belemmeringen voor het vaststellen van het plan. Geluid Normstelling Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen, luchtvaartterreinen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. Ook kunnen direct werkende regels in het omgevingsplan worden opgenomen. Dit zijn de regels voor het bepalen en beoordelen van geluid door een toegelaten activiteit. De instructieregels uit afdeling 3.5 (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving.
Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Voor geluidgezoneerd industrieterrein geldt daarbij specifiek overgangsrecht op grond van de artikelen 12.1 en 12.13ia, lid 2 Besluit kwaliteit leefomgeving. Kort gezegd dient te worden getoetst aan de grenswaarden Wet geluidhinder totdat geluidproductieplafonds zijn vastgesteld voor het betrokken industrieterrein. Situatie ter plaatse/toetsing De gevolgen van het plan voor de omgeving, evenals naar die van de omgeving op het plan, zijn onderzocht en neergelegd in het als bijlage toegevoegde rapport. De conclusie en samenvatting van het rapport luiden als volgt (citaat):
Adromi B.V.
R202174/2101
Pagina 32 van 69
TAM-omgevingsplan Polderstraat Alblasserdam
Conclusie en samenvatting ….. Het doel van het akoestisch onderzoek is het bepalen van de geluidbelasting op de nieuw te bouwen woningen als gevolg van de omliggende wegen, niet gezoneerde bedrijven en industrieterrein Aan de Noord. De berekeningsresultaten van wegverkeerslawaai en industrielawaai als gevolg van industrieterrein Aan de Noord zijn getoetst aan de volgens de Wet geluidhinder (Wgh) geldende grenswaarden. Naast deze beoordeling is in onderhavig onderzoek voor de niet gezoneerde bedrijven beoordeeld of het plan verantwoord is in te passen in haar fysieke omgeving. Deze beoordeling zal worden gedaan op basis van de systematiek van de VNGuitgave 'Bedrijven en milieuzonering'. Wegverkeer A15 De hoogst berekende geluidbelasting, ten gevolge van de A15, ligt in het zuidelijk deel van de ontwikkellocatie en bedraagt 58 dB op een beoordelingshoogte van 4,5 meter. De voorkeursgrenswaarde (48 dB) wordt bijna overal overschreden. Daarnaast wordt ter plaatse van het bouwplan C, D en E op enkele punten de maximale ontheffingswaarde (53 dB) overschreden. N915 Gekeken naar de rekenresultaten ligt de hoogst berekende geluidbelasting, ten gevolge van de N915, in het zuidelijk deel van de ontwikkellocatie en bedraagt 58 dB op een beoordelingshoogte van 4,5 meter. De voorkeursgrenswaarde (48 dB) wordt op een deel van de woningen overschreden.
De Helling Gekeken naar de rekenresultaten ligt de hoogst berekende geluidbelasting, ten gevolge van De Helling, in het zuidelijk deel van de ontwikkellocatie en bedraagt 54 dB op een beoordelingshoogte van 4,5 meter. De voorkeursgrenswaarde (48 dB) wordt alleen ter plaatse van het bouwplan A1 en E overschreden. Niet gezoneerde weg Polderstraat In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ook de relevante omliggende 30 km/uur weg Polderstraat beschouwd. Uit de berekeningsresultaten (zie bijlagen) blijkt dat geluidbelasting binnen het plangebied ≤ 48 dB inclusief aftrek ex artikel 110g Wgh is. In analogie met de Wet geluidhinder wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet overschreden. Geconcludeerd kan worden dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening met betrekking tot de Polderstraat. Industrie Beschouwing invloed bedrijven op geluidgevoelige bestemmingen Op basis van de systematiek van VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' is beoordeeld of het nieuwbouwplan verantwoord is in te passen in haar fysieke omgeving met onder andere
Adromi B.V.
R202174/2101
Pagina 33 van 69
TAM-omgevingsplan Polderstraat Alblasserdam
bedrijven. Vanuit deze systematiek wordt ten aanzien van de bedrijven die niet op het gezoneerde industrieterrein zijn gelegen een voldoende woon- en leefklimaat gegarandeerd. Het blijkt dat drie bedrijven niet aan de VNG-afstanden voldoen. Aangezien deze bedrijven op het gezoneerde industrieterrein Aan de Noord zijn gelegen, is de beoordeling van het geluid als gevolg van het gehele industrieterrein separaat uitgevoerd en getoetst aan de kader van de Wet geluidhinder. Gezoneerd industrieterrein Aan de Noord De hoogst berekende geluidbelasting, ten gevolge van het gezoneerde industrieterrein ‘Aan de Noord’, ligt in het zuidelijk deel van de ontwikkellocatie en bedraagt 56 dB(A) op een beoordelingshoogte van 4,5 en 7,5 meter. De voorkeursgrenswaarde (50 dB(A)) wordt bijna overal overschreden. Daarnaast wordt ter plaatse van het bouwplan C, D en E op enkele punten de maximale ontheffingswaarde (55 dB(A)) overschreden. Cumulatie Het plangebied is gelegen binnen de zone van meerdere geluidbronnen (wegverkeer en industrielawaai). Aangezien er sprake is van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde, is de cumulatieve geluidbelasting inzichtelijk gemaakt. De cumulatieve geluidbelasting op de woonblokken bedraagt ten hoogste 65 dB Lden (excl. aftrek).
Geluidreducerende maatregelen Gelet op de overschrijding van de voorkeursgrenswaarde is onderzocht of er maatregelen ter beperking van het geluid mogelijk zijn. Uit analyse naar de doeltreffendheid van maatregelen aan de bron, in het overdrachtsgebied en bij de ontvanger en toetsing aan de stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke en financiële aspecten, blijkt dat maatregelen stuit op bezwaren van diverse aard. Toetsing aan het gemeentelijk geluidbeleid Voor de toetsing aan het geluidbeleid van gemeente Alblasserdam wordt er gekeken of ieder woning een geluidluwe gevel en buitenruimte heeft. Uit de rekenresultaten blijkt dat bij diverse woningen in alle woonblokken (A t/m E) geen geluidluwe gevel aanwezig is. In het geluidbeleid is aangegeven dat de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is acceptabel als er een geluidluwe gevel én een geluidluwe buitenruimte aanwezig is. Indien een geluidluwe gevel niet mogelijk is dient dit te worden gemotiveerd. Om een goede woon- en leefomgeving te creëren zijn er de volgende overwegingen: 1. De geluidbelastingen op de minst belaste zijde zijn acceptabel en om een goed leefklimaat in de slaapkamers te realiseren worden de woningen voorzien van (nacht)koeling en mechanische ventilatie met een capaciteit van 150% t.o.v. Bouwbesluiteis. 2.
Tenminste worden de slaapkamers van woningen die niet kunnen voldoen aan de geluidluwe zijde eis uit beleid worden voorzien van een transparant gevelscherm voor het raam. Op deze wijze kunnen ramen tijdens de nachtrust openstaan voor voldoende ventilatie en koeling, maar zorgt het scherm voor een reductie van de geluidbelasting.
Adromi B.V.
R202174/2101
Pagina 34 van 69
TAM-omgevingsplan Polderstraat Alblasserdam
Uit de rekenresultaten blijkt dat bij woningen C3, C5, D5 en D7 geen geluidluwe buitenruimte hebben. Om een goede woon- en leefomgeving te creëren zijn er de volgende overwegingen: 1. De geluidbelastingen op de buitenruimte zijn acceptabel. 2. Er kan afscherming worden gerealiseerd om te kunnen voldoen aan het gemeentelijk geluidbeleid. Voorstel hogere grenswaarde ingevolge de Wet geluidhinder Maatregelen om de geluidbelasting ter plaatse van de gebouwen terug te brengen zijn niet mogelijk of lijken niet doelmatig. Het college van burgemeester en wethouders van Alblasserdam kan daarom overwegen de volgende hogere waarden vast te stellen: <…> Conclusie Ten aanzien van het aspect geluid zijn er, met inachtneming van de geadviseerde en noodzakelijke maatregelen en hogere waarden, geen belemmeringen die het vaststellen van het plan in de weg staan. Bodem 4.5.1. Milieuhygienische aspecten Normstelling Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art.
5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Situatie ter plaatse/toetsing Met het oog op de bestemmingswijziging is de milieuhygiënische kwaliteit van bodem van het plangebied onderzocht. De resultaten daarvan zijn neergelegd in het als bijlage toegevoegde rapport. De conclusies en aanbevelingen van het rapport luiden als volgt (citaat): Conclusies en aanbevelingen In opdracht van Polderstraat Alblasserdam B.V. is door Antea Group in februari en maart 2021 een nader bodemonderzoek uitgevoerd op het terrein aan de Polderstraat 9 in Alblasserdam. Het nader onderzoek volgt op verkennend onderzoek van Antea Group (d.d. 21 november 2018, kenmerk 418178-02). Aanleiding en doel Aanleiding tot onderzoek vormt de voorgenomen herontwikkeling van de locatie tot woongebied. Doel van dit onderzoek is het in kaart brengen van de omvang van de
Adromi B.V.
R202174/2101
Pagina 35 van 69
TAM-omgevingsplan Polderstraat Alblasserdam
verschillende verontreinigingen en inzicht krijgen in enkele specifieke potentiële verontreinigingen.
Halfverhardingen en funderings-/stabilisatielagen Verspreid over het terrein komt een halfverharding c.q. funderings-/stabilisatielaag voor. Deze laag is zeer divers van samenstelling en komt op basis van de milieuhygiënische kwaliteit indicatief in aanmerking voor hergebruik. Vanwege de diverse samenstelling kan het echter wel lastig zijn om een hergebruikslocatie te vinden. Verontreiniging met zware metalen Op basis van historisch onderzoek en nader bodemonderzoek is op vier delen een sterke bodemverontreiniging met zware metalen aangetoond. Deze wordt doorgaans aangetroffen onder de verhardingsconstructie. In hoeverre deze sterke verontreiniging verwijderd moet worden, hangt met name af van het bouwpeil en de voorgenomen ontgravingen (bijv. bouwkuipen) en de inrichting van het terrein (bijv. duurzame verhardingen en leeflagen; standaard dikte 1 m). Verontreiniging met asbest Op de locatie is tijdens voorgaande onderzoek een bodemverontreiniging met asbest aangetoond. Hier dient nog nader onderzoek naar plaats te vinden. Verontreiniging met PFAS Vanwege een brand in de werkplaats van de vml. garage en ten behoeve van de afvoer van vrijkomende grond is ook onderzoek verricht naar PFAS. In de grond is geen PFAS aangetoond. Manege In de zandige bovengrond met polyestervlokken worden geen verhoogde gehalten aan onderzochte stoffen (standaard pakket) aangetoond.
Voor de verwerking van deze grond kan de aanwezigheid van polyester wel beperkend werken. In de zandige of kleiige ondergrond bevat ten hoogste licht verhoogde gehalten. In de gravellaag is een zeer laag gehalte aan dioxine gemeten die ter indicatie ruim onder de norm voor nader grondonderzoek ligt. Aanbeveling Aanbevolen wordt om op het zuidelijke deel van het terrein (rondom boring 113) na te gaan wat de omvang van de verontreinigde zwak puin- en baksteenhoudende bovengrond is. Daarna wordt aanbevolen om tezamen met de resultaten van het asbestonderzoek een deelsaneringsplan dan wel BUS-melding op te stellen. Belangrijk uitgangspunt hierbij is het bouwpeil in relatie tot de hoogte van het huidige maaiveld en de definitieve inrichting van het gebied. Deze ingrediënten tezamen bepalen grotendeels de saneringsinspanning. Voornoemde conclusies zijn gebaseerd op het vooronderzoek, de zintuiglijke waarnemingen en analyseresultaten van dit onderzoek.
Adromi B.V.
R202174/2101
Pagina 36 van 69
TAM-omgevingsplan Polderstraat Alblasserdam
Conclusie Uit het voormeld (nader) onderzoek volgt dat op verschillende aspecten nog nader onderzoek moet plaatsvinden. Algemeen beeld is wel dat de bodemsituatie niet dermate negatief is dat onderhavig plan niet kan worden vastgesteld. Omdat nog niet geheel duidelijk wat de exacte bodemsituatie is, is in de planregels een voorwaardelijke verplichting tot onderzoek en aantonen geschiktheid opgenomen. 4.5.2. Bodemkwaliteit Verwezen wordt ook naar paragraaf 4.7. De bodem ter plaatse bestaat uit een deklaag van circa 12 meter klei, met daarin een dikke veenlaag van circa 6 meter. De ondergrond heeft geen belevingswaarde, gelet op omliggende bebouwing en wegen. De toekomstwaarde van de ondergrond wordt in principe niet aangetast door onderhavige ontwikkeling. De gebruikswaarde van de ondergrond is niet in beeld gebracht (om bijvoorbeeld te dienen als grondstof voor de baksteenindustrie, potgrond of dekaardeproductie). Mede gelet op de ligging omringd door wegen, de aanwezige (beschermingszone voor de) waterkering en op de omliggende bebouwing ligt grondstoffenwinning niet voor de hand. De kwaliteit van de ondergrond zal evenwel niet worden aangetast door onderhavige ontwikkeling, nu deze maar beperkt zal worden verstoord door funderingswerken. Kortom zal de kwaliteit van de ondergrond door onderhavige ontwikkeling niet worden aangetast.
Voor het overige kan worden verwezen naar paragraaf 4.11 voor wat betreft de archeologische waarden en verwachtingswaarden. Mer-beoordeling Normstelling De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG, Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn. Voor de beoogde ontwikkeling dient te worden beoordeeld of sprake kan zijn van aanzienlijke nadelige gevolgen voor het milieu. De ontwikkeling wordt beschouwd als een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van J11 van Bijlage V Omgevingsbesluit, waarvoor een mer-beoordelingsplicht geldt. Situatie ter plaatse/toetsing De milieueffectbeoordeling heeft plaatsgevonden in een afzonderlijk onderzoek waarvan het rapport als bijlage bij deze Toelichting is gevoegd10. De conclusie van het rapport zijn hierna weergegeven (citaat):
10
Antea, M.e.r.-beoordeling Herontwikkeling Polderstraat 9 Alblasserdam, 0468389.100, 8 oktober 2024, bijlage 6.
Adromi B.V.
R202174/2101
Pagina 37 van 69
TAM-omgevingsplan Polderstraat Alblasserdam
Uit voorliggende vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat er op dit moment enkele nadelige milieueffecten plaatsvinden door de het bouwplan die aandacht vragen. • Bodem • Milieuzonering • Geluid • Natuur • Externe veiligheid Toetsing Gelet op de uitkomst van de milieueffectbeoordeling heeft nader onderzoek plaatsgevonden naar de hierin aangegeven milieuaspecten. Voor deze nadere onderzoeken wordt verwezen naar de bijlagen bij deze toelichting alsook de naar hetgeen hierover in deze toelichting is opgenomen. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat geen sprake is van aanzienlijke nadelige gevolgen voor het milieu, zodat geen milieueffectrapportage noodzakelijk is. Waterhuishouding 4.7.1. Normstelling Water en planologie hebben met elkaar te maken. Enerzijds is water één van de sturende principes in planologische besluitvorming en kan daarmee beperkingen opleggen aan de toedeling van functies aan locaties. Anderzijds kan toedeling van functies aan locaties ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een goede afstemming tussen beiden is daarom noodzakelijk om problemen, zoals bijvoorbeeld wateroverlast, slechte waterkwaliteit, verdroging, etc. te voorkomen. Op grond van paragraaf 5.1.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is een weging van het waterbelang vereist.
In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze in het plangebied met water en watergerelateerde aspecten wordt omgegaan. Het plangebied ligt in het beheergebied van het waterschap Rivierenland. Het doel van de watertoets is in een vroeg stadium waterhuishoudkundige doelstellingen zichtbaar te maken en evenwichtig mee te nemen bij ruimtelijke plannen. Aspecten waaraan plannen worden getoetst zijn: − inzameling en afvoer van afvalwater; − verwerking en/of afvoer van overtollige neerslag; − relatie met grondwater en bodemeigenschappen; − relatie met de waterhuishouding; −
risico’s en gevolgen voor de chemische en ecologische kwaliteit van oppervlaktewater en
−
grondwater; beschrijving van de maatregelen die worden getroffen.
Plannen worden getoetst aan het beleid van het waterschap Rivierenland. In verband met de ontwikkeling van onderhavig bouwplan is een watertoets uitgevoerd. Hierna wordt op verschillende aspecten in verband met deze watertoets ingegaan. Waterbeheerprogramma 2022-2027 ‘Versterken, verbinden, vergroenen’ Het waterbeheerprogramma beschrijft wat Waterschap Rivierenland in de planperiode 2022-2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheerprogramma zijn voor
Adromi B.V.
R202174/2101
Pagina 38 van 69
TAM-omgevingsplan Polderstraat Alblasserdam
het waterbeheer de kaders gegeven ende opgaven gedefinieerd. De visie van Waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema’s: beschermen tegen overstromingen; water eerlijk verdelen; voorbereiden op extreem weer; streven naar schoon water van een goede biologische kwaliteit; bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur; kwaliteitsverbetering zwemwater; toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit; toewerken naar circulariteit. 4.7.2. Situatie ter plaatse/toetsing/waterparagraaf Het aspect ‘waterhuishouding’ is afzonderlijk onderzocht en vastgesteld in het als bijlage bijgevoegde rapport. Bij het opstellen van het rapport heeft overleg plaatsgevonden met de waterbeheerders, dit is tevens vermeld in het rapport. In het definitieve rapport is de reactie van de waterbeheerders verwerkt. Het rapport wijdt een afzonderlijk hoofdstuk aan de waterparagraaf voor onderhavig plan. Die waterparagraaf is hierna weergegeven.
Locatie Het plangebied is gelegen in het stedelijk gebied van Alblasserdam en is grofweg gelegen tussen het water De Alblas en de A15. Het plangebied wordt aan de oost, zuid- en westzijde begrensd door oppervlaktewater. Huidige situatie De huidige inrichting van het plangebied bestaat voornamelijk uit losse bebouwing langs de Polderstaat met daarachter stallen en een managestal en rijhal. Het zuidelijk deel van het plangebied bestaat uit een paardenbak en een longeerbak. Vanaf de rij- en longeerbak richting het zuiden is het plangebied onverhard. De noordzijde van het plangebied rondom de bebouwing is volledig verhard. Maaiveldhoogte Om de maaiveldhoogtes in het plangebied te analyseren is de AHN-viewer geraadpleegd. In het plangebied ligt het maaiveld op circa NAP -1,1 á -0,8 m. Het plangebied ligt daarmee meer dan 2 meter lager dan de omliggende wegen. Zo heeft de polderstraat een hoogte van circa NAP +1,5 m, Dam/Ruigenhil ligt op circa NAP +4,7 m en Helling op circa NAP+1,7 m. Bodemopbouw Om de bodemopbouw ter plaatse van de planlocatie te analyseren zijn de grondboringen van het DINOloket geraadpleegd. Uit de boorprofielen blijkt dat de bodem voornamelijk bestaat uit een deklaag van circa 12 meter dik van klei met daarin een dikke veenlaag van ca. 6 meter dik. Grondwaterstanden In de omgeving van het plangebied zijn geen peilbuisgegevens bekend.
De grondwaterstanden in het plangebied zullen naar verwachting sterk worden beïnvloed door het aanwezige oppervlaktewater dat rondom de projectlocatie ligt.
Adromi B.V.
R202174/2101
Pagina 39 van 69
TAM-omgevingsplan Polderstraat Alblasserdam
Grondwaterstroming In de omgeving van de projectlocatie zijn te weinig peilbuisgegevens beschikbaar in Grondwatertools.nl om isohypsen te genereren. De grondwaterstromingsrichting in de eerste zandlaag is daarom ook onbekend. Grondwaterbeschermingsgebied Het plangebied is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied. Watersysteem Op de leggerkaart van waterschap Rivierenland, zie figuur 2-5 (in het rapport), wordt het watersysteem rondom het plangebied weergegeven. Langs de oost-, zuid- en westzijde van het plangebied loopt een secundaire watergang die aan de noordzijde met elkaar verbonden zijn met een duiker onder het plangebied door.
Waterpeil In het plangebied is door het waterschap een vast peil vastgesteld van NAP -1,97 m [bron: bosatlas- watersysteem-Alblasserwaard]. Vuil- en hemelwater In het plangebied is beperkt bebouwing aanwezig. Het rioolstelsel betreft een drukriool aangelegd tussen 1980-1989 (bron: GRP Alblasserdam 2015-2018, rev3. Het rioolstelsel voert af richting het rioolgemaal C2599. Waterveiligheid Uit de legger van waterschap Rivierenland blijkt dat het plangebied zich in de kern- of beschermingszones van zowel primaire- als regionale waterkeringen bevindt. De regionale waterkering ligt over de Polderstraat, de primaire waterkering ligt over de Dam/Ruigenhil en de Helling. Deze wegen liggen ook allemaal hoger in het maaiveld. Tevens moet rekening worden gehouden met het profiel van vrije ruimte van de waterkeringen. Toekomstige situatie Voorgenomen ontwikkeling In de toekomstige situatie wordt herontwikkeling van de locatie Polderstraat 9 te Alblasserdam. In hoofdstuk 2 is het ontwerp van het voorgenomen plangebied weergegeven. Verharding Oppervlakteverdeling Rekening houdend met een verhardingspercentage van 50% voor halfverharding en 86,4% voor de tuinen bedraagt de toename aan verharding 1.774 m². Grondwater Adromi B.V.
R202174/2101
Pagina 40 van 69
TAM-omgevingsplan Polderstraat Alblasserdam
De grondwaterstand in het plangebied is onbekend. Naar verwachting wordt deze sterk beïnvloed door het omliggende oppervlaktewaterpeil. Bij de nieuwe bouwpeilen moet rekening worden gehouden met zowel voldoende ontwateringsdiepte (maaiveld ten opzichte van de grondwaterstand) als met voldoende drooglegging (verschil oppervlaktewaterpeil en maaiveld. Het waterschap adviseert hierbij voor het maaiveld een droogleging van 0,70 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. Hierbij mogen de waterhuiskundige gevolgen van uitbreidingen (niet stedelijk gebied) niet worden afgewenteld op naastgelegen of stroomafwaarts gelegen gebieden. Vanuit het oogpunt duurzaam en toekomstbestendig waterbeheer is het niet wenselijk om zonder meer grond- en oppervlaktewaterpeilen (lokaal) te verlagen. Het waterschap werkt hier dan ook niet (beleidsmatig) aan mee. Op deze locatie zeker niet, omdat er mede sprake is van veen, dat als gevolg van peildaling versneld zal verdwijnen. Alternatieven zijn het ophogen van de grond ter plaatse van de woningen of het aanpassen van het technisch ontwerp van de woningen. Watersysteem Waterstructuur De waterstructuur wijzigt als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling niet. Onderhoud watergangen De watergangen rondom het plangebied worden door het waterschap als secundaire watergangen beschouwd.
Het waterschap onderhoudt deze watergangen niet. Omdat het niet wenselijk is dat de watergangen door de naastgelegen perceeleigenaren worden onderhouden heeft het de voorkeur dat de watergangen door de gemeente worden onderhouden. Hierover dienen echter nog wel afspraken gemaakt te worden met het waterschap/gemeente. Waterbergingsopgave Rekening houdend met de compensatie-eis van 436 m³ per ha verhard oppervlak wordt in het plan voorzien in voldoende berging om een toename aan verhard oppervlak van 1.835 m2 m2 te compenseren, terwijl er binnen onderhavig plan een toename van 1.755 m2 aan verhard oppervlak zal worden gerealiseerd. Dit betekent dat er 61 m2 meer wateroppervlak gerealiseerd gaat worden dan er geëist is. In totaal zal er 400 m2 aan oppervlaktewater worden gerealiseerd. Bij een maximale peilstijging van 20 cm voor dit gebied betekent dit een toename aan waterberging van ca. 80 m3. Vuil- en hemelwater In het plangebied is een gescheiden riool voorzien. Het vuilwater wordt afgevoerd naar de waterzuivering. Het hemelwater wordt afgevoerd naar het omliggende oppervlaktewater. Er mag bij nieuwbouw geen gebruik worden gemaakt van uitlogende materialen. Op het moment dat deze wel worden gebruikt, dan mag het dakwater niet rechtstreeks op de sloten worden geloosd. Waterkwaliteit
Adromi B.V.
R202174/2101
Pagina 41 van 69
TAM-omgevingsplan Polderstraat Alblasserdam
In de toekomstige situatie zorgt het afstromend hemelwater niet voor een verslechtering van het oppervlaktewater. Er zal gebruik worden gemaakt van niet uitlogende bouwmaterialen, waardoor afvloeiend hemelwater niet zal verontreinigen. Zuiveringsstappen voor het waarborgen van de waterkwaliteit zijn niet noodzakelijk. Waterveiligheid Uit de legger van waterschap Rivierenland blijkt dat het plangebied zich in de kern- of beschermingszones van waterkeringen bevindt. Bij de nadere uitwerkingen van de woningen moet rekening worden gehouden met de randvoorwaarden die het waterschap heeft meegegeven ten aanzien van bouwpeilen en holle ruimten etc. De zoneringen van de waterkeringen worden op de plankaart opgenomen. Conclusie In het ontwerp zit voldoende compensatie om te voldoen aan de waterbergingsopgave. Er zal 80 m2 extra wateroppervlak worden gerealiseerd dan er geëist wordt voor de realisatie van het voorliggende plan. Verwezen wordt naar figuur 9 voor een overzicht van dit oppervlaktewater.
Adromi B.V.
R202174/2101
Pagina 42 van 69
TAM-omgevingsplan Polderstraat Alblasserdam
Figuur 9: situering nieuw oppervlaktewater door verbreding watergang aan de aan oostzijde (bron: RoosRos)
Adromi B.V.
R202174/2101
Pagina 43 van 69
TAM-omgevingsplan Polderstraat Alblasserdam
Natuurwaarden/ecologie/stikstof Normstelling De Wet natuurbescherming (Wnb) is opgegaan in de Omgevingswet; namelijk in de Aanvullingswet natuur, het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijft ongewijzigd. Onderdeel van de wetgeving is dat er beschermde gebieden worden aangewezen (netwerk van de zogenaamde Natura 2000-gebieden en de Beschermde natuurmonumenten) gericht op de bescherming van ongeveer 500 soorten in het wild voorkomende planten en dieren. Op provinciaal niveau hebben bepaalde natuurgebieden eveneens een beschermingsniveau toegewezen gekregen, in de vorm van Natuurnetwerk Nederland (NNN). 4.8.1. Soortenbescherming Met name met het oog op de te slopen opstallen en het verwijderen van de opgaande vegetatie kunnen er effecten op beschermde planten- en diersoorten en tevens op natuurgebieden. Om die reden is een verkennend natuurwaardenonderzoek (quick scan) uitgevoerd. Het rapport van het onderzoek is als bijlage bij deze toelichting gevoegd11. Het rapport dat als bijlage bij deze toelichting is gevoegd geeft als samenvattende conclusie het volgende weer (citaat). Conclusie Het plangebied ligt aan de Polderstraat 9 in Alblasserdam, provincie Zuid-Holland.
In het plangebied staat een woonhuis, verschillende bedrijfspanden, een aantal paardenstallen en lage schuren, een hooischuur, een manege, een rijbak en een weiland. De geplande werkzaamheden bestaan uit het slopen van de huidige bebouwing en de herinrichting van het plangebied met nieuwe woningen. Voor deze werkzaamheden plaatsvinden, moeten de gevolgen voor beschermde natuur en de consequenties met betrekking tot de natuur wet- en regelgeving in beeld zijn gebracht. Natuurnetwerk Nederland Het plangebied is geen onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) of weidevogelgebied. Door de voorgenomen ontwikkeling gaat geen oppervlakte van NNNgebied of weidevogelgebied verloren en is er geen sprake van een wezenlijke aantasting van de waarden en kenmerken van het NNN en weidevogelgebied. Effecten op het NNN worden daarom uitgesloten. Overige beleidskaders Er zijn geen andere provinciale natuurbeleidskaders van toepassing op het plangebied. Wet natuurbescherming – onderdeel gebiedsbescherming 11
Laneco, Quick scan flora en fauna Polderstraat 9 te Alblasserdam, 148.20.03, 11 september 2020, bijlage 11
Adromi B.V.
R202174/2101
Pagina 44 van 69
TAM-omgevingsplan Polderstraat Alblasserdam
Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000- gebied de ‘Boezems Kinderdijk’ ligt op circa 1,4 kilometer afstand. Door de geplande werkzaamheden gaat geen Natura 2000-gebied verloren. In dit stadium is nog niet bekend hoe de gebruiksfase en aanlegfase uitgevoerd wordt. Een stikstofberekening kan uitsluitsel geven over van de stikstofemissie als gevolg van de aanleg- en gebruiksfase. Bij een toename in stikstofdepositie zal een toets uitgevoerd moeten worden om de effecten te bepalen op beschermde habitattypen en leefgebieden van beschermde soorten. Als er geen sprake is van een toename in stikstofdepositie kan het bestemmingsplanning worden vastgesteld en de vergunning worden verleend. Wet natuurbescherming – Onderdeel houtopstanden Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom Boswet van de gemeente Alblasserdam. Het onderdeel houtopstanden van de Wet natuurbescherming is hier dan ook niet van toepassing. Wet natuurbescherming – Onderdeel soortenbescherming Voor een aantal mogelijk in (de omgeving van) het plangebied voorkomende nationaal beschermde soorten zoals egel, konijn, vos, spitsmuizen en muizen geldt een provinciale vrijstelling voor het aantasten van vaste rust- en verblijfplaatsen.
Binnen het plangebied kunnen een aantal nationaal en Europees beschermde soorten voorkomen, waarvoor aantasting van rust- en verblijfplaatsen een ontheffingsplicht in het kader van de Wet natuurbescherming geldt. Op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezige habitats en de biotoopeisen van de individuele diersoorten zijn de volgende soorten niet uit te sluiten binnen het plangebied: Vleermuizen: Met het verdwijnen van de bebouwing en de bomen aan de zuidzijde van het plangebied verdwijnen mogelijk verblijfplaatsen van verschillende gebouwbewonende en boombewonende vleermuissoorten. Daarnaast kan foerageergebied van vleermuizen verdwijnen. Huismus: Met het verdwijnen van de woning en de aangrenzende bedrijfspanden, worden mogelijk verblijfplaatsen van huismus aangetast. Gierzwaluw: Wanneer de woning en de aangrenzende bedrijfspanden verdwijnen, verdwijnen mogelijk nestplaatsen van gierzwaluwen. Steenmarter: Met het verdwijnen van de lage schuren in het plangebied, verdwijnen mogelijk verblijfplaatsen van steenmarter binnen het plangebied. Consequenties Nader onderzoek In het kader van de Wet natuurbescherming dient te worden nagegaan of vaste rusten verblijfsplaatsen of belangrijke onderdelen van leefgebied van soorten door de ingreep worden aangetast.
Dit kan niet worden uitgesloten zonder nader veldonderzoek voor de volgende soorten: o Vleermuizen (Wet natuurbescherming en bijlage IV Habitatrichtlijn), gebouwbewonende en boombewonende soorten en foerageergebied. Onderzoek conform het Vleermuisprotocol 2020 bestaat uit onderzoeksrondes in de periode juni tot half juli en onderzoeksrondes in de periode half augustus tot eind september. Beide
Adromi B.V.
R202174/2101
Pagina 45 van 69
TAM-omgevingsplan Polderstraat Alblasserdam
o
o
o
onderzoeken dienen plaats te vinden om een volledig beeld te krijgen van de functie van de gebouwen en omgeving voor vleermuizen. Huismus, nestplaatsen (Vogelrichtlijn). Onderzoek vindt plaats door in de periode april – half mei tweemaal onderzoek te doen conform het Kennisdocument van de huismus (BIJ12, juli 2017). Gierzwaluw, nestplaatsen (Vogelrichtlijn). Onderzoek conform het onderzoeksprotocol van het Netwerk Groene Bureaus bestaat uit drie onderzoeksrondes in de periode 15 mei tot en met 15 juli. Steenmarter. Onderzoek vindt plaats door 2 camera’s te plaatsen langs lijnelementen in de periode 15 mei tot 15 juli gedurende een periode van 6 weken.
Algemene voorwaarden Twee algemene voorwaarden vanuit de Wet natuurbescherming zijn altijd van toepassing: o de start van werkzaamheden buiten het broedseizoen van vogels (het broedseizoen loop globaal van half maart tot half juli) uit te voeren om verstoring van broedvogels en het broedsucces te voorkomen. Als er nesten van algemene vogels aanwezig zijn in het broedseizoen, dan is het noodzaak om een ecoloog in te schakelen. De ecoloog beoordeelt hoe de werkzaamheden voortgang kunnen vinden. o Op basis van de zorgplicht dient bij de uitvoering van de werkzaamheden voldoende zorg in acht te worden genomen voor de in het wild levende planten en dieren en hun leefomgeving. Verstoring moet worden beperkt en dieren moeten de gelegenheid hebben om uit te wijken en mogen niet opzettelijk worden gedood. Dit kan door: het beperken van verlichting tijdens de avonduren ten behoeve van foeragerende en overvliegende vleermuizen en andere nachtdieren. Aanbevelingen Er zijn vanuit ecologisch oogpunt aanbevelingen te doen ten aanzien van de inrichting: o Nieuwbouw kan geschikt worden gemaakt voor vleermuizen door het gebruik van inbouw vleermuiskasten of door op een hoogte van 2,5 meter en hoger op verschillende windrichtingen (voorkeur voor zuidgerichte zijden) open stootvoegen van 2 cm bij 5 cm breed aan te brengen.
Een andere optie is het creëren van 2 cm ruimte achter houten gevelbetimmering of het aanbrengen van kierende planken. o Ook kunnen de nieuw te bouwen bedrijfspanden geschikt worden gemaakt voor huismus en gierzwaluw door het één dakpan hoger plaatsen dan de vogelschroot of het plaatsen van gevelkasten. o Bij het aanbrengen van beplanting wordt aanbevolen om gebruik te maken van inheems bes- en bloemdragende struiken en planten. o Mocht er sprake zijn van een tijdelijke stikstofoverschrijding (meer dan 0,0 Mol/hectare/jaar) op Natura 2000-gebieden als gewerkt wordt met conventioneel materieel, dan bestaat de mogelijkheid om met onconventioneel materieel te werken zoals elektrische voertuigen of toepassing van onder andere stikstoffilters.
Adromi B.V.
R202174/2101
Pagina 46 van 69
TAM-omgevingsplan Polderstraat Alblasserdam
Gelet op het voorgaande is nader ecologisch onderzoek uitgevoerd12. Het rapport dat als bijlage bij deze toelichting is gevoegd geeft als samenvattende conclusie het volgende weer (citaat). Huismus Bij het gerichte onderzoek naar huismus zijn geen nest-, foerageer- of rustlocaties aangetroffen van deze soort. Voor de geplande ingreep zijn er geen consequenties in het kader van de Wet natuurbescherming voor huismus. Gierzwaluw Bij het gerichte onderzoek naar gierzwaluw zijn twee nestlocaties in de woning aan de noordzijde van het plangebied vastgesteld. Met de voorgenomen werkzaamheden worden deze nestlocaties aangetast. Voor deze aantasting dient een ontheffing van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd en dienen er mitigerende maatregelen te worden getroffen. Deze maatregelen worden uitgewerkt in een projectplan die bij de ontheffingsaanvraag wordt gevoegd. Steenmarter Bij het gerichte onderzoek naar steenmarter zijn geen verblijfplaatsen aangetroffen van steenmarter. Voor de geplande ingreep zijn er geen consequenties in het kader van de Wet natuurbescherming voor deze soort. Vleermuizen In het plangebied is één paarverblijfplaats van gewone dwergvleermuis aanwezig. Door de voorgenomen werkzaamheden gaat deze verblijfplaats verloren.
Voor deze aantasting dient een ontheffing van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd en er dienen mitigerende maatregelen genomen te worden. De maatregelen dienen te worden uitgewerkt in een projectplan die bij de ontheffingsaanvraag gevoegd wordt. De paarverblijfplaats van de ruige dwergvleermuis, die is aangetroffen in de bomen net buiten het plangebied, gaat verloren wanneer men ook deze bomen tijdens de geplande werkzaamheden verwijderd. In dat geval is eveneens een ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig. Indien de bomen behouden blijven kunnen de werkzaamheden en toekomstig gebruik mogelijk leiden tot indirecte verstoring van de paarverblijfplaats. Men kan tijdens de werkzaamheden en bij toekomstig gebruik verstoring voorkomen door geen (bouw)licht op de bomen te richten. In het plangebied zijn daarnaast voornamelijk foeragerende gewone dwergvleermuizen waargenomen, en een enkele overvliegende rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis. Er zijn geen zomer- en/of kraamverblijfplaatsen waargenomen. Het plangebied vormt wel foerageergebied voor gewone dwergvleermuis. Ze foerageren om de bebouwing en de begroeiing. In de directe omgeving is voldoende alternatief foerageergebied aanwezig. Daarnaast zal in de nieuwe situatie nieuwbouw gerealiseerd worden, waar gewone dwergvleermuis ook kan foerageren.
Het wordt wel geadviseerd om in de nieuwe situatie opgaande (inheemse) begroeiing en naar beneden 12
Laneco, Ecologisch veldonderzoek Polderstraat 9 te Alblasserdam, 148.20.03, 6 augustus 2021, bijlage 12
Adromi B.V.
R202174/2101
Pagina 47 van 69
TAM-omgevingsplan Polderstraat Alblasserdam
gerichte verlichting aan te brengen. Zo zal het (niet-essentiële) foerageergebied ook in de nieuwe situatie aanwezig zijn. Overige soorten Gedurende het onderzoek is tijdens de onderzoeksronde naar gierzwaluw een andere beschermde soort waargenomen. Een boomvalk is langsvliegend waargenomen over de oostelijke grens van het plangebied. Het betrof een enkel individu en een enkele waarneming, waarbij het dier alleen over het gebied heen vloog en geen binding met het plangebied vertoonde. Het plangebied vormt dan ook geen essentieel onderdeel van het leefgebied van boomvalk. In dit kader is dan ook geen ontheffing op de Wet natuurbescherming noodzakelijk voor boomvalk. Gelet op het voorgaande is een ontheffing aangevraagd voor de aanwezige gierzwaluwen. Omdat het hier een broedseizoen periode betreft zijn er al tijdelijke voorzieningen getroffen aan de gevels van de woningen van Woonkracht. De aangetroffen paarplek voor de vleermuizen blijft in stand en zal niet worden verstoord. Immers de bomen waar de vleermuizen in verblijven worden behouden. De geconstateerde natuurwaarden staan uitvoering van het plan dus verder niet in de weg. De overige in de rapportage beschreven maatregelen waaronder toepassing van het voorzorgbeginsel zullen in acht worden genomen conform artikel 1.7 Omgevingswet. Gelet hierop zijn er geen belemmeringen tot vaststelling van het plan. 4.8.2.
Kappen Ingevolge artikel 4.12 van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) Alblasserdam is een vergunning vereist voor het kappen van bomen welke zijn vermeld op de Lijst van beschermde bomen in particulier eigendom. Onderhavige ontwikkeling kan worden gerealiseerd zonder de kap van bedoelde bomen, met uitzondering van een witte paardenkastanje. Op dit vlak is nader onderzoek uitgevoerd13. Uit het onderzoek blijkt dat de boom is aangetast door de kastanje bloederziekte en dat de kans groot is dat de boom een verplanting niet zal overleven, gelet op deze aantasting en gelet op het wortelstelsel dat is aangetroffen. Om die reden zal kapvergunning kunnen worden verkregen voor deze boom. Voor het overige kan het plan worden uitgevoerd met behoud van aanwezige beschermde bomen. Er wordt verwezen naar onderstaande kaartuitsnede uit de gemeentelijke bomenlijst (figuur 10).
13
idverde Bomendienst, BVC en VPO Polderstraat 9 Alblasserdam, 728210283, 12 augustus 2021, bijlage 13
Adromi B.V.
R202174/2101
Pagina 48 van 69
TAM-omgevingsplan Polderstraat Alblasserdam
Figuur 10: Uitsnede bomenlijst (bron: gemeente Alblasserdam)
4.8.3. Gebiedsbescherming Blijkens de Omgevingswet dient de stikstofdepositie vanwege de activiteiten van de bouw- en gebruiksfase van deze ontwikkeling op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden inzichtelijk te worden gemaakt. Er is derhalve onderzoek gedaan naar de stikstofdepositie op natuurgebieden, afkomstig van het plan. Hierbij is zowel de bouwfase als de gebruiksfase beschouwd. Gelet op de omvang van het plan is rekening gehouden met een bouw- en aanlegfase gedurende 2 jaren, vooralsnog 2024 en 2025. Het onderzoeksrapport is als bijlage 8 bij deze Toelichting gevoegd. De rekenresultaten en conclusie van het onderzoek luiden (citaat): Rekenresultaten en conclusie Uit de berekening met AERIUS Calculator blijkt dat er geen toename wordt berekend groter dan 0,00 mol N per hectare per jaar voor zowel de gebruiksfase als de bouwfase. Significante gevolgen op enig Natura 2000-gebied kunnen voor wat betreft stikstofdepositie worden uitgesloten. Stikstofdepositie vormt geen belemmering voor verdere besluitvorming.
Adromi B.V.
R202174/2101
Pagina 49 van 69
TAM-omgevingsplan Polderstraat Alblasserdam
4.8.4. Natuurinclusief bouwen De bouw van nieuwe woningen is een kans om meer ruimte voor de natuur te creëren en de biodiversiteit te vergroten. In het kader van de uitdetaillering van het ontwerp zal hierbij waar mogelijk invulling aan worden gegeven door: a. Verblijfplaatsen voor vogels en vleermuizen in de nieuwbouw door gebruik van inbouwstenen, het toegankelijk maken van de ruimte onder de dakpannen of in de spouwmuur. Verder zullen waar nodig maatregelen worden genomen om te voorkomen dat vleermuizen zich vestigen in/aan het gebouw op locaties waarbij sprake zal zijn van een verhoogd contactrisico met uitwerpselen en/of dode vleermuizen. Dit is overeenkomstig de richtlijnen van de WHO14. a. Aanplant van inheemse bomen en struiken zoals wilg, els, es, meidoorn, vlier, sleedoorn, liguster, lijsterbes, hazelaar. Inheemse beplanting is van een veel grotere waarde voor inheemse soorten. b. Behoud van enkele volwassen/oudere bomen en groenstructuren waardoor de ecologisch waarde van het gebied enigszins behouden kan blijven en het makkelijker is voor dieren om zich hier weer te vestigen. c. Natuurlijke sloten, poelen, wadi’s, en andere wateropvang. 4.8.5.
Conclusie natuur en ecologie Op grond van het vorenstaande kan worden geconcludeerd dat ten aanzien van het behoud en de bescherming van natuurwaarden en met in achtneming van de in het rapport vermelde aanbevelingen geen aanleiding is te veronderstellen dat het plan niet kan worden vastgesteld. Omdat de resultaten van het nader onderzoek nog niet bekend zijn zal in de regels een voorwaardelijke verplichting tot aantonen voldoen aan ecologische voorwaarden worden opgenomen. Ook ten aanzien van stikstofdepositie zijn er geen belemmeringen tot vaststelling van het plan. Verkeer, parkeren en ontsluiting Ten aanzien van de aspecten verkeer, parkeren en ontsluiting heeft een afzonderlijk onderzoek plaatsgehad. Het rapport/memo van dat onderzoek is als bijlage bij de Toelichting gevoegd. De algehele conclusie van het rapport luidt als volgt (citaat). Conclusie Op basis van de gemeentelijke parkeernormen bedraagt de totale verwachte parkeerbehoefte 84,4 parkeerplaatsen, waarvan 15 parkeerplaatsen voor bezoekers. In het stedenbouwkundige plan worden er 81 parkeerplekken gerealiseerd welke overeenkomen met 85 parkeerplaatsen. Dit is voldoende om in de parkeerbehoefte voorzien. Dit betekent dat er, op basis van de parkeernormen die zijn opgenomen in het GVVP, op de piekmomenten een volledige bezetting bestaat.
De ontwikkeling Polderstraat genereert maximaal 355,9 voertuigbewegingen per werkdag. De huidige verkeersgeneratie bedraagt 466 motorvoertuigbewegingen per werkdag. Dit is een daling van 109,6 voertuigbeweging per werkdag ten opzichte van de huidige verkeersgeneratie, wat een positief effect betekent t.o.v. de huidige situatie.
14
PREDICT, Living safely with bats, juli 2018, Africa version
Adromi B.V.
R202174/2101
Pagina 50 van 69
TAM-omgevingsplan Polderstraat Alblasserdam
De ruime capaciteit van de omliggende wegen, de verkeersafname door de ontwikkeling en een beperkte spitsintensiteit (32 voertuigbewegingen in één uur) leiden ertoe dat er geen knelpunten te verwachten zijn op het gebied van verkeersdoorstroming. Het advies is om de aansluiting van de ontwikkellocatie op de Polderstraat uit te voeren als een gelijkwaardig kruispunt, met voorrang voor verkeer van rechts. Daarbij moet het zicht op en van het verkeer komende vanaf de locatie voldoende zijn. Dit houdt in dat de weg niet mag wegvallen achter (hoge) bebouwing. Om het kruispunt te accenturen kan gekozen worden voor afwijkende bestrating op de Polderstraat ter hoogte van de nieuwe zijstraat, gelijk aan kruispunt Polderstraat – Oranjestraat. Met het oog op de veiligheid binnen de wijk is er gekozen om de fietsverbinding aan de zuidkant van de ontwikkeling in te richten als doorgang voor hulpdiensten in geval van een calamiteit Van de huidige functies zijn in principe lagere verkeersintensiteiten te verwachten, zij het dat er gedurende de dag meer sprake zal zijn van vrachtwagens / trailers (aanvoer van voer, stro, vervoer paarden en schepen e.d.) en dat het reguliere autoverkeer van gebruikers zich juist vooral zal concentreren op avonden en in weekenden. Conclusie De aspecten Verkeer, Parkeren en Ontsluiting leveren geen belemmeringen op voor het plan.
Kabels en leidingen Ten aanzien van de aspecten kabels en leidingen heeft een afzonderlijk onderzoek plaatsgehad. Het rapport/memo van dat onderzoek is als bijlage bij de Toelichting gevoegd. De algehele conclusie van het rapport luidt als volgt (citaat): Er liggen nog enkele leidingen die moeten worden omgelegd. Hiervoor vinden de gesprekken inmiddels al plaats. Het gaat om de volgende kabels en leidingen: - Gemeente Alblasserdam drukriool - Gemeente Alblasserdam vrijverval riool - Waterschap Rivierenland drukriool Er lopen diverse nutsvoorzieningen langs de noordrand van het plangebied die waarschijnlijk allemaal gehandhaafd kunnen blijven. Dit zal in meer detail bekeken moeten worden in combinatie met de beoogde werkzaamheden. De exacte locatie van de kabels en leidingen zal in een vervolgstadium moeten worden vastgesteld en bekeken moeten worden of de leidingen gehandhaafd kunnen blijven i.v.m. o.a. trillingen die veroorzaakt worden door de beoogde werkzaamheden.
Adromi B.V.
R202174/2101
Pagina 51 van 69
TAM-omgevingsplan Polderstraat Alblasserdam
Conclusie De aspecten kabels en leidingen zijn voor het bestemmingsplan voldoende onderzocht en vormen geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan. Archeologie en cultuurhistorie Normstelling De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is, indien aanwezig, opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan.
Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst. Toetsing Het plangebied maakt deel uit van een groter gebied dat een archeologische verwachtingswaarde heeft. Voor het plangebied gelden om die reden verschillende dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie’. Om na te gaan of als gevolg van het plan bestaande archeologische waarden negatief worden beïnvloed is onderzoek verricht. Het rapport van dat onderzoek is als bijlage bij de Toelichting gevoegd. Conclusies en advies Conclusies Op basis van de resultaten van het verkennende booronderzoek kunnen de onderzoeksvragen uit het PvA (en paragraaf 3.1 van het rapport) als volgt worden beantwoord: 8. Wat is de bodemopbouw en zijn er aanwijzingen voor bodemverstoringen? Binnen het plangebied is sprake van een 0,15 à 1,0 m dik (sub)recent ophogingspakket op een pakket verstoorde kom- dan wel crevasse- of oeverafzettingen (mogelijk betreft het hier ook een (sub)recente) ophogingslaag). Hieronder is meestal een pakket komafzettingen (afgezet door de Alblas?) aanwezig (met een dikte tussen de 0,50 en 0,95 m). Dit kleipakket ligt veelal erosief op een pakket Hollandveen (beginnend op 1,45 à 1,95 m – mv of -2,14 à -2,93 m t.o.v. NAP). 2.
Is er binnen het plangebied een vindplaats aanwezig en/of zijn er archeologische indicatoren aangetroffen die hierop kunnen wijzen? Zo ja, wat is de aard, conserveringstoestand en datering van deze indicatoren/vindplaats?
Adromi B.V.
R202174/2101
Pagina 52 van 69
TAM-omgevingsplan Polderstraat Alblasserdam
Nee, er zijn geen aanwijzingen gevonden om de aanwezigheid van een vindplaats te veronderstellen. Gezien de aanwezigheid van een dikke (sub)recente ophogingslaag op verstoorde kom- dan wel crevasse-/oeverafzettingen op Hollandveen, de afwezigheid van een veraarde Hollandveen-top, de afwezigheid van archeologische lagen, de afwezigheid van (intacte) oude bodemhorizonten/oppervlakken, wordt de kans op de aanwezigheid van intacte archeologische waarden binnen de 4,0 m – mv laag ingeschat. 3. Indien archeologische lagen aanwezig zijn; op welke diepte bevinden deze zich en wat is de maximale diepte? Niet van toepassing (er zijn geen archeologische lagen aangetroffen). 8. Waaruit bestaat of bestaan deze archeologische laag of lagen? Niet van toepassing (er zijn een archeologische lagen aangetroffen). 8. In welke mate wordt een eventueel aanwezige vindplaats verstoord door realisatie van geplande bodemingrepen? Niet van toepassing (er is geen vindplaats aangetroffen en deze wordt ook niet binnen de 4,0 m
– mv (meer) verwacht, en de voorgenomen graafwerkzaamheden zullen naar verwachting ook niet zo diep reiken). 8. Hoe kan deze verstoring door planaanpassing tot een minimum worden beperkt? Niet van toepassing (zie het antwoord op vraag 5). 7. In welke mate stemmen de resultaten van het veldwerk overeen met de verwachtingen van de bureaustudie? Op basis van het bureauonderzoek werd enerzijds rekening gehouden met de aanwezigheid van een 1,0 à 1,5m dikke (sub)recente ophogingslaag en anderzijds met de mogelijke aanwezigheid van crevasse- of oeverafzettingen van de Alblas. Ook werd rekening gehouden met de aanwezigheid van een pakket Hollandveen én de aanwezigheid van archeologische resten vanaf de ijzertijd en met name de middeleeuwen en de nieuwe tijd. Het veldwerk heeft de aanwezigheid van een dikke, (sub)recente ophogingslaag bevestigd. Dit geroerde pakket, waarin mogelijk ook verstoorde crevasse- en/of oeverafzettingen zijn opgenomen, ligt (erosief) op een pakket Hollandveen. Maar in tegenstelling tot de verwachtingen zijn er geen archeologische resten of archeologische lagen aangetroffen en de top van het Hollandveen is geërodeerd (niet veraard). In tegenstelling tot de verwachtingen wordt de kans op de aanwezigheid van intacte archeologische resten dan ook laag ingeschat. 8.