CConstaterende datAlblasserdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Significant - Rapportage evaluatie inburgeringsbeleid Drechtsteden.pdf

Gemeenteraad Alblasserdam 23 juni 2026, gemeente AlblasserdamBij agendapunt: 23: Eindevaluatie uitvoering inburgeringsbeleid regio Drechtsteden - Raadsinformatiebrief23.886 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

22

3.2.6

Inburgeraars zijn over het algemeen tevreden over het taalonderwijs, maar de wachttijden zijn lang en er lijken veel verlengingen te komen In onderstaande figuur is het aantal gestarte trajecten voor asielmigranten bij de gecontracteerde taalaanbieders sinds de ingang van de inburgeringswet te zien. In totaal zijn er afgerond 1.600 trajecten gestart sinds de invoering van de Wi2021. Het merendeel van de gestarte inburgeraars volgt de B1-route, gevolgd door de Z-route en de inburgeraars die de onderwijsroute volgen zijn de kleinste groep. De verdeling qua aantallen over de gemeenten is vergelijkbaar met de verdeling van de inburgeringsdossiers over de gemeenten (zie figuur 4 in paragraaf 2.2.2). De verhoudingen tussen de verschillende routes zijn vergelijkbaar voor alle gemeenten.

Zwijndrecht Sliedrecht Papendrecht Hendrik-Ido-Ambacht Hardinxveld-Giessendam Dordrecht

Alblasserdam 0

100

200

300

B1-route

Z-route

Onderwijsroute

400

500

600

700

Figuur 11. Aantal gestarte trajecten voor asielmigranten per gemeente sinds invoering Wi2021 (peildatum eind Q3 ’25-begin Q ‘26) (bron: Sagènn, NLtraining en Da Vinci College) De wachttijden om te beginnen met de taallessen zijn vaak lang blijkt uit de ervaringen van statushouders en de gesprekken met de aanbieders. We hebben geen kwantitatieve data van de wachttijden tussen het opstellen van het PIP en de intake bij de taalaanbieders. Met name deelnemers aan de focusgroepen in de Z-route en B1-route vertellen dat het lang duurde voordat zij met de lessen konden beginnen. Soms moesten inburgeraars vijf, zes of zeven maanden wachten voor zij konden starten. De verschillen tussen inburgeraars qua wachttijd zijn groot, er zijn namelijk ook inburgeraars die snel konden beginnen. Na de intake bij de taalschool kan het even duren (extra wachttijd) voordat inburgeraars daadwerkelijk worden ingedeeld in een lesgroep en met de taallessen kunnen starten. Deze gemiddelde wachttijd per leerroute staat in figuur 12. In de B1-route schommelt de wachttijd rond de 30 dagen in de periode 2022 tot en met 2025. In de onderwijsroute zijn de wachttijden in 2024 en 2025 langer. De onderwijsroute heeft een kleiner volume qua deelnemers en daarom starten er minder vaak nieuwe groepen, dit is een mogelijke verklaring.

Bij de Z-route zijn de wachttijden in 2025 een stuk hoger, namelijk 60 dagen versus 30 dagen in 2024. Hiervoor geven de aanbieders en SDD twee verklaringen. De eerste reden is het toenemende docententekort en tweede reden is de nieuwe aanbesteding. Richting het einde van 2025 werden er geen nieuwe inburgeraars op de wachtlijst geplaatst voor de B1- en Z-route, aangezien nog niet duidelijk was welke partij deze routes vanaf 2026 zou gaan aanbieden.

23

70 60 50 40 30 20 10 0 2022

2023 B1-route

2024 Z-route

2025

Onderwijsroute

Figuur 12. Gemiddelde wachttijd tussen intake en start van de lessen in kalenderdagen voor asielmigranten (peildatum eind Q3 ’25-begin Q ’26; bron: Sagènn, NLtraining en Da Vinci College) In de eerste jaren zijn er veel routewisselingen geweest van de B1-route naar de Z-route (zie tabel 3). Dit komt, zoals eerder benoemd, doordat consulenten inburgeraars in eerste instantie op een zo hoog mogelijk niveau indeelden. Aanbieders vertellen dat zij deze situatie ingewikkeld vonden. Zelf geven zij aan redelijk snel te kunnen inschatten of het niveau wel of niet passend is, maar afschalen mag nog niet direct. De SDD moet namelijk akkoord gaan met de routewisseling en dit ook doorvoeren in het systeem. De SDD gaf vaak aan nog even te willen wachten met het wisselen om de inburgeraar toch nog een kans te geven dit niveau te halen. Voor inburgeraars die laat wisselen van de B1-route naar de Z-route blijft dan relatief weinig tijd over om het vereiste aantal uren participatie in te vullen. Tegenwoordig lukt het beter om het niveau realistisch in te schatten (zie paragraaf 3.2.2), vinden zowel de consulenten als de aanbieders. Als de situatie zich toch voordoet dat een inburgeraar beter in een andere route lijkt te passen, dan gaan de inburgeraar en de consulent daarover met elkaar in gesprek. De consulenten luisteren daarbij naar de behoeften van de inburgeraar, horen we van aanbieders.

Zo was er bijvoorbeeld een inburgeraar die liever in de eigen groep wilde blijven, maar qua niveau van de Z-route naar de B1-route kon wisselen. De SDD heeft met de inburgeraar afgesproken dat deze gedurende een bepaalde periode de B1-route zou volgen, met de mogelijkheid om indien nodig weer terug te schakelen naar de oorspronkelijke route. Diegene heeft nu de B1-route afgerond. Aanbieders geven aan dat het voor inburgeraars fijn is om in een groep te zitten waar ze goed mee kunnen komen. Een inburgeraar die is overgestapt van de B1-route naar de Z-route bevestigt dit beeld en geeft aan dat het niveau van de B1-route te hoog was. Dit had volgens hem een negatieve invloed op zijn zelfvertrouwen. Daarnaast is in onderstaande tabel te zien dat ook veel routewisselingen plaatsvonden van de onderwijsroute naar de B1-route. De onderwijsroute is een intensief traject. In eerste instantie werden de meeste jongere inburgeraars in de onderwijsroute geplaatst door de consulenten, omdat ze alle jongeren een vervolgopleiding en goede toekomst in Nederland gunnen. De onderwijsroute blijkt alleen niet voor alle jongeren te passen. In de B1-route valt het de aanbieders op dat de jongeren die van de onderwijsroute naar de B1-route zijn gekomen, veel aandacht nodig hebben. Ze maken te weinig huiswerk en hebben onvoldoende schoolse vaardigheden. Dat belemmert hen bij de B1-route nog steeds.

24

Routewisselingen

Vanuit B1-route

Vanuit Z-route

Vanuit onderwijsroute

2 (1%)

24 (21%)

Naar B1-route Naar Z-route

64 (5%)

Naar onderwijsroute

15 (1%)

1 (1%) 1 (<1%)

Tabel 3. Aantal routewisselingen van asielmigranten met percentages ten opzichte van het totaal aantal gestarte trajecten van de route waarin de routewisselaar is gestart (peildatum eind Q3 ’25-begin Q ’26; bron: Sagènn, NLtraining en Da Vinci College) Soms komt het voor dat een traject bij een taalaanbieder stopt, terwijl het traject nog niet is afgerond. In figuur 13 is per route te zien hoe vaak dit is voorgekomen. In de B1-route stopte 4% van het totaal aantal gestarte trajecten, in de Z-route was dat 1% en in de onderwijsroute 6%. In de B1-route ligt het aantal gestopte trajecten het hoogste. Dat is niet verrassend, aangezien de meeste inburgeraars de B1-route volgen. In de B1-route is een belangrijke reden om het traject te stoppen als een inburgeraar het traject niet meer wil volgen; zij worden dan terugverwezen naar de SDD. Ook komt het voor dat de SDD de opdracht aan de aanbieder terugtrok. Dit terugverwijzen of terugtrekken kwam vooral in het verleden voor bij inburgeraars die Nederlands wilden leren op B2-niveau of een versneld traject aankonden. Destijds was dit niet mogelijk bij Sagènn. Deze inburgeraars werden dan doorverwezen naar andere taalaanbieders. Recentelijk is er wel een groep op B2-niveau gestart bij Sagènn. Ook komt het een enkele keer voor dat een inburgeraar wegens diens gedrag heeft moeten stoppen met de lessen.

Andere redenen, ook in de onderwijsroute en de Z-route, hebben meestal te maken met privéomstandigheden of verhuizingen naar een andere gemeente. 50

40 30 20

10 0 B1-route

Z-route

Onderwijsroute

Figuur 13. Aantal gestopte trajecten (na intake) zonder afronding voor asielmigranten (peildatum eind Q3 ’25-begin Q ’26; bron: Sagènn, NLtraining en Da Vinci College) In de gehele Drechtsteden is de inburgeringstermijn voor honderd migranten verlengd, waarvan 55 asielmigranten en 45 gezinsmigranten. We hebben de verdeling over de verschillende gemeenten in de onderstaande figuur inzichtelijk gemaakt. Hier staat het percentage verlengingen onder asiel- en gezinsmigranten weergegeven ten opzichte van het aantal inburgeringsdossiers met asielmigranten en gezinsmigranten. Het is opvallend dat er relatief veel verlengingen zijn onder gezinsmigranten. Hoe dit precies komt, weten we niet. Naar verwachting zullen er in de toekomst meer verlengingen komen. Hier gaan we verder op in onder het kop e ‘asielmigranten in de

-route’.

25

1%

Alblasserdam

11%

2%

Dordrecht

7% 7%

Hardinxveld-Giessendam

11%

6%

Hendrik-Ido-Ambacht 4%

Papendrecht Sliedrecht

12%

7% 9%

7%

6%

Zwijndrecht 0%

2%

8% 4%

Asielmigranten

6%

8%

10%

12%

14%

Gezinsmigranten

Figuur 14. Percentage verlengingen t.o.v. het aantal lopende inburgeringsdossiers per gemeente per type migrant (peildatum maart ’26, bron: SDD) Asielmigranten in de B1-route Inburgeraars (asielmigranten) in de B1-route krijgen bij Sagènn twee keer per week drie uur les. Eerder was dat drie keer per week, maar het aantal lessen is afgeschaald omdat inburgeraars te snel te veel informatie moesten verwerken. Dat lukte niet goed volgens de aanbieder. De deelnemers aan de focusgroepen vertellen juist dat zij graag meer les willen hebben. Bijvoorbeeld om te oefenen met spreken en om huiswerk te maken. Met de twee lessen in de week besteden zij nu in principe 24 uur per week aan het leren van de taal, het huiswerk en praktijkopdrachten meegenomen. Sagènn start elke zes weken met een nieuwe groep. Daardoor is er veel niveauverschil in de groepen. Sagènn heeft aandacht om binnen de groepen op niveau te differentiëren. Daarnaast geeft Sagènn aan graag drie keer per week les te willen bieden, maar dat dit door het docententekort niet lukt. Daarnaast wordt maatwerk geleverd door inburgeraars bijvoorbeeld één keer per week bij een andere groep aan te laten aansluiten als het rooster van de eigen groep niet aansluit bij andere bezigheden.

Het lukt niet altijd om inburgeraars in de best passende groep te plaatsen qua niveau, omdat dat niet altijd past bij het werkrooster of het rooster van de MAP van een inburgeraar. Elk halfjaar maken inburgeraars een toets om hun taalniveau te bepalen. Hoewel A1- en A2-niveau voor de meeste deelnemers goed haalbaar is, is B1-niveau moeilijker. Dit is goed te zien in de onderstaande figuur. In deze grafiek is het aantal examens waarop inburgeraars wel en niet geslaagd zijn te zien. Ieder ‘type’ examen (lezen, luisteren, schri ven of spreken) telt hier als één examen. In totaal werden 690 verschillende examens gemaakt, waarvan 31% op A2-niveau, 64% op B1-niveau en 5% op B2-niveau. Van alle examens werd 59% gehaald. Het aantal keer dat inburgeraars slagen voor een examen ten opzichte van het aantal keer dat zij niet slagen ligt op A2-niveau een stuk hoger dan op B1-niveau. Tegelijkertijd worden meer examens op B1-niveau afgenomen en gehaald dan op A2-niveau. Sommige inburgeraars die we spraken tijdens de focusgroepen vinden dat de intensiteit van de lessen niet helemaal aansluit op het niveau van de examens. Zoals te zien in figuur 15 is er ook een klein aantal inburgeraars dat examen doet op B2-niveau. Sagènn geeft namelijk sinds kort aan een groep inburgeraars les richting B2-niveau en hanteert strakke kaders voor toelating tot deze groep.

26

250 200 150 100 50

0 Geslaagd

Niet geslaagd A2

Geslaagd

Niet geslaagd B1

Geslaagd

Niet geslaagd B2

Figuur 15. Niveau van de examens lezen, luisteren, schrijven en spreken in de B1-route voor asielmigranten. Elk ‘type’ examen telt als één (peildatum Q ’26; bron: Sagènn) Nu de nieuwe inburgeringswet enkele jaren van kracht is, is het voor een aantal inburgeraars duidelijk geworden dat zij een verlenging van hun traject nodig hebben. Naar verwachting stijgt dit aantal in de toekomst verder en het is nog onduidelijk hoe daarmee om te gaan. Sagènn weet bijvoorbeeld niet of de lessen gecontinueerd moeten worden, en of de SDD dat gaat financieren. Daarnaast zijn er ook een aantal inburgeraars die A2-niveau niet lijken te gaan halen, maar die ook niet meer mogen wisselen van leerroute, omdat hun termijn al te lang loopt. Ook voor deze situatie is het onduidelijk hoe hiermee om te gaan vanuit de SDD. Gezinsmigranten in de B1-route Gezinsmigranten volgen in het algemeen geen les bij gecontracteerde aanbieders. Sagènn vertelt hierover dat het frictie op kan leveren in de klas als asielmigranten en gezinsmigranten samen les krijgen. Omdat gezinsmigranten de lessen zelf willen betalen, willen ze volgens Sagènn vaak sneller door de lesstof heen dan de rest. Gezinsmigranten vertellen tijdens de focusgroep dat consulenten hen wisselende dingen aanraden.

De ene consulent zegt dat het goed is om de taal zelf te leren en de andere geeft juist aan dat lessen beter zijn en geeft een lijstje met taalscholen mee. Bij sommigen is er ook verwarring geweest over de lening bij DUO: niet alle deelnemers weten dat het mogelijk is om een lening te krijgen om de lessen te betalen. Het is hen wel duidelijk welke verschillende taalniveaus en inburgeringsroutes er zijn en dat ze eerst 600 uur les moeten volgen bij een taalschool voordat ze eventueel kunnen afschalen naar A2-niveau. De gezinsmigranten die wij hebben gesproken, krijgen les bij Het Werkwoord. Ze zijn zeer tevreden over de lessen die ze daar ontvangen. Bij Het Werkwoord krijgen gezinsmigranten drie keer per week drie uur les. Daarnaast is er één keer in de week een gratis extra les. De docenten geven die les vrijwillig. Ondanks dat ze blij zijn met de lessen van Het Werkwoord, vinden gezinsmigranten net als de asielmigranten in de B1-route dat het niveau hoog ligt. A1- en A2-niveau zijn goed te doen, vertellen ze, maar de overstap naar B1-niveau ervaren zij als groot. De gezinsmigranten in de focusgroep benoemen daarnaast dat de taallessen ook een plek zijn waar ze nieuwe mensen leren kennen en sociale contacten opdoen. Dit helpt bij het integreren in Nederland.

27

Het taalaanbod in de Z-route voor asielmigranten Inburgeraars (asielmigranten) in de Z-route krijgen drie keer per week drie uur taalles bij NLtraining. Eerst was dit vier keer per week, maar wegens tekort aan docenten is het aantal keer les teruggeschroefd. Een paar deelnemers aan de focusgroepen hebben nog wel vier keer in de week les. Met drie keer per week les is er minder ruimte voor verzuim. Als een inburgeraar namelijk te vaak niet aanwezig is, wordt het krap om binnen de inburgeringstermijn 800 uur les te volgen. NLtraining is op de hoogte van de inburgeringstermijn van de inburgeraars en houdt in de gaten of het einde van de termijn haalbaar blijft. Een hoge mate van afwezigheid komt meestal door ziekte, zwangerschap of gebrek aan kinderopvang. Wel signaleert NLtraining dat er in de Z-route vaker sprake is van fysieke en mentale beperkingen bij de deelnemers die het moeilijk maken om deel te nemen aan de taalles. De aanbieder merkt dat het heel lastig om een ontheffing te krijgen. Docenten proberen maatwerk te leveren wanneer ontheffing geen optie is. Nieuwe deelnemers kunnen in principe op ieder gewenst moment starten met de lessen. NLtraining streeft ernaar dat nieuwe deelnemers binnen zes weken na aanmelding daadwerkelijk met de cursus beginnen. Zij nemen twee weken de tijd voor de intake en vier weken voor het vinden van de juiste groep.

Het lukt niet altijd binnen zes weken wegens het docententekort. Soms moeten inburgeraars daarom wachten totdat er een nieuwe groep gestart kan worden, zie ook figuur 12. De klassen zijn bij NLtraining ingedeeld op vijf verschillende niveaus. Twee keer per jaar moeten de inburgeraars een toets maken. Als het niveau van een inburgeraar sterk verschilt met de rest van de klas, wordt de indeling van de klassen aangepast. In de klas op het hoogste niveau werken de inburgeraars naar A2-niveau toe. De meesten van hen zijn eerst bij Sagènn gestart in de B1-route en zijn toen van route gewisseld. Net als deelnemers aan de B1-route krijgen zij twee gratis examenpogingen bij DUO. De deelnemers aan de Z-route zijn blij met de taallessen. De taal is moeilijk om te leren, maar de docenten zijn goed. Inburgeraars vinden het erg belangrijk om de taal te leren en geven aan dat ze graag meer les zouden willen. Dan kunnen ze beter oefenen met de taal in de praktijk.

“Ik vind de taal moeilijk. In het echt praten mensen anders en sneller dan op school, en ze gebruiken andere woorden. Misschien raak ik er met de tijd meer aan gewend, net zoals dat ik aan het inburgeren gewend raakte.” - Deelnemer focusgroep Z-route

Sommige inburgeraars geven juist aan dat meer les niet in hun week past, omdat ze ook (vrijwilligers)werk hebben. Ze vertellen hoe ze zelf ook in de praktijk oefenen, bijvoorbeeld op werk, met de buren of bij de bibliotheek.

28

Onderwijsroute In principe begint het Da Vinci College twee keer per jaar met een nieuwe groep deelnemers aan het traject van de onderwijsroute. Tussentijds instromen is mogelijk als de deelnemer bij een bestaande groep past. Het traject begint met een introductieweek. Inburgeraars krijgen hun materialen zoals boeken en een laptop en doen verschillende activiteiten om elkaar te leren kennen. Daarna starten ze met Nederlandse les van verschillende docenten. In de loop van het traject komen er vakken bij. Wanneer precies, varieert. Dit hangt namelijk af van het niveau van de inburgeraar. Halverwege A2-niveau krijgen ze bijvoorbeeld KNM en beginnen ze met rekenen. Engels begint als ze al even met Nederlands op A2-niveau bezig zijn. Voorbereiding op Opleiding en Beroep (VoOB) begint ook pas later in het traject. Tijdens dit vak leren inburgeraars basiskennis over het leven in Nederland. Deelnemers aan de focusgroep vertellen dat het hen helpt om na te denken over een geschikt beroep of een vervolgopleiding. Ook is er het vak Leervaardigheid, waarbij deelnemers leren hoe het is om te studeren in Nederland. Ze leren bijvoorbeeld om samen te werken en te structureren en gaan aan de slag met cultuurverschillen en zelfontwikkeling. Dit vak is door het Da Vinci College zelf ontwikkeld. Het vak Leervaardigheid is erg veel, vertellen de deelnemers aan de focusgroep.

Ze moeten 50 opdrachten maken in één maand. Ze vinden dit vak wel erg nuttig.

“Studeren is hier echt anders. Je moet samenwerken, dat zijn wij niet gewend. Het kost veel tijd om zulke leervaardigheden te leren, maar samenwerken helpt echt om de sterke punten van iedereen goed te gebruiken. Daarom is dit een goede voorbereiding p het mbo-onderwijs.” - Deelnemer focusgroep onderwijsroute

Naast de vakken ontvangen inburgeraars studieloopbaanbegeleiding. Ze hebben elke tien weken een gesprek met de begeleider. In deze gesprekken bespreken ze hoe het gaat en wat ze hierna willen doen. Volgens de deelnemers aan de focusgroepen is deze begeleiding erg nuttig. Hun begeleider kent hen goed omdat ze regelmatig contact hebben. Bovendien is de begeleider vaak ook één van hun docenten. Het uitstroomprofiel richting vervolgonderwijs wordt bepaald door de resultaten op alle vakken gezamenlijk. Inburgeraars moeten de onderwijsroute afronden met Nederlands op B1-niveau. Heel soms lukt B2-niveau ook. Om naar mbo-2 door te stromen, moeten ze een voldoende halen voor Engels en rekenen. Voor mbo-3 en mbo-4 wordt een hoger niveau rekenen verwacht (resp. niveau 2 en 3) en moeten ze Engels op respectievelijk A1- of A2-niveau halen. Ook moeten ze voldoende leervaardig zijn, dit wordt via extra opdrachten bepaald. De onderwijsroute is een intensief traject. “Je moet veel thuis doen”, vertellen deelnemers in de focusgroep. Ook vinden ze het lastig om verschillende vakken tegelijkertijd te volgen. Er zijn veel jongeren die het niet halen en de wisseling maken naar de B1-route (zie de uitleg bij tabel 3). Ook vertelt het Da Vinci College dat de overgang naar het regulier mbo groot is voor jongeren die het traject afronden.

Docenten op het mbo lijken soms hogere verwachtingen te hebben van het niveau van de jongeren dan realistisch is, omdat zij niet goed bekend zijn met de onderwijsroute. Toch zijn de inburgeraars die wij hebben gesproken erg blij met de route: ze worden goed begeleid. Dat vinden ze erg belangrijk, omdat het onderwijs in Nederland zo anders is dan in het land waar zij vandaan komen. Het liefst zouden ze nog meer in de praktijk leren, in plaats van theorie. Bijvoorbeeld door activiteiten te doen buiten school.

29

3.2.7

Veel inburgeraars participeren; passende plek vinden is lastig en twee onderdelen in de Z-route sluiten niet goed op elkaar aan Participatie in de B1-route De inburgeraars die bezig zijn met het leren van B1-niveau, geven aan dat het aan het begin van het traject lukt om te werken. Nu ze klaar zijn met A2-niveau en bij B1-niveau aangekomen zijn, is het combineren van taalles en werk lastiger, omdat het niveau hoger ligt en de gevraagde inspanning ook. Sagènn geeft aan dat het leren van de taal en werken elkaar kunnen bevorderen, maar wel alleen wanneer de inburgeraar er zelf klaar voor is. Soms is op een werkplek weinig aandacht voor het leren van de taal of wordt van een inburgeraar verwacht dat diegene gaat werken, zonder daar voldoende mentale belastbaarheid voor te hebben.

“Het belangrijkste van de inburgering is om Nederlands te leren. En om goed te weten wat je rechten en plichten zijn en de Nederlandse cultuur te leren kennen. Als ik goed Nederlands kan straks, dan gaat het me ook lukken om werk te vinden en te integreren” - Deelnemer focusgroep B1-route

Het participatieaanbod in de Z-route NLtraining heeft NewBees gecontracteerd voor de eerste 400 uur participatie. Deelnemers hoeven niet te wachten tot de taallessen beginnen om met de participatie te starten. Bij NewBees hebben inburgeraars één keer per week een groepsbijeenkomst in een vaste samenstelling. Hierin leren ze bijvoorbeeld over de Nederlandse cultuur en samenleving, het openbaar vervoer, zorgverzekeringen of digitale vaardigheden. De deelnemers aan de focusgroepen vertellen dat dit erg nuttig is. Daarnaast is er individueel aanbod. Afhankelijk van wat past bij de individuele situatie van de inburgeraar, gaat NewBees op zoek naar een plek voor vrijwilligerswerk of stage. Dit is niet eenvoudig, want de inburgeraars in de Z-route kunnen vaak nog niet zo goed Nederlands en werkgevers hebben meestal geen ruimte om de nodige begeleiding te geven. Vaak is er eerst een proefperiode om te kijken of het lukt. NewBees probeert een plek dichtbij huis te regelen. Sommige inburgeraars hebben betaald werk, dit hebben ze dan vaak zelf geregeld. Volgens NewBees helpt de participatie inburgeraars om te ontdekken wat ze willen qua (vrijwilligers)werk of opleiding. Na de 400 uur bij NewBees is de SDD verantwoordelijk om de andere 400 uur in te vullen. Soms kunnen inburgeraars verder met de plek die ze via NewBees hebben gevonden, maar niet altijd.

Het invullen van de overige uren blijkt lastig voor de SDD. De consulenten kunnen niet altijd een passende plek vinden. Daarom is er een pilot voor 25 inburgeraars in de Z-route gestart waarbij NewBees alle 800 participatieuren organiseerde. Dat werkte volgens NewBees en NLtraining goed. De SDD meldt de inburgeraars voor de overige 400 uur ook vaak aan bij SkillsPro. We merken dat het voor de inburgeraars in de focusgroep niet geheel duideli k is hoe zi de ‘tweede’ 400 uur in moeten vullen. Ze weten niet goed wat er mogeli k is en welke activiteiten wel of niet meetellen. Ook NewBees bevestigt dit beeld. Sommige inburgeraars krijgen hulp van de consulent om een plek te vinden, maar dat geldt niet voor iedereen. Toch heeft een aanzienlijk deel van de deelnemers aan onze focusgroepen (vrijwilligers)werk. Een inburgeraar uit de focusgroep vertelt zelfs alle 800 participatie-uren met betaald werk in te vullen, want dat mocht van de consulent. Betaald werk leidt uiteraard niet altijd tot integratie en vanuit de SDD en

30

gemeenten ontbreekt duidelijk beleid op de insteek van participatie. Er lijkt weinig structuur te zijn in de manier waarop de SDD de participatie-uren invult. Het participatieaanbod van NewBees en de inhoud van de taallessen zijn in beperkte mate op elkaar afgestemd. Hierdoor sluiten de taallessen en de participatielessen niet altijd op elkaar aan. Dit heeft ermee te maken dat de klassen bij beide aanbieders niet dezelfde deelnemers hebben. Op bepaalde momenten is er inhoudeli ke overlap, bi voorbeeld rond de feestdagen. ls thema’s aansluiten bi een bepaalde periode in het jaar, dan komt dat thema vaak in de taallessen en in de groepsbijeenkomsten aan de orde. Daarnaast vinden inburgeraars het soms lastig om taalles te volgen en de participatie-uren in te vullen, want het kost veel tijd.

“Ik kan naaien. Mijn consulent zegt: je kan die vaardigheid gebruiken om een participatieplek te vinden. Maar naaien is mijn hobby en ik wil na het inburgeren ook werk kunnen vinden. Dus ik wil graag hulp om te weten welke verschillende opties ik nog meer heb voor een plek.” - Deelnemer focusgroep Z-route

3.2.8

Verzuimpreventie is goed ingeregeld en bij handhavingsinstrumenten mist een verordening om boetes op te kunnen leggen In paragraaf 3.2.2 beschreven we dat de consulent de inburgeraar van het PIP-gesprek informeert over de rechten en plichten en dat zij dit ook tijdens latere begeleidingsgesprekken blijven herhalen. Deze herhaling is nodig, omdat informatie niet blijft hangen de eerste keer. Consulenten geven aan dat gezinsmigranten moeilijker te motiveren zijn in vergelijking met asielmigranten. Een mogelijke verklaring is dat zij de inburgering zelf moeten betalen. Uit de focusgroepen met statushouders blijkt dat de rechten en plichten vaak duidelijk zijn bij de statushouders. Zij weten welke onderdelen ze moeten afronden binnen welke termijn. Ook is duidelijk dat ze geacht worden aanwezig te zijn bij de taallessen en andere onderdelen van de inburgering. De afspraken rondom verzuim en handhaving tussen aanbieders en SDD zijn vastgelegd in een werkafsprakenboek. Als inburgeraars verzuimen bij de taallessen gaan de aanbieders eerst zelf in gesprek met de inburgeraar. Wanneer iemand vaak niet komt opdagen geeft de taalaanbieder een signaal door aan de SDD. De consulent pakt dit signaal op door bijvoorbeeld een driegesprek over het verzuim te organiseren tussen de inburgeraar, consulent en taalschool. Zowel de aanbieders als de SDD zijn tevreden over deze samenwerking.

Vaak is dit ook voldoende als handhavingsinstrument. De SDD geeft aan vanuit zowel beleid als uitvoering dat zij als laatste handhavingsinstrument een verordening mist om boetes te kunnen opleggen. Deze verordeningen moeten lokaal per gemeenteraad worden vastgelegd. De SDD ziet een boete opleggen als laatste redmiddel voor diegenen die niet gemotiveerd zijn als een soort stok achter de deur. Met name voor gezinsmigranten zou dit een helpend middel kunnen zijn volgens de SDD. Handhaving is wel mogelijk vanuit de Participatiewet, maar dit valt niet onder de verantwoordelijkheid van de consulenten inburgering. Sommige consulenten inburgering doen dit zelf wel. Voor gezinsmigranten is dit vaak geen optie, omdat zij geen uitkering ontvangen vanuit de Participatiewet.

31

3.2.9

SosyTraining verzorgt de MAP in principe in eigen taal aan het begin van het inburgeringstraject; inburgeraars zien de meerwaarde Tot begin 2025 organiseerde de SDD (het theoriegedeelte van) de MAP zelf. Sinds 2025 heeft de SDD (het theoriegedeelte van de) MAP aanbesteed en verzorgt SosyTraining deze. Het lukte de SDD zelf namelijk niet de MAP in te richten zoals ze dat graag zouden willen. De MAP bestaat sindsdien uit zes dagdelen voor de theorie waarin de acht verplichte thema’s aan bod komen. Sinds SosyTraining de MAP verzorgt, worden de groepen samengesteld op basis van taal. Daarvoor was de MAP in principe in het Nederlands. Het gevolg hiervan was dat inburgeraars de inhoud van de MAP niet altijd goed meekregen omdat zij de taal nog niet goed genoeg spraken. Ook zorgde dit ervoor dat de MAP pas laat in het inburgeringstraject plaatsvond omdat inburgeraars voldoende Nederlands moesten spreken. Af en toe werd een groep samengesteld met inburgeraars die Arabisch als moedertaal hebben en in de Z-route zaten, die de MAP in het Arabisch kregen. Dit was echter niet standaard. In principe krijgen alle inburgeraars (zowel gezinsmigranten als asielmigranten) de MAP in de eerste zes maanden van hun inburgeringstraject. De administratief medewerker van de SDD meldt inburgeraars aan voor de MAP. Inburgeraars zijn redelijk kritisch over de timing van de MAP.

Zij geven aan dat het voor hen niet duidelijk is wanneer tijdens de inburgering de MAP plaatsvindt. Uit de focusgroepen blijkt dat het sterk verschilt wanneer zij de MAP hebben gevolgd. Zij snappen niet waarom dit zo is en kregen dit ook niet uitgelegd. Sinds SosyTraining de MAP verzorgt, lukt het redelijk om de zes maanden aan te houden, geeft de SDD aan. Zeker voor inburgeraars die Arabisch spreken is dit mogelijk omdat zij met veel zijn en daardoor regelmatig een groep kan worden samengesteld. Bij andere talen kan het voorkomen dat inburgeraars langer moeten wachten. Dit komt omdat het dan even duurt voordat er voldoende inburgeraars met dezelfde moedertaal begonnen zijn met inburgeren. Hierdoor verschilt het moment waarop een inburgeraar de MAP volgt. Ook is er een mogelijkheid om de MAP online te volgen als dit beter uitkomt. Zowel vanuit de SDD als van de inburgeraars horen we terug dat het wenselijk is de MAP vroeg in het traject te krijgen. Zo zijn inburgeraars snel op de hoogte van de arbeidsmarkt en -cultuur in Nederland, wat hen helpt bij het vinden van een (goede) baan. Inburgeraars zijn over het algemeen tevreden over het theoriegedeelte van de MAP. Zij vinden de informatie nuttig en bijdragen aan het vinden van een baan en het begrijpen van de arbeidsmarkt in Nederland. Wel missen ze af en toe de praktische toepassing van de stof.

Als voorbeeld geeft een aantal inburgeraars aan dat ze leren hoe je een cv moet opstellen of een sollicitatiebrief moet schrijven, maar dat ze dat niet tijdens de MAP-lessen doen. Als ze tijdens de MAP-les samen het cv opstellen, kunnen de inburgeraars die daarna gelijk gebruiken. Daarnaast geven zij aan dat de MAP soms tegelijkertijd met de taallessen wordt ingepland. Hierdoor missen inburgeraars gedurende een aantal weken één van de twee taallessen in de week. De SDD probeert hier omheen te plannen, maar dit is niet altijd mogelijk doordat inburgeraars op basis van moedertaal moeten worden ingedeeld.

“Ik heb tijdens de MAP geleerd over salaris, wat wil je doen qua werk? Hoe werkt het met solliciteren? En over groei en mindset. Was zeker nuttig! Wel jammer dat het in het Nederlands was.” - Deelnemer focusgroep gezinsmigranten

32

Naast het theoriegedeelte moeten inburgeraars ook 40 uur praktijkuren maken voor de MAP. De inburgeraars in de Z-route vullen deze uren in met de uren die zij bij NewBees maken. Inburgeraars in de B1-route moeten zelf een plek vinden om deze uren te maken. Als de inburgeraar al werkt, vult hij of zij de uren daarmee in. Als een inburgeraar niet werkt, is het lastig om een plek te vinden om de 40 uur te vullen. 3.2.10

VluchtelingenWerk en Het Bonkelaarhuis verzorgen het PVT naar behoren; inburgeraars zijn tevreden Het Bonkelaarhuis (in Sliedrecht) en VluchtelingenWerk (in de andere gemeenten) verzorgen het PVT voor de zeven gemeenten. Vanuit de administratief medewerker van de SDD krijgen zij door welke inburgeraars het PVT moeten volgen. Dit zijn in principe alle gezinsmigranten en asielmigranten. Bij VluchtelingenWerk bestaat het PVT uit twee volledige dagen of vier dagdelen. VluchtelingenWerk maakt groepen op basis van taal, zodat het PVT in eigen taal gevolgd kan worden. Tijdens de eerste drie dagdelen komen de verschillende kernwaarden aan bod. De trainer legt deze kernwaarde uit, waarna de deelnemers samen in gesprek gaan hierover. Tijdens het vierde dagdeel gaan de deelnemers op locatiebezoek (dit verschilt per gemeente, maar kan bijvoorbeeld een museumbezoek of het bijwonen van een musical zijn) en wordt de verklaring ondertekend. De medewerkers van VluchtelingenWerk geven in de focusgroep aan dat de dialoog over de kernwaarden heel belangrijk en waardevol is voor de deelnemers. Het PVT vindt in principe fysiek plaats, zodat mensen elkaar kunnen ontmoeten en hun netwerk kunnen uitbreiden. Dit zorgt ook voor meer saamhorigheid. Het PVT kan voor hoogopgeleide inburgeraars en voor werkende inburgeraars ook online worden gevolgd, het is onduidelijk hoeveel dit gebeurt.

Het Bonkelaarhuis organiseert het PVT fysiek ’s avonds, verspreid over vijf avonden. De eerste vier avonden komen de vier kernwaarden aan bod. De trainer begint met een presentatie over deze kernwaarde. Daarna gaan de deelnemers in groepjes uiteen om aan de hand van gespreksvragen door te praten over de kernwaarde. De groepen worden opgedeeld naar moedertaal, waar ook een tolk bij aansluit om waar nodig te vertalen. De vijfde avond staat in het teken van het ondertekenen van de verklaring. Dit gebeurt in het oude Raadhuis en hier zijn de wethouder en beleidsmedewerker van de gemeente bij aanwezig. Dit zorgt voor binding tussen de gemeente en de inburgeraars. Het Bonkelaarhuis organiseert het PVT gemiddeld drie keer per jaar. De gesproken inburgeraars zijn over het algemeen positief over het PVT. Zij vinden de informatie die ze ontvangen nuttig. Ze leren de normen en waarden in Nederland kennen en dit helpt hen om goed in te burgeren. Een aantal van hen geeft wel aan dat het veel informatie is in een korte tijd en dat ze niet altijd alles onthouden. Net zoals bij de MAP, geven de inburgeraars aan dat het voor hen niet duidelijk is wanneer zij het PVT horen te volgen. Een deel had het PVT al wel gevolgd, maar veel ook niet. Dit is niet te verklaren doordat zij eerder of later met de inburgering zijn begonnen.

Specifiek de gezinsmigranten geven aan het PVT graag zo snel mogelijk te volgen, net als de MAP, omdat deze bijeenkomsten ook zorgen voor een uitbreiding van het netwerk.

“Het PVT was goed. Ik kreeg hele handige informatie, wel was de tijd (twee dagen) te kort voor de hoeveelheid informatie. Het zou fijn als de informatie verspreid wordt over meerdere dagen.” Deelnemer focusgroep Z-route inburgeraars

33

“Het PVT was heel goed, ik heb veel geleerd en nieuwe mensen leren kennen. Het PVT zorgt ook voor vrienden.” - Deelnemer focusgroep gezinsmigranten

3.3 3.3.1

Samenwerking tussen verschillende partijen Gemeenten en SDD werken goed samen; SDD zou graag volledig mandaat willen, expertise bij gemeenten is beperkt Over het algemeen zijn zowel de SDD als de gemeenten positief over de onderlinge samenwerking. De SDD en de gemeenten weten elkaar te vinden en stemmen regelmatig af. Het grootste knelpunt in de samenwerking vinden de gemeenten het ontbreken van inzicht in structurele monitoringsgegevens. De gemeenten geven wel aan dat zij graag meer inzicht zouden krijgen in hoe de trajecten verlopen via vaste monitoring. Op dit moment geeft de SDD af en toe cijfermatige informatie door aan de gemeenten. Dit is echter niet structureel, waardoor de gemeenten lastig overzicht krijgen van hoe het staat met de verschillende trajecten. Ook worden niet alle aspecten van het inburgeren nog cijfermatig vastgelegd, zoals het aandeel inburgeraars met betaald werk. De gemeenten willen hier graag verbetering in zien. Zoals toegelicht in hoofdstuk 2 heeft de SDD via een DVO en aparte mandaatregelingen met de gemeenten het mandaat om bepaalde keuzes te maken in de inrichting van het inburgeringstraject, maar kan het niet alles zelf bepalen. (Bepaalde) besluitvormingsprocedures lopen via de colleges van B&W van de zeven gemeenten. Een voorbeeld hiervan is het kunnen inregelen van boetes vanuit de Wi2021 en de processen rondom nieuwe aanbestedingen.

Deze besluitvormingsprocedures duren lang. De SDD zou daarom graag zien dat het volledig mandaat krijgt en niet langs de zeven gemeenten moet voor belangrijke beslissingen. We zien daarnaast dat er op ambtelijk niveau bij de gemeenten, maar ook bij de SDD veel wisselingen hebben plaatsgevonden. Dit heeft de samenwerking bemoeilijkt en zorgt ervoor dat veel tijd gaat zitten in op vlieghoogte komen en elkaar bijpraten. Ook blijft de expertise binnen de gemeenten op vlak van inburgering hierdoor beperkt. Gezamenlijk verder bouwen aan de inburgering is hierdoor lastig. De gemeenten hebben verder geen contact met de samenwerkingspartners en aanbieders die vanuit de SDD zijn gecontracteerd. Wel hebben zij logischerwijs contact met de subsidiepartners die de lokale onderdelen uitvoeren. Aanbieders missen het contact met de gemeenten niet.

3.3.2

Samenwerking SDD en overige ketenpartners De samenwerking tussen de SDD en de overige ketenpartners loopt via de SDD. Zo behoudt de SDD de regie over het inburgeringstraject. Dit betekent dat aanbieders en VluchtelingenWerk onderling weinig tot geen contact hebben. Hierdoor hebben aanbieders weinig overzicht over de algehele keten. Regulier ketenoverleg inburgering vindt niet plaats. In het algemeen vinden de aanbieders de afwezigheid van onderling contact geen groot gemis. Sagènn en NLtraining hebben in het begin een aantal keer onderling afgestemd, over de omgang met routewisselingen. Daarnaast stemmen NLtraining en NewBees regelmatig met elkaar af, omdat NewBees onderaannemer is voor de 400 uur participatie van de Z-route. De aanbieders zijn in het algemeen positief over de samenwerking met de SDD. De lijnen zijn kort en aanbieders geven aan dat er voldoende overleg plaatsvindt. De SDD ontvangt elk kwartaal een rapportage

34

van de aanbieders, waarin zij weergeven hoe de uitvoering verloopt en welke voortgang inburgeraars boeken. Voor andere zaken is de afstemming meer ad hoc. Bijvoorbeeld wanneer aanbieders nadenken over een routewisseling of verschillende onderdelen van de inburgering rooster-technisch voor een individuele inburgeraar af willen stemmen. Als een inburgeraar (te) vaak verzuimt, dan signaleert de aanbieder dat naar de SDD (zie ook paragraaf 3.2.7). De aanbieders vinden het positief dat consulenten naar de taalscholen toekomen wanneer zij contact zoeken met een inburgeraar. Over de routewisselingen geven aanbieders aan dat zij het lastig vinden dat zij niet meer inspraak hebben in het bepalen van het taalniveau en leervermogen van de inburgeraar. Vanuit hun expertise en ervaring met het aanleren van taal kunnen zij namelijk een goede inschatting maken of het taalniveau en daarmee de leerroute aansluit (zie ook paragraaf 3.2.6).

35

4 Conclusies en aanbevelingen 4.1

Overkoepelende conclusies We starten met de conclusies over de uitvoering van de inburgering in de Drechtsteden en beschrijven de belangrijkste ervaringen van de inburgeraars (zowel van gezinsmigranten als asielmigranten).

4.1.1

De uitvoering van de inburgering is steeds beter op orde in de Drechtsteden en heeft zich ontwikkeld sinds de start van de Wi201 We concluderen dat de uitvoering van de inburgering in de Drechtsteden voldoet aan de Wi2021 en steeds beter verloopt. Alle onderdelen van de inburgering zijn ingeregeld en belegd bij de SDD of externe aanbieders. De uitvoering van alle onderdelen verloopt in het algemeen ook goed, waarbij het welkomstprogramma onderscheidend is voor de Drechtsteden en inburgeraars ook zeer enthousiast over zijn. De SDD geeft zelf aan dat zij de afgelopen jaren veel onderdelen van de inburgering heeft doorontwikkeld, bijvoorbeeld de MAP en de taken van de consulent inburgering. Ook intern zijn de processen en systemen verbeterd waardoor consulenten beter gefaciliteerd worden in het uitvoeren van hun regierol. Ook heeft de SDD werkprocessen met werkinstructies opgesteld om de begeleiding door de consulenten meer uniform vorm te geven. De effecten van deze verbeteringen zijn in dit onderzoek nog niet altijd merkbaar in de ervaringen van de inburgeraars. Enerzijds heeft dit ermee te maken dat het tijd kost voordat veranderingen in processen op papier ook in de praktijk tot uiting komen. Anderzijds kunnen wij in dit onderzoek weinig onderscheid maken in ervaringen van inburgeraars die verder in het verleden plaats hebben gevonden en die juist recenter zijn opgedaan.

Het is goed mogelijk dat het beeld van de ervaringen van inburgeraars dat wij hier schetsen enigszins negatiever is dan de huidige realiteit. Daarnaast verwachten we dat de doorontwikkelingen van de uitvoering door de SDD in de komende maanden tot verdere merkbare verbetering gaan zorgen voor inburgeraars. In het algemeen zijn alle uitvoerende partijen tevreden over de onderlinge samenwerkingen en ook specifiek over de samenwerking met de SDD. Ze weten elkaar steeds beter te vinden en de lijntjes zijn kort. Tussen taalaanbieders en de SDD zijn bijvoorbeeld duidelijke werkafspraken gemaakt over verzuim waar alle partijen tevreden over zijn. De meeste partijen hebben onderling weinig contact met elkaar, maar geven ook aan dit niet per se te missen. Tot slot is een wens van de SDD om het volledige delegaat voor de uitvoering van de Wi2021 te krijgen, zodat bepaalde processen (het inregelen van een verordening of het inkopen van leerroutes) sneller verlopen. We zien ook een aantal aandachtspunten in de uitvoering van de Wi2021: a.

Uniformiteit in de begeleiding van de consulenten ontbreekt. De intensiteit van de begeleiding en wat de consulent bijvoorbeeld oppakt in het ondersteunen bij de zoektocht naar werk verschilt per consulent.

b.

Het handhavingsinstrument boetes opleggen vanuit de Wi2021 is niet ingeregeld in de Drechtsteden. De SDD geeft aan dit te missen, aangezien het kan helpen als een laatste stok achter de deur, met name bij gezinsmigranten.

c.

In de eerste tijd na de inwerkingtreding van de nieuwe inburgeringswet organiseerde de SDD de warme overdracht met het COA. De warme overdracht vindt op dit moment meestal niet meer plaats, hierdoor is een Vroege start lastig.

36

4.1.2

Inburgeraars zijn tevreden over het welkomstprogramma, de maatschappelijke begeleiding en de taallessen; ze zijn wisselend enthousiast over de begeleiding vanuit de SDD In deze paragraaf beschrijven we de rode draden vanuit de focusgroepen met inburgeraars. We delen dit op in waar inburgeraars wel en niet tevreden over zijn. Waar inburgeraars tevreden over zijn: a.

De inburgeraars zijn erg blij met het welkomstprogramma. Dit geeft hen veel informatie over de inburgering, maar ook over de Nederlandse samenleving. Het welkomstprogramma helpt hen om goed te starten met inburgeren.

b.

Alle gesproken inburgeraars zijn blij met de maatschappelijke begeleiding, zowel van VluchtelingenWerk als van Het Bonkelaarhuis. Zij leren veel over het leven in Nederland, kunnen makkelijk terecht bij de maatschappelijk begeleider en hebben het gevoel dat ze na het afsluiten van de begeleiding zichzelf kunnen redden in Nederland.

c.

Over het algemeen zijn de inburgeraars tevreden over de taalaanbieders. Ze vinden de docenten bekwaam en aardig en leren veel. Wel zouden de inburgeraars in de B1- en Z-route graag meer uur per week les krijgen, vooral om meer met elkaar te oefenen met praten.

Waar inburgeraars minder tevreden over zijn: a.

Inburgeraars zijn wisselend enthousiast over de consulenten van de SDD. De ene inburgeraar is heel tevreden omdat de consulent goed naar hem of haar luistert, goed meedenkt en helpt bij het vinden van (vrijwilligers)werk. Zij zien de consulent regelmatig en hebben veel contact. Andere inburgeraars zijn niet tevreden. Zij ervaren dat de consulent verwacht dat de inburgeraar veel zelf regelt, pusht op het vinden van werk en niet goed luistert naar zijn of haar wensen.

b.

Inburgeraars worden niet goed meegenomen in het ‘waarom’. Zi kri gen weinig toelichting over waarom een bepaald onderdeel van de inburgering al wel of nog niet plaatsvindt voor hen, waarom wordt verwacht dat een bepaald onderdeel voorgaat op een ander onderdeel en waarom bepaalde processen lang duren en ze veel moeten wachten.

c.

Gezinsmigranten zijn over het algemeen kritischer over de begeleiding van de SDD dan de asielmigranten. Zij voelen zich minder gezien en missen voldoende begeleiding. Daarnaast geeft een deel van hen aan dat ze heel moeilijk contact krijgen met de consulent en lang moesten wachten voor ze konden beginnen met inburgeren.

d.

Inburgeraars missen op het vlak van participatie soms de juiste begeleiding. Zoals hierboven genoemd helpen niet alle consulenten evenveel bij het vinden van werk. Zij geven aan dat het heel lastig is om zelf werk te vinden en dat een aanbeveling van de SDD (of gemeente) bij een werkgever veel kan helpen. In de MAP zouden de inburgeraars graag meer concrete stappen zetten, zoals het maken van een cv of solliciteren, in plaats van enkel horen hoe dat moet.

4.2

Doelen Wi2021 Vervolgens beoordelen we in hoeverre de (sub)doelen vanuit de Wi20219 worden behaald in de Drechtsteden. We beschrijven eerst wat de doelen in houden en vervolgens of en hoe deze worden behaald.

9 We hebben deze overgenomen vanuit de memorie van toelichting van de Wi2021: Wet inburgering 2021

(35.483); Memorie van toelichting (TK, 3) - Eerste Kamer der Staten-Generaal.

37

4.2.1

Tijdige start: komt niet van de grond, dit komt voornamelijk door externe factoren De Wi2021 zet in op een tijdige start, het liefst al op het azc. Gemeenten moeten zo snel mogelijk een Brede intake afnemen en het PIP vaststellen. Daarnaast wordt een tijdige start bevordert door het financieel ontzorgen, de maatschappelijke begeleiding en begeleiding vanuit de gemeenten. Hierdoor kunnen inburgeraars snel beginnen met inburgeren in de Nederlandse samenleving en worden zij niet afgeleid door andere zaken. De Drechtsteden hebben geen exacte cijfers over hoelang het duurt om asielmigranten te huisvesten. Wel zien we dat de gemeenten over het algemeen achterlopen op de taakstelling en geven betrokkenen aan dat het huisvesten vaak langer dan een jaar duurt. De Drechtsteden zijn wel recentelijk gestart met de Vroege Start en willen hier ook meer op gaan inzetten wanneer het azc in Dordrecht komt. We zien ook dat het de SDD vaak niet lukt om binnen tien weken na huisvesting het PIP vast te stellen. Vanaf 2023 hadden alle drie de taalaanbieders bovendien gemiddeld minstens 30 kalenderdagen wachttijd tussen de intake en het beginnen van de lessen. Dit liep op tot 60 kalenderdagen. Dit komt voornamelijk door docententekorten bij de aanbieders. Hierdoor moeten inburgeraars na het vaststellen van het PIP ook wachten voor ze konden beginnen met de taallessen.

De participatie-uren in de Z-route bij NewBees kunnen vaak sneller starten. Hier is de wachttijd beperkt. Sommige gezinsmigranten geven aan dat zij kort moesten wachten (twee maanden) voor de SDD contact met hen opnam, de Brede intake plaatsvond en het PIP werd vastgesteld. Andere gezinsmigranten hebben langer dan twee jaar moeten wachten. De wachttijd om taalles te volgen bij het Werkwoord is beperkt. De maatschappelijke begeleiding draagt bij aan het tijdig integreren in de samenleving. De inburgeraars leren in twaalf tot vijftien maanden veel en kunnen daarna zelfstandig verder. Het financieel ontzorgen verloopt wisselend. Hierbij gaan af en toe dingen mis. Wanneer dit gebeurt, zorgt dit voor onzekerheid en spanning bij de inburgeraar, waardoor zij alsnog afgeleid raken van het inburgeren. Dit draagt daardoor in beperkte mate bij aan het tijdig kunnen starten met inburgeren. Het (sub)doel ‘ti dige start’ wordt niet behaald. Voor een groot deel ligt dit echter aan externe factoren (beschikbaarheid van woningen, docenten en een azc in de buurt). Daarnaast is dit probleem niet uniek voor de Drechtsteden, maar zien we dit in veel gemeenten terugkomen. In de huidige omstandigheden is het bereiken van dit (sub)doel dan ook erg lastig.

Eén van de weinige manieren om een tijdige start (op dit moment) wel te kunnen beïnvloeden is het sneller vaststellen van het PIP, waarvoor de SDD aan zet is. Doordat de SDD de processen steeds beter heeft ingericht en meer consulenten in dienst heeft, zou dit in de komende tijd sneller moeten gaan.

4.2.2

Snelheid: inburgeraars in de B1- en Z-route hebben drie jaar nodig, voornamelijk door vertraging in taalonderwijs en participatie De wet beoogt dat inburgeringstrajecten niet onnodig lang duren, zodat inburgeraars zo snel mogelijk volwaardig kunnen meedoen in Nederland. Gemeenten houden zicht op de voortgang zodat de inburgering binnen drie jaar, maar liefst sneller, is afgerond. Routewisselingen vinden binnen anderhalf jaar plaats om de snelheid te bevorderen.

38

In totaal hebben 100 asielmigranten en 50 gezinsmigranten in de Drechtsteden aan de inburgeringsplicht voldaan (op peildatum maart 2026). In vergelijking met het aantal inburgeraars dat is gestart, is dit (zeker voor de asielmigranten) nog niet veel. Van de inburgeraars die op het moment van schrijven inburgeringsplichtig zijn, loopt de inburgeringstermijn van 16% van de asielmigranten en 5% van de gezinsmigranten al meer dan drie jaar (peildatum maart 2026). Met name de B1-route en Z-route kosten over het algemeen drie jaar; de onderwijsroute verloopt sneller. Daarnaast zijn er 55 verlengingen onder asielmigranten en 45 verlengingen onder gezinsmigranten (peildatum maart 2026). De SDD geeft aan dat er veel verlengingen (om terechte redenen) aankomen. We zien dat in de B1- en Z-route de taaltrajecten langer duren doordat het aantal lesuren per week is verminderd (respectievelijk van drie naar twee keer per week en van vier naar drie keer per week). Dit komt door het docententekort. Bij de participatie in de Z-route kan een traject vertragen doordat na afronding van de uren bij NewBees niet gelijk een invulling voor de overige uren wordt georganiseerd door de SDD. De andere onderdelen van de inburgering verlopen relatief snel. De MAP en het PVT vinden in principe in het eerste jaar plaats, net zoals de maatschappelijke begeleiding en het financieel ontzorgen. Dit gaat goed.

Ook voor het subdoel snelheid geldt dat dit nog niet optimaal verloopt. Opnieuw sluit dit aan bij het landelijke beeld en wordt dit voornamelijk veroorzaakt in de taalonderdelen door het docententekort. Wel kan een betere aansluiting tussen de twee participatie-onderdelen in de Z-route deze route versnellen. Dit is gerealiseerd door in de nieuwe aanbestedingen de volledige 800 uur bij één aanbieder te beleggen. 4.2.3

Dualiteit: aanbieders stellen zich flexibel op om roosters van taal en participatie naast elkaar te organiseren, inhoudelijke afstemming is er niet Met het subdoel dualiteit beoogt de wetgever dat inburgeraars de taal leren in combinatie met participatie10. De gemeente is als regievoerder verantwoordelijk voor het realiseren van de combinatie. Deze moet ook bijdragen aan het snel en volwaardig meedoen in Nederland. We zien dat zowel in de B1- als in de Z-route veel wordt geparticipeerd naast de taallessen. Dit gaat goed. Ook stellen de taalaanbieders zich flexibel op bij het inplannen van de lessen. NLtraining en NewBees stemmen regelmatig af en het rooster van de participatie wordt aangepast op de taallessen. De docenten van NLtraining zijn bovendien op de hoogte van wanneer de participatie plaatsvindt. Bij Sàgenn kan het lesrooster aangepast worden op het werkrooster. Zo volgen inburgeraars bijvoorbeeld les in de avonduren, in verschillende groepen of wisselen ze van groep wanneer dit beter uitkomt. Ook kan de MAP bijvoorbeeld online gevolgd worden en lukt het de SDD steeds beter om dit niet over de taallessen heen te plannen. De inhoudelijke afstemming van taal en participatie vindt niet plaats. Het komt voor dat NewBees met hetzelfde thema aan de slag gaat als NLtraining (bijvoorbeeld rondom de feestdagen), maar dit is eerder toevallig dan afgesproken.

Dualiteit komt in de logistieke afstemming goed van de grond, inhoudelijk kan het dus beter.

10 Met participatie bedoelt de wetgever alle activiteiten die gericht zijn op meedoen in de maatschappij. Dit

kunnen zowel onbetaalde activiteiten (zoals stages of vrijwilligerswerk) zijn als betaald werk.

39

4.2.4

Maatwerk: ketenpartners stellen zich flexibel op waardoor maatwerk mogelijk is De uitvoering van de Wi2021 moet maatwerk zijn en passende inburgeringstrajecten voor alle inburgeraars mogelijk maken. In de begeleiding van de SDD vindt maatwerk plaats doordat consulenten nu beter kijken welke route passend is en niet alti d ‘zo hoog mogeli k’ inzetten. Bij twijfel worden individuele afspraken gemaakt met de inburgeraar en taalaanbieder hierover. Daarnaast zien we dat een deel van de consulenten goed luistert naar de individuele wensen en behoeften van de inburgeraar. Bij een ander deel is dit niet het geval. Maatwerk wordt in het taalonderwijs gerealiseerd door aangepaste lestijden, de mogelijkheid om naar B2niveau te gaan in de B1-route, lessen naar A2-niveau in de Z-route en de verschillende niveaus in de onderwijsroute. NewBees kijkt voor het individuele aanbod van de participatie wat past bij de inburgeraar. Een deel van de consulenten van de SDD doet dit ook in de begeleiding bij zoeken naar participatieplekken daarna of in de B1-route.

4.2.5

Kwaliteit: taalonderwijs is van goede kwaliteit, regie en begeleiding gaat steeds beter, ruimte voor verbetering bij het participatiegedeelte De wetgever zet met de Wi2021 in op inburgeringsaanbod van hoge kwaliteit. Enerzijds doordat aanbieders van de B1- en Z-route het Blik op Werk-keurmerk moeten hebben en aanbieders van de onderwijsroute een diploma-erkenning van de onderwijsinspectie. Anderzijds kunnen gemeenten sturen op kwaliteit doordat ze aanbod inkopen en regie voeren op de individuele inburgeringstrajecten. Hierdoor ontstaat een dubbele borging op de kwaliteit. Sagènn en NLtraining hebben het Blik op Werk-keurmerk en het Da Vinci College heeft de diplomaerkenning. De inburgeraars zijn ook tevreden over de taallessen en docenten. Op het vlak van regie en begeleiding zien we dat de afgelopen jaren grote stappen zijn gezet om de kwaliteit te verbeteren. Processen zijn anders ingericht en werkwijzen verbeterd. Sommige inburgeraars zijn heel tevreden, andere inburgeraars helemaal niet. Een verdere uniformering in de aanpak is nodig. Ook bij het participatiegedeelte is een verdere kwaliteitsslag te maken. In de Z-route worden de tweede 400 uur verschillend ingevuld en lukte dit niet altijd goed. In de B1-route verschilt de begeleiding richting werk per consulent. Daarnaast verzorgt Vluchtelingenwerk in een aantal gemeenten ook een participatiegedeelte.

De participatieonderdelen lopen veelal naast elkaar en zijn weinig geïntegreerd. Bovendien ontbreken concrete doelen en ligt de nadruk op het maken van de uren en minder op het gewenste resultaat.

4.3

Uitgangspunten regionaal beleidskader In deze paragraaf leggen we doelen vanuit het regionaal beleidskader naast de uitvoering in de Drechtsteden. We leggen eerst uit wat de doelen inhouden en daarna of en hoe deze worden gerealiseerd.

40

4.3.1

Duurzame participatie naar vermogen: inburgeraars hebben behoefte aan meer begeleiding naar werk De Drechtsteden streven naar een vorm van participatie die past bij de inburgeraar. De snelste weg is daarbij niet altijd de beste weg. De consulenten van de SDD zetten erop in om inburgeraars te laten participeren in de samenleving, liefst via betaald werk. Tijdens de focusgroepen met inburgeraars viel het op dat veel inburgeraars een baan of vrijwilligersplek hebben. Exacte cijfers over wat de participatie van inburgeraars inhoudt en hoeveel uur zij dit doen zijn echter niet beschikbaar. Hierdoor kunnen we geen uitspraak doen over wat de participatieonderdelen opleveren. Naast het inrichten van deze monitoring, zien we ook kansen om de manier waarop inburgeraars richting werk worden begeleid te verbeteren. Vanuit verschillende hoeken horen we dat consulenten inburgeraars soms te vroeg richting werk sturen, wanneer de inburgeraar daar zelf nog niet klaar voor is. Ook geven inburgeraars aan behoefte te hebben aan meer begeleiding bij het vinden van een participatieplek. Hoe consulenten deze rol invullen, is erg verschillend.

4.3.2

We staan naast de inburgeraar: de maatschappelijke begeleiding is belangrijk voor asielmigranten, maar voor gezinsmigranten is het contact met de consulent te beperkt Naast de inburgeraar staan, betekent dat het slagen van de inburgering een gedeelde verantwoordelijkheid tussen de Drechtsteden en de inburgeraar is. Inburgeraars worden ondersteund en er is ruimte voor maatwerk waar mogelijk. De maatschappelijke begeleiding speelt hierin een belangrijke rol. Inburgeraars vertellen dat ze bij hun maatschappelijk begeleider terechtkunnen. De taalaanbieders leveren waar mogelijk maatwerk om de lessen zo goed mogelijk in het leven van de inburgeraar in te passen en in de samenwerking met de SDD wordt steeds beter gekeken naar wat er bij de inburgeraar past. We merken wel dat er bij inburgeraars soms onduidelijkheid bestaat over het ‘waarom’ achter bepaalde keuzes. Meer uitleg over waarom dingen wel of niet kunnen, kan hen helpen bij het gevoel dat er geluisterd wordt naar hun behoeften. De beleving van gezinsmigranten verschilt op dit punt van die van asielmigranten. Zij ontvangen geen maatschappelijke begeleiding en kunnen vaak moeilijk contact krijgen met hun consulent. Zij hebben behoefte aan meer contactmomenten en gelegenheid om vragen te stellen.

4.3.3

We beschouwen inburgering als onderdeel van het sociaal domein: de begeleiding vanuit Het Bonkelaarhuis is een goed voorbeeld van integraal werken De Drechtsteden hanteren een brede opvatting van de inburgering. Inburgering is één van de middelen die kan worden ingezet om inburgeraars mee te laten doen in de maatschappij. Het brede sociaal domein, waaronder de Participatiewet, is hierbij net zo goed van belang. De begeleiding vanuit Het Bonkelaarhuis is een goed voorbeeld van een integrale aanpak. Er zijn verschillende maatschappelijke begeleiders vanuit verschillende perspectieven betrokken bij één inburgeraar, die onderling afstemmen om de maatschappelijke begeleiding zo goed mogelijk op de inburgeraar aan te laten sluiten. Hierin komen verschillende domeinen samen. Daarnaast zijn de consulenten inburgering niet langer verantwoordelijk voor taken vanuit de Participatiewet, met uitzondering van de participatie. Hierdoor hebben zij meer rust in de begeleiding zelf. We hebben niet vernomen dat de inburgering in gezamenli kheid met thema’s zoals sport en zorg wordt ingericht, zoals wordt beoogd in het beleidskader.

41

4.3.4

Inburgering wordt nabij en lokaal ingebed: de inburgering vindt waar mogelijk lokaal plaats Het doel is om de inburgering zoveel mogelijk dicht bij de inburgeraar te organiseren. Enerzijds fysiek, door zoveel mogelijk te werken in de lokale gemeente. Anderzijds mentaal, door vertrouwen op te bouwen met de inburgeraar. In de uitvoering is er aandacht voor de lokale context. NewBees probeert bijvoorbeeld om participatieplekken zoveel mogelijk in de eigen gemeente te regelen. De maatschappelijke begeleiding vindt ook op lokaal niveau plaats. En het welkomstprogramma is er niet alleen op het niveau van de regio, maar ook per gemeente. Daarnaast zet Het Bonkelaarhuis een project op om jongeren te laten zien dat er voor hen in Sliedrecht van alles te doen is. In de mentale nabijheid tot inburgeraars is het helpend dat er bij de SDD en bij VluchtelingenWerk consulenten en begeleiders zijn die in het verleden zelf ook in Nederland hebben moeten inburgeren. Zij weten goed aansluiting te vinden bij inburgeraars. Ook is het van belang dat inburgeraars in hun eigen taal geholpen kunnen worden op belangrijke momenten. Zij zouden het PIP bijvoorbeeld graag in hun eigen taal willen ontvangen.

4.3.5

Inburgering wordt integraal georganiseerd: de afstemming tussen de SDD en andere partijen verloopt goed Maatwerk voor de inburgeraar vereist dat er sprake is van een samenhangende aanpak tussen verschillende domeinen. De SDD moet hierbij intern en extern met gemeentelijke afdelingen en andere externe partners goed samenwerken. De taalaanbieders zijn tevreden over de samenwerking met de SDD. De afstemming verloopt goed. Daarnaast hebben we weinig vernomen over afstemming tussen de SDD en gemeentelijke afdelingen, maar vallen de relevante domeinen onder de SDD zelf.

4.3.6

De implementatie wordt gezamenlijk uitgevoerd: de keten als geheel heeft geen onderling contact De implementatie van de inburgeringswet gebeurt in cocreatie. Er is aandacht voor lokale verschillen, maar verder is het doel om de uitvoering zoveel mogelijk uniform in te richten. Ook tijdens de uitvoeringsfase is het doel dat sprake blijft van cocreatie. De SDD is de spin in het web in de uitvoering van de inburgeringswet. Hoewel de afstemming goed is en de SDD voldoende meebeweegt om signalen van uitvoerende partijen op te pakken, heeft de keten als geheel geen contact. Hierdoor is de uniformiteit moeilijk te realiseren. Uitvoerende partijen ontwikkelen hun aanbod door om aan te sluiten bij de behoefte van inburgeraars.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.alblasserdam.nl/api/v1/meetings/836/documents/18997