Raadsmededeling 27-2024 Beantwoording schriftelijke vragen CU n.a.v. raadsmededeling 24-2024 Regionaal Uitvoeringsprogramma Energietransitie Achterhoek
Tekst van het document
10
Merk op dat de RES-monitor met 0,051 TWh wat lager uitkomt.
17
Figuur 15 - Zon op veld (en op water) in de Achterhoek Gerealiseerd MW MWh
Toelichting
Initiatieven MW MWh
Toelichting Wikkerinkw eg
Aalten 2,2
2.069
Rietstap
2
Berkelland 26,4
25.035
Hekw eg, Batendijk, Brokersw eg
130 122.166
Munsterjansdijk, Hoondermaatsw eg, Dievelman, Eimersw eg, Bellegoor, Ruilverkavelingsw eg, Boksveenw eg, Hupsel, Tw ijggraven
Bronckhorst 6,6
6.303
Kw ekerij, Baak, ZoErf (Akkerw eg, Roessinkw eg), Het Hoge Vorden
6
5.941
Halle 2x, Energietuin Langenberg
28
25.367
Kronos Wehl, Keppelsew eg, Heislagsew eg, Europaw eg
Doetinchem
-
-
1.700
Montferland 5,7
5.462
Azew ijn, Braamt
-
-
Oost Gelre 14,2
13.520
Lievelde, Laarberg
29
27.395
Hegemansw eg, Zomereiken, Zieuw ent
5
4.790
2x Zon op Erf, Netterden Zand en Grind (op w ater)
51
48.166
Rafelder, Zonnew ilg, Havebos
Winterswijk 8,8
8.404
Huls, Wieskamp, Arresveld
93
87.400
Masterveld, Poolserw eg
Achterhoek
65.582
= 236 TJ
340 318.135
Oude IJsselstreek
69
= 1.145 TJ
De veronderstelde RES-opgave van 0,210 TWh in 2030 wordt ruimschoots gehaald mits minimaal 140 hectare aan projecten in de pijplijn daadwerkelijk gerealiseerd worden. Er moet stevig worden ingezet op realisatie van de bestaande initiatieven voor zonneparken, waar mogelijke met aandacht voor kwaliteit, lokaal eigendom en het maatschappelijk rendement van de parken.
Netcongestie. Het elektriciteitsnet zit vol. Dit noemen we ‘netcongestie’. Deze problematiek zet inmiddels een rem op de ontwikkeling van duurzame energie en dreigt ook op het laagspanningsnet voor problemen te zorgen. Er wordt volop gewerkt aan oplossingen in de vorm van uitbreiding van het elektriciteitsnet. Deze uitbreidingen zullen naar verwachting niet snel genoeg gaan, mede door tekort aan uitvoerend personeel en materiaaltekorten, waardoor netcongestie de komende jaren een serieus probleem zal blijven. In afwachting van netverzwaring moeten we slim omgaan met de bestaande netcapaciteit. Het elektriciteitsnet wordt minder belast door gelijktijdigheid in opwekking en gebruik. Opgewekte stroom wordt direct gebruikt en hoeft het net niet op. Allerlei oplossingen hiervoor zijn mogelijk, zoals opslag in batterijen, cablepooling of laden van elektrische voertuigen en machines en apparaten aanzetten als de zon schijnt. Energiegemeenschappen Energiegemeenschappen en ‘energy hubs’ delen het belang van gelijktijdigheid met netbeheerders en kunnen een belangrijke rol spelen in het slim omgaan met bestaande netcapaciteit*. Een energiegemeenschap is een ‘gemeenschap van verbruikers van energie (in de meeste gevallen spreken we hier over elektriciteit) die samen eigen duurzame bronnen in bezit hebben’.
Deze energiegemeenschappen kunnen bestaan uit (een combinatie van) particulieren, bedrijven of (overheids-) instellingen. Het doel van de energiegemeenschap is om op een duurzame wijze te voorzien in de eigen energiebehoefte tegen de laagst mogelijke kosten. Ook vanuit wet- en regelgeving komt ruimte om binnen energiegemeenschappen samen te werken en afspraken te maken. Binnen een energiegemeenschap is belang bij het laag houden van kosten als transportkosten, onbalanskosten, administratiekosten, ontwikkelkosten en kapitaalkosten. Bij gelijktijdigheid in gebruik en daarnaast zoveel mogelijk lokaal gebruik van de opgewekte energie, dalen deze kosten. Energiegemeenschappen en energy hubs kunnen een belangrijke rol spelen in het slim omgaan met de bestaande netcapaciteit. Gemeenten kunnen gezamenlijk inzetten op het stimuleren en faciliteren van energie productie en gebruik binnen energiegemeenschappen en energy hubs. *Bron: https://energy.nl/wp-content/uploads/slimme-aansluit-en-transportovereenkomst-voor-groepen.pdf
18
6. Programma’s en monitoring - hoofdlijnen Op de 7 speerpunten willen de gemeenten samenwerken en samen optrekken. Hoe ze dat gaan doen wordt door de gemeenten bepaald in deel 2 van de RU23. De uitvoeringsprogramma’s, projecten en activiteiten worden in deel 2 nader uitgewerkt, alsmede de organisatie, monitoring en communicatie rondom het Regionale Uitvoeringsprogramma Energietransitie Achterhoek. Sinds de start van de regionale samenwerking vanuit AvG1.0 is al veel gedaan en bereikt. Er wordt samengewerkt op regionaal niveau, beleid wordt onderling afgestemd waar mogelijk en daarnaast is iedere gemeente op lokaal niveau bezig met de lokale uitvoering van de energietransitie. Als het gaat om programma’s en projecten is veel van wat eerder bedacht is in de context van de regionale samenwerking nog steeds relevant. In grote lijnen vindt de huidige regionale samenwerking op het thema energietransitie plaats in 3 programma’s, die logischerwijs aansluiten op voorgaande cijfers en beschrijvingen: • • •
Programma woningen (of huishoudens) Programma gebouwen (niet-woningen, dus bedrijven en maatschappelijk vastgoed) Programma opwekken
De programma’s en reeds bestaande bijbehorende projecten en acties worden op hoofdlijnen toegelicht in de volgende secties. Het samenvattende overzicht (tabel) van ieder programma geeft aan welke gemeenten11 (vooralsnog) deelnemen aan het betreffende project en welke andere partners een rol kunnen spelen in de samenwerking. Deze programma’s, maar vooral de onderliggende projecten en activiteiten, zijn een momentopname en zijn dus niet in beton gegoten. De lijst is flexibel en zal indien nodig aangepast worden door bijvoorbeeld nieuwe inzichten, het toevoegen van nieuwe thema’s of het bijstellen van doelstellingen. Veranderingen in bijvoorbeeld landelijk beleid, de RES 2.0 of samenwerking met partners (de andere O’s) kunnen aanleiding zijn voor bijstelling van de programma’s en projecten. Regelmatige monitoring van het uitvoeringsprogramma biedt ook natuurlijke momenten voor aanpassing indien nodig. De regionale samenwerking tussen de Achterhoekse gemeenten is organisatorisch geborgd door middel van afstemming tussen de duurzaamheidscoördinatoren in het duco-overleg en afstemming tussen de wethouders in het Bestuurlijk Afstemmingsoverleg. De gemeenten gaan de komende tijd bepalen hoe de uitvoering van deze RU23 wordt georganiseerd, en op welke wijze partners betrokken worden.
Programma Woningen Het programma ‘woningen’ richt zich op verduurzaming van de woningvoorraad, energie besparen door huishoudens, en aardgasvrij worden van woningen. Energieloket functie Bij Energieloket Achterhoek (in Winterswijk: Centrum Duurzaam Winterswijk) kunnen inwoners terecht voor alles wat met energie besparen te maken heeft. Het energieloket maakt inwoners wegwijs in alle hulpmiddelen en mogelijkheden die bestaan om de woning te verduurzamen. Het energieloket helpt ook bij het aanvragen van financiële hulpmiddelen en voert in opdracht van de gemeenten verschillende subsidieregelingen uit. Energiearmoede Sinds 2021 zijn de prijzen van energie enorm gestegen, dit vraagt om actie van gemeenten om inwoners te ondersteunen. Iedere gemeente is bezig mijn een eigen aanpak, maar er liggen ook kansen voor samenwerking, bijvoorbeeld door structurele borging van de aanpak via de energieloketten. Regionale Structuur Warmte De Regionale Structuur Warmte (RSW) is een onderdeel van de RES. In de RSW wordt op regionale schaal in kaart gebracht welke potentie er is voor gebruik van (rest)warmtebronnen. Ook worden hierin op regionale schaal afspraken gemaakt, bijvoorbeeld over een nieuw te ontwikkelen bovengemeentelijke warmte-infrastructuur. De gezamenlijke opgave voor warmte zit in het uitwisselen van kennis en ervaring in de warmtetransitie.
Van transitievisie warmte naar wijkuitvoeringsplannen, onderzoek naar alternatieven voor aardgas en het meenemen van bewoners in dit proces. Vanuit het Nationaal Programma Lokale Warmtetransitie komen middelen beschikbaar om een regiostructuur voor de warmtetransitie vorm te geven o.a. via het aanstellen van een regiocoördinator.
NB: ‘elke gemeente’ wil zeggen elke Achterhoekse gemeente in het Akkoord van Groenlo, d.w.z. Aalten, Berkelland, Bronckhorst, Doetinchem, Montferland, Oost Gelre, Oude IJsselstreek en Winterswijk. 11
19
Figuur 16 – Overzicht programma Woningen Project
Deelnemende gemeenten
Partners
Energieloket
Elke gemeente In Winterswijk: Centrum Duurzaam Winterswijk
Wooncorporaties
Energiearmoede
Elke gemeente Incl. sociaal domein
Wooncorporaties Lokale energiecoöperaties
Regionale Structuur Warmte
Elke gemeente, warmtecoördinatoren
Gelders expertteam warmte Industrie (restwarmte)
Programma Gebouwen (niet-woningen) Het programma gebouwen richt zich op verduurzaming van bedrijfsgebouwen en maatschappelijk vastgoed richting aardgasvrij (eigenlijk fossielvrij). Loketfunctie gebouwen Een energieloketfunctie met specifieke aandacht voor bedrijven en maatschappelijke organisaties kan helpen bij het verduurzamen van gebouwen, bijvoorbeeld in de uitvoering van stimuleringsregelingen en -leningen voor MKB, agrarische bedrijven of non-profit organisaties. Bedrijvenaanpak Om bedrijven te verduurzamen loopt al een aantal jaar het project Achterhoek Onderneemt Duurzaam, in 2023 doorgestart als Duurzaam Ondernemerscentrum Achterhoek (DOA). De Samenwerkende Industriële Kringen Achterhoek (SIKA) en VNO-NCW Achterhoek zijn hierin de drijvende krachten. Maar er speelt meer bij deze doelgroep, zoals het project Zonnige Bedrijven. Gezamenlijk hierin optrekken heeft meerwaarde voor de aanpak en kan de uitrol helpen. Handhaving De gemeenten zijn opdrachtgever van de Omgevingsdienst Achterhoek (ODA). De ODA kan een rol spelen in het toezicht op verduurzaming, zoals de label C verplichting voor kantoren.
Figuur 17 – Overzicht programma Gebouwen Project
Deelnemende gemeenten
Partners
Loketfunctie gebouwen
Elke gemeente Evt. combi bestaande energieloketten
Maatschappelijke organisaties (doelgroepen)
Bedrijvenaanpak
Elke gemeente
SIKA VNO-NCW Achterhoek
Handhaving
Elke gemeente
ODA
Programma Opwekken Het programma opwekken richt zich op het optimaal opwekken van zo veel mogelijk duurzame elektriciteit in de Achterhoek (om energieneutraal te worden). Voor het grootste gedeelte is dit belegd in de Regionale Energie Strategie (RES) Achterhoek. Hiervoor is dus geen nieuw programma nodig. Regionale Energie Strategie (RES) De Achterhoekse bijdrage van 1,35 TWh aan het landelijke doel voor grootschalige duurzame energie opwekking op land in 2030 is neergelegd in RES1.0 en is de basis voor dit uitvoeringsprogramma. De regio Achterhoek werkt op dit moment aan monitoring van de RES en aan de verdere invulling en herijking van de RES. Dit kan nieuwe inzichten en verschuivingen in de opgave met zich mee kunnen brengen. Binnen de RES worden een aantal belangrijke onderwerpen aangepakt:
20
Participatie en lokaal eigendom / energiegemeenschappen Hoe mooi zou het zijn als alle nieuw windmolens en zonnepanelen onderdeel zijn van een lokaal initiatief of energiegemeenschap in de Achterhoek. De rol van lokale energiecoöperaties is in de RES onderbelicht: zij dragen bij aan meer duurzame opwek en zorgen tegelijkertijd voor maatschappelijk (mens, natuur, economie) rendement en lokale verankering. Een gezamenlijke visie, aanpak en uitwerking voor lokaal eigendom, zoals aangekondigd in RES1.0, is nodig. Zon op gebouwen Uitwerken van het plan van aanpak zon op gebouwen uit RES1.0 is tot nu toe niet verder ontwikkeld, maar wordt dit jaar (2023) wel opgepakt in de RES. Gemeenten kunnen de realisatie van zon op gebouwen waar nodig gezamenlijk (ook los van de RES) verder brengen, zoals via het programma Zonnige Bedrijven in de Achterhoek, momenteel uitgevoerd door Agem Project- en adviesbureau. Integrale aanpak netcongestie Het elektriciteitsnetwerk heeft onvoldoende capaciteit om de zon- en windprojecten van de RES te ontsluiten en door weersafhankelijke bronnen neemt de onbalans tussen vraag en aanbod toe. O.a. in de RES wordt gezocht naar oplossingen. Ontwikkelfonds voor coöperatieve projecten Vooral in de vroege (risicovolle) projectfase lukt het coöperatieve projecten niet om de benodigde financiering te verkrijgen.
Met het Ontwikkelfonds wordt een deel van de aanloopkosten voor coöperatieve lokale duurzame energieprojecten (grotere zonprojecten en wind) voorgefinancierd. Zes gemeenten hebben besloten deel te nemen aan het Ontwikkelfonds van Energie Samen en het Nationaal Groenfonds. Gemeentelijke Energie (AGE BV) Gemeenten kopen via Agem Gemeentelijke Energie (AGE B.V.) hun eigen energie (stroom en gas) direct in. Het is de bedoeling dat zij uiteindelijk hun eigen energie ook gaan opwekken via duurzame projecten in de regio. Het zonnepark Braamt is het eerste resultaat daarvan.
Figuur 18 – Overzicht programma Opwekken Project
Deelnemende gemeenten
Partners
Elke gemeente, incl. andere domeinen (economie, bouw, bedrijven).
Waterschap, Liander, Provincie Gelderland, lokale energiecoöperaties, LTO
Ontwikkelfonds
Berkelland, Bronckhorst, Doetinchem, Montferland, Oost Gelre en Oude IJsselstreek
Lokale energiecoöperaties, Agem Energie Experts als regionaal coordinator Energie Samen
Gemeentelijke Energie (AGE BV)
Elke gemeente
Agem Energie Experts als uitvoerder bedrijfsvoering
RES Achterhoek Integrale aanpak netcongestie Participatie en lokaal eigendom Zon op gebouwen
21
Monitoring Het is belangrijk om de voortgang van de inhoud van deze RU23 te monitoren: enerzijds de voortgang in de vorm van de concrete cijfers, anderzijds de voortgang in projecten en werkgroepen van de gemeenten. De vorm van monitoren zal de volgende stap zijn, na vaststelling van deze RU23. Datalab Gelderland Oost kan hierin een rol spelen. Monitoring en inzicht in behaalde resultaten blijkt in de praktijk lastig, met name door veelal niet-actuele data, met cijfers van soms 1,5 jaar tot 2 jaar oud. Om een goed beeld te krijgen van de situatie en resultaten van een specifieke periode zou monitoring van de cijfers momentaan moeten kunnen. Ook is aandacht voor de dynamiek van de transitie nodig. Royal HaskoningDHV gaf al eerder aan 12 dat de energietransitie behoorlijk grillig verloopt. Zo hebben zij bepaalde monitoringstabellen per gemeenten niet overgenomen uit eerdere UA rapportages, omdat deze geen recht zouden doen aan de onderliggende dynamieken van een transitie. Praktisch gezien loont het vooral om qua monitoring in te zetten op concrete (eigen) cijfers vanuit de Achterhoek, bijvoorbeeld de (toekomstige) data die vanuit Energieloket Achterhoek beschikbaar is. Monitoring op basis van modellen als bijvoorbeeld het ETM en ‘draaien aan de knoppen’ zal veel lastiger zijn. De cijfers uit deze modellen zijn niet precies maar bekijken meer het geheel met terugwerkende kracht.
Deze cijfers helpen wel in het vertalen van de opdracht naar het aantal TJ en de doelstellingen in aantal woningen etc. Er zal nagedacht moeten worden hoe de monitoring er concreet uit gaat zien om te borgen dat de cijfers op basis van dezelfde uitgangspunten bekeken worden. Dit zou bijvoorbeeld in de vorm van een dashboard of barometer kunnen zijn. Ook het proces van monitoring zal nog verder uitgewerkt moeten worden en de concrete projecten of werkgroepen waar binnen gewerkt gaat worden in de uitvoering van deze RU2023. Het is goed om in frequentie van monitoring minimaal aan te sluiten bij de RES-monitoring: iedere twee jaar. Dit betekent dat het eerstvolgende monitoringsmoment zal zijn op 1 juli 2025. Hierbij dient ook rekening gehouden te worden met de nieuwe Omgevingsverordening van de Provincie Gelderland13. Energiebesparing in de gebouwde omgeving Een logische algemene indicator voor het meten van de voortang die we maken met energiebesparing in de gebouwde omgeving is het gebruik van aardgas. Figuur 19 - Finaal energiegebruik (TJ naar energiedrager) in de gebouwde omgeving in de Achterhoek geeft het energiegebruik en de besparing (verschil), uitgesplitst naar aardgas en elektriciteit, die in de gebouwde omgeving nodig is om onze opgave te halen.
Figuur 19 - Finaal energiegebruik (TJ naar energiedrager) in de gebouwde omgeving in de Achterhoek
Opwekking van duurzame elektriciteit Monitoring van de voortgang in de duurzame productie van elektriciteit in de Achterhoek vindt plaats in de RES. De cijfers voor realisatie en de harde pijplijn volgt het NP RES protocol en begrippenkader. Dit kan worden aangevuld met up-todate detailinformatie uit de gemeenten. Communicatie en elkaar scherp houden Communicatie met alle betrokken partijen is een belangrijk aandachtspunt. Tussen de gemeenten onderling, in de vorm van afstemmingsoverleg tussen de betrokken ambtenaren en tussen de wethouders duurzaamheid, zijn momenten waarop de voortgang van de RU23 en het AvG3.0 standaard op de agenda moet staan. Daarnaast is het uiteraard van groot belang om de gemeenteraden en de inwoners van de Achterhoek goed te informeren en dit structureel te blijven doen, om een zo groot mogelijk draagvlak te bereiken en onnodige vertragingen in uitvoering zoveel mogelijk te voorkomen. Weerstand ontstaat veelal vanuit onbegrip, onwetendheid of zelfs onjuiste informatie. Goede, structurele monitoring en duidelijke communicatie met alle betrokken partijen zijn daarom essentieel voor het bereiken van de doelstellingen en hiermee het succes van de energietransitie in de Achterhoek.
12 13
Menukaart Akkoord van Groenlo, december 2021 Artikel 8.10, instructieregel monitoring regionale energiestrategieën
22
Bijlage A – ETM en de cijfers De cijfers in dit uitvoeringsprogramma zijn gebaseerd op het Energie Transitie Model14. Dit is een door Quintel ontwikkeld open source model dat inzicht biedt in het energiesysteem, gebaseerd op realisaties uit de Regionale Klimaatmonitor15. Met het ETM is eerst de huidige (2022) energievraag en CO2-uitstoot bepaald. Vervolgens is het 2030-scenario berekend, waarin de ambitie 55% CO2-emissiereductie in 2030 centraal staat. In de ETM scenario’s zijn vele grafieken en tabellen te vinden met uitgangspunten en informatie per onderdeel. Voor alle sectoren waar energie wordt gebruikt (vraag) en geproduceerd (aanbod) kun je met schuifjes (knoppen) aangeven hoe je denkt dat de toekomst eruit gaat zien. Bij het opstellen van het 2030-scenario voor de Achterhoek volgen we in de basis landelijke trends en uitgangspunten (uit de klimaatmonitor en KEV). Een aantal aannames en input hebben we specifiek voor de Achterhoekse ambitie zelf aangepast. Het geheel van algemene en specifieke aannames en input resulteert in het behalen van het CO2-reductiedoel in 2030. Hieronder volgt in een aantal tabellen een overzicht van relevante algemene uitgangspunten en resultaten voor onze scenario’s. Vervolgens staan we stil bij de cijfers achter de gedefinieerde speerpunten.
Figuur 20 - Aantal inwoners en woningen in de Achterhoek 2022
2030
Inwoners
300.000
320.000
Woningen
134.796
137.855
Het ETM rekent automatisch uit hoeveel CO2 er wordt uitgestoten door het gebruik van energie. Naast deze energiegerelateerde CO2 zijn er nog andere bronnen die leiden tot uitstoot van broeikasgassen (BKG). Voor een groot deel is de uitstoot van overige broeikasgassen niet gerelateerd aan het gebruik van energie.
Figuur 21 - Energetische en niet-energetische broeikasgasemissies
Van de totale benodigde energiebesparing moet ca. 55% in de gebouwde omgeving worden gerealiseerd. Hiermee is het aandeel van deze sector in de totale CO2-reductie (gerelateerd aan de energievraag) in de Achterhoek ca. 40%.
Figuur 22 - Energievraag (TJ) en energetische CO2-emissie (KT) per sector in de Achterhoek Iedere sector draagt bij aan (energetische) CO2-emissiereductie, maar gebruikt niet per se minder energie (industrie en landbouw). Dit is mogelijk omdat het aandeel duurzaam in de energiemix toeneemt. Energievraag (TJ)
CO2-emissie (KT)
2022
2030 verschil
2022
2030 verschil
Huishoudens
7497
6403
1094
412
258
154
23%
Gebouwen
4410
3639
771
181
63
118
18%
Industrie
5848
6136
-288
423
228
195
30%
Mobiliteit
8016
6203
1813
560
409
151
23%
Landbouw
932
932
0
73
36
37
6%
Totaal Achterhoek
26703
23312
3391
1649
994
655
100%
14
aandeel
Het scenario Achterhoek 2030 is hier te raadplegen: https://energytransitionmodel.com/saved_scenarios/14783. Het scenario Achterhoek 2022 (de foto van nu) staat hier: https://energytransitionmodel.com/saved_scenarios/14430. 15 https://klimaatmonitor.databank.nl/dashboard/dashboard
23
Hieronder (nogmaals) een samenvatting van de RES-opgave voor grootschalige duurzame opwek in de Achterhoek in 2030 en wat daarin op dit moment is gerealiseerd.
Figuur 23 - Duurzame energie opwekking (TJ) in de Achterhoek 2022
2030
Zon op dak
570
1.260
Wind
576
1.966
Zon op land
236
756
Niet-gealloceerd
Totaal Achterhoek
878 1.382
4.860
Speerpunten van de gemeenten Er zijn veel thema’s in de fysieke leefomgeving die invloed hebben op de energietransitie en de doelstellingen hierin en dus ook veel onderwerpen, keuzes en knoppen die in het ETM moeten worden ingevuld. In dit uitvoeringsprogramma ligt de focus op de sectoren gebouwde omgeving en elektriciteit. Voor de andere sectoren volgen we de landelijke trends die zijn opgesteld in de Energie en Klimaatverkenning (KEV)16. De gemeenten zetten in op 7 speerpunten in 2 categorieën:
Categorie Besparing
Energiebesparing in de gebouwde omgeving: verlagen van de vraag naar energie, met name aardgas.
1. 2. 3. 4.
Huishoudens – isolatie: het isoleren van woningen. Huishoudens – verwarming: vervangen HR-combiketel door hybride luchtwarmtepomp in woningen. Huishoudens - zon-pv: zonnepanelen op daken van woningen. Gebouwen - besparing.
Categorie Opwekking
Opwekking duurzame elektriciteit volgens RES-afspraken: vergroten aanbod hernieuwbare energie in eigen regio.
5. Zon op gebouwen - Grootschalig zon-pv op daken van (bedrijfs)gebouwen. 6. Wind. 7. Zon op veld - Grootschalige zonnevelden. We lichten per onderdeel toe hoe we met het ETM tot de getallen zijn gekomen die in deze RU23 beschreven zijn.
1. Huishoudens - isolatie Isolatie drukken we uit in TJ bespaard t.o.v. het warmteverbruik in 2018. In ETM kun je met een schuifje het percentage warmtereductie instellen voor vijf verschillende type woningen. Hiermee bepaal je hoe goed de woningen gemiddeld geïsoleerd zijn (voor zowel oud- als nieuwbouw). In 2022 varieert de warmtevraagreductie tussen de 13% en 22% waardoor ongeveer 117 TJ is bespaard in de Achterhoek t.o.v. 2018. In het 2030 scenario varieert de warmtevraagreductie tussen de 22% en 31%, afhankelijk van het type woning. De besparing als gevolg van extra woningisolatie komt dan neer op 623 TJ besparing van 2022 tot en met 2030.
16
https://www.pbl.nl/kev
24
Als we ervan uit gaan dat woningen die isoleren gemiddeld een labelstap zetten van C naar B, dan is dit vergelijkbaar met 15,5 GJ17 besparing per woning. Het besparingsdoel van 623 TJ laat zich hiermee vertalen naar ruim 40.000 woningen in de Achterhoek. Deze berekening wordt toegelicht in figuur 24.
Figuur 24 - Toelichting energiebesparing per labelstap voor een gemiddeld huishouden Bron Gem. woonoppervlak
53 m2 per persoon
www.cbs.nl/nl-nl/achtergrond/2018/22/woonoppervlakte-in-nederland
Gem. omvang huishouden
2,3 personen per huishouden
ETM
Gem. woningoppervlak
123 m2 per woning
(53 x 2,3)
Besparing per labelstap
35 kWh per m2 per jaar
www.easyswitch.nl/gemiddeld-energieverbruik/
Gem. besparing
Isolatiedoel
4.305 kWh per jaar per woning
(4.305 x 0,0036)
15,5 GJ per jaar per woning 623 TJ besparing
ETM
40.193 woningen
(623 / 15,5)
36.647 woningen
(623 / 17)
2. Huishoudens - verwarming We verwachten dat in de regio Achterhoek tot 2030 vooral wordt ingezet op individuele hybride warmtepompen. Met name omdat in 2026 een hybride warmtepomp de standaard wordt18. Omdat de levensduur van een cv-ketel gemiddeld 15 jaar19 is, zal tot en met 2030 ongeveer een kwart (4/15) van de cv-ketels worden vervangen door een warmtepomp. Daarom is in ETM de aanname gedaan dat 25% van de woningen een hybride warmtepomp heeft in 2030. Dit komt overeen met ongeveer 35.000 woningen. Tot en met 2030 levert dit een besparing van 448 TJ. Uiteraard daalt met name het aardgasgebruik. Het gebruik van omgevingswarmte en elektriciteit stijgt echter.
Figuur 25 - Hoe worden onze woningen verwarmd (% van huizen)? 2022
2030
HR combiketel (gas)
85,0%
62,3%
Luchtwarmtepomp
0,4%
1,5%
Hybride luchtwarmtepomp (gas)
2,3%
25,0%
Houtpelletkachel
7,2%
7,2%
Overig (gasketel, elektrisch, etc.)
5,1%
4,0%
3. Huishoudens - zon-pv ETM maakt onderscheid tussen zon-pv op woningen en op gebouwen. Voor het gemak beschouwen we woningen als kleine daken (<15 kWp) en andere gebouwen (niet-woningen) als grote daken (>15 kWp) relevant voor het RES-doel voor zon op gebouwen. Het vermogen aan zon-pv op woningen en gebouwen in kW wordt bijgehouden in de Klimaatmonitor. Dit rekenen we om in TJ door uit te gaan van 867 vollasturen. Volgens de laatste cijfers van het CBS was het geïnstalleerd vermogen van zonnepanelen op woningen in de Achterhoek 197.105 kW in 2022. Dat komt overeen met 615 TJ productie. In het ETM is echter gerekend met 469 TJ 20 omdat tijdens de berekeningen met het ETM deze CBS cijfers nog niet bekend waren. Voor het 2030 scenario in ETM stel je het percentage van het potentiële dakoppervlak in waar je zonnepanelen wil installeren. In combinatie met een zonnepaneelefficiëntie van 22% ofwel 352 Wp per paneel (begrippenkader RES21) in 2030 resulteert dit in een bepaald vermogen. Voor zon-pv op woningen volgen we de trend zoals aangegeven in de KEV. De KEV schetst een benutbaarheid van 16% van het dakpotentieel op woningen (was 8,4% in 2022). Dat leidt tot 1.196 TJ productie uit zon-pv in 2030.
17
https://www.energielabel.nl/woningen/energielabel-uitgelegd/ https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2022/05/17/hybride-warmtepomp-de-nieuwe-standaard-vanaf2026#:~:text=Het%20kabinet%20kondigt%20vandaag%20aan,overstappen%20op%20een%20duurzamer%20alternatief 19 https://www.essent.nl/kennisbank/verwarming/hoe-werkt-een-verwarmingsinstallatie/levensduur-cv-ketel 20 https://klimaatmonitor.databank.nl/dashboard/dashboard/details-zon-en-wind 21 https://regionale-energiestrategie.nl/Nieuws/2202909.aspx?t=Begrippenkader-RES-data-optelbaar-en-vergelijkbaar-maken 18
25
4. Gebouwen - besparing We veronderstellen dat de ontwikkelingen met betrekking tot verduurzaming en verwarming in gebouwen de landelijke trends (KEV) volgen. De isolatie van gebouwen zoals kantoren, scholen, winkels, ziekenhuizen en horeca verschilt sterk. De gemiddelde isolatiegraad van gebouwen neemt toe (label B / A) waardoor de totale warmtevraag voor verwarming van de gebouwen gemiddeld bijna 60% lager is dan een gemiddeld slecht geïsoleerd gebouw. Daarnaast wordt een deel van de HR combiketels op gas vervangen zodat in 2030 12,5% van de warmtevraag in gebouwen door hybride warmtepompen wordt verzorgd.
5. Zon op gebouwen ETM maakt onderscheid tussen zon-pv op woningen en op gebouwen. Voor het gemak beschouwen we woningen als kleine daken (<15 kWp) en andere gebouwen (niet-woningen) als grote daken (>15 kWp) relevant voor het RES-doel voor zon op gebouwen. Het vermogen aan zon-pv op woningen en gebouwen in kW wordt bijgehouden in de Klimaatmonitor. Dit rekenen we om in TJ door uit te gaan van 867 vollasturen. In 2022 is de productie van zonnepanelen op gebouwen 570 TJ. Voor het 2030 scenario in ETM stel je het percentage van het potentiële dakoppervlak in waar je zonnepanelen wil installeren. In combinatie met een zonnepaneelefficiëntie van 22% ofwel 352 Wp per paneel (begrippenkader RES) in 2030 resulteert dit in een bepaald vermogen. Voor (grootschalige) zon-pv op gebouwen volgen we het RES-bod van 1.260 TJ. Dit wordt in ETM bereikt bij een benutbaarheid ca. 25% van het dakpotentieel op gebouwen (was 15% in 2022).
6. Wind In RES1.0 is afgesproken dat de Achterhoekse gemeenten in totaal 0,546 TWh wind op land realiseren in 2030. Dit is 1.966 TJ en als zodanig als voorwaarde in het ETM opgenomen (in het ETM moet het vermogen in MW worden ingevoerd; dat is 202 MW bij 2.700 vollasturen).
7. Zon op veld Ook voor de categorie grootschalige zonnevelden is het RES-bod van de regio Achterhoek leidend. De opgave is 0,210 TWh in 2030, omgerekend 756 TJ. Daarnaast is in het ETM ook het niet gealloceerde deel uit de RES opgenomen als zon op veld om de totale RES1.0 opgave door te kunnen rekenen (in het ETM bestaat ‘niet-gealloceerd’ niet). In totaal is daarom 524 MW (bij 867 vollasturen) aan zon op veld ingevoerd in het 2030-scenario.
26
Bijlage B – Definities en vuistregels Energiemix en netwerkefficiëntie Een streven naar een adequate energiemix betekent dat een verhouding van zon en wind van een-op-een in opgesteld vermogen moet worden nagestreefd. Via de bedrijfstijd (vollasturen) vertaalt zich dat tot een gewenste zon-windverhouding van 1 op 3 op het niveau van onderstations.
Opwekking met zon en wind Kleinschalige zon-pv tot 15 kW piekvermogen wordt gezien als een vorm van besparing vanuit de veronderstelling dat de geproduceerde stroom direct wordt gebruikt en gebruik maakt van salderen. Het gaat bij 15 kWp om ca. 40 panelen op een kleinverbruik aansluiting, ofwel ca. 70 m2 dakoppervlak. Voor de omrekening van geïnstalleerd vermogen naar productie van elektriciteit gaan we uit van 867 vollasturen (conform ETM). Bij de berekeningen voor windenergie gaan we uit van een grote turbines (wtg = wind turbine generator) met een vermogen van 5,5 MW per stuk. Bij gemiddeld 3000 vollasturen per jaar wekt 1 turbine 16.500 MWh per jaar op (ofwel 59,4 GJ). Voor zonneparken veronderstellen we dat ca. 12 MW kan worden geïnstalleerd op 10 ha. Bij gemiddeld 867 vollasturen per jaar kan hiermee 10.404 MWh per jaar worden opgewekt (37,45 GJ).
Omrekeningen van eenheden Een standaard definitie in energie is 1 kWh = 3,6 MJ, want 1 Watt = 1 Joule per seconde, dus ook 1 kW = 1 kJ/s. Daarom geldt 1 kWh = 1 kW per uur = 1 kJ/s per 3600 seconden = 3600 kJ = 3,6 MJ.
Omrekentabel Naar kWh
MWh
MJ
GJ
TJ
1 1000 0,278 278 277778
0,001 1 0,000278 0,278 278
3,6 3600 1 1000 1000000
0,0036 3,6 0,001 1 1000
0,0000036 0,0036 0,000001 0,001 1
Van kWh MWh MJ GJ TJ
Voor Nederlands aardgas hanteren we de vuistregel (dus geen definitie maar ronde getallen) 1 m3 ≈ 10 kWh. Uitgangspunt hierbij is de verbrandingswaarde (bovenwaarde) van Groningen gas van 35,17 MJ per m3. Dus 35,17 MJ delen door 3,6 MJ ≈ 10 kWh (en 1 TJ ≈ 30.000 m3 aardgas).
Betekenis en afkorting van eenheden kilo Mega Giga Tera Peta
Een
1
Watt
Wattuur
Joule
Duizend Miljoen Miljard Biljoen Biljard
1000 10002 10003 10004 10005
kW MW GW TW PW
kWh MWh GWh TWh PWh
kJ MJ GJ TJ PJ
27
Bijlage C – Indicatieve verdeling per gemeente De ETM-berekeningen en cijfers in deze RU23 hebben betrekking op de Achterhoek, dus de 8 gemeenten, als geheel. Er zijn in deze RU23 geen doorrekeningen gemaakt voor individuele gemeenten. Gemeenten vinden het echter wel fijn om te weten waar ze in hun gemeente aan toe zijn, hoewel uiteindelijk de lokale doelstellingen en het lokale beleid leidend zijn. In deze bijlage geven we aan waar de individuele gemeenten nu staan met betrekking tot de 2 categorieën en 7 speerpunten. De Achterhoekse doelen zijn daarom relatief gemaakt naar het aantal inwoners per gemeente. Hiervoor zijn de gegevens van het CBS gebruikt voor 2022, zie onderstaande tabel. Hierbij past direct een disclaimer. Relatief maken met behulp van het aantal inwoners is arbitrair. Doetinchem heeft bijvoorbeeld de meeste inwoners, waardoor ook een groot deel van de opgave aan Doetinchem zal worden toegerekend. Voor de speerpunten die betrekking hebben op woningen en huishoudens heeft dat waarschijnlijk geen grote impact, maar voor gebouwen en opwekking van duurzame elektriciteit levert dat een scheve verdeling tussen gemeenten.
Inwoners aantal
Inwoners relatief
Aalten
27.100
9,0%
Berkelland
43.850
14,6%
Bronckhorst
36.077
12,0%
Doetinchem
58.546
19,5%
Montferland
36.359
12,1%
Oost Gelre
29.603
9,9%
Oude IJsselstreek
39.387
13,1%
Winterswijk
29.185
9,7%
Achterhoek
300.107
100,0%
28
Categorie 1 – Energiebesparing in de gebouwde omgeving 1 en 2 Huishoudens – isolatie en verwarming Door het isoleren van woningen en gebouwen en het toepassen van warmtepompen neemt het verbruik van aardgas af. Om een indicatie per gemeente te krijgen kijken we daarom naar het aardgasverbruik. Verbruiksgegevens (temperatuur gecorrigeerd) per gemeente komen uit de Regionale Klimaatmonitor. Deze zijn beschikbaar over het jaar 2021. Verbruiken in 2022 en 2030 voor de Achterhoek komen uit ETM en staan in figuur 19. Het totaalverbruik in 2022 is per gemeente relatief gemaakt op basis van de verdeling van het verbruik in 2021. Het 2030 doel is relatief gemaakt naar het aantal inwoners per gemeente. De figuur laat per gemeente zien wat het totale aardgasverbruik door huishoudens was in 2022 en wat het zou moeten zijn in 2030 volgens de opgave zoals gedefinieerd in speerpunten 1 en 2. Het verschil tussen de twee balkjes geeft dus aan hoeveel het jaarverbruik van aardgas zou moeten dalen.
29
3 Huishoudens – zon-pv Het geïnstalleerd vermogen van zon-pv bij huishoudens in 2022 is per gemeente beschikbaar via de Regionale Klimaatmonitor. Het 2030 doel is relatief gemaakt naar het aantal inwoners per gemeente. De figuur geeft per gemeente de huidige productie van zonnestroom door huishoudens en wat er tot 2030 nog bij moet komen volgens speerpunt 3.
4 Gebouwen – besparing Door het isoleren van gebouwen en het toepassen van warmtepompen neemt het verbruik van aardgas af. De bronnen en berekeningswijze voor gebouwen zijn hetzelfde als bij huishoudens (speerpunten 1 en 2). De figuur laat per gemeente zien wat het totale aardgasverbruik in gebouwen was in 2022 en wat het zou moeten zijn in 2030 volgens de opgave voor speerpunt 4. Het verschil tussen de twee balkjes geeft dus aan hoeveel het jaarverbruik van aardgas zou moeten dalen.
30
Categorie 2 - Opwekking duurzame elektriciteit Gegevens over de realisatie van grootschalige duurzame elektriciteit per gemeente komen uit hoofdstuk 5 en komen voor zon op gebouwen en wind overeen met de RES-monitor 2023 (de pijplijn is niet meegenomen). Om het RES-doel in 2030 per gemeente te bepalen voor zon op gebouwen, zon op veld en het niet gealloceerde deel is gebruik gemaakt van de relatieve verdeling op basis van inwoners. Echter, voor wind is de verdeling gebruik volgens de RES-afspraken (zie ook Figuur 14 in hoofdstuk 5). De figuur hieronder geeft per gemeente de op dit moment gerealiseerde opwekking in TWh van zon op gebouwen, wind en zon op veld. De witte balkjes met de gegevens daarin geven aan hoeveel iedere gemeente nog indicatief moet opwekken om aan het RES-doel in 2030 (inclusief het niet gealloceerde deel) te voldoen als we dat zouden relateren aan het aantal inwoners. De RES is echter regionaal en niet te verdelen per gemeente. Bovendien is het niet logisch om de verdeling te maken op basis van het aantal inwoners. De figuur is dus slechts indicatief voor de verdeling over de gemeenten. Voor de speerpunten 5, 6 en 7 (zon op gebouwen, wind en zon op veld) afzonderlijk is daarom geen verdeling over gemeenten gemaakt. De RES-monitor 2023 is leidend en geeft de relevante informatie.
31
Regionaal Uitvoeringsprogramma deel 2 Hoe werken we aan het Akkoord van Groenlo
De Achterhoek D’ran, samen in de energietransitie Versie: Final concept Versie datum: 20 december 2023
Samenvatting Het akkoord van Groenlo 3.0 is in het voorjaar van 2023 door alle Achterhoekse raden omarmd. Het voorliggende document, het Regionaal Uitvoeringsprogramma deel 2, is bedoeld om de samenwerking in de energietransitie in de Achterhoek te borgen. Deel 1 richtte zich op de inhoud en cijfers om een energieneutrale Achterhoek in 2050 te bereiken. Deel 2 gaat over hoe we deze doelen bereiken, over de governance en capaciteit. We gaan door en ontwikkelen onszelf. De huidige samenwerking gaan we meer formaliseren en opschalen om de regionale samenwerking te versterken. We gaan uit van de bestaande samenwerking in het Akkoord van Groenlo en de RES Achterhoek. Het regionale uitvoeringsprogramma en het RES programma hebben elk hun eigen governance en scope. Het Rijk voorziet ook regionale samenwerking in de lokale warmtetransitie. Ook hiervoor zetten we niet iets nieuws op, maar passen onze samenwerking op aan. De samenwerking is een informele netwerkorganisatie van gemeenten, werkend aan een gezamenlijk doel. De werkstructuur bestaat uit het Bestuurlijk Afstemmingsoverleg Duurzaamheid (BOA Duurzaamheid), het overleg van gemeentelijke duurzaamheidscoördinatoren en regionale werkgroepen. In deze overleggen nemen we gemandateerd besluiten en/of bereiden we besluitvorming voor voor een beslissend orgaan.
De RES Achterhoek valt niet onder deze beschrijving van de regionale samenwerking, maar wordt in dit document wel meenomen om de samenhang weer te geven.
2
Voorwaarden die wij organiseren voor een goede regionale samenwerking zijn: - Professioneel programmatisch werken: Samenhangende activiteiten om de doelen te bereiken, met de inzet van middelen, capaciteit en kwaliteit. - Commitment in capaciteit: Gemeenten stellen capaciteit beschikbaar voor programmataken, uitvoeringsactiviteiten en gemeentelijke besluitvorming. - Werk verdelen en compenseren: De werkzaamheden worden verdeeld en gecompenseerd op basis van wederkerigheid en vertrouwen. - Beschikbaar budget: Gemeenten stellen voldoende middelen beschikbaar stellen voor regionale activiteiten. - Planning en evaluatie: Het uitvoeringsprogramma wordt elke 2 jaar herijkt, en er is regelmatig bestuurlijk overleg. Het ‘dagelijkse’ werk sturen we via jaar- en projectplannen.
3.3.
Werk verdelen, monitoren en compenseren ......................... 12
Samenvatting ......................................................................................... 2
3.4.
Beschikbaar budget............................................................... 12
Inhoudsopgave....................................................................................... 3
3.5.
Planning en evaluatie ............................................................ 12
Inhoudsopgave 1.
2.
Aanleiding ...................................................................................... 4 Waarom deel 2........................................................................ 4
4.1.
Programma-uitvoering ........................................................... 15
1.2.
Doorgaan en doorontwikkelen ................................................ 4
4.2.
Programma aansturing .......................................................... 15
1.3.
Samenhang met RES Achterhoek.......................................... 5
4.3.
Programma effecten .............................................................. 15
1.4.
Een regionale structuur lokale warmtetransitie? .................... 5
4.4.
Programmamensen ............................................................... 15
1.5.
Samen d’ran............................................................................ 5
4.5.
Input ....................................................................................... 15
Hoe de Achterhoek samenwerkt ................................................... 6
4.6.
Huidige werkgroepen (november 2023) ................................ 15
2.1.
Regionaal samenwerken, wat is dat? ..................................... 6
2.2.
Wanneer werken we samen? Wanneer niet? ........................ 7
2.2.1.
Wat we nu al samendoen, zetten we voort ..................... 7
2.2.2.
Kiezen over nieuwe ontwikkelingen ................................ 7
2.2.3.
Wat zijn dan nieuwe ontwikkelingen? ............................. 8
Het sturen van de samenwerking ........................................... 8
2.3.1.
Het Bestuurlijk afstemmingsoverleg duurzaamheid ....... 8
2.3.2.
Duurzaamheidscoördinatoren-overleg............................ 8
2.3.3.
Regionale werkgroepen .................................................. 9
2.4.
3
Wat we doen, in een overzicht ..................................................... 14
1.1.
2.3.
3.
4.
RES Achterhoek ..................................................................... 9
Voorwaarden voor samenwerking ............................................... 11 3.1.
Professioneel programmatisch werken ................................ 11
3.2.
Commitment in capaciteit ..................................................... 11
1. Aanleiding
1.2. Doorgaan en doorontwikkelen
Het akkoord van Groenlo 3.0 is in het voorjaar van 2023 door alle Achterhoekse raden omarmd. In het Regionale uitvoeringsprogramma deel 1, staat de opgave beschreven om gezamenlijk te komen tot een energieneutrale Achterhoek in 2050. De focus van deze samenwerking richt zich op het beperken van de vraag naar energie bij woningen (huishoudens) en gebouwen (niet- woningen) en een toename van de duurzaam opgewekte energie zoals wind, zon en zon op dak (figuur 7 uit deel 1). Deze focus betreft het deel waar wij als overheden het meeste invloed op hebben.
De huidige manier van samenwerken is het uitgangspunt. We verzinnen niet iets nieuws, maar maken juist expliciet wat we al doen.
1.1. Waarom deel 2
"We leggen de doelstellingen en activiteiten waar we op inzetten vast in een uitvoeringsprogramma met streefcijfers en met een tijdshorizon tot telkens 10 jaar vooruit. We monitoren de voortgang in een gezamenlijk proces en herijken het uitvoeringsprogramma iedere twee (2) jaar.”
Het doel van het Regionale uitvoeringsprogramma deel 2 is om te borgen hoe wij als gemeenten samenwerken aan deze focus. We beschrijven daarbij de aansturing van het programma (governance) en de inzet van middelen, capaciteit en kwaliteit om te komen tot meetbare effecten, gerelateerd aan de gezamenlijke doelstelling.
4
Dat wil niet zeggen dat alles bij hetzelfde blijft. Door formaliseren van de manier van samenwerking vindt een opschaling plaats van uitvoeringscapaciteit ten behoeve van de regionale focus. De samenwerking zal professionaliseren door programmatisch en projectmatig te werken. En gaan we onszelf strakker houden aan de afspraken. Want onze afspraak uit het Akkoord van Groenlo is (2023):
1.3. Samenhang met RES Achterhoek
1.4. Een regionale structuur lokale warmtetransitie?
Onze ambitie voor grootschalige opwek borgen wij via de RES Achterhoek. De RES heeft dezelfde regionale doelstelling voor 2030 als het Akkoord van Groenlo en geeft daarmee grotendeels invulling aan het programma Opwekken van de Regionale Uitvoeringsagenda. De RES kent haar eigen besluitvormingsstructuur en programma, dit vanwege de wettelijke taken, verantwoordelijkheden en middelen meegegeven door de Rijksoverheid en koepels. De RES maakt op haar beurt wel deels gebruik van dezelfde uitvoeringscapaciteit bij gemeenten en de RES heeft een directe invloed op datgene wat gedaan moet worden ten aanzien van de bespaaropgave.
De Rijksoverheid heeft aangekondigd dat ook separaat ondersteuning volgt om regionaal samen te werken aan het uitvoeren van de warmtetransitie. Daaronder vallen de transitievisies warmte en het maken en uitvoeren van warmte uitvoeringsplannen. Op het gebied van warmtebesparing werken we al nauw samen. En de Regionale Structuur Warmte is opgenomen in onze RES Achterhoek.
We zien hier kansen voor optimalisatie. Onderdelen van onze professionalisering zijn 1) de samenhang borgen op programmaniveau tussen RES en RU, en 2) meer afstemming en efficiëntie in de uitvoering van de werkgroepen.
De Rijksoverheid komt met een Specifieke Uitkering (SPUK) regionale structuur Nationaal Programma Lokale Warmtetransitie. Het Regionale uitvoeringsprogramma (deel 1 & deel 2) en de voortgangsrapportage RES zijn de basis van onze gezamenlijke aanvraag voor deze SPUK. Daarmee gaan we de warmtebesparing bij inwoners en organisaties via bestaande aanpakken intensiveren en kunnen we de mogelijkheden verkennen voor regionaal schaalvoordeel bij onze transitievisies warmte, wijkaanpakken, en infrastructuur zoals warmteen koudenetten.
1.5. Samen d’ran Met het opleveren van het Akkoord van Groenlo, en het regionale uitvoeringsprogramma (delen 1 en 2) sluiten we een intensieve periode van herijking. We hebben teruggeblikt op de periode vanaf 2009. En momentopname gemaakt waar we nu staan. We hebben de speerpunten voor 2030 en de capaciteit en middelen om voortvarend door te gaan.
5
2. Hoe de Achterhoek samenwerkt Samenwerking 3.0 Al sinds 2009, ver voor het nationale klimaatakkoord, werkt de Achterhoek samen aan de energietransitie. Het gezamenlijke proces is toen moedig van start gegaan, zonder al een duidelijke route voor ogen te hebben. We stonden zeker in het begin sterk onder invloed van de vele verschillende (tegen)windrichtingen zoals verantwoordelijkheid, betrokkenheid, politiek draagvlak, tijd en geld. Het Akkoord van Groenlo heeft zich de afgelopen jaren steeds verder ontwikkeld. Van het eerste akkoord in 2009 tot het Akkoord van Groenlo 3.0 in 2023. We krijgen een steeds beter beeld van de opgave met het eindpunt in 2050 en het tussendoel voor 2030. En hoe we regionaal samenwerken op deze doelen te halen.
2.1. Regionaal samenwerken, wat is dat?
De energietransitie bevat een veelheid aan activiteiten die we, door de vele ontwikkelingen en onzekerheden, steeds zullen blijven aanpassen. Inhoudelijk zullen speerpunten, programma’s en werkgroepen zich door de jaren heen aanpassen aan de innovaties in de energietransitie. In de samenwerking houden we de flexibiliteit om per activiteit af te wegen of we er samen in optrekken en welke mate. Samenwerken neemt dus verschillende vormen aan. We onderscheiden de volgende 5 manieren van samenwerking: 1. We informeren elkaar. We wisselen kennis uit. Over een ontwikkeling in de eigen gemeente, of informatie van andere overheden. Lessen uit pilots en onderzoeken delen we, zodat we niet 8 keer het wiel opnieuw uitvinden. Voorbeeld: warmte-coördinatoren overleg; kennissessies. 2. We geven elkaar advies. We houden veelal eigen gemeentelijke regelingen. We evalueren en reflecteren daar samen op. Wat kunnen we leren van elkaars onderbouwing en inrichting? Voorbeeld: maatregelenlijst TBW-lening; gemeentelijke regelingen.
Dit is wat we hebben afgesproken in het akkoord van Groenlo: • • • •
6
Wij willen de energietransitie aanjagen, stimuleren en de juiste voorwaarden scheppen. We bundelen de krachten en zetten in op ieders talenten en kwaliteiten. We juichen toe dat individuele gemeenten naast het uitvoeringsprogramma meer en ook andere activiteiten ontplooien. We pakken vraagstukken waar regionale samenwerking een meerwaarde heeft samen op.
3. We werken voor elkaar. We stellen expertise, capaciteit en kwaliteit beschikbaar voor een regionaal resultaat. Dit kan ambtelijk, bestuurlijk en gemeentelijk zijn. Voorbeeld: voorstel DAEB-regeling, opgave duurzame opwek 4. We bundelen ons beleid. Dit doen we om regionale aanpakken te faciliteren. In de uitvoering zit wel ruimte voor een eigen gemeentelijke uitvoering. Voorbeeld: Aanjaagfonds, Duurzaam Ondernemerscentrum
5. We werken als één geheel. Dit is de meest betrokken manier van samenwerken. De Achterhoek treedt op als één overheid, opdrachtgever, of entiteit. Voorbeeld: AGE bv, coöperatie Energieloket Achterhoek. Deze manieren van samenwerking zijn in de praktijk niet zo hard afgebakend. En ze wisselen elkaar soms af of doen we tegelijkertijd. Daarnaast hebben we de ruimte niet alle acht hetzelfde te kiezen en te doen. Het is wel van belang om bij beslismomenten en in werkgroepen hierbij stil te staan en bewust een manier van samenwerking af te spreken.
2.2. Wanneer werken we samen? Wanneer niet? 2.2.1. Wat we nu al samendoen, zetten we voort We werken sowieso al samen, bestuurlijk en ambtelijk; in bestaande werkgroepen; en op al gekozen onderwerpen. Dit is onze basis. De opgave is groot en vraagt van ons een consequente en efficiënte regionale samenwerking, dat zetten we voort. De focus waarop we samenwerken staat in deel 1 van het Regionale Uitvoeringsprogramma. De praktische uitwerking in werkgroepen staat in het volgende hoofdstuk.
2.2.2. Kiezen over nieuwe ontwikkelingen Ons programma is niet statisch, we moeten ruimte op de agenda hebben voor nieuwe ontwikkelingen. We hebben te maken met veranderende omstandigheden en met onzekerheid over wat er concreet aan werk op ons afkomt. Een doorkijk hebben we wel, namelijk in de variantentabel van opgesteld door RHDHV als bijlage
7
van het Akkoord van Groenlo 3.0. En ook vanuit het Rijk komen regelmatig taken en opgaves onze kant op. Samenwerken kan goed bijdragen aan efficiënte uitvoering. We zijn als afzonderlijke gemeenten te klein om alle nieuwe ontwikkelingen bij te houden. Gezamenlijk kan dat wel. We hebben een samenwerking nodig waarbinnen we nieuwe activiteiten kunnen agenderen en oppakken, naar aanleiding van bijvoorbeeld: 1. 2. 3. 4.
Een (externe) partner met een goed idee; (Veranderend) beleid bij hogere overheden; Goede ideeën van een van de gemeente zelf; Onze eigen monitoring en evaluaties.
We spreken hiervoor de volgende werkwijze af: Nieuwe ontwikkelingen agenderen we eerst ambtelijk in het Ducooverleg. Daarin stellen we vast: • de bijdrage aan de regionale doelstelling • de meerwaarde van samenwerking • de passende manier van samenwerking • de kartrekkende ambtenaar en regionale werkgroep, of doorgeleiden naar het RES programma • het moment en wijze van agendering in het BAO (informerend, consulterend, richtinggevend). De ambtelijk kartrekker is als voorzitter van de werkgroep verantwoordelijk om capaciteit, expertise en geld te organiseren. De programma-secretaris (zie paragraaf 2.3.2) heeft hierbij een faciliterende rol.
2.2.3. Wat zijn dan nieuwe ontwikkelingen?
2.3.1. Het Bestuurlijk afstemmingsoverleg duurzaamheid
De huidige samenwerking in uitvoering is een momentopname. We houden ruimte en flexibiliteit om het programma en de werkgroepen aan te passen. We houden een lijst bij van ontwikkelingen die we op ons af zien komen, de Ontwikkelagenda. Of en hoe we de onderwerpen van de ontwikkelagenda concreet onderdeel maken van onze uitvoering is onderdeel van het onderzoek binnen de ontwikkelagenda.
Het BAO is het overleg van de acht gemeentelijke portefeuillehouders Duurzaamheid. Het BAO is aanspreekbaar voor het regionale deel van de klimaatopgave, afgebakend via het Akkoord van Groenlo, uitgezonderd het RES Achterhoek deel. Elke portefeuillehouder heeft voldoende mandaat en ruggenspraak met het eigen college om besluiten te nemen in het BAO. De agenda van het BAO delen we ter kennisgeving met de Achterhoekse colleges. We noemen het BAO duurzaamheid, om bij gelegenheid ook aanpalende onderwerpen (bijvoorbeeld: circulariteit; niet-energetische broeikasgassen) af te stemmen, maar de primaire inhoudelijke focus en uitvoering ligt op het Akkoord van Groenlo.
2.3. Het sturen van de samenwerking De samenwerking is tussen acht zelfstandige gemeenten is gebaseerd op wederzijds vertrouwen en gelijkluidende intenties en is bestendigd met het raadsbesluit over het Akkoord van Groenlo. Het ‘besturen’ van het Akkoord van Groenlo betekent dat we sturing geven aan een informele netwerkstructuur. Het bestuurlijk afstemmingsoverleg duurzaamheid (BAO) en het overleg van duurzaamheids-coördinatoren (Duco-overleg) hebben geen formele bestuursrechtelijke status. Tegelijkertijd zijn het wel de beslis- en uitvoeringskracht van de samenwerking. Vanwege dit informele karakter willen we helderheid geven over de governance: de verdeling van verantwoordelijkheden, rollen, taken en verantwoording. Overigens, de RES Achterhoek heeft haar eigen werk- en beslisstructuur waarin we als Achterhoek samenwerken met ook andere overheden en partners. Voor de volledigheid beschrijven wij deze in paragraaf 2.4.
8
Het BAO is het richtinggevende gremium van de samenwerking, wel in de wetenschap dat de richting van het BAO pas formeel in werking treedt na besluitvorming door een beslissingsbevoegd orgaan. Dit kan een ALV, AvA, het college van B&W of een ambtelijk budgetbeheerder zijn. Het BAO kiest haar voorzitter uit een van de portefeuillehouders. Het BAO wordt ambtelijk ondersteund bij het inhoudelijk opstellen van de agenda door afgevaardigde van het duco-overleg, in de rol van BAOsecretaris.
2.3.2. Duurzaamheidscoördinatoren-overleg Het DUCO is het overkoepelend regionale ambtelijke overleg over de klimaatopgave en de energietransitie. In het DUCO zitten in ieder geval de acht beleidsambtenaren van elke gemeente. Dit zijn de ambtenaren die de eerste adviseur zijn van het bestuur en de wethouder op het
beleidsthema Energietransitie. Het DUCO is opdrachtnemer en adviseur van het BAO. En zo eerste aanspreekpunt voor de uitvoering van het regionale uitvoeringsprogramma en het adviseren over voorstellen. Het DUCO bereidt de agenda van het BAO voor en geeft deze mee aan de BAO-secretaris. Elke Duco heeft voldoende mandaat, doorzettingsmacht, begrotingsruimte, tijd en de capaciteiten te hebben om werkzaamheden uit te voeren en te delegeren. Het DUCO wijst haar eigen voorzitter aan. Deze is verantwoordelijk voor de agenda en het bewaken dat de hoofdlijnen van het Duco-overleg toewerken naar de doelen van het Regionale uitvoeringsprogramma. Het Duco-overleg wijst ook een programma-secretaris aan. Deze ondersteunt het Ducooverleg en de voorzitters van de werkgroepen bij uitvoering en bij de monitoring van de samenwerking. Het Duco-overleg is de ambtelijk opdrachtgever voor regionale werkzaamheden. De werkzaamheden worden in de vorm van een opdracht (actie, taak, project, of proces) toegewezen aan een regionale werkgroep. Werkgroepen rapporteren periodiek aan het Duco-overleg over voortgang en resultaten.
2.3.3. Regionale werkgroepen Een werkgroep is opdrachtnemer van het Duco-overleg en is verantwoordelijk voor het afronden van toegewezen opdrachten. Elke werkgroep wijst een voorzitter en secretaris aan. De voorzitter is verantwoordelijk voor het organiseren van benodigde mensen en middelen. En voor de aansturing, opstellen en versturen van stukken en rapportage uit de werkgroep. De secretaris maakt de agenda &
9
actie-lijst van de werkgroep. Elke werkgroep heeft daarnaast een bestuurlijk kartrekker afgevaardigd uit het BAO. De voorzitter stelt de werkgroep samen met mensen die relevante expertise en affiniteit hebben. Dit kunnen mede-duco’s zijn, maar vooral ook gemeentelijke collega’s van andere beleidsterreinen (bijvoorbeeld wonen, economische zaken, sociaal domein) of vakgebieden (bijvoorbeeld financiën, juridisch, ruimtelijke ordening). Een werkgroep werkt nauw samen met externe uitvoerende partijen (bijvoorbeeld EnergieSamen/Groenfonds, Agem Energie Experts, SIKA) op basis van een opdrachtgever-opdrachtnemer verhouding.
2.4. RES Achterhoek De RES heeft haar eigen werkstructuur. Het rijk en de koepels (IPO, VNG, Unie van Waterschappen) zijn de opdrachtgevers. De RES regio’s worden daarbij gefaciliteerd door NP RES. De portefeuillehouders Ruimtelijke ordening, energietransitie en soms duurzaamheid sturen de RES Achterhoek aan via het RES Bestuurlijk Overleg. De RES regiegroep is het ambtelijk voorportaal voor het bestuurlijk overleg. De voorbereiding en de begeleiding van de uit te voeren werkzaamheden van de werkorganisatie vindt plaats in het programmateam RES. De programmamanager RES is de ‘linking pin’ in deze besluitvormingsketen. De RES Achterhoek heeft een aantal opdrachten. De uitwerking wordt ze worden intensief begeleid uitgewerkt in door het programmateam. en iIn RES werkgroepen worden een aantal specifieke taken nader uitgewerkt. Dit wordt afgestemd met de regiegroep.
Op dit moment zijn er twee werkgroepen; Ruimte en Elektriciteit. Deze werkgroepen zijn aan zet over de volgende onderwerpen:1 - Herijking RES Achterhoek 2.0 - Integraal programmeren van het regionale netwerk o Ruimtelijk spoor (zoals het planMER Windbeleid van RES Provincie Gelderland voor het borgen van windzoekgebieden in ruimtelijk en/of omgevingsbeleid) o Netimpact - Plan van aanpak zon op dak - Plan van aanpak lokaal eigendom Er is personele en inhoudelijke overlap tussen de RES Achterhoek en dit regionale uitvoeringsprogramma energietransitie. Een onderdeel van de professionaliseringsslag is om efficiëntie in inzet van mensen en middelen tussen beiden te organiseren, en een heldere afbakening.
1 Zie ook de Voortgangsrapportage 2023 RES Achterhoek.
10
3. Voorwaarden voor samenwerking Wat hebben we nodig voor onze samenwerking?
3.1. Professioneel programmatisch werken Het Regionale uitvoeringsprogramma bestaat uit samenhangende activiteiten toewerkend naar één doel, zoals geformuleerd in het Akkoord van Groenlo. Een programma is vooral ook een manier van (samen)werken aan een verandering. De activiteiten in een programma bestaat uit projecten en processen en soms ook losse taken. De activiteiten voeren we dus projectmatig of procesmatig uit. De mensen die werken binnen het programma zijn in staat om dit op regionaal niveau uit te voeren. Onze aansturing en verantwoording richt zich hier ook op in. We werken samen, met het Akkoord van Groenlo 3.0 hebben we dit nogmaals bestendigd. Deze intentie volgen we op met concrete inzet; boter bij de vis. De acht gemeenten stellen aan de samenwerking eigen middelen beschikbaar: voldoende capaciteit, de juiste kwaliteiten en passend budget. Elke gemeentelijke organisatie neemt dit ook op in de gemeentelijke begroting en rapporteert daar zelf over in haar P&Ccyclus. Zo formaliseren we ook onze inzet voor de samenwerking.
3.2. Commitment in capaciteit Welke inzet vraagt de samenwerking van ons? Het Regionaal uitvoeringsprogramma bevat drie type werkzaamheden waarvoor wij capaciteit nodig hebben.
11
1. Programmataken Dit zijn de ambtelijke werkzaamheden voor de aansturing van het regionale programma. Dit bevat de rollen: BAO-secretaris, duco-voorzitter, programma-secretaris, duco-overleg, werkgroep voorzitter, werkgroep secretaris. De voorzittersrollen bewaken de hoofdlijnen en stuurt op de doelstellingen, zij zijn verantwoordelijk voor de agenda en prioritering. De secretarisrollen zijn de rechterhand van de betreffende voorzitters, verzorgen de actie- en besluitenlijsten en ondersteunen de uitvoeringsorganisatie. 2. uitvoeringsactiviteiten De uitvoeringsactiviteiten organiseren wij via regionale werkgroepen. Deze staan verderop beschreven. Van belang is dat elke werkgroep effectief (relevante expertise en affiniteit) en efficiënt (beperkte omvang, goed delegeren) wordt bemenst. 3. Gemeente voorbereiding en afstemming Elke gemeente vaardigt een ambtenaar, de Duco, af om deel te nemen aan het regionale Duco-overleg. Deze verzorgt ook de ambtelijke voorbereiding en annotaties voor de eigen portefeuillehouder voor het BAO. Daarnaast heeft de Duco ook de taak om de regionale activiteiten intern door te voeren met besluitvorming en af te stemmen met collega’s van andere afdelingen. Op basis van ureninzet uit het verleden schatten wij in dat de programmataken en het aansturen van de werkgroepen circa 2 fte inzet vergt. Dit wordt verdeeld onder de 8 Duco’s. De uren die besteed
in de werkgroepen en interne gemeentelijke voorbereiding en besluitvorming is tijd die ook besteed zou zijn zonder regionale samenwerking.
samenwerken, kunnen we veel sneller grote stappen in de goede richting maken.
3.4. Beschikbaar budget 3.3. Werk verdelen, monitoren en compenseren De werkzaamheden verdelen we onderling, samen D’ran. Zeker bij de programmataken houden we dit bij onszelf, en beperken de inzet van externe inhuur. Maar we verdelen wel evenwichtige naar draagkracht, iedereen wil dit en doet wat hij kan. We werken samen op basis van wederkerigheid, de ene keer trekt de ene gemeente de kar, op een ander moment en onderwerp de andere. En ‘voor wat, hoort wat’, een gemeente die op een regionale taak veel inspanning pleegt, compenseren we daarvoor. We organiseren een gezamenlijke regionale programma-ondersteuning voor de praktische en organisatorische ondersteuning bij de programmataken, zoals BAO en DUCO. Voor de verdeling van werkzaamheden hanteren we niet een precieze weegschaal, maar werken op basis van vertrouwen. De Duco is de 1e beleidsadviseur voor het bestuur op het gebied van de regionale energietransitie. De regionale taken die we in te vullen hebben vragen bepaalde kwaliteiten en professionaliteit. We hebben resultaatgerichte mensen nodig met coördinerende en opdrachtgeversvaardigheden. De inzet monitoren we jaarlijks, waarbij we een verdeling (grosso modo) op basis van inwoneraantal evenwichtig achten. We starten hier in 2024 mee. En bij achterblijven van voortgang willen we geen afrekencultuur, maar horen we van elkaar wat de hulpvraag is.
Maar als het echt moet dan spreken we elkaar hier bestuurlijk en via de organisaties op aan. Alleen als we professioneel en gedisciplineerd