Raadsmededeling 171-2022 beantwoording vragen inspraakreacties m.b.t. VVGB bedrijventerrein Westrand Aalten.pdf
Tekst van het document
In een akoestisch onderzoek dient een representatieve invulling van de maximale mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt als uitgangspunt te worden genomen. Dit volgt onder meer uit de uitspraak van 4 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW0780). In het onderzoek zijn toekomstige activiteiten in het plangebied van het bedrijf van [partij] tot uitgangspunt genomen. Daarbij is gekeken naar het gebruik van de loader en de kraan, vervoersbewegingen, het lossen van containers, gebruik van de wasplaats en de weegbrug, gebruik van de zeef en puinbreker, het laden en lossen van granulaat en puin en geluid, afkomstig van opstallen. In het onderzoek is uitgegaan van de aanwezigheid van een keerwand van 6 m hoog. 13.5. In het rapport Westrand staat dat in het onderzoek is uitgegaan van geluidmetingen die zijn uitgevoerd bij bedrijven, waarbij de activiteiten in aard en omvang overeenkomen met de op het nieuwe bedrijfsterrein geplande activiteiten van het bedrijf van [partij]. Deze geluidmetingen zijn verwerkt naar bronvermogen. In overleg met [partij] is per geluidbron de bedrijfsduur geschat die wordt verwacht bij het inwerking zijn van het bedrijf. Verder is ervan uitgegaan dat het nieuwe bedrijventerrein een aansluiting krijgt via de Zomerweg op de Eerste Broekdijk. Het bestemmingsplan staat niet in de weg aan het realiseren van een aansluiting van de Zomerweg op de Eerste Broekdijk.
Voor bepaling van de maximale mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, is van belang dat het op grond van artikel 4.1 toegestane gebruik in andere planregels wordt beperkt. Het bestemmingsplan bevat specifieke gebruiksregels. In de artikelen 4.4.6 en 4.4.7 is de locatie en het gebruik van een puinbreker respectievelijk een shredder geregeld. Deze mogen alleen worden gebruikt op gronden die volgens de verbeelding een specifieke daartoe strekkende aanduiding hebben. Het breken van puin is beperkt tot ten hoogste 84 uur per kalendermaand en het gebruik van de shredder tot maximaal 1.200 uur per kalenderjaar. Verder mogen de puinbreker en de shredder alleen tussen 7.00 en 19.00 uur en niet op zonen feestdagen worden gebruikt. In artikel 4.4.5 van de planregels staat dat bedrijfsmatige activiteiten uitsluitend zijn toegestaan voor zover er niet meer geluid wordt geproduceerd dan het in bijlage 5 van de toelichting opgenomen rapport. Het rapport Westrand is als bijlage 5 opgenomen. Op de
17
zitting heeft de raad te kennen gegeven dat de verwijzing naar het rapport in ieder geval betekent dat de geluidsniveaus die zijn vermeld in de tabellen 7.1 en 7.2, niet mogen worden overschreden. In deze tabellen zijn voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en voor het maximale geluidniveau waarden in dB(A) vermeld die gelden voor specifieke woningen en zonebewakingspunten. Met artikel 4.4.5 van de planregels is zo de in het plangebied toegestane bedrijvigheid beperkt tot het gebruik waarbij wordt voldaan aan de genoemde geluidniveaus. Dat geldt zowel voor [partij] als voor andere bedrijven die zich op grond van artikel 4.1 van de planregels zonder meer kunnen vestigen in het plangebied. Gelet op wat hiervoor staat, is de Afdeling van oordeel dat ook als in het onderzoek niet zou zijn uitgegaan van een representatieve invulling van de maximale mogelijkheden, dit niet tot gevolg heeft dat feitelijk sprake zal zijn van een hogere geluidsbelasting, omdat op grond van artikel 4.4.5 van de planregels bedrijfsmatige activiteiten uitsluitend zijn toegestaan voor zover er niet meer geluid wordt geproduceerd dan waarvan in het rapport is uitgegaan. De betogen treffen geen doel. 13.6. Hierna zal de Afdeling ingaan op de overige aangevoerde gronden over het onderzoek naar geluid bij gebruik van het plangebied, die met wat hiervoor staat nog niet zijn behandeld.
- overige punten onderzoek Westrand 13.7. [appellante sub 1A] betoogt dat in het aan het rapport Westrand ten grondslag liggende akoestisch onderzoek de geluidbelasting van verkeer van en naar het nieuwe bedrijventerrein onjuist is bepaald. Volgens haar is er ten onrechte uitgegaan van een rijsnelheid van 50 km per uur op de Zomerweg, aangezien op die weg een rijsnelheid van 60 km per uur mag worden gereden. Het is volgens [appellante sub 1A] ook onduidelijk van hoeveel verkeersbewegingen in dit verband is uitgegaan. [appellante sub 1A] en Stichting NMA voeren aan dat uit het rapport Westrand niet blijkt of in het onderzoek van Buro Tideman wel op juiste wijze rekening is gehouden met de toepassing van beste beschikbare technieken. [appellant sub 4] betoogt dat er in het rapport nauwelijks of geen maatregelen ter bewaking en handhaving van de geluidsnormen zijn opgenomen. Hij pleit ervoor om gedurende twee jaar een permanent meetstation aan de Sondernweg te plaatsen, om de daadwerkelijke overlast te kunnen vaststellen, gezien de vele andere kritische emissiewaarden. 13.8. In het rapport Westrand is het geluid van verkeer van en naar het bedrijfsterrein bepaald. Er is daarbij uitgegaan van de fictieve situatie dat alle vrachtwagens, zowel in fase 1 als in fase 2, via de Zomerweg en de Sondernweg richting de Nijverheidsstraat rijden.
Verder is gerekend met een rijsnelheid van 50 km/u. In het deskundigenbericht van de STAB staat dat een rijsnelheid van zowel 50 als 60 km per uur niet representatief is voor de rijsnelheid van het verkeer. Het verkeer zal immers eerst over een afstand van ongeveer 50 m moeten optrekken voordat het een snelheid van 50 km per uur bereikt. De STAB heeft een berekening uitgevoerd, waarbij van lagere rijsnelheden is uitgegaan. Zij komt tot de conclusie dat zelfs als het aantal vervoersbewegingen naar het nieuwe bedrijventerrein verdubbelt, de geluidbelasting van de dichtsbijgelegen woning aan de Sondernweg niet uitkomt boven 45 dB(A) in de maatgevende avondperiode. De STAB concludeert dat in het akoestisch onderzoek de geluidbelasting van het verkeer van en naar het plangebied niet is onderschat. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het geluid van verkeer van en naar het plangebied niet tot juiste uitkomsten heeft geleid. De beoordeling of bij een bedrijf toepassing wordt gegeven aan de beste beschikbare
18
technieken vindt primair plaats in het kader van de verlening van een omgevingsvergunning. De raad is ervan uitgegaan dat de bedrijfsactiviteiten waarvan de geluidemissie is gemeten, voldoen aan de beste beschikbare technieken. In het rapport Westrand staat dat bij de keuze van de bronvermogens van installaties op het nieuwe bedrijventerrein is uitgegaan van de stand der techniek. De Afdeling ziet geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van het uitgangspunt van de raad. Als een bedrijf activiteiten verricht in het plangebied, zal het gebruik van gronden in overeenstemming moeten zijn met het bestemmingsplan. Bij gebruik van gronden in strijd met het bestemmingsplan kan handhavend worden opgetreden. Het is alleen al daarom niet nodig dat in het rapport Westrand de door [appellant sub 4] bedoelde maatregelen worden opgenomen. In wat appellanten hebben aangevoerd bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het verrichte onderzoek ondeugdelijk is en de raad de resultaten daarvan niet aan zijn besluit ten grondslag heeft mogen leggen. De betogen treffen geen doel. - onderzoek naar laagfrequent geluid 13.9. [appellante sub 1A] betoogt dat de raad aan de vaststelling van het bestemmingsplan ten onrechte geen onderzoek naar laagfrequent geluid, afkomstig van onder meer de in het plangebied toegestane shredder, ten grondslag heeft gelegd. 13.10.
Naar aanleiding van vragen van de STAB heeft Tideman in opdracht van de raad de geluidbelasting met het frequentiespectrum bepaald. Tideman heeft in een notitie van 30 april 2019 een toelichting gegeven op het verrichte onderzoek. De raad beschikte hiermee voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan over resultaten van een onderzoek naar laagfrequent geluid. Voor zover [appellante sub 1A] betoogt dat de shredder ten onrechte niet in het onderzoek is betrokken, overweegt de Afdeling dat Tideman in de berekeningen de geluidemissies van puinbreekinstallatie en zeef heeft meegenomen, maar die van de shredderinstallatie niet. Tideman heeft in haar notitie 30 april 2019, onder verwijzing naar het rapport Westrand, toegelicht dat de waarden van shredders in zowel de 31.5 en 63 Hz octaafband als het allpass niveau lager zijn dan de waarden van de granulaatzeef. De granulaatzeef wordt niet gelijktijdig gebruikt met de shredder. Door alleen de hoogste waarden van de granulaatzeef te hanteren wordt gerekend met een worst-case situatie, zo staat in het rapport van 30 april 2019. [appellante sub 1A] heeft de juistheid hiervan niet betwist. Geen grond bestaat voor het oordeel dat het onderzoek naar laagfrequent geluid ondeugdelijk is verricht. Het betoog treft geen doel. Onderzoek naar de ligging van de geluidzone 14.
[appellante sub 1A] en [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] betogen dat het onderzoek naar de ligging van de geluidzone ondeugdelijk is. Het onderzoek voldoet volgens hen niet aan de eisen van bijlage 1 van Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 (hierna: RMG 2012). Volgens [appellante sub 1A] ontbreken berekeningen en modelleringen in het rapport, waardoor het onderzoek niet verifieerbaar is. [appellante sub 1A] stelt dat het onderzoek onvolledig is geweest doordat een recreatiewoning niet in het onderzoek zou zijn betrokken. 14.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het akoestisch onderzoek voldoet aan de wettelijke vereisten en het rapport zorgvuldig is opgesteld. Er is in het onderzoek uitgegaan
19
van het geluid dat alle bedrijven op het bestaande en nieuwe industrieterrein maximaal kunnen en mogen voortbrengen op grond van de geluidregels die voor elk bedrijf afzonderlijk gelden. Een incidentele bedrijfssituatie komt bij het bedrijf van [partij] niet voor, zo staat in de nota van zienswijzen. Daarin staat ook dat de bijlagen van de rapportage beschikbaar zijn en alle uitgangspunten bevatten. 14.2. Aan de vaststelling, wijziging of opheffing van een geluidzone dient op grond van artikel 42 van de Wet geluidhinder een akoestisch onderzoek vooraf te gaan. Dit onderzoek moet zijn gericht op de geluidsgevoelige objecten binnen de ontworpen zone. In het akoestisch onderzoek moet rekening worden gehouden met de representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden van het bestemmingsplan. 14.3. De raad heeft de resultaten, opgenomen in het akoestisch rapport "Zoneaanpassing Industrieterrein ’t Broek in Aalten" van 12 september 2017 (hierna: rapport Zoneaanpassing), gebruikt voor het bepalen van de geluidzone. In het aan dit rapport ten grondslag liggende onderzoek is een nieuw zonemodel gemaakt, waarin de geluidbronnen uit het akoestisch onderzoek Westrand zijn toegevoegd aan het actuele zonemodel van industrieterrein 't Broek. Het nieuwe zonemodel omvat daarmee het bestaande bedrijventerrein 't Broek en het nieuwe bedrijventerrein Westrand.
Op basis van de gelegaliseerde geluidsbijdrage van alle bedrijven tezamen, inclusief die van het bedrijf dat zich gaat vestigen op het deel van het terrein waarmee het industrieterrein wordt uitgebreid, is de 50 dB(A)-contour bepaald. Die contour is uitgangspunt voor het bepalen van de ligging van de nieuwe zonegrens, waarbij vanwege de flexibiliteit enige geluidruimte is gelaten om toekomstige ontwikkelingen bij de bedrijven mogelijk te maken, zo staat in het rapport. In het onderzoek naar de zoneaanpassing is gebruik gemaakt van de standaard rekenmethode SRM II van het Reken- en Meetvoorschrift geluid 2012 (hierna: RMG 2012). In bijlage 1 van het RMG 2012 staat dat het akoestisch rapport informatie bevat betreffende alle voor het onderzoeksresultaat van belang zijnde aspecten. In het rapport wordt in elk geval opgenomen welke invoergegevens zijn gebruikt. Naar aanleiding van vragen van de STAB zijn bijlagen met daarin de uitgangspunten van de berekeningen en modellering uit het akoestisch onderzoek aangeleverd. Het gaat daarbij onder meer om lijsten met geluidbronnen, puntbronnen en toetspunten. Voorafgaand aan het vaststellen van het bestemmingsplan en het herzieningsplan waren de invoergegevens dus beschikbaar en daarmee controleerbaar.
Zoals onder 10.3 is overwogen, is met planregel 4.4.5 gewaarborgd dat niet meer geluid kan worden geproduceerd dan het in bijlage 5 opgenomen rapport Westrand. In de niet gemotiveerde stelling van [appellante sub 1A] dat in het onderzoek Zoneaanpassing de geluidbelasting van bestaande bedrijven op het bedrijventerrein ’t Broek niet op juiste wijze is betrokken, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het onderzoek in dit opzicht ondeugdelijk is. Ten zuiden van het nieuwe bedrijventerrein en ten noorden van de woning aan de [locatie 2], ligt een recreatiewoning, die op grond van het bestemmingsplan "Landelijk Gebied 2015" mag worden gebruikt voor verblijfsrecreatie. Een recreatiewoning is geen woning of ander geluidgevoelig object in de zin van de Wet geluidhinder. Dit volgt uit artikel 1 van de Wet geluidhinder en artikel 1.2 van het Besluit geluidhinder. In het rapport is daarom, anders dan [appellante sub 1A] betoogt, terecht geen aandacht besteed aan de geluidbelasting van de recreatiewoning.
20
Gelet op wat hiervoor staat, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het onderzoek onzorgvuldig is verricht. De betogen treffen geen doel. Zone rondom het industrieterrein 15. [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], [appellant sub 4] en [appellante sub 1A] kunnen zich niet verenigen met het bestemmingsplan en het herzieningsplan wat betreft de ligging van de zone rondom de bedrijventerreinen. [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] en [appellant sub 4] brengen naar voren dat de zone veel ruimer is dan de berekende 50 dB(A)-contour. [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] betwisten dat de daarmee voorziene ruimte voor uitbreidingen van bedrijven op de bedrijventerreinen nodig is. Ook bij een kleinere geluidzone wordt voldoende flexibiliteit geboden om toekomstige ontwikkelingen bij de bedrijven mogelijk te maken, zo stellen zij. [appellante sub 1A] acht het herzieningsplan, voor zover dat ziet op de wijziging van het bestemmingsplan "Kobus III-2012", rechtsonzeker. Daartoe voert zij aan dat in hoofdstuk 2 van het herzieningsplan wordt verwezen naar een bijlage bij het plan. Planregels kunnen echter niet worden gewijzigd met een verwijzing naar een bijlage bij het plan, zo stelt zij. Verder stelt zij dat de plannen ten onrechte geen integrale verbeelding bevatten van de geluidzone, waardoor geen sluitende zonering ontstaat.
[appellant sub 4] voert aan dat zijn perceel bij handhaving van de gangbare normaalwaarden waarschijnlijk geheel binnen de grotere geluidscirkel zou liggen. Hierdoor zijn maatregelen zoals de aanplant van een extra stevige houtwal, bosschages (struiken en bomen) en geluidsisolatie van zijn woning op kosten van de gemeente vermeden. 15.1. De raad stelt zich op het standpunt dat om de bedrijfsactiviteiten mogelijk te maken, de bestaande geluidzone rondom het bedrijventerrein ’t Broek moet worden verruimd. Er is bewust voor gekozen woningen zoveel mogelijk buiten de zone(grens) te houden. De geluidzone is ruimer getrokken dan nodig is om ontwikkelingen op het bedrijventerrein mogelijk te maken. Uit het rapport Zoneaanpassing komt naar voren dat de geluidsbelasting ter plaatse van enkele woningen de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) met 1 tot 4 dB(A) overschrijdt. Om de nog beschikbare geluidruimte op het industrieterrein volledig beschikbaar te houden, zal voor alle vijf woningen ten behoeve van de verruiming van de geluidzone een hogere waarde van 55 dB(A) vastgesteld. - ligging in vier bestemmingsplannen 15.2. De Afdeling stelt vast dat de in het bestemmingsplan en herzieningsplan opgenomen geluidzone voor het grootste deel samenvalt met de bestaande zonegrens rondom het bedrijventerrein 't Broek.
Vanwege het nieuwe bedrijventerrein Westrand, dat aansluit op het bestaande bedrijventerrein, is de geluidzone aan de noordwestzijde en aan de noordzijde verruimd. Naast het in het bestemmingsplan vastgelegde deel van de geluidzone is met het herzieningsplan de ligging van de verruimde geluidzone verwerkt in de bestemmingsplannen "Landelijk Gebied 2015", "Kern Aalten 2011" en "Kobus III - 2012". De woningen van [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] zijn in de geluidzone komen te liggen. De woning van [appellant sub 4] ligt buiten de zone. 15.3. Voor zover [appellante sub 1A] heeft betoogd dat de ligging van de zonegrens onduidelijk is, omdat deze is neergelegd in verschillende bestemmingsplannen, heeft de raad te kennen gegeven dat het beeld van de geluidzone in de afzonderlijke plannen wat
21
gefragmenteerd kan lijken. Zoals ook in de nota van zienswijzen staat, is de volledige, gesloten, geluidzone zichtbaar op de website ruimtelijkeplannen.nl. Geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat onduidelijk is waar de geluidzone ligt. Het betoog faalt. - wijziging bestemmingsplan "Kobus III - 2012" 15.4. In de planregels van het herzieningsplan is bepaald dat voor de gronden in het bestemmingsplan "Kobus III - 2012" de regels gelden in de bijlage 1. Met deze verwijzing in het herzieningsplan gelden de in de bijlage opgenomen regels als planregels over geluid voor dat bestemmingsplan naast de bestaande planregels. Daarmee is duidelijk welke regels gelden. Geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat, zoals [appellante sub 1A] heeft betoogd, deze wijze van regelen rechtsonzeker is en zich niet verdraagt met artikel 3.1 van de Wro. Het betoog treft geen doel. - normen Wet geluidhinder 15.5. In artikel 44 van de Wet geluidhinder staat dat de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vanwege het betrokken industrieterrein, van de gevel van woningen binnen een krachtens artikel 40 vast te stellen zone 50 dB(A) is.
Op grond van artikel 48, eerste lid, van de Wet geluidhinder worden bij de vaststelling van een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden die gaan of blijven behoren tot een geluidzone rondom een bedrijventerrein, de waarden in acht genomen, die ingevolge artikel 44 dan wel artikel 47, eerste lid, als de ten hoogste toelaatbare worden aangemerkt. In artikel 45, eerste lid, is geregeld dat voor de ter plaatse ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting, bedoeld in artikel 44, een hogere dan de in dat artikel genoemde waarde worden vastgesteld, met dien verstande dat deze waarde voor geprojecteerde woningen 55 dB(A) en voor aanwezige of in aanbouw zijnde woningen 60 dB(A) niet te boven mag gaan. De artikelen zijn opgenomen in een bijlage die onderdeel uitmaakt van de uitspraak. 15.6. Uit het rapport Zoneaanpassing volgt dat de ligging van de geluidzone is bepaald op basis van de gelegaliseerde geluidsbijdrage van alle bedrijven op het bestaande bedrijventerrein en het bedrijf dat zich zal vestigen op het deel van het terrein, waarmee het bedrijventerrein wordt uitgebreid. De geluidbelasting van de woningen aan de Sondernweg 2 en 2A vanwege het gezoneerde industrieterrein in de nieuwe situatie is bepaald op 54 dB(A); die van de woning Nijverheidsweg 5 op 51 dB(A) en die van de woningen van [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] aan de [locatie 1] en [locatie 2] op 50 dB(A).
De zonegrens is vervolgens op grotere afstand van de bedrijventerreinen gelegd om de bedrijven nog enige ruimte voor uitbreiding te bieden. Geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat hiermee onvoldoende rekening is gehouden met de aan [appellante sub 1A] toekomende bestaande geluidruimte. Over het betoog van [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] dat als de zone aan de zuidzijde van het plangebied minder ruim was gelegd, er ook uitbreidingsmogelijkheden bestaan voor bedrijven op het gezoneerde industrieterrein, overweegt de Afdeling dat dit op zich juist is, maar dat dit niet betekent dat de raad niet in redelijkheid ervoor heeft kunnen kiezen om bestaande bedrijven op het bedrijventerrein wat betreft geluid uitbreidingsmogelijkheden te bieden in de richting van de woningen van [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B]. De raad heeft van betekenis kunnen achten dat ten noorden van het bedrijventerrein de uitbreidingsmogelijkheden, gelet op de bestaande geluidbelasting van 54 dB(A) op twee woningen aan de Sondernweg waarvoor hogere
22
waarden zijn vastgesteld, beperkt zijn. 15.7. In tabel 1 van het akoestisch rapport Zoneaanpassing zijn de rekenresultaten opgenomen van het actuele zonemodel, uitgaande van de bedrijventerreinen 't Broek en Westrand. Daaruit blijkt, zoals ook de STAB in het deskundigenbericht heeft geconstateerd, dat op de zonebewakingspunten wordt voldaan aan de op grond van artikel 44 van de Wet geluidhinder geldende grenswaarde van 50 dB(A). Dat betekent dat buiten de geluidzone de geluidbelasting vanwege bedrijven op de bedrijventerreinen minder is dan 50 dB(A). 15.8. De Afdeling begrijpt het betoog van [appellant sub 4] zo dat volgens hem zijn woning ten onrechte niet in de geluidzone ligt. Dit omdat in dat geval volgens hem geluidwerende maatregelen aan de woning kunnen worden getroffen. Zoals de raad in de nota van zienswijzen met juistheid heeft opgemerkt over een woning aan de Akkermateweg, is het zo dat bij positionering van een woning buiten de zone, de woning een lager geluidniveau ondervindt. Het geluid, afkomstig van alle bedrijven op de bedrijventerreinen ’t Broek en Westrand samen, mag buiten de grens van de geluidzone namelijk niet hoger zijn dan 50 dB(A).
Als de woning binnen de geluidzone zou liggen, zou voor deze woning een hogere waarde moeten worden gesteld, waardoor de woning aan een hogere geluidbelasting blootgesteld kan en mag worden dan nu is toegestaan op grond van de in het bestemmingsplan neergelegde zone. Geen grond bestaat voor het oordeel dat de geluidzone vanwege de omstandigheid dat de woning van [appellant sub 4] daarbuiten ligt, niet deugdelijk is vastgelegd in het bestemmingsplan en herzieningsplan. 15.9. Gelet op wat hiervoor staat, voldoen het bestemmingsplan en het herzieningsplan aan de Wet geluidhinder. De betogen slagen niet. Belangenafweging geluid 16. [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] en [appellant sub 4] betogen dat vanwege geluidhinder een goed woon- en leefklimaat bij hun woningen niet is gegarandeerd. [appellante sub 1A] voert aan dat een goed verblijfsklimaat op haar perceel niet is gegarandeerd. [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] voeren aan dat de raad ten onrechte niet heeft getoetst aan het gemeentelijke beleid voor geluid, neergelegd in de beleidsnota "Gebiedsgericht geluidbeleid" (hierna: de beleidsnota). Zij wijzen erop dat volgens het gemeentelijke beleid een overschrijding van de daarin genoemde grenswaarden alleen onder strikte voorwaarden mogelijk is.
[appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] voeren verder aan dat de raad de richtafstanden die bij categorie 4.1 en hoger van de VNG-brochure behoren, had moeten hanteren bij de beoordeling of een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Verder stellen [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] dat hun woonomgeving moet worden aangemerkt als ‘rustige woonwijk’ en niet als ‘gemengd gebied’, zoals de raad heeft gedaan. [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] wijzen erop dat ook geluid van verkeer van en naar het nieuwe bedrijventerrein wordt ondervonden. [appellant sub 4] vreest dat hij door geluidhinder alleen als er geen bedrijfsactiviteiten op het nieuwe bedrijventerrein zijn, zoals in de weekenden, kan genieten van het buitenleven. Hij voert aan dat er onvoldoende maatregelen zijn getroffen om geluidhinder te voorkomen. 16.1. In de plantoelichting staat dat voor de woningen, waarvoor het college hogere waarden
23
heeft gesteld, sprake blijft van een goed woon- en leefklimaat, zoals bedoeld in het gebiedsgerichte geluidbeleid van de gemeente Aalten. Anders dan waarvan [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] uitgaan heeft de raad dus aan het gemeentelijke geluidbeleid getoetst. In de beleidsnota zijn gebieden getypeerd. Voor elk gebied gelden streef- en grenswaarden voor geluid. Bij te wijzigen of nieuwe bestemmingsplannen voor het desbetreffende gebied op de gebiedstyperingenkaart wordt bekeken welke streef- en grenswaarden ten aanzien van geluid gelden. Het bestemmingsplan wordt daaraan getoetst, dat wil zeggen dat in eerste instantie wordt gestreefd naar handhaving van de voor het gebied gehanteerde waarden. Dit streven mag er echter niet toe leiden dat de plannen die in het kader van de Toekomstvisie Gemeente Aalten gemaakt zijn, belemmerd worden, zo staat in de beleidsnota. In de plantoelichting staat dat de raad er in 2004 bij het opstellen van de Toekomstvisie Aalten vanuit is gegaan dat er ruimte nodig is voor 28 hectare aan bedrijventerrein. Een belangrijk deel hiervan wil de raad realiseren aan de westkant van Aalten. Het nieuwe bedrijventerrein past in de Toekomstvisie, zo staat in de plantoelichting. Dit is door appellanten niet betwist.
Gelet hierop is de raad er terecht vanuit gegaan dat het nieuwe bedrijventerrein niet leidt tot een geluidbelasting die in strijd is met het gemeentelijke geluidbeleid. Dat het gebied, waarin de woningen van [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] en [appellant sub 4] liggen, behoort tot het type agrarisch, waarvoor een etmaalwaarde van 40 dB(A) als streefwaarde wordt genoemd, doet hieraan niet af. De raad heeft verder betekenis toegekend aan de VNG-brochure. In tabel 7.2 van het rapport Westrand, dat de raad aan het bestemmingsplan ten grondslag heeft gelegd, staat dat het berekende piekgeluidniveau, veroorzaakt door bedrijven op het gezoneerde industrieterrein, ter plaatse van woningen van derden ten hoogste 64 dB(A) bedraagt in de dagperiode, 50 dB(A) in de avondperiode en 50 dB(A) in de nachtperiode. In het rapport wordt geconstateerd dat het piekgeluidniveau voldoet aan de richtwaarden voor de omgeving, zoals genoemd in de VNG-brochure. Over het betoog dat de raad de richtafstanden van VNG-brochure voor een puinbrekerij had moeten hanteren, overweegt de Afdeling het volgende. In de VNG-brochure is een puinbrekerij ingedeeld in categorie 4.2 of 5.2, afhankelijk van de verwerkingscapaciteit. Voor bedrijven in die categorieën gelden op grond van de VNG-brochure voor het aspect geluid richtafstanden van 300 respectievelijk 500 meter tot het omgevingstype ‘gemengd gebied’.
Deze richtafstanden zijn 200 en 100 m groter dan die tot het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. De raad heeft de directe omgeving van het plangebied aangemerkt als gemengd gebied, omdat zich in de omgeving van het plangebied meerdere bedrijven bevinden: aan de overzijde van de Zomerweg bevinden zich bestaande bedrijven op bedrijventerrein ’t Broek, zo staat in de plantoelichting. De Afdeling vindt deze kwalificatie van de omgeving juist. Zoals in de VNG-brochure is vermeld, kan de raad gemotiveerd afwijken van de gehanteerde richtafstanden. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat slechts de puinbreker is ingedeeld bij een hogere categorie. Hij heeft deze beoordeeld als feitelijk behorend tot een lagere categorie, omdat het puinbreken slechts een beperkte tijd wordt uitgevoerd en ook reeds op het bestaande terrein aan de Broekstraat 31 plaatsvindt, aldus de plantoelichting. In artikel 4.4.6 van de planregels zijn de locatie en het gebruik van een puinbreker geregeld. Deze mag alleen worden gebruikt op gronden die volgens de verbeelding een specifieke daartoe strekkende aanduiding hebben. De afstand van dat deel van het plangebied tot de woningen van [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] bedraagt ongeveer 350 m. Het breken
24
van puin is beperkt tot ten hoogste 84 uur per kalendermaand. Verder is op grond van artikel 4.4.5 van de planregels het gebruik beperkt door het toegestane geluidniveau. Onder deze omstandigheden heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat kon worden afgeweken van de richtafstanden van de VNG-brochure. Het is de bedoeling dat zwaar verkeer het bedrijventerrein verlaat over de Zomerweg en de Eerste Broekweg. In paragraaf 8.3 van het rapport Westrand staat dat de geluidbelasting van burgerwoningen als gevolg van het verkeer van en naar het bedrijventerrein niet meer bedraagt dan 45 dB(A). Terecht wordt geconcludeerd dat dit lager is dan de voorkeurswaarde van 50 dB(A), waarmee wordt bedoeld de voorkeursgrenswaarde die wordt aanbevolen in de circulaire "Geluidhinder veroorzaak door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer" van 29 februari 1996. De woningen waarvan de geluidbelasting is berekend liggen ten noorden van het plangebied en zoals onder 13.8 staat, is er in het onderzoek vanuit gegaan dat al het vrachtverkeer via de Sondernweg het plangebied verlaat en langs die woningen gaat.
Gelet op de berekende geluidbelasting heeft de raad ervan mogen uitgaan dat verkeer van en naar het plangebied dat via de Zomerweg gaat minder geluidbelasting veroorzaakt dan is berekend op de ten noorden van het plangebied gelegen woningen. Daarbij komt dat in het deskundigenbericht van de STAB staat dat er een verbod komt voor vrachtverkeer om vanuit de nieuwe ontsluiting aan de Zomerweg naar de Derde Broekdijk te rijden. Dat betekent dat dat vrachtverkeer niet langs de woningen van [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] zal mogen rijden. Verder overweegt de Afdeling dat de raad ervan heeft mogen uitgaan dat het bestemmingsplan en het herzieningsplan geen nadelige gevolgen hebben voor de mogelijkheid van [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] om hun woningen uit te breiden. Akoestisch Buro Tideman heeft de geluidbelasting in de tuinen van woningen aan de Akkermateweg berekend. Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau zal volgens haar in de dagperiode 43 dB(A) en het maximale geluidniveau 60 dB(A) bedragen. De woning van [appellant sub 4] ligt ten opzichte van deze woningen op grotere afstand van het plangebied. Gelet op wat hiervoor staat, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van woningen in de omgeving van het gezoneerde industrieterrein behouden blijft.
Wat betreft het verblijfsklimaat op het perceel van [appellante sub 1A] overweegt de Afdeling dat uit een berekening van Bureau Tideman blijkt dat de geluidbelasting op de gevel van de bedrijfshal van [appellante sub 1A] 56,6 dB(A) bedraagt in de dagperiode. De raad heeft op de zitting toegelicht dat het verblijfsklimaat op het perceel van [appellante sub 1A] aanvaardbaar is. Geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen, mede gelet op de omstandigheid dat het bedrijfspand op een gezoneerd industrieterrein ligt dat bedoeld is voor onder meer geluidproducerende bedrijven. De betogen treffen geen doel. Verkeer van en naar het bedrijventerrein 17. [appellante sub 1A] vreest voor verkeershinder. Zij vindt het onduidelijk op welke wijze het bedrijfsperceel zal worden ontsloten. Volgens haar zijn de verkeersintensiteiten onvoldoende in beeld zijn gebracht. Er is ten onrechte geen verkeerstechnisch onderzoek aan het bestemmingsplan ten grondslag gelegd. Het perceel van [appellante sub 1A] wordt ontsloten door de Weverij. Deze weg sluit in het
25
noorden aan op de Sondernweg. De Sondernweg, die ten noorden van het plangebied ligt, en de Eerste Broekdijk, die ten zuiden van het plangebied ligt, verbinden het plangebied met de Nijverheidsweg. Deze weg is de belangrijkste westelijke ontsluitingsroute vanuit de kern Aalten. Het noordelijke deel van de Zomerweg ligt tussen het nieuwe bedrijventerrein en het perceel van [appellante sub 1A]. Het deel van de Zomerweg dat in het plangebied is opgenomen, heeft de bestemming "Bedrijfsterrein" gekregen en wordt aan de openbaarheid onttrokken. In de plantoelichting is de ontsluiting van het nieuwe bedrijventerrein omschreven. Licht en zwaar verkeer zal via de Sondernweg en de Zomerweg naar het perceel gaan. Zwaar verkeer zal het bedrijventerrein verlaten over de Zomerweg en vervolgens over de Eerste Broekweg. Er komt een nieuwe uitrit aan de Sondernweg voor licht en middelzwaar verkeer, zo staat in de plantoelichting. Voor ontsluiting via de Zomerweg is gekozen om filevorming op de Sondernweg te voorkomen. Het bestemmingsplan maakt de voor de ontsluiting vereiste aansluiting van de Zomerweg op de Eerste Broekdijk mogelijk. De Afdeling stelt vast dat hiermee duidelijk is op welke wijze het bedrijventerrein wordt ontsloten.
Dat, zoals [appellante sub 1A] heeft betoogd, in weerwil van wat in de plantoelichting staat, in het akoestisch onderzoek bij het bepalen van de mate van geluidhinder van verkeer van en naar het bedrijfsperceel is uitgegaan van de situatie dat alle vrachtwagens via de Zomerweg en de Sondemweg richting de Nijverheidsstraat rijden, doet hieraan niet af. Dit is gedaan om een worst-casebenadering van de geluidbelasting te hanteren en betekent niet dat het verkeer ook daadwerkelijk die route zal gebruiken. In bijlage 2 van het rapport Westrand is vermeld van welke verkeersintensiteiten in het onderzoek is uitgegaan. Het gaat om 360 vrachtwagen- en 290 personenautobewegingen per etmaal. In het stuk "PlanMER" is uitgegaan van gemiddeld 180 vrachtwagens en 145 personenauto’s per etmaal. Op de Sondernweg betekent dat 470 verkeersbewegingen (180 aankomende vrachtwagens; 145 aankomende personenauto’s en 145 vertrekkende personenauto’s). Zoals hiervoor staat, zal zwaar verkeer het plangebied verlaten via de Zomerweg en daarna de Eerste Broekweg. Volgens de STAB is in de PlanMER het aantal verkeersbewegingen overschat.
De STAB is verder van opvatting dat de gemiddelde verkeersintensiteit op de Sondernweg van dien aard is dat niet kan worden gesteld dat de verkeerstoename, ook als het aantal verkeersbewegingen dat het bedrijventerrein uiteindelijk zal genereren ernstig is onderschat, tot problemen voor de verkeerscapaciteit op die weg zal leiden. Gelet hierop heeft de raad er in redelijkheid van mogen uitgaan dat onaanvaardbare verkeershinder zich niet zal voordoen. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat een verkeerstechnisch onderzoek niet had mogen ontbreken. Het betoog over verkeershinder slaagt niet. Trillingen 18. [appellante sub 1A] vreest voor onaanvaardbare trillingshinder door het gebruik van de puinbreekinstallatie en vervoersbewegingen ten behoeve van de aan- en afvoer van materialen. Zij wijst erop dat haar bedrijfsvoering vanwege het gebruik van meet- en weegapparatuur zeer gevoelig is voor trillingen. Volgens [appellante sub 1A] heeft Peutz geen deugdelijke prognose gemaakt van de te verwachten trillingen. Zij wijst ter onderbouwing van haar standpunt op rapportages die zij heeft laten verrichten. Onduidelijk is volgens [appellante sub 1A] of de uitgangspunten van het trillingsonderzoek van Peutz representatief zijn voor de situatie in het plangebied.
Zo zouden als gevolg van de slappere bodem in het plangebied de trillingsniveaus juist hoger kunnen zijn dan geprognosticeerd door Peutz. Zij acht het onjuist dat in het rapport van Peutz de representativiteit van de gekozen puinbreker niet is
26
onderbouwd. Ook acht zij de gemeten trillingsniveaus als gevolg van vrachtwagenpassages langs het bedrijfspand onvoldoende onderbouwd. Het is verder onduidelijk of de trillingsmetingen bij het bedrijf van [partij], die ten grondslag liggen aan de prognose, voldoende representatief zijn. Ook stelt [appellante sub 1A] dat de overdracht van trillingen van de bodem naar de productievloeren van haar bedrijfspand naar verwachting is onderschat. Daardoor kunnen de trillingsniveaus, veroorzaakt door een bedrijf op de nieuwe locatie als dat van [partij], hoger zijn dan geprognosticeerd. De representativiteit van de opstelling van de apparatuur tijdens de weekmetingen in haar bedrijfspand is ook onvoldoende zeker, waardoor de juistheid van het door Peutz gehanteerde acceptabele trillingsniveau niet vast staat. Als de toekomstige trillingsniveaus, veroorzaakt door de puinbreker, ook maar een klein beetje hoger zijn dan geprognosticeerd, is al sprake van een toename ten opzichte van de huidige trillingsniveaus op haar perceel, zo voert [appellante sub 1A] aan. 18.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat bij de in het bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen voor [appellante sub 1A] geen onaanvaardbare trillingshinder is te verwachten.
De prognose die Peutz heeft gemaakt op basis van het door haar verrichte onderzoek, geeft volgens de raad een representatief beeld van de te verwachten trillingen voor de bedrijfsvoering van [appellante sub 1A]. In het rapport van Peutz wordt geconcludeerd dat het breken van puin en het passeren van vrachtwagens niet resulteren in trillingsniveaus die hoger zijn dan de nu heersende trillingsniveaus. - de bedrijfsvoering van [appellante sub 1A] en uitgebrachte rapporten over trillingen 18.2. Het perceel van [appellante sub 1A] ligt in de bestaande situatie op een afstand van ongeveer 225 m tot de puinbreker op het perceel van [partij]. Het bestemmingsplan maakt een dergelijk bedrijf mogelijk op een afstand van ongeveer 100 m van het perceel van [appellante sub 1A]. Het bedrijf van [appellante sub 1A] ontwerpt en assembleert eiersorteer- en eierverwerkingsmachines. In een memo van 29 januari 2021 is [appellante sub 1A] ingegaan op haar bedrijfsvoering. Niet in geschil is dat haar bedrijfsvoering gevoelig is voor trillingen. Tijdens de ontwikkeling van machines en bij de controle en afstelling daarvan aan het einde van het assemblageproces, wordt gebruik gemaakt van een zogenoemd test-ei, waarmee de G-krachten tijdens de routing van een ei in de machine worden gemeten. Het ei wordt binnen 1 seconde vijf keer gewogen. Deze meting is gevoelig voor trillingen van buitenaf.
Een te groot verschil in de vijf wegingen leidt tot een foutmelding of storing. Teveel foutmeldingen en storingen zijn nadelig voor het productieproces. Aan het bestemmingsplan ligt een onderzoek van Peutz ten grondslag. De resultaten daarvan zijn neergelegd in een rapport van 9 april 2018. [appellante sub 1A] heeft door DPA Cauberg-Huygen een notitie van 31 augustus 2018 laten opstellen, waarin kanttekeningen worden geplaatst bij het door Peutz verrichte onderzoek. In het deskundigenbericht van de STAB wordt ingegaan op het rapport van Peutz en die notitie. In de bij het deskundigenbericht behorende bijlagen 6-12 en 6-13 heeft Peutz vragen over het verrichte trillingsonderzoek beantwoord. Naar aanleiding van het deskundigenbericht heeft Cauberg Huygen op 26 juni 2019 op verzoek van [appellante sub 1A] een notitie opgesteld. De raad beschikte ten tijde van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan over de hiervoor genoemde stukken. De raad heeft in beroep nog een notitie van Peutz van 23 februari 2021 ingebracht, waarin wordt ingegaan op de notitie van Cauberg Huygen van 26 juni 2019.
27
- onderzoeksaanpak van Peutz 18.3. Het onderzoek van Peutz bestaat uit verschillende metingen. Peutz heeft trillingsmetingen uitgevoerd op 10 m, 40 m en 80 m tot de breeklocatie tijdens het breken van puin op het huidige terrein van [partij] aan de Broekstraat 31 in Aalten. Overige activiteiten, zoals rijden met de shovel, oppakken en verschuiven van gebroken puin met shovel, activiteiten met de kraan en dergelijke hebben gelijktijdig plaatsgevonden. Ook is gemeten wat de overdracht van trillingen van de bodem is naar het bedrijfspand van [appellante sub 1A]. Uit het verschil in trillingsniveaus is de mate van overdracht afgeleid. Verder heeft Peutz gedurende een week gemeten wat de trillingsniveaus in de vloer van de bedrijfshal van [appellante sub 1A] zijn om inzicht te krijgen in de trillingsniveaus waarbij haar bedrijfsprocessen niet nadelig worden beïnvloed. Peutz is ervan uitgegaan dat wat betreft de verspreiding van trillingen de bodem in de nieuwe situatie in relevant opzicht gelijk is aan, of iets gunstiger is dan, die in de oude situatie. Door de trillingsniveaus in de bodem te corrigeren met de mate van overdracht naar de vloer van de bedrijfshal heeft Peutz de te verwachten trillingsniveaus geprognotiseerd.
DPA Cauberg-Huygen heeft in de notitie van 31 augustus 2018 bevestigd dat de door Peutz gekozen methode kan leiden tot goede resultaten over de te verwachten trillingshinder als de onderzochte situaties overeenkomen met de bedrijfsvoering van [partij] en de situatie in het plangebied. In het rapport van 9 april 2018 concludeert Peutz dat de te verwachten trillingsniveaus op meetlocatie 2 in de bedrijfshal niet hoger zijn dan de reeds heersende trillingsniveaus in de bedrijfshal van [appellante sub 1A]. Op meetlocatie 3 in de bedrijfshal kunnen als gevolg van het vervangen van slaglijsten van de puinbreker trillingsniveaus optreden die gering hoger zijn dan de trillingsniveaus die op enkele van de meetdagen in de huidige situatie zijn geregistreerd. Gedurende de week dat is gemeten in de bedrijfshal, is in de huidige situatie echter verschillende malen een trillingsniveau waargenomen dat hoger is dan wordt verwacht bij het wisselen. Op basis hiervan mag volgens Peutz worden verwacht dat ook het wisselen van de slaglijsten niet zal resulteren in verstoringen van het productieproces. 18.4. De Afdeling zal hierna eerst ingaan op de aangevoerde gronden over de metingen die Peutz heeft verricht en daarna op de gronden over de prognose die zij op basis van die metingen heeft gemaakt. - metingen puinbreker 18.5.
Peutz heeft op 20 februari 2018 op en nabij het huidige perceel van [partij] metingen verricht. Het breken vond plaats door een mobiele puinbreekinstallatie Kleemann 100. Volgens [appellante sub 1A] is het trillingsniveau hiermee mogelijk onderschat, omdat er van het merk Kleemann ook puinbrekers zijn die tweemaal zo zwaar zijn en naar verwachting meer trillingen zullen veroorzaken. [partij] heeft te kennen gegeven dat zij ook op de nieuwe locatie gebruik zal maken van een puinbreker die zij zal huren. Volgens [partij] zal dat een puinbreker Kleemann 100 of een soortgelijke machine zijn. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de in het onderzoek gebruikte puinbreker niet representatief is. In het rapport van Peutz is, zoals [appellante sub 1A] met juistheid heeft aangevoerd, niet vermeld wat de aard is van het materiaal dat tijdens de metingen is gebroken. In reactie op een vraag daarover van de STAB heeft Peutz te kennen gegeven dat er tijdens de metingen schoon puin is gebroken. Grof puin wordt door [partij] niet gebroken, zo is ter zitting gesteld. In wat [appellante sub 1A] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het
28
oordeel dat het tijdens de metingen gebroken puin niet representatief is. Peutz is overigens op basis van de gemeten trillingsniveaus ervan uitgegaan dat het vervangen van de lijsten van de puinbreker tot hogere trillingsniveaus leidt dan het breken van puin. Peutz heeft gedurende twee uren metingen verricht. In de stelling van [appellante sub 1A] dat in het rapport niet is vermeld of deze meetduur voldoende lang is om de werkelijke maximale trillingssnelheid vast te stellen, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de verrichte metingen niet representatief heeft mogen achten. [appellante sub 1A] heeft immers niet betwist dat de metingen zijn verricht toen de relevante trillingsbronnen in werking waren. - metingen overdracht trillingen van bodem naar gebouw [appellante sub 1A] 18.6. In het rapport van Peutz staat dat bij [appellante sub 1A] trillingsmetingen zijn verricht om de trillingsoverdracht van de bodem naar de vloer van het bedrijfspand te bepalen. Peutz heeft gelijktijdig in de bodem en op de vloer van de bedrijfshal een trillingsmeting uitgevoerd. Hierbij is het trillingsniveau gemeten van een vrachtwagen die het bedrijfspand passeert op de Weverij. Peutz heeft te kennen gegeven dat zij in de noordoosthoek van het bedrijfspand heeft gemeten. Uit het verschil in trillingsniveau heeft zij de mate van overdracht afgeleid.
Bij 16 en 20 Hz is volgens Peutz sprake van een trillingssnelheid in de vloer van de productiehal die een factor 1,5 à 2 lager is dan de trillingssnelheid in de bodem. [appellante sub 1A] voert aan dat Peutz voor de mate van de trillingsoverdracht van de bodem naar haar bedrijfsgebouw ten onrechte slechts is uitgegaan van het trillingsniveau veroorzaakt door de passage van een vrachtwagen, en niet heeft onderbouwd waarom dat representatief is voor de overdracht van trillingen van de puinbreekinstallatie. Volgens haar mag verwacht worden dat bij een vrachtwagenpassage op ongeveer 12 m afstand van het gebouw, de trillingsbelasting veel meer lokaal is dan bij een bron op 80 m afstand waarbij een groter deel van het gebouw gelijktijdig wordt aangestoten. Zij stelt verder dat het bepalen van de overdracht van de bodem naar het bedrijfsgebouw met slechts één meting onbetrouwbaar is. Volgens [appellante sub 1A] is niet op de juiste plek in het bedrijfspand gemeten als er sprake is van een toename van de trillingsterkte vanuit de hoek van het gebouw naar de voor trillingen gevoelige installaties op de productievloer.
In het deskundigenbericht stelt de STAB zich op het standpunt dat de meting met de vrachtwagen voldoende representatief is, omdat bij de passage van een vrachtwagen en bij het gebruik van de puinbreekinstallatie dezelfde frequentiebanden in het spectrum worden aangestoten. In wat [appellante sub 1A] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van de STAB over de representativiteit van de gehanteerde bron. De Afdeling ziet verder geen aanleiding voor het oordeel dat, zoals [appellante sub 1A] heeft betoogd, er meer metingen hadden moeten worden verricht dan Peutz heeft gedaan. Naar aanleiding van vragen van de STAB heeft Peutz toegelicht waarom de metingen in het bedrijfspand zijn verricht in de noordoosthoek daarvan. Peutz heeft niet gekozen voor een meetpunt midden op de bedrijfsvloer, omdat naar verwachting de trillingen van een passerende vrachtwagen op die plaats niet boven het achtergrondniveau uitkomt. Dat Peutz hieraan geen metingen ten grondslag heeft gelegd, zoals [appellante sub 1A] met juistheid heeft gesteld, maakt naar het oordeel van de Afdeling als zodanig niet dat het gekozen meetpunt in de noordoosthoek niet representatief kan worden geacht.
Peutz heeft toegelicht waarom volgens haar de gemeten trillingsniveaus in de noordoosthoek overeenstemmen met het trillingsniveau die optreden op de plek in de bedrijfshal waar de trillingsgevoelige
29
installaties staan. De door [appellante sub 1A] geopperde mogelijkheid van versterking van trillingen vanuit de hoek naar het midden van de vloer, doet zich volgens Peutz niet voor. De bedrijfshal heeft een betonnen vloer die op zand rust, zodat trillingen vanuit een hoek van de bedrijfshal, wat een stijf punt betreft, niet via de vloer versterkt worden, aldus Peutz. Dat dit bij een betonvloer op zand niet gebeurt, is volgens haar een feit van algemene bekendheid. Gelet op de toelichting van Peutz, waarvan [appellante sub 1A] de juistheid als zodanig niet heeft betwist, ziet de Afdeling geen aanleiding het gekozen meetpunt in de noordoosthoek van het bedrijfspand onjuist te achten. - metingen ten behoeve van bepaling trillingsgevoeligheid 19. Peutz heeft gedurende een week metingen verricht in de bedrijfshal van [appellante sub 1A] om de trillingsgevoeligheid van het bedrijfsproces te bepalen. De resultaten daarvan zijn neergelegd in de tabellen f2.5, f2.6 en f2.7 van het rapport. Volgens [appellante sub 1A] is onzeker of wel op de juiste plaatsen in de bedrijfshal is gemeten. Zij wijst daarbij op het belang van de plaats van de sensor van de trillingsmeter ten opzichte van de machine(s). In het rapport van Peutz zijn op een luchtfoto van het pand van [appellante sub 1A] de drie gehanteerde meetlocaties weergegeven.
Locatie 1 betreft het kantoor; de locaties 2 en 3 betreffen de productiehal. Locatie 3 is gesitueerd aan het eind van het deel waar de machines geassembleerd en getest worden en waar op korte afstand de machines klaar worden gemaakt voor transport, zo staat in het rapport. De meetlocaties zijn gekozen in overleg met [appellante sub 1A], zo heeft Peutz in reactie op vragen van de STAB laten weten. [appellante sub 1A] heeft dit als zodanig niet betwist. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de meetlocaties onjuist gekozen zijn. [appellante sub 1A] voert aan dat de bron van de gemeten trillingspieken ten onrechte niet is vermeld in het rapport. Zij stelt dat het daarom mogelijk is dat een zeer lokale trilling, bijvoorbeeld veroorzaakt doordat iemand langs de sensor van de trillingsmeter loopt, wordt gezien als een aan de productie gerelateerde trilling. Er had volgens haar in het rapport ten minste onderscheid moeten worden gemaakt tussen de lokale trillingsbelasting door lopen en de trillingsbelasting van andere machines of interne transportmiddelen. Peutz heeft van 20 tot en met 28 februari 2019 metingen verricht naar in de vloer van de bedrijfshal voorkomende trillingen. Daarbij heeft zij de door het bedrijfsproces veroorzaakte trillingen en trillingen die een externe oorzaak hebben gemeten.
Peutz is ervan uitgegaan, zoals in haar notitie van 23 februari 2021 is toegelicht, dat bij de gemeten trillingsniveaus ervan kan worden uitgegaan dat de bedrijfsvoering van [appellante sub 1A] niet nadelig wordt beïnvloed. De bron van de gemeten trillingen is volgens Peutz daarom niet relevant. De STAB deelt deze opvatting. In wat [appellante sub 1A] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling, nu de locatie van de meetpunten juist is gekozen, geen aanleiding voor het oordeel dat de metingen vanwege het niet vermelden van de bron van trillingen, niet deugdelijk zouden zijn verricht. Daarbij komt dat [appellante sub 1A] te kennen heeft gegeven dat het lopen langs een trillingsgevoelige installatie niet relevant is voor het productieproces. Geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat Peutz de metingen van de heersende trillingsniveaus niet deugdelijk heeft verricht. Conclusie over het verrichte onderzoek 20. Gelet op wat hiervoor is overwogen, komt de Afdeling tot de conclusie dat de raad ervan heeft mogen uitgaan dat de door Peutz verrichte metingen deugdelijk zijn verricht.
30
Het betoog over het verrichte onderzoek treft geen doel. Prognose op basis van de metingen 21. Peutz heeft op basis van de verrichte metingen een prognose gegeven van de trillingen die worden verwacht in de vloer van de productiehal als gevolg van de activiteiten van een bedrijf als dat van [partij] in het plangebied. Daarbij is in eerste instantie uitgegaan van de piekwaarde van de trillingssnelheden. Bij de prognose is Peutz ervan uitgegaan dat de op 80 m van de puinbreekinstallatie gemeten trillingsniveaus zich in de nieuwe situatie zullen voordoen in de bodem bij het bedrijfspand van [appellante sub 1A]. Het deel van het nieuwe bedrijfsterrein waarop volgens het bestemmingsplan een puinbreker mag worden gebruikt, ligt op tenminste ongeveer 100 m afstand van het perceel van [appellante sub 1A]. [appellante sub 1A] heeft aangevoerd dat op grond van een verkavelingskaart echter moet worden geconstateerd dat die afstand 89 m is. Nog daargelaten dat die kaart geen onderdeel uitmaakt van het door de raad vastgestelde bestemmingsplan, overweegt de Afdeling dat Peutz in haar prognose, gelet op de gehanteerde trillingsniveaus op een afstand van 80 m, de in de bodem bij het bedrijfspand te verwachten trillingsniveaus niet vanwege die afstand heeft onderschat.
Peutz is verder ervan uitgegaan dat de trillingsniveaus die in de bestaande situatie op 80 m van de puinbreekinstallatie in de bodem zijn gemeten representatief zijn voor de in de nieuwe situatie te verwachten trillingsniveaus, omdat de bodemopbouw in de oude en nieuwe situatie in relevant opzicht gelijk is en mogelijk in de nieuwe situatie iets gunstiger is. Uit verrichte sonderingen komt volgens Peutz naar voren dat de dynamische stijfheid van de massa van de bovenste bodemlagen in de nieuwe situatie lager is dan in de oude. In het rapport van Peutz staat dat de voorkeursfrequentie of eigenfrequentie van de bodem op de huidige locatie van [partij] op 20 Hz ligt. Dit is de frequentie waarbij de bodem met van buitenaf opgelegde trillingen mee gaat trillen, zo begrijpt de Afdeling. Peutz heeft op basis van sonderingsverschillen berekend dat deze frequentie op de nieuwe locatie op 16 Hz zal liggen. Volgens [appellante sub 1A] heeft Peutz niet op deugdelijke wijze de voorkeursfrequentie van de bodem bepaald. Peutz zou volgens haar eraan voorbij zijn gegaan dat bij de desbetreffende metingen trillingen al zijn versterkt door de voorkeursfrequentie van de bodem. Daarmee is de dominante frequentie op het meetpunt die het gevolg is van de dominante aanstootfrequentie van de bron én de voorkeursfrequentie van de bodem bepaald, aldus [appellante sub 1A].
Volgens haar kan dit ertoe leiden dat in de nieuwe situatie trillingen zich juist beter door de bodem verspreiden en Peutz daarom is uitgegaan van te lage trillingsniveaus. In haar notitie van 23 februari 2021 heeft Peutz uiteengezet dat de dominante aanstootfrequenties juist zijn bepaald. In de notitie zijn ter illustratie twee figuren met trillingsniveaus opgenomen. Het betreft metingen die in de bestaande situatie zijn verricht op 10 m van de puinbreekinstallatie. Bij een dergelijke afstand zal nog weinig sprake zijn van invloed van overdracht van de bodem, aldus Peutz. Dit heeft [appellante sub 1A] niet betwist. De figuren geven de trillingssnelheid op twee tijdstippen weer tijdens zowel normaal bedrijf als tijdens het wisselen van lijsten. De Afdeling ziet in wat [appellante sub 1A] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat Peutz ten onrechte ervan is uitgegaan dat de voorkeursfrequentie van de bodem op de bestaande locatie op 20 Hz ligt en die in de nieuwe situatie, die op dezelfde wijze is bepaald, op 16 Hz. Nu niet is betwist dat de puinbreekinstallatie bij 16 Hz een gering lagere aanstoting heeft dan bij 20 Hz, heeft Peutz
31
ervan mogen uitgaan dat de trillingsniveaus in de bodem in de nieuwe situatie ten minste gelijk zijn aan die in de bestaande situatie. In het rapport van Peutz staat dat uit metingen op de productievloer in de bedrijfshal van [appellante sub 1A] blijkt dat over het gehele frequentiespectrum de trillingen van de vloer van de bedrijfshal gelijk of lager zijn dan die van de bodem. Bij 16 en 20 Hz is de trillingssnelheid in de vloer een factor 1,5 à 2 lager dan de trillingssnelheid in de bodem (de overgangsfactor), aldus Peutz. [appellante sub 1A] heeft de juistheid hiervan als zodanig niet betwist. [appellante sub 1A] betoogt dat Peutz weliswaar heeft geconcludeerd dat trillingen als gevolg van vrachtwagenpassages ondergeschikt zijn aan de reeds aanwezige trillingsbelasting in de bedrijfshal, maar dat in het rapport niet is vermeld waar en op welke wijze die trillingen zijn gemeten. Zij acht het mogelijk dat niet van de juiste rijsnelheid is uitgegaan en de trillingsniveaus daardoor zijn onderschat. Daarbij wijst zij op het toekomstige verkeer op de Zomerweg. In de notitie van 23 februari 2021 heeft Peutz toegelicht dat er is gemeten op de Weverij, die direct ten oosten van het perceel van [appellante sub 1A] ligt. De Weverij is een doorgaande weg op het bedrijventerrein ‘t Broek. Peutz heeft niet vermeld van welke rijsnelheid zij in het onderzoek is uitgegaan.
Aan de westzijde van het perceel van [appellante sub 1A] ligt de Zomerweg, die haar perceel scheidt van het nieuwe bedrijfsterrein. De Zomerweg, waar de maximumsnelheid 60 km/u bedraagt, is in het bestemmingsplan ook bestemd tot bedrijfsterrein. Volgens Peutz bedraagt de hoogst gemeten trillingssnelheid (piekwaarde) bij het vervangen van lijsten van de puinbreker 0,69 mm/sec op 80 m en bij het passeren van een beladen vrachtwagen op 10 m 0,14 mm/sec. Als in het onderzoek al zou zijn uitgegaan van een te lage rijsnelheid, dan leidt dat de Afdeling, gelet op het verschil in genoemde trillingssnelheden, niet tot het oordeel dat Peutz er ten onrechte van is uitgegaan dat de niveaus van de trillingen vanwege het vrachtverkeer ondergeschikt zijn aan de niveaus van trillingen ten gevolge van het breken van puin en het vervangen van de slaglijsten. [appellante sub 1A] betoogt dat uit figuur f3.4 in het rapport van Peutz moet worden afgeleid dat de berekende te verwachten trillingsniveaus in de bedrijfshal op locatie 3 in de huidige situatie slechts 13 keer in een week wordt overschreden. Volgens haar betekent dit dat als de toekomstige trillingsniveaus ook maar een klein beetje hoger zijn dan Peutz heeft geprognotiseerd, er al sprake is van een toename van de huidige trillingsniveaus bij [appellante sub 1A].
In de notitie van 23 februari 2021 stelt Peutz dat uit de prognose een trillingsniveau naar voren komt waarbij het duidelijk is dat indien de trillingen van [partij] daaronder blijven, er in ieder geval geen verstoringen in het bedrijfsproces van [appellante sub 1A] te verwachten zijn. Peutz heeft, bij het ontbreken van een objectieve maat waarboven mogelijk verstoring in het bedrijfsproces van [appellante sub 1A] te verwachten is, het heersende trillingsniveau waarbij van de zijde van [appellante sub 1A] is aangeven dat geen verstoringen zijn opgetreden, tot uitgangspunt mogen nemen. De Afdeling overweegt dat de door [appellante sub 1A] gestelde omstandigheid dat in een week niet vaak een hoger trillingsniveau optreedt dan het door Peutz geprognotiseerde trillingsniveau, niet kan leiden tot het oordeel dat de gevolgen van het gebruik van de puinbreekinstallatie in het plangebied voor de bedrijfsvoering van [appellante sub 1A] niet juist zijn geprognotiseerd. Bij de door [appellante sub 1A] bedoelde overschrijdingen treedt immers, ongeacht hoe vaak die zich voordoen, geen verstoring in het bedrijfsproces op. Zoals Peutz in de notitie van 23 februari 2021 heeft opgemerkt, kan het zo zijn dat aanzienlijk hogere trillingsniveaus ook nog mogelijk zijn zonder dat verstoringen in het bedrijfsproces zullen optreden.
32
Gelet op wat hiervoor staat, bestaat in wat [appellante sub 1A] heeft aangevoerd, geen aanleiding voor het oordeel dat de door Peutz gehanteerde uitgangspunten en de gemaakte prognose over de te verwachten trillingsniveaus van het puinbreken en de overige activiteiten, zoals rijden met de shovel, oppakken en verschuiven van gebroken puin met shovel, activiteiten met de kraan en dergelijke, en het verkeer van en naar het bedrijfsterrein onjuist zijn. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat met de in het bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen voor de bedrijfsvoering van [appellante sub 1A] geen onaanvaardbare trillingshinder zal optreden. Het betoog slaagt niet. Stikstofdepositie en Natura 2000-gebieden - relativiteit 22. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat relativiteit in de weg staat aan een inhoudelijke beoordeling van de gronden die Stichting NMA, en [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] hebben aangevoerd over de gevolgen van stikstofdepositie voor de Natura 2000-gebieden "Bekendelle" en "Korenburgerveen". 22.1. Het Natura 2000-gebied Bekendelle is bij besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 25 april 2013 aangewezen als Habitatrichtlijngebied. Dit gebied ligt in de gemeente Winterswijk, op een afstand van ongeveer 8 km van het plangebied.
Het Natura 2000-gebied Korenburgerveen is bij besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 14 september 2014 aangewezen als - kortheidshalve - Habitatrichtlijngebied. Dit gebied ligt in de gemeente Oost-Gelre en Winterswijk, op een afstand van ruim 8 km van het plangebied. 22.2. Artikel 8:69a van de Awb luidt: "De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept." 22.3. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant. 22.4.