Raadsmededeling 171-2022 beantwoording vragen inspraakreacties m.b.t. VVGB bedrijventerrein Westrand Aalten.pdf
Tekst van het document
Onder verwijzing naar haar overzichtsuitspraak van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, over de toepassing van artikel 8:69a van de Awb, overweegt de Afdeling dat wat [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] hebben aangevoerd over de gevolgen van het plan voor de betrokken Natura 2000-gebieden, gelet op het relativiteitsvereiste, niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Zij overweegt hiertoe als volgt. 22.5. De individuele belangen van burgers bij het behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving, waarvan een Natura 2000-gebied deel uitmaakt, kunnen zo verweven zijn met het algemene belang dat de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen. De betrokken Natura 2000-gebieden maken geen deel uit
33
van de directe leefomgeving van [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B]. De afstand tot hun woningen is ten minste 8 km. Gelet daarop bestaat geen verwevenheid van de individuele belangen van [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] bij het behoud van een goede kwaliteit van hun directe leefomgeving met de algemene belangen die de Wnb beoogt te beschermen. Omdat de betrokken normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van de belangen van [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], bestaat geen aanleiding om de beroepsgronden van deze appellanten over de gevolgen van de stikstofdepositie te bespreken. 22.6. Het relativiteitsvereiste kan Stichting NMA niet worden tegengeworpen. Blijkens artikel 2, eerste lid, van haar statuten heeft Stichting NMA tot doel de bescherming en verbetering van natuur, landschap en milieu in de gemeente Aalten en omstreken. Het bestemmingsplan voorziet in een ontwikkeling in de gemeente Aalten. Het Natura 2000-gebied "Bekendelle" ligt op een afstand van minder dan 2,5 km van het grondgebied van de gemeente Aalten in de aangrenzende gemeente Winterswijk. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de betrokken gebieden buiten het werkgebied van Stichting NMA liggen. Hierna zullen de beroepsgronden van de Stichting NMA over de gevolgen van het bestemmingsplan voor de betrokken Natura 2000-gebieden worden besproken.
- ter inzage legging stukken over berekeningen stikstofdepositie 23. Stichting NMA heeft naar voren gebracht dat de raad de berekeningen over stikstofdepositie die ten grondslag liggen aan de vaststelling van het bestemmingsplan, ten onrechte niet met het bestemmingsplan ter inzage heeft gelegd. 23.1. Deze beroepsgrond gaat over een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit en kan alleen al daarom de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheid kan dus geen reden zijn voor de vernietiging van het bestreden besluit. Het betoog slaagt niet. - stikstofuitstoot inhoudelijk 24. Stichting NMA betoogt dat de raad op basis van de passende beoordeling die aan het bestemmingsplan ten grondslag is gelegd, niet de zekerheid heeft verkregen dat het bestemmingsplan de natuurlijke kenmerken van twee Natura 2000-gebieden niet zal aantasten. Zij acht de planregels over stikstofdepositie daarom ontoereikend en rechtsonzeker. Volgens Stichting NMA is ten onrechte extern gesaldeerd. Onduidelijk is of is voldaan aan de voor het extern salderen geldende voorwaarde dat de zogenoemde saldogevende bedrijven feitelijk nog aanwezig waren. Evenmin is duidelijk of die bedrijven hun bedrijfsvoering ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan daadwerkelijk hebben beëindigd, zo stelt zij.
Stichting NMA voert in dit verband ook aan dat niet duidelijk is of de door [partij] op 11 juli 2019 gedane aanvraag om een vergunning ingevolge de Wnb wel verleend kan worden. Zij vraagt zich af of externe saldering tussen industrie en landbouw is toegestaan. Ook is zij van opvatting dat ten onrechte niet is voorzien in een reductie van stikstofdepositie ten opzichte van de bestaande situatie. Stichting NMA betoogt verder dat extern salderen met veehouderijen die op 4 oktober 2019 beschikten over dier- en fosfaatrechten op grond van artikel 6, derde lid, van het stuk "Beleidsregels intern en extern salderen" van het college van gs niet mogelijk is.
34
Zij betoogt verder dat in het bestemmingsplan, gezien artikel 4.4.1, aanhef en onder i, van de planregels, weliswaar is geregeld dat het gebruik van gronden met een bedrijfsbestemming niet is toegestaan als de stikstofdepositie toeneemt met meer dan 0,00 mol/ha/jaar, maar dat dit een drempelwaarde van ten minste 0,004 mol/ha/jaar inhoudt. Zij wijst erop dat binnen het bestemmingsplan meerdere projecten mogelijk zijn met elk een dergelijke toename. Ook is het aantal keren dat een bedrijf gebruik mag maken van die drempelwaarde niet beperkt. Verder heeft de raad bij het vaststellen van het bestemmingsplan ten onrechte geen rekening gehouden met de cumulatieve gevolgen daarvan voor de Natura 2000-gebieden. Zij voert aan dat bij uitvoering van andere plannen en projecten in de omgeving van het plangebied ook stikstofuitstoot kan plaatsvinden. Daarbij wijst zij er onder meer op dat het bestemmingsplan "Kern Aalten 2011" geen beperkingen bevat wat betreft stikstofdepositie en het bestemmingsplan "Landelijk gebied 2015" ook een drempelwaarde van 0,004 mol/ha/jaar bevat. 24.1. In de plantoelichting staat dat als gevolg van de ontwikkeling van het bedrijventerrein en de oprichting van het bedrijf van [partij] de stikstofdepositie toeneemt met ten hoogste 0,18 mol/ha/jr. Daarbij gaat het om het Natura 2000-gebied "Korenburgerveen".
De depositie op het natuurgebied "Bekendelle" neemt toe met 0,14 mol/ha/jr. Verder staat in de plantoelichting dat wanneer er ten behoeve van vestiging van het bedrijf van [partij] in het plangebied ammoniakrechten worden gesaldeerd van de veehouderijen aan de Spiekerdijk 5a en de Klokkemakersweg 6 te Aalten er geen sprake is van een toename in stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden. 24.2. Artikel 2.7 van de Wnb luidt, voor zover relevant: "1. Een bestuursorgaan stelt een plan dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, en dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, uitsluitend vast indien is voldaan aan artikel 2.8, met uitzondering van het negende lid. […]". Artikel 2.8 luidt, voor zover relevant: "1. Voor een plan als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, of een project als bedoeld in artikel 2.7, derde lid, onderdeel a, maakt het bestuursorgaan, onderscheidenlijk de aanvrager van de vergunning, een passende beoordeling van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied. […]; 3.
Het bestuursorgaan stelt het plan uitsluitend vast, en gedeputeerde staten verlenen voor het project, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend een vergunning, indien uit de passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. […]" 24.3. Artikel 4.4.1, aanhef en onder i, van de planregels van het bestemmingsplan, dat betrekking heeft op gronden met de bestemming "Bedrijventerrein", luidt: "Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend het gebruik van gronden en gebouwen, zodanig dat er sprake is van een negatief effect op een
35
Natura 2000-gebied door stikstofdepositie, met dien verstande dat tot een strijdig gebruik met deze bestemming niet wordt aangemerkt: het gebruik van gronden en gebouwen waarvoor op 11 juli 2019 een aanvraag om vergunning ingevolge de Wnb is ingediend bij Gedeputeerde Staten van de Provincie Gelderland - zaaknummer 2019-008818 - en waarvan uit de in bijlage 15 bij de toelichting van het bestemmingsplan opgenomen passende beoordeling is gebleken dat de stikstofdepositie van dit gebruik geen negatief effect veroorzaakt op een Natura 2000-gebied. Artikel 1.39 luidt: "negatief effect op een Natura 2000-gebied door stikstofdepositie: elke toename van stikstofdepositie (groter dan 0,00 mol stikstof) per hectare per jaar op voor stikstof gevoelige habitats en leefgebieden van soorten in een Natura 2000-gebied". 24.4. De Afdeling ziet aanleiding eerst te beoordelen of de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat uit de passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het gebruik waarop die beoordeling ziet, de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden niet zal aantasten. Daarna zal de Afdeling beoordelen of het bestemmingsplan ander gebruik dan het gebruik waarop de passende beoordeling betrekking heeft, mogelijk maakt. - passende beoordeling, extern salderen 24.5.
Voor individuele plannen en projecten die significante gevolgen voor een Natura 2000gebied kunnen hebben, geldt dat deze uitsluitend kunnen worden vastgesteld als uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan of het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. In die passende beoordeling mogen de verwachte voordelen van mitigerende maatregelen - dat zijn maatregelen waarmee wordt beoogd de eventuele schadelijke gevolgen die rechtstreeks uit een plan of project voortvloeien, te voorkomen of te verminderen - worden betrokken, mits die voordelen ten tijde van de passende beoordeling vaststaan. Hieruit kan niet worden afgeleid dat mitigerende maatregelen, zoals extern salderen, alleen in een passende beoordeling kunnen worden betrokken als die leiden tot of bijdragen aan de verbetering of het herstel van het Natura 2000-gebied (zie hiervoor de uitspraak van 30 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2318, r.o. 4.1). Reductie van de depositie na toepassing van extern salderen is geen voorwaarde om extern salderen als mitigerende maatregel in een passende beoordeling te betrekken. Aan de vaststelling van het bestemmingsplan ligt een passende beoordeling ten grondslag, die als bijlage 15 bij de plantoelichting is opgenomen. Bij de berekeningen is gebruik gemaakt van AERIUS Calculator.
In de passende beoordeling zijn de door [partij] voorgenomen bedrijfsactiviteiten, waarvoor zij op 11 juli 2019 een aanvraag om vergunning op grond van de Wnb heeft gedaan, tot uitgangspunt genomen. Ten opzichte van die aanvraag zijn echter enkele wijzigingen doorgevoerd. Het gaat daarbij om een beperking van de bedrijfsuren van de biomassakachel tot 4.380 uren en de mobiele puinbreker tot 1.008 uren, zoals is vastgelegd in de planregels. Als gevolg van de oprichting van het bedrijf [partij] neemt de stikstofdepositie toe tot 0,18 mol/ha/jr, zo staat in de passende beoordeling. Daarin staat verder dat na externe saldering met de natuurvergunningen van de veehouderijen aan de Spiekerdijk 5a en de Klokkemakersweg 6 te Aalten de depositiebijdrage van [partij] 0,00 mol/ha/jr bedraagt. De depositie die extern wordt gesaldeerd, zou ruimschoots voldoende zijn om de depositiebijdrage door de oprichting van [partij] te mitigeren. 24.6. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen kan externe saldering onder voorwaarden als mitigerende maatregel in een passende beoordeling worden betrokken. Die voorwaarden zijn onder meer dat er een directe samenhang dient te bestaan tussen het voorgenomen plan en
36
de salderingsmaatregel, zoals in dit geval de intrekking van de natuurvergunningen. Die directe samenhang kan tot uitdrukking komen in de intrekking van de vergunning waarmee wordt gesaldeerd of een overeenkomst tussen de saldogever en saldonemer over de overname van stikstofdepositie. Verder dient vast te staan dat de bedrijfsvoering van het saldogevende bedrijf daadwerkelijk is of wordt beëindigd (uitspraken van 13 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1931 en 19 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1054). Bij externe saldering in de vorm van een, al dan niet gedeeltelijke, intrekking van een natuurvergunning is verder van belang dat de stikstofdepositie aanwezig was of kon zijn tot het moment van intrekking van de natuurvergunning of het sluiten van de overeenkomst over de overname van de stikstofdepositie ten behoeve van het saldo-ontvangende bedrijf. Anders dan bij extern salderen met een milieutoestemming, geldt niet de voorwaarde dat het bedrijf feitelijk aanwezig is op het moment van intrekken van de natuurvergunning of het sluiten van de overeenkomst over de overname van ammoniakemissie (uitspraken van 27 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:166 en van 30 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2318).
Evenmin geldt als voorwaarde dat, anders dan Stichting NMA veronderstelt, het saldogevende bedrijf haar bedrijfsvoering reeds, al dan niet gedeeltelijk, heeft gestaakt op het moment van het sluiten van de overeenkomst. Voor de veehouderijen aan de Spiekerdijk 5a en de Klokkemakersweg 6 zijn op 17 september 2015 respectievelijk 2 augustus 2013 vergunningen op grond van de Wnb verleend. [partij] heeft ten behoeve van de vestiging van haar bedrijf in het plangebied op 1 juli 2019 en 16 oktober 2019 met de desbetreffende rechthebbenden overeenkomsten gesloten over de overname van ammoniakemissie. Aan de Spiekerdijk wordt de veehouderijtak gedeeltelijk beëindigd en aan de Klokkemakersweg geheel. Op 11 juli 2019 is voor de veehouderij aan de Spiekerdijk 5 een aanvraag om wijziging van de natuurvergunning ingediend bij het college van gs. Op 16 oktober 2019 heeft het college van gs bevestigd dat het verzoek om intrekking van de natuurvergunning voor de veehouderij aan de Klokkemakersweg is ontvangen. In wat Stichting NMA heeft aangevoerd over de voorwaarden waaronder extern salderen mag plaatsvinden, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat extern salderen niet mocht worden betrokken als maatregel in de passende beoordeling.
Geen grond bestaat voor het oordeel dat externe saldering met de natuurvergunningen van de twee bedrijven niet is toegestaan, omdat het gaat om veehouderijen en het bedrijf van [partij] dat niet is. Niet is vereist voor externe saldering dat de veehouderijactiviteiten waarop de overeenkomsten betrekking hebben, ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan waren beëindigd. Vereist is dat vaststaat dat de bedrijfsvoering van het saldogevende bedrijf is of wordt beëindigd. Dat de bedrijfsactiviteiten worden gestaakt staat volgens de raad vast en is door Stichting NMA als zodanig niet bestreden. Verder geldt niet als voorwaarde dat aan het saldoontvangende bedrijf al een natuurvergunning moet zijn verleend op grond van de overeenkomst over overname van stikstofdepositie. Het beleid, neergelegd in het door Stichting NMA genoemde stuk "Beleidsregels intern en extern salderen", wordt door het college van gs gehanteerd bij het beoordelen van een aanvraag om een natuurvergunning waarbij gebruik is gemaakt van intern of extern salderen voor projecten die een effect kunnen hebben op stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden. Dit beleid is niet van toepassing op de vaststelling van een bestemmingsplan.
Dat, zoals Stichting NMA betoogt, niet zou zijn voldaan aan een bepaling daarvan kan dan ook geen reden vormen voor het oordeel dat vanwege de wijze van extern salderen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan niet in stand kan blijven.
37
Het betoog slaagt niet. - staat het bestemmingsplan verschillende projecten met elk een stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/jr toe ? 24.7. Over de vrees van Stichting NMA dat het bestemmingsplan verschillende projecten mogelijk maakt en elk project afzonderlijk tot een toename van de stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied kan leiden hoger dan 0,00 mol/ha/jr overweegt de Afdeling het volgende. In de planregels is niet voorgeschreven op welke wijze de bijdrage aan de stikstofdepositie moet worden bepaald. Stichting NMA heeft met juistheid gesteld dat met toepassing van AERIUS Calculator berekende stikstofdepositie van niet meer dan 0,00 mol/ha/jr niet betekent dat er rekenkundig geen bijdrage is. Omdat de resultaten van AERIUS Calculator worden afgerond op twee decimalen, gaat het bij een stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/jr om een bijdrage kleiner dan 0,005 mol/ha/jr. In artikel 4.4.1, aanhef en onder i, van de planregels van het bestemmingsplan staat dat gebruik van gronden en gebouwen dat een negatief effect heeft op een Natura 2000-gebied, met de bestemming strijdig gebruik is. Het gebruik, waarvoor op 11 juli 2019 een aanvraag om vergunning op grond van de Wnb is gedaan, voor zover daarop de passende beoordeling betrekking heeft, wordt in artikel 4.4.1, aanhef en onder i, expliciet niet als gebruik met een negatief effect op een Natura 2000-gebied aangemerkt.
De verwijzing in dit artikel naar de aanvraag en de passende beoordeling heeft als doel om inzichtelijk te maken om welke bedrijfsactiviteiten van [partij] het gaat. Anders dan Stichting NMA heeft aangevoerd, is het in dit verband daarom niet relevant of zeker is dat de aangevraagde vergunning ook verleend kan worden. In de passende beoordeling is geconcludeerd dat de daarin betrokken bedrijfsactiviteiten na extern salderen een bijdrage aan de stikstofdepositie hebben van niet meer dan 0,00 mol/ha/jr. Het bestemmingsplan staat niet in de weg aan andere bedrijfsactiviteiten dan die waarop de passende beoordeling ziet, zolang dat niet leidt tot een negatief effect op Natura 2000-gebieden. Onder negatief effect wordt op grond van artikel 1.39 verstaan elke toename van stikstofdepositie groter dan 0,00 mol/ha/jr. Er mag dus geen toename zijn van de bijdrage aan stikstofdepositie. Dat betekent dat naast het gebruik, waarvoor op 11 juli 2019 een aanvraag om vergunning op grond van de Wnb is gedaan en voor zover de passende beoordeling daarop betrekking heeft, de overige bedrijfsactiviteiten op gronden met de bestemming "Bedrijventerrein" niet mogen leiden tot een toename van de stikstofdepositie groter dan 0,00 mol/ha/jr op een Natura 2000-gebied.
De Afdeling volgt Stichting NMA daarom niet in haar betoog dat het bestemmingsplan verschillende projecten mogelijk maakt met elk een stikstofdepositie van meer dan 0,00 mol/ha/jr. Het betoog slaagt niet. - cumulatie met andere plannen en projecten 24.8. Nu het bestemmingsplan gebruik niet mogelijk maakt waarbij een bijdrage groter dan 0,00 mol/ha/jr aan de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden optreedt, heeft de raad geen onderzoek naar cumulatieve effecten in verband met deze activiteiten hoeven uitvoeren (zie hiervoor bijvoorbeeld de uitspraak van 8 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1573). Conclusie passende beoordeling 25. Het bestemmingsplan staat gebruik toe dat na externe saldering zal leiden tot een toename kleiner dan 0,00 mol/ha/jr op de Natura 2000-gebieden Korenburgerveen en Bekendelle. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat dit niet in de weg staat aan de
38
vaststelling van het bestemmingsplan. Voor zover Stichting NMA heeft betwist dat de raad zich op grond van die bijdrage niet ervan heeft kunnen verzekeren dat de natuurlijke kenmerken van die gebieden niet zullen worden aangetast, heeft zij dat niet onderbouwd. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het bestemmingsplan vanwege de gevolgen voor de Natura 2000-gebieden niet heeft mogen vaststellen. Het betoog slaagt niet. Uitvoerbaarheid 26. Voor zover Stichting NMA met haar betoog over het in het stuk "Beleidsregels intern en extern salderen" neergelegde beleid heeft bedoeld aan te voeren dat het bestemmingsplan niet uitvoerbaar is als [partij] een natuurvergunning nodig heeft waarvoor de Beleidsregels wel gelden, overweegt de Afdeling het volgende. Zoals is overwogen in de uitspraak van 30 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2318, bevat de Wnb in de artikelen 2.7, eerste lid en 2.8, een afzonderlijk toetsingskader voor plannen die significante gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Daarnaast is op grond van artikel 2.7, tweede lid, een natuurvergunning vereist voor projecten die significante gevolgen kunnen hebben. Omdat voor Natura 2000-gebieden is voorzien in een afzonderlijk toetsingskader voor plannen, hoeft bij plannen niet te worden ingegaan op de uitvoerbaarheid van het plan in relatie tot een mogelijk vereiste natuurvergunning.
Het betoog slaagt niet. Luchtkwaliteitseisen 27. [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] voeren aan dat het bestemmingsplan leidt tot een onacceptabele luchtkwaliteit ter plaatse van hun woningen. Zij betogen dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen concluderen dat de gevolgen die het bestemmingsplan zal hebben voor de luchtkwaliteit ter plaatse zodanig zijn dat de ontwikkeling die het plan mogelijk maakt in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Zij voeren daartoe aan dat bij het onderzoek naar luchtkwaliteit ten onrechte niet is uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden. De specifieke inrichting van het plangebied en de bedrijfsvoering is niet vastgelegd in het bestemmingsplan, zo stellen zij. [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] vrezen dat hierdoor een goed woon- en leefklimaat niet is gegarandeerd. Stichting NMA voert aan dat niet duidelijk is of in het onderzoek ervan is uitgegaan dat de beste beschikbare technieken worden toegepast. 27.1. Bij het vaststellen van een bestemmingsplan dienen ingevolge artikel 5.16, tweede lid, van de Wet milieubeheer de grenswaarden met betrekking tot luchtkwaliteitseisen in acht te worden genomen. Deze grenswaarden staan in bijlage 2 van de Wet milieubeheer. 27.2. In de plantoelichting staat in paragraaf 5.5 dat in het kader van de bestemmingsplanprocedure een luchtkwaliteitsonderzoek is uitgevoerd.
Hierbij is rekening gehouden met alle bedrijfsactiviteiten. De concentraties luchtverontreinigende stoffen zijn uitgerekend en getoetst ter plaatse van de relevante beoordelingslocaties in de directe omgeving. Op basis van het uitgevoerde luchtkwaliteitsonderzoek kan worden geconcludeerd dat op alle beoordelingspunten wordt voldaan aan de op de desbetreffende punten te toetsen grenswaarden, zo staat in de plantoelichting. 27.3. De raad heeft aan het bestemmingsplan het rapport "Planontwikkeling terrein Firma
39
[partij] Aalten" van 12 mei 2017 van Antea Group ten grondslag gelegd. In dit rapport zijn de resultaten neergelegd van een onderzoek naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit. In het rapport staat dat is uitgegaan van de activiteiten van [partij]. In het rapport zijn de volgende activiteiten betrokken: het rijden van motorvoertuigen van en naar het bedrijfsterrein, het rijden van motorvoertuigen op het bedrijfsterrein, het (stationair) draaien van vrachtvoertuigen (laden, lossen en wegen), het gebruik van mobiele werktuigen als shovels, heftrucks en mobiele kranen, het in werking hebben van een stookinstallatie (biomassakachel met een capaciteit van 0,5 MW), het breken van puin, shredderen en mogelijke verstuiving bij opslag en laad- en losactiviteiten. Op basis hiervan zijn de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide (N02) en fijn stof (PM10) berekend. Uit het aan het rapport ten grondslag liggende onderzoekkomt naar voren dat op alle beoordelingspunten wordt voldaan aan de te toetsen grenswaarden uit bijlage 2 van de Wet milieubeheer. Volgens het rapport zullen ook de jaargemiddelde concentraties van PM2,5 de grenswaarde voor deze stof niet overschrijden.
Voor een beoordeling van de overige luchtverontreinigende stoffen waarvoor in de Wet milieubeheer grenswaarden zijn opgenomen, wordt in het rapport opgemerkt dat het aannemelijk is dat de grenswaarden voor die stoffen niet worden overschreden. 27.4. De planregels staan er niet aan in de weg dat [partij] binnen de grenzen van wat op grond van artikel 4.1 is toegestaan, andere bedrijfsactiviteiten verricht dan zoals betrokken in het rapport . In zoverre kunnen de maximale planologische mogelijkheden resulteren in activiteiten met een grotere emissie naar de lucht dan waarvan in het onderzoek is uitgegaan. Op de zitting is namens de raad toegelicht dat in het rapport is uitgegaan van een sterke worst-case situatie. De Afdeling constateert dat in het rapport inderdaad op onderdelen is uitgegaan van een worst-case benadering. Dit heeft tot gevolg dat de gevolgen voor de luchtkwaliteit van de in het onderzoek betrokken activiteiten is overschat. Zo is in het onderzoek uitgegaan van een bedrijfstijd van de mobiele puinbreker van 1.200 uren per jaar, terwijl in de planregels is opgenomen dat die niet meer dan 84 uur per maand in bedrijf mag zijn. Verder is in het rapport uitgegaan van een bedrijfsduur van de biomassakachel van 8.760 uren op jaarbasis, wat neerkomt op 24 uren per dag gedurende alle dagen van het jaar.
In artikel 4.4.8, aanhef en onder a, van de planregels staat echter dat de biomassakachel gedurende ten hoogste zes maanden per jaar mag worden gebruikt. In het deskundigenbericht van de STAB staat dat, mede gezien de relatief lage achtergrondwaarden, ook als er andere bedrijfsactiviteiten in het plangebied worden verricht dan waarvan in het rapport is uitgegaan, geen overschrijdingen van de grenswaarden in bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn te verwachten. De STAB heeft weliswaar kanttekeningen geplaatst bij de in artikel 4.4.8, aanhef en onder b, van de planregels vermelde capaciteit van de biomassakachel, maar die hebben betrekking op het artikel in het in 2018 vastgestelde bestemmingsplan. Een met biomassa gestookte kachel of -centrale is volgens het artikel in het in 2019 vastgestelde bestemmingsplan alleen toegestaan als de capaciteit niet meer bedraagt dan 0,5 MW. In het onderzoek is uitgegaan van een biomassakachel die daaraan voldoet. Als in het rapport niet zou zijn uitgegaan van toepassing van de beste beschikbare technieken, zoals Stichting NMA aanvoert, dan leidt dat niet tot de conclusie dat de gevolgen voor luchtkwaliteit zijn onderschat.
De Afdeling ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de conclusie van de STAB dat ook bij de maximale invulling van de planologische mogelijkheden aan de grenswaarden van bijlage 2 van de Wet milieubeheer kan worden voldaan. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad heeft gehandeld in strijd met artikel 5.16,
40
tweede lid, van de Wet milieubeheer. Het betoog slaagt niet. 27.5. Voor zover [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] betogen dat vanuit een oogpunt van luchtkwaliteit sprake is van een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat, ziet de Afdeling daarvoor geen aanleiding. Hiervoor is geconcludeerd dat wordt voldaan aan de in de Wet milieubeheer gestelde eisen voor de luchtkwaliteit. Dit vormt een indicatie dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit betekent echter niet zonder meer dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gegeven. Nu [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] geen concrete punten hebben aangedragen waarom geen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat vanwege luchtkwaliteit, ziet de Afdeling in het betoog geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het bestemmingsplan niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen. Het betoog treft geen doel. Geur 28. [appellante sub 1A] en [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] vrezen onaanvaardbare geurhinder als gevolg van de bedrijfsactiviteiten die door het bestemmingsplan op het nieuwe bedrijventerrein mogelijk worden gemaakt. Zij betogen dat in het geuronderzoek dat aan het bestemmingsplan ten grondslag ligt ten onrechte niet is uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt.
Volgens [appellante sub 1A] is gerekend met een te beperkte hoeveelheid groenafval, biomassa en bedrijfsafval. Verder voert zij aan dat in het geuronderzoek geen rekening is gehouden met het feit dat de geurbelastende activiteiten, zoals de milieustraat en de verwerking van groenafval, op andere plekken op het bedrijfsperceel kunnen plaatsvinden dan waarvan in het onderzoek is uitgegaan. [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] achten het niet juist dat geuremissie van voertuigen niet is betrokken bij het onderzoek. Ook is volgens hen de cumulatie van de geur van [partij] met de geur van de omliggende bedrijven onvoldoende in de beoordeling betrokken. [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] betwisten dat bij hun woningen aan de door de raad gehanteerde geurnormen wordt voldaan. De raad heeft hun woningen ten onrechte niet aangemerkt als woningen die verspreid liggen in het buitengebied. De daarvoor geldende streefwaarden voor geur worden volgens hen overschreden. Zij stellen dat de geur vanuit het plangebied als hinderlijker wordt ervaren dan waarvan in het onderzoek is uitgegaan. Naar hun mening dient in het bestemmingsplan zekerheid te worden geboden dat de geurveroorzakende activiteiten op het bedrijfsperceel zoveel mogelijk inpandig zullen plaatshebben. 28.1.
De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat ten gevolge van het plan zich geen onaanvaardbare geurhinder zal voordoen. In de plantoelichting staat dat uit het onderzoek naar de geurhinder van de activiteiten van het bedrijf van [partij] volgt dat de geurbelasting op de omringende geurgevoelige bestemmingen lager is dan de streefwaarde volgens het geurbeleid van de Provincie Gelderland. Daarmee wordt voldaan aan het toetsingskader voor nieuwe activiteiten en kan worden geconcludeerd dat de kans op geurhinder minimaal is, zo staat in de plantoelichting. 28.2. Op de in het bestemmingsplan voorziene ontwikkelingen is artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit milieubeheer van toepassing. In het eerste lid staat dat indien bij een activiteit emissies naar de lucht plaatsvinden, daarbij geurhinder bij geurgevoelige objecten
41
wordt voorkomen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is de geurhinder tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt. De raad heeft, zo begrijpt de Afdeling, voor de beoordeling of geurhinder wordt voorkomen dan wel tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt, aansluiting gezocht bij het beleid van het college van gs van Gelderland, neergelegd in het stuk "Beleidsregel van Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland houdende regels omtrent geur bedrijven Beleidsregels geur bedrijven (niet-veehouderijen) Gelderland 2017" (hierna: beleidsregel geur) van 10 maart 2017. 28.3. Aan het bestemmingsplan liggen de resultaten van een onderzoek van Olfasense B.V. naar de geurgevolgen voor de omgeving ten grondslag. De resultaten van dat onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Firma [partij] te Aalten" van januari 2017. In het onderzoek zijn bedrijfsactiviteiten van [partij], die zij op verschillende locaties in Aalten uitoefent, tot uitgangspunt genomen. In het geurrapport staat dat bij afvalverwerking in het plangebied de handelingen met groenafval de voor geur meest relevante stroom is. Daarbij gaat het om het verkleinen van groenafval en de op- en de overslag van het verkleinde groenafval, de biomassa.
In het onderzoek is ervan uitgegaan dat de milieustraat op het noordelijke deel van het nieuwe bedrijventerrein, de verwerking van groenafval in het middendeel en de overslag van onder meer bedrijfsafval op het achterterrein plaatsvindt. In het rapport zijn berekeningen van de geuremissie gemaakt, uitgaande van een bepaalde capaciteit/doorzet, duur en geuremissie. Daarbij is uitgegaan van worst case, zo staat in het rapport. Voor zover de milieustraat op een andere plek op het bedrijfsterrein kan worden geplaatst dan waarvan in het onderzoek is uitgegaan, is dat voor de uitkomsten van het geuronderzoek niet relevant. In het rapport staat dat de milieustraat geen geurrelevante bron is, omdat groenafval pas geurrelevant is nadat het is verkleind. De Afdeling ziet geen aanleiding aan de juistheid hiervan te twijfelen. Geen grond bestaat verder voor het oordeel dat geur van verkeersbewegingen ten onrechte niet in het onderzoek is betrokken. De Afdeling constateert dat in het bestemmingsplan weliswaar, zoals [appellante sub 1A] heeft aangevoerd, geen beperkingen zijn opgenomen van de doorzet van afvalstromen, maar dat er geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de omvang van de afvalstromen niet overeenkomt met de afvalstromen op de verschillende locaties van [partij].
Daarbij komt dat in het bestemmingsplan groencompostering, anders dan in het in 2018 vastgestelde bestemmingsplan, niet is toegestaan. In het onderzoek van Olfasense zijn handelingen die op composteren zien, wel meegenomen en als de voor geur meeste relevante geurbron aangemerkt. Op de zitting heeft de raad toegelicht dat nu het bestemmingsplan composteren niet mogelijk maakt, er geen noemenswaardige geurhinder is te verwachten. Dit is door [appellante sub 1A] en [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] als zodanig niet betwist. Geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat als de verwerking van groenafval in de praktijk op een andere plek op het bedrijfsterrein zal plaatsvinden dan waarvan in het onderzoek is uitgegaan, er wel noemenswaardige geurhinder zal optreden. Onder deze omstandigheden heeft de raad ervan mogen uitgaan dat de geuremissie niet hoger zal zijn dan in het rapport is berekend. De betogen treffen in zoverre geen doel. 28.4. Olfasense heeft onderzoek verricht naar de hinderlijkheid van de geur. Een hedonische waarde geeft informatie over de mate waarin een geur aangenaam is om te ruiken, of niet. Voor de opslag en handelingen met biomassa is een hedonische waarde van H=-1
42
vastgesteld bij 28 OUE/m3. Dat zou betekenen dat het gaat om "niet-hinderlijke" geuren. Zekerheidshalve is echter in het onderzoek getoetst aan de toetswaarden, behorend bij de categorie "minder hinderlijk". De achtergrond daarvan is dat hedonische metingen bij groencomposteringen over het algemeen resulteren in een hedonische waarde van H=-2 bij meer dan 5 OUE/m3, maar niet altijd boven 15 OUE/m3, zo staat in het rapport. Nog daargelaten dat deze kwalificatie van de geur (mede) ziet op compostering, wat het bestemmingsplan niet toestaat, ziet de Afdeling in de enkele stelling van [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] dat de geur van bedrijfsactiviteiten die het bestemmingsplan mogelijk maakt, moet worden aangemerkt als "hinderlijk" in de zin van de beleidsregel geur, geen aanleiding voor het oordeel dat in het onderzoek van een te lichte hedonische waarde is uitgegaan. Olfasense heeft verspreidingsberekeningen gemaakt. Op foto’s in het rapport zijn geurcontouren weergegeven. Uit artikel 7 en artikel 8 van de beleidsregel geur valt te herleiden dat voor de geur bij geurgevoelige objecten categorie A een streefwaarde van 0,5 OUE/m³, een richtwaarde van 1,5 OUE/m³ en een grenswaarde van 5 OUE/m³ als 98-percentiel geldt.
Voor geurgevoelige objecten in categorie B gelden een streefwaarde van 1,5 OUE/m³, een richtwaarde van 5 OUE/m³ en een grenswaarde van 15 OUE/m³ als 98-percentiel. In het rapport staat dat bij T10 een geurbelasting optreedt van 0,4 OUE/m3 als 98percentielwaarde. De woningen van Zandvliet en [appellant sub 3B] liggen bij dit toetspunt. In het rapport staat verder dat de woningen T1-T10 enkele verspreid liggende woningen en bedrijfswoningen betreffen. In het rapport wordt geconcludeerd dat de berekende geuremissie op de toetspunten lager is dan de streefwaarde. Anders dan waarvan [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] uitgaan, betekent dit niet dat hun woningen als woningen in categorie B zijn beschouwd. De berekende waarde van 0,4 OUE/m3 is lager dan de voor een woning in categorie A geldende streefwaarde van 0,5 OUE/m3 als 98-percentiel. Dat in het rapport staat dat de woningen T1-T10, gezien het agrarische karakter van het buitengebied kunnen worden aangemerkt als behorende tot categorie B, doet hier niet aan af. Nu aan de streefwaarde wordt voldaan, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat in de planregels had moeten worden bepaald dat geurveroorzakende activiteiten zoveel mogelijk inpandig moeten worden verricht.
Evenmin had de raad hierin aanleiding moeten zien om in de planregels vast te leggen dat wat betreft geur de beste beschikbare technieken moeten worden toegepast. Gelet op wat hiervoor staat, is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bestemmingsplan niet leidt tot onaanvaardbare geurhinder voor [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B]. In wat [appellante sub 1A] heeft aangevoerd, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad er niet van mocht uitgaan dat voor medewerkers van [appellante sub 1A] in en nabij de bedrijfsbebouwing op haar perceel ten gevolge van een bedrijf in het plangebied geen onaanvaardbare geurhinder optreedt. Daarbij kon de raad betekenis toekennen aan de ligging van het bedrijf op het industrieterrein. Het betoog slaagt niet. 28.5. Voor zover [appellante sub 1A] en [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] hebben betoogd dat het bestemmingsplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, omdat mede vanwege cumulatie van geurhinder een goed verblijfsklimaat dan wel woon- en leefklimaat niet is gegarandeerd, overweegt de Afdeling als volgt.
43
De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat in de geurvisie van de gemeente Aalten bij een achtergrondbelasting van 20 OUE/m3 nog een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in het buitengebied kan worden bereikt en dat daaraan ruim wordt voldaan bij woningen in de omgeving van het nieuwe bedrijventerrein die geurbelasting van veehouderijen ondervinden. In het rapport staat dat op de dichtstbij het nieuwe bedrijventerrein gelegen woning aan de Akkermateweg vanwege de naastgelegen veehouderij de geurbelasting relatief hoog is. Hoewel de geurbelasting van een industriële bron en een veehouderij niet zomaar bij elkaar kunnen worden opgeteld, kan wel inzicht worden verkregen in de cumulatieve geurbelasting, zo staat in het rapport. De gecumuleerde geurbelasting bedraagt op de woning 14,5 OUE/m3. Dit is ruim lager dan de geurbelasting die de raad nog aanvaardbaar acht in het buitengebied. Gelet hierop kon de raad ervan uitgaan dat voor [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] een goed woon- en leefklimaat is gegarandeerd. Op de verbeelding van het bestemmingplan is een zonering vanwege geurbelasting van veehouderijen aangebracht. Daaruit kan worden afgeleid dat het bedrijfsperceel van [appellante sub 1A] niet in de geurcontour van een veehouderij ligt.
Nu [appellante sub 1A] niet heeft onderbouwd van welke bedrijven zij naast een bedrijf in het plangebied geurhinder zou ondervinden, bestaat reeds daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het bestemmingsplan niet heeft mogen vaststellen vanwege cumulatie van geurhinder voor [appellante sub 1A]. Het betoog slaagt niet. Stofhinder 29. [appellante sub 1A] vreest voor stofhinder van de bedrijfsactiviteiten in het plangebied. Zij wijzen er daarbij op dat de parkeerplaatsen voor hun cliënten zich op zeer korte afstand bevinden van het bedrijfsterrein. 29.1. Antea Group heeft blijkens het rapport "Planontwikkeling terrein Firma [partij] Aalten" van 12 mei 2017 onderzoek gedaan naar stofemissie als gevolg van opslag van stuifgevoelige stoffen en overslag. De raad heeft in de resultaten van het onderzoek geen aanleiding gezien voor het oordeel dat onaanvaardbare stofhinder zal optreden. [appellante sub 1A] heeft niet naar voren gebracht dat het onderzoek niet deugdelijk is verricht. Het Activiteitenbesluit milieubeheer bevat artikelen ter voorkoming en beperking van stofhinder. Er kunnen door het bevoegd gezag maatwerkvoorschriften worden gesteld. Ook kunnen in een omgevingsvergunning milieu, als die is vereist, voorschriften over de beperking van stofhinder worden gesteld.
Daarmee kan stofhinder voor woningen en andere meer of minder gevoelige objecten voldoende worden beperkt dan wel voorkomen. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad er niet van heeft mogen uitgaan dat onaanvaardbare stofhinder zich niet zal voordoen. Het betoog treft geen doel. Landschappelijke inpassing 30. [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] en Stichting NMA betogen dat met het bestemmingsplan niet is voorzien in een goede landschappelijke inpassing van het bedrijfsperceel. De wijze van inpassing is volgens hen niet in overeenstemming met de in het vooroverleg gemaakte afspraken. Stichting NMA verwijst hierbij naar haar ingebrachte
44
zienswijze en een inspraaknotitie. Zij brengt verder naar voren dat de bomenrij langs de Zomerweg behouden zou blijven. [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] voeren aan dat nu de gemeente het onbebouwde perceel van [appellant sub 3B] aan de zuidzijde van het plangebied niet heeft gekocht, de totstandkoming van een groene buffer niet is gegarandeerd, zodat er onvoldoende garanties zijn voor een landschappelijke inpassing van het bedrijventerrein aan de zuidzijde. 30.1. De raad stelt zich op het standpunt dat in het bestemmingsplan is voorzien in een goede landschappelijke inpassing van het bedrijventerrein. 30.2. In het bestemmingsplan hebben gronden langs de west- en zuidzijde een groenbestemming gekregen. De stroken hebben een breedte van ongeveer 20 m. In artikel 5.1, aanhef en onder a en d, van de planregels staat dat de voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen en landschappelijke inpassing en ter plaatse van de aanduiding 'geluidwal', voor een grond- en/of geluidswal. Ten zuiden van het bedrijfsperceel hebben gronden een natuurbestemming gekregen. Buiten het plangebied staan aan de noordzijde langs de Sondernweg bomen. In de plantoelichting staat dat de bestaande groenstructuren in de omgeving van het plangebied gehandhaafd blijven.
Als bijlage 2 van de planregels is een rapport van 15 maart 2016 van Natuurbank Overijssel "Landschappelijk inpassing Bedrijventerrein Westrand" opgenomen. Het rapport gaat uit van de aanleg van een 20 m brede groensingel aan de west- en zuidzijde van het bedrijfsperceel. In deze strook wordt een aardenwal met een hoogte van 6 m aan de zijde van het bedrijfsperceel gerealiseerd. Er is voorzien in inheemse beplanting van de strook. In artikel 4.4.4 van de planregels is de uitvoering van de landschappelijke inpassing, zoals opgenomen in het rapport, geregeld met een voorwaardelijke verplichting. Het gebruik van gronden en gebouwen ten behoeve van het in artikel 4.1 toegelaten gebruik is niet toegestaan, indien ter plaatse van de bestemming 'Groen' geen landschappelijke inpassing is aangelegd dan wel in stand wordt gehouden, overeenkomstig bijlage 2 van de planregels. 30.3. In de nota van zienswijzen staat in reactie op een zienswijze van Stichting NMA dat ten aanzien van de omvang van westelijke groenzone geen harde afspraken zijn gemaakt. Een strook met een breedte van 20 m vindt de raad voldoende om te kunnen spreken van een robuuste groenzone aan de westzijde. Binnen een strook met die breedte kan groen zich volwaardig ontwikkelen. 30.4.
Voor zover Stichting NMA meent dat is toegezegd dat de groenstrook 30 m breed zou worden, overweegt de Afdeling dat zij dat niet aannemelijk heeft gemaakt. In de stukken, die Stichting NMA heeft opgesteld, staat niet meer dan dat een wethouder heeft toegezegd dat de strook 20 m zal worden. Op de zitting heeft Stichting NMA gezegd dat zij ervan is uitgegaan dat de aardenwal niet in de groenstrook zou worden voorzien, maar daarlangs, zodat de groenstrook breder zou zijn. Zij heeft echter geen stukken ingebracht waaruit blijkt dat de raad hierover afspraken heeft gemaakt en zij gerechtvaardigd daarvan mocht uitgaan. Stichting NMA heeft verder niet onderbouwd dat afspraken zijn gemaakt over het behoud van de bomen aan de Zomerweg. 30.5. De raad heeft zich op het standpunt mogen stellen dat met een groenstrook met een breedte van 20 m en daarin een aardenwal is voorzien in een goede landschappelijke inpassing aan de zuid- en westzijde van het plangebied. De omstandigheid dat de gemeente de gronden van [appellant sub 3B], die direct ten zuiden van het zuidelijke deel van de
45
groenstrook liggen en een natuurbestemming hebben gekregen, (nog) niet heeft verworven, doet hieraan niet af. Het inpassingsplan ziet niet mede op dat perceel. Ook zonder dat dat perceel wordt ingericht als natuurgebied, zoals artikel 6.1 van de planregels mogelijk maakt, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de landschappelijke inpassing van het nieuwe bedrijventerrein voldoende is verzekerd. 30.6. Over de inpassing aan de oostzijde van het plangebied overweegt de Afdeling het volgende. De Zomerweg ligt ten oosten van het bedrijfsperceel en scheidt het bedrijfsperceel van het bestaande bedrijventerrein ’t Broek. Langs de Zomerweg staan bomen. De Zomerweg heeft een bedrijfsterreinbestemming gekregen, net zoals de stroken grond aan weerszijden van die weg. In de nota van zienswijzen staat dat aan de oostzijde geen sprake is van een landschappelijke inpassing van het bedrijfsterrein met opgaande beplanting, omdat hier de aansluiting op het bestaande deel van bedrijventerrein ‘t Broek is voorzien. Een deel van het groen aan de Zomerweg, voor zover dit grenst aan het nieuwe bedrijfsterrein komt te vervallen. De afschermende functie van de dit groen is met de realisering van dit plan niet langer functioneel, zo staat in de nota.
Aangezien het nieuwe bedrijventerrein grenst aan het bestaande bedrijventerrein heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het niet nodig is om tussen die bedrijventerreinen te voorzien in een landschappelijke inpassing. De betogen treffen geen doel. Conclusie 31. Gelet op het voorgaande zijn de beroepen ongegrond. 32. Het college moet de proceskosten niet vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het beroep van [appellante sub 1A] en [appellante sub 1B] niet-ontvankelijk, voor zover dat is ingediend door [appellante sub 1B]; II. verklaart dat beroep, voor zover het is ingediend door [appellante sub 1A], en de andere beroepen ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, mr. J.Th. Drop en mr. B. Meijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, griffier. De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. Uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2021 163.
Bijlage Wet geluidhinder Artikel 1
46
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:| ander geluidsgevoelig gebouw: bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen gebouw, niet zijnde een woning, dat vanwege de bestemming daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft, waarbij wat betreft de bestemming wordt uitgegaan van het gebruik dat is toegestaan op grond van het bestemmingsplan, de beheersverordening, bedoeld in artikel 3.38 van de Wet ruimtelijke ordening, of, indien met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening is afgeweken, de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van laatstgenoemde wet; industrieterrein: terrein waaraan in hoofdzaak een bestemming is gegeven voor de vestiging van inrichtingen en waarvan de bestemming voor het gehele terrein of een gedeelte daarvan de mogelijkheid insluit van vestiging van inrichtingen, behorende tot een bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorie van inrichtingen, die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken.
Artikel 40 Indien bij de vaststelling van een bestemmingsplan aan gronden een zodanige bestemming wordt gegeven dat daardoor een industrieterrein ontstaat, wordt daarbij tevens een rond het betrokken terrein gelegen geluidzone vastgesteld, waarbuiten de geluidsbelasting vanwege dat terrein de waarde van 50 dB(A) niet te boven mag gaan. Artikel 41 1. Een krachtens artikel 40 vastgestelde zone kan uitsluitend worden gewijzigd of opgeheven bij vaststelling of wijziging van een bestemmingsplan, met dien verstande dat opheffing alleen kan plaatsvinden wanneer de bestemming van het betrokken terrein zodanig is gewijzigd dat het geen industrieterrein meer is. Artikel 42 1. Bij het voorbereiden van de vaststelling of wijziging van een zone, wordt vanwege burgemeester en wethouders een akoestisch onderzoek ingesteld naar: a. de geluidsbelasting die door woningen binnen de ontworpen zone, alsmede door andere geluidsgevoelige gebouwen of door geluidsgevoelige terreinen, vanwege het industrieterrein ten hoogste zou kunnen worden ondervonden zonder de invloed van maatregelen die de geluidsbelasting beperken; b.
de doeltreffendheid van de in aanmerking komende maatregelen om te voorkomen dat de in de toekomst vanwege het industrieterrein optredende geluidsbelasting van de onder a bedoelde objecten de waarden die ingevolge de artikelen 44 en 47, eerste lid, als ten hoogste toelaatbare worden aangemerkt, te boven zou gaan. 2. Indien wordt overwogen toepassing te geven aan artikel 45, 46 of 47, tweede lid, heeft het akoestisch onderzoek tevens betrekking op de doeltreffendheid van de maatregelen om te voldoen aan de vast te stellen hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting. Artikel 44 De ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vanwege het betrokken industrieterrein, van de gevel van woningen binnen een krachtens artikel 40 vast te stellen zone is, behoudens artikel
47
45, 50 dB(A). Artikel 45 1. Voor de ter plaatse ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting, bedoeld in artikel 44, kan een hogere dan de in dat artikel genoemde waarde worden vastgesteld, met dien verstande dat deze waarde voor geprojecteerde woningen 55 dB(A) en voor aanwezige of in aanbouw zijnde woningen 60 dB(A) niet te boven mag gaan. Artikel 46 1. Bij wijziging van een zone kan de ingevolge artikel 44 of 45 geldende waarde voor woningen in dat gebied worden gewijzigd. 2. Een verhoging van de in het eerste lid bedoelde waarde mag ten hoogste 5 dB(A) bedragen, met dien verstande dat: a. degene ten behoeve van wie de waarde wordt verhoogd heeft verklaard dat hij uiterlijk gelijktijdig met de verhoging financiële middelen ter beschikking stelt ten behoeve van de uitvoering van maatregelen om de geluidsbelasting vanwege het industrieterrein, van de gevels van woningen die door de wijziging van de zone dan wel vaststelling van het bestemmingsplan een hogere geluidsbelasting ondervinden te beperken en te voldoen aan artikel 111b, eerste lid, onder b, en b. de waarde van wat ten tijde van de eerste zonevaststelling geprojecteerde woningen betreft 55 dB(A) en wat ten tijde van de eerste zonevaststelling aanwezige of in aanbouw zijnde woningen betreft 60 dB(A) niet te boven mag gaan. Artikel 48 1.
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan of van een wijzigings- of uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de Wet ruimtelijke ordening dat geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op gronden die krachtens die vaststelling gaan of blijven behoren tot een zone, worden ter zake van de geluidsbelasting, vanwege het industrieterrein, van de gevel van woningen, van andere geluidsgevoelige gebouwen en aan de grens van geluidsgevoelige terreinen binnen de zone de waarden in acht genomen, die ingevolge artikel 44, onderscheidenlijk 47, eerste lid, als de ten hoogste toelaatbare worden aangemerkt. 2. […]; 3. De artikelen 42 en 43 zijn van overeenkomstige toepassing in geval van vaststelling van een bestemmingsplan of van een wijzigings- of uitwerkingsplan dat geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op gronden, reeds behorende tot een krachtens artikel 40 vastgestelde zone. Besluit geluidhinder Artikel 1.2 1. Als ander geluidsgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 1 van de wet worden aangewezen: a. een onderwijsgebouw; b. een ziekenhuis; c. een verpleeghuis;
48
d. een verzorgingstehuis; e. een psychiatrische inrichting; f. een kinderdagverblijf.
49
Inspreekreactie beeldvormende bijeenkomst 8 november 2022 Voorstel tot afgifte van een (ontwerp) verklaring van geen bedenkingen ten behoeve van het verlenen van een omgevingsvergunning aan H.J. Aalbers en Zoon Transport B.V. Ik zag een krantenartikel voorbijkomen met plannen rondom Aalbers waarin werd verzocht voor een vvgb voor de firma Aalbers. Dan ga je kijken wat er dan precies aan de hand is. 1. Wat is nu echt de verandering? Wat is er nu anders waardoor deze verklaring gevraagd wordt. Wat is feitelijk het verschil tussen de 1ste en de 2de aanvraag. 2. Een zorgpunt dat er zit. Is er nog meer behoefte om nog meer groen te gaan verscredderen en composteren enz. Wat doet dat precies met geur voor het gebied. 3. Is de verwerking enkel met producten / afval die in Aalten wordt geproduceerd of heeft het een meer regionale functie. Als dat zo is, hoort het dan wel thuis op het bedrijventerrein Aalten of hoor dit dan op een regionaal bedrijventerrein plaats te vinden. 4. Wat als de gemeenteraad ‘nee’ zegt. Dat heeft nogal consequenties. Aalbers zal dan wellicht niet meer doorgaan met het traject. Hoe rijmt dit dan met alle activiteiten die daar nu op dit moment al plaatsvinden. Er zijn al gigantische hoeveelheden grond verzet, er liggen bergen puin. Wordt dan alles weer teruggebracht in de oude staat.
Als er überhaupt nog geen vergunning is, spreken we dan over illegale activiteiten, daar. 5. Stikstof is aan de orde van de dag. Is er hier wel vergunning voor de activiteiten die plaatsvinden. Is hier sprake van extra ruimte die dadelijk nodig is waarbij extra activiteiten plaatsvinden. En is daar qua stikstof ook voldoende ruimte voor geregeld.
Verzocht wordt de vragen naar het college door te spelen voor beantwoording.