CConstaterende datAalten
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsmededeling 171-2022 beantwoording vragen inspraakreacties m.b.t. VVGB bedrijventerrein Westrand Aalten.pdf

Oordeelvorming raad 15 november 2022, gemeente AaltenBij agendapunt: Voorstel tot afgifte van een (ontwerp) verklaring van geen bedenkingen ten behoeve van het verlenen van een omgevingsvergunning aan H.J. Aalbers en Zoon Transport B.V.26.915 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Raadsmededeling openbaar Nummer Datum B&W datum Beh. Ambtenaar Portefeuillehouder Onderwerp

: : : : : :

171-2022 9 november 2022 G.H. Scheffer T.M.M. Kok Beantwoording vragen inspraak reacties m.b.t. Verklaring van geen bedenkingen t.b.v. bedrijventerrein Westrand Aalten.

Aanleiding: Tijdens de beeldvormende raad zijn de volgende inspraakreacties ingekomen: Van de heer XX te XX: 1. Wat is nu echt de verandering? Wat is er nu anders waardoor deze verklaring gevraagd wordt. Wat is feitelijk het verschil tussen de 1ste en de 2de aanvraag. 2. Een zorgpunt dat er zit. Is er nog meer behoefte om nog meer groen te gaan vershredderen en composteren enz. Wat doet dat precies met geur voor het gebied. 3. Is de verwerking enkel met producten / afval die in Aalten wordt geproduceerd of heeft het een meer regionale functie. Als dat zo is, hoort het dan wel thuis op het bedrijventerrein Aalten of hoor dit dan op een regionaal bedrijventerrein plaats te vinden. 4. Wat als de gemeenteraad ‘nee’ zegt. Dat heeft nogal consequenties. Aalbers zal dan wellicht niet meer doorgaan met het traject. Hoe rijmt dit dan met alle activiteiten die daar nu op dit moment al plaatsvinden. Er zijn al gigantische hoeveelheden grond verzet, er liggen bergen puin. Wordt dan alles weer teruggebracht in de oude staat. Als er überhaupt nog geen vergunning is, spreken we dan over illegale activiteiten, daar. 5. Stikstof is aan de orde van de dag. Is er hier wel vergunning voor de activiteiten die plaatsvinden. Is hier sprake van extra ruimte die dadelijk nodig is waarbij extra activiteiten plaatsvinden. En is daar qua stikstof ook voldoende ruimte voor geregeld.

Van de Stichting Natuur en Milieu Aalten:

Pagina 1 van 4

Pagina 2 van 4

Inhoud mededeling: Bij onze beantwoording volgen wij de hiervoor opgenomen nummering van de verschillende insprekers: De heer XX te XX: 1. De omgevingsdienst heeft de volgende activiteiten aangemerkt als strijdig met het bestemmingsplan: 1. Het shredderen van grof hout en houtafval; 2. Het breken van puin; 3. Het zeven van zand/grond; 4. De inname, be- en verwerking en/of opslag van afvalstoffen anders dan groenafval en het opslaan van secundaire bouwstoffen; 5. Het verzorgen van grondwerk en bestrating voor particulieren en bedrijven; 6. Het verkopen van grondstoffen en bouwmaterialen aan personen en bedrijven die dit gebruiken in het kader van hun beroeps- of bedrijfsactiviteiten (verkoop anders dan aan particulieren); 7. In de aanvraag dient tot uitdrukking te komen dat er sprake is van ondergeschikte detailhandel. Het breken van puin is toelaatbaar, voor zover dit geschiedt op gronden met de functieaanduiding “specifieke vorm van bedrijventerrein – puinbreker” en conform de regels van artikel 4.4.6 van het bestemmingsplan. Voor het overige wordt geconcludeerd dat het shredderen van niet-groenafval, zeven van grond, inname, be- en verwerking en/of opslag van andere afvalstoffen (niet zijnde bouwafval) en groothandelsactiviteiten in strijd met het onherroepelijke bestemmingsplan moeten worden geacht. 2.

De capaciteit ten aanzien van het vershredderen is in het bestemmingsplan vastgelegd. Die capaciteit mag niet overschreden worden. In de omgevingsonderzoeken zijn de consequenties in beeld gebracht. 3. Het bedrijf is niet uitsluitend op de gemeente Aalten aangewezen, maar heeft ook een regionale uitstraling. Dit gegeven wijzigt niet door de aangevraagde omgevingsvergunning. 4. Er kan niet worden vooruit gelopen op het besluit van de gemeenteraad. In het gebied is inderdaad al behoorlijk wat werk verzet, onder meer in het kader van het bouwrijp maken van het bedrijfsterrein. De bedrijfsbestemming staat in rechte vast. Van een onomkeerbare situatie is overigens geen sprake. 5. Het onderwerp ‘stikstof’ is in dit geval ook door de Raad van State beoordeeld; onder meer de externe saldering ten behoeve van dit plangebied is geaccordeerd. De Stichting Natuur en Milieu Aalten: 1

t/m 5: Over deze aspecten heeft de Raad van State onherroepelijk uitspraak gedaan. Verwezen wordt naar de uitspraak van 21 juli 2021. 6. Het indienen van een aanvraag om omgevingsvergunning, waarbij activiteiten worden aangevraagd, die niet passen binnen het bestemmingsplan is niet strijdig met de wet. Wel dient er dan een uitgebreide procedure worden doorlopen. 7. Er is voldoende onderzoek gedaan. Deze stukken zijn bij de aanvraag ingediend. De biomassakachel is niet in de voorliggende aanvraag opgenomen. Het bestemmingsplan voorziet daarin overigens wel (zie artikel 4.4.8). 8. Het project past binnen het RPW van de provincie Gelderland; zie uitspraak Raad van State. 9. Van een strijdigheid met de Omgevingsverordening Gelderland is geen sprake (zie uitspraak Raad van State). Het vershredderen (van hout is al een reguliere activiteit in de bedrijfsvoering. 10. Het nieuwe bestemmingsplan volgt de huidige activiteiten van het bedrijf Aalbers en geeft mogelijkheden tot ontwikkeling op één locatie. 11. Deze toets is niet zo zeer van belang bij de aangevraagde afwijking van het bestemmingsplan, maar komt ter uitvoering van de milieuwetgeving aan de orde. Pagina 3 van 4

De volgende stukken zijn voor u bijgevoegd: 1. Uitspraak van de Raad van State van 21 juli 2021.

Pagina 4 van 4

ECLI

ECLI:NL:RVS:2021:1586

Datum uitspraak

21 juli 2021

Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 december 2019 heeft de raad van de gemeente Aalten het bestemmingsplan "Aalten Bedrijventerrein Westrand" vastgesteld. Aan de westzijde van Aalten ligt het bedrijventerrein ’t Broek. Het gaat om een zogenoemd gezoneerd industrieterrein als bedoeld in de Wet geluidhinder. Het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Westrand Aalten" van 17 december 2019 voorziet onder meer in een nieuw bedrijventerrein, genaamd Westrand, ten westen van het bestaande bedrijventerrein. De noordgrens van het plangebied wordt gevormd door de Sondernweg, de oostgrens door de gronden die behoren bij de bedrijven direct ten oosten van het plangebied. Aan de westen zuidwestzijde grenst het plangebied aan agrarisch gebied. Het oostelijk deel van het plangebied heeft de bestemming "Bedrijventerrein" gekregen. Dit deel van het plangebied is ongeveer 6 ha groot. Aan een deel hiervan, dat ongeveer 5 ha groot is, is de functieaanduiding "specifieke vorm van bedrijf -1" toegekend.

Volledige tekst 202001297/1/R4 en 202001299/1/R4. Datum uitspraak: 21 juli 2021 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: 1. [appellante sub 1A] en [appellante sub 1B], gevestigd te Aalten respectievelijk Eersel, 2. Stichting Natuur en Milieu Aalten (hierna: Stichting NMA), gevestigd te Aalten, 3. [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], beiden wonend te Aalten, 4. [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B] (hierna samen en in enkelvoud: [appellant sub 4]),

1

beiden wonend te Aalten, appellanten, en de raad van de gemeente Aalten, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 17 december 2019 heeft de raad het bestemmingsplan "Aalten Bedrijventerrein Westrand" (hierna: het bestemmingsplan) vastgesteld. Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1A] en [appellante sub 1B], Stichting NMA, [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], en [appellant sub 4] beroep ingesteld. Bij besluit van dezelfde datum heeft de raad het bestemmingsplan "Partiële herziening bestemmingsplannen uitbreiding geluidzone bedrijventerrein ’t Broek" vastgesteld (hierna: het herzieningsplan). Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1A] en [appellante sub 1B], [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], en [appellant sub 4] beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. [partij A] en [partij B] (hierna samen en in enkelvoud: [partij]) heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. [appellante sub 1A] en [appellante sub 1B], [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], de raad en Stichting NMA hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaken, gelijktijdig met de zaak ECLI:NL:RVS:2021:1557, ter zitting behandeld op 12 maart 2021, waar [appellante sub 1A] en [appellante sub 1B], vertegenwoordigd door mr. P.P.A. Bodden, advocaat te Nijmegen, [gemachtigde A] en mr. ing. M.

Blankvoort, werkzaam bij Cauberg Huygen, Stichting NMA, vertegenwoordigd door [gemachtigde B], en [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], vertegenwoordigd door [gemachtigde C], zijn verschenen. De raad is vertegenwoordigd door T. Tuenter, G.H. Scheffer, M. Oldenboom, ing. R. Herik, werkzaam bij akoestisch bureau Tideman, en ing. L.F.M. Lemmers, werkzaam bij raadgevend ingenieursbureau Peutz. Verder is verschenen [partij], vertegenwoordigd door mr. P.G.J. Poels, advocaat te Nijmegen, [gemachtigde D] en J. Tuenter, werkzaam bij Locis adviseurs. Overwegingen Inleiding en situatie 1. Aan de westzijde van Aalten ligt het bedrijventerrein ’t Broek. Het gaat om een zogenoemd gezoneerd industrieterrein als bedoeld in de Wet geluidhinder. Het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Westrand Aalten" van 17 december 2019 voorziet onder meer in een nieuw bedrijventerrein, genaamd Westrand, ten westen van het bestaande bedrijventerrein. De noordgrens van het plangebied wordt gevormd door de Sondernweg, de oostgrens door de gronden die behoren bij de bedrijven direct ten oosten van het plangebied. Aan de west- en zuidwestzijde grenst het plangebied aan agrarisch gebied. Het oostelijk deel van het plangebied heeft de bestemming "Bedrijventerrein" gekregen. Dit

2

deel van het plangebied is ongeveer 6 ha groot. Aan een deel hiervan, dat ongeveer 5 ha groot is, is de functieaanduiding "specifieke vorm van bedrijf -1" toegekend. Die gronden zijn bestemd voor één bedrijf dat bedrijfsmatige activiteiten uitoefent ten behoeve van be- en verwerking en/of opslag van zand, en groenafval, bouw- en andere secundaire bouwstoffen, alsmede ondergeschikte detailhandel in grondstoffen en bouwmaterialen. Uitsluitend op gronden met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijventerrein - puinbreker" is het gebruik van één mobiele puinbreker toegestaan. Het gebruik van een shredder is uitsluitend toegestaan ter plaatse van gronden met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijventerrein shredder". Met het bestemmingsplan is de verplaatsing van het bedrijf van [partij] naar het plangebied mogelijk gemaakt en de uitbreiding van de bestaande bedrijfsactiviteiten. [partij] heeft haar hoofdlocatie aan de Broekstraat 31 op het bedrijventerrein ’t Broek en verricht daarnaast ook activiteiten op kleinere locaties elders. Het bedrijf houdt zich bezig met inzamelen, sorteren en verkleinen van afval. Het bedrijf verzorgt ook de gemeentelijke milieustraat. Het nieuwe bedrijventerrein heeft ertoe geleid dat de geluidzone van het bedrijventerrein ’t Broek wordt uitgebreid.

Dat bedrijventerrein en het nieuwe bedrijventerrein zijn samen één gezoneerd industrieterrein in de zin van de Wet geluidhinder. In het bestemmingsplan is dit verwerkt en is een deel van de geluidzone opgenomen. Het herzieningsplan is een zogenoemd facetbestemmingsplan dat de ligging van de geluidzone rondom het bedrijventerrein "’t Broek" in andere bestemmingsplannen wijzigt. Met het herzieningsplan wordt de uitbreiding van de geluidzone verwerkt in de bestemmingsplannen "Landelijk Gebied 2015", "Kern Aalten 2011" en "Kobus III - 2012". Ten behoeve van de vaststelling van het bestemmingsplan en herzieningsplan door de raad heeft het college bij besluit van 17 december 2019 (hierna: besluit hogere waarden) voor vijf woningen in de omgeving van de bedrijventerreinen Westrand en ’t Broek hogere grenswaarden als bedoeld in de Wet geluidhinder vastgesteld voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting vanwege een industrieterrein. Het besluit hogere waarden ziet op onder meer de woningen van [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] aan de [locatie 1] respectievelijk [locatie 2]. De woningen bevinden zich in één gebouw dat ten zuiden van het nieuwe bedrijventerrein ligt. Bij uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2021:1557, heeft de Afdeling uitspraak gedaan op de beroepen van [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] en [appellant sub 4] tegen het besluit hogere waarden.

De bedrijven van [appellante sub 1A] en [appellante sub 1B] zijn gespecialiseerd in de ontwikkeling en fabricage van eierverwerkingsmachines. Het bedrijfsperceel van [appellante sub 1A] ligt aan de [locatie 3] op het bedrijventerrein ‘t Broek. Het bedrijfsperceel van [appellante sub 1B] ligt in Eersel. Zij vrezen voor een beperking van hun bedrijfsmogelijkheden. De Stichting NMA heeft blijkens haar statuten tot doelstelling de bescherming en verbetering van natuur, landschap en milieu in de gemeente Aalten en omstreken. [appellant sub 4] woont op het perceel de [locatie 4], dat ten noorden van het plangebied van het bestemmingsplan ligt. De afstand van deze woning tot het nieuwe bedrijventerrein is ongeveer 250 m. De woningen van [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] bevinden zich op ongeveer 140 m van het nieuwe bedrijventerrein. [appellant sub 4] en [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] vrezen voor aantasting van hun woon- en leefklimaat.

3

Eerdere procedures en gronden 2. De raad heeft in 2018 ook besluiten genomen tot vaststelling van een bestemmingsplan en een herzieningsplan met betrekking tot dezelfde ruimtelijke ontwikkeling als die met de besluiten van 17 september 2019 mogelijk is gemaakt. Tegen die besluiten hebben onder meer [appellante sub 1A] en [appellante sub 1B], Stichting NMA, en [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] beroep ingesteld. De Afdeling heeft de in 2018 genomen besluiten vernietigd in haar uitspraak van 11 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3091. De Afdeling oordeelde dat de raad het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Westrand Aalten" heeft vastgesteld in strijd met artikel 2.8, derde lid, van de Wet natuurbescherming, aangezien hij daarbij heeft verwezen naar de passende beoordeling die ten grondslag ligt aan het Programma Aanpak Stikstof. Het besluit tot wijziging van de geluidzone is genomen met het oog op de gevolgen van het plan en is afhankelijk van (de uitvoering van) het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Westrand Aalten". Nu dat bestemmingsplan wordt vernietigd en op voorhand niet duidelijk is of en op welke wijze de uitbreiding van het bedrijventerrein mogelijk wordt gemaakt, is de motivering van het besluit tot aanpassing van de geluidzone niet langer dragend.

Dit besluit heeft de Afdeling daarom vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). 2.1. [appellante sub 1A] en [appellante sub 1B], Stichting NMA en [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], hebben in hun beroepschriften verwezen naar de door hen in de vorige procedures ingebrachte beroepschriften en stukken ter motivering van hun beroepen. De planregels van het bestemmingsplan zijn gewijzigd ten opzichte van het in 2018 vastgestelde bestemmingsplan. Zo bevatten de planregels geen verwijzing meer naar een verkavelingskaart en zijn de planregels aangevuld met artikelen over de geluidwal. Ook zijn de planregels over stikstofdepositie gewijzigd. Voor zover met de verwijzing naar de eerdere stukken gronden zijn aangevoerd die alleen zien op het in 2018 vastgestelde bestemmingsplan, ziet de Afdeling in de enkele verwijzing naar eerdere gronden onvoldoende aanleiding die gronden te behandelen. Het had op weg van appellanten gelegen om in het beroepschrift, andere stukken of op de zitting redenen aan te voeren waarom die gronden over het in 2018 vastgestelde bestemmingsplan nog actueel zijn. Dat hebben zij niet gedaan. Deskundigenbericht 3.

Ten aanzien van de beroepen die hebben geleid tot de uitspraak van de Afdeling van 11 september 2019 heeft de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: STAB) op 8 april 2019 een deskundigenbericht uitgebracht. Partijen hebben naar dit deskundigenbericht verwezen. De Afdeling zal het deskundigenbericht, voor zover dat nog relevant is, en de reacties daarop van partijen daarop, bij de inhoudelijke beoordeling van de door appellanten aangevoerde gronden betrekken. Reikwijdte beroepen [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] en [appellant sub 4] 4. [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] en [appellant sub 4] hebben gronden aangevoerd die betrekking hebben op het bestemmingsplan en het herzieningsplan. Hun beroepen richten zich daarmee tegen beide vaststellingsbesluiten. Intrekking van beroep en gronden 5. Ter zitting hebben [appellante sub 1A] en [appellante sub 1B] de tegen het

4

bestemmingsplan ingebrachte gronden over parkeren en over de locatie en de beperking van de bedrijfstijden van de mobiele puinbreker en de shredder ingetrokken. Dat geldt ook voor de grond over de aardenwal. Verder hebben [appellante sub 1A] en [appellante sub 1B] ter zitting te kennen gegeven dat zij niet hebben beoogd gronden over geurhinder voor objecten in het plangebied, stikstofdepositie en luchtkwaliteit naar voren te brengen. De Afdeling begrijpt dit zo, dat als de stukken van [appellante sub 1A] en [appellante sub 1B] dergelijke gronden bevatten, deze moeten worden geacht op de zitting te zijn ingetrokken. Belanghebbendheid [appellante sub 1B] 6. [appellante sub 1B] exploiteert in Eersel een soortgelijk bedrijf als dat van [appellante sub 1A]. In artikel 8:1 van de Awb staat dat alleen een belanghebbende tegen een besluit beroep kan instellen bij de bestuursrechter. Onder belanghebbende wordt in artikel 1:2 van de Awb verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. [appellante sub 1B] heeft niet onderbouwd waarom zij ruimtelijke gevolgen ondervindt door activiteiten in het op meer dan 150 km afstand van haar bedrijfsterrein gelegen plangebied. Het is niet aannemelijk geworden dat [appellante sub 1B] een rechtstreeks bij de besluiten betrokken belang heeft. Zij is daarom niet als belanghebbende bij die besluiten aan te merken.

De beroepen, voor zover door [appellante sub 1B] ingediend, zijn daarom nietontvankelijk. Kan het niet indienen van zienswijzen worden tegengeworpen? 7. De raad stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat de beroepen van [appellant sub 4] niet-ontvankelijk zijn, omdat hij geen zienswijzen over de ontwerpbesluiten heeft ingebracht. Het beroep van [appellante sub 1A] acht de raad gedeeltelijk niet-ontvankelijk, omdat zij niet alle gronden die in beroep zijn aangevoerd, ook in haar zienswijzen over de ontwerpbesluiten naar voren heeft gebracht. Hij wijst er daarbij op dat het herzieningsplan ongewijzigd is vastgesteld ten opzichte van het ontwerp-herzieningsplan. 7.1. Op grond van de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Awb wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij de raad. Artikel 6:13 van de Awb luidt: "Geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht, geen bezwaar heeft gemaakt of geen administratief beroep heeft ingesteld." [appellant sub 4] heeft geen zienswijzen over de ontwerpbesluiten naar voren gebracht. [appellante sub 1A] heeft niet alle in beroep aangevoerde gronden ook in haar zienswijzen naar voren gebracht.

7.2. Onder verwijzing naar de uitspraak van 14 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:786, overweegt de Afdeling dat artikel 6:13 van de Awb aan appellanten niet kan worden tegengeworpen, gelet op de totstandkoming van het bestreden besluit met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure. Dit betekent dat er in zoverre geen beletsel is om alle gronden van [appellante sub 1A] en het beroep van [appellant sub 4] inhoudelijk te behandelen.

5

Voorbereidingsprocedure 8. [appellante sub 1A] betoogt dat de raad de besluiten tot vaststelling van het bestemmingsplan en herzieningsplan ten onrechte heeft genomen zonder dat daarbij opnieuw de wettelijk voorgeschreven voorbereidingsprocedure is doorlopen. Zij betoogt dat opnieuw ontwerpen van de besluiten ter inzage hadden moeten worden gelegd. 8.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat kon worden teruggevallen op de eerder doorlopen voorbereidingsprocedure, omdat de besluiten van 17 december 2019 voldoende samenhangen met de in 2018 door de raad genomen besluiten. De bestreden besluiten betreffen slechts een nadere standpuntbepaling. Er is alsnog een passende beoordeling over stikstofdepositie aan de besluitvorming ten grondslag gelegd, aldus de raad en het college. 8.2. De raad heeft bij de voorbereiding van de besluiten van 17 december 2019 ervoor gekozen niet opnieuw de openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb te doorlopen. De omstandigheid dat de Afdeling de eerdere besluiten heeft vernietigd, is als zodanig onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat opnieuw ontwerpen ter inzage hadden moeten worden gelegd.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 4 februari 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH1863 en de uitspraak van 7 september 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU5143) staat het het bevoegd gezag in beginsel vrij als de rechter een besluit heeft vernietigd om bij het nemen van een nieuw besluit terug te vallen op de procedure die aan het vernietigde besluit ten grondslag lag. Ook mag het bestuursorgaan ervoor kiezen de gehele procedure van afdeling 3.4 van de Awb opnieuw te doorlopen. De besluiten van 17 september 2019 zijn ongeveer twee jaren na de ontwerpen van de besluiten vastgesteld, maar daarin ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat niet kon worden teruggevallen op de ontwerpen. 8.3. Op de zitting heeft [appellante sub 1A] toegelicht dat volgens haar vanwege de aard en omvang van de wijzigingen ten opzichte van de ontwerpbesluiten aanleiding bestond voor een nieuwe voorbereidingsprocedure. De Afdeling stelt vast dat het herzieningsplan ongewijzigd is vastgesteld ten opzichte van het ontwerp. De raad heeft het bestemmingsplan, zoals hiervoor onder 2.1 staat, wel vastgesteld met een aantal wijzigingen. De raad kan bij de vaststelling van het bestemmingsplan daarin wijzigingen aanbrengen ten opzichte van het ontwerp.

Alleen als de afwijkingen van het ontwerp naar aard en omvang zo groot zijn dat een wezenlijk ander plan is vastgesteld, moet de wettelijke procedure opnieuw worden doorlopen. In dit geval heeft de raad naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling een passende beoordeling van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden verricht. Naar aanleiding daarvan heeft de raad enkele wijzigingen aangebracht in de planregels van het bestemmingsplan. Ook heeft de raad in de planregels vanwege voortschrijdend inzicht enkele wijzigingen aangebracht. Zo is compostverwerking niet langer toegestaan en zijn planregels over de grondwal, stikstofdepositie en verkavelingskaart gewijzigd. De aard en de omvang van de wijzigingen zijn niet zodanig dat het gaat om een wezenlijk ander plan. Geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad niet kon terugvallen op de procedure die aan de vernietigde besluiten ten grondslag lag.

6

De betogen treffen geen doel. Het toetsingskader 9. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. 9.1. Voor de vastlegging in een bestemmingsplan van een geluidzone rondom een industrieterrein op grond van artikel 47 van de Wet geluidhinder geldt een ander toetsingskader. Dat staat vermeld onder 15.5. Toegestane categorie bedrijvigheid 10. [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] betogen dat in het bestemmingsplan niet is vastgelegd dat alleen bedrijven tot en met milieucategorie 3.2 zich mogen vestigen in het plangebied, terwijl dat volgens hen wel de bedoeling is van de raad. Zij vinden dat het bestemmingsplan in dat opzicht onvoldoende rechtszekerheid biedt.

Dit klemt volgens hen te meer, omdat artikel 4.5.1 van de planregels het mogelijk maakt dat bedrijven zich vestigen in het plangebied die naar aard, milieubelasting en/of ruimtelijke impact vergelijkbaar zijn met de bestaande bedrijven. Er kunnen volgens [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] daarom bedrijven komen van een vergelijkbare zwaarte als die van [partij]. Gelet op de bedrijfsactiviteiten van [partij] betekent dat dat het gaat om bedrijven in minimaal milieucategorie 4. 10.1. In de plantoelichting staat dat de voor 'Bedrijventerrein' aangewezen gronden zijn bestemd voor bedrijven die zijn genoemd in de bijlage bij de regels (Staat van bedrijfsactiviteiten) onder de milieucategorieën 3.2. De bedrijfsactiviteiten van [partij] worden specifiek bestemd; via een afwijking zijn andere bedrijven toegestaan. 10.2. Artikel 4.1 bevat de bestemmingsomschrijving en luidt: "De voor 'Bedrijventerrein' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - 1’; één bedrijf dat bedrijfsmatige activiteiten uitoefent ten behoeve van be- en verwerking en/of opslag van zand, groenafval, bouw- en andere secundaire bouwstoffen, alsmede ondergeschikte detailhandel in grondstoffen en bouwmaterialen; b.-d.

[…]; met bijbehorende bouwwerken en voorzieningen, zoals (on)verharde paden en wegen, groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, nutsvoorzieningen, erfverhardingen en parkeervoorzieningen. In artikel 4.4.1 staat welk gebruik in ieder geval wordt gerekend als een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken. Artikel 4.4.5 luidt: "Bedrijfsmatige activiteiten zijn uitsluitend toegestaan voor zover er niet meer geluid wordt geproduceerd dan het in bijlage 5 van de toelichting opgenomen akoestisch onderzoek."

7

Artikel 4.5.1 luidt: "Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 4.4.1 voor het toestaan van: a. bedrijven voor zover genoemd in de categorieën 2 t/m 3.2 van de Bijlage 1 Staat van Bedrijfsactiviteiten, dan wel bedrijven die naar aard, milieubelasting en/of ruimtelijke impact vergelijkbaar zijn met de bestaande bedrijven, met dien verstande dat de afwijking niet mag leiden tot een onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bestemmingen en functies of van het woon- en/of leefmilieu; b. meer bedrijven binnen een bestemmingsvlak naast het toegestane bedrijf." Artikel 4.5.2 luidt: "Bij de beoordeling van de aard en invloed van de milieubelasting van bedrijfsactiviteiten zoals genoemd in 4.5.1 dienen de volgende milieubelastingcomponenten mede in de beoordeling te worden betrokken: 1. […]; 2. de totale bestaande aard en omvang van de milieuhinder mag door de toename van het aantal bedrijven niet toenemen, onder meer op het gebied van geluid, geur, stofuitworp, verontreiniging van lucht en bodem, visuele hinder, externe veiligheid; 3.-4. […]." 10.3. De Afdeling overweegt dat op grond van artikel 4.1, aanhef en onder a, van de planregels van het bestemmingsplan zich in het plangebied niet meer dan één bedrijf mag vestigen. Verschillende bedrijven zijn dus bij recht niet toegestaan.

Het in het plangebied aanwezige bedrijf moet voldoen aan de omschrijving in dat artikelonderdeel. Niet in geschil is dat het bedrijf van [partij] daaraan kan voldoen. Een ander bedrijf zou, indien het bedrijf van [partij] niet is gevestigd in het plangebied, ook aan die omschrijving kunnen voldoen en kan zich dan zonder meer in het plangebied vestigen. Voor vestiging van een ander bedrijf in het plangebied is dus niet vereist dat met toepassing van artikel 4.5.1 omgevingsvergunning wordt verleend. Met artikel 4.4.5 is gewaarborgd dat niet meer geluid kan worden geproduceerd dan volgt uit het in bijlage 5 opgenomen rapport. Als een andersoortig bedrijf zich wil vestigen in het plangebied moet toepassing worden gegeven aan de afwijkingsbevoegdheid van artikel 4.5.1, waarin waarborgen zijn opgenomen. Anders dan waarvan [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] uitgaan, is het niet de bedoeling van de raad om in het plangebied uitsluitend bedrijven tot en met categorie 3.2 toe te staan. In artikel 4.1 is geen toegestane maximale milieucategorie vermeld. Dit betekent echter niet dat een bedrijf zich, ongeacht de categorie-indeling daarvan, op gronden met de bedrijfsterreinbestemming kan vestigen.

In artikel 4.4.5 van de planregels is immers bepaald dat bedrijfsmatige activiteiten uitsluitend zijn toegestaan voor zover niet meer geluid wordt geproduceerd dan volgt uit het in het in bijlage 5 opgenomen akoestische onderzoek. Het in die bijlage opgenomen rapport betreft de resultaten van een onderzoek naar de geluidbelasting van de bedrijfsactiviteiten van [partij]. Het bestemmingsplan is in zoverre niet in strijd met de rechtszekerheidsbeginsel vastgesteld. Ladder voor duurzame verstedelijking 11. [appellante sub 1A], Stichting NMA en [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] betogen

8

dat het realiseren van een nieuw bedrijventerrein in strijd is met de in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: het Bro) neergelegde ladder voor duurzame verstedelijking. Volgens hen voorziet het bestemmingsplan in een nieuwe stedelijke ontwikkeling waaraan geen behoefte is. [appellante sub 1A] voert aan dat de raad de behoefte aan bedrijventerreinen niet met actuele, concrete en cijfermatige gegevens heeft onderbouwd. De raad is volgens appellanten uitgegaan van een te beperkt ruimtelijk verzorgingsgebied. Volgens [appellante sub 1A] en [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] heeft de raad daarbij ten onrechte alleen rekening gehouden met de door [partij] gewenste vestiging van haar bedrijf op een locatie in de gemeente Aalten en niet de aard en de omvang van de toekomstige bedrijvigheid als zodanig als uitgangspunt genomen. Het gebruik dat met het bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, heeft een groter verzorgingsgebied dan alleen de gemeente Aalten, zo voeren zij aan. Uit de plantoelichting en de daarin genoemde rapporten blijkt volgens appellanten dat er juist op regionale schaal een fors overaanbod aan bedrijventerreinen is. In dit verband wijst [appellante sub 1A] op het in 2011 vastgestelde Regionaal Programma Bedrijventerreinen regio Achterhoek van 2011 (hierna: RPB 2011), waaruit dat ook zou blijken.

De raad heeft volgens [appellante sub 1A] ten onrechte niet onderzocht of de vestiging van het bedrijf van [partij] in het plangebied geen onaanvaardbare leegstand op de oude locatie tot gevolg heeft. Stichting NMA voert aan dat het stuk Regionaal Programma Werklocaties niet kan dienen als motivering van de toekomstige vraag naar bedrijventerreinen. Daarin is de vraag naar bedrijventerreinen volgens haar te hoog ingeschat, omdat geen rekening is gehouden met leegstand en of (te verwachten) leegkomende bedrijfsruimte. Ook is er bij de verwachting geen rekening gehouden met periodieke afname van de economie of zelfs recessies. Volgens [appellante sub 1A] en [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] heeft de raad onvoldoende onderzoek verricht naar de mogelijkheden voor het bedrijf van [partij] om al haar activiteiten te vestigen op een locatie binnen bestaand stedelijk gebied. 11.1. De raad stelt zich op het standpunt dat aan de ladder voor duurzame verstedelijking is voldaan. Volgens de raad voorziet het plan in een actuele behoefte van [partij]. Zij wenst haar bedrijfsactiviteiten, die nu plaatsvinden op verschillende locaties in Aalten, samen te voegen op één perceel. [partij] heeft de gronden gekocht onder voorbehoud dat het bestemmingsplan onherroepelijk wordt.

In de plantoelichting staat dat door mee te werken aan het verzoek van [partij] voor andere bedrijven op het bestaande bedrijventerrein ruimte wordt gecreëerd om aan uitbreidingsbehoefte te kunnen voldoen. Een groot deel van de gronden van de hoofdlocatie van [partij] is reeds verkocht aan het naastgelegen bedrijf. Volgens de raad kan de stedelijke ontwikkeling niet worden gerealiseerd in bestaand stedelijk gebied. De kernactiviteiten van [partij] zijn volgens de raad gelegen in en nabij de kern Aalten. Het bedrijf heeft een sterke lokale binding. In de kern van Aalten zijn volgens de raad slechts enkele kleine kavels, die vaak in handen van derden zijn, uitgeefbaar. Het is onmogelijk een bedrijf met de omvang als dat van [partij] binnen het bestaand stedelijk gebied van de kern Aalten te accommoderen. Verder heeft de raad van belang geacht dat het plangebied aansluit op het bestaande bedrijventerrein ’t Broek, waar het bedrijf van [partij] nu haar hoofdlocatie heeft. 11.2. Vast staat dat het in het bestemmingsplan opgenomen bedrijventerrein, dat is voorzien op gronden die agrarisch in gebruik zijn, een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is. Weliswaar stonden het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Westrand Aalten" en het op 7 mei 2008 vastgestelde bestemmingsplan

9

"Werklandschap Aalten-West" op de desbetreffende gronden ook bebouwing ten behoeve van bedrijvigheid toe, maar nu de Afdeling de besluiten tot vaststelling van die bestemmingsplannen heeft vernietigd, komt daaraan in dit verband geen betekenis toe. Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro, luidt: "De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien." Met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is beoogd vanuit een oogpunt van ruimtelijke ordening ongewenste leegstand te vermijden en zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren. De ladder voor duurzame verstedelijking is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen, maar bewerkstelligt dat de wens om in een nieuwe stedelijke ontwikkeling te voorzien aan de hand van het toetsingskader van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro nadrukkelijk in de plantoelichting wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied en voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt.

De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling. - behoefte 11.3. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de overzichtsuitspraak van 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724 (Dongeradeel), onder verwijzing naar de uitspraak van 17 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1900 (Weesp), beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of de beschrijving van de behoefte in de toelichting, dan wel in de stukken waarnaar in de toelichting ter beschrijving van deze behoefte wordt verwezen, niet zodanig gebrekkig is of zodanige leemten in kennis of dusdanige onjuistheden vertoont dat de raad zich hierop niet heeft mogen baseren. Hierbij acht de Afdeling van belang of een appellant voldoende concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van de beschrijving van de behoefte naar voren heeft gebracht (uitspraak van 26 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2679 (Nieuwkoop). 11.4. De raad heeft naar het oordeel van de Afdeling voldoende inzichtelijk gemaakt dat het bestemmingsplan voorziet in een behoefte, als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro.

Het bestemmingsplan voorziet in de verplaatsing naar het plangebied van de huidige bedrijfsactiviteiten van [partij], die zij op verschillende locaties verricht. In de plantoelichting staat dat [partij] begin 2016 feitelijk ruim 2,7 ha in gebruik had op verschillende locaties in de gemeente Aalten en dat zij sindsdien een behoefte heeft aan uitbreiding van haar bedrijfsperceel. Het bestemmingsplan biedt aan [partij] de mogelijkheid al haar bestaande bedrijfsactiviteiten te concentreren op een terrein van 5 ha en daar eventueel uit te breiden. Niet in geschil is dat [partij] al gronden in het plangebied heeft aangekocht. Appellanten hebben niet betwist dat [partij] behoefte heeft aan een aanzienlijk groter bedrijfsperceel dan zij voorheen gebruikte. De raad heeft verder nog toegelicht dat de huidige bedrijfspercelen van [partij], na verplaatsing van haar bedrijfsactiviteiten naar het plangebied, grotendeels door andere bedrijven zullen worden gebruikt. Een groot deel van de gronden van [partij] aan de Broekstraat 31 is reeds verkocht aan het naastgelegen bedrijf, zo staat in de plantoelichting. De Afdeling begrijpt de opmerking in de plantoelichting dat de percelen aan de Spinnerij en

10

Derde Broekdijk pas na realisatie van het bestemmingsplan kunnen worden verkocht, zo dat ook voor die percelen serieuze interesse bij andere bedrijven bestaat. Dat in het RPB 2011 van de regio Achterhoek, een samenwerkingsverband van Achterhoekse gemeenten, staat dat er in de Oost-Achterhoek een overaanbod dreigt van bedrijventerreinen, maakt niet dat in dit concrete geval geen behoefte aan het nieuwe bedrijventerrein bestaat. Verder heeft de raad, anders dan waarvan Stichting NMA uitgaat, bij de vaststelling van het bestemmingsplan het stuk Regionaal Programma Werklocaties Achterhoek niet als motivering gebruikt van de behoefte aan bedrijventerrein. Dat de vraag naar bedrijventerrein in dat stuk te hoog zou zijn ingeschat, vormt dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat behoefte bestaat aan de voorziene ontwikkeling Wat appellanten hebben aangevoerd, geeft de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad onder de genoemde omstandigheden zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat behoefte bestaat aan het nieuwe bedrijventerrein. - bestaand stedelijk gebied 11.5. Het plangebied kan niet als een bestaand stedelijk gebied in de zin van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro in samenhang met artikel 1.1.1, eerste lid, onder h, van het Bro, worden aangemerkt.

De Afdeling beoordeelt, indien de beroepsgronden daartoe aanleiding geven en aan de hand daarvan, of deugdelijk gemotiveerd is dat niet binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien en of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat binnen het bestaand stedelijk gebied geen geschikte locatie beschikbaar is waar de desbetreffende stedelijke ontwikkeling zou kunnen worden gerealiseerd (uitspraak van 23 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3931 (Medemblik)). 11.6. In 2015 hebben zeven gemeenten in de Achterhoek, waaronder Aalten, aan adviesbureau Stec groep opdracht gegeven om een analyse uit te voeren naar vraag en aanbod van bedrijventerreinen in de regio Achterhoek. Dit heeft geresulteerd in de rapporten van de Stec groep van 16 december 2016 en 29 juni 2017. In paragraaf 4.2 van dit laatste rapport wordt geconcludeerd dat de bedrijventerreinenmarkt binnen de Oost-Achterhoek met name een lokale markt is. In paragraaf 4.4 van het rapport staat dat bedrijfsterreinen (behalve het regionale bedrijventerrein De Laarberg) vooral de reguliere bedrijvigheid binnen een lokale markt bedienen. Op basis van de analyse van de verhuisdynamiek en het lokale profiel van de bedrijventerreinen kan, aldus het rapport van de Stec groep, worden gesteld dat de marktregio voor vrijwel ieder bedrijf de eigen gemeente is.

De raad is ervan uitgegaan dat ook voor [partij] met name de eigen gemeente de marktregio is en de bedrijfsactiviteiten van [partij] lokaal gebonden zijn. Het bedrijf van [partij] is een sinds 75 jaar in de kern Aalten aanwezig familiebedrijf. In de nota van zienswijzen staat dat de sterke binding met de oorspronkelijke vestigingsplaats van [partij] past bij de omvang van de gemeenten, de landelijkheid, de ligging van de Achterhoek in Nederland en de ligging van de gemeenten ten opzichte van elkaar. Dit betekent overigens niet dat bedrijven geen grotere reikwijdte hebben en een nationale of internationale afzetmarkt kunnen hebben, zo staat daarin. In de opgestelde milieueffectrapportage, die als bijlage bij de plantoelichting is opgenomen, staat dat vanwege de sterke lokale binding van het bedrijf en de gemeentelijke wens om de werkgelegenheid voor het dorp te behouden, een verhuizing naar elders niet aan de orde is. Het klantenbestand van [partij] bestaat voornamelijk uit (semi)overheden,

11

waaronder de gemeente Aalten zelf en al haar inwoners (milieustraat). Daarnaast mag [partij] diverse bedrijven in de directe omgeving van Aalten rekenen tot haar klantenbestand. De Afdeling ziet in wat appellanten hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad als marktregio voor het bedrijf van [partij] niet de eigen gemeente heeft mogen aanmerken. Dat de verwerkingscapaciteit van het bedrijf van [partij] in het plangebied hoger kan zijn dan die van de bedrijfsactiviteiten in de bestaande situatie, betekent niet dat de raad om die reden het ruimtelijk verzorgingsgebied niet in redelijkheid als lokaal gebonden heeft kunnen beschouwen. 11.7. In paragraaf 3.4.2 van de plantoelichting staat dat binnen de gemeente Aalten 11,6 ha direct uitgeefbaar bedrijventerrein beschikbaar is, waarvan in de kern Aalten 2 ha aan de Vierde Broekdijk (plan Cattier, eigendom projectontwikkelaar) en een kavel op 't Broek met een oppervlakte van 0,38 ha (eigendom van de gemeente). De overige uitgeefbare gronden zijn gelegen in de eveneens tot de gemeente Aalten behorende kern Dinxperlo en in eigendom van projectontwikkelaars. Volgens de zienswijzennota zou er op het moment van uitbrengen daarvan nog in totaal 10,3 ha uitgeefbare grond beschikbaar zijn. De Afdeling constateert dat de beschikbare terreinen in de kern Aalten niet de door [partij] benodigde omvang van 5 ha hebben.

Voor zover er bedrijfsterrein in Dinxperlo beschikbaar zou zijn, heeft de raad er betekenis aan mogen toekennen dat de andere milieustraat van de gemeente Aalten al in Dinxperlo ligt, waardoor de verplaatsing van de bedrijfsactiviteiten naar die kern om die reden niet wenselijk wordt geacht. Een splitsing van de bedrijfsactiviteiten heeft de raad in redelijkheid als ongewenst kunnen beschouwen. Volgens de raad zijn er verder ruimtelijke belangen gediend bij vestiging van alle bedrijfsactiviteiten op één bedrijfsterrein. Zo worden onder meer via de milieustraat ingezamelde afvalstoffen verkleind met de puinbreker. Verder wordt ingezameld snoeihoutafval verkleind en afgezet of gestookt in de biomassacentrale. Het samenvoegen van alle bedrijfsactiviteiten op één bedrijfsterrein resulteert in minder transportkilometers en dus minder overlast voor de omgeving van het bedrijf, zo staat in de plantoelichting. De raad heeft verder van betekenis geacht dat het plangebied aansluit op een gebied met bestaande bedrijvigheid aan de Zomerweg. De ontwikkeling past in het provinciaal beleid en verder in het gemeentelijk beleid dat is neergelegd in de Structuurvisie Bedrijventerreinen en Werklocaties.

Daarin staat dat de aanleg van lokale terreinen alleen nog mag plaatsvinden aansluitend bij al aanwezige bedrijventerreinen of aansluitend bij kernen waar al bedrijventerrein is gevestigd en dat aard en schaal van nieuw te vestigen bedrijven, voorzieningen en instellingen en dergelijke passen bij, of een goede aanvulling zijn op, het bestaande productiemilieu, de werkgelegenheidsstructuur en de omvang van de woonkern. Tevens staat in de plantoelichting dat het perceel zowel vanuit de kern Aalten als daarbuiten goed bereikbaar is. De raad heeft hiermee in de plantoelichting draagkrachtig toegelicht dat het plan voorziet in een behoefte en dat aan deze behoefte niet kan worden voldaan op beschikbare gronden binnen bestaand stedelijk gebied in de kern Aalten. De betogen treffen geen doel. Provinciale verordening 12. [appellante sub 1A] en [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] betogen dat het bestemmingsplan is vastgesteld in strijd met de Omgevingsverordening Gelderland (hierna: Omgevingsverordening). Uitbreiding van bedrijventerreinen is volgens de

12

Omgevingsverordening slechts toegestaan als dat past in een Regionaal Programma Bedrijventerreinen. In het RPB 2011 staat dat er geen nieuwe plannen voor bedrijventerreinen worden ontwikkeld. De ontwikkeling past volgens appellanten niet in het RPB 2011. Afwijken van het RPB 2011 is in dit geval niet toegestaan, omdat het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college van gs) daarmee niet expliciet heeft ingestemd, zo voert [appellante sub 1A] aan. [appellante sub 1A] en [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] voeren aan dat niet wordt voldaan aan de eis dat een nieuw lokaal bedrijventerrein kavels van ten hoogste 0,5 ha mag hebben, omdat het bestemmingsplan een kavel met een grootte van ongeveer 5 ha betreft. Er wordt volgens hen niet voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de in de Omgevingsverordening opgenomen afwijkingsmogelijkheid. Zij voeren aan dat in de plantoelichting onvoldoende is onderbouwd dat sprake is van een aan de gemeente, kern of locatie gebonden bedrijf waarbij de bedrijfsvoering een dergelijke ruime kavelgrootte noodzakelijk maakt. Volgens [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] is niet aannemelijk gemaakt dat [partij] geen toekomst heeft op een nabijgelegen regionaal bedrijventerrein.

[appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] benadrukken dat als het bedrijf van [partij] zich niet op het bedrijventerrein vestigt of nadat dat bedrijf is vertrokken, andere bedrijven zich in strijd met de Omgevingsverordening in het plangebied mogen vestigen op een perceel dat groter is dan 0,5 ha en die mogelijk in een zwaardere milieucategorie vallen. 12.1. Op 24 september 2014 hebben provinciale staten van Gelderland de Omgevingsverordening vastgesteld. Op het moment van de vaststelling van het bestemmingsplan gold de Omgevingsverordening, zoals die laatstelijk was gewijzigd bij actualisatieplan 6, vastgesteld op 19 december 2018 en in werking getreden op 1 maart 2019. Hoofdstuk 2 van de Omgevingsverordening bevat (instructie)regels voor bestemmingsplannen over onderwerpen die vanwege het bovenlokale of (boven)regionale belang als provinciaal belang zijn aangemerkt, zoals bedrijvigheid. Op grond van artikel 8.1 is een instructieregel in hoofdstuk 2 van toepassing op een bestemmingsplan dat na de datum van inwerkingtreding van die regel wordt vastgesteld, tenzij het ontwerpbestemmingsplan voor de datum van inwerkingtreding van die regel ter inzage is gelegd en op dat ontwerp door het college van gs geen zienswijze is ingediend. Het ontwerpbestemmingsplan is vanaf 7 oktober 2017 ter inzage gelegd en het college van gs heeft over het ontwerp geen zienswijze ingediend.

Dat betekent dat de Omgevingsverordening, zoals die luidde op het moment van de vaststelling van het bestemmingsplan op 17 december 2019 niet daarop van toepassing is. Het overgangsrecht is in eerdere versies, voor zover relevant, niet inhoudelijk gewijzigd. Voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan gold de Omgevingsverordening, zoals die luidde nadat provinciale staten op 28 juni 2017 met het actualisatieplan 3 hebben ingestemd. Die versie gold vanaf 6 juli 2017 en is van toepassing op het bestemmingsplan. 12.2. Hierna zal de Afdeling beoordelen of wordt voldaan aan de van toepassing zijnde Omgevingsverordening. Eerst wordt ingegaan op de vraag of het nieuwe bedrijventerrein past in het RPB 2011. Daarna gaat de Afdeling in op het betoog dat de kavelgrootte niet in overeenstemming is met wat daarover in de Omgevingsverordening is bepaald. - past het bedrijventerrein in het RPB 2011? 12.3. De raad is van opvatting dat het bedrijventerrein Westrand in overeenstemming is met de Omgevingsverordening. Een bedrijventerrein op de locatie past volgens hem binnen het

13

RPB 2011. In de plantoelichting staat dat het bestemmingsplan "Werklandschap AaltenWest", het bestemmingsplan waarin ten westen van Aalten was voorzien in een bedrijventerrein van 10 ha, als harde plancapaciteit is meegenomen in het RPB 2011. Volgens de raad heeft het college van gs in zijn vooroverlegreactie van 28 maart 2017 over de Notitie Reikwijdte en Detailniveau ook expliciet vermeld dat deze uitbreiding past binnen het RPB 2011. 12.4. Artikel 2.3.2.1 van de Omgevingsverordening luidt: "1. In bestemmingsplannen wordt de bestemming tot bedrijventerreinen slechts toegestaan indien dit past in de door Gedeputeerde Staten vastgestelde regionale afspraken ten aanzien van de programmering van bedrijventerreinen of werklocaties (Regionaal Programma Bedrijventerreinen of Regionaal Programma Werklocaties). 2. Indien de regionale afspraken bedoeld in het eerste lid niet tot stand komen, of de regionale afspraken naar het oordeel van Gedeputeerde Staten van onvoldoende kwaliteit zijn, stellen Gedeputeerde Staten zelfstandig een Programma Bedrijventerreinen of Programma Werklocaties op en vast voor de desbetreffende regio. 3. Het tweede lid vindt slechts toepassing nadat Gedeputeerde Staten de regiogemeenten een redelijke termijn hebben gegeven teneinde te komen tot regionale afspraken of tot kwaliteitsverbetering van de regionale afspraken." 12.5.

Op 7 mei 2008 heeft de raad het bestemmingsplan "Werklandschap Aalten-West" ten behoeve van de ontwikkeling van 10 ha aan de westrand van Aalten vastgesteld. Dit bestemmingsplan omvat onder meer de gronden van het plangebied van het bestemmingsplan. In 2011 hebben acht gemeenten in de Achterhoek het RPB 2011 opgesteld, waarin afspraken over bedrijventerreinen staan. Het college van gs heeft het RPB 2011 in december 2011 vastgesteld. In het RPB 2011 staat dat vanaf 1 januari 2010 geen nieuwe plannen voor bedrijventerreinen worden ontwikkeld. Er staat in het RPB 2011 dat er niet of nauwelijks mogelijkheden zijn voor temporisering van zogenoemde harde capaciteit. De oppervlakten lenen zich daar niet voor, zo staat in het RPB 2011. Met harde capaciteit wordt in het RPB 2011 de capaciteit aan bedrijventerreinen in een vastgesteld bestemmingsplan bedoeld. De realisering van die capaciteit aan bedrijventerreinen mag volgens het RBP 2011 doorgang vinden. Het bedrijventerrein "Werkenlandschap Aalten-West" met 10 ha netto uitgeefbaar terrein wordt in het BRP 2011 beschouwd als harde capaciteit voor de regio Oost-Achterhoek 2010-2023. In het RPB 2011 is onderkend dat de Afdeling bij uitspraak van 13 januari 2010 het besluit van het college van gs tot goedkeuring van het bestemmingsplan "Werklandschap Aalten-West" heeft vernietigd.

Nu een bedrijventerrein van 5 ha in aansluiting op het bestaande bedrijventerrein ’t Broek als onderdeel van het bestemmingsplan "Werklandschap Aalten-West" in het RBP 2011 als harde capaciteit is aangemerkt, is het niet aan te merken als een te ontwikkelen nieuw bedrijventerrein in de zin van het RBP 2011. De raad heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat een bedrijventerrein van 5 ha zoals in het bestemmingsplan is opgenomen, past binnen het RPB 2011. Het bestemmingsplan is dan ook niet vastgesteld in strijd met artikel 2.3.2.1, eerste lid, van de Omgevingsverordening. Aan de betogen van [appellante sub 1A] en [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] dat niet met toepassing van het bepaalde in het tweede lid kan worden afgeweken van die bepaling, wordt daarom niet toegekomen.

14

Het betoog slaagt niet. - kavelgrootte van meer dan 0,5 ha 12.6. De raad is ervan uitgegaan dat het gaat om de uitbreiding van een lokaal bedrijventerrein, waar een lokaal bedrijf met bedrijfsfuncties uit een hogere milieucategorie zich gaat vestigen. Volgens de raad is dit in overeenstemming met de Omgevingsverordening. De lokale binding en het bestaansrecht van het bedrijf [partij] is aangetoond. De ontwikkeling heeft de steun, mits voldoende onderbouwd in het kader van een goede ruimtelijke ordening en de ladder voor duurzame verstedelijking, van het regionaal portefeuillehoudersoverleg Economie en de stuurgroep Bedrijventerreinen Oost Achterhoek. In de nota van zienswijzen wordt over de kaveloppervlakte van meer dan 0,5 ha vermeld dat daarover intensief overleg heeft plaatsgevonden met de provincie Gelderland en de gemeenten in het oostelijk deel van de Achterhoek. De raad heeft verder van betekenis geacht dat het college van gs geen zienswijze heeft ingediend over dit bestemmingsplan. In de plantoelichting staat dat regionaal is afgestemd dat verplaatsing van een dergelijk type bedrijf naar een regionaal bedrijventerrein niet aan de orde is en dat het bedrijf voor lokale werkgelegenheid behouden moet blijven. 12.7. Artikel 2.3.2.4 luidt: "1. In bestemmingsplannen kan binnen nieuwe lokale bedrijventerreinen een kavelgrootte worden toegestaan van ten hoogste 0,5 hectare. 2.

In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kan een ruimere kavelgrootte worden toegestaan indien in de toelichting bij het bestemmingsplan wordt aangetoond dat er sprake is van een aan de betreffende gemeente, kern of locatie gebonden bedrijf waarbij de bedrijfsvoering een ruimere kavelgrootte noodzakelijk maakt." 12.8. In het bestemmingsplan is een gebied van ongeveer 6 ha bestemd tot "Bedrijventerrein". Aan een deel hiervan, ongeveer 5 ha groot, is de functieaanduiding "specifieke vorm van bedrijf -1" toegekend. Hiermee is de zonder meer toegestane kavelgrootte aanzienlijk groter dan 0,5 ha. Een ruimere kavelgrootte kan op grond van artikel 2.3.2.4, tweede lid, worden toegestaan indien in de toelichting bij het bestemmingsplan wordt aangetoond dat er sprake is van een aan de betreffende gemeente, kern of locatie gebonden bedrijf waarbij de bedrijfsvoering een ruimere kavelgrootte noodzakelijk maakt. In de toelichting bij het artikel staat dat het bij een aan de betreffende gemeente, kern of locatie gebonden bedrijf gaat om een bedrijf met bijzondere sociale of economische binding aan de gemeente, kern of locatie, bijvoorbeeld vanwege de werkgelegenheidsstructuur of de nabijheid van klanten. Ook kan gedacht worden aan een binding aan de betreffende gemeente, kern of locatie vanwege specifieke locatiekenmerken.

Mede onder verwijzing naar wat onder 11.6 is overwogen, is de Afdeling van oordeel dat de raad heeft aangetoond dat het bedrijf van [partij], dat al 75 jaar is gevestigd in de kern van Aalten, een bijzondere sociale binding aan (de kern van) Aalten heeft. De gemeente Aalten is klant bij [partij] en zij mag diverse bedrijven in de directe omgeving van Aalten rekenen tot haar klantenbestand, zo staat in de plantoelichting. Daarbij komt dat het bedrijf één van de twee gemeentelijke milieustraten verzorgt. Verder komt uit de plantoelichting naar voren dat de raad het bedrijf wil behouden voor de lokale werkgelegenheid. In de plantoelichting staat dat gebleken is dat er behoefte is aan een terrein van ongeveer 5 hectare. [partij] heeft een deel van de gronden reeds aangekocht. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de bedrijfsvoering van [partij] een ruimere kavelgrootte noodzakelijk

15

maakt. Onder de hiervoor genoemde omstandigheden heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat het bestemmingsplan in zoverre niet in strijd is met artikel 2.3.2.4, eerste lid, van de Omgevingsverordening. Het betoog treft geen doel. Geluidonderzoek Westrand 13. [appellante sub 1A], Stichting NMA, [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], en [appellant sub 4] betogen dat het bestemmingsplan niet is gebaseerd op een deugdelijk onderzoek naar de geluidgevolgen voor de omgeving van het bedrijf van [partij] in het plangebied. [appellante sub 1A] en [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] voeren aan dat in het onderzoek ten onrechte niet is uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden. Op het bedrijfsperceel zijn volgens artikel 4.1 van de planregels meer activiteiten mogelijk dan waarmee in het geluidonderzoek rekening is gehouden. [appellante sub 1A] noemt daarbij onder meer het aantal verkeer- en vervoersbewegingen, het gebruik van loaders en kranen, het lossen van containers, het gebruik van de wasplaats en de weegbrug en het laden en lossen. [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] betogen dat in het onderzoek is uitgegaan van een te gunstige bedrijfsvoering en terreininrichting.

Volgens hen had verder ook uitgegaan moeten worden van de zwaarste categorie puinbreker en shredder, aangezien de verwerkingscapaciteiten daarvan niet zijn begrensd in de planregels. Zij wijzen er verder op dat mogelijk een in- en uitrit aan de Zomerweg wordt gerealiseerd. Stichting NMA en [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] verwijzen naar een stuk van ing. M.G.M. van Schaik van 17 maart 2020. Daarin worden kanttekeningen geplaatst bij de in het onderzoek gehanteerde bronhoogten. [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] verwijzen daarnaast ook naar de resultaten van een door Sain milieuadvies opgestelde notitie van 25 januari 2019. Daarin staat dat de in het onderzoek aangehouden bedrijfstijden per etmaal van de puinbreker, de shredder en de zeef te laag zijn en dat de bedrijfstijden ten onrechte niet zijn vastgelegd in de planregels. De geluidbelasting van de woningen van [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] zou daardoor hoger zijn dan is berekend. In de notitie van Sain milieuadvies staat verder dat de activiteiten met betrekking tot de inzameling van afval van particulieren ten onrechte niet is meegenomen in het onderzoek. 13.1. De raad stelt zich in de zienswijzennota op het standpunt dat in het akoestisch onderzoek de representatieve bedrijfssituatie van het bedrijf van [partij] tot uitgangspunt is genomen.

Andere bronnen, zoals bijvoorbeeld het wegverkeer, zijn zodanig akoestisch ondergeschikt dat ze geen extra bijdrage leveren aan de geluidimmissie op geluidgevoelige bestemmingen. Incidentele bedrijfssituaties zijn bijzondere bedrijfssituaties die meer geluid veroorzaken dan gebruikelijk (dus meer dan in reguliere bedrijfssituaties). Deze komen bij het bedrijf [partij] volgens de raad echter niet voor. Er kunnen geen ongebruikelijke activiteiten plaatsvinden in de avond- en nachtperiode; die activiteiten zullen plaatsvinden met dezelfde voertuigen en werktuigen als bij de reguliere werkzaamheden en ook niet meer geluid voortbrengen dan bij de reguliere bedrijfsactiviteiten in de avond- en nachtperiode. Daardoor zijn deze ongebruikelijke activiteiten niet aan te merken als incidentele bedrijfssituaties, en om die reden niet afzonderlijk onderzocht (en hoeven dus ook niet afzonderlijk met afwijkende geluidsgrenzen te worden vergund), zo staat in de zienswijzennota. 13.2. Ten behoeve van het bestemmingsplan heeft Akoestisch Buro Tideman een akoestisch

16

onderzoek uitgevoerd. De resultaten van dat onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Akoestisch onderzoek [partij] Locatie Zomerweg en Sondernweg Westrand Aalten" van 13 december 2016 (hierna: rapport Westrand). Het rapport Westrand is als bijlage 5 bij de plantoelichting opgenomen. In het rapport Westrand is de geluidbelasting van de toekomstige activiteiten van het bedrijf van [partij] op de gronden met de bestemming "Bedrijventerrein" onderzocht. 13.3. Appellanten vrezen dat in het rapport Westrand de geluidbelasting vanwege het in het plangebied toegestane gebruik is onderschat. [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] en [appellant sub 4] vrezen voor een verslechtering van hun woon- en leefklimaat door geluidhinder. Stichting NMA vreest voor een toename van geluidhinder voor de omgeving. Het bedrijfsperceel van [appellante sub 1A] ligt evenals het nieuwe bedrijventerrein op het gezoneerde industrieterrein. Het betoog van [appellante sub 1A] komt erop neer dat zij, zoals zij ter zitting heeft bevestigd, vreest dat de geluidbelasting in het rapport Westrand is onderschat, waardoor de totale geluidbelasting van alle bedrijven op het industrieterrein niet deugdelijk is bepaald en de geluidzone in zoverre onvoldoende ruim is vastgesteld. Onder 15 en verder zal de Afdeling op de ligging van de geluidzone ingaan. - representatieve invulling maximale mogelijkheden 13.4.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Aalten&id=b58a4284-53ac-4eea-92d3-dc9014440ccd