Ontwerp van de omgevingsvergunning.pdf
Tekst van het document
28 juni 2022 met de volgende bijlagen: − Beschrijving Aalbers Fase 1 2022 (vervangen); − Bijlage 1 Beoogde opzet AERIUS bijlage 20220627135232 BeoogdeopzetZomerwegRyvk4gCDPDvA − Bijlage 1 Situatie 1 AERIUS_bijlage_20220627135308_SalderingKlokkemakersweg66aAaltenRY13oXALJWTN − Bijlage 1 Situatie 2 AERIUS bijlage 20220627110019 Saldering Klokkemakersweg66a AaltenRSatL7ZdPVPN − Bijlage 1 Situatie 3 AERIUS bijlage 20220627105616 Saldering Klokkemakersweg 66a AaltenS3KQpisLsFHz − Bijlage 1 Stikstof toelichting inclusief berekeningen en bijlagen d.d. 27 juni 2022; − Bijlage 1 Verschil situatie 1 AERIUS_bijlage_20220627134958_BeoogdeopzetZomerwegRtc83JD2QNfH. − Bijlage 2_Besluit mer-beoordeling 22 maart 2018 − Bijlage 3 melding uitrit aanleggen − Bijlage 3 ontvangstbevestiging melding uitrit − Bijlage 4_Quickscan Natuurwaarden onderzoek Zomerweg 08-12-2016 − Bijlage 4_20211209_aanvulling Quickscan soortenbescherming 3734A_Aalbers 2021 − Bijlage 5 AKO 18.054.01 versie 09 d.d. 07-04-2022 Akoestisch onderzoek H.J. Aalbers en Zoon B.V. Locatie Zomerweg en Sondernweg, Realisatie Fase 1 − Bijlage 6 IPPC-tool − Bijlage 7 Geur- en luchtonderzoek − Bijlage 7 20220214GELO addendum geur- en luchtonderzoek − Bijlage 8 Verkennend Bodemonderzoek Westrand W.Z22.105296.01
pagina 26 / 61
Omgevingsdienst Regio Nijmegen
− Bijlage 8 216649 goedgekeurd onderzoeksvoorstel Nulsituatie bodemonderzoek Aalbers Aalten − Bijlage 8_Goedkeuring ODRN bodemonderzoeksopzet Sondernweg W.Z22.100934.01 − 220627_Toelichting aanvraag algemeen − 22-1142-Aalbers-TOTAALPLAN_28-06-2022 (vervangen) − ROB Toelichting ruimtelijke onderbouwing Aalbers 4 feb 2022 − ROB Bijlage 2 Toelichting Aalten bedrijventerrein Westrand − ROB 220321_Toelichting detailhandelsactiviteiten − ROB Bijlage 1 20210906 Second opinion bp. Aalten Bedrijventerrein Westrand prdf-4498865 − ROB Bijlage 2 Toelichting _Aalten bedrijventerrein Westrand − 7085169_1656410135791_Constructieberekening_weegbrug − 16-2582 EPU Berekening def − 16-2582 MPG Berekening def − 16-2582 Plattegronden en gevels kantoor def − 16-2582 Toetsing Bouwbesluit def − 400 Maatvoeringstekening CLF10GS 400x200 − 5507 statische berekening 19-2-2020 def − 513515R0 uitgraafplan weegbrug − Bouwtekening weegbrug VS125 C-P 18 x 3 m − CLF10GS 400x200 Technische fiche − Constructieberekening wanden RN CLF10GS 400x200 − Constructieberekening weegbrug − Overzichtstekening weegbrug − Bijlage Locatie brandkranen Zomerweg − Bijlage NL BSB Certificaat BG-304-8 − Bijlage KOMO Certificaat BG-174-16 BRL2506-1 def −
Op 22 en 27 september 2022 ingediende aanvullende gegevens: − 22-1142-Aalbers-TOTAALPLAN_28-06-2022 aanvulling september 2022 − 220919_Reactie op ontvangen en op 14 juli besproken tekortkomingen AVbeleid − 220920_Reactie aanvullingsverzoek 26 augustus 2022 − 220922_AV en AO/IC 2022 − 220922_Beschrijving Aalbers Fase 1 2022 − Prefab betonnen blokkenwanden -Legio voetblock − rapport-Aa (statische berekening) − rapport-Ba (statische berekening)
1.4. Huidige vergunningsituatie Het betreft een oprichtingssituatie (verplaatsing van bestaande bedrijfsactiviteiten naar een nieuw inrichtingsterrein). Voor de op te richten inrichting op de nieuwe locatie zijn niet eerder omgevingsvergunningen verleend.
W.Z22.105296.01
pagina 27 / 61
Omgevingsdienst Regio Nijmegen
1.5. Vergunningplicht De activiteiten van de inrichting zijn genoemd in Bijlage I, onderdeel C van het Besluit omgevingsrecht (Bor). De volgende categorieën zijn van toepassing: Categorie
Omschrijving
28.4, onder a, sub 5
Het opslaan van van buiten de inrichting afkomstige gevaarlijke afvalstoffen.
28.4, onder a, sub 6
Het opslaan van andere dan de onder 1° tot en met 5° genoemde van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen met een capaciteit ten aanzien daarvan van 1.000 m3 of meer.
28.4, onder c, sub 1
het ontwateren, microbiologisch of anderszins biologisch of chemisch omzetten, agglomereren, deglomereren, mechanisch, fysisch of chemisch scheiden, mengen, verdichten of thermisch behandelen – anders dan verbranden – van van buiten de inrichting afkomstige huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen met een capaciteit ten aanzien daarvan van 15.000.000 kg per jaar of meer.
Op grond van categorie 28.10 is sprake van een vergunningplichtige activiteit. Het betreft een inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort genoemd in Bijlage I van de Richtlijn industriële emissies (RIE). De inrichting valt onder categorie 5.5 (het tijdelijk opslaan van gevaarlijke afvalstoffen met een totale capaciteit van meer dan 50 ton gevolgd door een specifieke handeling). Om die reden is op grond van artikel 2.1, tweede lid van het Bor sprake van een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning is vereist. 1.6. Bevoegd gezag Gedeputeerde Staten van Gelderland zijn bevoegd gezag voor de inrichting. Dit volgt uit artikel 2.4, tweede lid van de Wabo juncto artikel 3.3, eerste lid, van het Bor. De activiteiten van de inrichting zijn genoemd in Bijlage I, onderdeel C, categorie 28.4 van het Bor en het betreft een inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort. 1.7. Bestemmingsplan Het project ligt in een gebied waar het bestemmingsplan Bedrijventerrein Westrand Aalten geldt. Het project is in strijd met artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 2 en 3, van de bouw- en gebruiksregels van dit bestemmingsplan. Wij gaan hier verder op in bij de activiteit “gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een planologische regeling”. 1.8. Beoordeling van de aanvraag Na ontvangst van de aanvraag hebben wij deze getoetst op volledigheid.
In verband met het ontbreken van een aantal gegevens hebben wij de aanvrager op 20 juli en 26 augustus 2022 in de gelegenheid gesteld om tot 1 oktober 2022 de aanvraag aan te vullen. Wij hebben de aanvullende gegevens ontvangen op 22 en 27 september 2022. Na ontvangst van de aanvullende gegevens hebben wij de aanvraag opnieuw getoetst op volledigheid. Wij zijn van oordeel dat de aanvraag met de aanvullende gegevens voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen van de activiteit op de fysieke leefomgeving. De aanvraag is dan ook in behandeling genomen. De termijn voor het nemen van het besluit is 68 dagen opgeschort tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld.
W.Z22.105296.01
pagina 28 / 61
Omgevingsdienst Regio Nijmegen
1.9. Procedure Deze beschikking is voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure als beschreven in paragraaf 3.3 van de Wabo. Gelet hierop zijn wij niet verplicht om van de aanvraag kennis te geven in een of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen of op andere geschikte wijze, tenzij bij de voorbereiding van de beslissing op de aanvraag een milieueffectrapport (MER) moet worden gemaakt. Nu deze uitzonderingsgrond zich niet voordoet hebben wij geen kennis gegeven van de aanvraag. 1.10. Advies en verklaring van geen bedenkingen In de Wabo en het Bor worden bestuursorganen vanwege hun specifieke deskundigheid of betrokkenheid aangewezen als adviseur. Gelet op het bepaalde in artikel 2.26, Wabo, alsmede de artikelen 6.1 tot en met 6.5 van het Bor, hebben wij de aanvraag voor advies gezonden aan gemeente Aalten. De gemeente heeft advies uitgebracht over de akoestisch inpassing op het geluidgezoneerde industrieterrein (bedrijventerreinen ’t Broek en Westrand). Daarnaast is een stedebouwkundig advies verstrekt. De adviezen zijn betrokken bij de overwegingen over de geluidhinder die de inrichting kan veroorzaken en het bouwen van bouwwerken .
Op grond van artikel 2.27, Wabo wijst het Bor of een bijzondere wet categorieën van gevallen aan waarvoor geldt dat een omgevingsvergunning niet wordt verleend dan nadat een daarbij aangewezen bestuursorgaan heeft verklaard dat het daartegen geen bedenkingen heeft. Omdat het hier een geval betreft als vermeld in artikel 6.5 van het Bor, wordt de omgevingsvergunning niet verleend dan nadat de gemeenteraad van Aalten heeft verklaard dat daartegen geen bedenkingen zijn. In dit kader hebben wij onverwijld na ontvangst van de aanvraag een exemplaar daarvan toegezonden aan gemeente Aalten met het verzoek de gemeenteraad te vragen een verklaring van geen bedenkingen (vvgb) af te geven. Op 30 november 2022 hebben wij een ontwerpverklaring ontvangen waaruit blijkt dat er, gelet op het belang van een goede ruimtelijke ordening geen bedenkingen zijn tegen het verlenen van de gevraagde vergunning. 1.11. Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming (Wnb) haakt aan bij de Wabo wanneer: a. een activiteit plaatsvindt in of om een Natura 2000-gebied en deze activiteit de kwaliteit van de habitats en de habitats van soorten verslechtert (handelingen met gevolgen voor beschermde natuurgebieden) en/of; b.
een activiteit plaatsvindt waarbij in onvoldoende mate sprake is van het beschermen van inheemse plant- en diersoorten en het bewaken van de biodiversiteit tegen invasieve uitheemse plant- en diersoorten (handelingen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten). Een omgevingsvergunning natuur is niet van toepassing wanneer al toestemming op basis van de Wnb is verkregen of gevraagd. Verder is een omgevingsvergunning niet van toepassing wanneer voor het voorgenomen project geen vergunning en ontheffing op grond van de Wnb nodig is. Voor het voorgenomen project is op 12 juli 2019 een vergunning ingevolge Wnb bij de provincie Gelderland aangevraagd. Dit betekent dat de Wnb niet aanhaakt in deze WaboW.Z22.105296.01
pagina 29 / 61
Omgevingsdienst Regio Nijmegen
procedure. Op 30 september 2022 is een ontwerpbesluit, met zaaknummer 2019-008818, tot verlening van de Wnb-vergunning aan de aanvrager verzonden. Het ontwerpbesluit heeft tot 18 november 2022 ter inzage gelegen. Tegen dit ontwerpbesluit is op 17 november een zienswijze ingediend. Een definitief besluit ingevolge de Wnb is nog niet genomen. 1.12. Mer-beoordelingsbesluit De aangevraagde activiteiten vallen onder categorie 18.1 van de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Op grond van de Wet milieubeheer heeft de aanvrager de voorgenomen activiteit op 26 januari 2018 bij ons gemeld door middel van een aanmeldingsnotitie (artikel 7.17 Wet milieubeheer). Daarop hebben wij op 22 maart 2018 het besluit genomen dat voor de beoogde activiteiten op de locatie Bedrijventerrein Westrand waarvoor nu een vergunning is aangevraagd geen milieueffectrapport behoeft te worden opgesteld. Geoordeeld is dat geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen, die reden geven voor een nadere milieueffectbeoordeling als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Dit besluit hebben wij op 26 maart 2018 bekend gemaakt. Dit besluit is bij de aanvraag gevoegd. De in de aanvraag omgevingsvergunning beschreven activiteiten komen overeen met de activiteiten uit de aanmeldingsnotitie.
Er is alleen sprake van een geringe wijziging van de terreinindeling. Om die reden zijn de milieugevolgen opnieuw in beeld gebracht. Uit de rapportages van de milieugevolgen blijkt dat deze passen binnen de milieugevolgen die zijn beoordeeld in het kader van de aanmeldingsnotitie. Verder is de locatie van het project reeds onderzocht in het kader van het bestemmingsplan “Bedrijventerrein Westrand Aalten”. Uit het milieueffectrapport dat aan dit bestemmingsplan ten grondslag ligt blijkt dat het bedrijventerrein – en daarmee de activiteiten van H.J. Aalbers en Zn. B.V. - niet leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Aangezien de activiteiten waarvoor nu vergunning is gevraagd dezelfde zijn en de nadelige gevolgen voor het milieu die de inrichting kan veroorzaken voldoende in beeld zijn gebracht en aantoonbaar kunnen worden voorkomen of beperkt, zien wij geen aanleiding tot een ander oordeel te komen. De aanpassing van het project geeft geen aanleiding tot wijziging van het m.e.r.-beoordelingsbesluit van 22 maart 2018.
W.Z22.105296.01
pagina 30 / 61
Omgevingsdienst Regio Nijmegen
2.
TOETSINGSKADER BOUWEN
2.1. Omschrijving activiteiten Het plan betreft het vestigen van het bedrijf Aalbers. Op het terrein zullen een weegbrug, kantoor met kantine en buitenopslag worden gerealiseerd. Het kantoor heeft een oppervlakte van ongeveer 130 m2 en zal worden voorzien van zonnepanelen. De buitenopslag bestaat voor een groot deel uit onbrandbare materialen (zand, grind, oud ijzer, enz.). De opslag van A- en B-hout, C-hout en groenafval wordt gescheiden op het terrein geprojecteerd. De scheiding vindt plaats door een 5 meter hoge betonnen muur of door een rijpad met een breedte van 10 meter. 2.2. Wettelijke grondslag Een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor zover die geheel of gedeeltelijk ziet op het bouwen van een bouwwerk moet worden geweigerd indien er niet wordt voldaan aan de toetsingscriteria genoemd in artikel 2.10, eerste lid, Wabo. In gevallen als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, onder c, Wabo (kortgezegd, de activiteit is in strijd met het bestemmingsplan of andere planologische regelgeving) wordt de aanvraag voor een omgevingsvergunning mede aangemerkt als een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, Wabo en wordt de omgevingsvergunning slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12, Wabo niet mogelijk is.
Hieronder gaan wij puntsgewijs in op de in artikel 2.10, eerste lid, Wabo genoemde toetsingscriteria. 2.2.1. Bouwbesluit Artikel 2.10, eerste lid, sub a, Wabo: De omgevingsvergunning moet worden geweigerd indien de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar ons oordeel niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 of 120 van de Woningwet. Met de ingediende stukken is aannemelijk gemaakt dat het plan kan voldoen aan de voorschriften van het Bouwbesluit. Hierdoor hebben wij (op dit punt) geen reden om de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor deze activiteit te weigeren, maar wel reden tot het stellen van voorschriften. 2.2.2.
Bouwverordening Artikel 2.10, eerste lid, sub b, Wabo: De omgevingsvergunning moet worden geweigerd indien de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar ons oordeel niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij de bouwverordening of, zolang de bouwverordening daarmee nog niet in overeenstemming is gebracht, met de voorschriften die zijn gesteld bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8, achtste lid, van de Woningwet dan wel bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 120 van die wet. Er is getoetst aan de Bouwverordening van de gemeente Aalten (hierna: Bouwverordening).
W.Z22.105296.01
pagina 31 / 61
Omgevingsdienst Regio Nijmegen
2.2.3. Beoordeling bodemrapportage In het kader van de Regeling omgevingsrecht (artikel 2.4) en de Bouwverordening beoordelen wij de bodemkwaliteit om vast te stellen of voor de gebruikers geen schade of gevaar voor de gezondheid te verwachten is. Bij de beoordeling maken wij gebruik van de toetsingswaarden volgens de Wet bodembescherming (Circulaire Bodemsanering 2009 en het Besluit Bodemkwaliteit). Met de ingediende stukken is voldoende aannemelijk gemaakt dat het plan kan voldoen aan de voorschriften van de Bouwverordening. Hierdoor hebben wij (op dit punt) geen reden om de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor deze activiteit te weigeren. 2.2.4. Bestemmingsplan Artikel 2.10, eerste lid, sub c, Wabo: De omgevingsvergunning moet worden geweigerd indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening. Aan de hand van de ingediende stukken is het plan getoetst aan het vigerende bestemmingsplan. Het plan is in strijd met het bestemmingsplan. De omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen hoeft toch niet te worden geweigerd, omdat vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12, Wabo mogelijk is.
Op 29 november 2022 heeft de gemeenteraad van Aalten besloten een (ontwerp) verklaring van geen bedenkingen af te geven voor de aanvraag omgevingsvergunning van H.J. Aalbers en Zoon Transport B.V. De ontwerpverklaring is als definitief aan te merken als er geen zienswijzen tegen het ontwerp worden ingediend. De strijdigheid met het bestemmingsplan en de toepassing van artikel 2.12, Wabo behandelen wij uitvoeriger in het hoofdstuk “Gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan of een beheersverordening”. 2.2.5. Redelijke eisen van welstand Artikel 2.10, eerste lid, sub d, Wabo: De omgevingsvergunning moet worden geweigerd indien het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk, dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet, tenzij wij van oordeel zijn dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend. Het plan is op 28 november 2022 door de welstandscommissie beoordeeld op redelijke eisen van welstand op basis van de welstandsnota van de gemeente Aalten.
Het plan is gelegen in welstandsgebied ‘Landelijk gebied’ en het toetsingsniveau is ‘Regulier’. Het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk is niet in strijd met redelijke eisen van welstand zoals beschreven in de welstandsnota van de gemeente Aalten. De Welstandscommissie heeft op 28 november 2022 een positief advies afgegeven. De omgevingsvergunning kan wat betreft welstandseisen worden verleend.
W.Z22.105296.01
pagina 32 / 61
Omgevingsdienst Regio Nijmegen
2.3. Conclusie Gelet op voorgaande overwegingen is er geen reden om de omgevingsvergunning ten aanzien van de activiteit bouwen van bouwwerken te weigeren.
W.Z22.105296.01
pagina 33 / 61
Omgevingsdienst Regio Nijmegen
3.
TOETSINGSKADER GEBRUIKEN VAN GRONDEN OF BOUWWERKEN IN STRIJD MET EEN BESTEMMINGSPLAN
3.1.
Inhoudelijke beoordeling
3.1.1. Wettelijke grondslag Een aanvraag om een omgevingsvergunning voor zover die geheel of gedeeltelijk ziet op het “gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan of een beheersverordening” kan slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening (zie artikel 2.1, eerste lid, sub c, Wabo juncto artikel 2.12, eerste lid, sub a, Wabo) en: a. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking, b. in de bij algemene maatregel van bestuur aangegeven gevallen (zie bijlage 2, artikel 4 van het Besluit omgevingsrecht), of c. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat. 3.1.2. Toets aan het bestemmingsplan Het plan, waarvoor de omgevingsvergunning wordt aangevraagd, hebben wij getoetst aan het bestemmingsplan “Aalten Bedrijventerrein Westrand”. Wij hebben geconstateerd dat het plan op de volgende punten in strijd is met het bestemmingsplan: Van de aangevraagde activiteiten zijn de volgende activiteiten in strijd met het bestemmingsplan: 1) Het shredderen van niet-groenafval, 2) Het zeven van grond, 3) De inname en het be- en verwerken van andere afvalstoffen (niet zijnde bouwafval), en 4) Groothandelsactiviteiten.
Voor alle strijdigheden verwijzen wij naar het document ‘Second opinion bestemmingsplantoets bedrijventerrein Westrand - inrichting Aalbers’, Pels Rijcken d.d. 6 september 2021. Deze second opinion is onderdeel van de aanvraag en als gewaarmerkt stuk bijgevoegd. 3.1.3. Mogelijkheid om dit strijdig gebruik te vergunnen In beginsel is een grote buitenplanse afwijking op grond van artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 3, van de Wabo inzetbaar. Hiervoor is advies van nodig van de afdeling RO en een verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad. Er is positief geadviseerd. Op 29 november 2022 heeft de gemeenteraad van Aalten besloten een (ontwerp) verklaring van geen bedenkingen af te geven voor de aanvraag omgevingsvergunning van H.J. Aalbers en Zoon Transport B.V. De ontwerpverklaring is als definitief aan te merken als er geen zienswijzen tegen het ontwerp worden ingediend. Deze (ontwerp) verklaring is bijgevoegd als gewaarmerkt stuk. 3.2. Conclusie Gelet op voorgaande overwegingen is er geen reden om de omgevingsvergunning ten aanzien van de activiteit het “gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan of een beheersverordening” te weigeren. Wij verbinden ten aanzien van deze activiteit geen voorschriften aan de omgevingsvergunning. W.Z22.105296.01
pagina 34 / 61
Omgevingsdienst Regio Nijmegen
4.
TOETSINGSKADER MILIEU
4.1. Inleiding De aanvraag heeft betrekking op het oprichten en in werking hebben van een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo. 4.2. Toetsing oprichten, veranderen en/of revisie Bij onze beslissing op de aanvraag hebben wij conform artikel 2.14, eerste lid onder a, b en c, van de Wabo: − de bestaande toestand van het milieu betrokken; − met het milieubeleidsplan rekening gehouden; − de best beschikbare technieken in acht genomen. In de onderstaande hoofdstukken lichten wij dit nader toe. Wij beperken ons tot die onderdelen van het toetsingskader die ook daadwerkelijk op onze beslissing van invloed (kunnen) zijn. 4.3. Activiteitenbesluit In het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit) zijn voor een groot aantal activiteiten, die binnen inrichtingen plaats kunnen vinden, rechtstreeks werkende, algemene regels opgenomen. De inrichting waarvoor vergunning is aangevraagd, is aangemerkt als een inrichting waarvoor vergunningplicht (type C-inrichting) geldt. Binnen het bedrijf vinden de volgende activiteiten plaats die vallen onder de werkingssfeer van (hoofdstuk 3 van) het Activiteitenbesluit: − Opslaan en overslaan van inerte en niet-inerte goederen; − Op- en overslaan van verwijderd asbest; − Gemeentelijke milieustraat (afvalbrengstation voor particulieren).
Er moet worden voldaan aan de volgende paragrafen uit het Activiteitenbesluit en de daarbij behorende Activiteitenregeling, voor zover deze betrekking hebben op de genoemde (deel)activiteiten: − Paragraaf 3.4.3 Opslaan en overslaan van goederen; − Paragraaf 3.4.11 Op- en overslaan van verwijderd asbest; − Paragraaf 3.8.2 Gemeentelijke milieustraat. Ten aanzien van paragraaf 3.4.3 van het Activiteitenbesluit merken wij op dat deze paragraaf eveneens van toepassing is op de opslag en overslag van niet-inerte goederen bij een inrichting als daarmee uitvoering wordt gegeven aan titel 10.4 van de Wet milieubeheer (een gemeentelijke milieustraat voor particulieren). Paragraaf 3.4.11 geldt voor het op- en overslaan van verwijderd asbest bij een gemeentelijke milieustraat of een inrichting waartoe een gemeentelijke milieustraat behoort. Het voorgaande houdt in dat in deze vergunning geen voorschriften voor de opslag en overslag van inerte en niet-inerte goederen en voor de opslag van asbest behoeven te worden gesteld.
W.Z22.105296.01
pagina 35 / 61
Omgevingsdienst Regio Nijmegen
Voor het overige is per hoofdstuk of afdeling aangegeven of deze op een type C-inrichting van toepassing is. Dit betekent dat ook hoofdstuk 1, afdeling 2.1 tot en met 2.4, 2.10 en 2.11 en artikel 2.12 van afdeling 2.5 van hoofdstuk 2 en de overgangsbepalingen uit hoofdstuk 6 van het Activiteitenbesluit van toepassing kunnen zijn. Van belang voor deze vergunning is, of de inrichting ook voor de activiteiten die onder het Activiteitenbesluit vallen voldoet aan de best beschikbare technieken. Voor de overwegingen per milieuthema wordt verwezen naar de desbetreffende paragraaf. De voorschriften voor het onderdeel milieu, die in deze vergunning zijn opgenomen betreffen aspecten en activiteiten die niet zijn geregeld in het Activiteitenbesluit en de bijbehorende Activiteitenregeling. 4.3.1. Maatwerkvoorschriften Wij kunnen voor bepaalde in het Activiteitenbesluit genoemde activiteiten aanvullende maatwerkvoorschriften vaststellen voor zover die mogelijkheid in het Activiteitenbesluit is aangegeven. De aanvraag leidt tot het stellen van maatwerkvoorschriften, als bedoeld in artikel 2.7 (emissies naar de lucht), 2.7a (geuremissies) en 2.11 (bodemonderzoek), van het Activiteitenbesluit. Het betreft de volgende aspecten uit het Activiteitenbesluit: Bodem: Het uitvoeren van een nulsituatie bodemonderzoek.
Geur: Grenswaarden voor geuremissies en meetvoorschriften om deze emissie vast te stellen. Diffuse emissies: Maatregelen om diffuse emissies zoveel mogelijk te beperken. Bij het stellen van deze maatwerkvoorschriften hebben wij in ieder geval betrokken: − de bestaande toestand van het milieu, voor zover de inrichting daarvoor gevolgen kan veroorzaken; − de gevolgen voor het milieu, die de inrichting kan veroorzaken; − de met betrekking tot de inrichting en de omgeving waarin deze is gelegen, redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen die van belang zijn met het oog op de bescherming van het milieu; − de mogelijkheden tot bescherming van het milieu, door de nadelige gevolgen voor het milieu, die de inrichting kan veroorzaken, te voorkomen, dan wel zoveel mogelijk te beperken, voor zover zij niet kunnen worden voorkomen; − de voor onderdelen van het milieu, waarvoor de inrichting gevolgen kan hebben, geldende milieukwaliteitseisen, vastgesteld krachtens of overeenkomstig artikel 5.1 of bij Bijlage 2 van de Wet milieubeheer; − de redelijkerwijs te verwachten financiële en economische gevolgen van het voorschrift. De onderbouwing van de maatwerkvoorschriften is uitgewerkt bij de betreffende milieuaspecten.
5.
BESTE BESCHIKBARE TECHNIEKEN
5.1. Toetsingskader In het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu moeten aan de vergunning voorschriften worden verbonden, die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk – bij voorkeur bij de bron – te beperken en ongedaan te W.Z22.105296.01
pagina 36 / 61
Omgevingsdienst Regio Nijmegen
maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken (BBT) worden toegepast. Bij het opstellen van de omgevingsvergunning milieu moet rekening worden gehouden met de BBT-conclusies. De Europese Commissie stelt de BBT-conclusies op en maakt deze bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie. BBT-conclusies is een document met de conclusies over beste beschikbare technieken, vastgesteld overeenkomstig artikel 13 lid 5 en 7 van de Richtlijn industriële emissies (RIE). Het verschil tussen artikel 13 lid 5 en lid 7 van de RIE is: − BBT-conclusies overeenkomstig artikel 13 lid 5 heeft de Europese Commissie vastgesteld ná 6 januari 2011. Dit op basis van artikel 75 lid 2 van de Rie. − BBT-conclusies overeenkomstig artikel 13 lid 7 is het hoofdstuk Best available techniques (BAT) uit de BREF's. De Europese commissie heeft deze BREF's vastgesteld vóór 6 januari 2011. Dit hoofdstuk geldt als BBT-conclusies totdat de Europese Commissie voor die activiteit nieuwe BBT-conclusies vaststelt.
Als op een activiteit of op een type productieproces binnen de inrichting waarvoor een vergunning is aangevraagd, geen BBT-conclusies of informatiedocumenten over BBT van toepassing zijn, of als de van toepassing zijnde BBT conclusies of informatiedocumenten niet alle mogelijke milieueffecten van de activiteit of het proces behandelen moet het bevoegd gezag de BBT zelf vast stellen. Hierbij houdt het bevoegd gezag in ieder geval rekening met: − de toepassing van technieken die weinig afvalstoffen veroorzaken; − de toepassing van stoffen die minder gevaarlijk zijn dan stoffen of mengsels als omschreven in artikel 3 van de EG-verordening(nr.
1272/2008) indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels; − de ontwikkeling, waar mogelijk, van technieken voor de terugwinning en opnieuw gebruiken van de bij de processen in de inrichting uitgestoten en gebruikte stoffen en van afvalstoffen; − vergelijkbare processen, apparaten of wijzen van bedrijfsvoering die met succes in de praktijk zijn beproefd; − de vooruitgang van de techniek en de ontwikkeling van de wetenschappelijke kennis; − de aard, de effecten en de omvang van de betrokken emissies; − de data waarop de installaties in de inrichting in gebruik zijn of worden genomen; − de tijd die nodig is om een betere techniek toe te gaan passen; − het verbruik en de aard van de grondstoffen, met inbegrip van water, en de energie-efficiëntie; − de noodzaak om het algemene effect van de emissies op en de risico’s voor het milieu te voorkomen of tot een minimum te beperken; − de noodzaak ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor het milieu te beperken. De op één van deze criteria vastgestelde BBT moet een milieubeschermingsniveau garanderen dat tenminste gelijkwaardig is aan het niveau in de BBT-conclusies.
W.Z22.105296.01
pagina 37 / 61
Omgevingsdienst Regio Nijmegen
5.2. Concrete bepaling beste beschikbare technieken Binnen de inrichting worden één of meer van de activiteiten uit Bijlage 1 van de RIE uitgevoerd en wel de volgende: − 5.5 De tijdelijke opslag van niet onder punt 5.4 vallende gevaarlijke afvalstoffen, in afwachting van een van de onder de punten 5.1, 5.2, 5.4 en 5.6 vermelde behandelingen, met een totale capaciteit van meer dan 50 ton, met uitsluiting van tijdelijke opslag, voorafgaande aan inzameling, op de plaats van productie. Er moet worden voldaan aan de BBT-conclusies voor de hoofdactiviteit en aan andere relevante BBT-conclusies. Op grond van artikel 9.2 van de Mor moet voor het bepalen van BBT binnen de inrichting aanvullend een toetsing plaatsvinden aan relevante aangewezen informatiedocumenten over BBT. Uit jurisprudentie met betrekking tot het bepalen van BBT bij het toetsen aan BBT-conclusies bij vergunningverlening is gebleken dat het bevoegd gezag bij het toetsen aan BBTconclusies de actualiteit hiervan moet nagaan ten aanzien van de ontwikkelingen van BBT die sinds het vaststellen van de BBT-conclusies hebben plaatsgevonden. Bronnen voor ontwikkelingen ten aanzien van BBT zijn onder andere de concepten van herziene BREF’s. Bij het bepalen van de BBT hebben we rekening gehouden met de volgende van toepassing zijnde BBT-conclusies: BBT-Conclusies voor afvalbehandeling.
Bij het bepalen van de BBT hebben wij rekening gehouden met de volgende informatiedocumenten over BBT, zoals aangewezen in de bijlage van de Mor: NRB 2012; Nederlandse richtlijn bodembescherming, maart 2012; PGS 15: Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen, september 2016. 5.3. Conclusies BBT De inrichting voldoet - met inachtneming van de aan dit besluit gehechte voorschriften aan BBT. Voor de overwegingen per milieuthema wordt verwezen naar de desbetreffende paragraaf.
6.
AFVALSTOFFEN
6.1.
Afvalstoffen algemeen
6.1.1. Preventie Preventie van afval is een van de hoofddoelstellingen van het afvalstoffenbeleid. In deel B2 van het Landelijk Afvalbeheerplan 2017-2029, hierna aangeduid als het LAP, is het beleid uitgewerkt voor afvalpreventie. In Nederland is een separaat afvalpreventieprogramma vastgesteld. De uitwerking van preventie-activiteiten vindt voornamelijk plaats via het programma Van Afval Naar Grondstof (VANG) en is inmiddels voortgezet in de vorm van het Rijks brede programma Circulaire Economie. Op grond van artikel 5.4 (vaststelling van de beste beschikbare technieken) en artikel 5.7 van het Bor kan bevoegd gezag voorschriften de in omgevingsvergunning opnemen om invulling te geven aan dit aspect. In alle bedrijfsprocessen kunnen mogelijkheden bestaan om het ontstaan van afvalstoffen en het - directe of indirecte - gebruik van grondstoffen terug te dringen of de bestaande grondstoffen te vervangen door duurzame alternatieven. Zowel het beperken van de hoeveelheid afvalstoffen als het terugdringen van de hoeveelheid grondstoffen levert direct W.Z22.105296.01
pagina 38 / 61
Omgevingsdienst Regio Nijmegen
een financiële besparing op. Uitgangspunt voor alle bedrijven is dat het ontstaan van afval moet worden voorkomen of beperkt. Binnen de inrichting ontstaan in beperkte mate (bedrijfseigen) afvalstoffen in het kantoor zoals papier/karton, klein gevaarlijk afval en restafval. Verder ontstaat olie-/slibafzetting in de zandvangput en olie-afscheider, welke periodiek wordt gereinigd. Gezien de beperkte omvang van vrijkomende bedrijfseigen afvalstoffen concluderen wij dat preventie niet relevant is. Wij hebben daarom in deze vergunning verder geen aandacht besteed aan de preventie van afvalstoffen. 6.1.2. Afvalscheiding In deel B3 van het LAP is het beleid uitgewerkt voor afvalscheiding, waarbij paragraaf B.3.5 specifiek ingaat op afvalscheiding door bedrijven. Voor bedrijfsafval is het niet goed mogelijk een limitatieve opsomming te maken van afvalstoffen die door alle bedrijven gescheiden moet worden gehouden. Bedrijven verschillen van aard en omvang veel van elkaar en er bestaat een groot aantal bedrijfsspecifieke afvalstoffen. Uitgangspunt is dat bedrijven verplicht zijn alle afvalstoffen gescheiden te houden en gescheiden af te geven, tenzij dat redelijkerwijs niet van hen kan worden gevergd.
Voor een aantal die diffuus of in kleine hoeveelheden ontstaan is in het LAP (paragraaf B.3.4.2) een tabel opgenomen waarin een indicatie wordt gegeven wanneer het redelijk is afvalscheiding te vergen. Daarnaast zijn in bijlage 11 van de Activiteitenregeling verschillende categorieën van gevaarlijke en niet-gevaarlijke afvalstoffen vastgelegd welke niet met elkaar, met andere afvalstoffen of met niet afvalstoffen mogen worden gemengd. Deze categorieën moeten dus gescheiden gehouden worden. Voor de overwegingen met betrekking tot het gescheiden houden/niet mengen van deze categorieën van afvalstoffen wordt verwezen naar de paragraaf ‘mengen’. Binnen de inrichting komen afvalstoffen vrij waarvan in het LAP3 is aangegeven dat er omstandigheden kunnen zijn dat scheiding daarvan redelijkerwijs van een inrichting kan worden gevergd. Op basis daarvan achten wij het in voorliggende situatie dan ook redelijk om afvalscheiding voor te schrijven voor de volgende afvalstoffen: − batterijen en accu’s; − papier; − olie-/water/-slibmengsel; − (Overig) Klein gevaarlijk afval. 6.2.
Acceptatie en/of verwerking van afvalstoffen
6.2.1. BBT conclusies afvalbehandeling Op 10 augustus 2018 is het document met BBT conclusies voor afvalbehandeling vastgesteld. Veel BBT conclusies voor afvalbehandeling hebben betrekking op emissies naar water en lucht (stof en geur) alsmede op geluid en trillingen. Voor zover een BBT conclusie betrekking heeft op emissies naar de lucht, de bodem, het water, geluidemissies en/of trillingen wordt voor de overwegingen verwezen naar de desbetreffende paragraaf. Bij het bepalen van de BBT, specifiek voor de acceptatie en/of verwerking van afvalstoffen hebben we rekening gehouden met de volgende van toepassing zijnde BBT-conclusies voor afvalbehandeling. De IPPC-installatie binnen de inrichting bestaat uit de tijdelijke opslag van gevaarlijke afvalstoffen (RIE, Bijlage 1, categorie 5.5). Hierop zijn de Algemene BBTconclusies 1 t/m 5 van toepassing. W.Z22.105296.01
pagina 39 / 61
Omgevingsdienst Regio Nijmegen
De aangevraagde acceptatie en/of verwerking van afvalstoffen voldoet aan de hierboven genoemde BBT-conclusies. 6.2.2. Doelmatig beheer van afvalstoffen Het beleid met betrekking tot afvalverwerking is gericht op het doelmatig beheer van afvalstoffen, zoals gedefinieerd in artikel 1.1 van de Wm. In dat kader houden wij rekening met het geldende afvalbeheerplan (het Landelijk Afvalbeheerplan 2017-2029, hierna aangeduid als het LAP) waaronder begrepen deel E (minimumstandaard per specifieke afvalstroom). De doelstellingen van het LAP geven invulling aan de prioriteitsvolgorde in de afvalhiërarchie zoals die in artikel 10.4 van de Wm is opgenomen: c. preventie; q. voorbereiding voor hergebruik; r. recycling; s. andere nuttige toepassing, waaronder energieterugwinning; t. veilige verwijdering. De minimumstandaard geeft de minimale hoogwaardigheid aan van de verwerking van een bepaalde afvalstof of categorie van afvalstoffen. Deze minimumstandaard is bedoeld te voorkomen dat afvalstoffen laagwaardiger worden verwerkt dan wenselijk is. Als de minimumstandaard bestaat uit verschillende verwerkingshandelingen bij diverse inrichtingen kan voor de afzonderlijke verwerkingsstappen een vergunning worden verleend mits de totale verwerking voldoet aan de minimumstandaard. In een aantal sectorplannen is vermeld dat het opnemen van sturingsvoorschriften dan noodzakelijk is. 6.3.
Toetsing van de aangevraagde afvalactiviteiten
6.3.1. Uitsluitend opslaan en/of overslaan van afvalstoffen In het LAP is aangegeven dat voor het uitsluitend opslaan van afvalstoffen in beginsel een vergunning kan worden verleend. Drie afvalstromen worden hiervan uitgezonderd, te weten: − Afvalmunitie, vuurwerkafval en overig explosief afval; − Dierlijke bijproducten; − Brandbaar afval in afwachting van verwerking in een AVI. Als gevolg van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen wordt de opslag van afvalstoffen voorafgaand aan verwijdering gezien als storten indien de tijdsduur van 1 jaar wordt overschreden. Indien de opslag voorafgaat aan nuttige toepassing van de afvalstoffen is deze termijn drie jaar. Het is niet de bedoeling om voor of na afloop van de genoemde termijnen afvalstoffen weer langdurig in opslag te nemen binnen een andere inrichting. Na benutting van deze termijnen moet het afval worden afgevoerd naar een verwerker. Uit de aanvraag (AV-beleid en AO/IC) blijkt dat de volgende afvalstoffen binnen de inrichting alleen worden op- en overgeslagen: − Glas − Gips − Dakafval − Asfalt − Asbest − C-hout − Kunststof − Stedelijk afval W.Z22.105296.01
pagina 40 / 61
Omgevingsdienst Regio Nijmegen
− Banden − Tapijt − Straalgrit Voor het opslaan van deze afvalstoffen beschikt de aanvrager over de benodigde voorzieningen. Voor de opslagtermijn van deze afvalstoffen is geen maximum in de aanvraag opgenomen. Voor het opslaan van de hierboven vermelde afvalstoffen kan een vergunning worden verleend omdat deze afvalstromen niet behoren tot de in het LAP genoemde uitzonderingen. In de vergunning is vastgelegd dat de termijn van opslag voorafgaand aan verwijdering maximaal 1 jaar is en de termijn van opslag voorafgaand aan nuttige toepassing maximaal 3 jaar is. 6.3.2.
Voorbewerking en verwerking van afvalstoffen
Uit het AV-beleid en AO/IC blijkt de volgende afvalstoffen naast tijdelijk opslag een (voor)bewerking ondergaan: − Metalen − Hout − Grond − Puin en steenachtig materiaal − Bouw- en sloopafval Metalen Aangeboden metalen (ferro en non-ferro) worden binnen de inrichting op- en overgeslagen. Afhankelijk van de logistieke- en marktomstandigheden worden de metaal onder meer gescheiden in RVS, koper, lood, zink, aluminium en andere (Ferro)metalen. Het (gescheiden) metaal wordt vervolgens ten behoeve van recycling afgevoerd naar erkende verwerkers. Hout (A- en B-hout en snoeihout) Ter voorbereiding op verdere verwerking elders kan snoeihout en A- en B-hout worden geshredderd. Hiertoe is een shredder aanwezig die ten hoogste 1200 uur per jaar in bedrijf is. Conclusie voorbewerken (sorteren, verkleinen, versnipperen) Het sorteren, verkleinen, shredderen zijn voorbereidende handelingen die een latere verwerking conform de minimumstandaard niet onmogelijk maken. Deze verwerkingsvormen zijn doelmatig, tenzij in de beoordeling van dit hoofdstuk anders is vermeld. Om te voorkomen dat door het opknippen van een verwerkingsproces de totale verwerking niet conform de minimumstandaard plaatsvindt, is een sturingsvoorschrift (voorschrift 2.5.2) aan de vergunning verbonden.
Steenachtig materiaal Puin en (PAK-arm) steenachtig materiaal worden binnen de inrichting opgeslagen, periodiek gebroken en gezeefd. Hiertoe wordt op afroep een mobiele puinbreker ingehuurd bij derden. De puinbreker is gecertificeerd volgens BRL 2506, deel 1 en deel 2. De puinbreker is maximaal 1008 uur per in bedrijf. Het geproduceerde puingranulaat wordt elders als bouwstof toegepast.
W.Z22.105296.01
pagina 41 / 61
Omgevingsdienst Regio Nijmegen
Het beleid voor het verwerken van afvalstoffen is neergelegd in de sectorplannen van het LAP en opgenomen in de minimumstandaard. Voor de onderhavige aanvraag is het volgende sectorplan uit deel E van het LAP van toepassing: − Sectorplan 29 Steenachtig materiaal De minimumstandaard van verwerking maakt voor steenachtig materiaal en zeefzand een onderscheid in PAK-arm (gehalte aan PAK10 ≤ 50 mg/kg droge stof) en PAK-rijk materiaal (gehalte aan PAK10 > 50 mg/kg droge stof) (sectorplan 29 en 30). PAK-rijk materiaal moet thermisch of extractief worden gereinigd. PAK-arm materiaal moet worden gerecycled met inachtneming van: − het algemene mengbeleid (hoofdstuk B.7 beleidskader LAP3) en in het bijzonder mengen t.b.v. de productie van een bouwstof (par B.7.5.4 beleidskader LAP3); − de voorwaarden voor gebruik in ‘noodzakelijke voorzieningen op stortplaatsen’ (paragraaf B.12.9.2 beleidskader LAP3). De grenswaarde voor PAK10 mag niet door mengen van partijen worden bereikt. De gevraagde verwerking (breken en zeven) is doelmatig voor PAK-arm steenachtig materiaal. Bouw- en sloopafval Het aangeboden bouw- en sloopafval en hiermee te vergelijken materiaal wordt binnen de inrichting op- en overgeslagen alsmede gesorteerd. Bij het sorteren wordt getracht om zoveel mogelijk fracties te scheiden: o.a.
metaal, A- en B-hout, C-hout, puin, grond en zand, glas, textiel, gips, kunststof, papier en karton. De gescheiden fracties worden voor recycling afgevoerd naar externe verwerkers. Het beleid voor de verwerking van bouw- en sloopafval is neergelegd in Sectorplan 28 Gemengd bouw- en sloopafval, met bouw- en sloopafval vergelijkbaar bedrijfsafval afval van bedrijven en particulier gemengd verbouwingsafval. De minimumstandaard van verwerking voor gemengd bouw- en sloopafval is ‘sorteren of anderszins verwerken met als doel zoveel mogelijk monostromen af te scheiden die geschikt zijn voor recycling, met als beperking dat het overblijvende residu nog minimaal verbrand moet kunnen worden. De monostromen die minimaal moeten worden afgescheiden (voor zover aanwezig) zijn: alle componenten als genoemd in art. 4.1 van de Regeling Bouwbesluit 2012, alsook steenachtig materiaal, hout, kunststof, metaal, zeefzand, alsook als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen anders dan bedoeld in hoofdstuk 17 van de afvalstoffenlijst uit de Regeling Europese afvalstoffenlijst. Aan de vergunning van sorteerbedrijven worden hiertoe voorschriften verbonden’ (sectorplan 28). Deze voorwaarden zijn in de voorschriften opgenomen. Grond De aangeboden grond (inclusief zand en grind) wordt binnen de inrichting op- en overgeslagen. Afhankelijk van de logistieke- en marktomstandigheden wordt de grond gezeefd.
Deze bewerking omvat het geschikt maken van de grond om elders als bouwstof te kunnen worden toegepast. Samenvoeging van partijen grond vindt plaats onder de voorwaarden zoals beschreven in artikel 4.3.2 van Regeling bodemkwaliteit (Rbk) en de BRL SIKB 9335. De afvoer en keuring van partijen grond die worden afgevoerd c.q. elders worden toegepast vindt plaats conform de BRL SIKB-9335. De grond wordt vervolgens afgevoerd voor nuttige toepassing conform het Besluit bodemkwaliteit.
W.Z22.105296.01
pagina 42 / 61
Omgevingsdienst Regio Nijmegen
Het beleid voor grond is neergelegd in sectorplan 39 Grond en is gericht op nuttige toepassing betreffende grond geschikt voor hergebruik. In het sectorplan is hiertoe een minimumstandaard opgenomen. Grond moet nuttig worden toegepast volgens de normen die zijn vastgelegd in het Bbk voor het betreffende toepassingsgebied en met inachtneming van: het algemene mengbeleid (hoofdstuk B.7 beleidskader) en in het bijzonder mengen met/van grond en baggerspecie (par B.7.5.5 beleidskader). De activiteiten uit de aanvraag zijn gericht op het weer nuttig toepassen van grond. In samenhang met het gestelde in de aanvraag en de in de vergunning opgenomen voorschriften wordt voldaan aan de minimumstandaard. Uit het AV-beleid en AO/IC, versie 19 september 2022 volgt welke afvalstoffen gezamenlijk kunnen worden verwerkt. Afvalstoffen die via hetzelfde verwerkingsproces mogen worden verwerkt, kunnen worden samengevoegd tenzij in de beoordeling van dit hoofdstuk anders is vermeld. Een aantal afvalstoffen wordt uitsluitend opgeslagen, gesorteerd, gezeefd, verkleind/geshredderd en afgevoerd. Deze afvalstoffen dienen overeenkomstig bijlage F.5 van LAP3 gescheiden te worden gehouden van andere categorieën van afvalstoffen, teneinde een zo hoogwaardig mogelijke verwerking mogelijk te maken. Dit is vastgelegd in een voorschrift. 6.4.
AV-beleid en AO/IC Het acceptatie- en verwerkingsbeleid (A&V-beleid) en de administratieve organisatie en interne controle (AO/IC) spelen een rol bij het veilig stellen van een effectief en efficiënt beheer van afvalstoffen, respectievelijk het mogelijk maken van effectief toezicht op het afvalbeheer. Om de risico’s van het verwerkingsproces te beheersen, moet een bedrijf dat zich met afvalbeheer bezighoudt beschrijven welke afvalstoffen worden geaccepteerd en waar nodig, welke afvalstoffen juist niet worden geaccepteerd (acceptatiebeleid) en welke afvalstoffen op welke manier binnen het bedrijf worden verwerkt (verwerkingsbeleid). Daarnaast moeten door technische, administratieve en organisatorische maatregelen de relevante processen binnen een bedrijf beheerst worden. Op deze wijze worden de milieuhygiënische en informatie technische risico’s binnen de bedrijfsvoering geminimaliseerd. De omvang en de inhoud van de AO/IC is afhankelijk van de aard van de risico’s van het betreffende bedrijfsproces. De onderdelen die minimaal in het A&V-beleid en AO/IC moeten zijn beschreven, zijn vastgelegd in het LAP. De minimale elementen voor het A&V-beleid en AO/IC vormen een kader en bevatten criteria op hoofdlijnen, waaraan de aanvraag inhoudelijk wordt getoetst.
Bedrijven moeten in het A&V-beleid ook uitwerken of en zo ja, welke afvalstoffen geaccepteerd worden die zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) kunnen bevatten. In het A&Vbeleid moet worden uitgewerkt op welke wijze wordt beoordeeld of ZZS kunnen voorkomen in de afvalstoffen die geaccepteerd worden. Indien ZZS kunnen voorkomen, moet beschreven worden hoe de betreffende afvalstoffen worden verwerkt en hoe gewaarborgd is dat onaanvaardbare risico’s voor blootstelling van mens en milieu veroorzaakt door ZZS, worden voorkomen. Bij de aanvraag is een beschrijving van het AV-beleid en de AO/IC gevoegd. Daarin is per afvalstof aangegeven op welke wijze acceptatie en verwerking plaats zullen vinden. Hierbij is rekening gehouden met de specifieke bedrijfssituatie. Het beschreven AV-beleid en de AO/IC voldoen niet geheel aan de minimale onderdelen zoals die in het LAP zijn
W.Z22.105296.01
pagina 43 / 61
Omgevingsdienst Regio Nijmegen
beschreven. Op basis van het gestelde in de aanvraag kunnen wij met dit AV-beleid en de AO/IC instemmen behoudens op enkele onderdelen van: a. Structuur van de organisatie (H3): de uitwerking van taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden moet duidelijker worden omschreven. b. Acceptatie- en verwerkingsbeleid (H5): alinea’s 6 en 7 (blz. 13) moeten worden verduidelijkt. Gesproken wordt over een geaccepteerde fractie, waarna bij afvoer uit de inrichting deze fractie nogmaals wordt beoordeeld en toch nog kan worden afgekeurd/geweigerd. Duidelijk moet zijn wanneer een afvalstof definitief is geaccepteerd. c. Acceptatie- en verwerkingsbeleid (H5): vermeld moet worden waar de administratie wordt bijgehouden; d. Acceptatiebeleid en acceptatieproces (H6): contract met de ontdoener ontbreekt. Een verwijzing naar het acceptatiereglement is onvoldoende. e. AO/IC (H8): Omschreven moet worden wanneer sprake is van een hoog en een laag risico. f. Bijlage 2 Organisatiestructuur en functies: Verwezen wordt naar werkinstructies maar ontbreken zelf. Werkinstructies dienen te worden toegevoegd. Op bovenstaande punten moet het AV-beleid en de AO/IC worden aangepast. Daartoe hebben wij aan deze vergunning voorschriften verbonden. 6.4.1. Wijzigingen in het AV-beleid en/of de AO/IC Wijzigingen in het AV-beleid en/of de AO/IC moeten schriftelijk aan ons worden voorgelegd.
Als bevoegd gezag zullen wij vervolgens bezien welke procedure in relatie tot de aard van de wijziging is vereist. 6.5. Registratie De aanvrager verkrijgt met deze vergunning de mogelijkheid om afvalstoffen van buiten de inrichting te ontvangen. Op grond van het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen moet de inrichting de ontvangst van afvalstoffen melden. Voor een effectieve handhaving van het afvalbeheer is het van belang om naast de meldingsverplichtingen tevens registratieverplichtingen op te nemen (art. 5.8, Bor). In deze vergunning zijn dan ook voorschriften voor de registratie van o.a. de aangevoerde, de afgevoerde en de geweigerde (afval-)stoffen opgenomen. 6.6. Conclusie Gelet op het bovenstaande zijn wij van mening dat de aangevraagde activiteiten in overeenstemming zijn met het geldende afvalbeheerplan en daarmee bijdragen aan een doelmatig beheer van afvalstoffen.
7.
AFVALWATER EN WATERBESPARING
7.1. Toetsingskader Binnen de inrichting is er sprake van lozingen waarvoor afdeling 2.1 over de zorgplichtbepaling en afdeling 2.2 over lozingen van het Activiteitenbesluit rechtsreeks gelden. Het betreft de volgende activiteiten: - Het lozen van hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening (§ 3.1.3); - Het lozen van huishoudelijk afvalwater (§ 3.1.4).
W.Z22.105296.01
pagina 44 / 61
Omgevingsdienst Regio Nijmegen
Dergelijke lozingen moeten voldoen aan de eisen van het Activiteitenbesluit en hierover mogen geen voorschriften worden opgenomen in de omgevingsvergunning. Hemelwater van verharde terreindelen wordt via een zandvangput en olie-/benzineafscheider geloosd op een eigen retentievijver en vervolgens hergebruikt voor besproeiing om stofverspreiding te voorkomen. 7.2.
Waterbesparing
7.2.1. Algemeen De winning van drinkwater kost geld, grondstoffen en energie. Het zuinig gebruik van drinkwater vormt dan ook onderdeel van de verruimde reikwijdte in de Wabo. Het gebruik van drinkwater als proceswater moet zoveel mogelijk worden beperkt tot die processen waarvoor water van een bepaalde kwaliteit noodzakelijk is. Het gebruik van drinkwater als koelwater bijvoorbeeld moet zoveel mogelijk worden voorkomen. 7.2.2. Drinkwaterverbruik Het totale drinkwaterverbruik binnen de inrichting is beperkt tot 200 m3 per jaar. Wij zijn daarom van mening dat het in deze situatie niet nodig is om voorschriften met betrekking tot beperking van het drinkwaterverbruik in de vergunning op te nemen.
8.
BODEM
8.1. Activiteitenbesluit Wat betreft het aspect bodembescherming valt het bedrijf volledig onder het Activiteitenbesluit. In het kader van deze vergunning hoeft daarom geen nadere beoordeling plaats te vinden. Op grond van het Activiteitenbesluit moeten alle bedrijfsactiviteiten worden verricht met voorzieningen en maatregelen die leiden tot een verwaarloosbaar bodemrisico. Wij hebben het bij de aanvraag gevoegde bodemrisicodocument beoordeeld en stemmen in met de opzet, de uitgangspunten en de resultaten. Uit het document blijkt dat voor alle bodembedreigende activiteiten het verwaarloosbaar bodemrisico wordt behaald. 8.2. Nulsituatieonderzoek Het preventieve bodembeschermingsbeleid gaat ervan uit dat (zelfs) een verwaarloosbaar bodemrisico nooit volledig uitsluit dat een verontreiniging of aantasting van de bodem optreedt. Om die reden is altijd een nulsituatieonderzoek naar de kwaliteit van de bodem noodzakelijk. Het nulsituatieonderzoek richt zich op de afzonderlijke activiteiten en de daar gebruikte stoffen. Nulsituatieonderzoek bestaat uit het vastleggen van de nulsituatie bodemkwaliteit voorafgaand aan de start van de betreffende activiteit(en). Na het beëindigen van de betreffende activiteit(en) dient een vergelijkbaar eindonderzoek te worden uitgevoerd.
Het nulsituatieonderzoek moet ten minste duidelijkheid verstrekken over: − de bodemkwaliteit ter plaatse van de bodembedreigende activiteiten die binnen de inrichting worden uitgevoerd. Hierbij is ook van belang dat op de stoffen wordt geanalyseerd die worden gebruikt; − de locatie van bemonsteringspunten rekening houdend met de mobiliteit van de gebruikte stoffen en de lokale grondwaterstroming; − de wijze waarop de betreffende stoffen moeten worden gedetecteerd, bemonsterd en geanalyseerd; − de bodemkwaliteit ter plaatse van bemonsteringslocaties. W.Z22.105296.01
pagina 45 / 61
Omgevingsdienst Regio Nijmegen
De in het nulsituatieonderzoek vastgelegde bodemkwaliteit geldt als uitgangspunt bij de beoordeling of ten gevolge van de betreffende activiteiten verontreiniging of aantasting van de bodem heeft plaatsgevonden en of bodemherstel nodig is. Voor het bodemonderzoek noodzakelijke werkzaamheden als vermeld in de Regeling bodemkwaliteit moeten zijn uitgevoerd door een erkende instantie als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit. Door de herinrichtingswerkzaamheden is de kans groot dat betreffende bodemlagen geroerd of herschikt zijn waardoor de resultaten van het bodemonderzoek niet meer actueel zijn. Tevens bestaat de kans dat peilbuizen op andere locaties staan dan waar ze bedacht zijn (voornamelijk nabij de olie-/benzine afscheiders. Voor vloeistofdichte voorzieningen dient het onderzoek voorafgaande het aanbrengen van deze voorzieningen te worden uitgevoerd. In deze beschikking is daarom bij maatwerkvoorschrift opgelegd dat binnen drie maanden na oprichting van de inrichting een nulsituatie bodemonderzoek moet worden uitgevoerd volgens het bij de aanvraag verstrekte onderzoeksvoorstel. Dit voorstel is door ons akkoord bevonden. Het risico dat door de aangevraagde activiteiten in combinatie met de getroffen en te treffen voorzieningen een bodemverontreiniging ontstaat is (in combinatie met de gestelde voorschriften) verwaarloosbaar conform het gestelde in de NRB.
Het is dan ook niet noodzakelijk dat de bodemkwaliteit tussentijds wordt gecontroleerd. 8.3. Eindsituatieonderzoek en herstelplicht bij geconstateerde verontreiniging Indien in de inrichting een bodembedreigende activiteit is verricht moet uiterlijk binnen zes maanden na beëindiging van de inrichting of de IPPC-installatie een eindsituatieonderzoek naar de kwaliteit van de bodem worden verricht. Indien blijkt dat sprake is van een bodembelasting als gevolg van de activiteiten, zal de bodemkwaliteit hersteld moeten worden. Deze verplichting vloeit rechtstreeks voort uit het Activiteitenbesluit (artikel 2.11, derde lid) en behoeft niet in deze vergunning te worden voorgeschreven.
9.
ENERGIE
9.1. Energie relevant De inrichting gebruikt een beperkte hoeveelheid energie (volgens de aanvraag circa 42.000 kWh/jaar elektriciteit en 150 m3 diesel/jaar). Het dieselverbruik komt overeen met 169.500 m3 aardgasequivalenten. De elektriciteit wordt opgewekt met eigen zonnepanelen, te plaatsen op het kantoor). De beoogde inrichting gebruikt geen aardgas. Op basis van artikel 5.7 Besluit omgevingsrecht moet het bevoegd gezag voorschriften in de vergunning opnemen met betrekking tot een doelmatig gebruik van energie. Uitgangspunt is dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast, zoals bedoeld in artikel 2.14 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). In het Activiteitenbesluit milieubeheer worden inrichtingen met een jaarlijks verbruik van minimaal 25.000 m3 aan aardgasequivalenten of een jaarlijks elektriciteitsverbruik van minimaal 50.000 kWh elektriciteit als “energierelevant” bestempeld. Voor “energierelevante” bedrijven die vallen onder de algemene regels van het Activiteitenbesluit milieubeheer (inrichtingen type A of B) geldt ingevolge artikel 2.15 lid 1, W.Z22.105296.01
pagina 46 / 61
Omgevingsdienst Regio Nijmegen
dat degene die de inrichting drijft, alle “rendabele” energiebesparende maatregelen (d.w.z. maatregelen met een terugverdientijd van vijf jaar of minder) dient te nemen. In bijlage 10 van de bijbehorende Activiteitenregeling zijn per bedrijfstak de erkende maatregelen voor energiebesparing aangewezen. Ingevolge artikel 2.15 lid 5, kan het bevoegd gezag degene die de inrichting drijft waarvan het energieverbruik in enig kalenderjaar groter is dan 200.000 kilowatt uur aan elektriciteit of groter is dan 75.000 kubieke meter aardgasequivalenten aan brandstoffen verplichten om binnen een door het bevoegd gezag te bepalen termijn, onderzoek te verrichten of te laten verrichten waaruit blijkt of alle rendabele maatregelen zijn getroffen. Bedrijven die vallen en onder de Tijdelijke regeling implementatie artikelen 8 en 14 Richtlijn energie-efficiëntie (EED) zijn verplicht vierjaarlijks een energieonderzoek op te stellen. In aansluiting op de bovenstaande genoemde wettelijke regelingen verbinden wij aan vergunningplichtige bedrijven type C voorschriften dat alle energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van vijf jaar of minder dienen te worden genomen volgens een op te stellen energie uitvoeringsplan.
Tevens schrijven wij bij vergunningplichtige bedrijven type C, waarvan het energieverbruik in enig kalenderjaar groter is dan 200.000 kilowatt uur aan elektriciteit of groter is dan 75.000 kubieke meter aardgasequivalenten aan brandstoffen en niet onder de ETS, EED of MJA3 vallen, een vierjaarlijks energieonderzoek voor. Door deze vierjaarlijkse onderzoekverplichting worden de BBT voor het onderdeel energie periodiek in kaart gebracht. Het energieonderzoek dient als basis voor het in kaart brengen van de hierboven genoemde energiebesparende maatregelen en energie uitvoeringsplan. Met deze verplichting sluiten wij aan bij eenzelfde verplichting die van toepassing is voor de EEDondernemingen en de B-inrichtingen die vallen onder het Activiteitenbesluit. Wij hebben aan deze vergunning het voorschrift verbonden dat alle energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van vijf jaar of minder dienen te worden genomen. De erkende maatregelen uit bijlage 10 van de Activiteitenregeling milieubeheer kunnen daarbij als uitgangspunt dienen totdat de Omgevingswet in werking treedt. Op dat moment worden erkende maatregelen aangewezen op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Eveneens hebben wij vastgelegd dat de vergunninghouder uiterlijk een jaar na inwerkingtreding van deze vergunning en daarna éénmaal per vier jaar aan het bevoegd gezag rapporteert welke energiebesparende zijn getroffen.
10.
EXTERNE VEILIGHEID
10.1. Op- en overslag van gevaarlijke stoffen Ten behoeve van de op- en overslag van gevaarlijke stoffen zijn richtlijnen opgesteld in de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS) waarmee een aanvaardbaar beschermingsniveau voor mens en milieu wordt gerealiseerd. Deze PGS-richtlijnen zijn vermeld als Nederlandse informatiedocumenten over BBT in de bijlage van de Mor. In de aanvraag is vermeld dat klein chemisch afval (KCA) in kunststof vaten wordt opgeslagen in een vloeistofdichte container die voldoet aan de toepasselijke voorschriften van PGS 15 Opslag van verpakte gevaarlijke afvalstoffen. Hiermee wordt voldaan aan de geldende BBT. De relevante onderdelen van PGS 15 zijn bij voorschrift aan dit besluit verbonden.
11.
GELUID
11.1.
Akoestisch rapport
W.Z22.105296.01
pagina 47 / 61
Omgevingsdienst Regio Nijmegen
De bedrijfsactiviteiten hebben tot gevolg dat geluid wordt geproduceerd. De veroorzaakte geluidniveaus in de omgeving en de perioden waarin deze optreden, zijn in kaart gebracht in een akoestisch rapport van Tideman nummer 18.054.01 versie 09 d.d. 7 april 2022. Dit geluidrapport is door ons beoordeeld en akkoord bevonden. Er worden alleen in de dagperiode activiteiten aangevraagd. Het geluid wordt beoordeeld op basis van de representatieve bedrijfssituatie (de geluidemissie die de inrichting onder normale omstandigheden veroorzaakt). Beoordeeld worden de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus, de maximale geluidniveaus en de indirecte hinder als gevolg van het in werking zijn van de inrichting. 11.2. Beste beschikbare technieken Om een hoog niveau van bescherming van het milieu mogelijk te maken, dient de inrichting de meest doeltreffende technieken toe te passen om de emissie van geluid en andere nadelige gevolgen voor het milieu die de inrichting kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk te beperken. Indien door verlening van de vergunning niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast, moeten wij de vergunning weigeren.