Ontwerp van de omgevingsvergunning.pdf
Tekst van het document
Retouradres: Postbus 1603, 6501 BP Nijmegen
H.J. Aalbers en Zoon Transport B.V. De heer F. Aalbers Broekstraat 31 7122 MN AALTEN Datum
13 januari 2023 Pagina
1 van 3 Zaaknummer
W.Z22.105296.01 Onderwerp
Ontwerpbesluit omgevingsvergunning
Ons kenmerk
D221308749
Beste heer Aalbers,
Uw kenmerk
Behandeld door
U heeft op 28 juni 2022 een omgevingsvergunning ingevolge de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) aangevraagd voor het oprichten van een bedrijf met betrekking tot onder andere afvalinzameling, op- en overslag bouwmaterialen, zand- en grindhandel en grondverzet op de locatie kadastraal perceel ATN02-L-847 bedrijventerrein Westrand te Aalten. De aanvraag bestaat uit de volgende activiteiten: a. het oprichten van een milieu-inrichting (artikel 2.1, eerste lid, sub e, Wabo); b. het bouwen van een bouwwerk (artikel 2.1, eerste lid, sub a, Wabo); c. het handelen in strijd met regels van ruimtelijke ordening (artikel 2.1, eerste lid, sub c, Wabo) ofwel een buitenplanse afwijking.
André Sulter 024 – 751 7413 andre.sulter@odrn.nl Kopie naar
Locis Adviseurs Gemeente Aalten Brunet advocaten Provincie Gelderland Omgevingsdienst Regio Arnhem Bureau SBA Omgevingsdienst Achterhoek
Bijlagen
2
Wij hebben een ontwerpbesluit genomen over uw aanvraag. Wij zijn van plan de vergunning te verlenen. Een kopie van het ontwerpbesluit sturen wij mee met deze brief. Wilt u reageren op het ontwerpbesluit? U kunt mondeling of schriftelijk reageren op het ontwerpbesluit als dit tegen uw belangen ingaat. Dit heet het indienen van een zienswijze. Dit kan binnen 6 weken nadat het ontwerpbesluit is bekendgemaakt. In de bijlage Reageren op een ontwerpbesluit leest u hoe u dit kunt doen. Omdat het ontwerpbesluit een buitenplanse afwijking omvat wordt het tevens digitaal gepubliceerd op ruimtelijkeplannen.nl. Wat moet u betalen? Voor de behandeling van uw aanvraag moet u betalen volgens de regels van provincie Gelderland. U ontvangt hiervoor een rekening van provincie Gelderland. Omgevingsdienst Regio Nijmegen Mariënburg 75 6511 PS Nijmegen Postbus 1603 6501 BP Nijmegen
Een omgeving maak je samen! De omgevingsdienst Regio Nijmegen (ODRN) verzorgt Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving voor Bouw- en Milieuzaken voor de gemeentes Berg & Dal, Beuningen, Druten, Heumen, Nijmegen en Wijchen en de speciale (Brzo-)taken voor de Provincies Gelderland & Overijssel.
T E W
KvK
024 – 751 7700 info@odrn.nl www.odregionijmegen.nl
56645813
Omgevingsdienst Regio Nijmegen
Datum
2 januari 2023 Pagina
2 van 3
Heeft u nog vragen? Neem gerust contact met ons op. U kunt bellen met André Sulter via 024 – 751 7413. Noem altijd het zaaknummer W.Z22.105296.01, want dan kunnen wij u sneller helpen. Met vriendelijke groet, Namens het college van de provincie Gelderland:
Steve Kuils, Directeur Omgevingsdienst Regio Nijmegen Deze brief is digitaal aangemaakt en daarom niet ondertekend.
Ons kenmerk
Omgevingsdienst Regio Nijmegen
Bijlage
Datum
2 januari 2023
Wilt u reageren op het ontwerpbesluit? U kunt mondeling of schriftelijk reageren op het ontwerpbesluit. Dit heet het indienen van een zienswijze. Dit kan binnen zes weken nadat het ontwerpbesluit bekendgemaakt is via www.officielebekendmakingen.nl. Schriftelijke zienswijzen kunt u sturen naar de Omgevingsdienst Regio Nijmegen, Postbus 1603, 6501 BP Nijmegen, of aan wabo@odrn.nl. Vermeld altijd het zaaknummer W.Z22.105296.01. U kunt ook een mondelinge zienswijze geven. Maak hiervoor een afspraak via 024 - 751 77 00. Alle op tijd ingediende zienswijzen worden betrokken bij het nemen van een definitief besluit. Wanneer u niet reageert met een zienswijze op het ontwerpbesluit, kunt u later ook niet reageren op het definitieve besluit (in beroep gaan). Een uitzondering hierop geldt voor belanghebbenden. Zij kunnen altijd in beroep gaan tegen het definitieve besluit. Dit kan binnen 6 weken na publicatie van het definitieve besluit. U bent belanghebbend als het besluit ingaat tegen uw belangen. Het ontwerpbesluit wordt bekendgemaakt via www.officielebekendmakingen.nl. Hierna kunt u de documenten met informatie over de ontwerpvergunning bekijken. Van een mondeling ingebrachte zienswijze maken we een verslag. De indiener van een zienswijze kan vragen dat zijn of haar persoonlijke gegevens niet bekend worden gemaakt. De aanvrager kan reageren op de ingebrachte zienswijzen.
Ingediende zienswijzen kunt u bekijken bij het definitieve besluit. Meer informatie Voor informatie over het bekijken van de documenten of andere vragen kunt u bellen naar de Omgevingsdienst Regio Nijmegen via telefoonnummer 024 751 77 00. U kunt ook mailen naar wabo@odrn.nl. Vermeld hierbij het zaaknummer W.Z22.105296.01.
Pagina
3 van 3 Ons kenmerk
*D220778182* D220778182
OMGEVINGSVERGUNNING Aanvrager Datum besluit Onderwerp Gemeente / locatie OLO-nummer Zaaknummer Activiteiten
: : : : : : :
H.J. Aalbers en Zoon Transport B.V. 13 januari 2023 Oprichtingsvergunning Aalten/ Bedrijventerrein Westrand te Aalten 7085169 W.Z22.105296.01 − Bouwen van bouwwerken − Gebruiken gronden of bouwwerken in strijd met bestemmingsplan − Oprichten en in werking hebben van een inrichting
pagina 1 / 61
Omgevingsdienst Regio Nijmegen
BESLUIT OMGEVINGSVERGUNNING I. Onderwerp Op 28 juni 2022 is een aanvraag voor een omgevingsvergunning ontvangen van H.J. Aalbers en Zoon Transport B.V. te Aalten. Het betreft het oprichten van een inrichting voor onder andere afvalinzameling, op- en overslag van bouwmaterialen, zand- en grindhandel en grondverzet. De aanvraag heeft betrekking op de locatie kadastraal perceel ATN02-L847 bedrijventerrein Westrand te Aalten. De aanvraag is geregistreerd onder zaaknummer W.Z22.105296.01. II. Besluit Wij besluiten, gezien de overwegingen die zijn opgenomen in deze vergunning en gelet op de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de daarop betrekking hebbende uitvoeringsbesluiten en -regelingen aan H.J. Aalbers en Zoon Transport B.V. een omgevingsvergunning: −
op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a (het bouwen van een bouwwerk) te verlenen voor het bouwen van een kantoor en weeginrichting. Aan de verlening van de vergunning zijn voorschriften verbonden. Deze staan in hoofdstuk Bouwen van een bouwwerk van dit besluit.
−
op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder c (het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan) met toepassing van een buitenplanse afwijking (artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 3) te verlenen voor het shredderen van niet-groenafval, het zeven van grond, de inname en het be- en verwerken van andere afvalstoffen (niet zijnde bouwafval) en groothandelsactiviteiten. Aan de verlening van de vergunning zijn geen voorschriften verbonden.
−
op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder e (1° oprichten van een inrichting en 3° het in werking hebben van een inrichting) te verlenen voor het inzamelen, opslaan en verwerken van diverse afvalstoffen, milieustraat voor particulieren en handel en opslag van zand, grind, grond en bouwstoffen. Aan de verlening van de vergunning zijn voorschriften verbonden. Deze staan in hoofdstuk voorschriften milieu van dit besluit.
Wij besluiten dat alle documenten genoemd in bijlage 1 ‘Dossierlijst’ onderdeel uit maken van deze omgevingsvergunning. Wij besluiten, gelet op artikel 8.42 van de Wet milieubeheer, maatwerkvoorschriften op te leggen voor de milieuaspecten geur en luchtemissies. Deze maatwerkvoorschriften staan in het hoofdstuk ‘Voorschriften Milieu’ onder 4 (Bodem), 8 (Geur) en 9 (Luchtemissies) van dit besluit. III. Ondertekening en verzending Het College van Gedeputeerde Staten van Gelderland, namens deze:
De heer Robin Tophoven, Hoofd Afdeling Vergunningverlening Omgevingsdienst Regio Nijmegen Dit besluit is digitaal aangemaakt en daarom niet ondertekend W.Z22.105296.01
pagina 2 / 61
Omgevingsdienst Regio Nijmegen
RECHTSBESCHERMINGSMIDDELEN PUBLICATIE Dit ontwerpbesluit wordt bekendgemaakt door de provincie Gelderland op de landelijke website www.overheid.nl. Deze website kunt u benaderen via www.gelderland.nl/bekendmakingen, via de link Zoeken in bekendmakingen.
MOGELIJKHEID VAN INZIEN Het ontwerpbesluit en de bijbehorende stukken liggen gedurende een termijn van zes weken ter inzage. Wilt u de stukken inzien, bel dan 024 751 7700 of stuur met vermelding van het OLO en/of zaaknummer een email naar wabo@odrn.nl. De eerste dag van de terinzagelegging is 18 januari 2023.
ZIENSWIJZEN Gedurende de periode dat het ontwerpbesluit ter inzage ligt kan eenieder schriftelijk of mondeling zienswijzen over het ontwerpbesluit naar voren brengen. Schriftelijke zienswijzen kunnen worden gericht aan de Omgevingsdienst Regio Nijmegen, Postbus 1603, 6501 BP Nijmegen, of aan wabo@odrn.nl, onder vermelding van het OLOnummer 7085169 dat op de eerste bladzijde van het ontwerpbesluit staat vermeld. Voor een mondelinge zienswijze of toelichting over het ontwerpbesluit kan contact worden opgenomen met de Omgevingsdienst Regio Nijmegen, telefoonnummer (024) 751 77 00. Ingediende zienswijzen worden met het uiteindelijke besluit en de bijbehorende stukken ter inzage gelegd.
W.Z22.105296.01
pagina 3 / 61
Omgevingsdienst Regio Nijmegen
INHOUDSOPGAVE VOORSCHRIFTEN 1
VOORSCHRIFTEN ................................................................................................................................. 6 1.1 1.2 1.3 1.4
2
ALGEMENE OPMERKINGEN ................................................................................................................. 7 2.1 2.2
1
OPMERKINGEN ..................................................................................................................................... 7 BOUWBESLUIT 2012 ............................................................................................................................. 7
ALGEMENE VOORSCHRIFTEN .............................................................................................................. 9 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 1.6 1.7 1.8 1.9
2
STIKSTOFDEPOSITIE BOUWFASE ................................................................................................................ 6 CONSTRUCTIE....................................................................................................................................... 6 RIOLERING VUILWATER........................................................................................................................... 6 BOUWBESLUIT (KANTOOR)...................................................................................................................... 6
ALGEMEEN .......................................................................................................................................... 9 BEDRIJFSTIJDEN .................................................................................................................................... 9 TERREIN VAN DE INRICHTING EN TOEGANKELIJKHEID ..................................................................................... 9 INSTRUCTIES ...................................................................................................................................... 10 MELDING CONTACTPERSOON EN WIJZIGING VERGUNNINGHOUDER ............................................................... 10 REGISTRATIE ...................................................................................................................................... 10 BEDRIJFSBEËINDIGING .......................................................................................................................... 11 GOEDKEURING PLANNEN ...................................................................................................................... 11 PROEFNEMINGEN................................................................................................................................ 11
AFVALSTOFFEN ................................................................................................................................. 12 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8 2.9 2.10 2.11
AFVALSCHEIDING ................................................................................................................................ 12 OPSLAG VAN AFVALSTOFFEN ................................................................................................................. 13 ACCEPTATIE VAN BEDRIJFSAFVALSTOFFEN ................................................................................................ 13 MILIEUSTRAAT ................................................................................................................................... 15 BEDRIJFSVOERING ............................................................................................................................... 16 REGISTRATIE ...................................................................................................................................... 17 ASFALT ............................................................................................................................................. 19 BREKEN VAN PUIN ............................................................................................................................... 20 SORTEREN EN/OF VERKLEINEN VAN AFVAL................................................................................................
20 VERSNIPPEREN EN ZEVEN VAN SNOEIHOUT EN STOBBEN .............................................................................. 20 OPSLAG EN KWALIFICEREN VAN GROND EN SECUNDAIRE BOUWSTOFFEN ........................................................ 21
3
AFVALWATER .................................................................................................................................... 21
4
BODEM (MAATWERKVOORSCHRIFTEN) ............................................................................................ 21 4.1
NULSITUATIE BODEMONDERZOEK ........................................................................................................... 21
5
ENERGIE ............................................................................................................................................ 21
6
EXTERNE VEILIGHEID ......................................................................................................................... 22 6.1
OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE (AFVAL)STOFFEN ............................................................................... 22
W.Z22.105296.01
pagina 4 / 61
Omgevingsdienst Regio Nijmegen
7
GELUID .............................................................................................................................................. 23 7.1 7.2 7.3 7.4
8
GEUR (MAATWERKVOORSCHRIFTEN)................................................................................................ 24 8.1
9
ALGEMEEN ........................................................................................................................................ 23 REPRESENTATIEVE BEDRIJFSSITUATIE ....................................................................................................... 23 LAAGFREQUENT GELUID (LFG) .............................................................................................................. 23 TRILLINGEN ........................................................................................................................................ 24
GEUREMISSIE ..................................................................................................................................... 24
LUCHTEMISSIES (MAATWERKVOORSCHRIFT) ................................................................................... 25 9.1
DIFFUSE EMISSIES MECHANISCHE VERWERKING AFVALSTOFFEN..................................................................... 25
W.Z22.105296.01
pagina 5 / 61
Omgevingsdienst Regio Nijmegen
VOORSCHRIFTEN BOUWEN 1
VOORSCHRIFTEN
1.1
Stikstofdepositie bouwfase
1.1.1
Tenminste 3 weken voor aanvang van de bouwwerkzaamheden dient een rapport van een Aerius-berekening voor de bouwfase ter goedkeuring aan het bevoegd gezag te worden overgelegd. Er mag pas gebouwd worden nadat dit rapport is goedgekeurd door het bevoegd gezag.
1.2
Constructie
1.2.1
In de aanvullende rapportages is de vereiste draagkracht van de ondergrond bepaald van de prefab betonnen blokkenwanden. De blokkenwanden (met eventuele koppelingen van de blokken onderling en steunberen) dienen nog aanvullend bepaald te worden (ontbreken). De berekende/vereiste draagkracht van de ondergrond onder de blokken is erg hoog (variërend van 488, 378, 311 tot 171 & 229, 160, 157 en 49 (in kN/m2), afhankelijk van de bepaalde voetbreedte en te keren hoogte). Een geotechnisch grondonderzoek (sonderingen) en een funderingsadvies ontbreken ter onderbouwing.
1.2.2
Tenminste 3 weken vóór de bouwwerkzaamheden dienen deze ontbrekende stukken (definitieve funderingsconstructies met geotechnische onderbouwing) alsnog ter goedkeuring te worden ingediend bij het bevoegd gezag. Er mag pas gebouwd worden nadat de definitieve funderingsconstructie is goedgekeurd door het bevoegd gezag.
1.3
Riolering vuilwater
1.3.1
Er is geen vrij verval riool aanwezig in de directe omgeving. Een aansluiting door middel van een pompinstallatie ligt voor de hand omdat de persleiding er al ligt. Gezien de aard van het bedrijf lijkt een aansluiting voor alleen huishoudelijk water voldoende. Voor deze (verplichte) aansluiting op de persleiding neemt u contact op met de eigenaar daarvan.
1.4
Bouwbesluit (kantoor)
1.4.1
De warmteweerstanden dienen te worden verhoogd naar de huidige nieuwbouweisen Rc,min= 3,7/ 4,7/ 6,3 m2K/W voor respectievelijk de vloer/ wanden/ dak. Ten minste 3 weken voor de aanvang dienen de aangepaste gegevens met betrekking tot de thermische isolatie ter goedkeuring te worden overgelegd.
1.4.2
Een geregistreerde ‘Beng’- berekening dient 3 weken voor aanvang van de bouwwerkzaamheden ter goedkeuring te worden voorgelegd aan het bevoegd gezag (via het OLO).
W.Z22.105296.01
pagina 6 / 61
Omgevingsdienst Regio Nijmegen
2
ALGEMENE OPMERKINGEN
2.1
Opmerkingen
2.1.1
De houder van de vergunning is verplicht deze op eerste vordering van een ambtelijk toezichthouder ter inzage te geven aan deze ambtenaar. De omgevingsvergunning geldt voor eenieder die het project uitvoert. Als een ander gebruik gaat maken van de vergunning dan moet de vergunninghouder dat tenminste een maand voordien aan het bevoegd gezag melden onder vermelding van de volgende gegevens (art. 2.25, Wabo en artikel 4.8 van het Besluit Omgevingsrecht): a. zijn naam en adres; b. de omgevingsvergunning (registratienummer); c. de naam, het adres en het telefoonnummer van degene die gebruik gaat maken van de vergunning; d. een contactpersoon van degene die gebruik gaat maken van de vergunning; e. het beoogde tijdstip dat de vergunning zal gaan gelden voor die ander.
2.2 Bouwbesluit 2012 Brandveiligheid, overwegingen en adviezen: • Bereikbaarheid en bluswatervoorziening Direct bij de toegang van het perceel is een ondergrondse brandkraan aanwezig met leidingdiameter van 150 mm. Tevens bevindt zich op het naastgelegen bedrijventerrein een geboorde put. De afstand tussen het perceel en de geboorde put is ongeveer 350 m. De geboorde put heeft een capaciteit van 106 m3/u. Hiermee is voldoende bluswater aanwezig om een eerste brandweerinzet te kunnen doen. • Brandcompartimentering De oppervlakte van het kantoor/kantine blijft ruim onder de maximaal gestelde grenswaarde voor een brandcompartiment. Door de indeling op het terrein, het gebruik van hoge scheidingswanden en een brede rijbaan is ook sprake van een vorm van brandcompartimentering op het perceel. • Tijdig vaststellen van brand De vluchtroute in het kantoor/kantine is voorzien van een rookmelder. Hiermee wordt vroegtijdige detectie gegarandeerd en is de vluchtweg veilig gesteld. Advies: Het gebruik van elektrisch apparatuur in het kantoor en de kantine heeft tot gevolg dat hier het grootste risico zit op een beginnende brand. Het advies is daarom om ook deze ruimten te voorzien van een rookmelder en deze onderling draadloos te koppelen conform de NEN 2555. • Het veilig vluchten bij brand De vluchtwegen in het kantoor/kantine zijn kort.
In combinatie met een vroegtijdige detectie kan hierdoor tijdig en veilig kunnen worden gevlucht. Op het terrein is er sprake van een brede rijweg van 10 meter breedte. Hierdoor is het gehele terrein eenvoudig te ontvluchten en toegankelijk voor hulpvoertuigen. Er is geen risico dat personen op het terrein ingesloten raken.
W.Z22.105296.01
pagina 7 / 61
Omgevingsdienst Regio Nijmegen
• Het optreden bij brand door interne hulpverleners en brandweer Het kantoor/kantine is voorzien van twee handbrandblusmiddelen met een inhoud van minimaal 6 liter sproeischuim. Hiermee kan een beginnende brand door opgeleide BHV-ers, worden bestreden. Voor een beginnende brand op het terrein zijn geen voorzieningen opgenomen. Deze zal dus altijd door de brandweer moeten worden bestreden. Hierbij moet ook rekening worden gehouden met de rook die over de woonwijk zal trekken. De meest voorkomende windrichting in Nederland is zuidwest. Bij deze windrichting ligt de woonwijk op een afstand van ongeveer 500 meter. Het Bouwbesluit is rechtstreeks geldend bij het bouwen. Naast technische eisen kent dit Bouwbesluit ook andere verplichtingen, zoals: • In paragraaf 1.6 van het Bouwbesluit 2012 staan verplichtingen die tijdens de bouwwerkzaamheden, bij voltooiing van de bouw en bij ingebruikneming van een bouwwerk moeten worden nagekomen. • In afdeling 8.1 van het Bouwbesluit 2012 staan voorschriften omtrent het voorkomen van onveilige situaties en het beperken van hinder tijdens het uitvoeren van bouw- en sloopwerkzaamheden.
W.Z22.105296.01
pagina 8 / 61
Omgevingsdienst Regio Nijmegen
VOORSCHRIFTEN MILIEU 1
ALGEMENE VOORSCHRIFTEN
1.1
Algemeen
1.1.1
Een ongewoon voorval als bedoeld in hoofdstuk 17 van de Wet milieubeheer moet zo spoedig mogelijk telefonisch worden gemeld aan het provincieloket van provincie Gelderland, tel. 026-359 99 99. Onder een ongewoon voorval wordt verstaan: een gebeurtenis, ongeacht de oorzaak daarvan, die afwijkt van het normale verloop van een activiteit, zoals een storing, ongeluk of calamiteit waardoor nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving ontstaan of dreigen te ontstaan.
1.2
Bedrijfstijden
1.2.1
De inrichting mag slechts in werking zijn van maandag tot en met zaterdag van 07:00 uur tot 19:00 uur.
1.2.2
De aan- en/of afvoer van afvalstoffen, grondstoffen, hulpstoffen en/of eindproducten mag niet plaatsvinden voor 07:00 uur en na 19:00 uur.
1.3
Terrein van de inrichting en toegankelijkheid
1.3.1
Binnen de inrichting moet een overzichtelijke en actuele plattegrond aanwezig zijn. Op deze plattegrond moeten ten minste de volgende aspecten zijn aangegeven: a. alle gebouwen en de installaties met hun functies; b. alle opslagen van afvalstoffen, grondstoffen, hulpstoffen en/of eindproducten stoffen met vermelding van aard en maximale hoeveelheid.
1.3.2
Op het terrein van de inrichting moet een zodanige afscheiding aanwezig zijn dat de toegang tot de inrichting voor onbevoegden redelijkerwijs niet mogelijk is.
1.3.3
De inrichting moet schoon worden gehouden en in goede staat van onderhoud verkeren.
1.3.4
Procesapparatuur, opslagtanks, leidingen en leidingondersteuningen die aangereden kunnen worden door verkeer moeten afdoende zijn beschermd door een vangrail of een gelijkwaardige constructie.
1.3.5
De verlichting van gebouwen en open terrein van de inrichting moet zodanig zijn uitgevoerd dat directe lichtinstraling op lichtdoorlatende openingen van woon- of slaapvertrekken, in gevels of daken van niet tot de inrichting horende woningen wordt voorkomen.
1.3.6
Gebouwen, installaties en opslagvoorzieningen moeten altijd goed bereikbaar zijn voor alle voertuigen die in geval van calamiteiten toegang tot de inrichting/installatie moeten hebben. Binnen of nabij de installaties mogen geen andere goederen of stoffen worden opgeslagen dan die welke voor het proces
W.Z22.105296.01
pagina 9 / 61
Omgevingsdienst Regio Nijmegen
nodig zijn of daardoor zijn verkregen, met uitzondering van brandbestrijdingsmiddelen. 1.3.7
Het aantrekken van insecten, knaagdieren en ander ongedierte moet worden voorkomen. Zo vaak de omstandigheden daartoe aanleiding geven moet een doelmatige bestrijding van insecten, knaagdieren en ander ongedierte plaatsvinden. Hiertoe moet een ongediertebestrijdingsplan binnen de inrichting aanwezig zijn, dat gevolgd moet worden.
1.4
Instructies
1.4.1
De vergunninghouder moet de binnen de inrichting (tijdelijk) werkzame personen instrueren over de voor hen van toepassing zijnde voorschriften van deze vergunning en de van toepassing zijnde veiligheidsmaatregelen. Tijdens het in bedrijf zijn van installaties die in geval van storingen of onregelmatigheden kunnen leiden tot nadelige gevolgen voor het milieu, moet steeds voldoende, kundig personeel aanwezig zijn om in voorkomende gevallen te kunnen ingrijpen.
1.4.2
Er moet een registratie zijn van de momenten waarop deze instructies aan de desbetreffende personen zijn gegeven met een akkoord van de desbetreffende persoon.
1.4.3
De vergunninghouder moet één of meer ter zake kundige personen aanwijzen die in het bijzonder belast zijn met de zorg voor de naleving van de in deze vergunning opgenomen voorschriften.
1.5
Melding contactpersoon en wijziging vergunninghouder
1.5.1
De vergunninghouder moet direct nadat de vergunning in werking is getreden schriftelijk naam en telefoonnummer opgeven aan het bevoegd gezag van degene (en van diens plaatsvervanger) met wie in spoedeisende gevallen, ook buiten normale werktijden, contact kan worden opgenomen. Als deze gegevens wijzigen moet dit vooraf onder vermelding van de wijzigingsdatum schriftelijk worden gemeld aan het bevoegd gezag.
1.5.2
Onderhoudswerkzaamheden, waarvan redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat deze buiten de inrichting nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken, dan wel dat hiervan in de omgeving meer nadelige gevolgen voor het milieu worden ondervonden dan uit de normale bedrijfsvoering voortvloeit moeten ten minste 2 dagen voor de aanvang van de uitvoering aan het bevoegd gezag worden gemeld.
1.5.3
Indien uit de inhoud van keurings- en inspectierapporten blijkt dat gevaar voor verontreiniging dreigt, moet direct het bevoegd gezag daarvan in kennis worden gesteld.
1.6
Registratie
1.6.1
Binnen de inrichting is een exemplaar van deze vergunning (inclusief aanvraag) met bijbehorende voorschriften aanwezig. Verder zijn binnen de inrichting de volgende documenten aanwezig:
W.Z22.105296.01
pagina 10 / 61
Omgevingsdienst Regio Nijmegen
a.
alle overige voor de inrichting geldende omgevingsvergunningen en meldingen; b. de veiligheidsinformatiebladen die behoren bij de in de inrichting aanwezige gevaarlijke stoffen; c. de bewijzen, resultaten en/of bevindingen van de in deze vergunning voorgeschreven inspecties, onderzoeken, keuringen, onderhoud en/of metingen; d. de registratie van het jaarlijks verbruik van hulpstoffen; e. de datum, de duur, de aard en het tijdstip van voorgevallen incidenten die van invloed zijn op het milieu, met vermelding van de genomen maatregelen. De documenten genoemd onder c tot en met emoeten ten minste vijf jaar worden bewaard.
1.6.2
Klachten van derden en de actie die door de vergunninghouder is ondernomen om de bron van de klachten te onderzoeken en eventueel weg te nemen, moeten worden geregistreerd en voor inzage door het bevoegd gezag aanwezig zijn.
1.7
Bedrijfsbeëindiging
1.7.1
Bij het geheel of gedeeltelijk beëindigen van de activiteiten binnen de inrichting moeten alle aanwezige stoffen en materialen, die uitsluitend aanwezig zijn vanwege de te beëindigen activiteiten, door of namens vergunninghouder op milieu hygiënisch verantwoorde wijze in overleg met het bevoegd gezag worden verwijderd.
1.7.2
Van het structureel buiten werking stellen van (delen van) installaties en/of beëindigen van (een van de) activiteiten moet het bevoegd gezag zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen twee dagen op de hoogte worden gesteld. Installaties of delen van installaties die structureel buiten werking zijn gesteld en nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben, moeten in overleg met het bevoegd gezag worden verwijderd tenzij de (delen van de) installaties in een zodanige staat van onderhoud worden gehouden dat de nadelige gevolgen niet kunnen optreden.
1.8
Goedkeuring plannen
1.8.1
Indien op grond van een vergunningvoorschrift een plan of rapport ter goedkeuring aan het bevoegd gezag moet worden overgelegd, moet dit plan/rapport binnen zes maanden nadat de vergunning in werking is getreden, naar bevoegd gezag zijn gezonden, tenzij de voorschriften anders bepalen.
1.8.2
Binnen de inrichting moet een actuele versie van het plan/rapport aanwezig zijn.
1.8.3
Wijzigingen op het goedgekeurde plan moeten vóór invoering aan bevoegd gezag worden overgelegd. Zij worden geacht deel uit te maken van het goedgekeurde plan, tenzij een andere procedure op grond van de Wabo vereist is.
1.9
Proefnemingen
1.9.1
Vergunninghouder mag - mits hiervoor vooraf schriftelijk goedkeuring is verleend door het bevoegd gezag en bij wijze van proef - andere dan in deze vergunning opgenomen technische installaties en/of alternatieve grond-, hulp-, of
W.Z22.105296.01
pagina 11 / 61
Omgevingsdienst Regio Nijmegen
brandstoffen toepassen dan wel andere afvalstoffen verwerken. Goedkeuring wordt slechts verleend indien de proefneming noodzakelijk is om informatie te vergaren over de technische haalbaarheid van de andere toepassing en deze informatie niet op een andere wijze kan worden verkregen. 1.9.2
Voordat goedkeuring kan worden verleend voor een proef, moeten minimaal zes weken voor aanvang van de proef de volgende gegevens schriftelijk aan het bevoegd gezag worden verstrekt: a. het doel en de noodzaak van de proefneming; b. een beschrijving van de alternatieve stof of van de alternatieve techniek of het alternatieve proces, met vermelding van de capaciteit inclusief eventuele wijzigingen in installaties en procesvoeringen; c. de te verwachten wijziging in emissies en verbruiken, aangegeven met behulp van massabalansen en de verwachte wijziging in gevolgen voor het milieu; d. de wijze waarop tijdens de proefneming processen en emissies, gevolgen voor het milieu en de verbruiken zullen worden beheerd en geregistreerd; e. de hoeveelheid in te zetten materiaal; f. de duur van de proef.
1.9.3
Het bevoegd gezag kan naar aanleiding van een onderzoeksopzet goedkeuring onthouden dan wel nadere eisen stellen aan de proefneming. Deze nadere eisen kunnen een beperking van duur of een beperking van de bij de proefnemingen te verwerken hoeveelheid materiaal betekenen. Tevens kunnen nadere eisen gesteld worden aan de milieu hygiënische randvoorwaarden van de proefnemingen.
1.9.4
De proefneming mag uitsluitend worden uitgevoerd binnen de aan de goedkeuring verbonden voorwaarden. Zodra blijkt dat deze randvoorwaarden niet in acht genomen (kunnen) worden of dat de gevolgen voor het milieu of de fysieke leefomgeving groter zijn dan voorzien, moet de proef onmiddellijk gestopt worden.
1.9.5
De resultaten van de proefneming moeten uiterlijk drie maanden na beëindiging van de proefneming aan het bevoegd gezag worden overgelegd.
2
AFVALSTOFFEN
2.1
Afvalscheiding
2.1.1
Vergunninghouder is verplicht de volgende binnen de inrichting vrijkomende afvalstromen te scheiden, gescheiden te houden en gescheiden aan te bieden dan wel zelf af te voeren: a. papier en karton; b. batterijen en accu’s; c. olie-/water-/slibmengsels; d. de verschillende categorieën gevaarlijke afvalstoffen, onderling en van andere afvalstoffen.
W.Z22.105296.01
pagina 12 / 61
Omgevingsdienst Regio Nijmegen
2.2
Opslag van afvalstoffen
2.2.1
De op- en overslag en het transport van afvalstoffen moeten zodanig plaatsvinden dat zich geen afval in of buiten de inrichting kan verspreiden. Mocht onverhoopt toch verontreiniging buiten de inrichting plaatsvinden, dan moeten direct maatregelen worden getroffen om deze verontreiniging te verwijderen.
2.2.2
De verpakking van gevaarlijk afval moet zodanig zijn, dat: a. niets van de inhoud uit de verpakking kan ontsnappen; b. het materiaal van de verpakking niet door gevaarlijke stoffen kan worden aangetast, dan wel met die gevaarlijke stoffen een reactie kan aangaan dan wel een verbinding kan vormen; c. deze tegen normale behandeling bestand is; d. deze is voorzien van een etiket, waarop de gevaar aspecten van de gevaarlijke stof duidelijk tot uiting komen.
2.2.3
Afvalstoffen moeten zodanig gescheiden van elkaar worden opgeslagen dat de verschillende soorten afvalstoffen ten opzichte van elkaar geen reactiviteit kunnen veroorzaken.
2.2.4
De termijn van opslag van afvalstoffen mag maximaal één jaar bedragen. In afwijking hiervan mag de termijn van opslag van afvalstoffen maximaal drie jaar bedragen indien de vergunninghouder aan het bevoegd gezag heeft aangetoond dat de opslag van afvalstoffen gevolgd wordt door nuttige toepassing van afvalstoffen.
2.3
Acceptatie van bedrijfsafvalstoffen
2.3.1
In de inrichting mogen de hieronder vermelde afvalstoffen afkomstig van bedrijven per kalenderjaar worden geaccepteerd en mogen op enig moment niet meer afvalstoffen worden opgeslagen dan in de tabel genoemde tonnages. Voor de diverse deelstromen gelden de maxima zoals deze zijn genoemd in de onderstaande tabel. Gebruikelijke benaming
Eural-codes
afvalstof
Max. opslag
Max. te accepteren
(in ton)
per jaar (in ton)
Puin, gemengd schoon
17.01.07
5.000
20.000
Puin grof, beton, stenen,
17.01.01,
500
500
tegels en keramische
17.01.02,
producten
17.01.03,
50
1500
17.01.07 Gemengd bouw- en
17.09.04
sloopafval A-hout
17.02.01
250
10.000
B-hout
17.02.01
1.000
10.000
C-hout
17.02.04*
20
200
Bedrijfsafval
20.03.01
50
750
Asbest
17.06.05*
10
100
Papier & karton
15.01.01,
50
1000
W.Z22.105296.01
pagina 13 / 61
Omgevingsdienst Regio Nijmegen
Gebruikelijke benaming
Eural-codes
afvalstof
Max. opslag
Max. te accepteren
(in ton)
per jaar (in ton)
20.01.01 Dakleer dat koolteer bevat
17.03.01*
10
100
Dakleer
17.03.02
Vlakglas, ruiten
17.02.02
10
50
Snoeiafval
20.02.01
5.000
30.000
Stammen
20.02.01
30
200
Grond met puin
17.05.04
500
500
Banden, gemengd
16.01.03
5
15
Asfalt teerhoudend
17.03.01*
20
150
Asfalt niet-teerhoudend
17.03.02
20
300
02.01.04,
20
200
2
10
Folie landbouw
20.01.39 Kunststofafval gemengd
20.01.39
PE mix
20.01.39
5
60
Oud ijzer en overige
20.10.40
5
50
12.01.17
10
10
12.567
75.695
metalen Straalgrit Totaal
2.3.2
Indien vergunninghouder een afvalstof wil accepteren waarvan de Eural-code niet is opgenomen in bovenstaande tabel, maar waarvan de aard en samenstelling en de minimumstandaard voor verwerking overeenkomt met één van de genoemde afvalstoffen moet, voordat de feitelijke acceptatie plaatsvindt, een verzoek ter goedkeuring aan bevoegd gezag gezonden worden. In het verzoek moet het volgende vermeld worden: a. omschrijving van de afvalstof; b. euralcode; c. met welke reeds vergunde euralcode de afvalstof overeenkomt; d. wijze van acceptatie, verwerking en opslag; e. dat er sprake is van vergelijkbare milieu hygiënische aspecten (gemotiveerd); f. dat de totale vergunde opslag- en verwerkingscapaciteit niet wijzigt. Pas na goedkeuring van bevoegd gezag mag de afvalstof geaccepteerd worden.
2.3.3
Het bij de aanvraag gevoegde ‘AV-beleid en AO/IC’, versie 19 september 2022 moet op de volgende onderdelen worden aangepast of aangevuld: a. Structuur van de organisatie (H3): de uitwerking van taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden moet duidelijker worden omschreven. Tegenstrijdigheden moeten worden opgeheven; b. Acceptatie- en verwerkingsbeleid (H5): alinea’s 6 en 7 (blz. 13) moeten worden verduidelijkt. Gesproken wordt over een geaccepteerde fractie, waarna bij afvoer uit de inrichting deze fractie nogmaals wordt beoordeeld en toch nog kan worden afgekeurd/geweigerd. Duidelijk moet zijn wanneer een afvalstof definitief is geaccepteerd. Normaliter gebeurt dit na de laatste controle nadat het afval is gedeponeerd op de juiste locatie. Er komt dan een handtekening voor acceptatie waarna de factuur richting de klant kan worden opgesteld. c. Acceptatie- en verwerkingsbeleid (H5): vermeld moet worden waar de administratie wordt bijgehouden;
W.Z22.105296.01
pagina 14 / 61
Omgevingsdienst Regio Nijmegen
d. Acceptatiebeleid en acceptatieproces (H6): contract met de ontdoener ontbreekt. Een verwijzing naar het acceptatiereglement is onvoldoende. e. AO/IC (H8): Omschreven moet worden wanneer sprake is van een hoog en een laag risico. f. Bijlage 2 Organisatiestructuur en functies: Verwezen wordt naar werkinstructies maar ontbreken zelf. Werkinstructies dienen te worden toegevoegd. Een aangepaste versie van het ‘AV-beleid en AO/IC’ moet binnen twee maanden na het in werking treden van deze vergunning ter goedkeuring aan het bevoegd gezag zijn voorgelegd. 2.3.4
Tenzij de voorschriften in deze vergunning anders bepalen moet de vergunninghouder altijd handelen overeenkomstig het bij de aanvraag gevoegde AV-beleid en AO/IC inclusief (voor zover van toepassing) de goedgekeurde aanvullingen en de toegezonden wijzigingen.
2.3.5
In de inrichting mogen eerst na goedkeuring van het AV-beleid en AO/IC door het bevoegd gezag afvalstoffen worden ingenomen. Het AV-beleid en de AO/IC en de doorgevoerde wijzigingen moeten gedurende de openingstijden van de inrichting voor het bevoegd gezag ter inzage liggen.
2.3.6
Wijzigingen van de procedure voor acceptatie, verwerking, registratie of controle moeten, ter bepaling van de procedure die in relatie tot de aard van de wijziging is vereist schriftelijk aan het bevoegd gezag worden voorgelegd In het voornemen tot wijziging moet het volgende aangegeven worden: a. de reden tot wijziging; b. de aard van de wijziging; c. de gevolgen van de wijziging voor andere onderdelen van het AV-beleid en de AO/IC; d. de datum waarop vergunninghouder de wijziging wil invoeren. Pas na beoordeling/goedkeuring van bevoegd gezag mag de wijziging doorgevoerd worden.
2.4
Milieustraat
2.4.1
In de inrichting mogen de hieronder vermelde afvalstoffen afkomstig van particulieren per kalenderjaar worden geaccepteerd en mogen op enig moment niet meer afvalstoffen worden opgeslagen dan in de tabel genoemde tonnages. Voor de diverse deelstromen gelden de maxima zoals deze zijn genoemd in de onderstaande tabel. Gebruikelijke
Eural-codes
benaming afvalstof
Max. opslag
Max. te
(in ton)
accepteren per jaar (in ton)
Elektrische apparatuur
20.01.36
Accu’s en batterijen
16.06.01*, 16.06.04
Kleding/Textiel
20.01.11
5
60
0,5
2
0,5
5
1
10
16.06.05
KCA
20.01.13*, 20.01.15*, 20.01.17*, 17.01.23,
W.Z22.105296.01
pagina 15 / 61
Omgevingsdienst Regio Nijmegen
Gebruikelijke
Eural-codes
benaming afvalstof
Max. opslag
Max. te
(in ton)
accepteren per jaar (in ton)
20.01.21*, 20.01.23*, 20.01.27*, 20.01.28, 20.01.35* Dakleer dat koolteer
17.03.01*
1
10
Banden
16.01.03
0,5
1,5
Schoon bouw- en
17.09.04
20
2.000
Grof huishoudelijk afval
20.03.07
20
250
Groenafval gemengd
20.02.01
25
1.500
A-hout en B-hout
17.02.01
25
250
C-hout
17.02.04*
40
250
Papier en karton
15.01.01,
10
500
17.06.05*
10
100
15.01.07
5
10
20.01.39
0,5
5
20.10.40
1
10
20.03.07
10
25
175
4.988,5
bevat
sloopafval
20.01.01 Asbest Glas, ruiten
17.02.02 Kunststofafval gemengd Oud ijzer en overige metalen Matrassen Totaal
2.5
Bedrijfsvoering
2.5.1
Binnen de inrichting mogen per kalenderjaar niet meer dan de hieronder aangegeven hoeveelheden afvalstoffen worden verwerkt. Verwerking
Te verwerken afvalstoffen
Euralcode
(gebruikelijke benaming) Breken en zeven
Puin gemengd schoon,
Maximale hoeveelheid (ton/jaar)
17.01.07
25.000
Groenafval, snoeihout, A-
20.02.01,
52.500
hout, B-hout
17.02.01
Grond (en stenen)
17.05.04
500
Puin grof Shredderen
Zeven Sorteren, scheiden
Bouw- en sloopafval
17.09.04
3500
Ferro- en non-ferrometalen
20.10.40
60
Hout
17.02.01
20.200
17.02.04*
W.Z22.105296.01
Kunststof gemengd
20.01.39
275
Groenafval gemengd
20.02.01
1500
Snoeiafval, stammen
20.02.01
32.000
pagina 16 / 61
Omgevingsdienst Regio Nijmegen
2.5.2
Afvalstoffen die uitsluitend worden opgeslagen, gesorteerd, gezeefd, verkleind/ geshredderd en/of versnipperd/geknipt, dienen overeenkomstig bijlage F.5 van LAP3 gescheiden te worden gehouden van andere categorieën van afvalstoffen en gescheiden te worden afgevoerd.
2.5.3
Afvalstoffen die bij vergunninghouder een (voorbereidende) handeling ondergaan door sorteren, verkleinen, versnipperen of zeven moeten vervolgens worden afgevoerd naar een inrichting die de afvalstoffen verwerkt overeenkomstig de in LAP3 opgenomen minimumstandaard van verwerking.
2.5.4
Houten verpakking moet gescheiden worden gehouden van A- en/of B-hout, tenzij het mengsel van houten verpakking en A- en B-hout wordt afgevoerd ten behoeve van recycling.
2.5.5
Kunststofafval en (gemengd) verpakkingsmateriaal die niet geschikt zijn voor recycling moeten worden afgevoerd naar een verbrandingsinstallatie waarin hoofdgebruik als brandstof plaatsvindt en de metalen uit de reststoffen worden teruggewonnen voor recycling.
2.5.6
Niet recyclebare matrassen moeten worden afgevoerd naar een verbrandingsinstallatie.
2.5.7
Indien de afzet van de opgeslagen afvalstoffen stagneert, geeft de vergunninghouder dit onverwijld schriftelijk te kennen aan het bevoegd gezag. Deze mededeling bevat ten minste gegevens over de oorzaak van de stagnatie en de verwachte tijdsduur, alsmede de maatregelen die worden genomen om de stagnatie op te heffen, respectievelijk in de toekomst te voorkomen.
2.6
Registratie
2.6.1
In de inrichting moet een registratiesysteem aanwezig zijn, waarin van alle aangevoerde afvalstoffen het volgende moet worden vermeld: a. de datum van aanvoer; b. de aangevoerde hoeveelheid (kg); c. de naam en adres van de locatie van herkomst; d. de naam en adres van de ontdoener; e. de gebruikelijke benaming van de afvalstoffen; f. de euralcode; g. het afvalstroomnummer (indien van toepassing). Ad c Indien de aangevoerde afvalstoffen worden verkregen door route-inzameling, kan bij de registratie van naam en adres van de locatie van herkomst worden volstaan met "diverse locaties". Indien de afvalstoffen worden aangevoerd door een inzamelaar (niet zijnde de vergunninghouder) met toepassing van de inzamelaarsregeling moet de locatie van herkomst worden aangegeven, zoals deze moet worden vermeld op de begeleidingsbrief. Ad d Indien de aangevoerde afvalstoffen worden verkregen door route-inzameling of via de inzamelaarsregeling wordt met de ontdoener de inzamelaar bedoeld.
2.6.2
In de inrichting moet van alle aangevoerde hulpstoffen die bij de verwerking van afvalstoffen worden gebruikt het volgende worden geregistreerd:
W.Z22.105296.01
pagina 17 / 61
Omgevingsdienst Regio Nijmegen
a. benaming hulpstof; b. de datum van aanvoer; c. de aangevoerde hoeveelheid; d. de naam en adres van de leverancier. 2.6.3
In de inrichting moet eveneens een registratiesysteem aanwezig zijn, waarin van alle afgevoerde afvalstoffen, (grond)stoffen of producten die bij de verwerking zijn ontstaan het volgende moet worden vermeld: a. de datum van afvoer; b. de afgevoerde hoeveelheid (kg); c. de afvoerbestemming; d. de naam en adres van de afnemer; e. de gebruikelijke benaming van de (afval)stoffen; f. de euralcode (indien van toepassing); g. het afvalstroomnummer (indien van toepassing).
2.6.4
Van de reeds ingewogen afvalstoffen die op grond van een acceptatievoorschrift van deze vergunning niet mogen worden geaccepteerd moet een registratie bijgehouden worden waarin staat vermeld: a. de datum van aanvoer; b. de aangeboden hoeveelheid (kg); c. de naam en adres van plaats herkomst d. de reden waarom de afvalstoffen niet mogen worden geaccepteerd; e. de euralcode; f. het afvalstroomnummer (indien van toepassing); g. de datum van afvoer; h. de naam en adres van plaats afvoer.
2.6.5
Voor: − alle door particulieren zelf aangevoerde partijen huishoudelijke afvalstoffen, en − alle door bedrijven aangevoerde partijen afvalstoffen in een hoeveelheid van niet meer dan 50 kg per afgifte; Mag volstaan worden met de registratie van onderstaande gegevens: a. de datum van aanvoer; b. de aangevoerde totale hoeveelheid per dag (kg); c. de gebruikelijke benaming van de afvalstoffen. De registratie moet per euralcode plaatsvinden.
2.6.6
Ten behoeve van de registratie als bedoeld in dit hoofdstuk moet een registratiepost aanwezig zijn. De hoeveelheden die op grond van dit hoofdstuk moeten worden geregistreerd moeten worden bepaald door middel van een op de inrichting aanwezige weegvoorziening. De weegvoorziening(en) waarvan gebruik wordt gemaakt moet(en) overeenkomstig de daarvoor geldende voorschriften van het Nederlands Meetinstituut zijn geijkt. Op aanvraag moeten geldige certificaten van weegvoorziening(en) aan het bevoegd gezag ter inzage worden gegeven.
2.6.7
Er moet een sluitend verband bestaan tussen de (afval)stoffenregistratie als bedoeld in dit hoofdstuk en de financiële administratie.
2.6.8
Binnen één maand na ieder kalenderkwartaal moet ter afsluiting van dit kalenderkwartaal een inventarisatie plaatsvinden van de in de inrichting op de laatste dag van het kwartaal aanwezige voorraad afvalstoffen. Deze gegevens
W.Z22.105296.01
pagina 18 / 61
Omgevingsdienst Regio Nijmegen
moeten in een rapportage worden vastgelegd. Op verzoek moet deze rapportage aansluitend worden verzonden aan het bevoegd gezag. In de rapportage moet het volgende worden geregistreerd: a. een omschrijving van de aard, de samenstelling en euralcode van de opgeslagen (afval)stoffen; b. de opgeslagen hoeveelheid (omgerekend naar kg) per soort (afval)stof; c. de datum, waarop de inventarisatie is uitgevoerd. Verschillen tussen deze fysieke voorraad en de administratieve voorraad (op basis van geregistreerde gegevens) moeten in deze rapportage worden verklaard. 2.6.9
Uiterlijk 1 april van elk kalenderjaar moet een sluitende massabalans over het voorgaande jaar aan het bevoegd gezag worden gezonden. In deze balans moet duidelijk onderscheid worden gemaakt naar de aard van de stoffen. De balans moet het volgende bevatten: a. de voorraad grondstoffen en afvalstoffen aan het begin en aan het einde van het voorafgaande jaar; b. de ontvangen hoeveelheden grondstoffen en afvalstoffen in dat jaar; c. de verwerkte hoeveelheden grondstoffen en afvalstoffen in dat jaar; d. de afgevoerde hoeveelheden afvalstoffen en deelstromen en eindproducten (inclusief vermelding van bestemming); e. een verklaring van de verschillen in de massabalans.
2.6.10
Alle op grond van dit hoofdstuk te registreren gegevens moeten dagelijks worden bijgehouden en samen met de in het vorige voorschrift genoemde rapportage gedurende ten minste vijf jaar op de inrichting worden bewaard en aan de daartoe bevoegde personen op aanvraag ter inzage worden gegeven.
2.7
Asfalt
2.7.1
Asfalt moet separaat opgeslagen worden in afwachting van definitieve acceptatie na classificatie gevaarlijk of niet gevaarlijk. Opslag van dit asfalt (van onbekende samenstelling) moet plaatsvinden op een bodembeschermende voorziening.
2.7.2
Vóór definitieve acceptatie van een partij asfalt moet vergunninghouder beschikken over de resultaten van een middels Hoge prestatie vloeistof chromatografie (HPLC) of Dunne laag chromatografie (DLC) uitgevoerde analyse daarvan, waaruit blijkt of al dan niet sprake is van gevaarlijk afval.
2.7.3
Indien niet middels de in voorschrift 2.7.2 bedoelde analyse is aangetoond dat een partij asfalt geen gevaarlijk afval is, wordt die partij beschouwd als gevaarlijk afval en moet die gescheiden worden gehouden van andere (afval)stoffen (niet zijnde gevaarlijk afval).
2.7.4
De registratie van elke geaccepteerde partij asfalt dient ten minste te bevatten: a. een verwijzing naar het rapport met resultaten van de analyse van de partij; b. een beschrijving van het werk en de locatie waarvan het asfalt afkomstig is.
W.Z22.105296.01
pagina 19 / 61
Omgevingsdienst Regio Nijmegen
2.8
Breken van puin
2.8.1
Het breekproces moet worden uitgevoerd overeenkomstig BRL 2506. De puinbreker moet in bedrijf zijn overeenkomstig de uitgangspunten in het akoestisch rapport van Tideman, nr. 18.054.01, versie 09 d.d. 7 april 2022 behorende bij de aanvraag.
2.9
Sorteren en/of verkleinen van afval
2.9.1
Bij het sorteren van gemengd bouw- en sloopafval moeten minimaal de volgende monostromen worden afgescheiden (voor zover aanwezig): alle componenten als genoemd in artikel 4.1 van de Regeling Bouwbesluit 2012, te weten: a. als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen als bedoeld in hoofdstuk 17 van de afvalstoffenlijst bedoeld in de Regeling Europese afvalstoffenlijst, voor zover deze stoffen niet in de onderdelen b tot en met j van dit lid zijn opgenomen; b. teerhoudende dakbedekking, al dan niet met dakbeschot; c. teerhoudend asfalt; d. bitumineuze dakbedekking, al dan niet met dakbeschot; e. niet-teerhoudend asfalt; f. vlakglas, al dan niet met kozijn; g. gipsblokken en gipsplaatmateriaal; h. dakgrind; i. armaturen; j. gasontladingslampen, alsook steenachtig materiaal, hout, kunststof, metaal, zeefzand, alsook als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen anders dan bedoeld in hoofdstuk 17 van de afvalstoffenlijst uit de Regeling Europese afvalstoffenlijst.
2.9.2
Afval dat nog herbruikbare bestanddelen bevat die door middel van handpicking, windziften of andere scheidingstechnieken kunnen worden verwijderd dient te worden verplaatst naar het daarvoor bestemde vak voor eigen deel bewerking of naar een daartoe erkende verwerker.
2.9.3
De in een geaccepteerde vracht onverhoopt aangetroffen ongewenste (afval)stoffen moeten voorafgaand aan het verkleinen uit de vracht worden verwijderd en naar soort gescheiden in een doelmatige opslag voorziening te worden opgeslagen.
2.10
Versnipperen en zeven van snoeihout en stobben
2.10.1
Het groenafval moet binnen één maand na ontvangst uit de inrichting worden afgevoerd of machinaal worden verkleind. Afgekeurde compost mag uitsluitend worden gemengd ten behoeve van afvoer naar compostering of vergisting, indien recycling als meststof mogelijk is op grond van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet.
2.10.2
Verkleind hout moet binnen één maand na het versnipperen uit de inrichting worden afgevoerd. Voorkomen moet worden dat restanten versnipperd materiaal ter plaatse achterblijven. De vergunninghouder moet er zorg voor dragen dat geen broei van het opgeslagen versnipperde materiaal optreedt. Indien er, onverminderd het hiervoor gestelde, broei van het opgeslagen versnipperde
W.Z22.105296.01
pagina 20 / 61
Omgevingsdienst Regio Nijmegen
materiaal optreedt, moeten onverwijld maatregelen worden genomen om het broeiproces te beëindigen en eventuele geuroverlast te voorkomen. 2.10.3
Verkleind groenafval moet opgeslagen zijn in doelmatig opslagvak.
2.11
Opslag en kwalificeren van grond en secundaire bouwstoffen
2.11.1
Het opslaan, samenvoegen en kwalificeren van grond is slechts toegestaan mits dit in overeenstemming is met de BRL 9335.
2.11.2
Partijen afvalstoffen mogen slechts worden samengevoegd/opgebulkt ten behoeve van inzet als bouwstof als deze aantoonbaar dezelfde gebruikelijke benaming en kwaliteit hebben als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit en wordt voldaan aan de overige voorschriften van deze beschikking.
2.11.3
De verschillende categorieën grond en bouwstoffen dienen gescheiden van elkaar te worden opgeslagen.
3
AFVALWATER
3.1.1
Vanuit de inrichting mag uitsluitend huishoudelijk afvalwater afkomstig van het kantoor op de gemeentelijke vuilwaterriolering worden geloosd.
4
BODEM (MAATWERKVOORSCHRIFTEN)
4.1
Nulsituatie bodemonderzoek
4.1.1
Ter vaststelling van de kwaliteit van de bodem als referentiesituatie moet uiterlijk binnen drie maanden nadat de inrichting is opgericht een rapport met de resultaten van een onderzoek naar de bodemkwaliteit zijn ingediend bij het bevoegd gezag (nulsituatie). Het onderzoek moet betrekking hebben op alle plaatsen binnen de inrichting waar bodembedreigende activiteiten plaatsvinden. Het onderzoek moet worden uitgevoerd volgens het bij de aanvraag verstrekte onderzoeksvoorstel, gebaseerd zijn op de NEN 5740 ‘Onderzoekstrategie vaststelling nulsituatie bij een toekomstige bodembelasting’ en afgestemd zijn op de toegepaste stoffen.
4.1.2
Ter zake van de uitvoering van het bodemonderzoek kunnen – binnen 3 maanden nadat voornoemde rapportage is overgelegd – nadere eisen worde gesteld door het bevoegd gezag; inhoudende dat meerdere monsternemingen of analyses moeten worden verricht, indien dit op grond van de overgelegde hypothese(n) en onderzoeksstrategie noodzakelijk blijkt.
5
ENERGIE
5.1.1
Vergunninghouder registreert het energieverbruik aan elektriciteit en aardgasequivalenten aan brandstoffen over tenminste de afgelopen 5 jaar. De registratie van het energieverbruik kan bestaan uit jaarrekeningen van de energieleverancier.
W.Z22.105296.01
pagina 21 / 61
Omgevingsdienst Regio Nijmegen
5.1.2
Vergunninghouder neemt alle in de per ministeriële regeling1 vastgestelde erkende energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van vijf jaar of minder. Daarbij kan uitgegaan worden van voor de aangewezen activiteiten en typen van energiebesparende maatregelen.
5.1.3
Vergunninghouder kan de verplichting, bedoeld in voorschrift 5.2.1, gefaseerd uitvoeren binnen een periode van 4 jaar waarbij rekening wordt gehouden met de bedrijfseconomische omstandigheden van de inrichting.
5.1.4
Vergunninghouder geeft in een uitvoeringsplan aan wanneer de maatregelen binnen een periode van 4 jaar worden getroffen.
5.1.5
Als er erkende maatregelen zijn die niet zullen worden uitgevoerd of alternatieve maatregelen worden toegepast, dan wordt dat in het uitvoeringsplan gemotiveerd, op voorwaarde dat de gelijkwaardigheid in het energiedeel aan het bevoegd gezag wordt gemotiveerd. Indien het bevoegd gezag dit nodig acht, moet het uitvoeringsplan worden aangevuld of de opgenomen termijnen worden aangepast en moet het uitvoeringsplan opnieuw worden aangeboden conform dit voorschrift.
5.1.6
Vergunninghouder rapporteert uiterlijk een jaar na inwerkingtreding van deze vergunning en daarna eenmaal per vier jaar aan het bevoegd gezag welke energiebesparende maatregelen zijn getroffen.
6
EXTERNE VEILIGHEID
6.1
Opslag van verpakte gevaarlijke (afval)stoffen
6.1.1
In de inrichting mag ten hoogste 1000 kg verpakte gevaarlijke (afval)stoffen worden opgeslagen.
6.1.2
De opslag van verpakte gevaarlijke (afval)stoffen die vallen onder de ADRklassen, zoals genoemd in de richtlijn PGS 15 moet in de speciaal daarvoor bestemde opslagruimten plaatsvinden en moet voldoen aan de volgende voorschriften van de PGS 15: a. 3.1.1 tot en met 3.1.5; b. 3.2.1 tot en met 3.2.13; c. 3.3.1 tot en met 3.3.4; d. 3.4.1 tot en met 3.4.11; e. 3.5.1 tot en met 3.5.3; f. 3.6.1; g. 3.7.1 tot en met 3.7.7; h. 3.10.1; i. 3.11.1 tot en 3.11.3; j. 3.12.1; k. 3.13.1 tot en met 3.13.3; l. 3.14.2; m. 3.16.1; n. 3.17.1 tot en met 3.17.3; o. 3.18.1; p. 3.19.3 tot en met 3.19.5.
1
Dit is nu de Activiteitenregeling milieubeheer (bijlage 10) totdat de Omgevingswet in werking treedt. Op dat moment worden erkende maatregelen aangewezen op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving. W.Z22.105296.01 pagina 22 / 61
Omgevingsdienst Regio Nijmegen
7
GELUID
7.1
Algemeen
7.1.1
Het meten en berekenen van de geluidsniveaus en het beoordelen van de meetresultaten moet plaatsvinden overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai, uitgave 1999.
7.2
Representatieve bedrijfssituatie
7.2.1
Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT), veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten, mag niet meer bedragen dan de in de volgende tabel genoemde waarden. Beoordelingspunt Id N16 N19 N21 W02 W04 W05 W06 H40
Omschrijving Zonebewakingspunt N16 Zonebewakingspunt N19 Zonebewakingspunt N21 Woning Bulsinkkamp 73 Woning Akkermateweg 2 Woning Akkermateweg 1 Woning Sondernweg 3 Woning Nijverheidsweg 3
Langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus in dB(A) H (m) Dag 07.00 - 19.00 uur 5 41 5 50 5 44 5 43 5 45 5 44 5 40 5 46
De situering van deze beoordelingspunten is weergegeven op figuur 1-1 van het geluidrapport nummer 18.054.01 versie 09 d.d. 7 april 2022 van Tideman.
7.2.2
Het maximaal geluidniveau (LAmax), veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten, mag niet meer bedragen dan de in de volgende tabel genoemde waarden. Beoordelingspunt Id Omschrijving W02 Woning Bulsinkkamp 73 W04 Woning Akkermateweg 2 W05 Woning Akkermateweg 1 W06 Woning Sondernweg 3 H40 Woning Nijverheidsweg 3
Maximale geluidniveaus in dB(A) H (m) Dag 07.00 - 19.00 uur 5 70 5 70 5 70 5 70 5 70
De situering van deze beoordelingspunten is weergegeven op figuur 1-1 van het geluidrapport nummer 18.054.01 versie 09 d.d. 7 april 2022 van Tideman.
7.3
Laagfrequent geluid (LFG)
7.3.1
Het laagfrequent geluid, dat eventueel door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties en door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten veroorzaakt wordt in geluidgevoelige (woon)ruimten van derden, mag in de tertsbanden niet meer bedragen dan de waarden in onderstaande tabel:
W.Z22.105296.01
pagina 23 / 61
Omgevingsdienst Regio Nijmegen
Grenswaarden laagfrequent geluid per tertsband in geluidgevoelige ruimten van derden in dB 50 63 80 100 Hz Omschrijving 16 20 25 31.5 40 beoordelingspositie Vercammen 35 dB(A)-curve 78 74 70 65 60 55 51 47 44 dB (continu) in (woon)ruimten van derden Toelichting: geluidgevoelige ruimten zijn woonruimten zoals woonkamer, keuken en werkkamer
7.3.2
Voorschrift 7.3.1 geldt niet ten aanzien van ruimten waarvan derden geen toestemming geven voor het in redelijkheid doen uitvoeren van metingen van laagfrequent geluid.
7.4
Trillingen
7.4.1
Het meten van de trillingsniveaus en het beoordelen van de meetresultaten moet plaatsvinden overeenkomstig de meet- en beoordelingsrichtlijn trillingen van de SBR, deel B, Hinder voor personen in gebouwen, uitgave augustus 2002.
7.4.2
De trillingen veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties en de door in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten, mogen in woningen en andere trillingsgevoelige bestemmingen van derden niet hoger zijn dan één van de volgende waarden: − de waarde van de maximale trillingssterkte van de ruimte (Vmax) is kleiner dan A1 of − de waarde van de maximale trillingssterkte van de ruimte (Vmax) is kleiner dan A2, waarbij de trillingssterkte over de beoordelingsperiode (Vper) kleiner is dan A3. Omschrijving
Dagperiode
Avondperiode
Nachtperiode
07.00 - 19.00 uur
19.00 - 23.00 uur
23.00 - 07.00 uur
trillingsgevoelige
A1
A2
A3
A1
A2
A3
A1
A2
A3
bestemmingen van derden
0.1
0.4
0.05
--
--
--
--
--
--
beoordelingspositie
8
GEUR (MAATWERKVOORSCHRIFTEN)
8.1
Geuremissie
8.1.1
De geuremissie van de volgende bronnen binnen de inrichting mag maximaal de onderstaand vermelde waarden in Europese geureenheden (ouE) per uur bedragen. #
Naam
Omschrijving
1 2 3 4 5
GR-vkl GR-afvoer BA-aanvoer BA-afvoer BA-opslag
Groenafval - verkleinen Groenafval - afvoer Bedrijfsafval - aanvoer Bedrijfsafval - afvoer Bedrijfsafval - opslag
W.Z22.105296.01
Geur (MouE/u) 87,5 6,4 34,6 24,5 1,8
Bedrijfstijd (u/j) 858 850 125 125 8.760 pagina 24 / 61
Omgevingsdienst Regio Nijmegen
1
GR-opslB
Groenafval - opslag biomassa
8,6
8.760
8.1.2
De bepaling van de geuremissie voldoet aan de NTA 9065 ‘Luchtkwaliteit, Geurmetingen, Meten en rekenen geur’. Geurconcentratiemetingen worden uitgevoerd volgens de NEN-EN 13725.
8.1.3
Aan voorschrift 8.1.1 wordt voldaan wanneer, voor een gemeten geurbron, de bepaalde geuremissie, verminderd met de meetonzekerheid, lager is dan de emissie-eis.
9
LUCHTEMISSIES (MAATWERKVOORSCHRIFT)
9.1
Diffuse emissies mechanische verwerking afvalstoffen
9.1.1
Ter voorkoming van stofverspreiding tijdens mechanische verwerking van (afval)stoffen zoals het breken, zeven of shredderen van stuifgevoelige materialen moeten sproeivoorzieningen aanwezig zijn die, wanneer nodig, direct inzetbaar zijn.
W.Z22.105296.01
pagina 25 / 61
Omgevingsdienst Regio Nijmegen
1.
PROCEDURELE ASPECTEN
1.1. Gegevens aanvrager Op 28 juni 2022 is een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ontvangen. Het betreft een verzoek van: H.J. Aalbers en Zoon Transport B.V. te Aalten. 1.2. Projectbeschrijving Het project waarvoor vergunning wordt gevraagd is als volgt te omschrijven: het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor het inzamelen, opslaan en/of verwerken van (gevaarlijke) afvalstoffen, het opslaan van bouwmaterialen, zand en grind en het oprichten en in werking hebben van een gemeentelijke milieustraat. Een uitgebreide projectomschrijving is opgenomen in de aanvraag om vergunning. Gelet op bovenstaande omschrijving wordt vergunning gevraagd voor de volgende in de Wabo omschreven activiteiten: a. het bouwen van een bouwwerk (artikel 2.1, eerste lid, onder a); b. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan (artikel 2.1, eerste lid, onder c) met toepassing van een buitenplanse afwijking (artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 3); c. het oprichten en het in werking hebben van een milieu-inrichting (artikel 2.1, eerste lid, onder e, sub 1° en 3°). 1.3. Omschrijving van de aanvraag De aanvraag bestaat uit de volgende delen: − Aanvraagformulier OLO nummer 7085169 d.d.