Landelijk Gebied, uitbreiding recreatieterrein Goorzicht_Toelichting.pdf
Tekst van het document
Wat betreft de categorie 'gemengde bedrijven' (waar Goorzicht een voorbeeld van is) blijkt dat deze bedrijven het over het algemeen goed doen. De gemengde bedrijven die het uitstekend doen zijn grote spelers in de markt die voorbeeldbedrijven zijn voor de regio. Het zijn grote investeerders met uitbreidingsplannen en ze denken goed na over de toekomst en de strategie om daar te komen. De ondernemers zijn gepassioneerd en spelen in op veranderingen om hen heen en in de markt. BJZ.nu Bestemmingsplannen
25
Landelijk Gebied, uitbreiding recreatieterrein Goorzicht vastgesteld
Samenvatten worden in het onderzoek de volgende strategieën, die in combinatie met elkaar zouden kunnen worden toegepast, aangedragen: Het creëren van nieuw aanbod. Dit kan een goede strategie zijn om de 'leemtes' op te vullen en nieuw aanbod te creëren voor doelgroepen die nog onvoldoende aantrekkelijk aanbod kunnen vinden. Gezien de verzadiging in de markt die wordt geconstateerd bij een aantal sectoren (vooral de kampeer- en bungalowsector) dient hier echter voorzichtig mee te worden omgegaan. Het verbreden van bestaande accommodaties. Bestaande bedrijven kunnen in sommige gevallen hun doelgroep verbreden door binnen het bestaande park aanvullend of aangepast aanbod te verzorgen. Het transformeren van huidige accommodaties. Bestaande bedrijven kunnen ook een omslag maken, waarbij ze (op termijn) de focus leggen op een andere doelgroep. Het verbreden van de doelgroep is waarschijnlijk het meest succesvol door te verbreden naar leefstijlen die in het leefstijlmodel relatief dichtbij de huidige doelgroep liggen. Belangrijk aandachtspunt daarbij is dat een té breed profiel juist kan zorgen voor te weinig focus en daarmee te weinig samenhang en/of herkenbaarheid voor de gast.
4.3.2.2 Toetsing van het initiatief aan het Vitaliteitsonderzoek Achterhoek Zoals ook in paragraaf 4.1.3 is aangegeven, blijkt uit het vitaliteitsonderzoek dat het zeer belangrijk is om innovatieve voorlopers te faciliteren, zodat de kwaliteit en de verbreding wordt gestimuleerd. Het plan sluit aan bij de aanbevelingen uit dit onderzoek om nieuw aanbod te creëren en om het bestaande aanbod te verbreden. Hierbij is het van belang om de verbreding te zoeken in de leefstijlen die relatief dicht bij de huidige doelgroepen liggen. Daar wordt in dit plan op ingespeeld.
4.4
Gemeentelijk beleid
4.4.1
Nota vrijetijdseconomie 2015-2018 Aalten
4.4.1.1 Algemeen De gemeente Aalten heeft in 2015 de Nota Vrijetijdseconomie vastgesteld. De beleidsnota is niet meer geheel actueel, maar wordt nog wel steeds gebruikt als toetsingskader voor recreatieve ontwikkelingen. De gemeente zet in op verbreding in de vrijetijdseconomie. De nota wordt in 2020 herzien, als lokale vertaling van de regionale Vrijetijdsagenda. Er wordt stevig ingezet op de Achterhoekse schaal, zowel wat betreft de gezamenlijke promotie en ondersteuning van ondernemers in de breedste zin. 4.4.1.2 Verblijfsrecreatie Algemeen In de verblijfssector is een duidelijke tendens waarneembaar naar kwalitatief betere verblijfsmogelijkheden met ruimere plaatsen en meer voorzieningen (zoek naar luxe). Dit vraagt meer ruimte en mogelijkheden in bestemmingsplannen. Bestedingen die gedaan worden door toeristen in de Achterhoek komen voor slechts 15% van vakantiegangers op een vaste standplaats. Dit komt doordat verblijfsgasten op een vaste standplaats doorgaans het gebied al beter kennen en gemiddeld genomen minder geld uitgeven dan andere vakantiegangers. Toeristische kampeerplaatsen leveren een aanmerkelijk groter economisch belang. Het toeristisch aanbod van campings is sterk weersafhankelijk met een duidelijk hoog- en laagseizoen. Kansrijk is om in te zetten op seizoenverlenging door aanbod te ontwikkelen dat minder weersafhankelijk is.
Vertaling naar de gemeente Aalten De grotere recreatieterreinen in de gemeente bestaan met name uit jaarplaatsen met vaste stacaravans. Deze terreinen zijn zo’n 30/40 jaar oud en hebben veelal te maken met veroudering van de stacaravans. Bij vertrek van een vaste klant blijkt het moeilijk de plaats weer ingevuld te krijgen. De eigenaren pogen geleidelijk een kwaliteitsverbetering door te voeren door de plaatsen te vergroten (bijvoorbeeld van drie naar twee) en contractueel vast te leggen dat verouderde stacaravans niet meer doorverkocht mogen worden. De band die door de jaren heen met vaste klanten is opgebouwd weerhoudt hen er echter van een koude sanering door te BJZ.nu Bestemmingsplannen
26
Landelijk Gebied, uitbreiding recreatieterrein Goorzicht vastgesteld
voeren. Daardoor is de kwaliteitsverbetering een proces van lange adem, door natuurlijk verloop op de terreinen. De gemeente neemt in het bestemmingsplan Landelijk Gebied 2015 concrete uitbreidingswensen op. Met betrekking tot verblijfsrecreatie zijn de volgende uitgangspunten van belang: de gemeente legt geen beperking op ten aanzien van aantallen locaties/bedrijven; de Provinciale Verordening Gelderland bepaalt dat recreatiewoningen slechts worden toegestaan op locaties waar ook reguliere woningen kunnen worden gebouwd. permanente bewoning dient te worden uitgesloten. Om het risico hierop te verkleinen geldt bij nieuwe initiatieven het vereiste van bedrijfsmatige exploitatie. Omdat er altijd enig risico blijft bestaan leveren nieuwe initiatieven extra aandacht en eventueel handhaving op. bij vervanging/nieuwe ontwikkeling geldt tevens vereiste van kwaliteitsverbetering en goede streekeigen landschappelijke inpassing. 4.4.1.3 Ambitie De gemeente heeft een faciliterende rol in het tot stand brengen van een optimaal gezonde en economisch levensvatbare vrijetijdseconomie.
Daarbij zet de gemeente in op vier doelen: meer (dag)bezoek, meer bestedingen en meer werkgelegenheid; bijdrage aan het behoud van vitale kernen door bestedingen van dag- en omgevingsrecreanten; bijdrage aan de leefbaarheid van het buitengebied door hergebruik van functies en daarmee verhoging kwaliteit landschap; bijdrage aan een gezond leven door onder andere impulsen aan fietsen en wandelen. Ten aanzien van verblijfsrecreatie is in de nota specifiek aangegeven dat groei mogelijk en wenselijk is. Het initiatief moet vanuit de markt komen, de gemeente zal dan faciliteren. 4.4.1.4 Toetsing van het initiatief aan de Nota Verblijfsrecreatie Met dit plan wordt een bestaand recreatiebedrijf uitgebreid teneinde te voorzien in een kwalitatief betere bedrijfsvoering en een breder aanbod. Ook sluit het plan, door tevens groepsaccommodaties en verblijfsaccommodaties te realiseren, aan bij het streven op seizoensverlenging door een aanbod te ontwikkelen dat minder weersafhankelijk is. Het zorgt in zijn totaliteit dan ook voor het verbeteren van het toeristische aanbod. Daarnaast wordt de ontwikkeling volledig landschappelijk ingepast. Zoals in hoofdstuk 3 is aangegeven wordt met dit plan het landschap in het terrein geïntegreerd. Ook wordt het landschap versterkt door de aanleg van gebiedseigen beplanting.
Dit streven sluit aan bij de vereiste van kwaliteitsverbetering en een goede streekeigen landschappelijke inpassing. Tot slot wordt sterk bijgedragen aan het verbeteren van de kwaliteit van het buitengebied, doordat er als onderdeel van deze ontwikkeling een meervoud aan landschapsontsierende bebouwing binnen de gemeente wordt gesloopt.
BJZ.nu Bestemmingsplannen
27
Landelijk Gebied, uitbreiding recreatieterrein Goorzicht vastgesteld
Hoofdstuk 5
Milieu- en omgevingsaspecten
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema’s geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie en archeologie & cultuurhistorie.
5.1
Geluid
5.1.1
Algemeen
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. Vakantiewoningen die naar hun aard niet bestemd zijn voor bewoning in de zin van de Wet geluidhinder, maar voor recreatief verblijf hoeven niet bij de besluitvorming te worden betrokken. Ook camper- en kampeerplekken betreffen geen geluidgevoelige objecten. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt er wel kort ingegaan op de aspecten 'industrielawaai', 'railverkeerslawaai' en 'wegverkeerslawaai'. De te bouwen woning wordt wel aangemerkt als een geluidgevoelige functie. 5.1.2
Verantwoording geluidsaspecten
5.1.2.1 Industrielawaai Het plangebied is niet gelegen binnen de zone van een gezoneerd bedrijventerrein. Daarom wordt niet nader op het aspect industrielawaai ingegaan. In paragraaf 5.5 wordt nader ingegaan op de in de omgeving aanwezige (individuele) bedrijvigheid. 5.1.2.2 Railverkeerslawaai De dichtstbijzijnde spoorweg is op een zeer ruime afstand van het plangebied gelegen, namelijk circa 1,6 kilometer. Er hoeft niet nader op het aspect railverkeerslawaai worden ingegaan. 5.1.2.3 Wegverkeerslawaai De dichtst bij de wegen gelegen recreatiewoningen liggen op een afstand van 40 meter afstand van deze wegen (de Boterdijk en de Romienendiek). Het betreft in beide gevallen zeer rustige wegen die met name voor het bestemmingsverkeer worden gebruikt. Zoals ook in afbeelding 3.1 is weergegeven, ligt er tussen de recreatieve objecten en de betreffende wegen een brede bossingel, de eenheden komen dan ook op een relatief grote afstand van de wegen. Redelijkerwijs kan niet worden verwacht dat er ter plaatse van de recreatieve eenheden geen aanvaardbaar leefklimaat aanwezig zal zijn. Wat betreft de reguliere woning wordt gesteld dat, gezien de relatie grote afstand van de woning tot de weg (circa 30 meter) en het feit dat de Boterdijk een rustige weg betreft, er ter plaatse van de woning een
BJZ.nu Bestemmingsplannen
28
Landelijk Gebied, uitbreiding recreatieterrein Goorzicht vastgesteld
aanvaardbaar woon- en leefklimaat te verwachten valt. 5.1.3
Conclusie
De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
5.2
Bodemkwaliteit
5.2.1
Algemeen
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740. 5.2.2
Resultaten
Ter plaatse van de uitbreiding van het recreatiebedrijf, op de plaats waar de nieuwe verblijfseenheden worden gerealiseerd, is door Sigma Groep uit Emmen een verkennend bodemonderzoek en een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd. Ter plaatse van de bestaande boerderij is in het verleden reeds een sanering afgerond. Deze gronden zijn dan ook, na overleg met de gemeente, buiten het onderzoeksgebied gelaten. De onderzoeksresultaten van alle onderzoeken worden hierna kort beschreven. Voor de complete onderzoeksrapportage wordt verwezen naar van Bijlage 2 en Bijlage 3 deze toelichting. Historische onderzoeken Allereerst blijkt uit de historische informatie dat er ter plaatse van het erf aan de Boterdijk 6 (de locatie waar nu de te slopen boerderij met bijbehorende gebouwen staat) in 2014-2015 door Soilution een verkennend bodemonderzoek en een nader onderzoek asbest in de bodem is uitgevoerd (kenmerk 1510136, d.d. 4 november 2015). Uit de resultaten bleek dat ter plaatse van het plangebied de interventiewaarde van asbest en olie werd overschreden. Hierop volgend is in 2016 een aanvullend bodemonderzoek en bodemsanering uitgevoerd (Econsultancy, d.d. 27 juni 2016, rapportnummer 16015044). De saneringsdoelstellingen zijn behaald. Hiertoe is op d.d. 22 juni 2017 een evaluatie rapport opgesteld (Econsultancy, rapportnummer 16015045).
Op 27 juni 2017 heeft de gemeente Aalten ingestemd met het evaluatieverslag van de sanering. Er is ingestemd met de wijze waarop de sanering is uitgevoerd en de analyseresultaten geven aan dat de doelstellingen van de sanering bereikt zijn. De gesaneerde deellocaties zijn geschikt voor het toekomstig gebruik als wonen. Zoals eerder aangegeven zijn deze gronden in het bodemonderzoek, met instemming van de gemeente, voor het recreatieterrein achterwege gelaten. Verkennend bodemonderzoek (November 2019) In de bovengrond is een verhoogd gehalte aan polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) (som 10) ten opzichte van de achtergrondwaarde aangetroffen. Het verhoogd gehalte overschrijdt de tussenwaarde en de bodemindex-waarde (>0,5) (criteria voor nader onderzoek) niet en geeft daardoor geen aanleiding tot het instellen van aanvullend onderzoek; In de ondergrond is een verhoogd gehalte aan minerale olie ten opzichte van de achtergrondwaarde aangetroffen. Dit verhoogde gehalte overschrijdt de interventiewaarde en geeft daardoor aanleiding tot het instellen van aanvullend onderzoek; In het grondwater is een verhoogd gehalte koper ten opzichte van de interventiewaarde en een verhoogd gehalte aan barium, cadmium, zink, kwik, lood, molybdeen, nikkel, naftaleen, dichloormethaan en som C+T-dichtlooretheen (vluchtige chlooralifaten) ten opzichte van de streefwaarde aangetroffen.
Het verhoogd gehalte aan koper geeft aanleiding tot het instellen van aanvullend onderzoek. De overige gemeten gehalten overschrijden de tussenwaarde en de bodemindex-waarde niet en geven daardoor geen aanleiding tot het instellen van aanvullend onderzoek. BJZ.nu Bestemmingsplannen
29
Landelijk Gebied, uitbreiding recreatieterrein Goorzicht vastgesteld
Aanvullend bodemonderzoek (Januari 2020) Het in het ondergrondmengmonster sterk verhoogd gemeten gehalte minerale olie is op basis van zintuigelijke waarnemingen en het bekende bodemgebruik niet te relateren. De na uitsplitsing gemeten gehalten minerale olie in het individuele deelmonster van het ondergrondmengmonster geven geen verdere aanleiding tot het instellen van nader onderzoek. Het grondwater in peilbuis 1 bevat na herbemonstering en heranalyse en verhoogd gehalte koper (zware metalen) ten opzichte van de tussenwaarde (indicatie voor nader onderzoek) en de bodemindex-waarde; Het grondwater in peilbuis 2 bevat na herbemonstering en heranalyse een verhoogd gehalte nikkel (zware metalen) ten opzichte van de tussenwaarde (indicatie voor nader onderzoek) en de bodemindex-waarde; De na herbemonstering verhoogd gemeten gehalten in het grondwater overschrijden nog steeds de tussenwaarde en geven daardoor nog steeds aanleiding tot het instellen van aanvullend onderzoek. Gezien de gemeten afname van het gemeten gehalte koper en nikkel in het grondwater in beide peilbuizen tussen de eerste en de tweede bemonstering wordt geadviseerd het grondwater ter plaatse van peilbuis 1 en 2 na wat langere tijd nogmaals te onderzoeken op het gehalte koper en nikkel. Deze resultaten zijn met de gemeente besproken. Na nader overleg met de gemeente (d.d.
15 januari 2020) geeft de gemeente het volgende aan: 'Het onderzoek geeft aan dat de boven- en ondergrond nagenoeg schoon zijn. In het grondwater zijn matig verhoogde waarden voor koper en nikkel gemeten. Deze verhoogde waarden in het grondwater worden vaker in het buitengebied aangetoond. Wij stemmen in met de wijze waarop het onderzoek is opgezet en uitgevoerd. Op basis van de resultaten van het onderzoek verwachten wij dat de locatie geschikt is voor het voorgenomen gebruik. Het bodemonderzoek is hiermee positief afgerond. 5.2.3
Conclusie
Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkelingen.
5.3
Luchtkwaliteit
5.3.1
Algemeen
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet milieubeheer. In de Wet milieubeheer staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). 5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip ‘niet in betekenende mate’ is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2 ) en fijnstof (PM1 0). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.
Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; BJZ.nu Bestemmingsplannen
30
Landelijk Gebied, uitbreiding recreatieterrein Goorzicht vastgesteld
kantoren: 100.000m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekende mate bijdragen. de bijdragen aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van ‘gevoelige bestemmingen’ binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 5.3.2
Verantwoording luchtkwaliteit
Het project voorziet in de realisatie van een 17 verhuuraccommodaties en 35 kampeer/camperplaatsen. Als dit wordt vergeleken met de genoemde ontwikkelingen in paragraaf 4.3.1.1 kan worden gesteld dat er sprake is van een ontwikkeling die niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. De ontwikkeling leidt tot een toename van circa 77 verkeersbewegingen per weekdagetmaal. Het zal hierbij nagenoeg uitsluitend om personenauto's gaan. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de mate van luchtverontreiniging door invloed van het wegverkeer ingeschat met behulp van de NIBM-tool. Deze gaat uit van een worstcase situatie: bij de berekening van de concentratietoename zijn de kenmerken van het verkeer, de straat en de omgeving zo gekozen dat een situatie ontstaat met een maximale luchtverontreiniging. In de berekening is uitgegaan van 77 extra verkeersbewegingen (zie ook paragraaf 3.2). Aangezien het puur gaat om recreatieve eenheden (er komen hier geen centrale voorzieningen) is het aandeel van vrachtverkeer op 0% gezet.
Afbeelding 5.1: NIBM Tool (Bron: Ministerie van Infrastructuur en Milieu / Kenniscentrum InfoMil) Uit de berekening blijkt dat de toename van het verkeer niet in betekende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling
BJZ.nu Bestemmingsplannen
31
Landelijk Gebied, uitbreiding recreatieterrein Goorzicht vastgesteld
5.3.3
Conclusie
Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
5.4
Externe veiligheid
5.4.1
Algemeen
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico’s zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgesteld in: het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).
Het transporteren van stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 5.4.2
Verantwoording externe veiligheid
Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.2 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied en omgeving weergegeven.
BJZ.nu Bestemmingsplannen
32
Landelijk Gebied, uitbreiding recreatieterrein Goorzicht vastgesteld
Afbeelding 5.2: Uitsnede van de risicokaart (Bron: Risicokaart.nl) Bestaand Recreatiebedrijf Goorzicht Op het terrein van het bestaande recreatiebedrijf bevindt zich een risicobron. Hierna wordt er op deze bron ingegaan: Propaantank (inrichting met een 10-6 contour) Aan de rand van het bestaande recreatiebedrijf ligt een bovengrondse tank voor propaan of een ander vloeibaar gemaakt brandbaar gas. De tank heeft een opslag van 5000 liter en een plaatsgebonden risicoafstand van 20 meter. De tank ligt op circa 10 grens van onderhavig plangebied, de daadwerkelijke grens tot het dichtstbijzijnde kwetsbare object is echter meer dan 30 meter. Tussen de tank en de kwetsbare objecten (de verblijfsaccommodaties) ligt namelijk een bossingel, die ook als zodanig bestemd wordt zodat hier ook geen kwetsbare objecten mogelijk zijn. De tank vormt dan ook geen belemmering.
Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de circulaire effectafstand van een PG-tankstation. Aandachtspunt is wel dat het recreatieterrein zich in een gebied bevindt waar er een hoger risico voor natuurbranden is. Dit is relevant voor de eis met betrekking tot realisatie van de secundaire bluswatervoorziening. Om hierop in te spelen zullen er voldoende bluswatervoorzieningen worden gerealiseerd door de exploitanten van recreatieterrein Goorzicht. 5.4.3
Conclusie
Een en ander brengt met zich mee dat de ontwikkeling in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.
BJZ.nu Bestemmingsplannen
33
Landelijk Gebied, uitbreiding recreatieterrein Goorzicht vastgesteld
5.5
Milieuzonering
5.5.1
Algemeen
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden.
De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. 5.5.2
Gebiedstypen
In de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ is een tweetal gebiedstypen onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Op basis van de VNG-uitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ vergelijkbaar omgevingstype. Het omgevingstype ‘gemengd gebied’ wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ omschreven als een gebied met een matige tot sterke functiemenging waarbij bijvoorbeeld direct naast woningen andere functies voor kunnen komen zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. De richtafstanden (met uitzondering van het aspect gevaar) uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van een ‘gemengd gebied’. Daarbij wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is. De locatie bevindt zich in het buitengebied, zodat sprake is van een rustig omgevingstype. milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
BJZ.nu Bestemmingsplannen
Richtafstandentot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
Richtafstandentot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
34
Landelijk Gebied, uitbreiding recreatieterrein Goorzicht vastgesteld
5.5.3
Verantwoording milieuzonering
5.5.3.1 Algemeen Zoals reeds hiervoor genoemd wordt bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. 2.
past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).
5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden wordt aangetast. In dit geval gaat het om een recreatiebedrijf en een bijbehorend parkeerterrein. Hierna wordt op beide functies ingegaan. Recreatiebedrijf Op basis van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' wordt het recreatiebedrijf aangemerkt als 'Kampeerterreinen, vakantiecentra, e.d. (met keuken)'. Dergelijke inrichtingen vallen onder milieucategorie 3.1, waarbij de grootste richtafstand geldt voor geluid (50 meter). Voor de aspecten geur en gevaar geldt een richtafstand van 30 meter en voor het aspect stof 0 meter. In dit geval is echter een nuancering mogelijk. De afstand van 50 meter geldt voor de functie 'Kampeerterreinen, vakantiecentra e.d. (met keuken), waarbij met name de centrale voorzieningen zorgen voor milieubelasting. In dit geval gaat het puur om een recreatieterrein ten behoeve van verblijfsrecreatie. Er zijn geen keuken, receptie of andere centrale voorzieningen aanwezig. Deze bevinden zich namelijk al op de bestaande camping. Het enige centrale punt betreft de ontmoetingsplek nabij de natuurvijver, op meer dan 50 meter afstand.
Voor het overige zijn de gronden ingericht als kampeerterrein, camperterrein of staan er accommodaties. Bovendien gaat het om een rustige natuurcamping. De gasten komen hier met name voor de rust en de ruimte. Gezien vorenstaande is een richtafstand van 30 meter te motiveren. In de nabijheid van het plangebied liggen enkele woningen. Het betreffen de nieuw te bouwen woning aan de Boterdijk 6 (onderdeel van dit bestemmingsplan), de woning aan de Boterdijk 3 en de woning aan de Boterdijk 4. De woning aan de Boterdijk 3 ligt op een afstand van circa 45 meter van de bestemming recreatie. Het woonen leefklimaat van de woning wordt, gezien vorenstaande motivatie, niet onevenredig aangetast. De woning aan de Boterdijk 4 en de nieuw te bouwen woning binnen dit plangebied liggen op respectievelijk 25 en 15 meter afstand van de gronden met de bestemming 'Recreatie - Verblijfsrecreatie'. De richtafstand van 30 meter wordt dan ook niet gehaald. Het gaat dan met name om het aspect 'geluid'. De aspecten 'gevaar' en 'geur', waarvoor op basis van deze nuancering een afstand van 30 en 10 meter geldt, zijn niet relevant aangezien er geen sprake is van het realiseren van gevaarlijke functies (geen opslag van gevaarlijke stoffen, geen chlooropslag ten behoeve van een zwembad, geen keuken etc.). Er worden uitsluitend verblijfsrecreatieve eenheden gerealiseerd.
Ten aanzien van het aspect 'geur' wordt de richtafstand op basis van deze nuancering in alle gevallen gehaald. Om de geluidsoverlast als gevolg van de camping zoveel mogelijk te beperken wordt er daarom ter plaatse van de bossingel (binnen de bestemming 'Bos') rond de camping een grondwal van minimaal 2 m breed en minimaal 1,5 m hoog aangelegd. De grondwal is op de verbeelding aangeduid. In de planregels is de instandhouding van de grondwal door middel van een kwalitatieve voorwaarde geborgd. Daarnaast komen er ter hoogte van deze woning uitsluitend camper- en kampeerplaatsen. Deze worden minder intensief gebruikt als reguliere plaatsen en zorgen daardoor voor een lagere belasting dan verblijfs- en groepsaccommodaties. In de regels van dit plan is de locatie van de camper- en kampeerplaatsen juridisch geborgd. Op deze manier is een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van beide woningen geborgd. Parkeerterrein
BJZ.nu Bestemmingsplannen
35
Landelijk Gebied, uitbreiding recreatieterrein Goorzicht vastgesteld
In de bestemming 'Bos' wordt een parkeerterrein ten behoeve van de uitbreiding van het recreatiebedrijf aangelegd. Voor een parkeerterrein geldt op basis van de VNG-publicatie 'bedrijven en milieuzonering' een grootste richtafstand van 30 meter voor geluid. Het parkeerterrein ligt op een afstand van meer dan 30 meter ten aanzien van de woningen aan de Boterdijk 4 en de woning die in dit bestemmingsplan in opgenomen. De afstand tot de woning aan de Boterdijk 3 bedraagt exact 30 meter. Gezien deze woning uitsluitend op basis van de regels uitsluitend op de bestaande plaats gebouwd mag worden, is een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te verwachten. De afstand tussen de woning en het parkeerterrein kan namelijk niet worden verkleind. Overige gevoelige functies liggen allemaal op ruim meer dan 50 meter afstand vanuit het plangebied. Tot slot wordt gesteld dat de te realiseren recreatieve eenheden extra verkeersbewegingen genereren. Dit zou voor een toename van geluidsoverlast over de ontsluitingswegen met zich mee kunnen brengen. De camping wordt ontsloten op de Boterdijk. De extra verkeersgeneratie als gevolg van de uitbreiding bedraagt 77,1 verkeersbewegingen per etmaal (zie ook paragraaf 3.2). Verwacht wordt dat deze beperkte toename niet voor een onaanvaardbare situatie qua geluid zullen leiden.
Daarom wordt gesteld dat de geluidsoverlast als gevolg van de extra verkeersgeneratie beperkt zal zijn. 5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de functie hinder ondervindt van bestaande functies (in de omgeving). De recreatieve activiteiten (uitbreiden bebouwing en de realisatie van verblijfseenheden) zijn in het kader van milieuzonering niet aan te merken als milieugevoelig (met uitzondering van het aspect geur), waardoor er geen hinder wordt ondervonden van bestaande functies in de omgeving. Op de te bouwen woning is in voorgaande paragraaf al ingegaan. Deze wordt hier daarom buiten beschouwing gelaten. Op het aspect 'geur' wordt in paragraaf 5.6 nader ingegaan. 5.5.4
Conclusie
Vanuit het oogpunt van milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling.
5.6
Geur
5.6.1
Wet geurhinder en veehouderij
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningsplichtige veehouderijen, als het gaat om geurhinder. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven is het beoordelingskader voor geurhinder opgenomen in het Activiteitenbesluit. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, buiten een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht.
Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven gelden tevens vaste afstandseisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv. BJZ.nu Bestemmingsplannen
36
Landelijk Gebied, uitbreiding recreatieterrein Goorzicht vastgesteld
Op grond van het bepaalde in artikel 1 van de Wgv is een geurgevoelig object als volgt gedefinieerd: gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruik. 5.6.2
Activiteitenbesluit
Vanaf 1 januari 2013 is het Activiteitbesluit ook van toepassing op agrarische activiteiten. Het Besluit landbouw milieubeheer is tegelijkertijd komen te vervallen. Agrarische bedrijven hebben geen vergunning meer nodig als al hun activiteiten onder de reikwijdte van het Activiteitenbesluit vallen. Dit zijn type B-bedrijven, zoals veehouderijen, kinderboerderijen (en andere bedrijven die kleinschalig dieren houden), glastuinbouwbedrijven, bedrijven met teelt in gebouwen, bedrijven met open teelt, agrarische loonwerkers en losse opslagen (bijvoorbeeld mest). Voor geurhinder is in het Activiteitenbesluit een soortgelijk beoordelingskader opgenomen als in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Zo gelden binnen en buiten de bebouwde kom dezelfde normen als in de Wgv. Ook de geurbelasting wordt bepaald volgens het bepaalde in de Wgv. Hetzelfde geldt voor het meten van de afstanden. 5.6.3
Verantwoording geuraspecten
Er is diverse uiteenlopende jurisprudentie over de vraag of verblijfsrecreatieve inrichtingen geurgevoelige objecten zijn. De definitie van een 'geurgevoelig object' luidt: gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. Gezien de definitie, en ter bescherming van agrarische bedrijven, wordt er in dit geval van uitgegaan dat recreatieverblijven moeten worden aangemerkt als geurgevoelige objecten. De te bouwen woning is per definitie geurgevoelig. In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen agrarische bedrijven. Het dichtstbijzijnde agrarisch bedrijf ligt aan de Goordijk 2-4, op een afstand van circa 280 meter van het plangebied. Het betreft een grondgebonden agrarisch bedrijf (melkvee), waarvoor een grootste afstand van 50 meter geldt. Deze afstand wordt gehaald. Gezien vorenstaande wordt geconcludeerd dat het agrarisch bedrijf niet wordt belemmerd in de bedrijfsvoering en dat er ter plaatse van de camping sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 5.6.4
Conclusie
Het aspect 'geur' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.
5.7
Ecologie
5.7.1
Algemeen
Vanaf 1 januari 2017 is de Wet Natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt drie wetten: De Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Met deze wet worden de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen (de Vogel- en Habitatrichtlijn) zo helder mogelijk geïmplementeerd. De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn (het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn) en een apart beschermingsregime voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden.
BJZ.nu Bestemmingsplannen
37
Landelijk Gebied, uitbreiding recreatieterrein Goorzicht vastgesteld
5.7.2
Gebiedsbescherming
5.7.2.1 Natura 2000-gebieden Nederland heeft aan de hand van een vergunningenstelsel een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet Natuurbescherming beschermd. Het plangebied ligt op een afstand van meer dan 5 kilometer van Natura 2000-gebied. In afbeelding 5.2 is de ligging van het plangebied ten opzichte van het Natura 2000-gebied en het GNN weergegeven.
Afbeelding 5.2: Ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebied 'Veluwe' (Bron: Provincie Gelderland) Het plangebied behoort niet tot een Natura 200-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op een afstand van meer dan 7 kilometer afstand tot het plangebied. In dit geval is door Natuurbank Overijssel een stikstofonderzoek uitgevoerd. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. Het volledige rapport is opgenomen als Bijlage 4 bij deze toelichting. Geconcludeerd wordt dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden niet vergunningplichtig.
BJZ.nu Bestemmingsplannen
38
Landelijk Gebied, uitbreiding recreatieterrein Goorzicht vastgesteld
5.7.2.2 Gelders Natuur Netwerk Het Nederlands Natuur Netwerk (NNN), waarvan het Gelders Natuur Netwerk (GNN) deel uitmaakt, is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het GNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het GNN geldt het 'nee, tenzij'-principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. In afbeelding 5.2 is de ligging van het plangebied ten opzichte van het GNN reeds weergegeven. Deze afstand bedraagt circa 320 meter. Gezien deze afstand en de aard van de ontwikkeling wordt gesteld dat er geen sprake is van aantasting van de wezenlijke kenmerken of waarden van het GNN.
5.7.3
Soortenbescherming
Wat betreft de soortenbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet er worden bekeken of hier een vrijstelling voor geldt anders moet er een ontheffing worden gevraagd. Door natuurbank Overijssel is een quickscan flora- en fauna uitgevoerd. De belangrijkste resultaten worden weergegeven. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar Bijlage 5 van deze toelichting. Het plangebied behoort tot functioneel leefgebied van verschillende vogel-, vleermuis- , amfibieën- en grondgebonden zoogdiersoorten. Voorgenoemde soorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar vermoedelijk bezetten sommige beschermde grondgebonden zoogdiersoorten er een vaste verblijf- en voortplantingsplaats, bezetten sommige amfibieënsoorten er een (winter)rustplaats, bezetten vleermuizen een verblijfplaats in bomen en nestelen er vogels. In het plangebied nestelen alleen vogelsoorten waarvan uitsluitend het bezette nest beschermd is, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden.
Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. De schuren dienen gesloopt en de beplanting dient gerooid te worden buiten de voortplantingsperiode van vogels. Voor de grondgebonden zoogdier- en amfibieënsoorten, die mogelijk een vaste verblijf- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen 'vangen' en het 'beschadigen en vernielen van vaste verblijf- en/of voortplantingsplaats. Beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën mogen niet gedood worden als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten. Wel geldt een vrijstelling voor het beschadigen en vernielen van vaste verblijf- en/of voortplantingsplaatsen. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling. De functie van het plangebied als foerageergebied voor de in het plangebied foeragerende vogel-, amfibieën-, vleermuis en grondgebonden zoogdiersoorten, wordt niet aangetast als gevolg van de uitvoering van voorgenomen activiteiten. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties in het kader van soortbescherming. De voorgenomen activiteiten hebben geen negatief effect op beschermde natuurgebieden en leiden daarom niet tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming.
Door uitvoering van de quickscan natuurwaardenonderzoek, heeft initiatiefnemer voldaan aan de onderzoeksplicht, zoals verwoord in art. 1.11 van de Wnb.
BJZ.nu Bestemmingsplannen
39
Landelijk Gebied, uitbreiding recreatieterrein Goorzicht vastgesteld
5.8
Archeologie & cultuurhistorie
5.8.1
Archeologie
5.8.1.1 Algemeen De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, zijn verplicht rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.8.1.2 Situatie plangebied De gemeente Aalten heeft de archeologische verwachtingen verwerkt in archeologische dubbelbestemmingen. Voor een deel van het plangebied geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie lage verwachting'.
Voor gronden met deze dubbelbestemming geldt een onderzoeksgrens bij bodemverstoringen groter dan 5.000 m2. Deze oppervlakte wordt niet overschreden. Ter plaatse van gronden met deze bestemming is dan ook geen archeologisch onderzoek nodig. Voor het andere deel van het plangebied geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie hoge verwachting'. Voor gronden met deze dubbelbestemming geldt een onderzoeksgrens bij bodemverstoringen groter dan 500 m2. Deze oppervlakte wordt wel overschreden. Ter plaatse van gronden met is daarom door Laagland een verkennend archeologisch onderzoek en een karterend booronderzoek uitgevoerd. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten van de onderzoeken ingegaan. De rapporten zijn opgenomen als Bijlage 6 en Bijlage 7. Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (oktober 2019) Conclusie en verwachting In het centrale deel van het plangebied is sprake van een dekzandrug/-welving met een grotendeels intact podzolprofiel. Dit betekent dat de oorspronkelijke Pleistocene bodemopbouw grotendeels nog intact is. Aan weerszijden van deze rug is stuifzand aangetroffen. Er is nog geen podzolprofiel aanwezig in het stuifzand, wat erop duidt dat het waarschijnlijk om een jonge verstuiving (late middeleeuwen/nieuwe tijd) gaat. Stratigrafisch loopt dit stuifzand door tot onder het niveau waarop elders een B-horizont is gezien.
Dit kan impliceren dat het oorspronkelijke dekzand hier is verstoven of – minder waarschijnlijk – dat de dekzandtop hier wat dieper ligt en is begraven onder een stuifzandlaag. In het eerste geval is een archeologisch niveau weggestoven en in het tweede geval ligt het intacte archeologische niveau hier lager dan in het centrale deel van het plangebied. Resten van prehistorische nederzettingen of grafvelden zijn met name op de hoger gelegen (droge) gronden te verwachten zodat er in dit laatste geval sprake is van een lagere verwachting. In het centrale deel is sprake van een grotendeels intact bodemprofiel èn van een relatief hooggelegen gebied. In de verstoorde laag daarboven zijn resten van een E- en B-horizont gezien. Het verwachtingsmodel – resten van nederzettingen en grafvelden uit de periode midden-neolithicum tot en met de ijzertijd – blijft voor het centrale deel van het plangebied (circa 7800 m2 , zie de advieskaart in bijlage 11 van de rapportage) gehandhaafd. Voor het resterende deel van het plangebied kan deze verwachting worden bijgesteld naar laag. Selectieadvies Op basis van het uitgevoerde booronderzoek is de kans groot dat het centrale deel van het plangebied
BJZ.nu Bestemmingsplannen
40
Landelijk Gebied, uitbreiding recreatieterrein Goorzicht vastgesteld
archeologische sporen bevat. Deze resten bevinden zich onder een verstoorde laag van ongeveer 30 cm dik. De geplande ontwikkeling bestaat uit de plaatsing van kleinschalige en verspreid liggende accommodaties en de uitbreiding van de parkeerplaats. Voor zover hier bodemingrepen dieper dan 30 cm (minimale verstoringsdikte) plaatsvinden, wordt een vervolgonderzoek geadviseerd. Bij de aard van het vervolgonderzoek spelen twee aspecten een rol: enerzijds zijn archeologische indicatoren (aardewerk, bewerkt vuursteen) waarschijnlijk schaars, zodat booronderzoek niet de meest ideale opsporingsmethode is. Anderzijds zijn de kleinschalige en verspreid liggende ingrepen ongeschikt om een vorm van gravend onderzoek uit te voeren. Hiermee rekening houdend wordt een vervolgonderzoek toch in de vorm van een karterend booronderzoek geadviseerd. Indien op elke huislocatie in het plangebied twee karterende boringen worden gezet, is er een redelijke kans archeologische resten op te sporen. Uitgaande van negen vakantiehuizen in het onderzoeksplichtige deel van het plangebied komt dat neer op 18 karterende boringen. Voor het karterend booronderzoek wordt een edelmanboor met een boordiameter van 15 cm gebruikt; de opgeboorde grond wordt laagsgewijs gezeefd over een maaswijdte van 4 mm.
Karterend onderzoek (december 2019) Selectieadvies Het karterend booronderzoek heeft geen archeologische indicatoren opgeleverd. Daarnaast is in slechts drie van de negen boringen binnen het selectiegebied een intacte B-horizont aangetroffen. Dit betekent dat de kans op een intacte vindplaats in het plangebied zeer klein is. Karterend booronderzoek is geschikt om archeologische indicatoren (meestal vooral vuursteen, houtskool, aardewerk) op te sporen, maar grondsporen (paalkuilen, greppels en dergelijke) kunnen niet of nauwelijks met booronderzoek worden opgespoord. De aanwezigheid van dergelijke grondsporen in het selectiegebied (en feitelijk ook het plangebied) kan met behulp van het uitgevoerde booronderzoek niet worden uitgesloten. Gezien echter het voor een belangrijk deel verstoorde bodemprofiel is de oorspronkelijke toplaag echter verdwenen en zullen hooguit nog diepe grondsporen resteren. De kans op dergelijke sporen en het archeologisch belang is dusdanig dat nader archeologisch onderzoek niet wordt geadviseerd. Vanwege het bovenstaande is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie hoge verwachting' ter plaatse van de onderzochte gronden komen te vervallen.
5.8.2
Cultuurhistorie
5.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 5.8.2.2 Verantwoording cultuurhistorie Er bevinden zich in het plangebied zelf geen rijks- danwel gemeentelijke monumenten. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor onderliggend plan. 5.8.3
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat er geen nader archeologisch onderzoek benodigd is en er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.
BJZ.nu Bestemmingsplannen
41
Landelijk Gebied, uitbreiding recreatieterrein Goorzicht vastgesteld
Hoofdstuk 6
Wateraspecten
6.1
Vigerend beleid
6.1.1
Europees beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 6.1.2
Rijksbeleid
Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). 6.1.3
Provinciaalbeleid
Op 19 december 2018 is door Provinciale Staten de meest recente versie van de Omgevingsvisie Gelderland vastgesteld. De omgevingsvisie vervangt de huidige omgevingsplannen zoals de Structuurvisie, het Gelders Milieuplan en het Waterplan Gelderland 2010-2015. In de Omgevingsvisie wordt onder meer de ambitie en de rol van de provincie voor het aspect water aangegeven. De provincie stuurt op een veerkrachtig en duurzaam water- en bodemsysteem. Dit bestaat uit bodem en ondergrond, grondwater en oppervlaktewater. Een veerkrachtig en duurzaam water- en bodemsysteem helpt mee aan een optimale en duurzame driedimensionale inrichting van Gelderland. 6.1.4
Beleid waterschap Rijn en IJssel
Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Drents Overijsselse Delta, Vechtstromen en Rijn en IJssel. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen de afgelopen jaren intensief samengewerkt met elkaar en met andere partners. Het nieuwe Waterbeheerplan is één van de resultaten van deze samenwerking. De opzet en grote delen van dit Waterbeheerplan zijn inhoudelijk hetzelfde als dat van de andere waterschappen in Rijn-Oost. Waterschap Rijn en IJssel heeft een waterbeheerplan opgesteld voor de periode 2016-2021. Dit plan beschrijft het beleid voor alle taakgebieden van Waterschap Rijn en IJssel. Het plan geeft aan welke doelen het waterschap nastreeft en met welke aanpak we deze willen bereiken. Een kompas voor de langere termijn biedt de Watervisie 2030. Beide documenten bieden een samenwerkingsagenda voor ieder die op het gebied van water een belang of betrokkenheid heeft. Het plan gaat over het waterbeheer in het hele stroomgebied van Rijn en IJssel en het omvat alle watertaken
BJZ.nu Bestemmingsplannen
42
Landelijk Gebied, uitbreiding recreatieterrein Goorzicht vastgesteld
van het waterschap: waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterketen. Het waterschap laat in dit waterbeheerplan zien welke ontwikkelingen voor het waterbeheer van belang zijn en welke accenten we in de samenwerking met onze partners willen leggen. Vanuit die omgevingsverkenning wordt vervolgens het beleid voor de planperiode 2016-2021 beschreven voor de primaire taakgebieden: Bescherming tegen overstromingen en werken aan veiligheid: Veilig water. Zorgen voor de juiste hoeveelheid water en passende waterpeilen: Voldoende water. Zorgen voor een goede waterkwaliteit die nodig is voor mens, plant en dier: Schoon water. Verwerken van afvalwater en het benutten van energie en grondstoffen daaruit: Afvalwater. Zorgen voor goede randvoorwaarden voor beroepsvaart op de Oude IJssel: Vaarwegbeheer.
6.2
Waterparagraaf
6.2.1
Watertoets
Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 6.2.2
Watertoetsproces
Voor de in het voorliggende bestemmingsplan besloten ruimtelijke ontwikkeling worden de effecten van de ontwikkeling per waterthema afgewogen. De relevante waterthema's worden door middel van de watertoetstabel geselecteerd en dienen vervolgens nader te worden toegelicht. De watertoets is opgenomen als Bijlage 8 bij deze toelichting. Het waterschap heeft op d.d. 10 april 2020 een akkoord gegeven op de watertoets en de waterhuishoudkundige aspecten.
BJZ.nu Bestemmingsplannen
43
Landelijk Gebied, uitbreiding recreatieterrein Goorzicht vastgesteld
Hoofdstuk 7 7.1
Juridische aspecten en planverantwoording
Inleiding
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
7.2
Opzet van de regels
7.2.1
Algemeen
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. Ook de Standaard voor vergelijkbare bestemmingsplannen 2008 (SVBP2008) is vanaf deze datum verplicht. De Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2008 maakt het mogelijk bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. Vergelijkbare bestemmingsplannen leiden tot een betere dienstverlening en tot een effectievere en efficiëntere overheid. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4.