CConstaterende datAalten
Koppel je AI →
Document · PDF

Landelijk gebied, herziening 2022_Regels.pdf

Gemeenteraad 20 juni 2023, gemeente AaltenBij agendapunt: Voorstel tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan Landelijk gebied, herziening 2022.29.580 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

10.4.5 Vergroten inhoud van het hoofdgebouw Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 10.2.2 sub g voor het vergroten van de inhoudsmaat van een woning, met inachtneming van de volgende voorwaarden: a. voor elke 1 m2 die aan bestaande gebouwen op de percelen in het plangebied wordt gesloopt, mag het hoofdgebouw met 1 m3 worden vergroot (sloop-bonusregeling); b. het inruilen van de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken ten behoeve van een vergroting van de inhoudsmaat van het hoofdgebouw is alleen mogelijk, mits de

Landelijk gebied, herziening 2022

NL.IMRO.0197.BP00111-VG01

vastgesteld

56

oppervlakte aan te slopen bijbehorende bouwwerken op het erf van die woning méér dan respectievelijk 150 en 200 m2 (zoals bedoeld in de artikelen 10.2.4 onder d of e van deze planregels) bedraagt; c. verzekerd is dat de (elders) gesloopte oppervlakte aan gebouwen (daar) niet opnieuw kan worden gebouwd; d. vast dient te staan dat de onder b. bedoelde sloop is gerealiseerd voordat met de nieuwbouw wordt begonnen; e. de inhoud van het hoofdgebouw mag na toepassing van deze sloop-bonusregeling niet meer bedragen dan 1.250 m3; f. voor zover een geurgevoelige functie wordt gerealiseerd mogen de belangen van de in de omgeving gelegen functies niet onevenredig worden geschaad. 10.5

Specifieke gebruiksregels

10.5.1 Nadere detaillering verboden gebruik Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in artikel 10.1 wordt in ieder geval gerekend: a. de opslag van explosie- en brandgevaarlijke stoffen; b. een gebruik van gronden en bouwwerken voor (detail)handel, met uitzondering van detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit in producten die ter plaatse zijn vervaardigd, dan wel direct verband houden met een toegestane nevenactiviteit; c. opslag in de open lucht, anders dan ten behoeve van woondoeleinden en/of in de open lucht toegestane nevenactiviteiten. 10.5.2 Nadere detaillering toegestaan gebruik Onder voorwaarde dat een geurgevoelige functie in de richting van een (agrarisch) bedrijf niet wordt toegestaan, indien daardoor de belangen van de in de omgeving gelegen functies onevenredig worden geschaad, wordt tot een gebruik in overeenstemming met deze bestemming, zoals bedoeld in artikel 10.1 onder f en g in ieder geval gerekend de uitoefening van nevenactiviteiten als bedoeld in bijlage Indicatieve lijst van nevenactiviteiten/hergebruiksactiviteiten activiteiten die voor wat betreft de aard en omvang van de milieuhinder die zij veroorzaken gelijk kunnen worden gesteld aan activiteiten als bedoeld in bijlage Indicatieve lijst van nevenactiviteiten/hergebruiksactiviteiten, met inachtneming van de onderscheiden aanduidingen, met dien verstande dat: 1.

het hiervoor gebruikte oppervlak mag maximaal 50% van de bestaande bebouwing bedragen, tot een absoluut maximum van 350 m2; 2. de nevenactiviteiten uitsluitend binnen bestaande bebouwing zijn toegestaan, waarbij voor zover het activiteiten betreft op het gebied van dagrecreatie en zorg ook in de openlucht mogen worden uitgeoefend en het hiervoor gebruikte oppervlak maximaal 100 m2 mag bedragen; 3. alle vormen van verblijfsrecreatie, met uitzondering van het verblijf in kampeermiddelen, in het hoofdgebouw dienen plaats te vinden, met dien verstande dat het gebruik van één vrijstaand bijbehorend bouwwerk ten behoeve van verblijfsrecreatie is toegestaan waarbij de exploitatie uitsluitend mag worden uitgeoefend door de hoofdbewoner en/of eigenaar. 4. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - opslag' is opslag toegestaan in bestaande bijbehorende bouwwerken, niet zijnde explosie- en brandgevaarlijke stoffen,met een maximale bedrijfsvloeroppervlak van 750 m².

Landelijk gebied, herziening 2022

NL.IMRO.0197.BP00111-VG01

vastgesteld

57

10.5.3 Nadere detaillering toegestaan gebruik: bewoning hoofdgebouw Tot een gebruik in overeenstemming met deze bestemming wordt in ieder geval gerekend het gebruik van een hoofdgebouw of aangebouwd bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 10.2.2 voor bewoning mits het aantal woningen als bedoeld in artikel 10.1 sub a niet wordt vermeerderd en het bepaalde in artikel 10.5.1, onder b. in acht wordt genomen. 10.5.4 Landschappelijke inpassing Het gebruik van gronden en gebouwen is niet toegestaan, indien de rechthebbende van het desbetreffende erf niet aan de volgende voorwaarde voldoet: a. in het kader van een goede landschappelijke inpassing worden op/bij het perceel Aladnaweg 7 te Aalten, uiterlijk binnen één jaar nadat de nieuw te bouwen woning op dit perceel gerealiseerd is, erfinrichtings- en landschapsmaatregelen aangelegd, beheerd en in stand gehouden, overeenkomstig het Erfinpassingsplan Aladnaweg 7 te Aalten; b. in het kader van een goede landschappelijke inpassing worden op/bij het perceel Barloseweg 1 te Aalten, uiterlijk binnen één jaar nadat de bouw van de derde woning gerealiseerd is, erfinrichtings- en landschapsmaatregelen aangelegd, beheerd en in stand gehouden, overeenkomstig het Erfinpassingsplan Barloseweg 1-1a te Aalten c.

in het kader van een goede landschappelijke inpassing worden op/bij het perceel Barloseweg 9 te Aalten, uiterlijk binnen één jaar nadat de woningsplitsing gerealiseerd is, erfinrichtings- en landschapsmaatregelen aangelegd, beheerd en in stand gehouden, overeenkomstig het Erfinpassingsplan Barloseweg 9 te Aalten; d. in het kader van een goede landschappelijke inpassing worden op/bij het perceel Drenthelweg 1 te Aalten, uiterlijk binnen één jaar nadat de woningsplitsing gerealiseerd is, erfinrichtings- en landschapsmaatregelen aangelegd, beheerd en in stand gehouden, overeenkomstig het Erfinpassingsplan Drenthelweg 1 te Aalten; e. in het kader van een goede landschappelijke inpassing worden op/bij het perceel Drenthelweg 8 te Aalten, uiterlijk binnen één jaar nadat de woningsplitsing gerealiseerd is, erfinrichtings- en landschapsmaatregelen aangelegd, beheerd en in stand gehouden, overeenkomstig het Erfinpassingsplan Drenthelweg 8 te Aalten; f. in het kader van een goede landschappelijke inpassing worden op/bij het perceel Gendringseweg 32a en b te Aalten, uiterlijk binnen één jaar nadat de nieuw te bouwen woning op dit perceel voor bewoning gereed is erfinrichtings- en landschapsmaatregelen aangelegd, beheerd en in stand gehouden, overeenkomstig het Erfinpassingsplan Gendringseweg 32a-b; g.

in het kader van een goede landschappelijke inpassing worden op/bij het perceel Haartseweg 10 te Aalten, uiterlijk binnen één jaar nadat de nieuw te bouwen woning op dit perceel voor bewoning gereed is erfinrichtings- en landschapsmaatregelen aangelegd, beheerd en in stand gehouden, overeenkomstig het Erfinpassingsplan Haartseweg 10 te Aalten; h. in het kader van een goede landschappelijke inapssing worden op/bij het perceel Heuvelweg 12 te Aalten, uiterlijk binnen één jaar nadat de woning Heuvelweg 12 gesloopt is, erfinrichtings- en landschapsmaatregelen aangelegd, beheerd en in stand gehouden, overeenkomstig het Erfinpassingsplan Heuvelweg 12 te Aalten; i. In het kader van een goede landschappelijke inpassing worden op/bij het perceel Hofstedeweg 1326 te Aalten, uiterlijk binnen één jaar nadat de nieuw te bouwen woning op dit perceel voor bewoning gereed is erfinrichtings- en landschapsmaatregelen aangelegd, beheerd en in stand gehouden, overeenkomstig het Erfinpassingsplan Hofstedeweg O 1326; j. in het kader van een goede landschappelijke inpassing worden op/bij het perceel

Landelijk gebied, herziening 2022

NL.IMRO.0197.BP00111-VG01

vastgesteld

58

Kiefteweg 14 te Aalten, uiterlijk binnen één jaar nadat de agrarische bedrijfsvoering (uitgezonderd het gedeelte akkerbouw) op dit perceel is beëindigd erfinrichtings- en landschapsmaatregelen aangelegd, beheerd en in stand gehouden, overeenkomstig het Erfinpassingsplan Kiefteweg 14 te Aalten k. in het kader van een goede landschappelijke inpassing worden op/bij het perceel Kruisdijk 1 te Aalten, uiterlijk binnen één jaar nadat de nieuw te bouwen woning op dit perceel gerealiseerd is erfinrichtings- en landschapsmaatregelen aangelegd, beheerd en in stand gehouden, overeenkomstig het Erfinpassingsplan Kruisdijk 1 te Aalten; l. in het kader van een goede landschappelijke inpassing worden op/bij het perceel Leemhorstdijk 4 te Aalten, uiterlijk binnen één jaar nadat de nieuw te bouwen woning op dit perceel voor bewoning gereed is erfinrichtings- en landschapsmaatregelen aangelegd, beheerd en in stand gehouden, overeenkomstig het Erfinpassingsplan Leemhorstdijk 4 te Aalten; m. In het kader van een goede landschappelijke inpassing worden op/bij het perceel Nijmansdijk 18 te de Heurne, uiterlijk binnen één jaar nadat de woningsplitsing gerealiseerd is en de gesplitste woning voor bewoning gereed is erfinrichtings- en landschapsmaatregelen aangelegd, beheerd en in stand gehouden, overeenkomstig het Erfinpassingsplan Nijmansdijk 18; n.

in het kader van een goede landschappelijke inpassing worden op/bij het perceel Thijsweg 3-3a te Aalten, uiterlijk binnen één jaar nadat de agrarische bedrijfsvoering op dit perceel is geëindigd en de te slopen bebouwing is gesloopt, erfinrichtings- en landschapsmaatregelen aangelegd, beheerd en in stand gehouden, overeenkomstig het Erfinpassingsplan Thijsweg 3-3a te Aalten.

10.5.5 Sloopverplichting Het gebruik van een nieuwe woning binnen de bestemming Wonen-1 is uitsluitend toegestaan indien sprake is van afgeronde sloopwerkzaamheden, een en ander met inachtneming van het Afwegingskader buitengebied en/of de voor de desbetreffende locatie afgesloten realisatieovereenkomst.

10.5.6 Bodemsanering Het gebruik van gronden en gebouwen is niet toegestaan, indien de rechthebbende van het desbetreffende erf niet aan de volgende voorwaarde voldoet: a. in het kader van een gezonde leefomgeving dient een deel van de bodem op het perceel Barloseweg 1-1a te worden gesaneerd overeenkomstig het Plan van Aanpak bodemsanering Barloseweg 1 alvorens de derde woning op dit perceel voor bewoning gereed is; b. in het kader van een gezonde leefomgeving dient een deel van de bodem op het perceel Barloseweg 1-1a te worden gesaneerd overeenkomstig het Plan van aanpak bodemsanering Kiefteweg 14 alvorens de tweede zelfstandige woning op dit perceel voor bewoning gereed is. 10.5.7 Nadere detaillering toegestaan gebruik binnen de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - ponyhouderij' Tot een gebruik in overeenstemming met deze bestemming wordt in ieder geval gerekend het gebruik van gronden en een bestaand bijbehorend bouwwerk, dat is aangeduid als 'specifieke vorm van wonen - ponyhouderij'', als bedoeld in artikel 10.2.4 voor het houden

Landelijk gebied, herziening 2022

NL.IMRO.0197.BP00111-VG01

vastgesteld

59

van ponys op de locatie Caspersstraat 24 met dien verstande dat de maximale aantallen dieren zijn toegestaan overeenkomstig onderstaande tabel:

Adres

Diersoort

Aantal

Caspersstraat 24

Volwassen ponys

10

Dierencategorie RAV-code1 K3

¹Regeling Ammoniak en Veehouderij waarbij: a. de exploitatie uitsluitend mag worden uitgeoefend door de hoofdbewoner en/of eigenenaar van de woning Caspersstraat 24; b. het gebruik van gronden en bouwwerken behorend tot de ponyhouderij binnen de functieaanduiding 'specifieke vorm van wonen - ponyhouderij' niet mag leiden tot een stikstofdepositie op voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied welke stikstofdepositie groter is dan de stikstofdepositie (mol/ha/jaar) van het ten tijde van de vaststelling van dit bestemmingsplan planologisch toegestane gebruik van de gronden en bouwwerken behorend tot deze ponyhouderij. 10.5.8 Nadere detaillering van de hemelwaterinfiltratie Het gebruik van gronden en gebouwen ten behoeve van het in artikel 10.1 toegelaten gebruik is -met het oog op de waterhuishouding en het voorkomen van wateroverlastslechts toegestaan indien op dit terrein zodanige maatregelen zij genomen dat aan de normen en uitgangspunten uit de notitie 'Duurzaam en Veilig water in de stad' van het waterschap Rijn en IJssel (versie april 2021) wordt voldaan, te weten: bij een bui van T=10+10%, moet 40 millimeter water worden geborgen, om dit vertraagd af te voeren; bij een bui van T=100+10%, moet 80 millimeter water worden geborgen, zodat er geen wateroverlast ontstaat. 10.6

Afwijken van de gebruiksregels

10.6.1 Afwijking landschappelijke inpassing Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bepaalde in artikel 10.5.4 ten behoeve van het realiseren van een andere wijze van de landschappelijke inpassing, zoals uitgewerkt in de onderscheidene bijlagen van de planregels, met dien verstande dat: a. de (landschaps)maatregelen minimaal gelijkwaardig zijn aan de voor het desbetreffende perceel uitgewerkte landschapsmaatregelen en voorzien in een minimaal gelijkwaardig beschermingsniveau van de landschappelijke waarden waarvoor de landschapsmaatregelen zijn bepaald; b. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in de omgeving aanwezige functies en waarden.

Landelijk gebied, herziening 2022

NL.IMRO.0197.BP00111-VG01

vastgesteld

60

10.6.2 Paardenbakken Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 10.1 voor de bouw en aanleg van één paardenbak met inachtneming van de volgende voorwaarden: a. de oppervlakte bedraagt maximaal 1.200 m2; b. omheiningen zijn tot een bouwhoogte van maximaal 1,75 m toegestaan; c. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en de belangen van derden mogen niet onevenredig worden geschaad; d. de aanleg leidt niet tot een onevenredige aantasting van de landschappelijke kwaliteit van de omgeving; e. de afstand tussen de paardenbak en woningen en/of tuinen van derden dient ten minste 30 m te bedragen; f. er mogen geen lichtmasten worden opgericht. 10.6.3 Nevenactiviteiten Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 10.5.2 voor het toestaan van nevenactiviteiten als bedoeld in bijlage Indicatieve lijst van nevenactiviteiten/hergebruiksactiviteiten met inachtneming van de onderscheiden aanduidingen dan wel nevenactiviteiten die voor wat betreft de aard en omvang van de milieuhinder die zij veroorzaken gelijk kunnen worden gesteld aan activiteiten als bedoeld in bijlage Indicatieve lijst van nevenactiviteiten/hergebruiksactiviteiten van de volgende voorwaarden: a.

maximaal 50% van de oppervlakte van de toegestane bestaande gebouwen mag hiervoor worden gebruikt, met inachtneming van de in onderstaande tabel aangegeven maximumoppervlakte in m2 zoals die geldt voor de onderscheiden aanduidingen en met dien verstande, dat bij een combinatie van meer(dere) nevenactiviteiten de laagste oppervlaktenorm bepalend is: overige zone - groene overige gronden ontwikkelingszone Verblijfsrecreatie 500 m2 750 m2 Dagrecreatie 500 m2 750 m2 Zorg 500 m2 750 m2 Opslag niet toegestaan 500 m2 Overige nevenactiviteiten niet toegestaan 500 m2 b. voor zover de nevenactiviteiten in de openlucht mogen worden uitgeoefend, in aanvulling op het bepaalde in de tabel, het hiervoor gebruikte oppervlak maximaal 200 m2 mag bedragen; c. horeca categorie 1 als nevenactiviteit is toegestaan; waarbij andere vormen van horeca niet zijn toegestaan; d. er dient een inrichtingsplan te worden opgesteld (niet alleen opstellen, gaat om uitvoering van de landschappelijke inpassing) waaruit de ruimtelijke inpassing van de bedrijvigheid in de omgeving blijkt. Bij de beschrijving van de ruimtelijke inpassing dient in ieder geval aandacht te worden besteed aan: 1. de mogelijkheden van een landschappelijke inpassing in de vorm van de aanleg van streekeigen erfbeplanting; 2. de mogelijkheden van een ecologische inpassing in de vorm van de aanleg van kleinschalige natuurelementen; 3.

de mogelijkheden van een verkeerskundige inpassing in de vorm van de aanleg of versterking van de (recreatieve)infrastructuur; e. de (gezamenlijke) omvang van de nevenactiviteiten dient in oppervlakte in gebruik zijnde Landelijk gebied, herziening 2022

NL.IMRO.0197.BP00111-VG01

vastgesteld

61

bebouwing en uitstraling ondergeschikt te blijven aan de woonfunctie; f. parkeren dient volledig op eigen terrein plaats te vinden; g. er mag geen sprake zijn van een onevenredige toename van de verkeersaantrekkende werking; h. de belangen van in de omgeving aanwezige functies en waarden mogen niet in onevenredige mate worden geschaad. 10.7 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 10.7.1 Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag op de in artikel 10.1 bedoelde gronden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden uit te voeren: a. het ophogen van de bodem dan wel het aanleggen van een grondwal vóór de voorgevel dan wel vóór de naar de openbare weg gekeerde achtergevel tot een hoogte van méér dan 1 meter boven maaiveld. b. het aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden, parkeergelegenheden en andere oppervlakteverhardingen, het vergraven, afgraven en egaliseren van gronden en het vellen van houtopstanden ter plaatse van de aanduiding 'houtsingel'.

10.7.2 Een omgevingsvergunning mag alleen en moet worden geweigerd, indien door het uitvoeren van het werk, geen bouwwerk zijnde of de werkzaamheid dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen blijvend onevenredig afbreuk wordt gedaan aan de landschapswaarden en hieraan door het stellen van voorwaarden niet of onvoldoende tegemoet kan worden gekomen. 10.7.3 Een omgevingsvergunning is niet vereist voor: a. werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden, die behoren tot het normale onderhoud, gebruik en beheer; b. werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden, die op het tijdstip van het van kracht worden van het plan in uitvoering waren of konden worden uitgevoerd krachtens een vóór dat tijdstip geldende dan wel aangevraagde vergunning.

Landelijk gebied, herziening 2022

NL.IMRO.0197.BP00111-VG01

vastgesteld

62

Artikel 11

Waarde - Archeologie

11.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden in de bodem. Indien een bouwwerk wordt gebouwd, of een werk, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden worden uitgevoerd binnen verschillende archeologische dubbelbestemmingen op een bouwperceel, gelden de meest vergaande regels voor de uitvoering van het project. 11.2

Bouwregels

11.2.1 Algemeen Ten aanzien van het oprichten van bebouwing gelden de volgende regels: a. bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het oprichten van een bouwwerk dient de aanvrager een rapport te overleggen, waarin de archeologische waarde van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld; b. Indien uit sub a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het oprichten van het vergunde bouwwerk zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag een of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht, of; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen, of; 3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden voor een archeologische deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen, en/of; 4.

de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan. c. Het overleggen van een rapport is niet nodig indien de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie, hetgeen is getoetst door de archeologisch deskundige, afdoende is vastgesteld. Het in sub b bepaalde is van overeenkomstige toepassing. 11.2.2 Advies archeoloog Alvorens het bevoegd gezag beslist over een vergunning als bedoeld in artikel 11.2.1 sub a, wint het advies in bij de archeologische deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld. 11.2.3 Uitzondering bouwregels Het bepaalde in artikel 11.2.1 sub a geldt niet indien: a. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, of; b. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met Landelijk gebied, herziening 2022

NL.IMRO.0197.BP00111-VG01

vastgesteld

63

uitzondering van nieuwe kelders, of; c. gebouwen maximaal 2,5 m uit de bestaande fundering worden vergroot, met behoud van bestaande funderingen. 11.3 Nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen met betrekking tot de afmetingen van bouwwerken, de situering van bouwwerken, de inrichting en het gebruik van gronden indien uit archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermenswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De nadere eisen zijn er op gericht de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) te behouden. 11.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 11.4.1 Vergunningsplicht Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende andere werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a. het ophogen van de bodem met meer dan 1 m; b. grondwerkzaamheden dieper dan 0,4 m onder het maaiveld, waartoe wordt gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage en/of oppervlakte verhardingen; c. bodem verlagen of afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen) van gronden waarvoor geen ontgrondingsvergunning is vereist; d.

het verlagen van het waterpeil; e. het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten; f. het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem; g. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; h. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur. 11.4.2 Uitzonderingen vergunningplicht Het in artikel 11.4.1 opgenomen verbod geldt niet voor werken en werkzaamheden: a. in het kader van het normale beheer en onderhoud, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen; b. in het kader van het normale agrarische gebruik; c. binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk; d. in de bodem waarvoor ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning in dit kader is verleend; e. ingeval op grond van de Monumentenwet 1988 een vergunning is vereist dan wel overige bepalingen van de Monumentenwet 1988 van toepassing zijn. 11.4.3 Beoordelingscriteria Ten aanzien van de in artikel 11.4.1 genoemde vergunning gelden de volgende beoordelingscriteria: a.

de vergunning kan slechts worden verleend voor zover de archeologische waarden niet onevenredig worden aangetast, hetgeen moet blijken uit een rapport dat de aanvrager bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning dient te overleggen. In het rapport moeten de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate zijn vastgesteld. In dien het rapport daartoe aanleiding geeft, Landelijk gebied, herziening 2022

NL.IMRO.0197.BP00111-VG01

vastgesteld

64

dient op advies van de archeologisch deskundige zo nodig een opgraving plaats te vinden; b. het overleggen van een rapport is niet nodig indien de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie, hetgeen is getoetst door de archeologisch deskundige, afdoende is vastgesteld. 11.4.4 Voorwaarden aan omgevingsvergunning a. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning onder beperkingen verlenen en kan voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden, waaronder: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waaronder (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel gericht zijn, of; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen, of; 3. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologische deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen, en/of; 4. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan. b. Voordat het bevoegd gezag beslist over het verlenen van een omgevingsvergunning als c.

bedoeld in artikel 11.4.1 wint deze advies in bij een archeologische deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van een omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld. 11.5 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders kunnen deze bestemming wijzigen door de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' geheel of gedeeltelijk te laten vervallen, indien op basis van nader archeologisch onderzoek is aangetoond, dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, dan wel er niet langer archeologische begeleiding of zorg nodig is.

Landelijk gebied, herziening 2022

NL.IMRO.0197.BP00111-VG01

vastgesteld

65

Artikel 12

Waarde - Archeologie hoge verwachting

12.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie hoge verwachting' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van te verwachten archeologische waarden in de bodem. 12.2

Bouwregels

12.2.1 Algemeen Ten aanzien van het oprichten van bebouwing gelden de volgende regels: a. bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het oprichten van een bouwwerk groter dan 500 m2 dient de aanvrager een rapport te overleggen, waarin de archeologische waarde van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld; b. Indien uit sub a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het oprichten van het vergunde bouwwerk zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag een of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht, of; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen, of; 3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden voor een archeologische deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen, en/of; 4.

de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan; c. het overleggen van een rapport is niet nodig indien de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie, hetgeen is getoetst door de archeologisch deskundige, afdoende is vastgesteld. Het in sub b bepaalde is van overeenkomstige toepassing. 12.2.2 Advies archeoloog Alvorens het bevoegd gezag beslist over een vergunning als bedoeld in artikel 12.2.1 sub a, wint het advies in bij de archeologische deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld. 12.2.3 Uitzondering bouwregels Het bepaalde in artikel 12.2.1 sub a geldt niet indien: a. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, of; b. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte met maximaal 500 m2 wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders, of; c. gebouwen maximaal 2,5 m uit de bestaande fundering worden vergroot, met behoud van bestaande funderingen.

Landelijk gebied, herziening 2022

NL.IMRO.0197.BP00111-VG01

vastgesteld

66

12.3 Nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen met betrekking tot de afmetingen van bouwwerken, de situering van bouwwerken, de inrichting en het gebruik van gronden indien uit archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermenswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De nadere eisen zijn er op gericht de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) te behouden. 12.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 12.4.1 Vergunningsplicht Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende andere werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a. het ophogen van de bodem met meer dan 1 m; b. grondwerkzaamheden dieper dan 0,4 m onder het maaiveld, waartoe wordt gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage en/of oppervlakte verhardingen; c. bodem verlagen of afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen) van gronden waarvoor geen ontgrondingsvergunning is vereist; d. met een gezamenlijke oppervlakte van niet meer dan 500 m², e. het verlagen van het waterpeil; f.

het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten; g. het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem; h. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; i. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur. 12.4.2 Uitzonderingen vergunningplicht Het in artikel 12.4.1 opgenomen verbod geldt niet voor werken en werkzaamheden: a. in het kader van het normale beheer en onderhoud, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen; b. in het kader van het normale agrarische gebruik; c. binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk; d. met een gezamenlijke oppervlakte van niet meer dan 500 m2, e. voor werken en werkzaamheden in de bodem waarvoor ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning in dit kader is verleend; f. ingeval op grond van de monumentenwet 1988 een vergunning is vereist dan wel overige bepalingen van de Monumentenwet 1988 van toepassing zijn. 12.4.3 Beoordelingscriteria Ten aanzien van de in artikel 12.4.1 genoemde vergunning gelden de volgende beoordelingscriteria: a.

de vergunning kan slechts worden verleend voor zover de archeologische waarden niet onevenredig worden aangetast, hetgeen moet blijken uit een rapport dat de aanvrager bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning dient te overleggen. In het rapport moeten de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate zijn vastgesteld. In dien het rapport daartoe aanleiding geeft, dient op advies van de archeologisch deskundige zo nodig een opgraving plaats te Landelijk gebied, herziening 2022

NL.IMRO.0197.BP00111-VG01

vastgesteld

67

vinden; b. het overleggen van een rapport is niet nodig indien de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie, hetgeen is getoetst door de archeologisch deskundige, afdoende is vastgesteld. 12.4.4 Voorwaarden aan omgevingsvergunning a. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning onder beperkingen verlenen en kan voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden, waaronder: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waaronder (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel gericht zijn, of; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen, of; 3. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologische deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen, en/of; 4. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan; b.

Voordat het bevoegd gezag beslist over het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 12.4.1 wint deze advies in bij een archeologische deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van een omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld. 12.5 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders kunnen deze bestemming wijzigen door: a. de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie hoge verwachting' geheel of gedeeltelijk te laten vervallen, indien op basis van nader archeologisch onderzoek is aangetoond, dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, dan wel er niet langer archeologische begeleiding of zorg nodig is; b. de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie hoge verwachting' te wijzigen in 'Waarde Archeologie' indien uit nader archeologisch onderzoek blijkt dat ter plaatse behoudenswaardige archeologische waarden aanwezig zijn, met dien verstande dat de dubbelbestemming gelijkluidende regels bevat als de te wijzigen dubbelbestemming, de genoemde oppervlaktematen komen te vervallen en tevens een uitzondering op de omgevingsvergunning geldt voor werken en werkzaamheden die niet dieper reiken dan 0,40 m onder het bestaande maaiveld.

Landelijk gebied, herziening 2022

NL.IMRO.0197.BP00111-VG01

vastgesteld

68

Artikel 13

Waarde - Archeologie gematigde verwachting

13.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie gematigde verwachting' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van te verwachten archeologische waarden in de bodem. Indien een bouwwerk wordt gebouwd, of een werk, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden worden uitgevoerd binnen verschillende archeologische dubbelbestemmingen op een bouwperceel, gelden de meest vergaande regels voor de uitvoering van het project. 13.2

Bouwregels

13.2.1 Algemeen Ten aanzien van het oprichten van bebouwing gelden de volgende regels: a. bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het oprichten van een bouwwerk groter dan 2.500 m2 dient de aanvrager een rapport te overleggen, waarin de archeologische waarde van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld; b. Indien uit sub a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het oprichten van het vergunde bouwwerk zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag een of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht, of; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen, of; 3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden voor een archeologische deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen, en/of; 4.

de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan; c. het overleggen van een rapport is niet nodig indien de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie, hetgeen is getoetst door de archeologisch deskundige, afdoende is vastgesteld. Het in sub b bepaalde is van overeenkomstige toepassing. 13.2.2 Advies archeoloog Alvorens het bevoegd gezag beslist over een vergunning als bedoeld in artikel 13.2.1 sub a, wint het advies in bij de archeologische deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld. 13.2.3 Uitzondering bouwregels Het bepaalde in artikel 13.2.1 sub a geldt niet indien: a. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, of; Landelijk gebied, herziening 2022

NL.IMRO.0197.BP00111-VG01

vastgesteld

69

b. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte met maximaal 2.500 m2 wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders, of; c. gebouwen maximaal 2,5 m uit de bestaande fundering worden vergroot, met behoud van bestaande funderingen. 13.3 Nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen met betrekking tot de afmetingen van bouwwerken, de situering van bouwwerken, de inrichting en het gebruik van gronden indien uit archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermenswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De nadere eisen zijn er op gericht de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) te behouden. 13.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 13.4.1 Vergunningsplicht Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende andere werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a. het ophogen van de bodem met meer dan 1 m; b.

grondwerkzaamheden dieper dan 0,50 m onder het maaiveld over een oppervlakte van meer dan 2.500 m2, waartoe wordt gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage en/of oppervlakte verhardingen; c. bodem verlagen of afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen) van gronden waarvoor geen ontgrondingsvergunning is vereist; d. het verlagen van het waterpeil; e. het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten; f. het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem; g. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; h. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur. 13.4.2 Uitzonderingen vergunningplicht Het in artikel 13.4.1 opgenomen verbod geldt niet: a. voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen; b. voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale agrarische gebruik; c.

voor werken en werkzaamheden binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk; d. voor werken en werkzaamheden in de bodem waarvoor ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning in dit kader is verleend; e. ingeval op grond van de monumentenwet 1988 een vergunning is vereist dan wel overige bepalingen van de Monumentenwet 1988 van toepassing zijn. 13.4.3 Beoordelingscriteria Ten aanzien van de in artikel 13.4.1 genoemde vergunning gelden de volgende beoordelingscriteria: a. de vergunning kan slechts worden verleend voor zover de archeologische waarden niet onevenredig worden aangetast, hetgeen moet blijken uit een rapport dat de aanvrager Landelijk gebied, herziening 2022

NL.IMRO.0197.BP00111-VG01

vastgesteld

70

bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning dient te overleggen. In het rapport moeten de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate zijn vastgesteld. In dien het rapport daartoe aanleiding geeft, dient op advies van de archeologisch deskundige zo nodig een opgraving plaats te vinden; b. het overleggen van een rapport is niet nodig indien de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie, hetgeen is getoetst door de archeologisch deskundige, afdoende is vastgesteld. 13.4.4 Voorwaarden aan omgevingsvergunning a. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning onder beperkingen verlenen en kan voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden, waaronder: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waaronder (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel gericht zijn, of; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen, of; 3. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologische deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen, en/of; 4.

de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan; b. Voordat het bevoegd gezag beslist over het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 13.4.1 wint deze advies in bij een archeologische deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van een omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld. 13.5 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders kunnen deze bestemming wijzigen door: a. de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie gematigde verwachting' geheel of gedeeltelijk te laten vervallen, indien op basis van nader archeologisch onderzoek is aangetoond, dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, dan wel er niet langer archeologische begeleiding of zorg nodig is; b.

de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie gematigde verwachting' te wijzigen in 'Waarde - Archeologie' indien uit nader archeologisch onderzoek blijkt dat ter plaatse behoudenswaardige archeologische waarden aanwezig zijn, met dien verstande dat de dubbelbestemming gelijkluidende regels bevat als de te wijzigen dubbelbestemming, de genoemde oppervlaktematen komen te vervallen en tevens een uitzondering op de omgevingsvergunning geldt voor werken en werkzaamheden die niet dieper reiken dan 0,40m onder het bestaande maaiveld.

Landelijk gebied, herziening 2022

NL.IMRO.0197.BP00111-VG01

vastgesteld

71

Artikel 14

Waarde - Archeologie lage verwachting

14.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie lage verwachting' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van te verwachten archeologische waarden in de bodem. Indien een bouwwerk wordt gebouwd, of een werk, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden worden uitgevoerd binnen verschillende archeologische dubbelbestemmingen op een bouwperceel, gelden de meest vergaande regels voor de uitvoering van het project. 14.2

Bouwregels

14.2.1 Algemeen Ten aanzien van het oprichten van bebouwing gelden de volgende regels: a. bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het oprichten van een bouwwerk groter dan 5.000 m2 dient de aanvrager een rapport te overleggen, waarin de archeologische waarde van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld; b. Indien uit sub a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het oprichten van het vergunde bouwwerk zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag een of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht, of; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen, of; 3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden voor een archeologische deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen, en/of; 4.

de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan; c. het overleggen van een rapport is niet nodig indien de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie, hetgeen is getoetst door de archeologisch deskundige, afdoende is vastgesteld. Het in sub b bepaalde is van overeenkomstige toepassing. 14.2.2 Advies archeoloog Alvorens het bevoegd gezag beslist over een vergunning als bedoeld in artikel 14.2.1 sub a, wint zij advies in bij de archeologische deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld. 14.2.3 Uitzondering bouwregels Het bepaalde in artikel 14.2.1 sub a geldt niet indien: a. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, of; Landelijk gebied, herziening 2022

NL.IMRO.0197.BP00111-VG01

vastgesteld

72

b. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte met maximaal 5.000 m2 wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders, of; c. gebouwen maximaal 2,5 m uit de bestaande fundering worden vergroot, met behoud van bestaande funderingen. 14.3 Nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen met betrekking tot de afmetingen van bouwwerken, de situering van bouwwerken, de inrichting en het gebruik van gronden indien uit archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermenswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De nadere eisen zijn er op gericht de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) te behouden. 14.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 14.4.1 Vergunningsplicht Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende andere werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a. het ophogen van de bodem met meer dan 1 m; b.

grondwerkzaamheden dieper dan 0,50 m onder het maaiveld, waartoe wordt gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage en/of oppervlakte verhardingen; c. bodem verlagen of afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen) van gronden waarvoor geen ontgrondingsvergunning is vereist; d. met een gezamenlijke oppervlakte van niet meer dan 5.000 m², e. het verlagen van het waterpeil; f. het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten; g. het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem; h. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; i. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur. 14.4.2 Uitzonderingen vergunningplicht Het in artikel 14.4.1 opgenomen verbod geldt niet voor werken en werkzaamheden: a. in het kader van het normale beheer en onderhoud, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen; b. in het kader van het normale agrarisch gebruik; c.

binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk; d. met een gezamenlijke oppervlakte van niet meer dan 5.000 m2, e. in de bodem waarvoor ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning in dit kader is verleend; f. ingeval op grond van de monumentenwet 1988 een vergunning is vereist dan wel overige bepalingen van de Monumentenwet 1988 van toepassing zijn. 14.4.3 Beoordelingscriteria Ten aanzien van de in artikel 14.4.1 genoemde vergunning gelden de volgende beoordelingscriteria: a. de vergunning kan slechts worden verleend voor zover de archeologische waarden niet Landelijk gebied, herziening 2022

NL.IMRO.0197.BP00111-VG01

vastgesteld

73

onevenredig worden aangetast, hetgeen moet blijken uit een rapport dat de aanvrager bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning dient te overleggen. In het rapport moeten de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate zijn vastgesteld. In dien het rapport daartoe aanleiding geeft, dient op advies van de archeologisch deskundige zo nodig een opgraving plaats te vinden; b. het overleggen van een rapport is niet nodig indien de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie, hetgeen is getoetst door de archeologisch deskundige, afdoende is vastgesteld. 14.4.4 Voorwaarden aan omgevingsvergunning a. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning onder beperkingen verlenen en kan voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden, waaronder: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waaronder (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel gericht zijn, of; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen, of; 3.

de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologische deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen, en/of; 4. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan; b. Voordat het bevoegd gezag beslist over het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 14.4.1 wint deze advies in bij een archeologische deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van een omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld. 14.5 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders kunnen deze bestemming wijzigen door: a. de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie lage verwachting' geheel of gedeeltelijk te laten vervallen, indien op basis van nader archeologisch onderzoek is aangetoond, dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, dan wel er niet langer archeologische begeleiding of zorg nodig is; b.

de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie lage verwachting' te wijzigen in 'Waarde Archeologie' indien uit nader archeologisch onderzoek blijkt dat ter plaatse behoudenswaardige archeologische waarden aanwezig zijn, met dien verstande dat de dubbelbestemming gelijkluidende regels bevat als de te wijzigen dubbelbestemming, de genoemde oppervlaktematen komen te vervallen en tevens een uitzondering op de omgevingsvergunning geldt voor werken en werkzaamheden die niet dieper reiken dan 0,40 m onder het bestaande maaiveld.

Landelijk gebied, herziening 2022

NL.IMRO.0197.BP00111-VG01

vastgesteld

74

Hoofdstuk 3 Artikel 15 15.1

Algemene regels Algemene bouwregels

Karakteristieke bebouwing en cultuurhistorischensemble

15.1.1 Karakteristieke bebouwing In afwijking van de regels behorende bij de ter plaatse geldende bestemming, mag een bouwwerk ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek', slechts gedeeltelijk worden vernieuwd en/of veranderd, mits: a. het uitwendig karakter van het bouwwerk in bestaande toestand niet wordt veranderd voor wat betreft de hoofdafmetingen en onderlinge verhoudingen, de dakvorm, de nokrichting en de dakhelling alsmede de gevelindeling door ramen, deuropeningen en erkers; b. overigens voldaan wordt aan het bepaalde in de bouwvoorschriften behorende bij de ter plaatse geldende bestemming. 15.1.2 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 15.1.1 aanhef en onder a, indien strikte toepassing ervan zou leiden tot een onevenredig grote beperking voor het op de bestemming gerichte gebruik. 15.1.3 Advies culturele erfgoedcommissie Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 15.1.2 wordt niet verleend dan nadat bevoegd gezag daarover een advies heeft ingewonnen van de gemeentelijke culturele erfgoedcommissie. 15.1.4 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een bouwwerk ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek', geheel of gedeeltelijk te slopen.

15.1.5 Een omgevingsvergunning mag alleen en moet worden geweigerd, indien door het geheel of gedeeltelijk slopen dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen blijvend onevenredig afbreuk wordt gedaan aan de beeldbepalende waarden van het bouwwerk en hieraan door het stellen van voorwaarden niet of onvoldoende tegemoet kan worden gekomen. 15.1.6 Een omgevingsvergunning wordt niet verleend dan nadat het bevoegd gezag daarover een advies heeft ingewonnen van de gemeentelijke culturele erfgoed commissie. . 15.1.7 Een omgevingsvergunning is niet vereist voor: a. werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden, die behoren tot het normale onderhoud en beheer; b. werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden, die op het tijdstip van het van kracht worden van het plan in uitvoering waren of konden worden uitgevoerd krachtens een vóór dat tijdstip geldende dan wel aangevraagde vergunning.

Landelijk gebied, herziening 2022

NL.IMRO.0197.BP00111-VG01

vastgesteld

75

15.1.8 Nadere eisen i.v.m. karakteristieke bebouwing en cultuurhistorisch ensemble Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen te stellen aan de situering en de afmetingen van bouwwerken, indien en voor zover dat noodzakelijk is om: a. de beeldbepalende waarden van een op hetzelfde bouwperceel gelegen bouwwerk ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek', te behouden; b. de landschappelijke en cultuurhistorische beeldbepalende waarden ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - cultuurhistorisch ensemble' te behouden of te versterken. 15.2 Ondergronds bouwen Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken gelden, behoudens de in de bestemmingsregels opgenomen afwijkingen, de volgende voorwaarden: a. ondergrondse bouwwerken zijn uitsluitend binnen de fundering van gebouwen, sleufsilo's en mestbassins toegestaan, met dien verstande dat binnen het bouwvlak 'Wonen-1' van het perceel 'Hofstedeweg - perceel O 1326' ook ondergrondse bebouwing buiten de fundering ten behoeve van de woonfunctie is toegestaan; b. de bouwdiepte van kelders en andere ondergrondse bouwwerken mag niet meer bedragen dan 3,5 m.

Landelijk gebied, herziening 2022

NL.IMRO.0197.BP00111-VG01

vastgesteld

76

Artikel 16 eisen

Algemene regels ten aanzien van het stellen van nadere

16.1 Nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen ten aanzien van; a. de situering, en afmetingen van bebouwing; b. de aard, hoogte en situering van erfafscheidingen; c. mitigerende maatregelen ter bescherming van flora en fauna; d. voorzieningen ter voorkoming van hemelwaterproblematiek in verband met nieuwe bebouwing; een en ander op basis van een landschappelijk inpassingsplan, een erfinrichtingsplan, een aanvraag om omgevingsvergunning en/of een stedenbouwkundig ontwerp. 16.2 De onder 16.1 genoemde nadere eisen mogen uitsluitend worden gesteld: a. indien dit noodzakelijk is voor een verantwoorde stedenbouwkundige, cultuurhistorische en landschappelijke inpassing; b. ter voorkoming van onevenredige nadelige aantasting van de omliggende waarden; c. ter voorkoming van onevenredige nadelige gevolgen voor de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken; d. ter voorkoming van de onevenredige nadelige aantasting van de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse, waaronder die van flora en fauna.

Landelijk gebied, herziening 2022

NL.IMRO.0197.BP00111-VG01

vastgesteld

77

Artikel 17

Algemene gebruiksregels

17.1 Verboden gebruik Onder verboden gebruik in alle bestemmingen wordt in ieder geval verstaan: a. het (proef)boren naar delfstoffen (waaronder schalie- en steenkoolgas); b. een gebruik van gronden als stort- en/of opslagplaats van grond en/of afval, anders dan als stort- en/of opslagplaats voor normaal gebruik; c. een gebruik van gronden en bouwwerken voor openlijke prostitutie en/of een seksinrichting; d. gebruik van gronden en bouwwerken als escortbedrijf, zijnde een natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig, of in omvang alsof zij bedrijfsmatig was, prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend; e. een gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een gok- en/of speelhal; f. een gebruik van gronden en bouwwerken voor (detail)handel, met uitzondering van: 1. detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit in ter plaatse vervaardigde goederen; g. een gebruik van gronden en bouwwerken voor verblijfsrecreatie, met uitzondering van verblijfsrecreatie zoals toegestaan op grond van deze regels; h. het gebruik van onbebouwde gronden voor de beoefening van de motor- en modelvliegtuigsport; i. het gebruik van gronden en bouwwerken voor horecadoeleinden, met uitzondering van horeca zoals toegestaan op grond van deze regels; j.

het gebruik van gronden en opstallen als smartshop, zijnde een ruimte waarin detailhandel plaatsvindt in psychotrope stoffen; k. het gebruik van gronden en opstallen als coffeeshop, zijnde een alcoholvrije horecagelegenheid waar handel in en gebruik van softdrugs plaatsvindt; l. het gebruik van gronden en opstallen als shishabar, zijde een openbare inrichting waar klanten tegen betaling een waterpijp kunnen roken; m. een naar aard vergelijkbaar gebruik van gronden en opstallen, zoals beschreven onder j., k. en l., dat gericht is op geestverruimende genotsmiddelen c.q. inrichtingen. 17.2 Aan huis gebonden beroep Tot een gebruik in overeenstemming met het plan wordt gerekend de uitoefening van een aan huis gebonden beroep, met dien verstande dat maximaal 40% van de vloeroppervlakte van de begane grond van de (bedrijfs)woning en bijbehorende bouwwerken mag worden gebruikt ten behoeve van het een aan huis gebonden beroep, met een maximum van 50 m2. 17.3 Blusvoorzieningen Tot een gebruik in overeenstemming met het plan wordt gerekend het gebruik van oppervlakte- en/of grondwater ten behoeve van blusvoorzieningen ter bestrijding van calamiteiten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Aalten&id=cd8febef-2f5c-4d10-a714-3bf298d44258