Landelijk gebied, herziening 2022_Regels.pdf
Tekst van het document
Landelijk gebied, herziening 2022
NL.IMRO.0197.BP00111-VG01
vastgesteld
78
Artikel 18 18.1
Algemene aanduidingsregels
Groene ontwikkelingszone
18.1.1 Aanduidingsomschrijving De gronden ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - groene ontwikkelingszone' zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het beschermen en ontwikkelen van landschappelijke en ecologische waarden. 18.1.2 Voorwaarden omgevingsvergunning of wijzigingsbevoegdheid Een besluit tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor het afwijken van de bouw- of gebruiksregels of voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden, dan wel voor het toepassen van een in het plan opgenomen wijzigingsbevoegdheid wordt niet genomen indien sprake is van een aantasting van kernkwaliteiten of omgevingscondities van het gebied, met dien verstande dat aantasting van kernkwaliteiten of omgevingscondities van het gebied geen belemmering vormt voor het nemen van dat besluit: a. voor zover de kernkwaliteiten naar rato en per saldo worden versterkt, of; b. voor zover wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: 1. 2.
het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid of het verlenen van een omgevingsvergunning is van groot openbaar belang; er is geen reëel alternatief voor de het verlenen van de voorgenomen omgevingsvergunning of het vaststellen van de wijzigingsbevoegdheid.
18.1.3 Advies Een in het plan opgenomen bevoegdheid om bij omgevingsvergunning af te wijken van de bouw- of gebruiksregels of bij omgevingsvergunning bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden toe te staan, of een wijzigingsbevoegdheid, wordt niet verleend respectievelijk toegepast dan nadat advies is gevraagd aan een deskundige op het gebied van natuur en landschap.
Landelijk gebied, herziening 2022
NL.IMRO.0197.BP00111-VG01
vastgesteld
79
Artikel 19
Algemene afwijkingsregels
19.1 Algemeen Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het plan voor: a. het afwijken van bestemmingsgrenzen, bouwgrenzen en overige aanduidingen in het horizontale vlak op de verbeelding, indien en voor zover afwijking noodzakelijk is in verband met de uitmeting van het terrein en er geen dringende reden zijn die zich tegen de afwijking verzetten, mits de afwijking ten opzichte van hetgeen op de verbeelding is aangegeven niet meer dan 2,5 m bedraagt; b. het afwijken van bouwgrenzen en overige aanduidingen in het horizontale vlak op de verbeelding, niet zijnde bestemmingsgrenzen, indien en voor zover afwijking noodzakelijk is uit een oogpunt van doelmatig gebruik van de grond, mits de afwijking ten opzichte van hetgeen op de verbeelding is aangegeven niet meer dan 2,5 m bedraagt; c. het toestaan dat de hoofdgebouwen, respectievelijk bijbehorende bouwwerken op kortere afstand van of in de erf- of perceelsgrens worden gebouwd, mits geen onevenredige inbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke kwaliteit, een goede woonsituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden; d.
het overschrijden van bouwgrenzen door tot gebouwen behorende trappen(huizen), galerijen, hellingbanen, funderingen, balkons, entreeportalen, veranda's, afdaken en andere daarmee gelijk te stellen ondergeschikte delen van gebouwen, mits de overschrijding niet meer bedraagt dan 1,25 m en stedenbouwkundige belangen zich niet tegen de overschrijding verzetten; e. het afwijken van de maximale bouwhoogte voor erf- en terreinafscheidingen in alle bestemmingen indien en voor zover deze afwijking noodzakelijk is uit een oogpunt van doelmatig gebruik van de grond, mits de afwijking ten opzichte van hetgeen in de desbetreffende voorschriften is aangegeven niet meer dan 3 m bedraagt; f. de bouw van bouwwerken voor nutsvoorzieningen zoals pompgemalen, verdeel- en regel- of transformatorruimten, telefooncentrales en telefooncellen waarvan de inhoud niet meer dan 75 m3 bedragen; g. het toestaan van zonnecollectoren op het bouwperceel bij een (bedrijfs)woning, met dien verstande dat: 1. de zonnecollectoren worden gebouwd achter (het verlengde van) de voorgevel van de woning; 2. de bouwhoogte niet meer dan 2,5 m mag bedragen; 3. er dient te worden voorzien in landschappelijke inpassing middels streekeigen erfbeplanting; h. het toestaan van evenementen, met inachtneming van de volgende voorwaarden: 1.
het gebruik per locatie blijft beperkt tot maximaal vijftien dagen per kalenderjaar, exclusief opbouwen en afbreken; 2. de duur per evenement bedraagt ten hoogste drie (aangesloten) dagen; 3. er wordt zorg gedragen voor voldoende parkeergelegenheid op het terrein en/of in de directe nabijheid van het terrein; 4. de aan te brengen voorzieningen zijn van tijdelijke aard, hetgeen betekent dat het houden van een evenement niet mag leiden tot onomkeerbare voorzieningen/ingrepen; 5. de in de omgeving aanwezige functies en waarden worden niet onevenredig aangetast; 6. de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden worden niet
Landelijk gebied, herziening 2022
NL.IMRO.0197.BP00111-VG01
vastgesteld
80
onevenredig aangetast. 19.2 Aan huis gebonden bedrijf Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in het plan voor de uitoefening van een aan huis gebonden bedrijf in de (bedrijfs)woning of in een bijbehorend bouwwerk, met dien verstande dat: a. de woonfunctie in overwegende mate behouden blijft; b. bedoeld gebruik geen onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat mag opleveren en geen onevenredige afbreuk mag doen aan het karakter van de omgeving; dit betekent onder meer dat: 1. geen omgevingsvergunning wordt verleend voor het uitoefenen van bedrijvigheid, dat onder de werking van bijlage I van het Besluit omgevingsrecht valt, tenzij het desbetreffende gebruik door middel van het stellen van voorwaarden verantwoord is; 2. het gebruik naar aard met het karakter van de omgeving in overeenstemming moet zijn; 3. het gebruik de woonfunctie dient te ondersteunen, dat wil zeggen dat degene die de activiteiten in de (bedrijfs)woning of in een bijbehorend bouwwerk uitvoert, tevens de gebruiker van het de (bedrijfs)woning is; c. het niet een zodanig verkeersaantrekkende activiteit betreft die kan leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer dan wel tot een onevenredige parkeerdruk op de openbare ruimten; d. parkeren dient zoveel mogelijk op eigen terrein plaats te vinden; e.
geen detailhandel plaatsvindt, uitgezonderd een beperkte verkoop in het klein in verband met bedrijfsmatige activiteiten in of bij de (bedrijfs)woning; f. maximaal 40% van het vloeroppervlak van de (bedrijfs)woning en de daarbij behorende bijbehorende bouwwerken ten behoeve van een aan huis gebonden bedrijf in gebruik mag zijn, zulks met een absoluut maximum van 50 m2. 19.3 Algemene afwijkingsregels Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in het plan ten behoeve van: a. het oprichten van bouwwerken voor doeleinden van openbaar nut met een oppervlakte, voor zover het een gebouw betreft, van maximaal 25 m2 en een maximale goothoogte van 3 m, in verband waarmee bij het oprichten van bedoelde bouwwerken langs een weg, de kade of een waterloop, de wegbeheerder en/of het waterschap gehoord worden; b. het aanbrengen van geringe wijzigingen in de plaats, richting en/of afmetingen van bebouwingsgrenzen voor zover niet zijnde bestemmingsgrenzen, mits het wijzigingen betreft ten behoeve van de praktische uitvoering van het plan, waarbij belangen van derden niet onevenredig worden geschaad, dan wel ter correctie van afwijkingen of onnauwkeurigheden in de verbeelding; c. afwijkingen van regels, gesteld ten aanzien van maten en percentages, mits die afwijkingen beperkt blijven tot ten hoogste 10% van de in het plan aangegeven maten en percentages.
Deze afwijking geldt niet voor maten met betrekking tot: 1. de inhoud van (bedrijfs)woningen; 2. de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken bij (bedrijfs)woningen.
Landelijk gebied, herziening 2022
NL.IMRO.0197.BP00111-VG01
vastgesteld
81
Artikel 20
Vrijwaringszone spoor en weg
20.1 Algemeen De gronden ter plaatse van de zone: a. voor spoorwegen tot 30 m uit de buitenste spoorstaaf; b. voor provinciale wegen tot 50 m uit de as van elke rijbaan; c. voor gemeentelijke en overige wegen tot 15 m uit de as van elke rijbaan; zijn mede bestemd voor de veiligheid van het (spoor)verkeer. 20.2 Bouwregels Ter plaatse van de in artikel 20.1 bedoelde zone is in afwijking van het bepaalde in de daar voorkomende bestemmingen het bouwen van nieuwe bouwwerken niet toegestaan, met uitzondering van bouwwerken, geen gebouw zijnde, met een bouwhoogte van maximaal 1 m. 20.3 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 20.2 voor het bouwen in overeenstemming met de daar voorkomende bestemmingen. Een omgevingsvergunning als bedoeld in sub a, wordt niet eerder verleend dan nadat bevoegd gezag daarover een advies heeft ingewonnen van de (spoor)wegbeheerder. 20.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwerk zijnde a. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag binnen de in artikel 20.1 bedoelde zone de volgende werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden uit te voeren: 1. het ophogen van gronden; 2. het beplanten met bomen, heesters en andere opgaande beplanting; 3. het aanleggen van geluidswallen; 4.
het aanbrengen van bovengrondse leidingen, constructies en apparatuur. b. Een omgevingsvergunning mag alleen en moet worden geweigerd, indien door de uitvoering van het werk, geen bouwwerk zijnde of de werkzaamheid , dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de veiligheid van het (spoor)wegverkeer en hieraan door het stellen van voorwaarden niet of onvoldoende tegemoet kan worden gekomen. c. Een omgevingsvergunning wordt niet verleend dan nadat bevoegd gezag daarover een advies heeft ingewonnen van de (spoor)wegbeheerder. d. Een omgevingsvergunning is niet vereist voor: 1. werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden, behorende bij het normale onderhoud, gebruik en beheer; 2. werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden, welke op het tijdstip van het van kracht worden van het plan in uitvoering waren of konden worden uitgevoerd krachtens een vóór dat tijdstip geldende dan wel aangevraagde vergunning.
Landelijk gebied, herziening 2022
NL.IMRO.0197.BP00111-VG01
vastgesteld
82
Artikel 21
Parkeren
21.1 Algemene parkeerregels Een omgevingsvergunning voor het bouwen en / of een omgevingsvergunning voor een wijziging van het gebruik kan pas worden verleend als wordt voldaan aan de op grond van dit artikel gestelde eisen ten aanzien van parkeren en stallen van voertuigen in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. 21.2 Beleidsregels Burgemeester en wethouders passen deze parkeerregels toe met inachtneming van de beleidsregels met betrekking tot het parkeren, de beleidsregel parkeernormen gemeente Aalten. De beleidsregel parkeernormen gemeente Aalten is opgenomen in bijlage 3 Parkeernormen gemeente Aalten van de planregels. 21.3 Specifieke parkeerregels bij bouwplannen Een bouwplan dient te voorzien in voldoende parkeermogelijkheden op de bij het bouwplan behorende en daartoe bestemde gronden. De toename van de parkeerbehoefte wordt bepaald op de wijze zoals beschreven in de beleidsregels. Indien gedurende de planperiode de beleidsregels wijzigen, dan gelden de gewijzigde regels. Hierbij gelden ter plaatse van de volgende gebiedsaanduidingen de parkeernormen behorende bij de gebieden zoals opgenomen in de beleidsregel: 5. 'overige zone - buitengebied' de parkeernormen voor het gebied 'buitengebied'.
21.4 Specifieke parkeerregels bij gebruikswijzigingen Indien een omgevingsvergunning voor het wijzigen van het gebruik van gronden en/of bouwwerken daartoe aanleiding geeft, moet voor wat betreft de toename in de parkeerbehoefte, in voldoende mate ruimte zijn aangebracht op die gronden of op de bij die bouwwerken behorende en daartoe bestemde gronden. De parkeerbehoefte wordt bepaald op de wijze zoals beschreven in de beleidsregels. Indien gedurende de planperiode de beleidsregels wijzigen, dan gelden de gewijzigde regels. Hierbij gelden ter plaatse van de volgende gebiedsaanduidingen de parkeernormen behorende bij de gebieden zoals opgenomen in de beleidsregel: 1. 'overige zone - buitengebied' de parkeernormen voor het gebied 'buitengebied'. 21.5 Specifieke gebruiksregels Ruimte voor parkeren en stallen van voertuigen, voor zover de aanwezigheid van deze ruimte(n) krachtens deze parkeerregels wordt geëist, dient te allen tijde voor dit doel beschikbaar te blijven. Ander gebruik wordt aangemerkt als strijdig gebruik. 21.6 Afwijken van parkeerregels Burgemeester en wethouders kunnen door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 21.1, 21.2, 21.3, 21.4 en 21.5. Burgermeester en Wethouders nemen hierbij, conform de beleidsregels, in overweging of: a.
het voldoen aan de parkeerregels door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; b. er op andere wijze in de benodigde parkeerbehoefte wordt voorzien; c. er een financiële voorwaarde dient te worden gesteld.
Landelijk gebied, herziening 2022
NL.IMRO.0197.BP00111-VG01
vastgesteld
83
21.7 Voorwaarden van afwijking Afwijken van de regels, als bedoel in lid 21.6 , is slechts mogelijk indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: a. de parkeersituatie in de openbare ruimte; b. de woon- en leefsituatie. 21.8 Nadere eis Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aanvullend aan het bepaalde in artikel 21.1, 21.2, 21.3 en 21.4 ten behoeve van het verhogen van de parkeernormen indien dat nodig is gelet op het gebruik en / of het bouwplan waarbij het (functioneren van) de omgeving mede betrokken wordt. Het besluit tot het stellen van de nadere eis moet worden voorzien van een motivering waaruit in ieder blijkt dat de eis noodzakelijk is om de ruimtelijke kwaliteit te borgen.
Landelijk gebied, herziening 2022
NL.IMRO.0197.BP00111-VG01
vastgesteld
84
Hoofdstuk 4 Artikel 22 22.1
Overgangs- en slotregels Overgangsrecht
Overgangsrecht bouwwerken
22.1.1 Algemeen Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. 22.1.2 Afwijking Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde in artikel 22.1.1 een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in artikel 22.1.1 met maximaal 10%. 22.2
Overgangsrecht gebruik
22.2.1 Algemeen Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. 22.2.2 Strijdig gebruik Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in artikel te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
Landelijk gebied, herziening 2022
NL.IMRO.0197.BP00111-VG01
vastgesteld
85
Artikel 23
Slotregel
Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan 'Landelijk gebied, herziening 2022'.
Landelijk gebied, herziening 2022
NL.IMRO.0197.BP00111-VG01
vastgesteld
86
Eindnoten
1. 1
Landelijk gebied, herziening 2022
NL.IMRO.0197.BP00111-VG01
vastgesteld
87