Landelijk gebied, herziening 2022_Regels.pdf
Tekst van het document
4.2.3
Bijbehorende bouwwerken en overkappingen bij bedrijfswoningen
Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken en overkappingen gelden de volgende bepalingen: a. bijbehorende bouwwerken en overkappingen bij bedrijfswoningen zijn uitsluitend binnen een agrarisch bouwvlak toegestaan, tenzij in deze bouwregels anders is bepaald; b. de gezamenlijke oppervlakte mag maximaal 150 m2 per woning bedragen; c. de bouwhoogte mag maximaal de bestaande bouwhoogte van het hoofdgebouw minus 1 m bedragen tot een maximum bouwhoogte van 7 m; d. de goothoogte mag maximaal 3 m bedragen; met dien verstande dat bijbehorende bouwwerken en overkappingen ten opzichte van de bedrijfswoning zodanig gesitueerd moeten zijn dat: e. de onderlinge afstand tussen de bedrijfswoning en de bijbehorende bouwwerken/overkappingen mag maximaal 25 m bedragen; f. de bijbehorende bouwwerken en overkappingen moeten minimaal 1 m achter (het verlengde van) de voorgevel van de woning worden gesitueerd. 4.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde, is toegestaan conform het bepaalde in onderstaande tabel en met inachtneming van de onder de tabel uitgewerkte maatvoerings- en situeringseisen: erf- en vlaggenhooibergen en overige teeltonders teeltond terreinmasten en voedersilo's bouwwerken, teunende ersteun afscheidinge antennes geen gebouw voorziening ende n zijnde en m.u.v. voorzien teeltonderst ingen eunende t.b.v.
voorziening fruit- en en t.b.v. boomte fruit- en elt boomteelt binnen het 2m 10 m 15 m 8m 4,5 m 4,5 m agrarisch bouwperceel buiten het 1,25 m x 1m 2,5 m** 4,5 m** agrarisch bouwperceel* * sleufsilo's en mestopslagplaatsen zijn niet buiten het agrarisch bouwvlak toegestaan. ** m.u.v. van gebieden ter plaatse van de aanduiding 'openheid': hier zijn geen nieuwe teeltondersteunende voorzieningen toegestaan. Teeltondersteunende voorzieningen zijn Landelijk gebied, herziening 2022
NL.IMRO.0197.BP00111-VG01
vastgesteld
31
buiten het bouwvlak uitsluitend gedurende 6 maanden per jaar toegestaan. Met dien verstande dat de hoogte van zonnepanelen zoals bedoeld in artikel 4.1.2 sub d maximaal 3 m mag bedragen ten opzichte va het erf dan wel de bouwhoogte van het bouwwerk waarop wordt gebouwd. 4.2.5 Bouwen buiten het agrarisch bouwvlak Buiten het agrarisch bouwvlak is/zijn toegestaan (een) schuilgelegenheid(en) ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - schuilgelegenheid' met een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 3 en 6 m en een maximale oppervlakte van 80 m². 4.2.6 Nadere eisen Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen aan de plaats, vorm en afmeting van de bebouwing: a. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken; b. ter waarborging van de ruimtelijke en landschappelijke kwaliteit van de naaste omgeving; c. ter waarborging van de verkeersveiligheid; d. ter waarborging van een ongestoorde ligging van kabels en leidingen. 4.3
Afwijken van de bouwregels
4.3.1 Overschrijding bouwgrenzen Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 4.2.1 voor het overschrijden van bouwgrenzen, met inachtneming van de volgende voorwaarden: a. de vergroting van het fictieve agrarisch bouwvlak bedraagt maximaal 0,25 ha; b. er dient sprake te zijn van een goede streekeigen landschappelijke inpassing en erfinrichting; c. de vergroting dient noodzakelijk te zijn in het kader van een doelmatige uitoefening van het agrarisch bedrijf; d. de belangen van in de omgeving gelegen functies mogen niet onevenredig worden geschaad; e. de vergroting mag niet leiden tot een onevenredige afbreuk aan het (leef)milieu en het landschap in de omgeving; f. het nieuwe fictieve agrarisch bouwvlak dient een compacte vorm te behouden en mag ten hoogste 2,5 ha bedragen. 4.3.2 Goothoogte bedrijfswoningen Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 4.2.2 onder c voor het verhogen van de maximale goothoogte van bedrijfswoningen tot een goothoogte van maximaal 7 m.
4.3.3 Vergroten inhoud bedrijfswoning buiten de bestaande hoofdbouwmassa Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 4.2.2 onder e voor het verhogen van de maximale inhoud van bedrijfswoningen met ten hoogste 75 m3, mits het een vergroting in de vorm van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk betreft.
Landelijk gebied, herziening 2022
NL.IMRO.0197.BP00111-VG01
vastgesteld
32
4.3.4 Vergroten woonruimte binnen de bestaande hoofdbouwmassa Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 4.2.2 onder e ten behoeve van het vergroten van de inhoud van de woning, mits: a. de vergroting van plaatsvindt in de bestaande hoofdbouwmassa; b. vaststaat dat het aantal woningen niet toeneemt; c. de kenmerkende vorm van de hoofdbouwmassa gehandhaafd blijft. 4.3.5 Herbouw van een bedrijfswoning Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 4.2.2 onder a, voor de herbouw van een bedrijfswoning op een andere dan de bestaande locatie, met inachtneming van de volgende voorwaarden: a. de belangen van in de omgeving aanwezige functies en waarden worden niet in onevenredige mate geschaad; b. herbouw plaatsvindt met inachtneming van de bestaande bouwwijze; c. er kan worden voldaan aan de eisen ten aanzien van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 4.3.6 Afwijkende dakhelling Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 4.2.2 onder f voor het toestaan van een afwijkende dakhelling dan ter plaatse is toegestaan.
4.3.7 Mestopslagplaatsen, sleufsilo's, bezinkbassins, kuilvoerplaten en daarmee gelijk te stellen bouwwerken Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 4.2.4 voor de bouw van mestopslagplaatsen en sleufsilo's buiten het agrarisch bouwvlak, met inachtneming van de volgende voorwaarden: a. per bedrijf bedraagt de gezamenlijke oppervlakte van mestopslagplaatsen en/of bezinkbassins en/of kuilvoerplaten en daarmee gelijk te stellen bouwwerken buiten het agrarisch bouwvlak maximaal 5.000 m2; b. de mestopslagplaatsen, sleufsilo's en/of bezinkbassins en/of kuilvoerplaten en daarmee gelijk te stellen bouwwerken dienen grenzend aan het agrarisch bouwvlak te worden gebouwd; c. de bouwhoogte van een mestopslagplaats, sleufsilo, bezinkbassin, kuilvoerplaat of daarmee gelijk te stellen bouwwerk bedraagt maximaal 2 m; d. de mestopslagplaats, sleufsilo, het bezinkbassin, de kuilvoerplaat of daarmee gelijk te stellen bouwwerk mag niet leiden tot een onevenredige afbreuk aan het (leef)milieu en/of in de omgeving aanwezige functies; e. er dient sprake te zijn van een goede streekeigen landschappelijke inpassing en erfinrichting.
4.3.8 Paardenbakken Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 4.1.2 en artikel 4.2.4 voor de bouw en aanleg van één paardenbak op of aansluitend aan het agrarisch bouwvlak en/of bestemmingsvlak “Wonen”, met inachtneming van de volgende bepalingen: a. de oppervlakte maximaal 1.200 m2 bedraagt; b. de kortste afstand tussen de paardenbak en een bouwvlak met de bestemming Agrarisch of de bestemming Wonen bedraagt ten hoogste 20 meter; c. erf- en terreinafscheidingen tot een bouwhoogte van maximaal 1,75 m zijn toegestaan;
Landelijk gebied, herziening 2022
NL.IMRO.0197.BP00111-VG01
vastgesteld
33
d. de paardenbak minimaal 30 m vanaf woningen van derden wordt gesitueerd; e. de paardenbak ruimtelijk goed wordt gesitueerd en landschappelijk goed wordt ingepast; f. geen lichtmasten worden opgericht, tenzij kan worden aangetoond dat deze noodzakelijk zijn voor de bedrijfsvoering tot een maximale bouwhoogte van 8 m. 4.3.9 Schuilgelegenheden Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 4.2 voor de bouw van schuilgelegenheden voor vee buiten het agrarisch bouwperceel, met inachtneming van de volgende bepalingen: a. de bevoegdheid is niet van toepassing ter plaatse van de aanduidingen 'overige zone gelders natuurnetwerk', 'overige zone - groene ontwikkelingszone' en gebieden met de aanduiding 'openheid'; b. de oppervlakte van een schuilgelegenheid bedraagt maximaal 25 m2; c. schuilgelegenheden mogen uitsluitend worden gebouwd op een terrein van aaneengesloten minimaal 0,5 ha; d. de goothoogte van een schuilgelegenheid bedraagt maximaal 2,5 m; e. de bouwhoogte van een schuilgelegenheid bedraagt maximaal 3,5 m; f. de schuilgelegenheid dient uit oogpunt van ruimtelijke ordening goed op het perceel te worden gesitueerd en landschappelijk te worden ingepast; de afstand tot woningen van derden dient ten minste 30 m. te bedragen. 4.4
Specifieke gebruiksregels
4.4.1 Landschappelijke inpassing Het gebruik van gronden en gebouwen is niet toegestaan, indien de rechthebbende van het desbetreffende erf niet aan de volgende voorwaarde voldoet: a. in het kader van een goede landschappelijke inpassing worden op/bij het perceel Stokkertweg 7 en 7a te Aalten, uiterlijk binnen één jaar nadat de te slopen voormalige agrarische bedrijfsbebouwing gesloopt is, erfinrichtings- en landschapsmaatregelen aangelegd, beheerd en in stand gehouden, overeenkomstig het Erfinpassingsplan Stokkertweg 7-7a te Aalten. 4.4.2 Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing a. Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend het gebruik van en het in gebruik (laten) nemen van gebouwen, waarvoor op grond van dit bestemmingsplan een omgevingsvergunning voor de bouw van een agrarisch bedrijfsgebouw is verleend met een omvang van meer dan 1.000 m2, zonder de aanleg en instandhouding van de landschapsmaatregelen overeenkomstig een door burgemeester en wethouders vast te stellen erfinrichtingsplan teneinde te komen tot een goede landschappelijke inpassing en erfinrichting; b.
in afwijking van het bepaalde onder a mogen gronden en bouwwerken overeenkomstig de in lid 1 opgenomen bestemmingsomschrijving worden gebruikt onder de voorwaarde dat binnen twee jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van de omgevingsvergunning uitvoering wordt gegeven aan de aanleg en instandhouding van de landschapsmaatregelen conform het erfinrichtingsplan.
Landelijk gebied, herziening 2022
NL.IMRO.0197.BP00111-VG01
vastgesteld
34
4.4.3 Stikstofdepositie Als een met de bestemming strijdig gebruik wordt aangemerkt: het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van het houden van vee zodanig dat er sprake is van een negatief effect op een Natura 2000-gebied door stikstofdepositie, met dien verstande dat tot een strijdig gebruik met deze bestemming niet wordt aangemerkt: a. het bestaande gebruik, dat wil zeggen de oppervlakte die ten tijde van de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan aanwezig dan wel rechtens toegestaan is op het agrarische bouwvlak van de desbetreffende agarische bedrijf, overeenkomstig de bijlage Vergunning Wnb Barloseweg 9 van de planregels; b. een van het onder a. afwijkende gebruik, onder voorwaarde dat de stikstofdepositie niet toeneemt ten opzichte van de stikstofdepositie, zoals toegestaan onder a. 4.4.4 Omschakeling a. Als een met de bestemming strijdig gebruik wordt aangemerkt: het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een intensieve veehouderij die niet zijn aangeduid als 'intensieve veehouderij'. b.
Als een met de bestemming strijdig gebruik wordt aangemerkt: het gebruik van gronden en bouwwerken die zijn aangeduid als 'bomenteelt' en/of 'specifieke vorm van agrarisch - akker- en tuinbouw en groenteteelt' en/of 'glastuinbouw' ten behoeve van het bedrijfmatig houden van dieren, met dien verstande dat tot een strijdig gebruik met deze bestemming niet wordt aangemerkt: het bestaande gebruik, dat wil zeggen de oppervlakte die ten tijde van de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan rechtsgeldig aanwezig dan wel toegestaan is ten behoeve van een grondgebonden veehouderij(tak), met het daarbij behorende aantal dierplaatsen en huisvestingssysteem .
4.4.5
Uitsluiting bedrijfsmatig houden van vee
Ter plaatse van de aanduiding 'specifiek vorm van agrarisch uitgesloten - vee' mogen geen landbouwhuisdieren op een bedrijfsmatige wijze worden gehouden. 4.4.6 Bouwlaag. Het gebruik van een agrarisch bedrijf is niet toegestaan indien binnen gebouwen meer dan één bouwlaag gebruikt wordt voor het houden van dieren, met uitzondering van de bestaande bouwvlakken waarop volière- en scharrelstallen voor pluimvee in meerdere bouwlagen aanwezig zijn. Op die bouwvlakken mogen dieren in ten hoogste drie bouwlagen worden gehuisvest. Indien in een deel van de stalruimte een veeplateau is gerealiseerd in het kader van dierwelzijn, dan wordt dat plateau niet als een bouwlaag aangemerkt. 4.4.7 WKK-installatie (Warmtekrachtkoppeling) Als een met de bestemming strijdig gebruik wordt aangemerkt: het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een wkk-installatie (warmtekrachtkoppeling) waarmee (bio)gas, verkregen door vergisting van mest en/of de verwerking van biomassa, wordt omgezet in elektriciteit.
Landelijk gebied, herziening 2022
NL.IMRO.0197.BP00111-VG01
vastgesteld
35
4.4.8 Spuitzones Het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen ten behoeve van uitoefening van fruitteelt is niet toegestaan binnen een afstand van 50 m van bestemmingsvlakken ten behoeve van voor bestrijdingsmiddelen gevoelige functies, met uitzondering van bestaand gebruik waarbij de bestaande afstand als minimale afstand dient te worden aangehouden. Onder voor bestrijdingsmiddelen gevoelige functies worden verstaan alle functies met gebouwen behoudens de agrarische bedrijvigheid. 4.4.9 Co-vergisting Uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - co-vergisting' is het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van de co-vergistingsinstallatie toegestaan, met inachtneming van de volgende voorwaarden: a. de capaciteit van de co-vergistingsinstallatie bedraagt maximaal 36.000 ton mest en/of cosubstraten per jaar, met dien verstande dat het aandeel niet ter plaatse geproduceerde mest en/of cosubstraten maximaal 15% van de totale jaarlijkse hoeveelheid, mag bedragen. b. tot een gebruik in strijd met de bestemming ter plaatse van de aanduiding wordt in ieder geval verstaan een gebruik voor intensieve veehouderij. 4.5
Afwijken van de gebruiksregels
4.5.1 Mestverwerking en -bewerking Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 4.1 voor het verwerken en/of bewerken van mest, met inachtneming van de volgende voorwaarden: a. de mest, afkomstig van het eigen bedrijf; b. er mag geen sprake zijn van een toename van de depositie NOx (stikstofoxiden) op de Natura 2000 gebieden; c. er is geen sprake van onevenredige afbreuk aan het leefmilieu, natuur en landschap; d. er is geen sprake van een onevenredige aantasting van omliggende functies en waarden; e. er is geen sprake van onevenredige toename van het aantal verkeerbewegingen; f. er dient sprake te zijn van een goede streekeigen landschappelijke inpassing en erfinrichting. 4.5.2 Afwijken spuitzones Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 4.4.6 ten behoeve van het verkleinen van de in dat artikel opgenomen afstand, mits de omgevingsvergunning niet leidt tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat of van het verblijfsklimaat van voor bestrijdingsmiddelen gevoelige functies. 4.5.3 Andere vormen van be- of verwerking van mest ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - co-vergisting' Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 4.4.9.
Hiermee zijn ook andere vormen van bewerking en/of verwerking van mest mogelijk ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - co-vergisting'. Hieraan zijn de volgende voorwaarden verbonden: a. deze andere vormen mogen niet leiden tot een onevenredige afbreuk aan het (leef)milieu, de natuurwaarden en het landschap in de omgeving; b. de aard van de milieubelasting die deze andere vormen veroorzaken is vergelijkbaar met de op grond van dit bestemmingsplan toegestane co-vergistingsinstallatie;
Landelijk gebied, herziening 2022
NL.IMRO.0197.BP00111-VG01
vastgesteld
36
c. de omvang van de milieubelasting die deze andere vormen veroorzaken is niet groter dan de op grond van dit bestemmingsplan toegestane co-vergistingsinstallatie; d. de belangen van in de omgeving gelegen functies en waarden mogen niet onevenredig worden geschaad; e. er mag geen sprake zijn van een onevenredige toename van de verkeersaantrekkende werking ten opzichte van de op grond van dit bestemmingsplan toegestane co-vergistingsinstallatie. 4.5.4 Nevenactiviteiten Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 4.1 voor het toestaan van nevenactiviteiten als bedoeld in bijlage 1 met inachtneming van de onderscheiden aanduidingen dan wel nevenactiviteiten die voor wat betreft de aard en omvang van de milieuhinder die zij veroorzaken gelijk kunnen worden gesteld aan activiteiten als bedoeld in bijlage 1 met inachtneming van de volgende voorwaarden: a.
maximaal 50% van de oppervlakte van de bestaande bedrijfsgebouwen mag hiervoor worden gebruikt, met inachtneming van de in onderstaande tabel aangegeven maximumoppervlakte in m2 zoals die geldt voor de onderscheiden aanduidingen en met dien verstande, dat bij een combinatie van meer(dere) nevenactiviteiten de laagste oppervlaktenorm bepalend is: overige zone overige zone overige gronden gelders groene natuurnetwerk ontwikkelingszon e 2 Verblijfsrecreatie 500 m 750 m2 750 m2 Dagrecreatie 500 m2 750 m2 750 m2 2 2 Horeca 500 m 750 m 750 m2 (uitsluitend categorie 1) Zorg 500 m2 750 m2 750 m2 Opslag niet toegestaan 500 m2 750 m2 2 Overige nevenactiviteiten niet toegestaan 500 m 750 m2 b. voor zover de nevenactiviteiten in de openlucht mogen worden uitgeoefend, in aanvulling op het bepaalde in de tabel, het hiervoor gebruikte oppervlak maximaal 200 m2 mag bedragen; c. horeca-categorie I als nevenactiviteit is toegestaan, waarbij zware horeca niet is toegestaan; d. er dient te worden voorzien in landschappelijke inpassing middels streekeigen erfbeplanting. e. parkeren dient volledig op eigen terrein plaats te vinden; f. er mag geen sprake zijn van een onevenredige toename van de verkeersaantrekkende werking; g. de belangen van in de omgeving aanwezige functies en waarden mogen niet in onevenredige mate worden geschaad.
4.5.5 Nieuwbouw nevenactiviteiten Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 4.1.2 sub a voor het toestaan van nieuwbouw ten behoeve van een nevenactiviteit als bedoeld in bijlage 1 met inachtneming van de onderscheiden aanduidingen, met in achtneming van de volgende voorwaarden: a. de nieuwbouw vindt plaats binnen het agrarisch bouwvlak; b. de bestaande bebouwing waarin de nevenactiviteiten aanwezig zijn wordt gesloopt;
Landelijk gebied, herziening 2022
NL.IMRO.0197.BP00111-VG01
vastgesteld
37
c. de oppervlakte van de nevenactiviteiten neemt niet toe; d. de belangen van in de omgeving gelegen functies en waarden mogen niet onevenredig worden geschaad; e. er dient sprake te zijn van een goede streekeigen landschappelijke inpassing en erfinrichting; 4.5.6 Kleinschalig kamperen Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 4.1voor het toestaan van kleinschalige verblijfsrecreatie in de vorm van een kleinschalig kampeerterrein, met inachtneming van de volgende voorwaarden: a. de maximaal toegestane oppervlakte aan bebouwing ten behoeve van dit kampeerterrein wordt ontleend aan de bebouwingsregeling voor nevenactiviteiten zoals is bepaald in artikel 4.5.5 onder a; b. het kampeerterrein dient bij voorkeur binnen, dan wel direct aansluitend aan, het agrarisch bouwvlak gesitueerd te zijn; c. de bijbehorende voorzieningen moeten binnen het agrarisch bouwperceel worden gerealiseerd; d. de belangen van in de omgeving gelegen functies en waarden mogen niet onevenredig worden geschaad; e. er dient te worden voorzien in landschappelijke inpassing middels streekeigen erfbeplanting.
4.5.7 Afwijken van het gebruik als bedrijfswoning (plattelandswoning) Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 4.1.1 voor het toestaan van het gebruiken van een bedrijfswoning bij een agrarisch bedrijf als plattelandswoning waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden: a. er blijft minimaal één bedrijfswoning binnen het betrokken agrarisch bouwvlak in gebruik als bedrijfswoning; b. het verlenen van de afwijking mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van binnen of buiten het desbetreffende bouwvlak liggende, bestemmingen en functies; c. verlenen van de afwijking mag niet leiden tot een onaanvaardbaar woon- en/of leefmilieu van de plattelandswoning als gevolg van bedrijven buiten het bouwvlak; d. het verlenen van de afwijking mag niet leiden tot een onaanvaardbaar woon- en/of leefmilieu van de plattelandswoning ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit; e. het verlenen van de afwijking voor het gebruik van een bedrijfswoning als plattelandswoning levert voor het betrokken agrarisch bedrijf geen mogelijkheid op voor het realiseren van een andere (nieuwe) bedrijfswoning; f.
voor het overige blijven de bouwregels en de gebruiksregels die van toepassing zijn op de bedrijfswoning die volgens een omgevingsvergunning mag worden gebruikt als plattelandswoning ook na het verlenen van de omgevingsvergunning van toepassing, met uitzondering van de nevenactiviteiten als bedoeld in artikel 4.1.2 onder a. 4.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 4.6.1 Het is verboden buiten een bouwvlak zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag op de in artikel 4.1 bedoelde gronden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden uit te voeren: a. het aanleggen of verharden van erfontsluitingswegen, paden en andere
Landelijk gebied, herziening 2022
NL.IMRO.0197.BP00111-VG01
vastgesteld
38
b. c.
d. e.
f.
oppervlakteverhardingen buiten een bouwvlak én op gronden ter plaatse van de aanduiding 'openheid'; het ophogen van gronden en het aanleggen van (geluids)wallen; op gronden ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch hoogteverschillen': het vergraven, afgraven en egaliseren van gronden buiten het bouwvlak; op gronden ter plaatse van de aanduiding 'openheid': het beplanten met bomen, heesters en andere opgaande beplanting; op gronden ter plaatse van de aanduiding 'bos': het vellen of rooien van beplanting dan wel zodanig handelingen te verrichten die ernstige schade aan de beplanting kan veroorzaken; op gronden ter plaatse van de aanduiding 'waterhuishoudkundige en/of waterstaatkundige functie': 1. het aanleggen van waterlopen; 2. het vergraven, verruimen en dempen van bestaande waterlopen en kolken; 3. drainage en het slaan van putten.
4.6.2 Een omgevingsvergunning mag alleen en moet worden geweigerd, indien door het uitvoeren van het werk, geen bouwwerk zijnde of de werkzaamheid dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen blijvend onevenredig afbreuk wordt gedaan aan de landschapselementen, beplantingselementen respectievelijk landschapswaarden en hieraan door het stellen van voorwaarden niet of onvoldoende tegemoet kan worden gekomen. 4.6.3 Een omgevingsvergunning is niet vereist voor: a. werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden, die behoren tot het normale onderhoud, gebruik en beheer; b. werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden, die op het tijdstip van het van kracht worden van het plan in uitvoering waren of konden worden uitgevoerd krachtens een vóór dat tijdstip geldende dan wel aangevraagde vergunning. 4.7
Wijzigingsbevoegdheid
4.7.1 Veranderen agrarisch bouwvlak Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen in de vorm van het veranderen van de bouwgrenzen, met inachtneming van de volgende voorwaarden: a. de verandering mag niet leiden tot een vergroting van de oppervlakte van het bouwvlak; b. de belangen van in de omgeving gelegen functies mogen niet onevenredig worden geschaad; c. de verandering mag niet leiden tot een onevenredige afbreuk aan het (leef)milieu en de landschapswaarden in de omgeving; d. er dient sprake te zijn van een goede streekeigen landschappelijke inpassing en erfinrichting; e. er dient een compacte bouwvlakvorm te blijven bestaan. 4.7.2 Vergroten van het agrarisch bouwvlak a. na vergroting mag de oppervlakte van het agrarisch bouwvlak maximaal 2,5 ha bedragen; b. de vergroting dient te worden onderbouwd met een bedrijfsontwikkelingsplan, waarmee de economische uitvoerbaarheid vaststaat;
Landelijk gebied, herziening 2022
NL.IMRO.0197.BP00111-VG01
vastgesteld
39
c. de belangen van in de omgeving gelegen functies en waarden mogen niet onevenredig worden geschaad; d. de vergroting mag niet leiden tot een onevenredige afbreuk aan het (leef)milieu in de omgeving; e. er dient sprake te zijn van een goede streekeigen landschappelijke inpassing en erfinrichting; f. er dient een compacte bouwvlakvorm te blijven bestaan; g. in afwijking van het genoemde onder sub a is de vergroting van het agrarisch bouwvlak ten behoeve van een intensieve veehouderij uitsluitend toegestaan voor zover: 1. de oppervlakte voor uitoefening van intensieve veehouderij maximaal 1 ha van het agrarisch bouwvlak bedraagt; 2. de locatie niet is gelegen ter plaatse van de aanduiding 'reconstructiewetzone extensiveringsgebied'. 4.7.3 Boomkwekerijen Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen voor wat betreft het toestaan van het telen van boomkwekerijgewassen door het opnemen van de aanduiding 'bomenteelt' (telen van boomkwekerijgewassen toegestaan) ter plaatse van de aanduiding 'openheid', met inachtneming van de volgende voorwaarden: a. deze wijziging is uitsluitend toegestaan binnen de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - wisselteelt boomteelt 1' en de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch wisselteelt boomteelt 2'; b.
de totale oppervlakte aan percelen met de aanduiding 'bomenteelt' mag niet meer bedragen dan 20 hectare binnen de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch wisselteelt boomteelt 1'; c. de totale oppervlakte aan percelen met de aanduiding 'bomenteelt' mag niet meer bedragen dan 10 hectare binnen de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch wisselteelt boomteelt 2'; d. de belangen van in de omgeving gelegen functies en waarden mogen niet onevenredig worden geschaad; e. belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden mogen niet onevenredig worden geschaad.
Landelijk gebied, herziening 2022
NL.IMRO.0197.BP00111-VG01
vastgesteld
40
Artikel 5
5.1
Bedrijf
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. één bedrijf per bestemmingsvlak met uitsluitend het type bedrijfsactiviteit zoals opgenomen in onderstaande tabel: Adres
Plaats Type bedrijf
Drenthelweg 4 Aalten Lichtenvoordsest Aalten raatweg 91
Gebieds- bestaand bij geaantal m² recht bonden toegestaan aantal m²
Opslag neen Agrarisch ja loonwerk-, mechanisatie en grondverzetbedrijf
280 3.900
335 5.588
met afwijking toegestaa n aantal m²
370
b. in afwijking van sub a. zijn ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' geen bedrijfsactiviteiten toegestaan; c. het wonen ten behoeve van de bedrijfsvoering in bedrijfswoningen; indien een aanduiding 'bedrijfswoning' is opgenomen, mag de woning slechts ter plaatse van die aanduiding worden gebouwd; d. ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein' uitsluitend parkeervoorzieningen; e. ter plaatse van de aanduiding 'houtsingel' de aanleg en instandhouding van een houtsingel; f. zonnepanelen voor de opwekking van duurzame energie op gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouw zijnde, uitsluitend binnen een bouwvlak ten behoeve van de eigen energievoorziening; met bijbehorende bouwwerken en voorzieningen, zoals (on)verharde paden en wegen, groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, nutsvoorzieningen, erfverhardingen en parkeervoorzieningen. 5.2
Bouwregels
5.2.1
Bedrijfsgebouwen
Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen gelden de volgende bepalingen: a. indien binnen het bestemmingsvlak een bouwvlak is aangegeven mag een bedrijfsgebouw uitsluitend daarbinnen worden gebouwd; b. de oppervlakte aan bedrijfsgebouwen mag niet meer bedragen dan de oppervlakte, die is aangegeven in de kolom “bij recht toegestaan aantal m²” in artikel 5.1, onder a;
Landelijk gebied, herziening 2022
NL.IMRO.0197.BP00111-VG01
vastgesteld
41
c. de afstand ten opzichte van de erfgrens dient ten minste 5 m. te bedragen dan wel de bestaande kleinere afstand; d. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 10 m dan wel de bestaande grotere bouwhoogte; e. de dakhelling dient minimaal 20° en maximaal 60° bedragen dan wel de bestaande kleinere of grotere dakhelling; f. ter plaatse van de aanduidingen 'parkeerterrein', mag niet worden gebouwd; g. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' mogen geen bedrijfsgebouwen worden gebouwd en/of werkzaamheden ten behoeve van het bedrijf worden verricht, uitgezonderd het wonen met het oog op de toegestane bedrijfsvoering. 5.2.2
Bedrijfswoningen
Voor het bouwen van bedrijfswoningen gelden de volgende bepalingen: a. per bestemmingsvlak zijn ten hoogste het aangegeven aantal woningen ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' toegestaan, met dien verstande dat indien van de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' is opgenomen er geen bedrijfswoning is toegestaan; b. de bedrijfswoning is slechts ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' toegestaan; c. de afstand ten opzichte van de erfgrens dient ten minste 5 m. te bedragen dan wel de bestaande kleinere afstand; d. de bouwhoogte mag maximaal 10 m bedragen dan wel de bestaande grotere bouwhoogte; e. de goothoogte mag maximaal 3 m bedragen, dan wel de bestaande grotere bouwhoogte; f. de dakhelling bedraagt minimaal 20° en maximaal 60° dan wel de bestaande kleinere of grotere dakhelling; g. de inhoud mag maximaal 750 m³ bedragen, dan wel de bestaande grotere inhoud. 5.2.3
Bijbehorende bouwwerken en overkappingen bij bedrijfswoningen
Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken en overkappingen gelden de volgende bepalingen: a. de gezamenlijke oppervlakte mag maximaal 150 m² per bedrijfswoning bedragen; b. de afstand ten opzichte van de erfgrens dient ten minste 5 m. te bedragen; c. de bouwhoogte mag maximaal de bestaande bouwhoogte van de bedrijfswoning minus 1 m bedragen tot een maximum bouwhoogte van 7 m; d. de goothoogte mag maximaal 3 m bedragen.
5.2.4
Bouwwerk, geen gebouw zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende voorwaarden: a. de bouwhoogte van erfafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 m; b. de bouwhoogte van bedrijfsinstallaties mag niet meer bedragen dan 8 m; c. de bouwhoogte van licht- en vlaggenmasten mag niet meer bedragen dan 6 m; d. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m.
Landelijk gebied, herziening 2022
NL.IMRO.0197.BP00111-VG01
vastgesteld
42
5.3
Afwijken van de bouwregels
Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in: a. artikel 5.2.1 voor het vergroten van de oppervlakte aan bedrijfsgebouwen met dien verstande dat deze vergroting maximaal de oppervlakte bedraagt, zoals aangegeven in de kolom “met afwijking toegestaan aantal m2” van bijlage 2 Bedrijven en Instellingen. b. artikel 5.2.1 onder d. of artikel 5.2.2 onder f. voor het toestaan van een afwijkende dakhelling dan ter plaatse is toegestaan; c. artikel 5.2.2 voor de herbouw van een bedrijfswoning op een andere dan de bestaande locatie, met inachtneming van de volgende voorwaarden: 1. de belangen van in de omgeving aanwezige functies en waarden worden niet in onevenredige mate geschaad; 2. er kan worden voldaan aan de eisen ten aanzien van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat; 3. het bepaalde in artikel 5.2.2 dient voor het overige in acht te worden genomen. d. artikel 5.2.4 onder d voor het verhogen van de maximale bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde, tot een bouwhoogte van maximaal 12 m met inachtneming van de volgende voorwaarde dat de belangen van in de omgeving aanwezige functies en waarden worden niet in onevenredige mate geschaad. e. artikel 5.2.2onder g ten behoeve van het vergroten van de inhoud van de woning, onder voorwaarde dat: 1.
binnen het bestemmingsvlak zelf of elders bestaande gebouwen worden gesloopt en de inhoud van de woning per 1 m2 sloop met niet meer dan 0,5 m3 mag worden vergroot tot een maximum inhoud van 1.250 m3; 2. verzekerd is dat de (elders) gesloopte oppervlakte aan gebouwen (daar) niet opnieuw kan worden gebouwd. 5.4
Specifieke gebruiksregels
5.4.1
detailhandel en opslag
Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken gelden tevens de volgende voorwaarden: a. detailhandel is niet toegestaan, tenzij sprake is van: 1. productiegebonden detailhandel; 2. reeds bestaande detailhandelsbedrijven die als zodanig zijn genoemd in de kolom 'type bedrijf' in bijlage 2 Bedrijven en instellingen; b. ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' is evenmin een hogere opslag van materieel en materieel toegestaan binnen dat (deel van het) bouw- of bestemmingsvlak.
5.4.2
Landschappelijke inpassing
Het gebruik van een bedrijfsgebouw is niet toegestaan, indien niet aan de volgende Landelijk gebied, herziening 2022
NL.IMRO.0197.BP00111-VG01
vastgesteld
43
voorwaarde is voldaan: in het kader van de landschappelijke inpassing wordt streekeigen beplanting gerealiseerd en in stand gehouden bij het bedrijf CWV Barlo overeenkomstig het bepaalde in de onherroepelijke omgevingsvergunning en het Erfininrichtingsplan CWV Barlo 5.4.3
Voorkoming van geluidhinder vanaf de locatie Lichtenvoordsestraatweg 91
1. Voordat de vergroting van de bedrijfsbebouwing (conform de kolom 'bij recht toegestaan aantal m²') in gebruik mag worden genomen dient –ter beperking van geluidhinder voor de omgeving- een geluidwerende muur te zijn gerealiseerd en in stand te worden gehouden met een lengte van tenminste 15,70 m en een hoogte van 2,75 m te zijn gerealiseerd, overeenkomstig bijlage 8 van de planregels. 2. In de buitenwanden van de werktuigenberging dient –ter beperking van geluidhinder voor de omgeving- tenminste 150 mm steenwolisolatie te worden aangebracht, overeenkomstig bijlage 8 van de planregels.
5.4.4 Kwalitatieve voorwaarde mbt de opwekking van zonnestroom voor de locatie Lichtenvoordsestraatweg 91 Binnen een termijn van twee jaar, nadat de vergroting van de bedrijfsbebouwing (conform de kolom 'bij recht toegestaan aantal m²') in gebruik is genomen, dient een zonnestroominstallatie op het bedrijfsdak te zijn gerealiseerd met een capaciteit van tenminste 40.000 KwH, een en ander zoals uitgewerkt in paragraaf 5.6.6 van bijlage 11. 5.4.5
Nadere detaillering ten aanzien van de hemelwaterinfiltratie
Het gebruik van gronden en gebouwen ten behoeve van het in artikel 5.1 toegelaten gebruik is -met het oog op de waterhuishouding en het voorkomen van wateroverlast- slechts toegestaan indien op dit terrein zodanige maatregelen zij genomen dat aan de normen en uitgangspunten uit de notitie 'Duurzaam en Veilig water in de stad' van het waterschap Rijn en IJssel (versie april 2021) wordt voldaan, te weten: bij een bui van T=10+10%, moet 40 millimeter water worden geborgen, om dit vertraagd af te voeren; bij een bui van T=100+10%, moet 80 millimeter water worden geborgen, zodat er geen wateroverlast ontstaat. 5.5
Afwijken van de gebruiksregels
Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 5.1 onder a voor het toestaan van: a. bedrijven voor zover genoemd in de categorieën 1 en 2 van de in bijlage 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, dan wel bedrijven die naar aard, milieubelasting en/of ruimtelijke impact vergelijkbaar zijn met de bestaande bedrijven, met dien verstande dat de afwijking mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bestemmingen en functies of van het woon- en/of leefmilieu; b. meer bedrijven binnen een bestemmingsvlak naast het toegestane bedrijf, met inachtneming van de volgende voorwaarden: Landelijk gebied, herziening 2022
NL.IMRO.0197.BP00111-VG01
vastgesteld
44
c. het te vestigen bedrijf is opgenomen in de categorieën 1 en 2 van bijlage 2 Staat van Bedrijfsactiviteiten, dan wel indien het bedrijf niet is opgenomen in de staat van bedrijfsactiviteiten, het bedrijf kan voor wat betreft de aarde en omvang van de milieuhinder die het veroorzaakt gelijk worden gesteld aan een bedrijf behorende tot de categorieën 1 en 2 van de staat van bedrijfsactiviteiten; d. de totale bestaande aard en omvang van de milieuhinder mag door de toename van het aantal bedrijven niet toenemen; e. de afwijking mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bestemmingen en functies of van het woon- en/of leefmilieu (waaronder geen vergroting van de verkeersaantrekkende werking);er dient sprake te zijn van een goede streekeigen landschappelijke inpassing en erfinrichting; en met dien verstande dat er voldoende parkeerplaatsen op het erf dienen te worden gerealiseerd, met inachtneming van het bepaalde in Bijlage 3 Parkeernormen gemeente Aalten.
Landelijk gebied, herziening 2022
NL.IMRO.0197.BP00111-VG01
vastgesteld
45
Artikel 6
Bos
6.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Bos' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. multifunctionele bosbouw; b. het behoud, herstel en ontwikkelen van het bos en de natuur- en landschapswaarden; c. extensieve (dag)recreatie; d. (onverharde) fiets- en wandelpaden; e. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; f. medegebruik voor ontspanning en vermaak; g. niet-commerciële extensieve dagrecreatieve activiteiten, (bos)beheer en/of educatie, in bestaande gebouwen; met bijbehorende bouwwerken en (parkeer)voorzieningen. 6.2 Bouwregels Uitsluitend de volgende bouwwerken zijn toegestaan: a. de bestaande gebouwen ten behoeve van niet-commerciële dagrecreatieve activiteiten, (bos)beheer en/of educatie, met de bestaande inhoud, goot- en bouwhoogte; b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tot een maximum bouwhoogte van 1 m. 6.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 6.3.1 Omgevingsvergunning Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag op de in artikel 6.1 bedoelde gronden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden uit te voeren: a. het vellen of rooien van gewassen dan wel zodanig handelingen te verrichten die ernstige schade aan de gewassen kunnen veroorzaken; b. het vergraven, afgraven en egaliseren van gronden; c.
het aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden, parkeergelegenheden en andere oppervlakteverhardingen; d. het aanleggen van waterlopen en het vergraven, verruimen en dempen van bestaande waterlopen en kolken; 6.3.2 Weigeringsgrond voor omgevingsvergunning Een omgevingsvergunning mag alleen en moet worden geweigerd, indien door het uitvoeren van het werk, geen bouwwerk zijnde of de werkzaamheid dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen blijvend onevenredig afbreuk wordt gedaan aan de natuur- en landschapswaarden dan wel het karakteristieke verkavelingspatroon en hieraan door het stellen van voorwaarden niet of onvoldoende tegemoet kan worden gekomen. 6.3.3 Uitzonderingsregel omgevingsvergunning Een omgevingsvergunning is niet vereist voor: a. werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden, die behoren tot het normale onderhoud en beheer; b. werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden, die op het tijdstip van het van kracht worden van het plan in uitvoering waren of konden worden uitgevoerd krachtens een vóór dat tijdstip geldende dan wel aangevraagde vergunning.
Landelijk gebied, herziening 2022
NL.IMRO.0197.BP00111-VG01
vastgesteld
46
Artikel 7 7.1
Cultuur en ontspanning
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Cultuur en ontspanning - Museum' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. gebouwen, waaronder overkappingen, ten behoeve van een museum, en ondersteunende horeca; met daaraan ondergeschikt: b. kleinschalige duurzame energiewinning; c. wegen en paden; d. water en waterhuiskundige voorzieningen; met de daarbijbehorende bouwwerken en (parkeer)voorzieningen.
7.2
Bouwregels
7.2.1 Gebouwen en overkappingen Voor het bouwen van de gebouwen en overkappingen gelden de volgende voorwaarden: a. per bestemmingsvlak mogen uitsluitend gebouwen en overkappingen ten behoeve van één museum worden gebouwd; b. de gebouwen en overkappingen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd; c. de goothoogte, dakhelling en bouwhoogte van een gebouw of een overkapping zal ten hoogste de bestaande goothoogte, dakhelling en bouwhoogte bedragen. 7.2.2
Overige bouwwerken, geen gebouw zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende voorwaarden: a. de bouwhoogte van erfafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 m; b. de bouwhoogte van licht- en vlaggenmasten mag niet meer bedragen dan 6 m; c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m.
7.3
Specifieke gebruiksregels
Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend: a. het gebruik van gebouwen voor bewoning; b. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel; c. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van horecadoeleinden anders dan aan de museumfunctie ondersteunende horeca.
Landelijk gebied, herziening 2022
NL.IMRO.0197.BP00111-VG01
vastgesteld
47
Artikel 8
Natuur
8.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Natuur' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. natuurgebieden en het behoud, herstel en ontwikkelen van natuur- en landschapswaarden; b. extensief agrarisch medegebruik ten dienste van de bestemming en wel zodanig dat er geen negatief effect op een Natura 2000-gebied is door stikstofdepostitie; c. (onverharde) fiets- en wandelpaden; d. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; e. extensieve (dag)recreatie; f. met bijbehorende bouwwerken en (parkeer)voorzieningen. 8.2 Bouwregels Op of in de gronden mogen geen gebouwen en bouwwerken worden gebouwd, behoudens: a. eenvoudige voorzieningen in de vorm van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor extensief recreatief medegebruik, zoals informatieborden, picknickplekken, banken en afvalbakken en/of waterhuishoudkundige voorzieningen, mits de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 2,5 m. 8.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 8.3.1 Omgevingsvergunning Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag op de in artikel 8.1 bedoelde gronden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden uit te voeren: b. het vellen of rooien van gewassen dan wel zodanig handelingen te verrichten die ernstige schade aan de gewassen kunnen veroorzaken; c. het vergraven, afgraven en egaliseren van gronden; d.
het aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden, parkeergelegenheden en andere oppervlakteverhardingen; e. het aanleggen van waterlopen en het vergraven, verruimen en dempen van bestaande waterlopen, poelen en/of kolken; het verwijderen of wijzigen van perceelsindelingen, binnen de aanduiding 'specifieke vorm van natuur - aaltense goor' zoals tot uiting komend in greppels, sloten, waterlopen en houtsingels 8.3.2 Weigeringsgrond voor omgevingsvergunning Een omgevingsvergunning mag alleen en moet worden geweigerd, indien door het uitvoeren van het werk, geen bouwwerk zijnde of de werkzaamheid dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen blijvend onevenredig afbreuk wordt gedaan aan de natuur- en landschapswaarden dan wel het karakteristieke verkavelingspatroon en hieraan door het stellen van voorwaarden niet of onvoldoende tegemoet kan worden gekomen. 8.3.3 Uitzonderingsregel omgevingsvergunning Een omgevingsvergunning is niet vereist voor: a. werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden, die behoren tot het normale onderhoud en beheer; b. werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden, die op het tijdstip van het van kracht worden van het plan in uitvoering waren of konden worden uitgevoerd krachtens
Landelijk gebied, herziening 2022
NL.IMRO.0197.BP00111-VG01
vastgesteld
48
een vóór dat tijdstip geldende dan wel aangevraagde vergunning.
Landelijk gebied, herziening 2022
NL.IMRO.0197.BP00111-VG01
vastgesteld
49
Artikel 9
9.1
Recreatie - Recreatiewoningen
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Recreatie - Recreatiewoningen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: 1. recreatief wonen; 2. voorzieningen voor de waterhuishouding; 3. groenvoorzieningen en landschapselementen met bijbehorende bouwwerken en voorzieningen.
9.2
Bouwregels
9.2.1
Bebouwing
Voor het bouwen gelden de volgende bepalingen: 1. maximaal 1 recreatiewoning is toegestaan per bestemmingsvlak met: a. een inhoud van maximaal 300 m³ (met inbegrip van ondergrondse bebouwing/kelders); b. een oppervlakte van maximaal 75 m², dan wel de bestaande grotere oppervlakte; c. een dakhelling van minimaal 20º en maximaal 60º; d. een bouwhoogte van maximaal 7 m; e. een goothoogte van maximaal 3 m; 2. bijbehorende bouwwerken bij de recreatiewoningen zijn toegestaan met: a. een gezamenlijke inhoud van maximaal 50 m³ per recreatiewoning; b. een oppervlakte van maximaal 20 m²; c. een bouwhoogte van maximaal 4,5 m; d. een goothoogte van maximaal 3 m; 3. per recreatiewoning is één zwembad toegestaan met: a. een oppervlakte van maximaal 70 m²; b. een bouwhoogte boven maaiveld van maximaal 1 m; c. een diepte beneden maaiveld van maximaal 2,5 m; 4. bouwwerken, geen gebouw zijnde, zijn toegestaan conform de in onderstaande tabel opgenomen bouwhoogten situeringseisen:
9.2.2 Situeringseisenm Voorts geldt dat bijbehorende bouwwerken ten opzichte van de recreatiewoning zodanig gesitueerd moeten zijn dat:
Landelijk gebied, herziening 2022
NL.IMRO.0197.BP00111-VG01
vastgesteld
50
1. de onderlinge afstand niet meer dan 10 meter bedraagt; 2. bijbehorende bouwwerken minimaal 3 meter achter (het verlengde van) de voorgevel van de recreatiewoning zijn gesitueerd. 9.2.3 Herbouw recreatiewoning Onverminderd het bepaalde in artikel 9.1 is herbouw van een recreatiewoning uitsluitend toegestaan: 1. voor zover een bouwvlak is opgenomen: binnen het bouwvlak; 2. voor zover geen bouwvlak is opgenomen: op de bestaande locatie binnen het bestemmingsvlak.
9.3
Nadere eisen
Het bevoegd gezag kan nadere eisen te stellen aan de plaats, vorm en afmeting van de bebouwing: a. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woonen leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken; b. ter waarborging van de ruimtelijke en landschappelijke kwaliteit van de naaste omgeving c. ter waarborging van de verkeersveiligheid; d. ter waarborging van de ongestoorde ligging van kabels en leidingen.
9.4
Afwijken van de bouwregels
Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 9.2.3 voor het toestaan van de herbouw van een recreatiewoning op een andere dan de bestaande locatie, met inachtneming van de volgende voorwaarden: a. de afstand ten opzichte van de erfgrens dient ten minste 5 m. te bedragen; b. er dient een aanvaardbaar recreatief woonverblijfsklimaat te kunnen worden gerealiseerd; c. de belangen van in de omgeving aanwezige functies en waarden mogen niet in onevenredige mate worden geschaad; d. de herbouw dient ruimtelijk gezien een betere situatie op te leveren; e. vast dient te staan dat de bestaande recreatiewoning wordt gesloopt binnen drie maanden na de datum van gereedmelding van de nieuwe recreatiewoning; f. in artikel 15.2.1 voor het toestaan van een afwijkende dakhelling en goothoogte.
9.5
Specifieke gebruiksregels
9.5.1
Permanente bewoning
Een recreatiewoning mag niet worden gebruikt voor permanente bewoning.
9.5.2
Nadere detaillering ten aanzien van hemelwaterinfiltratie
Het gebruik van gronden en gebouwen ten behoeve van het in artikel 9.1 toegelaten gebruik
Landelijk gebied, herziening 2022
NL.IMRO.0197.BP00111-VG01
vastgesteld
51
is -met het oog op de waterhuishouding en het voorkomen van wateroverlast- slechts toegestaan indien op dit terrein zodanige maatregelen zij genomen dat aan de normen en uitgangspunten uit de notitie 'Duurzaam en Veilig water in de stad' van het waterschap Rijn en IJssel (versie april 2021) wordt voldaan, te weten: bij een bui van T=10+10%, moet 40 millimeter water worden geborgen, om dit vertraagd af te voeren; bij een bui van T=100+10%, moet 80 millimeter water worden geborgen, zodat er geen wateroverlast ontstaat.
Landelijk gebied, herziening 2022
NL.IMRO.0197.BP00111-VG01
vastgesteld
52
Artikel 10
Wonen - 1
10.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Wonen - 1' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. het wonen, met dien verstande dat per bestemmingsvlak één woning is toegestaan, dan wel ten hoogste het aangegeven aantal woningen ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden'; b. het recreatief bewonen van de onder a. genoemde woningen; c. nevenactiviteiten, met inachtneming van het bepaalde in artikel 10.5; d. het hobbymatig telen van gewassen en/of houden van dieren; e. een akker- of tuinbouwbedrijf (dan wel stalling van materiaal en materieel voor dat bedrijf) ter plaatse van de functieaanduiding 'akkerbouw'; f. behoud, herstel en ontwikkeling van de landschapselementen ter plaatse van de aanduidingen: a. 'houtsingel': houtsingels; met bijbehorende voorzieningen, zoals inritten, erven, terreinen, tuinen, parkeervoorzieningen, voorzieningen voor de waterhuishouding. 10.2
Bouwregels
10.2.1 Toegestane bebouwing Op de in artikel 10.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend worden gebouwd: a. hoofdgebouwen met inachtneming van de opgenomen aanduiding; 1. ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand' mogen uitsluitend vrijstaande woningen worden gebouwd; b. aangebouwde bijbehorende bouwwerken met woonfunctie; c. overige bijbehorende bouwwerken en overkappingen; d. bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde. 10.2.2 Hoofdgebouwen Voor het bouwen van de in artikel 10.2.1 sub a genoemde hoofdgebouwen gelden de volgende bepalingen: a. als hoofgebouw mag uitsluitend een woning worden gebouwd; b. een hoofdgebouw mag uitsluitend op de bestaande locatie binnen een bestemmingsvlak worden gebouwd, met dien verstande dat indien binnen het bestemmingsvlak een bouwvlak is aangegeven het hoofdgebouw daarbinnen moet worden gebouwd; c. de afstand van het hoofdgebouw tot de perceelsgrens bedraagt minimaal 5 meter, dan wel de bestaande kleinere afstand; d. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3 meter, dan wel de bestaande grotere goothoogte; e. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 10 meter, dan wel de bestaande grotere bouwhoogte; f. het hoofdgebouw moet zijn voorzien van een kap, waarvan de helling minimaal 30° bedraagt; g.
de inhoud van het hoofdgebouw mag niet meer dan 750 m3 bedragen, danwel de op de verbeelding toegestane maximaal afwijkende maatvoering of de bestaande grotere inhoud; h. in afwijking van het hiervoor gestelde, is uitbreiding van een geurgevoelige (woon)functie in de richting van een (agrarisch) bedrijf niet toegestaan, indien de belangen van de in
Landelijk gebied, herziening 2022
NL.IMRO.0197.BP00111-VG01
vastgesteld
53
omgeving gelegen functies daardoor onevenredig worden geschaad. 10.2.3 Aangebouwde bijbehorende bouwwerken met woonfunctie Voor het bouwen van de in artikel 10.2.1 sub b genoemde bijbehorende bouwwerken gelden de volgende bepalingen: a. bijbehorende bouwwerken mogen uitsluitend op minimaal 1 m achter de voorgevel van de woning c.q. het verlengde daarvan worden gebouwd; b. de afstand van bijbehorende bouwwerken tot de perceelsgrens bedraagt minimaal 3 meter, dan wel de bestaande kleinere afstand; c. de gezamenlijke inhoud van aangebouwde bijbehorende bouwwerken per woning mag niet meer dan 75 m3 bedragen; d. de goothoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer dan 3 m bedragen dan wel de bouwhoogte van de vloer van de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw + 0,30 m dan wel de bestaande grotere goothoogte; e. de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer dan maximaal de bouwhoogte van het bestaande hoofdgebouw minus 1 meter bedragen met een maximale bouwhoogte van 7 m, dan wel de bestaande grotere bouwhoogte; f. in afwijking van het hiervoor gestelde, is uitbreiding van een geurgevoelige (woon)functie in de richting van een (agrarisch) bedrijf niet toegestaan, indien de belangen van de in omgeving gelegen functies daardoor onevenredig worden geschaad.
10.2.4 Overige bijbehorende bouwwerken en overkappingen Voor het bouwen van de in artikel 10.2.1 sub c genoemde overige bijbehorende bouwwerken en overkappingen gelden de volgende bepalingen: a. overige bijbehorende bouwwerken en overkappingen mogen uitsluitend op minimaal 1 m achter de voorgevel van de woning c.q. het verlengde daarvan worden gebouwd; met dien verstande dat: 1. indien binnen het bestemmingsvlak de specifieke bouwaanduiding 'locatie bijgebouwen' is opgenomen, dan mogen de overige bijbehorende bouwwerken en overkappingen uitsluitend binnen die bouwaanduiding worden gebouwd; b. de afstand van overige bijbehorende bouwwerken en overkappingen tot de perceelsgrens bedraagt minimaal 3 meter, dan wel de bestaande kleinere afstand; c. de (kortste) afstand van overige bijbehorende bouwwerken en overkappingen tot het hoofdgebouw mag niet meer dan 25 m bedragen, dan wel de bestaande (kortste) afstand; d. de gezamenlijke oppervlakte van overige bijbehorende bouwwerken en overkappingen mag per woning niet meer dan 150 m2 bedragen, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum oppervlakte (m2)' de gezamenlijke oppervlakte van overige bijbehorende bouwwerken en overkappingen niet meer dan de ter plaatse aangegeven oppervlakte mag bedragen; e.
in afwijking van het bepaalde onder d mag de gezamenlijke oppervlakte van overige bijbehorende bouwwerken en overkappingen niet meer dan 200 m2 per woning bedragen, mits de bij de woning behorende kavel groter is dan 1.500 m2, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum oppervlakte (m2)' de gezamenlijke oppervlakte van overige bijbehorende bouwwerken en overkappingen niet meer dan de ter plaatse aangegeven oppervlakte mag bedragen; f. in afwijking van het bepaalde onder d en e mag de gezamenlijke oppervlakte van overige bijbehorende bouwwerken en overkappingen per woning niet meer dan 300 m2 bedragen, mits sprake is van sloop van bijbehorende bouwwerken en overkappingen waarbij voor elke te slopen 2 m2 boven de in sub d of e genoemde oppervlakte, 1 m2 mag worden gebouwd (sloop-bonusregeling) en verzekerd is dat de (elders) gesloopte oppervlakte aan gebouwen (daar) niet opnieuw kan worden gebouwd; g. indien en voor zover op de verbeelding een grotere oppervlakte voor bijbehorende Landelijk gebied, herziening 2022
NL.IMRO.0197.BP00111-VG01
vastgesteld
54
bouwwerken is opgenomen middels de aanduiding 'maximum oppervlakte (m2)', dan is deze afwijkende maatvoering de maximaal toegestane oppervlakte voor overige bijbehorende bouwwerken en overkappingen; h. indien en voor zover op de verbeelding een kleinere oppervlakte voor bijbehorende bouwwerken is opgenomen middels de aanduiding 'maximum oppervlakte (m2)', dan is deze afwijkende maatvoering de maximaal toegestane gezamenlijke oppervlakte voor overige bijbehorende bouwwerken en overkappingen, een vergroting van de oppervlakte kan worden toegestaan met toepassing van de sloop-bonusregeling als bedoeld onder f, met dien verstande dat de gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen zoals opgenomen onder d. en e. niet mag worden overschreden; i. de goothoogte van overige bijbehorende bouwwerken en overkappingen mag niet meer dan 3 m bedragen dan wel de bestaande grotere goothoogte; j. de bouwhoogte van overige bijbehorende bouwwerken en overkappingen mag niet meer dan maximaal de bouwhoogte van het bestaande hoofdgebouw minus 1 meter bedragen met een maximale bouwhoogte van 7 m; k. in afwijking van het hiervoor bepaalde geldt in het geval een aanduiding 'maatvoering' op de verbeelding is opgenomen die maatvoering als maximale goot- en/of bouwhoogte voor de overige bouwwerken en overkappingen; l.
in afwijking van het bepaalde onder i en j geldt voor een hooiberg geen maximale goothoogte maar een maximale bouwhoogte van 7 m en een minimale dakhelling van 20°. 10.2.5 Bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde Voor het bouwen van de in artikel 10.2.1 sub d genoemde bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, gelden de volgende bepalingen: a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de voorgevel van de woning c.q. het verlengde daarvan mag niet meer dan 1 m bedragen; b. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevel van de woning dan wel het verlengde daarvan mag niet meer dan 2 m bedragen; c. er zijn maximaal twee vlaggenmasten per woning toegestaan, waarvan de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 6 m; d. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, mag niet meer dan 3 m bedragen, mits gelegen op tenminste 1 m. achter de voorgevel. 10.3 Nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bouwwerken ten behoeve van: a. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken; b. ter waarborging van de ruimtelijke en landschappelijke kwaliteit van de naaste omgeving; c. ter waarborging van de verkeersveiligheid; d.
ter waarborging van een ongestoorde ligging van kabels en leidingen. 10.4
Afwijken van de bouwregels
10.4.1 Bouwen tot aan en vóór voorgevel Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 10.2.3, onder a en toestaan dat een bijbehorend bouwwerk tot aan of vóór de voorgevel van het hoofdgebouw en/of het verlengde daarvan wordt gebouwd mits geen onevenredige inbreuk wordt gedaan aan het bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden. Landelijk gebied, herziening 2022
NL.IMRO.0197.BP00111-VG01
vastgesteld
55
10.4.2 Afwijken goothoogte en/of dakhelling/dakvorm en/of bouwhoogte schuurwoning en bij de schuurwoning behorende overige bouwwerken en overkappingen Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 10.2.2 onder d, f. en/of h en artikel 10.2.4, onder h en toestaan dat: a. de goothoogte méér bedraagt dan 3 meter en/of b. de dakhelling/dakvorm van het hoofdgebouw niet is voorzien van een kap of dat de helling minder bedraagt dan 20°; c. de bouwhoogte van het hoofdgebouw, de overige bijbehorende bouwwerken en overkappingen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen schuurwoning' ten hoogste 9 m bedraagt; mits geen onevenredige inbreuk wordt gedaan aan de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid, de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en het bebouwingsbeeld en principe van een schuurwoning. 10.4.3 Herbouw hoofdgebouw Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 10.2.2 onder a en toestaan dat het hoofdgebouw op een andere dan de bestaande locatie binnen het bestemmingsvlak wordt gebouwd, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a.
de herbouw dient plaats te vinden binnen het bestemmingsvlak en volgens de bestaande bouwwijze, met dien verstande dat het aantal woningen wél mag verminderen; b. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en de belangen van derden mogen niet onevenredig worden geschaad; c. het leidt niet tot een onevenredige aantasting van de stedenbouwkundige en landschappelijke kwaliteit van de omgeving; d. de geluidbelasting vanwege het industrielawaai, wegverkeer en/of railverkeer van geluidsgevoelige gebouwen is niet hoger dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde, of een reeds verkregen hogere grenswaarde ten tijde van het ter visie leggen van het ontwerp van dit bestemmingsplan. 10.4.4 Vergroten woonruimte Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 10.2.2 sub g voor het vergroten van de woonruimte, met inachtneming van de volgende voorwaarden: a. de vergroting vindt plaats in de bestaande hoofdbebouwing; b. vaststaat dat het aantal woningen niet toeneemt; c. de kenmerkende vorm van de hoofdbebouwing gehandhaafd blijft; d. voor zover een geurgevoelige functie wordt gerealiseerd mogen de belangen van de in de omgeving gelegen functies niet onevenredig worden geschaad.