Korte aantekeningen beeldvormende bijeenkomst d.d. 12 juni 2023.pdf
Tekst van het document
groep 8 groep 7
90
groep 6
80
groep 5
70
groep 4
60
groep 3
50
groep 2
40
groep 1
30 20 scp.nl
10
studentensteden
totaal
zuid
oost
west
noord
zuid
west
oost
kleinstedelijke gemeenten
welvarende gemeenten
kleinschalige gemeenten
noord
zuid
west
oost
noord
0
a Groep 1: ouderen met alleen een basis-/vmbo-opleiding en gezondheidsproblemen; Groep 2: mensen met ggz- en schuldenproblematiek; Groep 3: eerstegeneratiejongeren met kinderen; Groep 4: jonge alleenstaande moeders; Groep 5: alleenstaande ouders in het doelgroepregister; Groep 6: doelgroepers met een middelgrote baan; Groep 7: tweedegeneratiejongvolwassenen met problemen; Groep 8: mannen met een hbo-/wo-opleiding en werkervaring. Bron: CBS (SCP-werkbestand 2019, zie bijlage A.2)
Hoewel de lokale situatie niet sterk afwijkt van het landelijke beeld, heeft elk gemeentetype te maken met een net wat andere (stapeling van) problematiek. Zo hebben de kleinschalige woongemeenten relatief vaak te maken met de groepen met jonge kinderen (groep 3, 4 en 5), terwijl de groep ‘mensen met ggz- en schuldenproblematiek’ (groep 2) wat kleiner is dan het landelijk gemiddelde. De studentensteden kennen daarentegen juist relatief veel ‘mensen met ggz- en schuldenproblematiek’ (groep 2), met name de noordelijke studentensteden. In de kleinstedelijke gemeenten valt op dat niet alleen het aandeel ‘mensen met ggz- en schuldenproblematiek’ (groep 2) relatief groot is, maar ook het aandeel ‘alleenstaande ouders in het doelgroepregister’ (groep 5) in alle landsdelen. Tot slot is in de welvarende 54
V erdeling bijstandsgerechtigden over gemeentet y pen
gemeenten de groep ‘ouderen met alleen een basis-/vmbo-opleiding en gezondheidsproblemen’ (groep 1) oververtegenwoordigd. We zien dus dat de stapeling van problematiek van bijstandsgerechtigden wel wat verschilt tussen de verschillente gemeentetypen, maar dat dit niet sterk afwijkt van het landelijke beeld. In het volgende hoofdstuk gaan we na of gemeenten verschillen in de ondersteuning die zij bieden in het sociaal domein voor elk van de afzonderlijke groepen.
5.4 Tot slot Gemeenten staan voor grote opgaven in het sociaal domein. Zij hebben een belangrijke taak om te zorgen dat iedereen mee kan doen in de samenleving. De lokale situatie, en daarmee de opgaven waar gemeenten voor staan, kan verschillen, bijvoorbeeld door de samenstelling van de bevolking en de arbeidsmarktomstandigheden. Dit onderzoek laat zien dat gemeenten niet alleen verschillen in aantal bijstandsgerechtigden, maar ook in (de stapeling van) problematiek van bijstandsgerechtigden. Op basis van dit onderzoek kunnen we geen uitspraken doen of dit bijvoorbeeld consequenties zou moeten hebben voor de verdeling van de middelen over de verschillende gemeenten of gemeentetypen. Een integrale probleembenadering kan in de ene gemeente meer urgent zijn dan in een andere gemeente als er in die gemeente vaker sprake is van een opeenstapeling van problematiek. En wanneer er sprake is van een relatief kleine groep mensen met een opeenstapeling van problemen, is het niet altijd nodig om de gemeentelijke uitvoering aan te passen naar een integrale benadering. Voor deze groep kan de gemeente namelijk maatwerk inzetten. Tegelijkertijd laten de resultaten zien dat alle gemeentetypen te maken hebben met groepen bijstandsgerechtigden met een stapeling van problematiek, al variëren deze groepen in omvang.
Gemeenten zullen keuzes moeten maken hoe zij groepen bijstandsgerechtigden met een stapeling van problematiek ondersteunen en welke vorm van ondersteuning ze bieden (De Klerk et al. 2022; Verbeek et al. 2023).
55
V erdeling bijstandsgerechtigden over gemeentet y pen
6 Verschillen in sociaaldomeinondersteuning tussen gemeenten
• De sociaaldomeinondersteuning die bijstandsgerechtigden krijgen varieert tussen gemeentetypen. Dit komt vooral door variatie in de inzet van re-integratievoorzieningen. • Het maakt uit waar bijstandsgerechtigden wonen voor de sociaaldomeinondersteuning die ze krijgen, gegeven de groep waarin ze vallen. Zo varieert het aandeel ‘ouderen met alleen een basis-/vmbo-opleiding en gezondheidsproblemen’ dat geen sociaaldomeinondersteuning (meer) krijgt van 28% tot 50%. • De variatie tussen gemeentetypen doet zich vooral voor bij groepen die over het geheel genomen weinig re-integratieondersteuning krijgen. Groepen die relatief vaak re-integratievoorzieningen krijgen, krijgen dat overal vaak, ongeacht waar ze wonen. • Combinaties van re-integratie met Wmo of jeugdzorg komen bij sommige groepen vaak voor. Dit geldt met name voor de groep ‘mensen met ggz- en schuldenproblematiek’. De inzet van zo’n combinatie bij deze groep varieert tussen gemeentetypen van 14% tot 30%. • Ondanks de variatie zien we in alle gemeentetypen het landelijke patroon dat de grote groep ‘ouderen met alleen een basis-/vmbo-opleiding en gezondheidsproblemen’ relatief weinig sociaaldomeinondersteuning krijgt.
Het beleid in het sociaal domein krijgt sinds de decentralisatie van de Participatiewet, de Wmo en de Jeugdwet vooral lokaal vorm. De bedoeling van deze decentralisaties was gemeenten meer vrijheid te geven bij de vormgeving en de uitvoering van het beleid, zodat zij het beleid kunnen aanpassen aan de lokale omstandigheden. Variatie tussen gemeenten in ondersteuning kan dan ook zowel komen door verschillen in de problematiek van bijstandsgerechtigden als een gevolg zijn van andere beleidskeuzes van gemeenten. Zo verschillen gemeenten in de strengheid waarmee zij de vereisten van de Participatiewet opleggen (Muns 2019). Daarnaast spelen factoren mee zoals het politieke klimaat van een gemeente, de organisatiecultuur en de financiële situatie (Marlet et al. 2017). Dit hoofdstuk geeft aan of de in hoofdstuk 4 beschreven ondersteuning aan bijstandsgerechtigden varieert tussen typen gemeenten. Met andere woorden, maakt het voor de ondersteuning uit in wat voor gemeente je woont? Of is er een landelijk patroon zichtbaar in de ondersteuning van bijstandsgerechtigden? En verschilt dit tussen de groepen bijstandsgerechtigden met verschillende vormen van problematiek (zie hoofdstuk 3)? Dit geeft een globaal beeld van de mate waarin de ruimte die gemeenten hebben binnen de landelijke wettelijke kaders tot andere ondersteuning leidt.
De gegevens laten niet toe een verklaring te geven voor de gemeentelijke verschillen, noch om te oordelen of in bepaalde gemeentetypen te veel of te weinig ondersteuning wordt geboden.49 Ook gaan we, net als in hoofdstuk 5, niet in op het ondersteuningsaanbod van alle afzonderlijke gemeenten in Nederland, maar geven we een indicatie van de mate van variatie door typen gemeenten te onderscheiden.
6.1 Verschillen in ondersteuning tussen typen gemeenten De sociaaldomeinondersteuning van bijstandsgerechtigden blijkt te variëren tussen gemeentetypen (figuur 6.1). Sommige gemeentetypen zetten minder sociaaldomeinondersteuning in voor bijstands gerechtigden dan andere. Het aandeel bijstandsgerechtigden dat geen (andere) ondersteuning vanuit de drie sociaaldomeinwetten krijgt varieert van 22% (in de noordelijke kleinstedelijke gemeenten) tot 42% 49
Een gemeente kan veel ondersteuning bieden omdat zij huishoudens met problemen goed bereiken, of omdat zij de ondersteuning preventief inzetten. Aan de andere kant kunnen gemeenten weinig sociaaldomeinvoorzieningen inzetten omdat in hun gemeente meer andere voorzieningen beschikbaar zijn, zoals huisartsen, onderwijs of schuldhulpverlening. Deze voorzieningen kunnen de inzet van sociaaldomeinvoorzieningen beperken. Maar het is ook mogelijk dat er onvoldoende hulp beschikbaar is om de problemen in de gemeente op te lossen. Zie ook Schellingerhout et al. (2021).
56
V erschillen in sociaaldomeinondersteuning tussen gemeenten
(in de oostelijke en zuidelijke studentensteden). In gemeentetypen met weinig sociaaldomein ondersteuning is vooral de inzet van re-integratieondersteuning relatief laag. De inzet van alleen Wmo of alleen jeugdzorg is daar echter niet minder dan in andere gemeentetypen. De variatie tussen gemeentetypen kan te maken hebben met de samenstelling van de bijstandsgroep (zie hoofdstuk 4). Daarom gaan we in het navolgende na of we deze variatie ook zien als we rekening houden met het verschil in achtergrond en problematiek van de bijstandsgerechtigden. Figuur 6.1 Ontvangen ondersteuning uit het sociaal domein naar gemeentetype, bijstandsgerechtigden in 2019, 2017-2019 (in procenten) 100
combinatie van re-integratie/ Wmo/jeugdzorg
90
alleen jeugdzorg
80
alleen Wmo
70 60
alleen re-integratie
50
geen SDondersteuning
40 30 20 scp.nl
10
studentensteden
totaal
zuid
west
oost
noord
zuid
oost
west
kleinstedelijke gemeenten
welvarende gemeenten
kleinschalige gemeenten
noord
zuid
oost
west
noord
0
Bron: CBS (SCP-werkbestand 2019, zie bijlage A.2)
6.2 Gemeentelijke verschillen in ondersteuning per groep In hoofdstuk 4 zagen we dat sommige groepen bijstandsgerechtigden (met name groep 1 ‘ouderen met alleen een basis-/vmbo-opleiding en gezondheidsproblemen’) minder sociaaldomeinondersteuning krijgen dan andere groepen. In deze paragraaf gaan we na of dit beeld landelijk geldt of dat gemeenten verschillen in hun aanpak. We kijken daarbij naar de ondersteuning die de bijstandsgerechtigden in de periode 2017-2019 hebben ontvangen.50 Om een indicatie te krijgen van de mate van variatie tussen gemeenten onderscheiden we net als in de voorgaande hoofdstukken acht groepen bijstandsgerechtigden (zie hoofdstuk 3) en dertien groepen gemeenten (zie hoofdstuk 4). Uit onze analyse blijkt dat het uitmaakt voor de ondersteuning in welke gemeentetype je woont gegeven de problematiek waar je mee te maken hebt. We richten ons hier op re-integratieondersteuning, Wmo-ondersteuning en de combinatie van re-integratieondersteuning met voorzieningen vanuit de Wmo en/of de Jeugdwet. Het aandeel bijstandsgerechtigden dat alleen jeugdzorg gebruikt is relatief laag, waardoor de verschillen moeilijker zijn te duiden.
50
De conclusies zijn vergelijkbaar wanneer we alleen naar de ondersteuning in 2019 kijken. Door niet alleen naar de ondersteuning in 2019 te kijken, wordt het geschetste beeld sterker.
57
V erschillen in sociaaldomeinondersteuning tussen gemeenten
6.2.1
Geen sociaaldomeinondersteuning
Tabel 6.1 geeft een overzicht van de verschillen tussen de gemeentetypen (horizontale vergelijking) en tussen de verschillende groepen uitkeringsgerechtigden (verticale vergelijking). De kleuren visualiseren de omvang van de verschillen. De groep ‘ouderen met alleen een basis/vmbo-opleiding en gezondheidsproblemen’ (groep 1) krijgt zoals gezegd landelijk gezien het minst vaak sociaaldomeinondersteuning (tabel 6.1, zie ook hoofdstuk 4). Het maakt voor mensen in deze groep wel uit waar ze wonen. Zo varieert het aandeel zonder ondersteuning in deze groep van 28% in de noordelijke kleinstedelijke gemeenten tot 50% in de zuidelijke studentensteden. Maar waar je als bijstandsgerechtigde ook woont, als je in de groep ‘ouderen met alleen een basis-/ vmbo-opleiding en gezondheidsproblemen’ (groep 1) valt, heb je gemiddeld genomen (in de afgelopen jaren) minder vaak sociaaldomeinondersteuning ontvangen dan de andere groepen. Bij de andere groepen bijstandsgerechtigden (groep 2 tot en met 8) vertoont het aandeel dat geen ondersteuning krijgt een vergelijkbare mate van variatie. Het gaat echter wel telkens om andere gemeente typen waar relatief veel, of juist weinig ondersteuning wordt geboden. Zo zien we bij de relatief kleine groep ‘mannen met een hbo-/wo-opleiding en werkervaring’ (groep 8) een soortgelijk patroon als bij groep 1.
Deze groep staat bij vrijwel alle gemeentetypen in de top drie van groepen waar de minste ondersteuning naartoe gaat. Tegelijkertijd is er wel variatie. Het aandeel van groep 8 dat geen ondersteuning krijgt is laag in de noordelijke (klein)stedelijke gemeenten (21%) en hoog in de noordelijke studentensteden (42%). De grote groep ‘mensen met ggz- en schuldenproblematiek’ (groep 2) krijgt landelijk gezien ook relatief weinig sociaaldomeinondersteuning, maar het gemeentelijke beeld is wat diffuser dan bij groep 1 en groep 8. Bij de helft van de gemeentetypen behoort ook deze groep tot de top drie van groepen die de minste ondersteuning krijgen. Maar bij de andere helft juist tot de drie groepen met het kleinste aandeel zonder ondersteuning (noordelijke en oostelijke kleinschalige gemeenten en oostelijke (klein)stedelijke gemeenten en de noordelijke studentensteden). De overige groepen (groep 3 t/m 7) verschillen in het landelijke beeld niet zoveel van elkaar in de mate waarin ze sociaaldomeinondersteuning ontvangen. Daarbij is het aandeel dat geen ondersteuning krijgt vaak hoog in de noordelijke en oostelijke studentensteden (33-39%), en vaak laag in de noordelijke en (klein)stedelijke gemeenten (15-16%).
We zien, kortom, dat het voor bijstandsgerechtigden met bepaalde achtergrondkenmerken en problematiek uitmaakt in welk gemeentetype ze wonen of ze ondersteuning krijgen uit het sociaal domein. Dit kan te maken hebben met de aandelen van de verschillende groepen bijstandsgerechtigden in de gemeenten, maar ook met het aanbod van allerlei andere voorzieningen, of keuzes van de gemeenten. Hierover geeft deze analyse geen informatie. Tegelijkertijd zien we in alle gemeentetypen het landelijke patroon dat met name de bijstandsgerechtigden in groep 1 (ouderen met alleen een basis-/vmbo-opleiding en gezondheids problemen) relatief vaak geen ondersteuning krijgen. In het navolgende gaan we na in hoeverre gemeentetypen verschillen in het type ondersteuning dat ze wel bieden aan de verschillende groepen.
58
V erschillen in sociaaldomeinondersteuning tussen gemeenten
Tabel 6.1 Geen ondersteuning uit het sociaal domein naar bijstandsgroep en gemeentetype, bijstandsgerechtigden in 2019 en hun ondersteuning in de periode 2017-2019 (in procenten)a,b,c kleinschalig noord
oost
kleinstedelijk
west
zuid
noord
oost
studentensteden
west
zuid
noord
oost
welvarend
west
zuid
landelijk gemiddelde
groep 1
31
29
32
38
28
34
32
41
45
48
32
50
33
35
groep 2
21
19
23
26
18
25
21
27
34
38
22
37
24
24
groep 3
19
19
18
25
16
23
18
24
35
37
17
32
21
21
groep 4
20
21
22
24
15
27
20
25
38
40
17
31
19
23
groep 5
23
20
19
21
16
24
19
21
37
37
18
32
20
22
groep 6
22
19
22
21
15
25
19
22
37
37
18
29
21
22
groep 7
22
20
26
24
16
27
20
26
34
33
21
31
23
24
groep 8
24
24
29
29
21
29
24
26
42
40
23
34
24
26
landelijk gemiddelde
25
24
27
31
22
29
26
33
39
42
26
42
28
29
Leesvoorbeeld: Van de bijstandsgerechtigden in groep 1 krijgt gemiddeld 35% geen sociaaldomeinondersteuning (eerste rij, laatste kolom). In de noordelijke kleinschalige gemeenten geldt dat voor 31 van hen (eerste rij, eerste kolom; horizontale vergelijking). Gemiddeld ontvangt in de welvarende gemeenten 28% van de bijstandsgerechtigden geen sociaaldomeinondersteuning (laatste rij, een-na-laatste kolom). Dit geldt in die gemeenten voor 33% van de bijstandsgerechtigden in groep 1 (eerste rij, een-na-laatste kolom; verticale vergelijking). a De cijfers in deze tabel hebben betrekking op mensen die in 2019 een bijstandsuitkering ontvingen. We kijken daarbij naar de ondersteuning die zij in de periode 2017-2019 hebben ontvangen. b Groep 1: ouderen met alleen een basis-/vmbo-opleiding en gezondheidsproblemen; Groep 2: mensen met ggz- en schuldenproblematiek; Groep 3: eerstegeneratiejongeren met kinderen; Groep 4: jonge alleenstaande moeders; Groep 5: alleenstaande ouders in het doelgroepregister; Groep 6: doelgroepers met een middelgrote baan; Groep 7: tweedegeneratiejongvolwassenen met problemen; Groep 8: mannen met een hbo-/wo-opleiding en werkervaring.
c Rood: het aandeel dat geen gebruik maakt van sociaaldomeinvoorzieningen is groter dan het landelijke gemiddelde; geel: het aandeel is gelijk aan het landelijke gemiddelde; groen: het aandeel is kleiner dan het landelijke gemiddelde. Bron: CBS (SCP-werkbestand 2019, zie bijlage A.2)
59
V erschillen in sociaaldomeinondersteuning tussen gemeenten
6.2.2
Re-integratieondersteuning
Uit de literatuur blijkt dat re-integratieondersteuning vaak aan het begin van de bijstandsperiode wordt gegeven (De Hek et al. 2022). Tabel 6.2 bevestigt dat. Gemeenten zetten in het algemeen de meeste re-integratieondersteuning in voor de groepen 3 tot en met 8. Deze groepen zijn gemiddeld genomen jonger en zitten minder lang in de bijstand dan de twee grote groepen ‘ouderen met alleen een basis-/ vmbo-opleiding en gezondheidsproblemen’ (groep 1) en ‘mensen met ggz- en schuldenproblematiek’ (groep 2). Net als bij het aandeel dat geen sociaaldomeinondersteuning krijgt zijn er binnen de groepen bijstandsgerechtigden verschillen in het aandeel dat re-integratieondersteuning krijgt. Zo is het aandeel ‘ouderen met alleen een basis-/vmbo-opleiding en gezondheidsproblemen’ (groep 1) dat in de periode 2017-2019 een re-integratievoorziening krijgt 26% in de zuidelijke studentensteden, en 59% in de oostelijke kleinschalige gemeenten. Ook bij de andere grote groep ‘mensen met ggz- en schuldenproblematiek’ (groep 2) en de groepen die relatief vaak kinderen hebben (groep 3 t/m 5) is er vrij veel variatie. Bij de groepen die vaak re-integratie krijgen (zie hoofdstuk 4), zien we iets minder variatie in de keuzes die gemeenten maken.
Het gaat om de groepen: ‘doelgroepers met een middelgrote baan’ (groep 6), ‘tweedegeneratiejongvolwassenen met problemen’ (groep 7), en ‘mannen met een hbo-/wo-opleiding en werkervaring’ (groep 8).
60
V erschillen in sociaaldomeinondersteuning tussen gemeenten
Tabel 6.2 Re-integratieondersteuning naar bijstandsgroep en gemeentetype, bijstandsgerechtigden in 2019 en hun ondersteuning in de periode 2017-2019 (in procenten)a,b,c,d kleinschalig noord
oost
kleinstedelijk
west
zuid
noord
oost
studentensteden
west
zuid
noord
oost
welvarend
west
landelijk gemiddelde
zuid
groep 1
55
59
55
48
57
48
51
41
38
29
48
26
55
48
groep 2
63
66
61
55
69
56
63
54
50
35
61
35
61
58
groep 3
70
70
70
61
75
61
71
62
51
41
73
47
68
66
groep 4
71
70
66
63
78
60
70
61
50
42
73
48
71
66
groep 5
67
71
69
67
78
63
71
67
51
45
73
51
70
67
groep 6
69
71
69
66
77
62
71
67
54
49
74
55
69
68
groep 7
70
69
65
65
76
63
72
63
58
50
72
53
70
67
groep 8
68
66
61
58
71
59
68
63
50
46
70
51
65
64
landelijk gemiddelde
61
63
60
54
66
54
59
50
45
34
57
35
60
55
a De cijfers in deze tabel hebben betrekking op mensen die in 2019 een bijstandsuitkering ontvingen. We kijken daarbij naar de ondersteuning die zij in de periode 2017-2019 hebben ontvangen. b Groep 1: ouderen met alleen een basis-/vmbo-opleiding en gezondheidsproblemen; Groep 2: mensen met ggz- en schuldenproblematiek; Groep 3: eerstegeneratiejongeren met kinderen; Groep 4: jonge alleenstaande moeders; Groep 5: alleenstaande ouders in het doelgroepregister; Groep 6: doelgroepers met een middelgrote baan; Groep 7: tweedegeneratiejongvolwassenen met problemen; Groep 8: mannen met een hbo-/wo-opleiding en werkervaring. c Rood: het aandeel dat gebruikmaakt van re-integratieondersteuning is kleiner dan het landelijke gemiddelde; geel: het aandeel is gelijk aan het landelijke gemiddelde; groen: het aandeel is groter dan het landelijke gemiddelde. d In deze tabel gaat het om re-integratieondersteuning, al dan niet in combinatie met Wmo of jeugdzorg. Bron: CBS (SCP-werkbestand 2019, zie bijlage A.2)
61
V erschillen in sociaaldomeinondersteuning tussen gemeenten
6.2.3 Wmo Naast re-integratieondersteuning zetten gemeenten soms andere ondersteuning in vanuit het sociaal domein. We richten ons in dit hoofdstuk op Wmo-ondersteuning en de combinatie van voorzieningen. Het aandeel bijstandsgerechtigden dat alleen jeugdzorg gebruikt is relatief laag, waardoor de verschillen moeilijker te duiden zijn. Het aandeel bijstandsgerechtigden in 2019 dat in de periode 2017-2019 ondersteuning krijgt vanuit de Wmo is het hoogst bij de groep ‘mensen met ggz- en schuldenproblematiek’ (groep 2). Dit geldt zowel op landelijk niveau (zie hoofdstuk 4) als bij alle gemeentetypen (tabel 6.3). Landelijk heeft ruim een kwart (27%) van deze groep Wmo-ondersteuning. Op lokaal niveau varieert dit van 22% in de noordelijke studentensteden tot 31% in de oostelijke kleinschalige gemeenten. Ook de groep ‘ouderen met alleen een basis-/vmbo-opleiding en gezondheidsproblemen’(groep 1) krijgt over de hele linie relatief vaak Wmo-ondersteuning. Dit zijn ook de twee groepen die vaak lang in de bijstand verblijven (figuur 3.8) en minder vaak re-integratieondersteuning ontvangen (tabel 6.2). In de kleine groepen (groep 3 tot en met 8) ontvangt veelal een kleiner deel Wmo. Dit is met name het geval bij de groepen 7 en 8 (‘tweedegeneratiejongvolwassenen met problemen’ en ‘mannen met een hbo-/wo-opleiding en werkervaring’).
62
V erschillen in sociaaldomeinondersteuning tussen gemeenten
Tabel 6.3 Wmo-ondersteuning naar bijstandsgroep en gemeentetype, bijstandsgerechtigden in 2019 en hun ondersteuning in de periode 2017-2019 (in procenten)a,b,c,d kleinschalig noord
oost
kleinstedelijk
west
zuid
noord
oost
studentensteden
west
zuid
noord
oost
welvarend
west
zuid
landelijk gemiddelde
groep 1
22
19
17
17
23
23
23
21
21
24
24
22
16
22
groep 2
30
31
25
30
28
29
27
28
22
28
26
30
24
27
groep 3
18
21
16
18
18
22
18
21
16
21
17
22
14
18
groep 4
19
19
15
21
17
20
18
23
12
20
17
24
17
18
groep 5
18
21
17
21
16
21
19
21
13
21
16
22
17
19
groep 6
19
21
17
23
18
21
18
22
14
19
17
25
16
19
groep 7
15
19
15
17
15
20
16
17
14
16
14
19
13
16
groep 8
19
18
14
19
13
18
14
17
11
16
12
19
14
15
landelijk gemiddelde
23
22
19
21
23
24
23
23
20
24
23
24
18
23
a De cijfers in deze tabel hebben betrekking op mensen die in 2019 een bijstandsuitkering ontvingen. We kijken daarbij naar de ondersteuning die zij in de periode 2017-2019 hebben ontvangen. b Groep 1: ouderen met alleen een basis-/vmbo-opleiding en gezondheidsproblemen; Groep 2: mensen met ggz- en schuldenproblematiek; Groep 3: eerstegeneratiejongeren met kinderen; Groep 4: jonge alleenstaande moeders; Groep 5: alleenstaande ouders in het doelgroepregister; Groep 6: doelgroepers met een middelgrote baan; Groep 7: tweedegeneratiejongvolwassenen met problemen; Groep 8: mannen met een hbo-/wo-opleiding en werkervaring. c Rood: het aandeel dat gebruikmaakt van Wmo-ondersteuning is kleiner dan het landelijke gemiddelde; geel: het aandeel is gelijk aan het landelijke gemiddelde; groen: het aandeel is groter dan het landelijke gemiddelde. d In deze tabel gaat het om Wmo-ondersteuning, al dan niet in combinatie met re-integratie en/of jeugdzorg. Bron: CBS (SCP-werkbestand 2019, zie bijlage A.2)
63
V erschillen in sociaaldomeinondersteuning tussen gemeenten
6.2.4 Combinatie van re-integratie met andere ondersteuning Ook verschillen gemeenten in de mate waarin ze een combinatie aanbieden van re-integratie met andere sociaaldomeinvoorzieningen. De grote groep ‘ouderen met alleen een basis-/vmbo-opleiding en gezondheidsproblemen’ (groep 1) krijgt in alle gemeentypen het minst vaak een combinatie van re-integratie met Wmo of jeugdzorg (tabel 6.4). Gemeenten verschillen wel in de keuzes die ze hierin maken bij de groep ‘mensen met ggz- en schuldenproblematiek’ (groep 2). Het aandeel in die groep dat zo’n combinatie ontvangt varieert van ongeveer 14% in de oostelijke en zuidelijke studentensteden, tot 30% in de noordelijke kleinstedelijke gemeenten. In het algemeen geldt dat als gemeenten bij de ene groep relatief vaak een combinatie van re-integratie met andere voorzieningen inzetten, ze dat dan voor alle groepen bijstandsgerechtigden doen. Zo gebruiken alle groepen bijstandsgerechtigden in de noordelijke en oostelijke kleinschalige gemeenten en de noordelijke kleinstedelijke gemeenten relatief vaak een combinatie van voorzieningen. In de noordelijke, oostelijke en zuidelijke studentensteden komt dit bij alle bijstandsgroepen wat minder vaak voor dan het landelijke gemiddelde.
64
V erschillen in sociaaldomeinondersteuning tussen gemeenten
Tabel 6.4 Combinatie van re-integratieondersteuning met Wmo- of jeugdzorg-ondersteuning naar bijstandsgroep en gemeentetype, bijstandsgerechtigden in 2019 en hun ondersteuning in de periode 2017-2019 (in procenten)a,b,c kleinschalig noord
oost
kleinstedelijk
west
zuid
noord
oost
studentensteden
west
zuid
noord
oost
welvarend
west
zuid
landelijk gemiddelde
groep 1
16
15
14
12
18
13
15
11
13
8
15
7
13
14
groep 2
27
29
24
23
30
25
26
22
20
14
23
15
22
23
groep 3
24
26
24
21
26
21
24
20
18
12
21
17
19
21
groep 4
26
25
21
24
28
23
24
23
16
15
22
17
22
22
groep 5
24
26
23
24
27
23
25
24
14
16
23
18
23
23
groep 6
24
25
20
24
26
24
23
23
14
16
22
20
20
22
groep 7
21
23
20
17
23
21
21
19
15
13
18
15
18
19
groep 8
23
19
15
14
19
17
17
17
12
12
16
14
14
16
landelijk gemiddelde
21
21
19
17
24
19
20
17
16
11
19
12
17
18
a De cijfers in deze tabel hebben betrekking op mensen die in 2019 een bijstandsuitkering ontvingen. We kijken daarbij naar de ondersteuning die zij in de periode 2017-2019 hebben ontvangen. b Groep 1: ouderen met alleen een basis-/vmbo-opleiding en gezondheidsproblemen; Groep 2: mensen met ggz- en schuldenproblematiek; Groep 3: eerstegeneratiejongeren met kinderen; Groep 4: jonge alleenstaande moeders; Groep 5: alleenstaande ouders in het doelgroepregister; Groep 6: doelgroepers met een middelgrote baan; Groep 7: tweedegeneratiejongvolwassenen met problemen; Groep 8: mannen met een hbo-/wo-opleiding en werkervaring. c Rood: het aandeel dat gebruikmaakt van combinaties van re-integratieondersteuning met Wmo en/of jeugdzorg is kleiner dan het landelijke gemiddelde; geel: het aandeel is gelijk aan het landelijke gemiddelde; groen: het aandeel is groter dan het landelijke gemiddelde. Bron: CBS (SCP-werkbestand 2019, zie bijlage A.2)
65
V erschillen in sociaaldomeinondersteuning tussen gemeenten
6.3 Tot slot Gemeenten verschillen in de ondersteuning van groepen bijstandsgerechtigden met vergelijkbare problematiek, zo laat dit onderzoek zien. Sommige gemeenten zetten meer in op re-integratie, andere op Wmo en weer andere kiezen voor een combinatie van ondersteuning. Dit past binnen het idee achter de decentralisaties dat gemeenten beleidsvrijheid hebben en hun ondersteuning aan kunnen passen aan de lokale behoeften. De ene gemeente zal bijvoorbeeld regelmatig hun hele bijstandsbestand doorlichten, andere gemeenten niet. Ook verschillen gemeenten in ‘strengheid’ waarmee zij de vereisten van de Participatiewet opleggen (Muns 2019). Andere factoren kunnen eveneens een rol spelen bij hun keuzen, bijvoorbeeld het politieke klimaat van een gemeente, de organisatiecultuur of de financiële situatie (Marlet et al. 2017). Overigens werken gemeenten op het terrein van het sociaal domein vaak samen in regionale samenwerkingsverbanden, waardoor keuzes niet op gemeentelijk maar op regionaal niveau gemaakt worden (ROB 2020). Tegelijkertijd zien we in dit onderzoek over het geheel genomen een vergelijkbaar patroon als het gaat om welke groepen veel of weinig ondersteuning krijgen. Juist de groepen die al langer afhankelijk zijn van een bijstandsuitkering krijgen de minste ondersteuning (Van Echtelt et al. 2019; NLA 2022).
Dit duidt erop dat gemeenten wel enige ruimte hebben de ondersteuning naar eigen inzicht in te vullen, maar dat zij hierin sterk gestuurd worden door het landelijke kader (bv. wetgeving, financiële kaders). Het is mogelijk dat gemeenten nog niet alle ruimte gebruiken die er binnen de wettelijke kaders beschikbaar is (ROB 2021; Vonk et al. 2021). Tegelijkertijd is het niet aannemelijk dat gemeenten een andere invulling aan de ondersteuning zullen geven zolang deze kaders niet beter aansluiten bij de ondersteuningsbehoeften van bijstandsgerechtigden met een stapeling van problemen.
66
V erschillen in sociaaldomeinondersteuning tussen gemeenten
Summary
Attention to accumulation of problems Recently, the Netherlands Institute for Social Research (SCP) demonstrated that an effective strategy to combat structural inequality in society hinges on a perspective that goes beyond a purely economic approach focused on work and income (Vrooman et al. 2023). An overly one-sided focus on work and income is unlikely to offer much of a solution unless other problems are also dealt with. This is because it is more difficult for people to invest in things like training and work if they are simultaneously facing problems in multiple life domains, such as their mental and physical health or their social network, or if they lack the skills to survive in an increasingly complex society. The importance of addressing these problems is highlighted by the fact that people with a combination of problems frequently occupy a disadvantaged position in society. Such people participate less in society, experience loneliness more often (De Klerk et al. 2023; Verbeek et al. 2023) and are less trusting of other people and the government (Vrooman et al. 2023). Turning this situation around will require a comprehensive strategy that transcends the various life domains.
A broad view of social assistance Such a comprehensive strategy is especially important for those who have been dependent on social assistance for longer periods of time. People who receive social assistance (around 400,000 individuals at the end of 2022, CBS 2022a) often experience problems in multiple life domains. These are particularly related to occupational disabilities, debts and poor health (Doove et al. 2018). Since 2015, social assis tance has been regulated by the Participation Act. Aside from providing income support, the main purpose of this Act is to get people into work. Although some of those who are entitled to social assistance are capable of work if given proper support, a considerable number of these people – and the municipalities responsible for them – believe that their accumulated problems rule out any real prospect of paid work, even in the current situation of labour shortages (NLA 2022; SZW 2022). This group would benefit from a broader view of social assistance that includes perspectives other than a transition to paid work. It is partially for this reason that the government is considering a fundamental review of the Participation Act.51 The present quantitative study provides input for the ongoing discussion about this review.
It illustrates the problems that people entitled to social assistance are facing in multiple life domains and explores to what extent they receive support through their municipal social domain. The objective of this study is to offer a broader view of the problems experienced by those who receive social assistance.
People entitled to social assistance often experience an accumulation of problems This study establishes that people entitled to social assistance experience an accumulation of problems in multiple life domains more often than those who do not receive social assistance. Although this does not apply to all people entitled to social assistance, problems in the work and income sphere are often accompanied by various kinds of other obstacles in daily life. A striking data point was the large number of people entitled to social assistance who have health problems (see also Van Echtelt et al. 2022). Survey data52 have shown that people entitled to social assistance struggle with household chores or mildly strenuous physical activity (like walking or climbing the stairs), have a small social network and have limited administrative skills more often than the average person. They also believe they have less control This refers to the ‘second track’ of the review. Review track 1 concerns proposed amendments to the Participation Act with a particular focus on addressing perceived ‘intransigences’ in the law, such as the limits on additional earnings and income from donations. Review track 2 concerns further elaboration of the initial steps already taken towards restoring the human dimension, rebuilding trust and simplifying the implementation of the Act.
This is a long-term project that entails not only a more fundamental and broader view of the Participation Act itself, but also of how it relates to other laws such as the Social Support Act 2015 (Wmo) and the Youth Act. Finally, review track 3 concerns the promotion of expertise among professionals who are working with the municipal authorities to implement the Participation Act (House of Representatives 2022/2023). 52 The survey referred to is the SociaalDomeinIndex 2021 (SDI’21) – see Appendix A.1 to this report at www.scp.nl. 51
67
SUMMARY
over their own lives and feel less resilient than others. They spend less of their free time taking an active part in society (e.g. through club membership, cultural/leisure activities or sports), experience belowaverage life satisfaction and feel lonely more frequently than those who do not receive social assistance. The fact that the problems highlighted by these data cover various aspects of personal well-being stresses the importance of an approach to the problems of people entitled to social assistance that looks beyond economic factors like work and income.
People entitled to social assistance who experience an accumulation of problems receive only limited support under the Participation Act Earlier research has demonstrated that those groups of people entitled to social assistance who experience the most complex set of problems receive the least support under the Participation Act (see e.g. Van Echtelt et al. 2019; NLA 2022). Explanations for this include the funding structure of the Participation Act, its fragmented regulation and implementation and its focus on a transition to work. The research data confirm that those who have been dependent on social assistance for longer periods of time often do not receive or no longer receive occupational rehabilitation support. There are other ways for municipal authorities to support people entitled to social assistance through the social domain. Data from the Statistics Netherlands register indicate that those entitled to social assistance apply for support under the Social Support Act 2015 (Wmo)53 and the Youth Act54 relatively often. However, the analyses also show that some of them do not receive or no longer receive any support through the social domain at all.
Looking at the groups of people entitled to social assistance who experience the most complex set of problems55, we find that particularly the group of ‘elderly recipients with only primary school/pre-vocational secondary education and health problems’ receives support through the social domain less often than other groups. This may be due to the relatively long period of time that they have been dependent on social assistance (often for more than five years) and the fact that support under the Participation Act is mostly given shortly after recipients become dependent on social assistance (De Hek et al. 2022). Considering the diversity of the problems that affect some of the people entitled to social assistance, it seems obvious that the Participation Act should leave more room for support that is not specifically aimed at getting people into paid work. Possible alternatives include a ‘life first’ approach and support aimed at participation in society – e.g. through volunteering – or alternative types of work, such as sheltered employment. While municipal authorities already provide these kinds of support in practice, it is open to question whether the Participation Act offers sufficient room and resources for this.
When it comes to an approach that looks at all aspects of life, it is essential to consider carefully to what extent people are able to manage on their own, whether they require rehabilitation or broader support and whether they need this support immediately upon qualifying for social assistance or at a later stage. Bearing all that in mind, the figures on which this study is based do not provide enough clues to say one way or the other whether people who do not currently receive support through the social domain would benefit from that support in terms of addressing the problems they experience in daily life or their participation in society. We also lack adequate information on other types of support offered by municipal authorities, such as debt assistance and minimum-income policies.
The present study considers only the personalised arrangements provided under the Wmo, not the general arrangements like community centres and social work in general. 54 Although support under the Youth Act is usually provided to families with children, young adults may also qualify. In that case, they are entitled to extended support under the Youth Act until they reach the age of 23. 55 We divided people entitled to social assistance into eight groups on the basis of their characteristics and problems. In addition to personal traits, the characteristics included education level, health, debt and work experience. We defined the groups by means of a latent class analysis. See Chapter 3 for further details. 53
68
SUMMARY
Types of support vary between municipal authority types Municipal authorities56 have different priorities when it comes to supporting groups of people who are entitled to social assistance and have similar problems. This is consistent with the principle that in a decentralised system, municipal authorities should have the discretion to make their own policies and adapt the support they offer to local needs. There are also differences between municipal authorities in terms of the problems faced by the people entitled to social assistance. Furthermore, the choices that municipal authorities make may be influenced by other factors, such as their political climate, organisational culture or financial situation. Some municipal authority types prioritise rehabilitation support, others focus on providing support under the Wmo and yet others opt for a combination of provisions based on the applicable legal frameworks. That said, the pattern that emerges for all municipal authority types is that the groups of people entitled to social assistance who have often been dependent on social assistance for longer periods of time receive no support through the social domain.
This comes with the proviso that these people may receive other types of support (through their municipal authority or otherwise) that are outside of the scope of this study (such as debt assistance or support on the basis of minimum-income policies). The consistent pattern across all municipal authority types suggests that this is a consequence of the existing national frameworks (e.g. legislation, budgets). It is possible that municipal authorities do not make optimal use of the room afforded to them by the applicable legal frameworks (Council for Public Administration 2021; Vonk et al. 2021). At the same time, it is unlikely that municipal authorities will organise the support they offer differently unless the legal frameworks become more closely aligned with the support needs of people entitled to social assistance who experience an accumulation of problems.
Policy ramifications As stated previously, people entitled to social assistance experience problems in a variety of life domains. This highlights the importance of broadening the scope of the Participation Act in terms of its objectives. Although some of those who are entitled to social assistance are capable of work if given proper support, this does not apply to everyone. For this latter group, it is important to look at aspects other than paid work. This will require a broader perspective on the Participation Act. To the extent that the national frameworks and available budgets allow, municipal authorities will need to make choices about the level of support they provide to different groups. This was confirmed by the recent SCP study Sociale en Culturele Ontwikkelingen 2023 (Social and Cultural Developments 2023, Verbeek et al. 2023). If the central government wants to bring the support available to people entitled to social assistance more into line with their support needs, it will need to make changes not only to the implementation of this support, but also to the applicable organisational and institutional frameworks at both the national and municipal levels.
The present exploratory study has yielded a number of points for attention for the central government and municipal authorities to take on board if they want to improve their support to those entitled to social assistance.
1
Identify broader support needs
If municipal authorities want to offer a suitable range of support options to people entitled to social assistance, their first priority should be to obtain a complete picture of these people’s support needs. This will involve aligning the approach under the Participation Act more closely with the Wmo approach, which puts more of an emphasis on investigating the reasons that underpin support needs (Kromhout et al. 2020). Municipal authorities are often well aware of the problems that people have when they first qualify for social assistance. At any rate, they know what these people who are entitled to social assistance need in order to get back into work. However, municipal authorities sometimes lose track of those entitled to social assistance when paid work is no longer considered a viable option, leading to these people becoming dependent on social assistance for a longer period of time (De Beleidsonderzoekers 2018). Consequently, their picture of the problems that people encounter in their daily lives is less clear. Within the current Participation Act framework, municipal authorities have a strong focus on enforcement aspects and on the support needs of people who are capable of transitioning into work – although they have stepped up their efforts to identify the problems experienced by all people entitled to social 56
The present study does not consider each municipality separately, but groups municipal authorities with similar population characteristics by type on the basis of the SCP’s own municipal typology (Vermeij et al. 2021). We split these groups further by region, so that we could assess regional variations as well. The study results are insufficiently conclusive to make any definitive statements on the allocation of resources across the various municipalities or municipal authority types.
69
SUMMARY
assistance. Such an identification effort requires the specific knowledge (expertise) of client managers (see review track 3 in the recent letter from the Minister of Social Affairs and Employment, House of Representatives (TK) 2022/2023). In addition to the above, the client managers’ vast case loads and the high pressure that they are under have been singled out as obstacles to a broader approach.
2
Align administrative and legal instruments with these broader support needs
Considering the accumulation of problems experienced by some people entitled to social assistance, it is worth reviewing whether the administrative and legal instruments provided for in the Participation Act are still fit for purpose in view of what people entitled to social assistance need in order to participate fully in society again. The focus on getting people into work may lead to other problems being left unaddressed. Whether the usual instruments provided for in the Participation Act (e.g. job application training or job coaching), which are intended to get people into paid work, are suitable and effective is open to question. People may benefit more from other types of support based on an approach that looks at all aspects of life (e.g. a life coach or administrative support). It is also worthwhile to explore other types of participation in society that might be suitable for people entitled to social assistance, such as those aimed at expanding their network or preventing loneliness. While not an effective way to get people into paid work in the short term, these may enhance their quality of life. For some groups, this may lead to paid work in the longer term. It may be possible to transition more people who are entitled to social assis tance to alternative types of work, such as secondments, trial placements and volunteering.
More generally, it is important to verify whether the support offered through the social domain (whether covered by the Participation Act or not) is currently a close enough match with the support needs of those entitled to social assistance.
3
Harmonise policy frameworks
In view of the accumulation of problems that some people entitled to social assistance experience, it seems necessary to adopt an approach that encompasses multiple life domains. This will entail not just a reorganisation of the way support is implemented, but also an amendment of the applicable legal frameworks. The fragmentation of these frameworks poses an obstacle to a broad, coherent approach when it comes to addressing problems in multiple life domains. It is therefore essential to harmonise these frameworks at the national level. To achieve this, the problems that people entitled to social assistance experience in terms of work and income will need to be considered in tandem with their problems in other life domains and parties will need to work together across the various domains. In practice, however, municipal authorities are faced with several obstacles. Differences between the features of the various legal frameworks have proven one stumbling block. Another is the fragmented policymaking and implementation at both the national and municipal level (Kromhout et al. 2020). This is not just an implementation problem to be solved by municipal authorities, but also calls for institutional changes (see also Vrooman et al. 2023).
In this context, it should be taken into account that investments based on one legal framework do not always lead to a positive outcome under that same framework. As an example, support provided on the basis of the Wmo may lead to a reduction in support on the basis of the Participation Act (see e.g. Verlaat and Zulkarnain 2022 on the topic of experiments with the Participation Act). This policy area fragmentation can be resolved by better coordination between policymakers. This could lead to – for example – an outline letter for the entire social domain that sets out a shared policy vision on the harmonisation of legal frameworks (Verbeek et al. 2023).
4
Focus on more than just paid work
In the experience of both municipal authorities and people entitled to social assistance themselves, those who receive social assistance often have little real chance of finding paid work in the short term (Van Echtelt et al. 2019). This makes it questionable whether the Participation Act’s focus on getting people into work is a tenable one. Greater emphasis on other types of participation (such as volunteering) for people entitled to social assistance is more beneficial to their quality of life. This is not to say that a broad view of social assistance necessarily means that the focus on transitioning to paid work should disappear altogether. After all, it remains vital that people continue to have the opportunity to earn a living and participate in society by being active on the labour market (Versantvoort 2022). 70
SUMMARY
Literatuur
Arum, Silke van, Sanneke Verweij, Kiyomid van der Veer, m.m.v. Inge Redeker, Frouke Sondeijker en Hilde van Xanten (2018). Wat werkt bij integraal werken in de wijk. Cliënt en professional. In vertrouwen samenwerken aan een oplossing. Utrecht: Movisie. Arum, Silke van, René Broekroelofs en Hilde van Xanten (2020). Sociale (wijk)teams: vijf jaar later. Utrecht: Movisie. Bannink, Duco en Hans Bosselaar (2018). Het probleem samenwerken. Duiden en verbinden: ironische uitwegen uit vastgelopen samenwerking. Den Haag: Boom Bestuurskunde. Batterink, Maarten, Irene Lapajian en Jaap Meijer (2018). Regionale verschillen in het gebruik van jeugdhulp met verblijf. Barneveld: Significant. Beer, Paul de (2001). Over werken in de postindustriële samenleving. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Binkhorst, Joep en Jean Pierre Wilken (2021). Integraal samenwerken op het snijvlak van Participatiewet en Wmo. In: Tijdschrift voor Arbeidsvraagstukken, jg. 37, nr. 3, p. 357-369. Blonk, Ronald (2021). Menselijke maat. In: Tijdschrift voor Arbeidsvraagstukken, jg. 37, nr. 3, p. 293-295 (doi.org/10.5117/TVA2021.3.003.BLON). Boele, Wilfred (2020). Integraal activeren: moeilijk, maar mogelijk. In: Hans Bosselaar (red.), Met andere ogen. Onderzoekers over 5 jaar Participatiewet (p. 125-138). Den Haag: Boom Bestuurskunde. Boelhouwer, Jeroen (2016). Het brede-welvaartsbegrip volgens het SCP.
Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Bolier, Linda (2012). Van geluk naar veerkracht. Kansen voor de geestelijke gezondheid. In: Crétien van Campen, Ad Bergsma, Jeroen Boelhouwer, Jacqueline Boerefijn en Linda Bolier (red.), Sturen op geluk. Geluksbevordering door nationale overheden, gemeenten en publieke instellingen (p. 68-73). Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Bosselaar, Hans, Erica Maurits, Petra Molenaar-Cox en Rienk Prins (2010). Multiproblematiek bij cliënten. Verslag van een verkenning in relatie tot (arbeids)participatie. Den Haag: Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Canoy, Marcel en Sandra van Dijk (2021). Bijstand of tegenstand (column). In: Sociale Vraagstukken, 10 december 2021. Geraadpleegd 12 januari 2022 via www.socialevraagstukken.nl/column/ bijstand-of-tegenstand. CBS (2018). Introductie nieuwe SRG-richtlijnen 2019. Den Haag/Heerlen: Centraal Bureau voor de Statistiek. CBS (2021). Kenmerken van huishoudens met geregistreerde problematische schulden. Geraadpleegd 4 oktober 2022 via dashboards.cbs.nl/v3/SchuldenproblematiekInBeeld. CBS (2022a). Personen met bijstand; persoonskenmerken. Geraadpleegd 11 november 2022 via opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/82016NED/table. CBS (2022b). Bijstandsuitkeringen; uitkeringsgrondslag, regio’s. Geraadpleegd 11 november 2022 via opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/82015NED/table. CBS (2022c).
Documentatierapport Stapelingsbestand SZW 2012-2020. Geraadpleegd 11 november 2022 via www.cbs.nl/nl-nl/onze-diensten/maatwerk-en-microdata/microdata-zelf-onderzoek-doen/ maatwerk-microdatabestanden. CBS (2022d). CBS introduceert nieuwe indeling bevolking naar herkomst. Geraadpleegd 11 november 2022 via www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2022/07/cbs-introduceert-nieuwe-indeling-bevolking-naar-herkomst. CBS (2022e). Asiel en integratie. Cohortonderzoek asielzoekers en statushouders. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek. CBS (2022f). Schuldenproblematiek in Beeld. Geraadpleegd 7 november 2022 via dashboards.cbs.nl/v3/ SchuldenproblematiekInBeeld. CBS (2022g). Medicijntab: Geneesmiddelen op ATC-code (4). Geraadpleegd 31 oktober 2022 via www.cbs.nl/ nl-nl/onze-diensten/maatwerk-en-microdata/microdata-zelf-onderzoek-doen/microdatabestanden/ medicijntab-geneesmiddelen-op-atc-code--4--. CBS (2022h). Re-integratie-/participatievoorzieningen; type, status voorziening en regio. Geraadpleegd 27 oktober 2022 via opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/84510NED/table. 71
L I T E R AT U U R
CBS (2022i). Huishoudens; grootte, samenstelling, positie in het huishouden, 1 januari. Geraadpleegd 2 december 2022 via opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/82905NED/table?ts=1669968487044. CBS (2022j). Dashboard Werk en inkomen. Geraadpleegd 15 november 2022 via www.waarstaatjegemeente. nl/dashboard/dashboard/werk-en-inkomen. CBS (2023a). Personen met bijstand; persoonskenmerken. Geraadpleegd maart 2023 via opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/82016NED/table?ts=1675072682010. CBS (2023b). Statushouders met bijstandsuitkering, 2014-2021. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek. Geraadpleegd maart 2023 via www.cbs.nl/nl-nl/maatwerk/2023/05/ statushouders-met-bijstandsuitkering-2014-2021. CPB/SCP (2020). Kansrijk armoedebeleid. Den Haag: Centraal Planbureau en Sociaal en Cultureel Planbureau. CPB/PBL/SCP (2022). Verankering van brede welvaart in de begrotingssystematiek. Voortgangsrapportage van de drie gezamenlijke planbureaus. Den Haag: Centraal Planbureau/Planbureau voor de Leefomgeving/Sociaal en Cultureel Planbureau. Geraadpleegd maart 2023 via www.scp.nl/publicaties/publicaties/2022/06/30/ verankering-van-brede-welvaart-in-de-begrotingssystematiek. Cuelenaere, B., E. van den Brink en J. Leenen (2019). Ervaringen gemeenten met Participatiewet. Rapportage derde meting. Tilburg: Centerdata. De Beleidsonderzoekers (2018). Klant in beeld.
Hoe zinvol is het voor gemeenten om bijstandsgerechtigden beter te leren kennen? Leiden: De Beleidsonderzoekers. Dirven, Henk-Jan (2021). Binding met de arbeidsmarkt en onbenut potentieel van bijstandontvangers. In: Tijdschrift voor Arbeidsvraagstukken, jg. 37, nr. 3, p. 398-407 (doi.org/10.5117/TVA2021.3.011.DIRV). Doove, Sophie, Alderina Dill, Manon Joosten en Bram Rouw (2018). Uitstroom uit de langdurige bijstand. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek. Duyndam, Joachim (2016). Veerkracht, een bijdrage aan de theorievorming. In: Geron, jg. 18, nr. 3, p. 58-61. Echtelt, Patricia van (2010). Een baanloos bestaan. De betekenis van werk voor werklozen, arbeidsongeschikten en werkenden. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Echtelt, Patricia van en Esther van den Berg (2022). Maatwerk. In: Lex Veldboer, Radboud Engbersen, Erna Hooghiemstra, Judith Jansen, Laura Koeter, Lou Repetur, Jesper Rözer en Ard Sprinkhuizen (red.), Lexicon nabijheid en sociaal werk (p. 152-156). Utrecht: Movisie/Werkplaatsen Sociaal Domein. Echtelt, Patricia van en Maurice Guiaux (2012). Verzorgd uit de bijstand. De rol van gedrag, uiterlijk en taal bij de re-integratie van bijstandsontvangers. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Echtelt, Patricia van en Edith Josten (2012). Werken voor je geld.
In: Vic Veldheer, Jedid-Jah Jonker, Lonneke van Noije en Cok Vrooman (red.), Een beroep op de burger. Minder verzorgingsstaat, meer eigen verantwoordelijkheid? Sociaal en Cultureel Rapport 2012 (p. 95-115). Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Echtelt, Patricia van, Klarita Sadiraj, Stella Hoff, Sander Muns, Kasia Karpinska, Djurre Das en Maroesjka Versantvoort, m.m.v. Lisa Putman (2019). Eindevaluatie van de Participatiewet. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Echtelt, Patricia van, m.m.v. Evelien Eggink, Stella Hoff en Klarita Sadiraj (2022). Kennisnotitie Chronisch zieken in de bijstand. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Edzes, Arjen, Ruud Muffels, Alice Zulkarnain, Egbert Jongen, Mark Sanders, Timo Verlaat, Janos Betko, Henk-Wim de Boer, Janneke Bolhaar, Peter Gramberg, Loek Groot, Stephanie Rosenkranz, Richard Rijnks, Niels Spierings en Viktor Venhorst (2021). Perspectieven voor interventies in de bijstand. Experimenten Participatiewet. In: Tijdschrift voor Arbeidsvraagstukken, jg. 37, nr. 3, p. 327-356. Eggink, Evelien, Isolde Woittiez en Mirjam de Klerk (2020). Maatwerk in meedoen. Een vergelijking van zelfredzaamheid, hulpbronnen en kwaliteit van leven tussen mensen met en zonder een verstandelijke beperking. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Eijkel, Remco van, Sander Gerritsen, Klarita Sadiraj en Maroesjka Versantvoort (2020).
De brede baten van werk. Den Haag: Centraal Planbureau en Sociaal en Cultureel Planbureau. Engbersen, Radboud en Matthijs Uyterlinde (2017). Regionale verschillen geduid. Exploratief onderzoek naar hoog voorzieningengebruik in het sociale domein. Den Haag: Platform31. Engbersen, Radboud en Matthijs Uyterlinde (2018). Stedelijke verschillen in gebruik sociaal domeinvoorzieningen geduid. Exploratief onderzoek naar hoog en laag voorzieningengebruik in stedelijke rego’s. Den Haag: Platform31. Fenger, Menno (2019). Graniet of niet? Langdurig in de bijstand, dus kansloos? (presentatie Benchlearnbijeenkomst Divosa, 5 april 2019). Geraadpleegd 2 december 2022 via www.divosa.nl/sites/default/files/190405-presentatie-menno-fenger.pdf. 72
L I T E R AT U U R
FNV (2021). Passend vangnet gewenst. Verhalen over gevangen zitten in het huidige sociale vangnet. Geraadpleegd maart 2023 via www.fnv.nl/getmedia/f3bc12c7-e10f-4095-9bae-99567ea39758/ Gevangen-in-de-bijstand-rapport-FNV-Uitkeringsgerechtigden.pdf. Geppert, Christian en Sander Muns (2023). Verhoging van minimumloon en bijstand als wondermiddel voor welvaart en welbevinden van de lage inkomensgroep? Een ex-ante analyse van de gevolgen van de beleidswijziging in 2023/’24 voor inkomen, gezondheid en welzijn. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Gilsing, Rob, Cathelijne Mieloo en Wouter Reith (2020). Jeugdhulp in de wijken. Welke wijkkenmerken verklaren de verschillen tussen verwacht en werkelijk gebruik van jeugdhulp? Den Haag: De Haagse Hogeschool. Gool, Marc van, Maroesjka Versantvoort, Lonneke van Noije, Debbie Verbeek-Oudijk, Andries van den Broek en Crétien van Campen (2022). Reflectie op het coalitieakkoord 2021-2025 vanuit het burgerperspectief. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Heekelaar, Martin en Irene Van Eldik (2021). Ondersteuning en dienstverlening aan langdurig bijstandsgerechtigden. Utrecht: Berenschot. Hek, Paul de, Arie-Jan van der Toorn, Mark den Hartog, Elisa de Vleeschouwer en Kees Zandvliet (2022). Cohortstudie Participatiewet. Eindrapport. Rotterdam: SEOR.
Hoff, Stella, Corinne van Gaalen, Arjan Soede, Albert Luten, Cok Vrooman en Sanne Lamer (2009). Genoeg om van te leven. Focusgroepen in discussie over de minimale kosten van levensonderhoud. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau/Nibud. Hoff, Stella, Cok Vrooman, Jurjen Iedema, Jeroen Boelhouwer en Jeanet Kullberg (2021). Verschil in Nederland 2014-2020 (factsheet). Geraadpleegd maart 2023 via www.scp.nl/publicaties/publicaties/2021/10/07/verschil-in-nederland-2014-2020. Inspectie SZW (2019). Klantonderzoek monitor Participatiewet 2019. Den Haag: Inspectie SZW. Inspectie SZW (2021). Niet-gebruik van de algemene bijstand. Een onderzoek naar de omvang, kenmerken, langdurigheid en aanpak. Geraadpleegd maart 2023 via www.rijksoverheid.nl/documenten/publicaties/2021/06/15/bijlage-iii-inspectie-szw-rapportage-niet-gebruik-algemene-bijstand. Jehoel-Gijsbers, Gerda en Cok Vrooman (2007). Explaining Social Exclusion; A Theoretical Model Tested in The Netherlands. Den Haag: Sociaal en Cultreel Planbureau. Jong-Gierveld, Jenny de en Frans Kamphuis (1985). The development of a Rasch-type loneliness-scale. In: Applied Psychological Measurement, jg. 9, nr. 3, p. 289-299. Jong-Gierveld, Jenny de en Theo G. van Tilburg (2008). De ingekorte schaal voor algemene, emotionele en sociale eenzaamheid. In: Tijdschrift voor Gerontologie en Geriatrie, jg. 39, nr. 1, p. 4-15. Jongers, T. ’s (2022).
Zo worden armen in Nederland arm gehouden. In: De Correspondent, 13 september 2022. Kalshoven, Frank en Gertrude van Driesten (2018). Paradigma’s in het sociaal domein. Helder denken over wetgevingsparadigma’s in de Participatiewet, Jeugdwet en Wmo. Amsterdam: De Argumentenfabriek. Kampen, Thomas, Melissa Sebrechts, Trudie Knijn en Evelien Tonkens (red.) (2020). Streng maar onrechtvaardig. De bijstand gewogen. Amsterdam: Van Gennep. Klerk, Mirjam de, Evelien Eggink, Patricia van Echtelt, Mariska Kromhout, m.m.v. Esther van den Berg (2022). Uitdagingen in het sociaal domein. Nieuwe gemeentebesturen aan zet. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Klerk, Mirjam de, Evelien Eggink, Inger Plaisier en Klarita Sadiraj (2023). Zicht op zorgen. Kerncijfers over de problematiek, hulpbronnen, leefsituatie en ondersteuning van mensen in het sociaal domein. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Kremer, Monique (2022). Wirwar-verzorgingsstaat. In: Sociale vraagstukken, 26 juli 2022. Geraadpleegd maart 2023 via www.socialevraagstukken.nl/column/wirwar-verzorgingsstaat. Kremer, Monique en Jelle van der Meer (2020). De bijstand kan veel beter. In: Sociale vraagstukken, 16 oktober 2020. Geraadpleegd maart 2023 via www.socialevraagstukken.nl/ de-bijstand-kan-veel-beter. Kremer, Monique, Jelle van der Meer en Marcel Ham (2017).
Van werk naar welbevinden – werkt de zachte hand in de bijstand? In: Sociale vraagstukken, 21 december 2017. Geraadpleegd maart 2023 via www.socialevraagstukken.nl/van-werk-naar-welbevinden-werkt-de-zachte-hand-in-de-bijstand. Kromhout, Mariska, Patricia van Echtelt en Peteke Feijten (2020). Sociaal domein op koers? Verwachtingen en resultaten van vijf jaar decentraal beleid. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.
73
L I T E R AT U U R
Kuiper, Frans (2022). Krapte op de arbeidsmarkt biedt nieuwe kansen voor gemeenten. In: Sociale vraagstukken, 1 februari 2022. Geraadpleegd maart 2023 via www.socialevraagstukken.nl/ krapte-op-de-arbeidsmarkt-biedt-nieuwe-kansen-voor-gemeenten. Lindner, Thijs, Willem de Koster en Jeroen van der Waal (2022a). Different understandings of welfare benefits among the Dutch public: A focus group study. In: Social Policy & Administration, jg. 56, nr. 7, p. 1-16 (doi.org/10.1111/spol.12816). Lindner, Thijs, Willem de Koster en Jeroen van der Waal (2022b). Zo zien burgers sociale zekerheid. In: Sociale vraagstukken, 15 september 2022. Geraadpleegd maart 2023 via www.socialevraagstukken. nl/zo-zien-burgers-sociale-zekerheid. Marlet, Gerard, Clemens van Woerkens, Rutger Zwart, Harry Garretsen, Janka Stoker, Jacob Veenstra, Caren Tempelman, Sandra Vriend en Lennart Kroon (2017). Van budget naar besteding. Verklaringen voor tekorten en overschotten op het gemeentelijke bijstandsbudget. Utrecht: Atlas voor gemeenten. Mullainathan, Sendhil en Eldar Shafir (2014). Scarcity: The true cost of not having enough. Londen: Penguin. Muns, Sander (2019). Gemeentebeleid: verplichtingen en handhaving. In: Patricia van Echtelt, Klarita Sadiraj, Stella Hoff, Sander Muns, Kasia Karpinska, Djurre Das, Maroesjka Versantvoort, m.m.v. Lisa Putman (red.), Eindevaluatie van de Participatiewet (p. 222-237).