IHP Aalten 20 juni 2023
Tekst van het document
De recente overname van een lokale aanbieder laat zien dat vertrouwde samenwerkingsrelaties over kunnen gaan in ‘vreemde handen’. Dit kan tot gevolg hebben dat lopende samenwerkingen tussen onderwijs en kinderopvang ten gevolge van uiteenlopende visies de beoogde doelen rond de doorgaande lijn voor kinderen van 0 – 12 of 14 jaar c.q. ‘warme overdracht’ niet meer behaald kunnen worden. Dan mag de manier waarop de gezamenlijke huisvesting binnen het (integrale-) kindcentrum vorm heeft gekregen dankzij de medewerking van de gemeente een ’gedwongen’ vertrek van de kinderopvangaanbieder niet in de weg staan. Concreet betekent dit dat er geen medewerking verleend zal worden aan een kinderopvangorganisatie, beheersstichting of andere externe partij wanneer zij zouden willen investeren in of nabij een gebouw waarin een school gevestigd is of gevestigd zou moeten worden. Een investering door de gemeente behoort onder voorwaarden wel tot de mogelijkheden. Huren van de betreffende accommodatie zou dan bijvoorbeeld kunnen op basis van een kostendekkende huurovereenkomst die wederzijds opzegbaar is of middels een VVE-constructie. In bijlage 2 is een uitwerking opgenomen van verschillende varianten die eventueel van toepassing zouden kunnen zijn in het geval gezamenlijke huisvesting onderwijs, opvang en andere maatschappelijke partijen aan de orde is.
24
4.4. Verantwoordelijkheden in de praktijk 4.4.1. Termijnen en verantwoordelijkheden Door vaststelling van het IHP krijgen schoolbesturen zicht op de vervangingstermijnen van hun gebouwen. Dit stelt schoolbesturen in staat om vanuit hun verantwoordelijkheid voor onderhoud en exploitatie te investeren in duurzaamheid. Daarbij kan met name worden ingezet op duurzaamheidsmaatregelen waarbij de terugverdientijden de vervangingstermijn niet overschrijden. Zo gaan investeringen in duurzaamheid niet ten koste van middelen voor onderwijs. De tussentijdse verduurzaming van schoolgebouwen is daarmee een taak van de schoolbesturen, dit kan worden verwerkt in de meerjarenonderhoudsplanning van de gebouwen. Wanneer het huidige gebouw is te groot is door de daling van het aantal leerlingen en er ook geen sprake is van duurzaam medegebruik c.q. verhuur, heeft de betreffende school een fors probleem met de exploitatie. Dat kan zodanige vormen aannemen dat een schoolbestuur moet besluiten om zo’n school te sluiten. In een aantal gevallen kan de betreffende school technisch toe zijn aan (levensduur verlengende) renovatie. Dan zou de passende jas (verkleinen van het gebouw) een optie kunnen zijn.
Deze aanpak/renovatie biedt de volgende mogelijkheden: • om het gebouw te verduurzamen, • om onderwijskundig te optimaliseren voor de toekomst, • om de beschikbare m2s BVO af te stemmen op de langjarige behoefte aan m2s BVO, • om, wanneer aan de orde, IKC-vorming te realiseren. Een andere opgave waar het onderwijs en de gemeente in de toekomst mee te maken hebben, betreft de uitvoering van het klimaatakkoord. Deze heeft stevige gevolgen voor de huisvesting. De komende jaren zal er fors geïnvesteerd moeten worden om te gaan voldoen aan de verplichtingen. In het onderwijs is dit gekoppeld aan de kwaliteitsopgave van de huisvesting. Een beduidend deel van de onderwijshuisvesting is verouderd en bij verduurzaming zal er in veel gevallen ook geïnvesteerd moeten worden in de kwaliteit. De extra opgave vanuit het klimaatakkoord met extra financiële mogelijkheden kan voor alle partijen kansen bieden ten aanzien van de organisatie van de gezamenlijke huisvesting en daarbij het maken van nieuwe afspraken over verantwoordelijkheden tussen de eigenaar en gebruikers. Het schoolbestuur is verantwoordelijk voor de aanpassingen in het binnenklimaat. Besturen moeten hier dus zelf in investeren. Schoolbesturen gebruiken hiervoor de materiële instandhoudingsvergoeding (MI) van het rijk.
Dit gebeurt voor zover dit verantwoord is binnen het geldende investeringsverbod en de totale schoolexploitatie: De schoolbesturen kunnen een deel financieren op basis van Total Cost of Ownership bij nieuwbouw of renovatie (zie ook paragraaf 5.2). De bijdrage kan een gunstig effect hebben op het onderhoud en de exploitatie van het gebouw. De scholen besparen in de aanloop naar de investering op groot onderhoud. Deze besparing investeren zij in de nieuwbouw/aanpassingen. Na realisatie wordt bespaard op energie- en onderhoudslasten. Wanneer scholen binnen afzienbare tijd in aanmerking gaan komen voor vervangende nieuwbouw, is het logisch dat terughoudendheid betracht zal worden wanneer investeringen niet renderen binnen de termijn dat het gebouw nog wordt gebruikt. Belangrijke voorwaarde is dat het schoolgebouw op termijn voldoet aan de eisen duurzaamheid en kwaliteit. 4.4.2. Gezamenlijke investering Voor het realiseren van de plannen zijn forse financiële investeringen noodzakelijk. Dit vraagt een grote inspanning van de gemeente en de schoolbesturen. Vanuit de zorgplicht financiert de gemeente de noodzakelijke voorzieningen. Het zorgen voor adequate onderwijshuisvesting is een wettelijke zorgplicht van gemeenten. De gemeente is verantwoordelijk voor de realisatie van een schoolgebouw dat sober en doelmatig is (niveau BENG).
De gemeente ontvangt niet geoormerkte middelen voor onderwijshuisvesting uit het Gemeentefonds. De benodigde financiële middelen worden door de raad beschikbaar gesteld.
25
Schoolbesturen kunnen een beperkt deel financieren bij nieuwbouw of renovatie. Dit kan dan op basis van Total Cost of Ownership en het moet gaan om duurzaamheidsmaatregelen. Renovatie is onderwerp van overleg tussen schoolbesturen en gemeente. Dit onderwerp is namelijk niet wettelijk geregeld. 4.4.3. Bespaarde middelen inzetten voor nieuwbouw Bij slecht onderhoud is verrekening mogelijk. Als er sprake is van aantoonbaar achterstallig onderhoud in een schoolgebouw bespreken de gemeente en het schoolbestuur de verrekening daarvan bij de overdracht van het gebouw. Hiervoor wordt eerst een staat van onderhoud opgemaakt (art. 28 van de modelverordening Onderwijshuisvesting). Blijkt uit de staat van onderhoud dat er aantoonbaar achterstallig onderhoud is, dan stellen gemeente en schoolbestuur in overleg vast: welk deel hiervan voor rekening van het bevoegd gezag komt; of het bevoegd gezag opdracht verstrekt voor het uitvoeren van de werkzaamheden; of het bevoegd gezag een in overleg vast te stellen bedrag aan het college betaalt. Het IHP biedt gemeente en besturen de mogelijkheid om grote investeringen uit te stellen Dit kan tot de nieuwbouw gerealiseerd wordt. De bespaarde middelen voor renovatie en duurzaamheid kunnen worden ingezet voor de nieuwbouw. Dat is wettelijk toegestaan.
4.5 Tijdelijke voorzieningen en verhuisbewegingen Tijdelijke huisvesting is nog niet opgenomen in de financiële vertaling. Bij vaststelling van het IHP is zicht op de fasering van de opgaven en kan er een plan worden gemaakt voor de interimvoorzieningen. Afhankelijk van de fasering kan er eventueel gebruik worden gemaakt van bestaande huisvesting en/of leegstand in scholen. 4.6. Prijspeil, risico’s bouwkosten en andere voorwaarden De investeringsniveaus zijn bepaald op prijspeil 2023, inclusief btw. Niet opgenomen zijn eventuele kosten of baten van grondverwerving of grondexploitatie bij vrijkomende terreinen, tijdelijke huisvesting en infrastructurele aanpassingen, dan wel het aankopen of verkopen van gebouwen anders dan in dit IHP opgenomen. 4.7. Bewegingsonderwijs In dit IHP wordt geen rekening gehouden met de vervanging van gymlokalen. Op dit vlak is in de hele gemeente Aalten sprake van overcapaciteit. Nadere actualisering c.q. onderzoek is gaande om hierin tot een efficiënter gebruik te komen voor zowel PO als VO. Bij de realisatie van nieuwbouw van schoolgebouwen zal de uitkomst daarvan meegenomen in de overwegingen bij te nemen besluiten. 4.8. Stand van zaken reserve onderwijshuisvesting De stand van de reserve onderwijshuisvesting is per 31-12-2022 afgerond € 4.721.000.
Hiervan is wel nog € 303.779 gereserveerd voor de verduurzaming schoolgebouwen (TWAO) en jaarlijks(5) wordt € 25.000 ontrrokken voor de tijdelijke uitbreiding van De Höve. De dotatie aan de reserve bedraagt in 2023 € 130.000, 2024 € 150.000, 2025 € 170.000 en vanaf 2026 € 190.000. De reserve kan als tijdelijke dekking van kapitaalslasten gebruikt worden, maar daarmee worden structurele lasten gedekt middels incidenteel geld. Deze reserve is niet oneindig. In de toekomst bestaat dus het risico dat er onvoldoende middelen zijn om de structurele kapitaalslasten te dekken. We dienen ons daarbij te realiseren dat de zorgplicht voor alle schoolgebouwen blijft bestaan.
26
DEEL 5
RANDVOORWAARDEN
27
Bij het uitvoeren van het IHP dient rekening gehouden te worden met een aantal randvoorwaarden. 5.1 Begrotingscyclus van de gemeente. Het IHP geeft een doorkijk van 16 jaar op de gewenste ontwikkelingen van de huisvesting van het onderwijs in de gemeente Aalten. De systematiek van de begrotingscyclus van gemeenten biedt niet de mogelijkheid nu al besluiten te nemen over investeringen in de toekomst. De zittende raad en het college zouden hiermee toekomstige bestuurscolleges voor voldongen feiten stellen. Vandaar dat de raad met het vaststellen van dit IHP enkel groen licht geeft voor de voorbereiding van de uitvoering uitvoering van de eerste- en de tweede fase. 5.2 Actualisatie van projecten Bij het opstarten van een in dit IHP beschreven project, dient op dat moment het projectinitiatief getoetst te worden aan de dan geldende randvoorwaarden. De toetsing is bedoeld om te zorgen dat het project aansluit bij de dan geldende omstandigheden.
Het gaat dan om onder meer het volgende: ✓ De dan geldende financiële kaders van de gemeente Aalten; ✓ De leerlingenprognose met een scope van 15 jaar; ✓ Afstemming van de onderwijshuisvesting met de actuele ontwikkelingen in de woningbouw; ✓ Per project een definitieve afweging tussen nieuwbouw of renovatie; ✓ De dan geldende bekende bouwkostenniveaus en geïnventariseerde risico’s; ✓ De TCO-benadering, waarbij er wordt bepaald welke investeringsbijdrage van het schoolbestuur reëel iswordt verwacht7. 5.3 Actualisatie van het IHP Dit IHP geeft een beleidsmatige doorkijk over een periode van 16 jaar. Om het IHP levend en relevant te houden, is elke 4 jaar een herijking van het IHP nodig. Bij deze herijking kunnen de leerpunten van de evaluatie van het eerste 4-jaren tijdvak worden opgenomen, en kan het IHP op onderdelen worden herzien en uitgebreid met een nieuwe scope van 16 jaar. Daarnaast voeren gemeente en schoolbesturen jaarlijks overleg over de voortgang van het IHP. 5.4 Aanpassingen bij wijzigingen wet- en regelgeving Dit IHP is opgesteld onder de wet- en regelgeving zoals deze geldt op het moment van opstellen daarvan. Echter, wet- en regelgeving is onderhavig aan voortschrijdend inzicht; zo ook de wetgeving met betrekking tot het huisvestingsstelsel voor het funderend onderwijs in Nederland.
Bij (substantiële) wijzigingen van bijvoorbeeld het genoemde stelsel, de Algemene Uitkeringen van het Gemeentefonds, de wijze van bepalen van normbedragen, wijzigingen ten aanzien van Bouwbesluit, energieakkoorden of enig andere substantiële ontwikkeling, kan het nodig zijn om dit IHP (op onderdelen) aan te passen aan de dan geldende realiteit en mogelijkheden.
7
Total Cost of Ownership (TCO) wordt soms ook Total Cost of Usage (TCU) genoemd, omdat het over de gebruiksperiode gaat. Bij deze benadering wordt niet alleen naar de initiële investering, maar ook naar de kosten tijdens de levensduur gekeken. Denk dan aan kosten voor onderhoud, energie en schoonmaak. De praktijk leert dat het aantrekkelijk kan zijn om in een hogere kwaliteit te investeren om zo de exploitatielasten lager te houden. Dit vraagstuk speelt ook bij de ‘split-incentive’ tussen scholen en gemeenten. Gemeenten zijn dan verantwoordelijk voor de investering, maar de onderhouds- en energielasten liggen bij het schoolbestuur. Het is relevant om voorafgaand aan het maken van investeringskeuzes deze belangen bij elkaar te brengen. Dit kan door te gaan rekenen vanuit de totale levensduurkosten van een project. In deze berekening worden dan zowel investering als exploitatie meegenomen. Het bundelen van kosten helpt om het gesprek over een bundeling van geldstromen te voeren. In geval van verduurzaming is er een mogelijkheid voor een ‘ontheffing’ van het investeringsverbod voor inzet van middelen door het schoolbestuur. Wanneer de TCO-berekening positief uitvalt, kan dit helpen bij de benodigde onderbouwing om als schoolbestuur tot een bepaald bedrag mee te investeren.
(Zie ook: https://www.ruimteok.nl/sites/default/files/2021-03/Bekostigingsmogelijkheden_voor_onderwijshuisvesting_2021.pdf)
28
DEEL 6
VERDUURZAMING
29
Voor de keuzes van de voorgestelde duurzaamheidsmaatregelen zijn verschillende onderwerpen van belang: 6.1. De minimumeisen in het Bouwbesluit Per bouwjaar (tijdvak) verschillen de kenmerken/minimumeisen voor de energiezuinigheid van bouwen installatiedelen: - Vóór 1975: Gebouw is vanuit bouw niet geïsoleerd, enkel glas, natuurlijke ventilatie, tlverlichting; - Tussen 1975 en 1992: Gebouw is vanuit bouw voorzien van matige isolatie, enkel- en dubbel glas, mechanische ventilatie afvoer, tl-verlichting; - Tussen 1992 en 2015: Gebouw is vanuit bouw voldoende/goed geïsoleerd, dubbel glas of beter, balansventilatie, tl-verlichting met veegpuls (tijdschakelklok); - Na 2015: Gebouw is vanuit bouw zeer goed geïsoleerd, HR++ beglazing of beter, balansventilatie met WTW, ledverlichting met veegpuls (tijdschakelklok). 6.2. Het ambitieniveau van de beoogde ingreep Gaan we qua duurzaamheidsmaatregelen voor een voldoende, of voor een goed of hoger? De terugverdientijd van de maatregelen verschilt per duurzaamheidsklasse. Wettelijk minimum Terugverdientijd: ± 5 jaar Frisse Scholen klasse C (voldoende) Terugverdientijd: ± 15 jaar Frisse Scholen klasse B (goed) & (bijna) Aardgas Vrij Terugverdientijd: ± 25 jaar Keuze voor Frisse school klasse C of B is afhankelijk van de leeftijd en verwachte levensduur Gaat het om een oud gebouw? Dan is Frisse scholen C een goede keuze.
Gaat het om een jonger gebouw? Dan is Frisse scholen B een goede keuze. Jong of oud heeft te maken met de te verwachten technische levensduur. Een gebouw van 40 jaar oud kan technisch nog zo’n 20 jaar mee. Daar past geen terugverdientijd van 25 jaar bij. Die 25 jaar is nodig voor frisse scholen B. Dit heeft de Inspectie van het Onderwijs bepaald vanuit haar financieel toezicht op de toepassing van het wettelijk investeringsverbod (art. 148 WPO). 6.3 Voorbeeld van duurzaamheidsmaatregelen Tabel 8 is een voorbeeld van mogelijke maatregelen voor schoolgebouwen uit de periode 1975-1992, die aardgas als warmtebron hebben (Bron: Beslisboom verduurzaming scholen Arcadis, zie bijlage 3.
Frisse scholen C
Frisse scholen B Vloer isoleren RC 3.5 (FS#2)
Na isoleren spouwmuren Thermische schil
Ventilatie
Verwarming & warm tapwater
Dak na isoleren RC 6.0 Vervanging enkele beglazing in bestaand kozijn Verbeteren kierdichting (vloer, gevel, dak) Aanbrengen handbediende buitenzonwering
Gevel na isoleren Dak na isoleren RC 6,0 Vervangen enkele beglazing in bestaand kozijn Verbeteren kierdichting (vloer, gevel, dak) Aanbrengen handbediende buitenzonwering
Automatische zomernachtventilatie (koelen van het pand met buitenlucht) Mechanische decentrale CO2 gestuurde ventilatie (nieuw) (FS#4)
Automatische zomernachtventilatie (koelen van het pand met buitenlucht) Mechanische decentrale CO2 gestuurde ventilatie (nieuw) (FS#4)
Isolatie om leidingen en appendages
Isolatie om leidingen en appendages
Temperatuurregeling per ruimte
Temperatuurregeling per ruimte
30
Verlichting
Overig
Weersafhankelijke regeling Optimaliserende regeling op tijdsschakelaar
Weersafhankelijke regeling Optimaliserende regeling op tijdsschakelaar Hybride CV – Lucht warmtepomp met bestaande HR107 als back-up (FS#7)
Handschakelaars uitbreiden met veegschakelaars Handschakelaars in verblijfruimtes vervangen door aanwezigheidsdetectie met daglichtschakeling Spaarzame verlichting (led. TL5) (FS#5)
Handschakelaars uitbreiden met veegschakelaars Handschakelaars in verblijfruimtes vervangen door aanwezigheidsdetectie met daglichtschakeling Spaarzame verlichting (led. TL5) (FS#6)
Slimme meter
Slimme meter
Tabel 8
6.4 Tussentijds opwaarderen gebouwen De gemeente Aalten hanteert voor nieuwbouw een afschrijvingstermijn van 40 jaar, voor renovatie geldt 25 jaar. Dit zijn realistische termijnen. In de loop der tijd verouderen gebouwen technisch en functioneel. Na veertig jaar is sprake van veroudering op het gebied van bijvoorbeeld binnenklimaat, verduurzaming, technische staat en flexibiliteit, zonder dat het hele gebouw is afgeschreven. Gebouwen zouden in principe na 40 jaar tussentijds opgewaardeerd kunnen worden: - Door een upgrade moet het gebouw weer minimaal 25 jaar vooruit kunnen; - na 60 jaar is de vraag of een uitgebreide renovatie of vervangende nieuwbouw noodzakelijk is. In alle gevallen moet worden bekeken of: - Het onderwijs voor de betreffende upgrade levensvatbaar is (leerlingenprognoses); - het gebouw nog past in het strategisch perspectief van het schoolbestuur; - combinaties mogelijk zijn met andere onderwijsvoorzieningen en/of kinderopvangorganisaties; - het past binnen het financieel perspectief van de gemeente. Over de bekostiging van de duurzaamheidsmaatregelen zijn in het kader van het IHP nog geen bestuurlijke afspraken gemaakt. De gemeente Aalten is voornemens om de aanpak van onderwijsgebouwen te combineren met die van het andere maatschappelijk vastgoed.
Daarvoor zal een apart plan van aanpak worden opgesteld dat zal aansluiten bij de ambities zoals deze zijn geformuleerd in het Raadsprogramma 2022-2026. (zie ook 6.5) 6.5 Aanpak verduurzaming De kwaliteit van schoolgebouwen in Nederland is qua duurzaamheid gemiddeld onder de maat. Uit de duurzaamheidsmeting van HEVO (zie paragraaf 2.2) blijkt dat er ook in Aalten actie nodig is op het gebied van de duurzaamheid van schoolgebouwen. Bij duurzaamheid moet overigens niet alleen worden gekeken naar energie en circulariteit, maar ook met een bredere blik. Om zo goed mogelijk onderwijs te kunnen geven en krijgen heeft het onderwijs baat bij goede schoolgebouwen met een goed binnenklimaat. Een goed binnenklimaat resulteert in een hoger leerrendement en minder ziekteverzuim van zowel leerlingen als (onderwijs) personeel. Een goed schoolgebouw staat optimaal ten dienste van het onderwijs dat erin geboden wordt. Een duurzaam schoolgebouw kent dus meer aspecten dan alleen de CO2-uitstoot of het energieverbruik. Het is een gebouw dat aansluit bij de onderwijskundige visie van de school, een gezond binnenklimaat heeft, past bij het aantal leerlingen, passend, inclusief, toegankelijk en toekomstbestendig is. Dit vraagt dus om een aanpak die grondig wordt voorbereid. In dit IHP is hiervoor de eerste planperiode uitgetrokken.
Deze tijd is nodig om financiële middelen beschikbaar te krijgen en om een plan van aanpak te maken dat in de uitvoering gedragen wordt door schoolbesturen en gemeente gezamenlijk. De gemeente zal daarbij tevens kijken naar het andere maatschappelijk vastgoed.
31
Vanuit de schoolbesturen is de wens uitgesproken om het vervuurzamingstraject (incl. binnenklimaat) gezamenlijk in uitvoering te nemen en te versnellen c.q. naar voren te halen in de tijd. Om richting te geven in de mogelijke verduurzamingsaanpak van de scholen worden in de 1e fase van de uitvoeringsagenda de volgende acties ondernomen: 6.5.1. Verbeteren binnenklimaat - energiescan De focus/urgentie van een goed binnenklimaat en ventilatie fors is toegenomen sinds Corona vanaf 2020 en verdient een stevige en gefundeerde aanpak. Van alle schoolgebouwen wordt een uitgebreide energiescan uitgevoerd. Dit is een onderzoek naar concrete maatregelen om energie te besparen, de energierekening omlaag te brengen en eventueel zelf duurzame energie op te wekken. De terugverdientijden van de duurzaamheidsmaatregelen worden in beeld gebracht. Deze actie vindt plaats onder regie van de gemeente in samenspraak met de schoolbesturen. 6.5.2. Meerjarenonderhoudsplan (MJOP) Als duidelijk is wat de besparingsmogelijkheden en verduurzamingsmaatregelen zijn, bekijken de schoolbesturen hoe ze deze kunnen opnemen in het meerjarenonderhoudsplan. Hierbij zijn natuurlijke vervangingsmomenten en terugverdientijden van de maatregelen leidend. Een school, die er bijvoorbeeld nog zeker 10 jaar zal staan, zou duurzaamheidsmaatregelen kunnen uitvoeren die binnen die termijn kunnen worden terugverdiend.
Het is dus ook hierbij belangrijk dat schoolbesturen en gemeente samen optrekken om dergelijke termijnen af stemmen met eventuele gemeentelijke plannen met het betreffende schoolgebouw. 6.5.3. Financiering Gemeente en schoolbesturen maken daarna verdere afspraken over wat er op welk moment per schoolgebouw moet gebeuren en hoe de uiteindelijke verdeling is van de kosten. Hierbij kijken ze ook naar externe subsidie- en/of financieringsmogelijkheden. De primaire verantwoordelijkheid ligt bij de schoolbesturen. Bij maatregelen, die ook de levensduur van het gebouw verlengen, bekijkt de gemeente samen met het schoolbestuur wat de mogelijkheden zijn. Per gebouw zal dit maatwerk zijn. Voor zowel voor de gemeente als voor de schoolbesturen zijn via de regulieren bekostiging de financiële mogelijkheden, afgezet tegen de wettelijke verplichtingen en ambities, onvoldoende om het gewenste en geambieerde kwaliteitsniveau te kunnen bekostigen. Vandaar de keuze om de eerste planperiode van het Integraal Huisvestingsplan te benutten voor het opstellen van een breed plan van aanpak en het verkrijgen van de financiële middelen voor de beoogde verduurzaming van de schoolgebouwen. 6.5.4.
De opgave van verduurzaming: Op basis van geactualiseerde kengetallen die zijn aangeleverd door HEVO en Arcades geeft onderstaand overzicht een beeld van de financiële consequenties van bepaalde keuzes die aan de orde zijn. Dit alles vanuit de wetenschap dat de huidige specifieke marktomstandigheden die een rechtstreeks gevolg zijn van de huidige geopolitieke omstandigheden maken dat verdere prijsontwikkelingen moeilijk zijn in te schatten. Voor deze opstelling zijn de door HEVO en Arcadis aangeleverde m2-prijzen als uitgangspunt genomen. Op de bedragen zoals opgenomen in de Beslisboom verduurzaming scholen is een indexering toepast van 14% over de periode 1-1-2021/ 1-8-2022, gebaseerd op indexcijfers van Bureau Bouwcoördinatie Nederland BV. Voor de gebouwen die gerealiseerd dan wel ingrijpend zijn aangepast vanaf 2000 is geen doorberekening gemaakt voor wat betreft nieuwbouw en renovatie omdat dit niet aan de orde zal zijn. 6.5.5. Businesscase Bij een eventuele verduurzamingsaanpak is het belangrijk om te bepalen wat de beoogde levensduur van het betreffende gebouw is. Dat is belangrijk omdat steeds de afweging gemaakt moet worden of een verduurzamingsinvestering ook rendeert. Concreet, als een gebouw nog ten minste 5 tot 10 jaar meegaat, zullen minder dure maatregelen wel renderen, maar voor duurdere maatregelen is een
32
langere termijn nodig om de investeringen terug te verdienen. Juist in 2022 hebben we kunnen zien dat door de duurdere energieprijzen de terugverdientijden korter zijn geworden. Vanwege de investeringsbeperkingen die schoolbesturen zijn opgelegd en beperkte budgetten moeten we vaststellen dat investeringen van dergelijke bedragen door de schoolbesturen zonder aanvullende subsidies c.q. mede investering door de gemeente niet mogelijk is. Overzicht kosten optimalisering bestaande installaties IHP schoolgebouwen op basis van bestaande BVO's (excl. onderwijskundige aanpassingen): Nr Naam m2s bestaand < 1975 1975-1992 1992-2015 >2015 Aardgas 5 Aardgas 15 Aardgas 25 All electric 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10. 11. 12. 13 14 14. 15. 16. 17. 18.
de Triangel Hoog CBS Barlo t Möllenveld t Warmelinck De Slinger De Höve*) SBO Nieuwhessen De Klimop IKC Uniek Groen van Prinsterer St. Jozef t Bastion De Triangel Laag Gebouw Duplo De Wegwijzer/Liborius c.a. De Bosmark Schaersvoorde Slingelaan Schaersvoorde Dinxperlo Schaersvoorde Sationsweg
1.197 746 821 959 1.199 1.039 1.018 1.021 1.755 1.678 1.448 1.010 1.462 2.850
46.671 38.568 32.011 37.391 46.749 53.716 39.692 52.786 90.734 86.753 56.457 39.380 80.468 156.864
232.577 646.009 261.727 383.160 15.952 443.085 186.334 517.563 232.966 647.088 364.523 533.651 197.797 549.404 358.208 524.406 615.724 901.403 588.710 861.854 281.346 781.471 196.243 545.087 173.466 809.699 338.153 1.578.416
803.762 481.476 551.285 643.949 805.105 670.581 683.567 658.964 1.132.695 1.082.998 972.303 678.195 1.002.406 1.954.074
157.690 491.564
339.932 1.586.723 3.335.787 4.883.499
1.964.359 6.136.558
7.780
428.211
923.097 4.308.797
5.334.279
Totaal
38.356
1.935.704
2.865 9.508
X X X X X X X X X X X X x X X X
8.642.542 20.501.316 25.556.555
Tabel 9
Voorbeelden: • Aardgas 5 betekent een investering in een door aardgas verwarmd gebouw waarvan de terugverdientijd is gesteld op 5 jaar. • Aardgas 25 betreft een aardgas verwarmd gebouw waarvan de terugverdientijd is gesteld op 25 jaar. 6.6 Kosten nieuwbouw In de afweging tussen verduurzaming, renovatie en nieuwbouw is het goed om, naast allerlei inhoudelijke argumenten, ook kennis te hebben van de financiële consequenties. Onderstaande tabellen geven hierin inzicht. Inmiddels weten we dat grondige renovatie van schoolgebouwen qua kosten en afschrijvingstermijn steeds meer gaat lijken op nieuwbouw. Echter op twee punten zien we essentiële verschillen: • Wanneer we de beschikbare m2s van genormeerde nieuwbouw vergelijken met beschikbare ruimte van bestaande panden moeten we constateren dat bij nieuwbouw er meestal ruimte ingeleverd moet worden. Dat wordt door de schoolbesturen in het licht van flexibeler onderwijs en het doorvoeren van inclusief onderwijs onwenselijk geacht; • Bij renovatie is onvermijdelijk dat bij het realiseren van onderwijskundige aanpassingen ten behoeve van flexibilisering van het onderwijs en het doorvoeren van inclusief onderwijs er gebouwelijke belemmeringen zullen zijn. Dit onderstreept nog maar eens dat in vrijwel alle gevallen maatwerk zal bepalen waar uiteindelijke de voorkeur komt te liggen.
Het clusteren van een aantal scholen tot grotere eenheden (IKC’s) geeft financiële voordelen. In de onderste tabel zien we dat terug. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door het verminderen van de zgn. vaste voet. Iedere afzonderlijke school heeft recht op een eigen vaste voet. Wanneer er gefuseerd gaat worden tot grotere eenheden komen die extra vaste voeten te vervallen.
33
Investeringskosten nieuwbouw marktconform HEVO o.b.v feitelijke ruimtebehoefte (BVO): Nr Teldatum 01-10-2022 aantal lln. BVO (excl. gewichten) € per m2 Totaal € 1. de Triangel Hoog 2. CBS Barlo 3. t Möllenveld 4. t Warmelinck 5. De Slinger 6. De Höve 7. SBO Nieuwhessen 8. De Klimop 9. IKC Uniek 10. Groen van Prinsterer 11. St. Jozef 12. t Bastion 13. De Triangel Laag St. Liboriusschool 14. De Wegwijzer 15. De Bosmark 16. Schaersvoorde Slingelaan 17. Schaersvoorde Dinxperlo 18. Schaersvoorde Stationsplein Totaal
135
880
3.719
3.272.720
73
787
3.898
3.067.726
143 324 111 140 153
926 1.830 762 904 1.462
3.719 3.345 3.719 3.719 3.719
3.443.794 6.121.350 2.833.878 3.361.976 5.437.178
1.016
12.000
2.958
35.496.000
2.095
19.551
Overig PO St. Jozef incl. Kinderopvang De Slinger incl. Kinderopvang t Bastion incl. Kinderopvang
143 324 18 485
111 135 140
926 1.830 191 2.947 450 3.397
762 200 880 200 904 200
€ 478.442 € 271.458 € 267.233 € 317.058 € 163.037 € 484.194 € 46.127 € 647.966 € 185.556 € 941.339 € 349.148 € 197.930 €1 €0 €0 € 2.619.992 € 2.142.266 € 753.598 €1
63.034.622
Investering Nieuwbouw ENG o.b.v. IHP Aalten en feitelijke ruimtebehoefte: IKC Triangels Triangel Unielocatie 336 1.890 Nieuw Hessen 25% 18 191 Ruimteverlies 61 Behoefte onderwijs 2.142 Beschikbaar -1.462 Totaal IKC Triangel 680 3.719 Kinderopvang 450 3.719 IKC Uniek/Groen/Hessen IKC Uniek Groen v. P. Nw. Hessen 25% Totaal IKC Groen/Uniek incl. Kinderopvang Totaal IKC Uniek/Groen/Hessen
Boekwaarde gebouwen per 31-12-2022
€ 9.865.346
Totaal
2.528.920 financiering
3.345 3.345
9.857.715 financiering
3.719 3.719 3.719 3.719 3.719 3.719
2.833.878 financiering 3.272.720 financiering 3.361.976 financiering
1.673.550
9.857.715 1.505.250
9.468.574
VO: Schaersvoorde Slingelaan Totaal Nieuwbouw IHP Schaersvoorde Stationsplein Schaersvoorde Dinxperlo CBS Barlo t Möllenveld t Warmelinck De Höve De Klimop t Bastion St. Liboriusschool De Wegwijzer De Bosmark
1.016
12.000
2.958
Wordt niet vervangen wordt niet vervangen wordt niet vervangen wordt niet vervangen wordt niet vervangen wordt niet vervangen wordt niet vervangen wordt niet vervangen wordt niet vervangen wordt niet vervangen wordt niet vervangen
Kosten nieuwbouw op basis van de Nieuwbouwkostengeneratoren HEVO peildatum: 1-1-2023
Tabel 10
34
35.496.000 57.351.209
Overzicht kosten renovatie bestaande IHP schoolgebouwen geclusterd op basis van feitelijke BVO's (excl. onderwijskundige aanpassingen): Totaal Nr. Naam m2s bestaand prijs/m2
13.
Triangel Laag
1.462
2.700
3.947.400
9.
IKC Uniek
1.755
2.700
4.738.500
10.
Groen v. P.
1.678
2.383
3.998.674
11.
St. Jozef
1.448
2.700
3.909.600
5.
De Slinger
1.199
2.700
3.237.300
16.
Schaersvoorde Slingelaan
9.508
2.133
20.280.564
Totaal optimalisering enkele bestaande gebouwen
40.112.038
Tabel 11
Het is belangrijk om er kennis van te nemen dat renovatie van het bestaande gebouw bijna per definitie de vraag oproept om het gebouw ook onderwijskundig aan te passen. Pas dat is een gebouw weer toekomstbestendig. Ervaring in den lande leert dat dan de bedragen van renovatie en nieuwbouw dicht bij elkaar komen te liggen. Echter, tot nu toe is het gebruikelijk om renovatie investeringen af te schrijven in 25 jaar in plaats van 40. Dit heeft een belangrijk effect op de kapitaalslasten. Die lasten zijn bij renovatie aanzienlijk hoger.
35
DEEL 7
Uitvoeringsagenda
36
7.1 De Planning Zoals ook al eerder beschreven staat de gemeente Aalten voor een grote financiële opgave. Daarom is besloten om de tijdlijn van 16 jaar op te delen in drie termijnen: 1. 2023 – 2026 2. 2027 - 2030 3. 2031 en daarna Voor de eerste èn de tweede termijn wordt met het vaststellen van dit IHP het voorkeursscenario vastgesteld. Het scenario 2031 kan bij de vierjaarlijkse actualisatie van het IHP zo nodig gewijzigd worden, onder andere als de begrotingscyclus van de gemeente daar aanleiding toe geeft. Maar ook kunnen woningbouwplannen daarop ook van invloed zijn. Met de huidige kennis zullen we te maken krijgen met vijf opgaves: 1. Realisatie IKC-+ Triangel op locatie Dalweg, onttrekking aan het Onderwijs van Triangel Hoog binnen 0 – 5 jaar; 2. Vervangende nieuwbouw Schaersvoorde college binnen 5 – 10 jaar, 3. Optimalisering St. Jozefschool en De Slinger 4. Optimalisering van ‘t Bastion 5. Nieuwbouw voor IKC+ Groen van Prinsterer en Uniek N.B. Nieuw Hessen wordt vanuit inclusie opgenomen in het reguliere basisonderwijs van alle Aaltense basisscholen binnen 10 jaar. Dit zal naar verwachtingen huisvesting technische consequenties hebben voor alle schoolgebouwen, ook die in het buitengebied. Nadere motivatie van de keuze: • Triangel: De Triangel is inmiddels samengevoegd, een unie-locatie is voorwaardelijk.
Hierover voeren gemeente en schoolbestuur al enkele jaren voorbereidende gesprekken. • Het gebouw van Schaersvoorde Slingelaan is dringend aan renovatie c.q. vervanging toe. De renovatiekosten bedragen op basis van het prijspeil 1-1-2023 afgerond €20 miljoen, dit bedrag moeten we vervolgens afschrijven in 25 jaar. Nieuwbouw kost afgerond € 35 miljoen. Dit bedrag schrijven we af in 40 jaar. In beide bedragen zijn geen aanvullende kosten meegenomen zoals tijdelijke huisvesting (in geval van renovatie) en grondverwerving en infrastructurele maatregelen in geval van nieuwbouw). De kapitaalslasten van renovatie benaderen die van nieuwbouw en dan nòg voldoet het gebouw niet aan de huidige onderwijskundige wensen. Daarnaast wordt onderzocht of er mogelijkheden zijn om te komen tot een campusmodel. Op basis van overweging die zijn gevoed door de deelaspecten zoals hiervoor beschreven, is de volgorde van deze scenario’s als volgt: Periode 1. Tussen nu en 2026 2.Tussen 2027 en 2030 Na 2031 en vóór 2036
Voor 2030
Scenario Realisatie IKC-+ Triangel op locatie Dalweg, onttrekking aan het Onderwijs van Triangel Hoog Totaal: Vervangende nieuwbouw Chr. College Schaersvoorde locatie Slingelaan Boekwaarde Totaal: Optimalisering (excl. onderwijskundige aanpassingen) St. Jozefschool òf nieuwbouw St. Jozefschool als IKC-+ Optimalisering (excl. onderwijskundige aanpassingen) De Slinger òf nieuwbouw De Slinger als IKC-+ Optimalisering (excl. onderwijskundige aanpassingen) ’t Bastion Óf nieuwbouw ’t Bastion als IKC-+ Nieuwbouw voor IKC+ Groen van Prinsterer en Uniek als IKC-+ Verduurzaming van die schoolgebouwen die niet zijn opgenomen in een nieuwbouwscenario. Welke maatregelen dat zijn, verschilt per schoolgebouw.
Tabel 11
7.2. De financiële consequenties van fase 1 en 2
37
Begroot € 2.528.920 € 478.442 + € 3.007.362 € 35.496.000 € 2.142.266+ € 37.638.266 € 781.471 € 2.833.878 € 647.088 € 3.272.720 € 545.087 € 3.361.976 € 9.857.715 Maatwerk
Zoals bekend zullen hier te zijner tijd aparte raadsvoorstellen aan de gemeenteraad worden voorgelegd, op dit moment is is nog geen dekking gevonden voor de structurele kapitaalslasten, maar dat zal wel noodzakelijk zijn voor de eventuele besluitvorming. Op dit moment zijn er al wel (beperkte) rserveringen aangelegd. Deze besluiten zullen genomen moeten worden in samenhang met de andere opgaven en ambities uit het Uitvoerings Programma van de gemeenteraad en de ontwikkelingen die ‘van buiten’ op de gemeente afkomen. Hierbij zal ook het grote belang dat de gemeente en de inwoners van Aalten hebben bij een aantrekkelijke en goede voorziening voor Voortgezet Onderwijs voor de leefbaarheid en voor het bedrijfsleven meegewogen moeten worden.
38
Deel 8
Bijlagen 1. 2. 3. 4.
Notitie Huisvesting Kinderopvang in het IHP Rapport HEVO Beslisbomen verduurzaming scholen Bouwkosten configuratoren HEVO PO en VO
Bijlage 1
39
Onderwerp: Van: Aan: Datum: Status:
Huisvesting Kinderopvang in IHP Henkjan Kok Wethouder H. te Lindert/Julia ten Dolle 6 februari 2023 Bijgestelde versie n.a.v. overleg met College
Aanleiding: Op 9 januari 2023 heeft een gesprek plaats gevonden tussen vertegenwoordigers van de gemeente Aalten, Accent Scholengroep en Columbus Junior. Aanleiding was de overname van Kinderopvang Bambi door Columbus junior. Naast een wederzijdse kennismaking was het verzoek om met elkaar in gesprek te gaan over de ontwikkelingen onderwijs/kinderopvang bij IKC Triangel en Groen (IKC Groen/Uniek). Tijdens dit gesprek kwam naar voren dat Columbus junior bereid was om zelf te investeren in de gebouwen ten behoeve van ruimtes voor de kinderopvang. Bij het opstellen van het concept IHP is met deze variant geen rekening gehouden. In dit overleg is toegezegd dat de wethouder dit onderwerp in het College zou bespreken. Ter voorbereiding op die bespreking is deze notitie samengesteld. Hierbij is dankbaar gebruik gemaakt van de notitie “Organiseren en financieren van gezamenlijke huisvesting kinderopvang en onderwijs”- Ruimte OK, maart 2022. In deze notitie wordt een reeks aan oplossingsmogelijkheden aangedragen. Vraag aan het College: De concrete vraag aan het College is, of er vanuit het perspectief van het College varianten zijn waaraan het College geen medewerking zou willen verlenen in het geval daarvoor vanuit het onderwijs of kinderopvang wordt gevraagd. Indien dat niet het geval is, zal deze notitie integraal als bijlage worden opgenomen in het op te stellen IHP.
Indien er varianten zijn waaraan het College geen medewerking wil verlenen, zal dat in deze memo gemotiveerd worden opgenomen. Advies ten aanzien van de besluitvorming: Hoewel het niet de eerste verantwoordelijkheid van een gemeente is om huisvesting te ‘regelen’ voor commerciële kinderopvang organisaties, is het vanuit het belang van een éénduidige pedagogischeen didactische omgeving voor kinderen dat een gemeente de vorming van integrale kindcentra faciliteert. Schoolbesturen zien dit ook, maar vanuit de overheid hebben schoolbesturen wettelijk geen mogelijkheden om te investeren in huisvesting voor kinderopvang vanuit de door de rijksoverheid beschikbaar gestelde middelen (investeringsverbod). Wanneer huisvesting via het zgn. medegebruik (zie Verordening Onderwijshuisvesting gemeente Aalten 2021) niet mogelijk is, zouden die betreffende scholen zich niet kunnen ontwikkelen tot Integrale kindcentra. Dat is niet wenselijk, daarom het advies om binnen de wettelijke mogelijkheden medewerking te verlenen aan de in deze notitie genoemde varianten8. Richtinggevende uitspraak vanuit het College n.a.v. het overleg d.d. 31 januari 2023 Het College ondersteunt de ontwikkeling van (integrale-) kindcentra maar hecht er ook aan dat binnen de gemeente Aalten een pluriform aanbod blijft aan basisonderwijs en opvang.
Er moet wat te kiezen zijn voor ouders, niet alle ouders hebben een voorkeur voor (grote) kindcentra. Daarnaast blijft het college kritisch ten opzichte van kinderopvangorganisaties die zich soms wel heel commercieel opstellen. De recente overname van een lokale aanbieder laat zien dat vertrouwde samenwerkingsrelaties over kunnen gaan in ‘vreemde handen’. Dit kan tot gevolg hebben dat lopende samenwerkingen tussen onderwijs en kinderopvang ten gevolge van uiteenlopende visies de beoogde doelen rond de doorgaande lijn voor kinderen van 0 – 12 of 14 jaar c.q. ‘warme overdracht’ niet meer behaald kunnen worden. Dan mag de manier waarop de gezamenlijke huisvesting binnen het (integrale-) kindcentrum vorm heeft gekregen dankzij de medewerking van de gemeente een ’gedwongen’ vertrek van de kinderopvangaanbieder niet in de weg staan. Concreet betekent dit dat dit College geen medewerking zal verlenen aan een kinderopvangorganisatie, beheersstichting of andere externe partij wanneer zij zouden willen investeren binnen het betreffende bouwblok of hetgeen als aanpalend beschouwd kan worden waarin een school gevestigd is of gevestigd zou moeten worden. Een investering door de gemeente behoort onder voorwaarden wel tot de mogelijkheden. Huren van
8
Wet Markt en Overheid en het zgn. Didam-arrest: https://ecer.minbuza.nl/-/handreiking-over-het-didam-arrestuitgegeven
40
de betreffende accommodatie zou dan bijvoorbeeld kunnen op basis van een kostendekkende huurovereenkomst die wederzijds opzegbaar is of middels een VVE-constructie. Inleiding: Het aantal locaties waarbij er sprake is van gezamenlijke huisvesting van onderwijs en kinderopvang blijft toenemen. Deze ontwikkeling is al meer dan twintig jaar gaande en blijft zich verder ontwikkelen in allerlei variëteiten. Gezamenlijke huisvesting wordt veelal gestuurd vanuit een samenwerking tussen kinderopvang- en onderwijsorganisaties. De mate van intensiviteit verschilt daarbij, passend bij de lokale wensen en de visies van de kinderopvang- en onderwijsorganisaties. Gezamenlijke huisvesting blijft overigens niet altijd beperkt tot kinderopvang en onderwijs. Maatschappelijke ontwikkelingen leiden tot huisvesting waar consultatiebureaus, bibliotheken, sportvoorzieningen en zelfs ouderenzorg onderdeel van zijn. Deze ontwikkeling naar een breed dienstenaanbod vanuit gezamenlijke huisvesting past bij de decentralisatie van taken waar de overheid in de afgelopen jaren op gestuurd heeft en maakt onderdeel uit van de participatiesamenleving. In kleinere kernen draagt het bij aan het voorzieningenniveau en daarmee aan de leefbaarheid. De praktijk kent mooie voorbeelden van brede maatschappelijke huisvesting.
Een andere opgave waar de sectoren in de toekomst mee te maken hebben, betreft de uitvoering van het klimaatakkoord. Deze heeft stevige gevolgen voor de huisvesting. De komende jaren zal er fors geïnvesteerd moeten worden om te gaan voldoen aan de verplichtingen. In het onderwijs is dit gekoppeld aan de kwaliteitsopgave van de huisvesting. Een beduidend deel van de onderwijshuisvesting is verouderd en bij verduurzaming zal er in veel gevallen ook geïnvesteerd moeten worden in de kwaliteit. De extra opgave vanuit het klimaatakkoord met extra financiële mogelijkheden kan voor alle sectoren kansen bieden ten aanzien van de organisatie van de gezamenlijke huisvesting en daarbij het maken van nieuwe afspraken over verantwoordelijkheden tussen de eigenaar en gebruikers. Kwalitatief goede en goed georganiseerde huisvesting ondersteunt de samenwerking en draagt daarmee bij aan kindontwikkeling. In de praktijk lopen zowel gemeenten, kinderopvangorganisaties en onderwijsorganisaties daarbij tegen praktische vraagstukken aan. Deze vraagstukken ontstaan met name vanwege de verschillende stelsels van onderwijs en kinderopvang. Deels zit het ook in onvoldoende kennis over elkaars positie en expertise.
Dit geldt ook voor onze gemeente die naast de uitvoering van de wettelijke zorgplicht voor onderwijshuisvesting, zich ook verantwoordelijk voelen voor het faciliteren van organisaties die als partner nauw betrokken zijn bij de vormgeving van een eenduidige pedagogische omgeving voor kinderen zoals verwoord in de visie “It takes a whole village to raise a child” en onderschreven door de partners tijdens de miniconferentie van 13 oktober 2022. Gezamenlijke huisvesting als onderdeel van de infrastructuur: Huisvesting is een middel en geen doel. Gezamenlijke huisvesting kan ontstaan vanuit een breed gedragen gezamenlijke visie op de ontwikkeling van kinderen, maar ook vanuit pragmatische uitgangspunten zoals leegstand van lokalen. Van belang is dat alle partijen in het proces zo vroeg mogelijk en gelijkwaardig betrokken zijn zodat er inhoudelijk en bedrijfsmatig condities worden gecreëerd die passend zijn voor gemeente, onderwijs en kinderopvang. Gezamenlijke huisvesting is nu reeds onderdeel van de voorzieningenstructuur in Aalten. Veelal onder de noemer van een (Integraal) Kindcentrum, een brede school of huur van ruimte in een school door een kinderopvangorganisatie. Dit zal in de komende jaren naar verwachting toenemen, maar solitaire locaties voor onderwijs en kinderopvang blijven bestaan.
Sommige onderwijsgebouwen zijn niet geschikt voor verbreding en er zijn ouders die bewust kiezen voor solitair gehuisveste kinderopvang. Dit betekent dat ook naar de toekomst toe sprake zal zijn van een divers aanbod. Wanneer de uitvoering van het regeerakkoord ook daadwerkelijk gaat lukken, zal met ingang van 1 januari 2025 de overheid 96% van de kosten van de kinderopvang voor werkende ouders gaan betalen. Ouders gaan dan 4% van de kosten als eigen bijdrage betalen, ongeacht hun inkomen. Hierdoor wordt de kinderopvang voor veel ouders een stuk goedkoper en zal dit gaan leiden tot forse uitbreiding van de vraag naar kinderopvang. Ongetwijfeld zal dat ook leiden tot aanvullende huisvestingsvragen vanuit het onderwijs en de kinderopvang.
41
BESTAANDE BOUW Medegebruik en verhuur Medegebruik is geregeld in artikel 108 van de Wet op het Primair onderwijs (WPO) en geldt voor invulling van leegstand in onderwijsruimten door een uit de openbare kas bekostigde onderwijsorganisatie of organisatie met culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden. Denk hierbij aan welzijnsorganisaties en muziekscholen. Kinderopvang valt niet onder de kaders van medegebruik, daar spreken we over verhuur. Sinds de harmonisatie met kinderopvang in 2018 geldt dit ook voor de peuterspeelzalen. De peuterspeelzalen vallen sindsdien onder de regels van de Wet kinderopvang en zijn vaak omgevormd tot peuteropvang. Dit is dagopvang voor een beperkt aantal uren. Er zijn een aantal verschillen tussen medegebruik en verhuur. Medegebruik kan zonder voorafgaande instemming van de gemeente (er dien wel gemeld te worden), bij verhuur moet die instemming vooraf geregeld zijn. Bij medegebruik wordt eventueel een gebruiksvergoeding gevraagd, bij verhuur een marktconforme huursom. Bij zowel medegebruik als verhuur is er echter in het geval van onderwijsbestemming geen huurbescherming. Uitzondering hierop is medegebruik door een andere school. Het ontbreken van huurbescherming is voor kinderopvang een vaak ervaren knelpunt en beperkt de samenwerking en investering vanuit de kinderopvang.
In onderdeel C, bestaande bouw, is dit knelpunt inclusief een aantal mogelijke oplossingen uitgewerkt. Bij het maken van huurafspraken en invulling van de samenwerking moet er ook nagedacht worden over de situatie dat de samenwerking niet goed verloopt en partijen afscheid van elkaar willen nemen. Dit kan in een overeenkomst uitgewerkt worden. NIEUWBOUW Scenario’s voor organiseren en financieren kinderopvang bij gezamenlijke huisvesting In dit onderdeel komen de meest voorkomende scenario’s voor realisatie van nieuwe gezamenlijke huisvesting aan de orde. Binnen de scenario’s worden variaties toegepast, vaak ontstaan vanuit lokale wensen. Bij nieuwbouw zijn de volgende scenario’s te onderscheiden: 1. Gemeente investeert. 2. Kinderopvangorganisatie investeert in eigen ruimten. 3. Onderwijsorganisatie investeert. 4. Beheerstichting investeert. 5. Externe partij investeert. Scenario 1: Gemeente investeert Dit is het meest voorkomende scenario. De gemeente vult niet alleen haar wettelijke taak in met betrekking tot onderwijshuisvesting, maar investeert ook in de ruimten voor kinderopvang. Hierbij worden separate ruimtes voor dagopvang gerealiseerd. Voor de buitenschoolse opvang wordt meestal een combinatie gemaakt tussen eigen ruimten en ruimten delen met het onderwijs. Dat kunnen lokalen zijn, aula’s en ook speel- en leerruimten.
Vanuit een gemeentelijk beleid wordt in deze variant een huisvestingsvoorziening gepland. De gemeente zal daarbij een regeling moeten treffen, bijvoorbeeld als onderdeel van haar eigen lokale verordening voorzieningen huisvesting onderwijs. Het staat de gemeente vrij om daarin tevens de gezamenlijke huisvesting als voorziening op te nemen. De gemeente kan daarvoor een overeenkomst sluiten met de betrokken onderwijsorganisatie(s) en kinderopvangorganisatie(s). De regels omtrent aanbesteding zijn verderop beschreven.
42
Voor deze wijze van bekostiging is er momenteel geen wettelijke grondslag. De wet en verordening voorzien niet in een zorgplicht inclusief bekostiging van gemeenten voor huisvesting van kinderopvang. Een gemeente kan een eigen invulling geven aan de huisvestingstaak. Zo hebben verschillende gemeenten een vastgesteld Integraal Huisvestingsplan (IHP) opgenomen in hun verordening. Daarin zijn de voorzieningen die voor bekostiging in aanmerking komen geconcretiseerd in huisvestingsprojecten van het IHP. Gezamenlijke huisvesting is daar onderdeel van. Zo is dit ook terug te vinden in het huidige concept IHP van de gemeente Aalten. Als de gemeente zelf investeert in de ruimten voor kinderopvang zijn er twee varianten mogelijk, namelijk: a) De gemeente investeert, het volledig juridisch eigendom komt bij de onderwijsorganisatie. b) De gemeente investeert en voert een kadastrale splitsing door. De onderwijsorganisatie krijgt het juridisch eigendom over het schooldeel. De ruimten voor kinderopvang blijven in eigendom bij de gemeente die deze verhuurt aan de kinderopvangorganisatie. Ad a) Juridisch eigendom volledig bij onderwijsorganisatie In dit scenario stelt de gemeente de bekostiging beschikbaar op basis van een raming en/of offerte per locatie aan de onderwijsorganisatie voor het volledige gebouw.
De onderwijsorganisatie zal als juridisch eigenaar en bouwheer de uitvoering verzorgen. Het is ook mogelijk dat het schoolbestuur de gemeente vraagt om als bouwheer op te treden, omdat de specifieke expertise ontbreekt. De gemeente bekostigt enkel de investering om het gebouw geschikt te maken. Voor het onderhoud van de ruimten voor kinderopvang zal de onderwijsorganisatie vervolgens zorgdragen. De kosten daarvan worden gedekt uit de huuropbrengsten. De onderwijsorganisatie kan deze niet dekken uit de onderwijsmiddelen, gelet op de wettelijke bestedingsbeperkingen. De gemeente zal hierbij het risico voor de school voor bijvoorbeeld leegstand van de ruimten voor kinderopvang afdekken. Daarvoor kan een overeenkomst gesloten worden tussen de gemeente en de onderwijsorganisatie. Bij het vastleggen van de huur wordt een component voor de gemeente bepaald voor de dekking van de investeringslasten met eventueel opslagen voor onder andere het leegstandsrisico. Een ander deel van de huursom is (afhankelijk van de eigendomssituatie en beheersafspraken) voor de onderwijsorganisatie ten behoeve van de beheer-, onderhouds- en exploitatielasten van de ruimten voor kinderopvang.
In de situatie dat de onderwijsorganisatie juridisch eigenaar is, zal zij de huurovereenkomst met de kinderopvangorganisatie afsluiten en wordt het deel van de huursom voor de dekking van de investering aan de gemeente afgedragen. In de gemeente Leeuwarden heeft men ervoor gekozen om niet met huur te werken, maar met een gebruiksrecht. In de kern werkt dit hetzelfde als met een huurovereenkomst. Ad b) Ruimten voor kinderopvang blijven eigendom gemeente De gemeente kan er ook voor kiezen om volledig eigenaar te blijven van de ruimten voor kinderopvang. De onderwijsorganisatie wordt dan alleen eigenaar van het onderwijsdeel. Dit wordt via een kadastrale splitsing geregeld. Voordeel is dat er dan geen onderwijsbestemming rust op de ruimten voor kinderopvang en er daardoor sprake is van een reguliere huurafspraak met huurbescherming voor de kinderopvangorganisatie. De afspraken tussen de gemeente en kinderopvangorganisatie worden daarbij via een huurovereenkomst vastgelegd. Een voorbeeld hiervan is het Kindcentrum De Vaart in Ter Aar (gemeente Nieuwkoop), maar ook in de gemeente Amsterdam wordt middels deze variant gezamenlijke huisvesting ontwikkeld. Scenario 2: Kinderopvangorganisatie investeert Naast het scenario dat de gemeente investeert in ruimten voor kinderopvang is dit een vaker voorkomend scenario.
Uitgangspunt hierbij is dat er kadastrale splitsing plaatsvindt, waarbij de gemeente de ruimten voor onderwijs bekostigt. De kinderopvangorganisatie krijgt het gebouwdeel voor kinderopvang in eigendom met een appartementsrecht, meestal in combinatie met een erfpacht op de grond. De kinderopvang betaalt een koopsom tijdens de bouw of bij oplevering en daarnaast een jaarlijkse canon voor de erfpacht op de grond. De kinderopvangorganisatie kan in het geval dat zij investeert zekerheden vragen van de gemeente als eigenaar/erfpachtgever van de grond. Zo omvat een standaardakte tot splitsing of opstal een verkoopregulerend beding in het geval partijen het
43
appartements- of opstalrecht willen beëindigen. De gemeente heeft daarbij een recht van eerste koop, terwijl de kinderopvangorganisatie als erfpachter een aanspraak heeft op een vergoeding van de investering. Dit kan bijvoorbeeld tegen restwaarde of economische waarde. De splitsing in appartementsrechten vraagt om de oprichting van een Vereniging van Eigenaren (VvE). Als er op de lange termijn herbestemming van het schooldeel overwogen wordt, zal er meestal ook een vraag ontstaan over het deel kinderopvang dat aangebouwd is en eigendom is van de kinderopvangorganisatie. Deze aspecten worden in de planfase van de ontwikkeling van de gezamenlijke huisvesting meegenomen. Dit scenario is voor een beperkte groep kinderopvangorganisaties financieel haalbaar. Een grote groep kinderopvangorganisaties is financieel niet in staat om vanuit eigen middelen in één of meerdere gebouwdelen voor kinderopvang te investeren. Externe financiering is daar een hulpmiddel bij. Scenario 3: Onderwijsorganisatie investeert De wettelijke ruimte voor een onderwijsorganisatie om te investeren in huisvesting voor kinderopvang is zeer beperkt. Er moet in ieder geval aan de volgende voorwaarden voldaan zijn: • De investering mag niet uit de onderwijsbekostiging verricht worden. Deze is immers bestemd voor onderwijs.
• Er dient vooraf met de gemeente overeenstemming te zijn over de afdekking van het risico voor de exploitatie-, beheer- en onderhoudslasten bij leegstand van de ruimten voor kinderopvang. Dit scenario komt sporadisch voor en is complex. Het is niet nader uitgewerkt in deze handreiking. Daar waar men middels deze weg gezamenlijke huisvesting wil realiseren, zal dat in goed overleg met onderwijsspecialisten, accountant en juristen uitgewerkt moeten worden. Scenario 4: Beheerstichting investeert Al dan niet in combinatie met een private ontwikkelaar wordt er in dit scenario een separate stichting opgericht door in ieder geval de onderwijsorganisatie en de kinderopvangorganisatie om tot gezamenlijke huisvesting te komen. Deze beheerstichting draagt zorg voor de planvorming, de realisatie, de financiering, de rol van de gemeente binnen het financieringsvraagstuk en vervolgens ook de exploitatie en het beheer van de huisvesting. De huisvesting komt daarbij in eigendom van de beheerstichting, hierbij is sprake van doordecentralisatie. De deelnemende organisaties moeten goede afspraken maken voor zowel de samenwerking, als ook voor situaties waarbij partijen uittreden dan wel de beheerstichting beëindigd wordt.
Voor de oprichting en instandhouding van de aparte rechtspersoon worden extra bestuurlijke lasten gecreëerd; de toegevoegde waarde kan vooral worden bereikt bij een zeker volume, bijvoorbeeld door binnen de stichting meerdere locaties in dezelfde opzet te ontwikkelen en te realiseren. Er dient verder rekening gehouden te worden met fiscale aspecten op het vlak van de overdrachtsbelasting, BTW en vennootschapsbelasting. Dit laatste vraagt maatwerkondersteuning van een fiscalist/accountant. Door meerdere projecten in een beheerstichting te bundelen ontstaat er volume waardoor men meer expertise kan ontwikkelen binnen de stichting. Bij een aantal varianten binnen dit scenario wordt uitgegaan van afschrijvingsregels waarbij er sprake is van een restwaarde van de huisvesting. Solitaire onderwijshuisvesting en ook gezamenlijke huisvesting zijn echter geen courant vastgoed en daarmee is het de vraag of werken met restwaarde verstandig is. De rekening kan dan naar einde looptijd verschuiven. Scenario 5: Externe partij investeert Voor de investering kan eventueel ook een externe partij worden aangetrokken. Voor 2006 waren dit onder andere de woningcorporaties. Als onderdeel van wijkvernieuwing realiseerden ze brede scholen.
Gekoppeld aan de renovatie of vernieuwbouw van woningen en het toevoegen van overige voorzieningen zorgde dit voor een wijkvernieuwing inclusief de benodigde voorzieningen. Vanuit regelgeving mogen woningcorporaties hier niet meer in investeren.
44
Indien een externe partij investeert in gezamenlijke huisvesting is het van belang dat de condities passend zijn bij de positie van onderwijs en kinderopvang. Denk hierbij aan de eigendomspositie van de huisvesting en terugbetalingsafspraken. BESTAANDE BOUW De grootste opgave qua aantallen en complexiteit zit bij de bestaande schoolgebouwen. Per jaar wordt er maar een beperkt aantal nieuwe scholen gebouwd. De plannen voor ontwikkeling van gezamenlijke huisvesting bij bestaande gebouwen is vaker onderwerp van gesprek dan nieuwbouw. Het is complexer vanwege de ruimtevraag. Het aanpassen van een solitair schoolgebouw naar huisvesting voor onderwijs en kinderopvang kan op een aantal manieren gerealiseerd worden: 1. Bestaande ruimten in het gebouw benutten, denk aan lege lokalen en de aula. 2. Bouwen van extra ruimten, denk aan een aanbouw of extra verdieping. 3. Solitaire huisvesting op of nabij het schoolplein realiseren. 4. Een combinatie van bovenstaande. Bij bestaande bouw staat de rol en taak van de onderwijsorganisatie centraal. De onderwijsorganisatie is over het algemeen juridisch eigenaar en is daarmee de opdrachtgever/bouwheer. De onderwijsorganisatie treedt in die situatie op als verhuurder, kinderopvang als huurder.
Hierbij dient de kanttekening gemaakt te worden dat de onderwijsorganisatie geen risico kan aanvaarden voor kosten waar de gemeente of kinderopvang verantwoordelijk voor is. De medewerking van de gemeente is in deze situatie vereist. De onderwijswetgeving (art 108 WPO) bepaalt dat een huurovereenkomst nietig is zonder voorafgaande instemming van de gemeente. Een knelpunt bij schoolgebouwen voor de kinderopvang betreft het ontbreken van huurbescherming. De reguliere huurbescherming, opgenomen in het Burgerlijk Wetboek (artikel 7:230a BW), is voor onderwijsgebouwen uitgesloten (artikel 107 en 108 WPO). De gemeente heeft op grond van de onderwijswetgeving de bevoegdheid leegstaande ruimte te vorderen (art 107 WPO), waarmee lopende huurovereenkomsten komen te vervallen. Vorderen kan bijvoorbeeld bij groei van de betreffende school, als een andere school ruimte nodig heeft of als een uit openbare kas bekostigde instelling ruimte nodig heeft. Tevens kan de huurovereenkomst tussen de kinderopvangorganisatie en de onderwijsorganisatie in bepaalde gevallen van rechtswege eindigen (artikel 108 WPO), bijvoorbeeld na einde van de afgesproken huurtermijn. Deze wettelijke bevoegdheden van de gemeente vloeien voort uit het ‘economisch claimrecht’ van de gemeente op onderwijsgebouwen.
De onderwijswetgeving wijst weliswaar de onderwijsorganisatie aan als juridisch eigenaar, maar de economische waarde van het schoolgebouw komt door wettelijke bevoegdheidsverdeling toe aan de gemeente. Dit is gerelateerd aan het feit dat de gemeente het gebouw bekostigd heeft. Er zijn meerdere mogelijkheden om de huurpositie van de kinderopvang te versterken. Er zijn twee scenario’s die ervoor zorgen dat er huurbescherming ontstaat voor de kinderopvangorganisatie. De overige oplossingen zorgen weliswaar niet voor formele huurbescherming, maar geven de kinderopvang een sterkere positie in de relatie tot de onderwijsinstelling. In het kader van de gekozen contract vorm is het in elke situatie raadzaam na te denken over de mogelijke ontwikkelingen en hun impact op de posities en belangen van deelnemende partijen. Zo zal een af- of toename van het aantal leerlingen gevolgen hebben voor zowel de kinderopvangorganisatie, het schoolbestuur als de gemeente, die dergelijke ontwikkelingen zouden moeten meenemen in de visievorming en het beleid rondom huisvesting. A) Kadastrale splitsing Met het doorvoeren van een kadastrale splitsing, splitst men het gebouw in twee (of meer) appartementsrechten. Dit is bij zowel nieuwbouw als bestaande bouw een mogelijkheid.
De onderwijsorganisatie (het bevoegd gezag) blijft juridisch eigenaar van het ene gedeelte, de kinderopvangorganisatie kan eigenaar worden van het andere gedeelte. Ook is het mogelijk dat de gemeente eigenaar wordt van het andere gedeelte, en dit gedeelte verhuurt aan de
45
kinderopvangorganisatie. Deze oplossing levert huurbescherming op voor de kinderopvangorganisatie, omdat de bepaling uit de WPO geen betrekking hebben op huurovereenkomsten waar de onderwijsorganisatie geen partij bij is. Per gemeente kunnen de voorwaarden rondom kadastrale splitsing en het huisnummerbesluit verschillen. Het is zaak dat men hier in de voorbereidende fase al kennis van neemt. Deze oplossing is het meest geschikt voor situaties van structurele aard en bij enige omvang van de ruimte in het schoolgebouw. B) Verhuur na toepassing van artikel 110 WPO – Gemeente verhuurt Op het moment dat het schoolbestuur van een school een gedeelte van de school blijvend niet meer gebruikt, of niet meer zal gebruiken, doet de onderwijsorganisatie hiervan melding bij de gemeente. Na ondertekening van de akte (lid 1) en de inschrijving daarvan in de openbare registers verkrijgt de gemeente de eigendom van dat gedeelte. De gemeente kan dit gedeelte verhuren aan een kinderopvangorganisatie en op deze overeenkomst is de reguliere huurbescherming, opgenomen in het Burgerlijk Wetboek (artikel 7:230a BW), van toepassing. Varianten die de positie van de kinderopvang versterken: A) Verhuur na toepassing van artikel 110 WPO – Onderwijs verhuurt Als variant op scenario 1B kan de gemeente de onderwijsorganisatie toestemming geven om het gedeelte van de school te verhuren.
Deze toestemming geldt voor maximaal 3 jaar, en kan daarna met steeds 3 jaar worden verlengd. Op deze vorm van verhuur is echter geen huurbescherming van toepassing omdat de onderwijsorganisatie de verhuurder is (artikel 110, negende lid, WPO). Het gevolg van de toepassing van artikel 110 WPO is dat het gedeelte blijvend niet meer voor het onderwijs gebruikt wordt, en de kinderopvangorganisatie de toepassing van artikel 108, tweede lid, onderdeel b, WPO niet riskeert. B) Vaststellingsovereenkomst met meetekening door gemeente Indien de onderwijsorganisatie (verhuurder) en de kinderopvangorganisatie (huurder) een huurovereenkomst aangaan, kunnen partijen in de overeenkomst vastleggen wat de uitgangspunten en de bedoeling van de partijen is geweest bij het aangaan van deze overeenkomst. Partijen kunnen daarbij afspreken om de gemeente een formele rol te geven. Dat kan door een bepaling op te nemen dat de gemeente moet beoordelen of de beëindiging van de huurovereenkomst door de onderwijsorganisatie, dat het gedeelte niet nodig heeft voor het eigen onderwijs, passend is. Bovengenoemde uitgangspunten kunnen als kader bij de beoordeling van de huurovereenkomst dienen. Daarmee treedt een onafhankelijke derde in de beoordeling van de beëindiging van de huurovereenkomst. Dergelijke bepalingen mogen echter direct noch indirect het bepaalde in artikel 107 en 108 WPO doorkruisen.