Bijlage 6 Vormvrije m.e.r.-beoordeling.pdf
Tekst van het document
29/36 — SOB010086 — Definitief — 5 september 2019
Bijlagen Bijlage 1: Bijlage 2: Bijlage 3:
Wetgeving en beleid Regionale ligging Foto’s van het plangebied
30/36 — SOB010086 — Definitief — 5 september 2019
Bijlage 1
Wetgeving en beleid
Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming (hierna Wnb) vervangt vanaf 1 januari 2017 de Natuurbeschermingswet 1998, Flora- en faunawet en de Boswet en voorziet hiermee in een gemoderniseerd wettelijk kader voor de bescherming van natuurgebieden, dier- en plantensoorten en houtopstanden. Een belangrijk deel van de in de wet opgenomen regels bestaat uit de omzetting van de internationale verplichtingen op het vlak van bescherming van de biologische diversiteit, in het bijzonder de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De Wnb richt zich in basis op: - het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde, en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit, - het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies, en - het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies. De wet geeft ook invulling aan de in het bestuursakkoord natuur gemaakte afspraken over decentralisatie van taken en verantwoordelijkheden van het Rijk naar de provincies.
De instrumenten en begrippenkaders van de Wnb zijn zo goed mogelijk afgestemd op andere onderdelen van het omgevingsrecht, in het bijzonder de toekomstige Omgevingswet. In de Wnb zijn, behalve meer algemene bepalingen over bevoegdheden, natuur- en landschapsbeleid, beleidsmonitoring en instrumenten ter bescherming van natuur en landschap ook specifieke regels opgenomen ter bescherming van bijzonder natuurwaarden. Het gaat dan in het bijzonder om de bescherming van natuurgebieden van Europees belang (Natura 2000gebieden) en de bescherming van soorten die van nature in Nederland in het wild voorkomen die een specifieke bescherming behoeven. Deze onderwerpen zullen hieronder worden toegelicht. Zorgplicht Een belangrijk overkoepelend instrument is de zorgplicht (artikel 1.11) waarin gesteld wordt dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving.
Deze zorg houdt in elk geval in dat eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor in het wild levende dieren en planten: dergelijke handelingen achterwege laat dan wel indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zo veel mogelijk beperkt of ongedaan maakt (mitigatie).
31/36 — SOB010086 — Definitief — 5 september 2019
Gebiedsbescherming In de Wnb zijn regels opgenomen die de bescherming van natuurgebieden van Europees belang die behoren tot het Natura 2000-netwerk. Deze gebieden worden beschermd om de gunstige staat van instandhouding van vogelsoorten, habitattypen en andere planten- en diersoorten te behouden en waar nodig te herstellen. Voor plannen of projecten met mogelijke schadelijke handelingen is in de Wnb een vergunningensysteem opgenomen. Hier aan gekoppeld kan het bevoegd gezag preventieve dwingende maatregelen opleggen om schadelijke effecten te voorkomen. Op basis van de Wnb wordt alleen nog bescherming geboden aan de zogenaamde Natura 2000-gebieden, welke onderdeel zijn van het Europese netwerk van natuurgebieden. De eerder nationaal beschermde natuurmonumenten worden niet meer beschermd op grond van nationale wetgeving. Wel kunnen provincies ‘bijzondere provinciale natuurgebieden’ en bijzondere provinciale landschappen’ aanwijzen. Provincies kunnen eventueel zelf regelgeving opstellen voor deze gebieden. De gebiedsbescherming is gericht op de bescherming van aangewezen habitats en soorten binnen de gebieden. Significant negatieve effecten op het beschermde gebied zijn niet toegestaan, tenzij sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang, er geen alternatieven voorhanden zijn en alle schade wordt gecompenseerd.
De wet voorziet eveneens in het beschermen van het gebied tegen handelingen buiten het Natura 2000-gebied met een mogelijk negatief effect op de beschermde habitats en hieraan gekoppelde soorten. Dit is geregeld op basis van de zogenaamde externe werking. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden komen de uitvoeringsbevoegdheden voor het overgrote deel bij de provincies te liggen, met uitzondering van het aanwijzen van Natura 2000-gebieden en het vaststellen van de instandhoudingsdoelstellingen. Ten aanzien van de uitvoering is de provincie waarin een ingreep plaatsvindt, bevoegd. Voor rijkswateren blijft de rijksoverheid bevoegd. Soortenbescherming De in de Wnb gestelde regels ter bescherming van soorten voorzien in voorschriften ter bescherming van de van nature in het wild levende planten- en diersoorten. In dit deel staan de verplichte instrumenten van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern, Bonn en het biodiversiteitsverdrag centraal. Het is er op gericht om voor de beschermde soorten een gunstige staat van instandhouding te bereiken of te herstellen. Verbodsbepalingen De verboden, afwijkingsmogelijkheden en andere beschermingsmiddelen zijn direct overgenomen uit deze richtlijnen en verdragen en worden in de Wnb opgedeeld in drie beschermingsregimes.
Elk van de drie beschermingsregimes kent zijn eigen soortenlijsten met daarbij eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffingsverlening. Voor de eerste twee beschermingsregimes sluiten deze nauw aan bij de verboden en uitzonderingen uit respectievelijk de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Voor de andere soorten geldt een minder strikt regime.
32/36 — SOB010086 — Definitief — 5 september 2019
Vogelrichtlijnsoorten: De bescherming van alle natuurlijk in het wild levende vogels van soorten die voorkomen in de EU als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn en de niet in die bijlage genoemde geregeld voorkomende trekvogelsoorten (artikel 3.1; zie bijlage 1). Voor deze soorten gelden de volgende verboden: Habitatrichtlijnsoorten: De bescherming van in het wild levende dieren en planten van soorten die voorkomen in de EU (zie bijlage 1) op grond van de Habitatrichtlijn (bijlagen I, II, IV en V) en soorten van de Conventie van Bern Appendix II en de Conventie van Bonn Appendix I (art. 3.5; zie bijlage 1). Voor deze soorten zijn in de Wnb de volgende verboden opgenomen: lid 1: Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. lid 2: Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. lid 3: Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. lid 4: Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen.
lid 5: Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere soorten: De bescherming van niet onder de bovenstaande twee categorieën vallende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland, vermeld in de bijlage van de Wnb (art. 3.10; zie bijlage 2). Voor deze soorten is onverminderd artikel 3.5 eerste, vierde en vijfde lid het verboden om: lid 1a: in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen. lid 1b: de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel A opzettelijk te beschadigen of te vernielen. lid 1c: vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Voor de zoogdier-, amfibie- en reptielsoorten opgenomen in de bijlage van artikel 3.10 geldt geen Europese verplichting tot bescherming.
Deze soorten worden beschermd vanwege ecologische redenen of de breed in de maatschappij levende overtuiging dat deze dieren een bescherming behoeven. Hiermee geeft Nederland uitvoering aan de algemene verplichting van het Biodiversiteitsverdrag om kwetsbare en bedreigde dier- en plantsoorten te beschermen. Nesten De Wnb kent geen standaardperiode voor het broedseizoen van vogels. Het gaat erom of er een broedgeval is. Verblijfplaatsen van vogels die hun verblijfplaats het hele jaar gebruiken, zijn jaarrond beschermd.
33/36 — SOB010086 — Definitief — 5 september 2019
Slechts een beperkt aantal soorten bewoont het nest permanent of keert elk jaar terug naar hetzelfde nest. De meeste vogels maken elk broedseizoen een nieuw nest of zijn in staat om een nieuw nest te maken. Deze vogelnesten voor eenmalig gebruik vallen alleen tijdens het broedseizoen onder de bescherming van artikel 1.3 lid 2 van de Wnb. U heeft voor deze soorten geen ontheffing nodig voor werkzaamheden buiten het broedseizoen. En ook niet als u maatregelen treft die voorkomen dat deze soorten zich op de bouwplaats vestigen tijdens het broedseizoen. U mag dus buiten het broedseizoen nesten verplaatsen of verwijderen, maar daar zijn uitzonderingen op. Nesten die het hele jaar door zijn beschermd Op de volgende categorieën gelden de verbodsbepalingen van artikel 1.3 lid 2 van de Wnb het gehele seizoen: 1. nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats (voorbeeld: steenuil). 2. nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: roek, gierzwaluw en huismus). 3.
nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: ooievaar, kerkuil en slechtvalk). 4. vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (voorbeeld: boomvalk, buizerd en ransuil). Deze categorieën zijn terug te vinden in de ‘Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten’. Nesten die niet het hele jaar door zijn beschermd In de ‘Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten’ worden de volgende soorten aangegeven als categorie 5. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd. 5. nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten De aangepaste lijst met jaarrond beschermde nesten is indicatief en niet uitputtend. Als aanvulling op de vorige lijst zijn ook vogelsoorten opgenomen met niet jaarrond beschermde nesten. De soorten uit bovenstaande categorie 5 vragen extra onderzoek, ook al zijn hun nesten niet jaarrond beschermd.
Categorie 5-soorten zijn namelijk wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen.
34/36 — SOB010086 — Definitief — 5 september 2019
Bijlage 2
Kaart regionale ligging
35/36 — SOB010086 — Definitief — 5 september 2019
Opdrachtgever:
LEGENDA
Kaemingk B.V. Titel:
Ligging onderzoekslocatie
Regionale ligging Kaartblad(en):
41B & 41D Adres:
Vierde Broekdijk te Aalten Projectnummer:
SOB010086
Tekenaar:
Documentnaam:
SOB010086
Gezien door: W. Lemstra
Tekening:
1
Datum:
29 augustus 2019
Formaat:
A4
Schaal:
1: 25.000
Orionweg 28, 8938 AH, Leeuwarden +3188 910 2000 www.Lievense.com
0
250
B. van Dijken
500
750
1.000
1.250m
Ondergronden zijn afkomstig van het Kadaster
Bijlage 3
Foto’s
Foto 1: noordoostzijde plangebied vanaf eikenboom
Foto 2: overzicht westzijde plangebied
Foto 3: overzicht oostzijde plangebied nabij dijkje
Foto 4: overzicht plangebied vanaf openbare weg
Foto 5: Veegboom van ree
Foto 6: Eikenboom zuidoostzijde plangebied
36/36 — SOB010086 — Quickscan ecologie — 1.0, versie 1.0 — 5 september 2019
Bijlage 2 Ecologisch onderzoek Buro Ontwerp en Omgeving
11
Quickscan natuurtoets
Herontwikkeling Dinxperlosestraatweg 70 Aalten
Dhr. H. Drenthel
Projectnummer: 3398.01 Datum: 29-01-2021
Quickscan natuurtoets Herontwikkeling Dinxperlosestraatweg 70 Aalten
Opdrachtgever:
Dhr. H. Drenthel
Projectnummer:
3398.01
Datum:
29-01-2021
Projectleider en rapporteur:
Jur Metselaar
Autorisatie:
Laura Tilleman
Opdrachtnemer:
Buro Ontwerp & Omgeving Velperweg 157 6824 MB Arnhem Postbus 2033 6802 CA Arnhem info@ontwerpenomgeving.nl www.ontwerpenomgeving.nl
Quickscan natuurtoets
Buro Ontwerp & Omgeving
INHOUD
Pagina
1
INLEIDING .............................................................................................................................................. 3
2
PROJECTGEBIED EN WERKZAAMHEDEN ................................................................................................ 4 2.1 Beschrijving projectgebied ...................................................................................................... 4 2.2 Algemene constateringen ....................................................................................................... 5 2.3 Geplande werkzaamheden ..................................................................................................... 6
3
WERKWIJZE............................................................................................................................................ 7 3.1 Bureauonderzoek .................................................................................................................... 7 3.2 Veldbezoek .............................................................................................................................. 7 3.3 Betrouwbaarheid .................................................................................................................... 7
4
BELEIDSKADER ....................................................................................................................................... 8 4.1 Algemeen ................................................................................................................................ 8 4.2 Gebiedsbescherming ............................................................................................................... 8 4.3 Soortbescherming ................................................................................................................... 9 4.4 Houtopstanden ....................................................................................................................... 9
5
RESULTATEN ........................................................................................................................................ 10 5.1 Gebiedsbescherming ............................................................................................................. 10 5.2 Soortbescherming ................................................................................................................. 11 5.3 Samenvatting ........................................................................................................................ 18
6
CONCLUSIE .......................................................................................................................................... 19 6.1 Conclusies gebieds- en soortbescherming ............................................................................ 19 6.2 Nader onderzoek ................................................................................................................... 21
7
LITERATUURLIJST ................................................................................................................................. 22 7.1 Referenties ............................................................................................................................ 22 7.2 Gebruikte websites ............................................................................................................... 23 7.3 Overige geraadpleegde bronnen .......................................................................................... 23
Dinxperlosestraatweg 70 te Aalten
2
3398.01
Quickscan natuurtoets
1
Buro Ontwerp & Omgeving
INLEIDING In opdracht van dhr. H. Drenthel is door Buro Ontwerp & Omgeving een quickscan natuurtoets uitgevoerd aan de Dinxperlosestraatweg 70 te Aalten. Het initiatief voorziet in de realisatie van een nieuwe opslaghal met bijbehorende parkeervoorziening op een perceel dat in de huidige situatie niet bebouwd is. Het doel van de natuurtoets is om een indicatie te krijgen van de aanwezigheid en (mogelijke) effecten van de ingreep op beschermde gebieden en dier- en plantensoorten. Uit deze natuurtoets moet blijken of er nadelige effecten zijn op gebieden met een speciale beschermingsstatus, namelijk: Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en de Groene Ontwikkelingszone. Vervolgens worden de mogelijke effecten onderzocht op onder de Wet natuurbescherming beschermde dier- en plantensoorten. Als (nadelige) effecten niet uit te sluiten zijn moet nader onderzoek plaatsvinden, moeten er mitigerende/compenserende maatregelen getroffen worden en/of eventueel een ontheffing van de Wet natuurbescherming worden aangevraagd. Deze natuurtoets is gebaseerd op bureauonderzoek en een veldonderzoek. In het voorliggende rapport worden achtereenvolgens het projectgebied (hoofdstuk 2), de werkwijze (hoofdstuk 3), het beleidskader (hoofdstuk 4), de resultaten (hoofdstuk 5) en de conclusie (hoofdstuk 6) beschreven.
Dinxperlosestraatweg 70 te Aalten
3
3398.01
Quickscan natuurtoets
Buro Ontwerp & Omgeving
2
PROJECTGEBIED EN WERKZAAMHEDEN
2.1
Beschrijving projectgebied Het projectgebied betreft een onbebouwd perceel aan de Dinxperlosestraatweg 70 te Aalten en ligt achter het bedrijfspand van ISG Lettink. Het projectgebied bevindt zich aan de rand van bedrijventerrein ’t Broek in het uiterste zuiden van Aalten. De directe omgeving kan deels worden omschreven als een bedrijventerrein en deels als buitengebied met enkele woningen, weilanden, akkers, houtwallen en bosgebieden. Op de navolgende afbeelding is de begrenzing van het projectgebied weergegeven.
Figuur 1: Ligging van het projectgebied (rood kader).
Dinxperlosestraatweg 70 te Aalten
4
3398.01
Quickscan natuurtoets
2.2
Buro Ontwerp & Omgeving
Algemene constateringen De locatie bestaat uit een grasveld, een parkeerterrein, een vijver, een houtwal, een strook met bosschages en een transformatorhuisje. De reeds aanwezige bedrijfshal valt buiten het projectgebied en ook de bomenrij naast de vijver valt hier buiten. Figuur 2 geeft een sfeerimpressie van het projectgebied.
Figuur 2: De zuidelijke rand van het projectgebied wordt gemarkeerd door houten paaltjes (linksboven); Grasperceel met op de achtergrond het pand van ISG Lettink (rechtsboven); Langs de noordelijke rand van het projectgebied loopt een smalle grasstrook en bevindt zich een strook met bosschages (linksonder); Een diepe vijver met watervegetatie in het zuidelijk deel van het projectgebied (rechtsonder).
Dinxperlosestraatweg 70 te Aalten
5
3398.01
Quickscan natuurtoets
2.3
Buro Ontwerp & Omgeving
Geplande werkzaamheden Het plan voorziet in de realisatie van een opslaghal op een perceel dat in de huidige situatie niet bebouwd is. Hierdoor zullen het grasveld, de vijver en de strook met bosschages verdwijnen. De houtwal in het noordwesten blijft intact en de bomenrij naast de vijver valt buiten de begrenzing van het projectgebied. Langs de perceelgrens, tussen de bomenrij en de houtwal, worden inheemse bomen en struiken aangeplant. Daarnaast wordt er in het noordwesten van het projectgebied een nieuwe wadi gerealiseerd.
Dinxperlosestraatweg 70 te Aalten
6
3398.01
Quickscan natuurtoets
Buro Ontwerp & Omgeving
3
WERKWIJZE
3.1
Bureauonderzoek Voorafgaand aan het veldbezoek is onderzoek gedaan naar de ligging van het gebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden, de voorkomende habitats en de verspreidingsgegevens van beschermde soorten in en rondom het gebied. De bronnen die hiervoor zijn geraadpleegd zijn te vinden in de literatuurlijst (zie hoofdstuk 7).
3.2
Veldbezoek Het veldbezoek is uitgevoerd op 26 januari 2021 en vond plaats van 08:25 tot 09:05. Tijdens het veldbezoek was het bewolkt, stond er een matige wind (W3) en was het 3 graden Celsius. Er is gekeken naar het terrein en de geschiktheid hiervan voor beschermde plant- en diersoorten. Ook is gekeken naar de aanwezigheid van beschermde soorten, met inbegrip van sporen als braakballen, uitwerpselen, nesten en andere mogelijke verblijfplaatsen.
3.3
Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de huidige wet- en regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van het projectgebied voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van deze soorten. In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan natuurtoets geldig is voor een periode van maximaal drie jaar, tenzij de ecologische omstandigheden in deze periode wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, of wanneer inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan drie jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de natuurtoets opnieuw te onderzoeken.
Dinxperlosestraatweg 70 te Aalten
7
3398.01
Quickscan natuurtoets
Buro Ontwerp & Omgeving
4
BELEIDSKADER
4.1
Algemeen De Wet natuurbescherming (Wnb) heeft als doel de natuur te beschermen, te ontwikkelen en de biologische diversiteit te behouden en herstellen. Voor ruimtelijke ingrepen zijn naast de algemene zorgplicht (artikel 1.11) ook hoofdstuk 2 (Natura 2000-gebieden), hoofdstuk 3 (soortenbescherming) en hoofdstuk 4 (houtopstanden) van de Wnb van belang. Beschermde gebieden die geen deel uitmaken van het Natura 2000-netwerk zijn het Natuurnetwerk Nederland en de Groene Ontwikkelingszone. Deze gebieden vallen echter niet onder de Wnb, maar worden op provinciaal niveau beschermd.
4.2
Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Natura 2000-gebieden zijn aangewezen op basis van de Vogel- en Habitatrichtlijn van de Europese Unie. Dit zijn gebieden waarin habitats en soorten beschermd worden die van Europees belang zijn. Per Natura 2000-gebied zijn specifieke instandhoudingsdoelen opgesteld. Projecten en andere handelingen die negatieve effecten hebben op de kwaliteit van de habitats en/of de instandhoudingsdoelen van het gebied mogen niet plaatsvinden zonder een vergunning. Dit geldt niet alleen voor projecten en handelingen binnen het Natura 2000-gebied. Ook projecten en handelingen aangrenzend of buiten het gebied kunnen negatieve effecten veroorzaken. Natuurnetwerk Nederland Natuurnetwerk Nederland (NNN) bestaat uit een netwerk van natuurgebieden en heeft als doel deze beter met elkaar en omringende agrarische gebieden te verbinden. In Gelderland zijn deze gebieden bekend als het Gelders Natuurnetwerk (GNN). Het NNN is niet meegenomen in de Wnb; provincies wijzen zelf gebieden aan en dragen de verantwoordelijkheid voor het NNN en zijn behoud en ontwikkeling. In Gelderland zijn de GNN-gebieden aangewezen in de Provinciale Omgevingsvisie en beschermd volgens de bijbehorende Provinciale Omgevingsverordening (Provincie Gelderland, 2018ᵃᵇ). Ruimtelijke ingrepen mogen de kenmerken en waarden van het NNN niet schaden.
Dit wordt gewaarborgd door het ‘nee, tenzij’-principe. Dit houdt in dat de voorgenomen ontwikkeling geen doorgang kan vinden als er sprake is van significant negatieve effecten, tenzij wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: De ontwikkeling moet van groot openbaar belang zijn; Er zijn geen reële alternatieven; Negatieve effecten op oppervlakte, samenhang en wezenlijke kenmerken en waarden worden zoveel mogelijk beperkt en de overblijvende effecten worden gelijkwaardig gecompenseerd. Groene ontwikkelingszone Om de samenhang van de natuur in het Gelders Natuurnetwerk te beschermen wil de provincie verbindingszones aanleggen in de Groene Ontwikkelingszone. Het bestaat uit terreinen met een andere bestemming dan natuur die vervlochten zijn met het GNN. Ruimtelijke ontwikkelingen zijn in principe niet toegestaan als deze een significant negatief effect hebben op de kernkwaliteiten. Net als de GNN-gebieden is de Groene Ontwikkelingszone aangewezen in de Provinciale Omgevingsvisie en beschermd volgens de bijbehorende Provinciale Omgevingsverordening (Provincie Gelderland, 2018ᵃᵇ).
Dinxperlosestraatweg 70 te Aalten
8
3398.01
Quickscan natuurtoets
4.3
Buro Ontwerp & Omgeving
Soortbescherming De Wet natuurbescherming kent drie beschermingsregimes voor soorten: Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn (Wnb § 3.1) Beschermingsregime soorten uit bijlage IV van de Habitatrichtlijn, bijlage II van het verdrag van Bern en bijlage I van het verdrag van Bonn (Wnb § 3.2) Beschermingsregime andere soorten (Wnb § 3.3) In bovengenoemde paragrafen uit de Wnb zijn verbodspalingen vastgesteld en is vastgesteld voor welke handelingen een vrijstelling verleend kan worden. De verbodsbepalingen houden in dat vogels en andere beschermde soorten niet gedood of opzettelijk gestoord mogen worden en nesten, voortplantings- en rustplaatsen niet beschadigd mogen worden. Verder mogen beschermde planten niet geplukt of vernield worden. Als de werkzaamheden van het project leiden tot het overtreden van deze verbodsbepalingen moet worden nagegaan of een provinciale vrijstelling geldt of dat een ontheffing moet worden verkregen.
4.4
Houtopstanden Als houtopstanden buiten de bebouwde kom worden geveld kan er een meld- en herbeplantingsplicht gelden. Dergelijke houtopstanden worden in de Wet natuurbescherming omschreven als een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend die een oppervlakte van 10 are of meer beslaan. Ook wordt een rijbeplanting van meer dan 20 bomen als houtopstand gerekend (Wnb §4.1).
Dinxperlosestraatweg 70 te Aalten
9
3398.01
Quickscan natuurtoets
Buro Ontwerp & Omgeving
5
RESULTATEN
5.1
Gebiedsbescherming Natura 2000 Het projectgebied ligt buiten de Natura 2000-gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is gelegen op een afstand van circa 9,1 kilometer en betreft het ‘Korenburgerveen’. Andere Natura 2000-gebieden liggen op meer dan 10 kilometer afstand, bijvoorbeeld ‘Klevsche Landwehr, Anholtsche Issel, Feldschlaggraben und Regnieter Bach’ op ca. 10,7 km, ‘Wooldse Veen’ op ca. 11,4 km en ‘Burlo-Vardingholter Venn und Entenschlatt’ op ca. 11,5 km (figuur 3).
Figuur 3. Ligging projectgebied (rode stip en pijl) t.o.v. de Natura 2000-gebieden (groen gearceerde vlakken en lijnen).
Storingsfactoren als oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, verstoring door licht, verstoring door trilling, optische verstoring en verstoring door mechanische effecten zijn niet aan de orde. Gezien de afstand tot de Natura 2000-gebieden kunnen deze negatieve effecten op voorhand worden uitgesloten. Indirecte negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie kunnen echter niet op voorhand worden uitgesloten. Er wordt daarom verzocht om een AERIUS-berekening uit te laten voeren. Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone Het projectgebied ligt op circa 45 meter afstand van gebieden die behoren tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en op circa 360 meter afstand van de Groene Ontwikkelingszone (GO) (figuur 4). Gezien de ligging buiten deze gebieden worden de kernkwaliteiten en ontwikkelingen van het NNN en de GO bij de werkzaamheden niet aangetast.
Dinxperlosestraatweg 70 te Aalten
10
3398.01
Quickscan natuurtoets
Buro Ontwerp & Omgeving
Figuur 4. Ligging projectgebied (rood vlak) t.o.v. het Gelders Natuurnetwerk (donkergroen) en de Groene Ontwikkelingszone (lichtgroen).
Houtopstanden De houtopstanden in het projectgebied vallen onder de definitie houtopstanden, zoals bedoeld in paragraaf 4.1 van de Wet natuurbescherming. Het betreft een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend die een oppervlakte van circa 12,5 are beslaan. Bij het geheel of gedeeltelijk vellen van de houtopstanden geldt een meld- en herbeplantingsplicht.
5.2
Soortbescherming Vleermuizen Op basis van openbare verspreidingsgegevens kunnen in de omgeving van het projectgebied de volgende vleermuissoorten voorkomen: gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, gewone grootoorvleermuis, meervleermuis en watervleermuis. Alle vleermuissoorten vallen onder de Habitatrichtlijn (artikel 3.5 Wnb). Verblijfplaatsen Vleermuizen kunnen globaal opgedeeld worden in boombewonende soorten zoals de rosse vleermuis en gebouwbewonende soorten zoals de gewone dwergvleermuis. Ook zijn er soorten die zowel gebouw- als boombewonend zijn.
Dinxperlosestraatweg 70 te Aalten
11
3398.01
Quickscan natuurtoets
Buro Ontwerp & Omgeving
Gebouwbewonende soorten maken doorgaans gebruik van spouwruimtes, spleten en vergelijkbare ruimtes in gebouwen. In het projectgebied is enkel een transformatorhuisje aanwezig. Deze is echter niet voorzien van geschikte openingen, waardoor negatieve effecten op verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen kunnen worden uitgesloten. In het projectgebied worden geen bomen met holtes geveld. Hierdoor zijn negatieve effecten op verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen uitgesloten. In de te behouden bomen aan de rand van het projectgebied werden geen holtes aangetroffen. Vliegroutes Vleermuizen volgen vaak lijnvormige elementen om heen en weer te bewegen tussen de verblijfplaatsen en foerageergebieden. Het behoud van lijnvormige landschapselementen is daarom van groot belang voor de instandhouding van vleermuispopulaties. Met het verdwijnen van de strook met bosschages worden mogelijk kwetsbare verbindingen van en naar de houtwal aangetast. Hierdoor moet nader onderzocht worden of deze houtopstanden fungeren als vliegroute. Foerageergebieden De in Nederland voorkomende vleermuizen leven allemaal van insecten. Ze foerageren daarom op allerlei plekken waar veel vliegende insecten aanwezig zijn. Enkele voorbeelden van dit soort gebieden zijn windbeschutte plaatsen langs lijnvormige elementen (bijv.
sloten, beken en houtwallen), maar ook open plekken in bosgebieden of langs oevers met rietkragen. Bij het verdwijnen van essentiële foerageergebieden gaan de verblijfplaatsen ook verloren. De strook met bosschages vormt een lijnvormig elementen dat tot een essentieel foerageergebied kan horen. Nader onderzoek is daarom noodzakelijk om te kunnen vaststellen of er sprake is van een essentieel foerageergebied in het projectgebied. Grondgebonden zoogdieren Algemene soorten Verschillende algemene grondgebonden zoogdieren kunnen voorkomen in en rondom het projectgebied, bijvoorbeeld de veldmuis en egel. Het is niet uit te sluiten dat deze zoogdieren in het projectgebied aanwezig zijn tijdens de werkzaamheden. Voor de meeste grondgebonden zoogdieren geldt in Gelderland een vrijstelling van de Wet natuurbescherming. Verder moet wel de zorgplicht in acht worden gehouden (artikel 1.11 Wnb), waarbij handelingen die nadelige effecten hebben achterwege gelaten moeten worden. Indien dit niet mogelijk is moeten maatregelen worden genomen om negatieve effecten te voorkomen of beperken. Strikt beschermde soorten Op basis van verspreidingsgegevens kunnen de boommarter, steenmarter, bunzing, hermelijn, wezel, das, eekhoorn en grote bosmuis in de omgeving van het projectgebied voorkomen. De boommarter is een bosbewoner die in verschillende bostypen voorkomt.
Boommarters verblijven in holen van andere diersoorten en passen die naar eigen behoefte aan. Vaak zijn dit holtes die zijn uitgehakt door spechten of burchten van vossen en dassen (Zoogdiervereniging, 2021a). Dergelijke boomholtes en burchten werden niet aangetroffen binnen de begrenzing van het projectgebied. Daarnaast is de strook met bosschages onvoldoende ontwikkeld om tot het functioneel leefgebied van de boommarter te behoren. Negatieve effecten op de soort kunnen daarom worden uitgesloten.
Dinxperlosestraatweg 70 te Aalten
12
3398.01
Quickscan natuurtoets
Buro Ontwerp & Omgeving
De steenmarter gebruikt hooizolders, loze ruimtes onder het dak, schuurtjes, boomholtes en dichte struwelen als verblijfplaats (Zoogdiervereniging, 2021e). Tijdens de quickscan is daarom gelet op sporen (bijv. latrines en prooiresten) die duiden op de aanwezigheid van de soort. Deze werden niet aangetroffen. De strook met bosschages kan echter dienen als vaste rustplaats van de steenmarter. Voor deze soort is er voldoende dekking aanwezig. Negatieve effecten op de soort kunnen daarom niet worden uitgesloten. De bunzing, hermelijn en wezel zijn kleine marterachtigen die in kleinschalige cultuurlandschappen voorkomen. Daarnaast zijn de bunzing en hermelijn afhankelijk van water in de omgeving en voldoende schuilmogelijkheden (Bouwens, 2017). De wezel heeft ook schuilmogelijkheden nodig in zijn leefgebied, maar kan op drogere plekken dan de hermelijn voorkomen (Zoogdiervereniging, 2021f). De strook met bosschages aan de rand van het projectgebied is voor kleine marterachtigen van voldoende oppervlak om tot het functioneel leefgebied te behoren. Negatieve effecten op de bunzing, hermelijn en wezel kunnen daarom niet worden uitgesloten. De das is een nachtactieve soort en komt voor in kleinschalige landbouwlandschappen. Burchten worden aangetroffen in houtwallen, langs bosranden, singels en heggen.
De burchtingangen maken deel uit van een uitgebreid holenstelsel van lange gangen en kamers die onderling verbonden zijn. Een typische burcht heeft drie à tien ingangen (Zoogdiervereniging, 2021b). De naast de bebouwde kom gelegen strook met bosschages vormt geen geschikt leefgebied voor de das. Het terrein werd desondanks onderzocht op de aanwezigheid van burchtingangen. Deze werden niet aangetroffen. Negatieve effecten op de soort kunnen daarom worden uitgesloten. Eekhoorns bouwen bolvormige nesten in bomen. Deze hebben een doorsnede van 30 tot 50 cm en zijn vooral ‘s winters goed waarneembaar. Soms gebruiken ze ook boomholtes, oude kraaien- of eksternesten of grote nestkasten als nestplaats. Nesten van eekhoorns kunnen op die van de ekster lijken, maar zijn te onderscheiden door de aanwezigheid van blaadjes (Zoogdiervereniging, 2021c). De strook met bosschages is echter niet voorzien van holtes of nesten die kunnen functioneren als verblijfplaats voor de soort. In de te behouden bomen aan de rand van het projectgebied werden eveneens geen holtes of nesten aangetroffen. Negatieve effecten op de eekhoorn kunnen daarom worden uitgesloten. De grote bosmuis is een nachtactieve soort die voorkomt in bosgebieden en een voorkeur heeft voor oude eiken- en beukenbossen. Dekking in de vorm van lage begroeiing en stenen zijn hierin erg belangrijk.
Nesten kunnen zich bevinden onder grote wortelstronken van oude bomen, burchten van dassen of holen van woelmuizen en mollen (Zoogdiervereniging, 2021d). De aanwezige elementen voldoen echter niet aan de habitateisen die de grote bosmuis stelt. De strook met bosschages heeft niet het karakter van een bosgebied waardoor negatieve effecten als gevolg van de werkzaamheden kunnen worden uitgesloten.
Dinxperlosestraatweg 70 te Aalten
13
3398.01
Quickscan natuurtoets
Buro Ontwerp & Omgeving
Vogels Algemene soorten Verschillende algemene vogelsoorten kunnen voorkomen in en rondom het projectgebied. Tijdens het veldbezoek werden de houtduif, heggenmus en winterkoning waargenomen. Alle in het wild levende vogelsoorten mogen niet opzettelijk gestoord, gevangen of gedood worden volgens de Vogelrichtlijn (artikel 3.1 Wnb). Tevens zijn alle vogelsoorten tijdens het broedseizoen beschermd. Omdat niet kan worden uitgesloten dat algemene vogels het volgende broedseizoen zullen nestelen in het projectgebied, geldt dat buiten het broedseizoen moet worden gewerkt om verstoring te voorkomen. Voor de meeste vogels kan worden aangenomen dat het broedseizoen van 15 maart tot en met 15 juli loopt, maar bij enkele soorten begint het seizoen eerder of loopt het langer door. Geldend hierbij is de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Strikt beschermde soorten Van sommige vogelsoorten zijn de vaste rust- en verblijfplaatsen jaarrond beschermd. Aan de rand van de bebouwde kom van Aalten kunnen dit de volgende soorten zijn: buizerd, havik, sperwer, boomvalk, kerkuil, ransuil, steenuil, grote gele kwikstaart en huismus. Van deze soorten kunnen de havik en grote gele kwikstaart op voorhand worden uitgesloten.
Zo broedt de havik alleen in bosgebieden of geïsoleerd gelegen houtopstanden waar geen verstoring optreedt en bevindt de broedbiotoop van de grote gele kwikstaart zich langs beken en rivieren in bosrijke gebieden De buizerd is een roofvogel die voorkomt in gevarieerde landschappen waar weilanden worden afgewisseld met houtwallen, bosranden en andere houtopstanden (BIJ12, 2017 a). Het projectgebied vormt daarom een potentieel geschikte leefomgeving voor de soort. In de te behouden houtwal bevinden zich echter geen nesten, waardoor negatieve effecten op de jaarrond beschermde nestplaatsen van de buizerd kunnen worden uitgesloten. De sperwer broedt voornamelijk in jonge dichte naaldbossen en halfopen landschappen, maar kan ook in laanbomen, geïsoleerde bosjes en parken broeden (Vogelbescherming Nederland, 2021c). In de te behouden houtwal bevinden zich echter geen nesten, waardoor negatieve effecten op de jaarrond beschermde nesten van de sperwer kunnen worden uitgesloten. De boomvalk jaagt in open en halfopen landschap zoals parklandschappen, heiden of boerenland. Ze broeden in verschillende typen bos, maar geven de voorkeur aan halfopen bos of bosranden (Vogelbescherming Nederland, 2021a). De soort broedt in oude kraaien- of eksternesten.
Dergelijke nesten werden niet aangetroffen, waardoor negatieve effecten op de jaarrond beschermde nesten van boomvalken kunnen worden uitgesloten. De kerkuil leeft doorgaans in cultuurlandschappen waar ook kruidenrijke akkerranden, houtwallen, heggen en bosjes worden aangetroffen. De soort broedt in Nederland in ongeveer 90% van de gevallen in nestkasten die in boerenschuren zijn geplaatst (BIJ12, 2017c). In het projectgebied is geen geschikte bebouwing aanwezig, waardoor er geen nest- of rustplaatsen zijn. Negatieve effecten op de kerkuil kunnen daarom worden uitgesloten.
Dinxperlosestraatweg 70 te Aalten
14
3398.01
Quickscan natuurtoets
Buro Ontwerp & Omgeving
De ransuil leeft in kleinschalige landbouwlandschappen, bosranden, parken en open bosgebieden. De soort broedt meestal in oude nesten van kraaien, eksters en soms in oude nesten van reigers, roofvogels of eekhoorns. Bij voorkeur bevinden deze zich in naaldbomen, maar ook in boomopslag, houtwallen en vrijstaande bomen (Vogelbescherming Nederland, 2021b). In het projectgebied is gekeken naar de aanwezigheid van nesten in bomen, maar deze werden niet aangetroffen. Negatieve effecten op de ransuil kunnen daarom worden uitgesloten. De steenuil is een soort die voorkomt in kleinschalige cultuurlandschappen. Steenuilen broeden meestal in boomholten, nestkasten of nauwe ruimtes in gebouwen, bijvoorbeeld tussen de dakbedekking en het beschot. De steenuil is een zeer honkvaste soort die jaarrond gebruikt maakt van het nest (BIJ12, 2017d). In het projectgebied zijn geen nestlocaties in gebouwen of holtes in bomen aanwezig waardoor er geen nestof rustplaatsen zijn. Negatieve effecten op de steenuil kunnen daarom worden uitgesloten. De huismus is een standvogel die gebonden is aan bebouwing en komt voornamelijk voor in dorpen en steden. Nesten worden doorgaans gebouwd onder dakpannen of kieren en spleten van woningen (BIJ12, 2017b). In het projectgebied is geen sprake van geschikte nestlocaties, maar tijdens het veldbezoek werden twaalf huismussen waargenomen in de strook met bosschages.
Omdat de functionele leefomgeving van de huismus eveneens beschermd is moet worden onderzocht of de bosschages deel uitmaken van de essentiele functionele leefomgeving. Naast strikt beschermde soorten, staan er ook soorten in de Wet natuurbescherming beschreven waarvan het nest alleen jaarrond beschermd is als er zwaarwegende ecologische redenen zijn. Dit zijn voornamelijk holenbroeders, maar ook soorten die op of tegen gebouwen aan nestelen zoals de tijdens de quickscan waargenomen koolmees en pimpelmees. In de omgeving van het projectgebied zijn echter voldoende uitwijkmogelijkheden, waardoor er geen ecologisch zwaarwegende redenen zijn om potentiële nesten van deze soorten jaarrond te beschermen. Reptielen en amfibieën Algemene soorten Op basis van openbare verspreidingsgegevens zijn verschillende algemene amfibieën in en rondom het projectgebied te verwachten, bijvoorbeeld de kleine watersalamander en bruine kikker. Voor de algemene soorten geldt een vrijstelling van de Wet natuurbescherming. Verder geldt wel de zorgplicht (artikel 1.11 Wnb), waarbij handelingen die nadelige effecten hebben achterwege gelaten moeten worden. Indien dit niet mogelijk is moeten maatregelen worden genomen om negatieve effecten te voorkomen of beperken.
Strikt beschermde soorten Uit de openbare beschikbare verspreidingsgegevens blijkt dat de zandhagedis en hazelworm in de omgeving van het projectgebied kunnen voorkomen. De zandhagedis valt onder de Habitatrichtlijn (artikel 3.5 Wnb) en de hazelworm is een nationaal beschermde soort (artikel 3.10 Wnb). De zandhagedis komt voor in zandige, droge heide- en duingebieden met struikhei. Ze hebben voldoende zonnige plekken nodig om op te kunnen warmen (BIJ12, 2017e). In het projectgebied zijn deze habitattypen niet aanwezig, waardoor negatieve effecten op de soort kunnen worden uitgesloten.
Dinxperlosestraatweg 70 te Aalten
15
3398.01
Quickscan natuurtoets
Buro Ontwerp & Omgeving
De hazelworm verblijft vaak onder vegetatie en dood hout en komt voornamelijk voor in open bossen, bosranden, heideterreinen, houtwallen en bermen op zand- en lössgronden (RAVON, 2021). De strook met bosschages behoort mogelijk tot het leefgebied van de soort, waardoor negatieve effecten op de soort niet kunnen worden uitgesloten. Vlinders Strikt beschermde soorten Uit de openbare beschikbare verspreidingsgegevens blijkt dat de grote vos, kleine ijsvogelvlinder en grote weerschijnvlinder eventueel te verwachten zijn in de omgeving van het projectgebied. Deze vlindersoorten zijn nationaal beschermd onder de Wet natuurbescherming (artikel 3.10 Wnb). De grote vos is een zeldzame, migrerende vlinder die haar eitjes legt rond de bovenste takken van hoogopgaande bomen. In Nederland voorzien iepen in 96% van de gevallen in de voortplantingsplaatsen van grote vossen. Sommige wilgensoorten, de pruim en de zoete kers vullen de overige 4% op (Nederlands Soortenregister, 2021). De soort overwintert als vlinder in oude, houten schuren, in holle bomen en tussen houtstapels. Het projectgebied voorziet niet in geschikte waardplanten en potentiële overwinteringslocaties voor de soort. Negatieve effecten op de voortplantings- en overwinteringslocaties kunnen worden uitgesloten.
De kleine ijsvogelvlinder komt vooral voor langs bosranden van loof- en gemengde bossen en is in alle levensstadia afhankelijk van de wilde kamperfoelie (De Vlinderstichting, 2018). Het projectgebied vormt geen geschikte voorplantingshabitat omdat er geen waardplanten aanwezig zijn. Negatieve effecten op de strikt beschermde kleine ijsvogelvlinder zijn uitgesloten. De grote weerschijnvlinder komt vooral voor in oude, vochtige bossen, wilgenbroekbossen of bossen langs beekdalen. De soort is in alle levensstadia afhankelijk van de boswilg, maar wordt soms ook op de grauwe wilg aangetroffen (De Vlinderstichting, 2021b). Het projectgebied vormt geen geschikte voorplantingshabitat omdat er geen waardplanten aanwezig zijn. Negatieve effecten op de strikt beschermde grote weerschijnvlinder zijn uitgesloten. Overige beschermde diersoorten Er zijn geen waarnemingen bekend van strikt beschermde vissen, weekdieren en kevers rondom het projectgebied. Uit de openbare beschikbare verspreidingsgegevens blijkt echter wel dat de bosbeekjuffer (libellensoort) in de omgeving van het projectgebied kan voorkomen. De bosbeekjuffer komt voor langs de midden- en bovenlopen van beken en rivieren. Delen van de waterloop met een grote variatie in stroomsnelheid hebben de voorkeur. De larven worden aangetroffen tussen de wortels van bomen in holle oevers (De Vlinderstichting, 2021a).
Omdat het in het projectgebied ontbreekt aan geschikte habitat zijn negatieve effecten op de bosbeekjuffer uitgesloten. Vaatplanten Op basis van openbare verspreidingsgegevens blijkt dat de strikt beschermde grote leeuwenklauw en het kluwenklokje in de omgeving van het projectgebied te verwachten zijn. Deze soorten worden beschermd volgens artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming.
Dinxperlosestraatweg 70 te Aalten
16
3398.01
Quickscan natuurtoets
Buro Ontwerp & Omgeving
De grote leeuwenklauw komt voor langs kalkrijke wegbermen, graanakkers, rivieroeverwallen, sloothellingen, braakliggende terreinen, dijken en spoorwegen. In het projectgebied is geen geschikte habitat aanwezig waardoor negatieve effecten op de grote leeuwenklauw kunnen worden uitgesloten. het kluwenklokje is een zeldzame soort die wordt aangetroffen op kamgrasweiden langs de grote rivieren en op blauwgraslanden. De natuurlijke standplaats bevindt zich op zonnige en matig vochtige bodems van kalk- of humushoudend zand, klei of leem. In de omgeving van Aalten is de soort alleen aangetroffen in buurtschap Dale. Gezien de ligging ten opzichte van het projectgebied en de biotoopvoorkeuren kan de aanwezigheid van het kluwenklokje uitgesloten worden. Tijdens de quickscan werden alleen algemene plantensoorten waargenomen; namelijk de zomereik, zwarte els, hazelaar, klimop, wilde liguster, vingerhoedskruid, stinkende gouwe, hondsdraf, waterzuring en pitrus. Voor deze soorten geldt echter geen ontheffingsplicht.
Dinxperlosestraatweg 70 te Aalten
17
3398.01
Quickscan natuurtoets
5.3
Buro Ontwerp & Omgeving
Samenvatting Onderstaande tabel geeft de soorten weer die (mogelijk) aanwezig zijn, de effecten waar ze last van hebben en eventuele vervolgstappen die genomen moeten worden. Soortgroep
Soort(en)
Aanwezigheid Nee
Mogelijk effect
Opmerkingen
Vleermuizen
Verblijfplaatsen gebouwbewonende soorten
Nee
-
Verblijfplaatsen boombewonende soorten Vliegroutes
Nee
Nee
-
Mogelijk
Foerageergebieden
Mogelijk
Grondgebonden zoogdiersoorten
Steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel Algemene soorten
Mogelijk
Verdwijnen vliegroutes Verdwijnen essentieel foerageergebied Verdwijnen functioneel leefgebied Nee*
Nader onderzoek nodig Nader onderzoek nodig Nader onderzoek nodig -
Vogels
Huismus
Ja
Algemene soorten
Ja
Hazelworm
Mogelijk
Algemene soorten
Mogelijk
Verdwijnen functioneel leefgebied Verstoring of verdwijnen nestplaatsen Verstoring of verdwijnen verblijfplaatsen Nee*
Nader onderzoek nodig Werken buiten het vogelbroedseizoen Nader onderzoek nodig -
Reptielen en amfibieën
Mogelijk
Vlinders
Strikt beschermde Nee Nee soorten Overige dier- Strikt beschermde Nee Nee soorten soorten Vaatplanten Strikt beschermde Nee Nee soorten *Er dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht.
Dinxperlosestraatweg 70 te Aalten
18
-
3398.01
Quickscan natuurtoets
Buro Ontwerp & Omgeving
6
CONCLUSIE
6.1
Conclusies gebieds- en soortbescherming Er is onderzoek gedaan naar de mogelijke effecten van het project op vaste verblijf- en rustplaatsen van beschermde plant- en diersoorten (Wnb). Daarnaast zijn de mogelijke effecten op beschermde natuurgebieden onderzocht. Deze worden in dit hoofdstuk verder toegelicht. Gebiedsbescherming Het projectgebied ligt buiten de Natura 2000-gebieden. Storingsfactoren als oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, verstoring door licht, verstoring door trilling, optische verstoring en verstoring door mechanische effecten zijn niet aan de orde. Gezien de afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (9,1 km) kunnen deze negatieve effecten op voorhand worden uitgesloten. Indirecte negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie kunnen echter niet op voorhand worden uitgesloten. Er wordt daarom verzocht om een AERIUS-berekening uit te laten voeren. Het projectgebied ligt op circa 45 meter afstand van gebieden die behoren tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en op circa 360 meter afstand van de Groene Ontwikkelingszone (GO). Gezien de ligging buiten deze gebieden worden de kernkwaliteiten en ontwikkelingen van het NNN en de GO bij de werkzaamheden niet aangetast.
Houtopstanden De houtopstanden in het projectgebied vallen onder de definitie houtopstanden, zoals bedoeld in paragraaf 4.1 van de Wet natuurbescherming. Het betreft een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend die een oppervlakte van circa 12,5 are beslaan. Bij het geheel of gedeeltelijk vellen van de houtopstanden geldt een meld- en herbeplantingsplicht. Soortbescherming Van een aantal soorten is de aanwezigheid in het projectgebied niet uit te sluiten. Hieronder wordt per soort ingegaan op de bescherming en de mogelijke effecten die zij kunnen ondervinden door de werkzaamheden. Vleermuizen Vleermuizen volgen vaak lijnvormige elementen om heen en weer te bewegen tussen de verblijfplaatsen en foerageergebieden. Het behoud van lijnvormige landschapselementen is daarom van groot belang voor de instandhouding van vleermuispopulaties. De vijver en de houtopstanden in het projectgebied kunnen daarom belangrijke onderdelen zijn in het leefgebied van vleermuizen. Het verdwijnen van essentiële foerageergebieden en vliegroutes kan negatieve effecten hebben op de verblijfplaatsen. Alle vleermuissoorten vallen onder de Habitatrichtlijn en zijn beschermd volgens artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming. Hierdoor is het verboden om de soorten opzettelijk te storen, vangen of doden en vaste rust- of verblijfplaatsen opzettelijk te beschadigen of vernielen.
Nader ecologisch onderzoek moet uitwijzen of er sprake is van essentiële foerageergebieden en vliegroutes in het projectgebied.
Dinxperlosestraatweg 70 te Aalten
19
3398.01
Quickscan natuurtoets
Buro Ontwerp & Omgeving
Steenmarter De strook met bosschages kan als vaste rustplaats functioneren voor de steenmarter. De steenmarter is beschermd volgens artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Hierdoor is het verboden om de soorten opzettelijk te storen, vangen of doden en hun vaste rust- of verblijfplaatsen opzettelijk te beschadigen of vernielen. Het verwijderen van de bosschages zou daarom kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Nader onderzoek moet uitwijzen of de steenmarter de strook met bosschages gebruikt als vaste rustplaats. Bunzing, hermelijn en steenmarter Van de bunzing, hermelijn en wezel is de aanwezigheid in het projectgebied niet uit te sluiten De strook met bosschages aan de rand van het projectgebied is voor kleine marterachtigen van voldoende oppervlak om tot het functioneel leefgebied te behoren. Het verwijderen van de bosschages kan daarom een negatief effect hebben op de kleine marterachtigen. De bunzing, hermelijn en wezel zijn nationaal beschermd (artikel 3.10 Wnb) en zijn in de provincie Gelderland niet vrijgesteld. Hierdoor is het verboden om de soorten opzettelijk te storen, vangen of doden en hun vaste rust- of verblijfplaatsen opzettelijk te beschadigen of vernielen. Nader onderzoek naar kleine marterachtigen is daarom noodzakelijk om vast te kunnen stellen of de soorten voorkomen in het projectgebied.
Huismus Tijdens het veldbezoek werden twaalf huismussen waargenomen in de strook met bosschages. Mogelijk behoren deze bosschages tot de essentiële functionele leefomgeving. Door het verdwijnen van de functionele leefomgeving worden ook de nestplaatsen ongeschikt gemaakt. De huismus wordt beschermd volgens artikel 3.1 van de Wnb. Hierdoor is het verboden om de soort opzettelijk te storen, vangen of doden en de nest- of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of vernielen. Omdat ook de leefomgeving is beschermd moet nader worden onderzocht of de bosschages deel uitmaken van de essentiële functionele leefomgeving. Hazelworm Van de hazelworm is de aanwezigheid in het projectgebied niet uit te sluiten. Tijdens de quickscan is het terrein geschikt bevonden langs de strook met bosschages. Het verwijderen van de bosschages kan daarom een negatief effect hebben op de hazelworm. De hazelworm wordt beschermd volgens artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Hierdoor is het verboden om de soort opzettelijk te storen, vangen of doden en hun vaste rust- of verblijfplaatsen opzettelijk te beschadigen of vernielen. Nader onderzoek naar de hazelworm is daarom nodig om vast te kunnen stellen of de soort voorkomt in het projectgebied. Algemene diersoorten Het kan zijn dat er tijdens de werkzaamheden algemene diersoorten in het projectgebied voorkomen.
Hierbij moet de algemene zorgplicht in acht worden genomen (artikel 1.11 Wnb). Handelingen die nadelige effecten hebben moet worden voorkomen. Indien dit niet mogelijk is moeten maatregelen worden genomen om negatieve effecten te voorkomen. Overigens moeten de werkzaamheden plaatsvinden buiten het vogelbroedseizoen omwille de aanwezigheid van algemene broedvogelsoorten.
Dinxperlosestraatweg 70 te Aalten
20
3398.01
Quickscan natuurtoets
6.2
Buro Ontwerp & Omgeving
Nader onderzoek Gelet op de geschiktheid van het projectgebied voor vleermuizen, steenmarter, bunzing, hermelijn, wezel, huismus en hazelworm is nader onderzoek noodzakelijk om de daadwerkelijke functie van het projectgebied voor deze soorten te kunnen bepalen. Deze informatie is benodigd om vast te kunnen stellen of overtredingen van de Wet natuurbescherming aan de orde zijn. Vleermuizen Het nader onderzoek dient uitgevoerd te worden conform het vleermuisprotocol 2021 (Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus & Zoogdiervereniging, 2021). Voor het onderzoek naar vliegroutes en essentiële foerageergebieden worden de onderzoeksmethoden van de gewone dwergvleermuis en meervleermuis aangehouden, waarbij ook andere vleermuissoorten kunnen worden aangetoond. Dit houdt in dat er twee onderzoeksrondes plaatsvinden in de periode van 15 april t/m 15 augustus, waarbij één onderzoeksronde moet plaatsvinden in de kraamperiode (15 mei t/m 15 juli). Het onderzoek naar de vliegroutes en foerageergebieden wordt gecombineerd uitgevoerd en de periode tussen de veldbezoeken bedraagt minimaal vier weken. Steenmarter Het aanvullend onderzoek naar de steenmarter moet worden uitgevoerd met een cameraval. De cameraval wordt tussen maart en september geplaatst voor de duur van minimaal twee weken.
Zo kan worden vastgesteld of de steenmarter in het gebied aanwezig is en wat voor functie het projectgebied al dan niet heeft. De cameraval moet geïnstalleerd worden in de strook met bosschages. Bunzing, hermelijn en wezel Het nader onderzoek naar de bunzing, hermelijn en wezel moet worden uitgevoerd conform de ‘Handreiking Kleine Marters in relatie tot soortbescherming’ (Bouwens, 2017). De kleine marterachtigen zijn het meest actief van maart tot en met augustus. Onderzoek naar deze soorten vindt plaats aan de hand van een combinatie van onderzoeksmethouden; namelijk met een cameraval, sporenbuis en marterbox. Om aanwezigheid van de soorten aan te kunnen tonen worden deze materialen gedurende zes weken tijdens de actieve periode geplaatst in de strook met bosschages. Huismus Het nader onderzoek naar de huismus moet worden uitgevoerd tussen 1 april en 15 mei conform het Kennisdocument van BIJ12. In deze periode moeten twee veldbezoeken worden afgelegd met een tussenliggende periode van minimaal tien dagen. Gedurende één uur moet worden gekeken of er huismussen aanwezig zijn en of de bosschages deel uitmaken van de essentiële functionele leefomgeving (BIJ12, 2017c). Hazelworm Het nader onderzoek naar de hazelworm moet worden uitgevoerd conform het aanwezigheidsprotocol van het Netwerk Groene Bureaus.
Er moeten daarom vier veldbezoeken worden afgelegd in de periode juni t/m september. Voor deze soort geldt dat er één maand voorafgaand aan de inventarisaties (gewenningsperiode) een aantal opwarmplaten moeten worden neergelegd (bijv. tapijttegels). Deze worden bij het veldbezoek gecontroleerd op aanwezigheid van de soort. Verder geldt dat er minimaal één maand tussen het eerste en laatste veldbezoek moet zitten (Netwerk Groene Bureaus, 2017).
Dinxperlosestraatweg 70 te Aalten
21
3398.01
Quickscan natuurtoets
Buro Ontwerp & Omgeving
7
LITERATUURLIJST
7.1
Referenties Bouwens, S. (2017). Handreiking Kleine Marters in relatie tot soortbescherming. ’s-Hertogenbosch, Nederland: Zoogdiervereniging Nederland en Provincie Noord-Brabant BIJ12 (2017a). Kennisdocument Buizerd, Buteo buteo, versie 1.0, juli 2017. BIJ12: Utrecht, Nederland. BIJ12 (2017b). Kennisdocument Huismus, Passer domesticus, versie 1.0, juli 2017. BIJ12: Utrecht, Nederland. BIJ12 (2017c). Kennisdocument Kerkuil, Tyto alba, versie 1.0, juli 2017. BIJ12: Utrecht, Nederland. BIJ12 (2017d). Kennisdocument Steenuil, Athene noctua, versie 1.0, juli 2017. BIJ12: Utrecht, Nederland. BIJ12 (2017e). Kennisdocument Zandhagedis, Lacerta agilis, versie 1.0, juli 2017. BIJ12: Utrecht, Nederland. De Vlinderstichting (2018). Kleine ijsvogelvlinder profiteert van goed beheer en warme meimaanden. Geraadpleegd op 22 januari 2021 via https://www.vlinderstichting.nl/actueel/nieuws/nieuwsbericht/kleine-ijsvogelvlinder-profiteert-van-goed-beheer-en-warme-meimaanden De Vlinderstichting (2021a). Bosbeekjuffer, Calopteryx virgo. Geraadpleegd op 27 januari 2021 via https://www.vlinderstichting.nl/libellen/overzicht-libellen/details-libel/bosbeekjuffer De Vlinderstichting (2021b). Grote weerschijnvlinder, Apatura iris. Geraadpleegd op 22 januari 2021 via https://www.vlinderstichting.nl/vlinders/overzicht-vlinders/details-vlinder/grote-weerschijnvlinder Nederlands Soortenregister (2021).
Grote vos, Nymphalis polychloros. Geraadpleegd op 22 januari 2021 via https://www.nederlandsesoorten.nl/linnaeus_ng/app/views/species/nsr_taxon.php?id= 168189&cat=152 Netwerk Groene Bureaus (2017). Soorteninventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming. Geraadpleegd op 28 januari 2021 via https://www.netwerkgroenebureaus.nl/downloads/category/21?download=649 Provincie Gelderland (2018ᵃ). Omgevingsvisie Gaaf Gelderland. Arnhem, Nederland: Provincie Gelderland. Provincie Gelderland (2018ᵇ). Geconsolideerde Omgevingsverordening (december 2018). Arnhem, Nederland: Provincie Gelderland. RAVON (2021). Hazelworm, Anguis fragilis. Geraadpleegd https://www.ravon.nl/Soor-ten/Soortinformatie/hazelworm
op
25
januari
2021
via
Vogelbescherming Nederland (2021ᵃ). Boomvalk. Geraadpleegd op 22 januari 2021 via https://www.vogelbescherming.nl/ontdek-vogels/kennis-over-vogels/vogelgids/vogel/boomvalk
Dinxperlosestraatweg 70 te Aalten
22
3398.01
Quickscan natuurtoets
Buro Ontwerp & Omgeving
Vogelbescherming Nederland (2021b). Ransuil. Geraadpleegd op 22 januari 2021 via https://www.vogelbescherming.nl/ontdek-vogels/kennis-over-vogels/vogelgids/vogel/ransuil Vogelbescherming Nederland (2021c). Sperwer. Geraadpleegd op 22 januari 2021 via https://www.vogelbescherming.nl/ontdek-vogels/kennis-over-vogels/vogelgids/vogel/sperwer Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus & Zoogdiervereniging (2021). Vleermuisprotocol 2021, januari 2021. www.netwerkgroenebureaus.nl en www.zoogdiervereniging.nl Zoogdiervereniging (2021a). Boommarter. Geraadpleegd op 25 januari 2021 via https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten/boommarter Zoogdiervereniging (2021b). Das. Geraadpleegd op 25 januari 2021 via https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten/das Zoogdiervereniging (2021c). Eekhoorn. Geraadpleegd op 25 januari 2021 via https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten/eekhoorn Zoogdiervereniging (2021d). Grote bosmuis. Geraadpleegd op 27 januari 2021 via https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten/grote-bosmuis Zoogdiervereniging (2021e). Steenmarter. Geraadpleegd op 25 januari 2021 via https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten/steenmarter Zoogdiervereniging (2021f). Wezel. Geraadpleegd op 25 januari 2021 via https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten/wezel